Inleiding boekpresentatie TimeZone door Ben van Melick op 5 oktober 2014 Dames en heren, Tijdens de productie van dit boek heb ik als redacteur van Huis Clos verschillende keren intensief contact gehad met de schrijver; ter voorbereiding gingen dan wat mails op en neer. In een van die mails liet Tim, na aandringen mijnerzijds, zich een paar zinnen ontvallen over het boek; iets wat hij liever niet doet - dat is een eufemisme. Hij mailde: Stel je voor. Wat overkomt je als je dit boek opent en je fixeert op de tekst: Een rare titel. Een motto. In het Frans. Van een beroemdheid. Nog een motto. Nederlands dit keer. Van wie? Van nooit van gehoord. Een eerste zin, Engels, die je 3 x moet lezen en die dreunt als een concours voor orgel + fanfare. Je bent al uitgeput voor je door die eerste zin heen bent. De eerste zin is tekenend. A = A. Dat is de openingszin. Dat is geen gewone taal, maar symbooltaal, een tautologie, een dooddoener, een zin die de openingszin uitstelt, en te kijk zet. Een zin van een avant-texte, een tekst die in ieder geval geen gewone tekst wil zijn, kan zijn; die waar ze voor staat dicht betekent, qua betekenis reduceert. Daarna volgt een opeenvolging van tamelijk verbijsterende effecten van slapstick, schmieren, pathos, complexiteit als kitsch, filosofie, melodrama, krantenkoppen, citaten, over de top getilde redeneringen van wanhoop en sarcasme, alles op zijn kop gezet zoals de naam van de auteur op het omslag: 'de wereld is alles wat niet het geval is'. Zo! Hartstikke duidelijk. En nu? Laten we eerst vaststellen dat er teksten zijn die zich onttrekken aan de gewone leeshouding, aan de wijze waarop je dagdagelijks leest. Ik bijvoorbeeld lees de krant kris kras,ook de artikelen; de meeste tijdschriften, mainstream-romans en 1 essays scannend of diagonaal, en gedichten fragmentarisch. Daar zijn teksten bij die zich niet meteen aan je uitleveren en waarvan je denkt: de moeite van inspanning waard, meer tijd aan besteden, woord voor woord, zin voor zin lezen. Het betreft het wat moeilijker werk: grote romans, autonome poëzie, filosofie en wetenschap. Maar er zijn ook teksten die, wat je ook probeert, zich simpelweg verzetten tegen het gewone ‘begrijpend’ lezen, die vanaf het eerste oogcontact barrières oproepen, waarin bewust hinderpalen en chicanes zijn gezet, die maantekens bevatten die waarschuwen en het indirecte licht willen zijn achter de woorden. Het betreft teksten die meer zijn, of willen zijn, dan een grammaticaal samenhangend geheel met een specifieke retorisch opbouw dat beantwoordt aan of speelt met genre-eisen. Die teksten zijn qua vorm en qua inhoud bijzonder: qua vorm omdat ze de regels van het communicatieve taalgebruik aan hun laars lappen en het literair discours doorbreken. Vaak laten ze het schriftbeeld in de betekenisgeving doorwerken, waardoor ze tekst en beeld tegelijk zijn. Het zijn teksten die eigenlijk meer willen dan talig mogelijk is, daarom doorbreken ze de grammaticale grenzen en de geijkte vormgeving. Toch blijft de auteur ervan een ambachtsman, zoals elk consciëntieus schrijver, ook hem gaat het erom inhoud op adequate wijze te bemiddelen. Maar er is een essentieel verschil met de gewone schrijver: hij experimenteert met vorm en inhoud die voor hem niet scheidbaar zijn. Er is voor hem geen onderscheid tussen vorm en inhoud. De beginzin van Timezone is de formule: A=A. In interpreteer: A leidt dus niet automatisch tot B, C et cetera, A is niet noodzakelijk het begin van hèt alfabet. Mijn interpretatie is de inhoud van de formule - waarvan, in een andere context, het kenmerk is dat ze maar op een manier te lezen valt - in een zin vervat, maar ik heb die zin niet per se nodig om die inhoud te realiseren, en de schrijver wijst die zin af, want er zit veel meer in A=A dat hij varieert met A is A; ook het tegengestelde van wat ik lees! Voor veel lezers ligt de kwestie bij talige kunstwerken moeilijk, want in de meeste literatuur is taal de vorm waarin inhoud zich aan ons mededeelt. Elke keer weer moeten, wij gewone lezers, een weerstand overwinnen als teksten zich niet aan de communicatieve mores houden; en daarbij, steeds weer opnieuw dienen we ons te realiseren dat voor experimenterende schrijvers het weergeven van de werkelijkheid in het hoofd niets anders kan zijn dan de weergave van een complexe werkelijkheid, oneindig complexer dan wij die via de zintuigen in de dagdagelijkse praktijk realiseren. Wat experimentele teksten betekenen is inderdaad die veellagige, gefragmentariseerde, contingente stroom van beelden, gedachten, associaties, zonder begin en zonder einde. Die caleidoscoop enigszins 2 adequaat in taal te vatten, op papier krijgen, van het schedellabyrint een taalkunstwerk maken, dat doen die schrijvers. Hoe dan ook, uiteindelijk is zo’n tekst is het resultaat van een aantal inhoudelijke uitgangspunten/ thema’s/ motieven die je in een lijstje zou kunnen opvoeren. Zo zegt de schrijver, in dezelfde mail: In welke traditie staat deze tekst? Filosofie, Zappa, Schwitters, Bach. In de traditie van het bewustzijn van vormloosheid: vind een vorm van vormloosheid; try other languages; vergeet ‘stijl’. Mallarmé, Jacques Dupin, André du Bouchet, uitvinders van het wit op de pagina, van de pagina als architectuur. Kraanspoor is geïnspireerd door de leegte, is het wit in de tekst.( Impasse als methode.) Maar… wat ben je dan opgeschoten? Je hebt het begin van een betekeniskader: deze tekst is als Kraanspoor een teken in de leegte. En je beschikt over een soort van kunsthistorische oriëntatie, maar eigenlijk heb je nog niets. Timezone is vel meer, het is het geheel, de som van zijn elementen. Daarvoor is een syntaxis nodig die de schrijver met veel inspanning en na veel tijd op het spoor komt, na veel pas- en meetwerk inpast, en met minutieus schaaf- en ciseleerwerk tot een geheel smeedt, met als resultaat dat er eigenlijk geen element, geen woord meer is dat niet doelbewust zijn plaats heeft gekregen, in wat, volgens deze schrijver, de reconstructie van een impasse is en op de lezer als een associatieketen, als muziek misschien, overkomt. Het resultaat in ieder geval is een tekst die zich bedient van alle vertogen en genres, die verhaalkenmerken vertoont, en sporen van wetenschap en essay, waarin anekdotes zich verborgen weten, die lyrisch en prozaïsch is en waarin de lezer/ kijker/ snuffelaar betekeniswegen moet construeren door er vele malen op verschillende manieren in rond te dwalen, liefst met de pen in de hand om lijnen vast te leggen. Zo’n tekst vraagt inderdaad om een hyperactieve lezer, niet te verwarren overigens met de puzzelaar die zinloze, lege gehelen recreëert, want altijd weer gaat het om de verbindingen die een zinvol geheel of gehelen opleveren die je doen reflecteren op de eenheid vorm en inhoud. De lezer is hier medeschrijver. Zo’n tekst is de tekst van Tim Abeling Lesson. Coda Dit was mijn inleiding, mijn bevind van zaken - didactisch van aard, ik ben decennialang docent geweest - tot ik het nieuwe boek Wat er op het spel staat van Cyrille Offermans las. Geeft u mij nog een paar minuten voor een controversiële 3 coda, een echo van wat in de discussies naar aanleiding van de Marlène Dumasen Rothko-tentoonstellingen stof deed opwaaien: kunnen ze wel tekenen? Voor de literatuur bestaat die kwestie ook; kunnen ze wel schrijven? Een belangrijk boek dat van Offermans omdat het de vraag stelt naar zin en betekenis van de modernen in deze tijd. Zijn gepassioneerde verhandeling wordt begrensd door twee veelbetekenende motto’s. Een van Arthur Rimbaud en een van Roland Barthes (uitersten van avant gardekunst en –denken). Sinds ik ze las, dansen ze door mijn hoofd: Il faut être absulement moderne (Rimbaud: dwingend, programmatisch: het is absoluut noodzakelijk modern te zijn); en de verzuchting van Barthes ‘Toujours cette pensée: et si les modernes se trompaient? S’ils n’avaient pas de talent?’: En altijd die gedachte: en wat als zij zich vergissen, de modernen, wat als zij uiteindelijk het talent niet hebben? (Het talent om grote/ belangrijke literatuur te schrijven, vul ik aan). De citaten samen vormen voor mij de quintessens van Offermans onderzoek naar de verhouding van radicaal kritisch engagement met inzet van de totale schrijverspersoonlijkheid aan de ene kant, en aan de andere kant het onverspilde talent om een stem te vinden, te verbeelden en literatuur van belang te maken die een ‘geschenk’ voor de lezer is. Tussen schrijven en een bepaald soort schrijver willen/ moeten zijn: mijn woorden! De essayist opereert met chirurgische precisie in zijn verkenningen door de kwartieren van de avant garde en het experimentele proza en de werkplaatsen van het nieuwe engagement, wat leidt tot smartelijke pagina’s over Daniel Robberechts en Jacques Vogelaar, tintelendblasfemische over de overschatte Grote Drie, bliksemende over Connie Palmen en Bas Heijne, juichende over Lucebert, Breytenbach en Kouwenaar, en bedachtzaam-bewonderende over Stefan Hertmans en Erwin Mortier; en nog veel meer. Ik moet geen reclame voor Offermans maken. Waar het mij omgaat is de prikkelende probleemstelling die ik verdicht tot: is experimenteel proza dat de volle bandbreedte van een caleidoscopische werkelijkheid wil coveren en daardoor moeilijk te lezen is, een vluchtweg de literatuur in voor wie niet uitzonderlijk getalenteerd is? Verleidelijke stellingname, zeker voor lezers die geen gezeur aan hun kop willen, dan ben je er klaar mee namelijk. Maar, zoals zovele verleidelijke stellingnames, te generaliserend gedacht. De stelling gaat bijvoorbeeld voorbij aan het feit dat de wereld der kunsten veel gecompliceerder is dan in het verschil tussen hoogbegaafd en middelmatig bewerktuigd uitgedrukt is, dat er talloze 4 kunstenaars zijn die zich om ideologische redenen bedienen van experimentele technieken, dat velen weloverwogen de keuze maken voor ‘andere’ tekstconstructies en juist ten principale niet willen passen in wat zij ervaren als de mal van de geijkte literatuur. En dat de poging literatuur te maken even interessant kan zijn als de literatuur zelf. Huis Clos heeft graag een bijdrage aan de discussie willen leveren. Timezone is een overtuigend product van ‘nieuw’ proza; de overtuiging, vasthoudendheid en vindingrijkheid van Tim Abeling Lesson leerden mij in ieder geval opnieuw te kijken naar die ‘andere’ literatuur, en haar bestaansrecht te aanvaarden. Laat ik besluiten met een variant op een beroemd, zeer kort gedicht van Bert Schierbeek, een van de grootste experimenteurs uit de Nederlandse literatuur: het dilemma in notedop en het poëtisch bewijs dat mijn invulling van Offermans stelling minder productief is dan ze lijkt: Kijk het is ingewikkelder dan je denkt als je denkt is het nog ingewikkelder 5
© Copyright 2024 ExpyDoc