Uitspraak 201301050/1/R4

Uitspraak 201301050/1/R4
DATUM VAN UITSPRAAK
woensdag 14 mei 2014
TEGEN
de raad van de gemeente Rotterdam
PROCEDURESOORT
Eerste aanleg - meervoudig
RECHTSGEBIED
Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen ZuidHolland
201301050/1/R4.
Datum uitspraak: 14 mei 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Hoek van Holland,
gemeente Rotterdam,
2. Deltalinqs en anderen, allen gevestigd te Rotterdam,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoek van Holland
- Woongebied" vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben onder meer [appellanten sub 1] en Deltalinqs en anderen
beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting op 31 oktober 2013 behandeld, waar Deltalinqs en
anderen, vertegenwoordigd door E. Wijderveld, bijgestaan door mr. M.C. van Meppelen
Scheppink, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman en F.W. Kwint,
beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Vitea Fit,
vertegenwoordigd door M.M. Bulk, als belanghebbende gehoord.
Na de behandeling ter zitting heeft de Afdeling de zaak gesplitst en de behandeling van
één beroep voortgezet onder nummer 201301050/2/R4.
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er
zijn nog stukken ontvangen van de raad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
Met toestemming van partijen is afgezien van een verdere behandeling van de zaak ter
zitting.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om
bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een
goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend.
Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of
aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt
heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.
Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden
besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Het plan voorziet onder meer in nieuwbouw van woningen ter plaatse van de 1e
Scheepvaartstraat 26-30 en Concordiastraat 1-3 bij recht en voorts in een
wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van woningbouw op ontwikkelingslocatie
Lemaireweg.
Het beroep van [appellanten sub 1]
3. Het beroep van [appellanten sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming
"Wonen" dat betrekking heeft op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en de
Concordiastraat 1-3. [appellanten sub 1] voeren aan dat er op de desbetreffende locatie
geen behoefte is aan nieuwbouwwoningen, omdat in de omgeving al veel woningen te
koop staan en er in Hoek van Holland meerdere gebieden voor de ontwikkeling van
woningbouw zijn. [appellanten sub 1] betogen voorts dat het deel van de gronden dat
thans braak ligt, moet worden bestemd voor een wijkparkje en parkeervoorzieningen,
zoals door het dagelijks bestuur van de deelgemeente Hoek van Holland was toegezegd.
Voor het geval dat de bestreden woonbestemming aanvaardbaar moet worden geacht, is
het beroep van [appellanten sub 1] gericht tegen de aanduiding "maximaal aantal
bouwlagen = 2", voor zover dat is toegekend aan de desbetreffende percelen. Zij voeren
hiertoe aan dat het plan ten onrechte hogere bebouwing mogelijk maakt dan de thans
aanwezige bebouwing. Zij vrezen aantasting van hun privacy, beperking van de lichtinval
in hun woning en waardevermindering van de woning.
[appellanten sub 1] richten zich verder tegen de in het voorlopige bouwplan voorziene inen uitrit ten behoeve van het achter de voorziene woningen gelegen parkeerterrein. Zij
vrezen verstoring van hun woongenot vanwege verkeer dat langs de buitenmuur rijdt.
3.1. Volgens de raad is woningbouw ter plaatse gewenst, vanwege de ligging in de
bebouwde kom van Hoek van Holland, te midden van andere woningen. De woningbouw
past binnen de ambitie om de woonkern van Hoek van Holland aantrekkelijk te maken.
De omstandigheid dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente plannen had voor een
andere invulling van het braakliggende terrein staat er volgens de raad niet aan in de
weg dat het plan ter plaatse woningbouw mogelijk maakt. Hierbij acht de raad van
belang dat de plannen van het dagelijks bestuur financieel niet haalbaar waren.
De raad heeft wat betreft het aantal bouwlagen toegelicht dat hij, naar aanleiding van de
zienswijze van [appellanten sub 1] over het ontwerpplan, heeft besloten om op het naast
de woning van [appellanten sub 1] gesitueerde perceel aan de [locatie] het aantal
toegestane bouwlagen terug te brengen van twee naar één.
3.2. Aan de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-28 en de Concordiastraat 1-3 is de
bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel aan de Concordiastraat 3 is voorts de
aanduiding "maximaal aantal bouwlagen = 1" toegekend; aan de overige percelen de
aanduiding "maximaal aantal bouwlagen = 2".
Ingevolge artikel 24, lid 24.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen"
aangewezen gronden bestemd voor woningen, met de daarbij behorende voorzieningen
zoals (inpandige) bergingen en garageboxen, aanbouwen, bijgebouwen, alsmede tuinen,
groen, water en ontsluitingswegen en -paden.
Ingevolge artikel 33, lid 33.3, onder a en b, van de planregels gelden, voor zover in de
regels geen bepalingen zijn opgenomen ter zake van de maximum toegestane
bouwhoogte, de maatvoeringsaanduidingen ter zake op de verbeelding. Voor woningen
mag de maximum bouwhoogte (nokhoogte) niet meer bedragen dan 7 meter boven de
maximum goothoogte.
Ingevolge artikel 33, lid 33.4, van de planregels dient ingeval de toegestane bouwhoogte
in bouwlagen is vermeld, voor het berekenen van de maximum toegestane goothoogte
een hoogte van 3,5 meter voor een bouwlaag van een woonfunctie respectievelijk een
hoogte van 4,5 meter voor een niet-woonfunctie te worden aangehouden.
Ingevolge artikel 33, lid 33.6, van de planregels mogen gebouwen zowel met een kap als
plat worden afgedekt, ingeval noch de regels, noch de verbeelding duidelijkheid
verschaffen over de wijze van afdekking van gebouwen.
3.3. Wat betreft de behoefte aan woningen op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat
26-28 en de Concordiastraat 1-3 staat in de plantoelichting dat uit de Woonvisie Wonen
in Rotterdam volgt dat in de directe omgeving van de kern van Hoek van Holland ruimte
is voor nieuwe woningen in hetzelfde woonmilieu. Gelet hierop leidt hetgeen [appellanten
sub 1] hebben aangevoerd niet tot de conclusie dat de raad zich niet in redelijkheid op
het standpunt heeft kunnen stellen dat behoefte bestaat aan woningen op de
desbetreffende locatie.
Het betoog faalt.
3.4. Op het perceel dat grenst aan de woning van [appellanten sub 1] is maximaal één
bouwlaag toegestaan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 1] hebben
aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich gelet hierop niet in
redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat daardoor geen sprake is van een
onaanvaardbare aantasting van privacy en beperking van de lichtinval in hun woning.
3.5. [appellanten sub 1] hebben betoogd dat het dagelijks bestuur van de deelgemeente
Hoek van Holland heeft toegezegd dat ter plaatse een wijkparkje en
parkeervoorzieningen zouden worden gerealiseerd. De raad heeft ter zitting erkend dat
hij niet heeft onderzocht in hoeverre door of namens hem verwachtingen zijn gewekt dat
het plan daarin zou voorzien.
3.6. Ter zitting is vast komen te staan dat de raad heeft beoogd om voor het perceel aan
de [locatie] te regelen dat uitsluitend een plat dak is toegestaan. Op de papieren
verbeelding is ter plaatse de aanduiding "plat dak" opgenomen. Deze aanduiding
ontbreekt op de langs elektronische weg vastgestelde verbeelding, die op grond van
artikel 1.2.3, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening beslissend is. De raad heeft
ter zitting erkend dat de aanduiding abusievelijk niet in de digitale verbeelding is
verwerkt. Het plan regelt in zoverre niet hetgeen de raad beoogde te regelen.
3.7. Wat betreft de verstoring van het woongenot door de voorziene in- en uitrit heeft de
raad niet gemotiveerd en desgevraagd ter zitting ook niet toegelicht op welke wijze het
belang van [appellanten sub 1] bij voorkoming van verstoring van hun woongenot
vanwege verkeer op de door het plan naast hun gevel mogelijk gemaakte
ontsluitingswegen en -paden is betrokken bij de vaststelling van het plan.
3.8. Gelet op het overwogene onder 3.5, 3.6 en 3.7 ziet de Afdeling in hetgeen
[appellanten sub 1] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor
zover bestreden, onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en niet berust op een
deugdelijke motivering.
Het beroep van Deltalinqs en anderen
4. Het beroep van Deltalinqs en anderen is gericht tegen het plandeel met bestemming
"Recreatie" en de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied-1" voor ontwikkelingslocatie
Lemaireweg. Zij vrezen dat woningbouw ter plaatse zal leiden tot een beperking van de
geluidruimte en een aantasting van de gevestigde rechten die binnen de geluidzone van
het havengebied en het geluidruimte-verdeelplan gelden.
Verder is volgens Deltalinqs en anderen onvoldoende onderzocht of aangetoond dat bronof overdrachtsmaatregelen effectief en uitvoerbaar zijn, dan wel dat al het mogelijke
wordt gedaan om voor toekomstige bewoners een goede leefomgevingskwaliteit te
creëren. Deltalinqs en anderen voeren verder aan dat de ontwikkeling van woningbouw
ter plaatse in strijd is met de provinciale beleidsvisie duurzaamheid en milieu 2013-2017
(hierna: de provinciale beleidsvisie), omdat het plan burgers niet beschermt tegen
geluidhinder. Deltalinqs en anderen betogen voorts dat de ontwikkeling van woningbouw
ter plaatse in strijd is met de Havenvisie 2030, waarin staat dat een goede leefkwaliteit
voor de omgeving van groot belang wordt geacht. Volgens Deltalinqs en anderen is
onvoldoende gemotiveerd hoe de ontwikkeling van woningbouw ter plaatse zich verhoudt
tot deze doelstelling. Deltalinqs en anderen betogen dat het Ontheffingsbeleid Wet
geluidhinder van de gemeente Rotterdam (hierna: het ontheffingsbeleid) in de weg staat
aan woningbouw ter plaatse van ontwikkelingslocatie Lemaireweg, omdat de beoogde
woningbouwontwikkeling niet strookt met het doel van het beleid om het aantal
gehinderden te minimaliseren.
Ten slotte betogen Deltalinqs en anderen dat onvoldoende is gemotiveerd hoe het plan
zich verhoudt tot de bestemmingsplannen die worden voorbereid voor het havengebied,
en waarin wordt voorzien in een verdere uitbreiding van het complex.
4.1. Volgens de raad blijkt uit het akoestisch onderzoek dat door toepassing van de
zeehavennorm en het vaststellen van hogere waarden de woningen op de beoogde
locatie kunnen worden gerealiseerd.
Door uitbreiding van het aantal woningen wordt volgens de raad niet alleen invulling
gegeven aan de wens nieuwe groene woonmilieus te realiseren in de Rotterdamse regio,
maar krijgt ook het voorzieningenniveau van Hoek van Holland een flinke impuls, omdat
de groei van het aantal permanente bewoners een stevig draagvlak voor voorzieningen
genereert.
4.2. Volgens de verbeelding zijn aan ontwikkelingslocatie Lemaireweg de bestemmingen
"Recreatie", "Groen" dan wel "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend, alsook de aanduiding
"wro-zone - wijzigingsgebied-1".
Ingevolge artikel 35, lid 35.1, aanhef en onder a, van de planregels kan het college van
burgemeester en wethouders op grond van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening
ter plaatse van de aanduiding "wro-zone - wijzigingsgebied-1" de bestemmingen
"Recreatie", "Groen" en "Verkeer - Verblijfsgebied" wijzigen in de bestemmingen
"Wonen", "Tuin", "Groen", "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Verkeer - Wegverkeer".
4.3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de
aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de
wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd,
indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden.
Derhalve moet reeds bij het vaststellen van een wijzigingsbevoegdheid die woningbouw
mogelijk maakt, worden beoordeeld of woningbouw in het gebied waarop deze
bevoegdheid rust, vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel
aanvaardbaar is. De concrete invulling van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid
rust, is thans echter niet aan de orde en kan pas bij het mogelijke wijzigingsplan aan de
orde worden gesteld. Dit betekent dat in dit geval bezien moet worden of een invulling
mogelijk is, waarbij de raad in redelijkheid ervan heeft kunnen uitgaan dat sprake is van
een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat Deltalinqs en anderen niet onevenredig
worden belemmerd in hun bedrijfsvoering.
4.4. Voor zover Deltalinqs en anderen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft
gehouden met de belangen van bedrijven in het havengebied bij behoud van hun
uitbreidingsmogelijkheden, overweegt de Afdeling dat Deltalinqs en anderen niet hebben
geconcretiseerd in hoeverre zij worden beperkt in hun uitbreidingsmogelijkheden. Gelet
hierop en op de omstandigheid dat de rond het industrieterrein Maasvlakte/Europoort
gelegen geluidzone het kader vormt waarbinnen de toelaatbaarheid van een uitbreiding
wordt beoordeeld, ziet de Afdeling in hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd
geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt
heeft kunnen stellen dat het plan de uitbreidingsmogelijkheden van Deltalinqs en
anderen niet onredelijk beperkt.
4.5. Wat betreft de provinciale beleidsvisie overweegt de Afdeling dat de raad bij de
vaststelling van een bestemmingsplan niet aan provinciaal beleid is gebonden. Wel dient
de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de
belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat hij
de provinciale beleidsvisie heeft betrokken in zijn belangenafweging, nu geluidhinder
wordt teruggedrongen door gevelmaatregelen te treffen.
Voorts ziet de Afdeling in hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd geen grond
voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de Havenvisie 2030. Hiertoe
overweegt de Afdeling dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat sprake zal zijn van
een aanvaardbare leefkwaliteit ter plaatse door gevelmaatregelen te waarborgen.
In hetgeen Deltalinqs en anderen naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling voorts
geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het ontheffingsbeleid.
Hierbij betrekt de Afdeling dat de stelling van Deltalinqs en anderen dat het beleid ertoe
strekt dat het aantal gehinderden wordt geminimaliseerd niet uitsluit dat enige toename
van geluidhinder optreedt. Dit aspect kan bovendien zo nodig worden betrokken bij de
concrete invulling van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid rust.
Wat betreft de effectiviteit en de uitvoerbaarheid van bron- of overdrachtsmaatregelen,
overweegt de Afdeling als volgt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van
8 december 2010, in zaak nr. 201002846/1/M2) ziet het ontheffingsbeleid op de
beoordeling van bouw- en bestemmingsplannen waarbij het vaststellen van hogere
grenswaarden aan de orde kan zijn. De Afdeling stelt vast dat het ontheffingsbeleid een
weergave bevat van artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh, ingevolge welk artikel slechts
toepassing kan worden gegeven aan de in het eerste lid van dit artikel toegekende
bevoegdheid tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare
geluidbelasting, indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
geluidbelasting vanwege het industrieterrein van de gevel van de betrokken woningen tot
de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn. Zoals de
Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van heden (zaak nr. 201301051/1/R4), heeft het
college naar het oordeel van de Afdeling voldoende onderzoek verricht en voldoende
gemotiveerd dat de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de
geluidbelasting vanwege het industrieterrein op de gevels van de woningen die door
middel van een wijzigingsbevoegdheid op ontwikkelingslocatie Lemaireweg zijn voorzien,
onvoldoende doeltreffend zal zijn. In hetgeen Deltalinqs en anderen hebben aangevoerd,
ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd
is met het ontheffingsbeleid.
4.6. Naar de geluidbelasting in het gebied waaraan de bestreden wijzigingsbevoegdheid
is toegekend, is onderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn beschreven in de
plantoelichting. Volgens de resultaten van het geluidonderzoek bedraagt de maximale
geluidbelasting op de ontwikkelingslocatie Lemaireweg 57 dB(A) op een hoogte tot 10,50
m. Deltalinqs en anderen hebben het geluidonderzoek niet bestreden. Zoals de Afdeling
heeft overwogen bij uitspraak van heden (zaak nr. 201301051/1/R4), heeft het college
terecht toepassing gegeven aan de in artikel 60 van de Wet geluidhinder neergelegde
zeehavennorm, waarmee een waarde kon worden vastgesteld van ten hoogste 60 dB(A),
die door de wetgever als aanvaardbaar is geoordeeld. Hetgeen Deltalinqs en anderen
hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in
redelijkheid aannemelijk heeft kunnen achten dat op zodanige wijze invulling aan de
wijzigingsbevoegdheid kan worden gegeven dat bij de voorziene woningen sprake is van
een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.7. Wat de verhouding met andere bestemmingsplannen betreft, overweegt de Afdeling
dat de raad met de mogelijke inhoud van dergelijke toekomstige bestemmingsplannen in
redelijkheid geen rekening heeft hoeven houden.
4.8. De betogen falen.
Conclusie
5. Het beroep van [appellanten sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens
strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden
vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" dat
betrekking heeft op de percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en Concordiastraat
1-3. Het beroep van Deltalinqs en anderen is ongegrond.
6. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke
ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing
nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de
uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de
landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.
7. Wat [appellanten sub 1] betreft is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding
in aanmerking komen. Wat Deltalinqs en anderen betreft bestaat geen aanleiding voor
een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 29 november 2012
tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hoek van Holland - Woongebied", voor zover
het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" dat betrekking heeft op de
percelen aan de 1e Scheepvaartstraat 26-30 en de
Concordiastraat 1-3;
III. draagt de raad van de gemeente Rotterdam op om binnen vier weken na verzending
van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt
verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke
voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;
IV. verklaart het beroep van Deltalinqs en anderen ongegrond;
V. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan [appellant sub 1A] en [appellant
sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten
bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstinkvon Meyenfeldt en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van
Steenbergen, ambtenaar van staat.
w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Steenbergen
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2014
528-786.