View/Open - Lirias

Het belang van autonome motivatie
in het aangaan van een actieve levensstijl
bij patiënten met schizofrenie: een multi-centrische studie
Davy Vancampfort, Marc De Hert, Amber De Herdt , Koen Vanden Bosch,
Chris Helon, Guy Buytaert, Frie de Man, Els De Schepper, Guido Hostens,
Herman Moens, Pieter Naert, Marc Rau, Sander Remans, Jorge Thonnon,
Katrien T’Jonck en Michel Probst
Het integreren van bewegings- en lichaamsgerichte psychomotorische therapie in een multidisciplinaire behandeling van schizofrenie leidt tot een betere
fysieke en geestelijke kwaliteit van leven (Vancampfort e.a., 2010a; 2011a &
b). Slechts een kleine minderheid van de patiënten voldoet bij aanvang van
een revalidatieprogramma echter aan de minimum gezondheidsaanbeveling
van 150 minuten beweging per week aan matige intensiteit (Vancampfort
e.a., 2012a; 2013a). Het gebrek aan motivatie om te voldoen aan deze beweegrichtlijn heeft 2 belangrijke oorzaken. Ten eerste dragen negatieve en
depressieve symptomen ertoe bij dat patiënten minder geïnteresseerd zijn of
de voordelen van bewegen als minder prioritair beschouwen (Vancampfort
e.a., 2012b). Ten tweede voelen patiënten met schizofrenie zich vaak niet
competent genoeg om te voldoen aan de richtlijnen. Ze maken zich zorgen
omtrent hun slechte fysieke conditie en daarmee gepaard gaande lichamelijke klachten, hebben een verminderd zelfvertrouwen en willen nieuwe faalervaringen vermijden (Vancampfort e.a., 2011c & d). Gezien de gebrekkige
motivatie van patiënten met schizofrenie om een actieve levensstijl aan te
gaan en te behouden werd er recent door verschillende onderzoeksgroepen
opgeroepen om de motieven van patiënten met schizofrenie om te bewegen
verder te exploreren (Vancampfort e.a., 2009; Medalia & Brekke, 2010;
Beebe e.a., 2012; Green e.a., 2012). In deze bijdrage willen we aan deze
oproep tegemoet komen door het belang van de zelfdeterminatie theorie in
het aangaan en behouden van een actieve levensstijl te onderzoeken bij patienten met schizofrenie (ZDT) (Deci & Ryan, 1985, 2000).
Vanuit het perspectief van de ZDT wordt verondersteld dat individuen verschillende redenen kunnen hebben waarom ze zich inzetten voor en volharden in een bepaalde bewegingsactiviteit. Intrinsieke motivatie verwijst naar
het uitvoeren van de activiteit omwille van de activiteit zelf. Men zet zich in
omwille van het plezier en de inherente voldoening van het bewegen. Intrinsiek gedrag wordt dan ook beschouwd als het prototype van autonoom, zelf111
Davy Vancampfort et al. bepalend of vrijwillig functioneren (Deci & Ryan, 1985). Echter, het aangaan van een actieve levensstijl vereist veel discipline en is niet altijd even
plezierig of interessant en voldoening gevend, waardoor patiënten ook extrinsieke motieven kunnen hebben om actief te zijn of te blijven. Bij extrinsieke motivatie is het gedrag afhankelijk van een doel dat buiten de activiteit
zelf gelegen is.
De ZDT onderscheidt verschillende types van extrinsieke motivatie, die verschillen in de mate van ervaren psychologische vrijheid of autonomie. Externe regulatie omvat de minst autonome vorm van extrinsieke motivatie en
verwijst naar gedrag dat gesteld wordt om beloningen te verkrijgen, straf te
ontlopen, of aan externe verwachtingen te voldoen. Een patiënt die zich
inzet tijdens de psychomotorische therapie om erkenning van de psychomotorisch therapeut te krijgen is een voorbeeld van externe regulatie. Daarnaast kunnen patiënten zichzelf ook onder druk zetten. Schuld-, schaamteen angstgevoelens of de drang om de eigenwaarde te verhogen zijn kenmerkend voor een geïntrojecteerde regulatie. Tenslotte wordt er nog een derde
type extrinsieke motivatie onderscheiden. Wanneer een patiënt er bijvoorbeeld vrijwillig voor kiest om zich in te zetten tijdens de psychomotorische
therapie, ook wanneer hij dit op zich niet boeiend vindt, maar bijvoorbeeld
omdat hij inziet dat bijvoorbeeld een actieve levensstijl hem belangrijke
voordelen in het dagelijkse functioneren kan opleveren, dan zal hij zich kunnen identificeren met de persoonlijke relevantie van dit gedrag. Dit type
extrinsieke motivatie wordt dan ook geïdentificeerde regulatie genoemd.
Binnen ZDT vallen intrinsieke regulatie en geïdentificeerde regulatie onder
de noemer van autonome motivatie, omdat patiënten het gevoel hebben zelf
aan de basis te liggen van hun gedrag en ze hierdoor persoonlijke verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor hun eigen proces (= willen). Externe
regulatie en geïntrojecteerde regulatie zijn eerder gecontroleerde vormen
van motivatie, omdat (interne of externe) druk hier aan de basis ligt van het
gedrag (= moeten). Indien psychomotorisch therapeuten het therapeutische
proces van hun patiënten wensen te bevorderen, moeten ze niet kost wat kost
de intrinsieke motivatie verhogen en noodzakelijkerwijs vermijden om in te
spelen op de extrinsieke motivatie. Ze kunnen ook bepaalde types extrinsieke motivatie proberen aan te wakkeren, door bijvoorbeeld het persoonlijke
nut van bepaalde oefeningen en/of activiteiten aan te tonen.
Uitgebreid onderzoek bij de algemene bevolking heeft aangetoond dat er
heel wat wetenschappelijke evidentie is voor het belang van ZDT in het aangaan en behouden van een actieve levensstijl (Teixeira et al., 2012a). Aangezien patiënten met schizofrenie minder fysiek actief zijn, is het interessant
om na te gaan of meer autonome motieven ook hier gepaard gaat met een
meer actieve levensstijl.
112
Autonome motivatie
De eerste doelstelling van deze bijdrage is dan ook of de mate van fysieke
activiteit verschilt naargelang het type motivatie. Een tweede doelstelling is
om verschillen in motieven om te bewegen te onderzoeken volgens geslacht,
opleidingsniveau, therapeutische setting (residentieel versus ambulant) en
naargelang de episode (eerste episode versus multipele episode).
Methoden
Deelnemers en procedure
Dertien van de 15 uitgenodigde centra namen deel aan deze cross-sectionele
studie. Eén centrum behandelde geen patiënten met schizofrenie en werd
uitgesloten, terwijl een ander centrum niet bereid was tot deelname aan deze
wetenschappelijke studie. De 13 deelnemende centra (zie dankbetuigingen)
situeren zich verspreid over gans Vlaanderen. Tijdens een periode van 4
maanden (november 2012 - februari 2013), werden zowel residentiële als
ambulante patiënten met een DSM-IV diagnose van psychose of schizofrenie
(American Psychiatric Association, 2000), uitgenodigd tot deelname.
De studieprocedure werd goedgekeurd door al de respectievelijke ethische
comités. Alle patiënten gaven ook hun schriftelijke en geïnformeerde goedkeuring tot deelname.
De Behavioral Regulation in Exercise Questionnaire
De Nederlandse versie van de Behavioral Regulation in Exercise Questionnaire-2 (BREQ-2) (Markland & Tobin, 2004 werd gebruikt. De BREQ-2
evalueert de motieven tot beweging aan de hand van het continuüm van de
ZDT. De vragenlijst bestaat uit 19 items die overeenkomen met de 5 verschillende types: (1) amotivatie, (2) externe regulatie, (3) geïntrojecteerde
regulatie, (3) geïdentificeerde regulatie, en (5) intrinsieke regulatie. Een
overzicht van alle factoren met hun respectievelijke items wordt gegeven in
tabel 1. Elk item wordt gemeten aan de hand van een 5-punten Likert schaal
gaande van 0 ('Niet waar voor mij’) tot 4 (Zeer waar voor mij'). Uit eigen
onderzoek (Vancampfort e.a., 2013b) blijkt dat bij patiënten met schizofrenie de geïdentificeerde regulatie en intrinsieke regulatie op eenzelfde factor
laden, of met andere woorden: er kan tussen beiden factoren geen onderscheid gemaakt worden. Vandaar dat de 8 items samengevoegd worden tot 1
factor die ‘autonome regulatie’ werd genoemd. Van de scores van de oorspronkelijke twee factoren (geïdentificeerde regulatie en intrinsieke regulatie ) wordt het gemiddelde genomen waardoor ook de score van de nieuwe
factor ‘autonome regulatie’ varieert van 0 tot 4. De Nederlandse versie van
de vragenlijst bestaat voor patiënten met schizofrenie dan ook uit 4 factoren,
113
Davy Vancampfort et al. zijnde: (1) amotivatie, (2) externe regulatie, (3) geïntrojecteerde regulatie,
(4) autonome regulatie. De BREQ-2 werd verder aangepast door de term
“training” te vervangen met de term “fysieke activiteit”. Hiervoor zijn twee
redenen: (1) gezondheidsaanbevelingen beperken zich niet alleen tot gestructureerde trainingsschema’s (Caspersen e.a., 1985), (2) een gelijkaardige aanpassing werd reeds succesvol toegepast binnen een klinische setting (Verloigne e.a., 2011).
De International Physical Activity Questionnaire
De International Physical Activity Questionnaire (IPAQ)-korte versie (Craig
e.a., 2003) werd gebruikt om de mate van fysieke activiteit na te gaan. De
IPAQ bevraagt de fysieke activiteiten die de laatste 7 dagen werden uitgevoerd. De gegevens worden samengevat in 3 factoren: (1) het aantal minuten wandelen per week, (2) het aantal minuten fysieke activiteit aan matige
intensiteit per week, en (3) het aantal minuten fysieke activiteit aan hoge
intensiteit per week. Het aantal minuten per categorie werd vervolgens vermenigvuldigd met het voor de intensiteit overeenkomstige metabool equivalent (MET). De MET van een inspanning geeft aan wat de verhouding is
van het energieverbruik tijdens de inspanning ten opzichte van het energieverbruik in rust. Het energieverbruik tijdens een activiteit of inspanning
wordt dus uitgedrukt als een veelvoud van het energieverbruik in rust en dit
veelvoud is de MET-waarde. Het energieverbruik in rust is gelijkgesteld
met 1 MET en op deze manier dient MET ook als eenheid om het energieverbruik weer te geven. 1 MET komt overeen met 1 kilocalorie per kilogram lichaamsgewicht per uur of met 3.5 milliliter zuurstof-opname per
kilogram lichaamsgewicht per minuut. Voor wandelen is de waarde 3.3
MET, fysieke activiteit aan matige intensiteit komt overeen met 4.0 MET en
voor fysieke activiteit aan matige intensiteit met 8.0 MET. Overeenkomstig
de richtlijn van de IPAQ werden de deelnemers vervolgens onderverdeeld in
hoog actief, actief en inactief. Vroeger onderzoek (Faulkner e.a., 2006)
heeft aangetoond dat de IPAQ een betrouwbaar en valide meetinstrument is
om de fysieke activiteit na te gaan bij patiënten met schizofrenie.
Demografische variabelen
Demografische variabelen die onderzocht werden waren geslacht, leeftijd,
opleidingsniveau, ziektestadium en de body mass index (BMI). Dichotome
variabelen werden geconstrueerd voor: (1) opleidingsniveau (lager: BSO of
TSO versus hoger: ASO of verder gezet onderwijs), (2) setting (residentieel
versus ambulant) en ziektestadium (eerste-episode versus multi-episode).
114
Autonome motivatie
Statistische analyses
De verbanden tussen motivatie en fysieke activiteit werden onderzocht volgens: (1) een categorische analyse, waarbij de deelnemers werden ingedeeld
volgens de 3 categoriën (i.e., inactief, actief, en hoog actief) (Craig et al.,
2003), en (2) een dimensionele analyse, waarbij Pearson correlaties werden
nagegaan tussen de types motivatie en afzonderlijke fysieke activiteitsindicatoren (totaal aantal minuten fysieke activiteit, totaal aantal minuten wandelen, totaal aantal minuten fysieke activiteit aan matige intensiteit, totaal aantal minuten fysieke activiteit aan hoge intensiteit). Om verschillen in motivatie na te gaan tussen de verschillende fysieke activiteitsgroepen werd gebruikt gemaakt van een one-way ANOVA. Post hoc contrasten werden geanalyseerd aan de hand van de methode volgens Scheffe. Tot slot werden
ook ongepaarde t-toetsen uitgevoerd om verschillen in motieven tot bewegen
na te gaan tussen (1) hoger en lager opgeleiden, (2) residentiële en ambulante patiënten, en (3) eerste-episode versus multi-episode patiënten. Het significantie niveau werd vastgelegd op P<0.05. SPSS 20.0 werd gebruikt om de
analyses uit te voeren (SPSS Inc, Chicago, IL).
Resultaten
Deelnemers
Een totaal van 168 patiënten met een DSM-IV diagnose van schizofrenie
(American Psychiatric Association, 2000) werd uitgenodigd. Tweeëndertig
patiënten wensten niet deel te nemen. Zeven patiënten werden uitgesloten
wegens het ontbreken van alle gegevens. In totaal werden 129 patiënten
(44♀) met een gemiddelde (±SD) leeftijd van 40.6±12.7 jaar en een gemiddelde (±SD) body mass index (BMI) van 27.4±4.7 geïncludeerd in de analyses. Achtenzestig patiënten (55.7%) waren ambulant in behandeling, 16
patiënten waren in hun eerste episode (13.1%). Patiënten werden onderverdeeld volgens een lager (n=86) en een hoger (n=43) opleidingsniveau. De
geïncludeerde patiënten waren 302.8±218.2 min per week fysiek actief.
Meer specifiek wandelden ze 186.0±144.3 min per week, deden ze
83.9±119.1 min per week inspanning aan matige intensiteit en 32.9±65.7
min per week inspanning aan hoge intensiteit. De behaalde scores op de
BREQ-2 worden weergegeven in Tabel 1.
Verbanden tussen motivatie en fysieke activiteit
De multivariate analyses die weergegeven worden in Tabel 2 tonen een significant verschil aan tussen de 3 fysieke activiteitsgroepen (i.e., inactieven,
115
Davy Vancampfort et al. actieven, hoog actieven), in amotivatie en in autonome regulatie en dit onafhankelijk van verschillen in leeftijd en BMI.
Om een beter beeld te krijgen van welke fysieke activiteitsvariabelen een
verband vertonen met specifieke motivationale types werden er Pearson
correlaties berekend (zie Tabel 3). De factoren ‘amotivatie’ en ‘autonome
regulatie’ correleerden respectievelijk negatief en positief met alle IPAQ
variabelen, terwijl de ‘geïntrojecteerde regulatie’ niet correleerde met eender
welke IPAQ score. De externe regulatie was, tot slot, niet gecorreleerd met
de mate van wandelen per week en de mate van inspanningen aan hoge intensiteit, maar toonde wel een negatief verband met inspanning aan matige
intensiteit.
Behaalde scores op de BREQ-2
Tabel 1. Gemiddelden en standaarddeviaties van de Behavioral Regulation
in Exercise Questionnaire-2 items (n=129)
Item
Gemiddelde ±
standaard deviatie
(1.) Intrinsieke regulatie
4. Ik ben fysiek actief omdat ik dat leuk vind.
2.70±1.44
10. Ik geniet van fysiek actief zijn.
3.01±1.26
15. Ik vind fysieke activiteiten aangename activi2.91±1.22
teiten.
18. Ik vind plezier en voldoening in fysieke activi2.96±1.17
teit.
(2.) Amotivatie
5. Ik zie niet in waarom ik fysiek actief zou zijn.
0.50±1.00
9. Ik zie niet in waarom ik moeite zou moeten
0.61±1.09
doen om fysiek actief te zijn.
12. Ik zie het nut niet in van fysiek actief zijn.
0.62±1.15
19. Ik vind fysieke activiteiten een tijdsverspilling.
0.44±1.08
(3.) Externe regulatie
1. Ik ben fysiek actief omdat anderen vinden dat ik
0.96±1.34
dat moet doen.
6. Ik ben fysieke actief omdat mijn vrien0.85±1.29
den/familie/partner zeggen dat ik dat moet doen.
11. Ik ben fysiek actief omdat anderen niet blij
0.70±1.24
zullen zijn wanneer ik het niet ben.
(4.) Geïdentificeerde regulatie
3. Ik waardeer de voordelen van fysiek actief zijn.
3.23±1.00
8. Ik vind het belangrijk om regelmatig fysiek
3.00±1.25
actief zijn.
116
Autonome motivatie
14. Ik vind het belangrijk om een inspanning te
doen om regelmatig fysiek actief te zijn.
17. Ik word onrustig als ik niet regelmatig fysiek
actief ben.
(5.) Geïntrojecteerde regulatie
2. Ik voel me schuldig als ik niet fysiek actief ben.
7. Ik schaam me wanneer ik niet fysiek actief ben
geweest.
13. Ik voel me een mislukkeling wanneer ik gedurende een tijdje niet fysiek actief ben geweest.
2.97±1.22
1.72±1.44
1.58±1.47
1.11±1.42
1.32±1.47
Tabel 2. Verschillen in motivatie volgens verschillen in fysieke activiteitsniveau’s (gedefinieerd aan de hand van de International Physical Activity
Questionnaire procedure; Craig e.a., 2003)
Amotivatie
Externe regulatie
Geïntrojecteerde regulatie
Autonome
regulatie
Inactief
(n=45)
Actief
(n=74)
Hoog
actief
(n=10)
0.9±0.9a,b
0.3±0.7
0.07±0.2
0.8
0.37
1.0±1.0
0.8±1.0
0.3±0.7
4.7
1.0±0.9
1.0±0.9
0.4±0.6
2.0±0.75a,
2.9±0.9
3.1±0.8b
0.0
2
0.2
0.03
*
0.88
b
a
a
b
Invloed van
BMI
F
P
0.64
Invloed
van
leeftijd
F
P
0.
0.43
6
0.
0.54
4
0.
0.73
1
3.
0.06
7
Fwaarde
Pwaarde
10.9
2.1
<0.001
*
0.12
2.2
0.11
17.7
<0.001
*
*Significantie-niveau vastgelegd op P <0.05, ANOVA met post-hoc Scheffe
(P <0.05): a= inactief versus actief, b= inactief versus hoog actief, BMI=
body mass index.
Tabel 3. Pearson correlaties tussen fysieke activiteit en motivatie (n=129)
IPAQ
IPAQ
IPAQ hoge IPAQ totaal
wandelen
matige
intensiteit
intensiteit
Amotivatie
-0.34**
-0.29*
-0.20*
-0.44**
Externe regulatie
-0.16
-0.22*
-0.14
-0.28**
Geïntrojecteerde
0.05
-0.14
-0.07
-0.07
regulatie
Autonome regulatie
0.47**
0.29**
0.35**
0.57**
* P<0.01; ** P<0.001, IPAQ=International Physical Activity Questionnaire
117
Davy Vancampfort et al. Onderzoek naar verschillen in motivatie tussen mannen en vrouwen, hoger
en lager opleidingsniveau, volgens behandelsetting en ziektestadium
Er werden geen verschillen in motivatiestijlen gevonden tussen mannen en
vrouwen (Tabel 4), tussen diegenen met een hoger en lager opleidingsniveau
(Tabel 5) en tussen diegenen in hun eerste episode en zij die reeds een episode hadden doorgemaakt (Tabel 6). Ambulante patiënten waren echter
meer extern gereguleerd en vertoonden meer geïntrojecteerde regulatie dan
residentieel opgenomen patiënten (Tabel 7).
Tabel 4. Verschillen in motivatie tussen mannelijke en vrouwelijke deelnemers
Mannen
Vrouwen
p-waarde
(n=85)
(n=44)
Amotivatie
0.5±0.8
0.5±0.8
0.99
Externe regulatie
0.8±0.9
1.0±1.1
0.17
Geïntrojecteerde regulatie
0.9±0.8
1.1±1.0
0.36
Autonome regulatie
2.6±0.9
2.6±0.9
0.83
Ongepaarde t-toetsen met significantie-niveau vastgelegd op P <0.05.
Tabel 5. Verschillen in motivatie tussen hoger en lager opgeleiden
Lager
Hoger opgeleid
p-waarde
opgeleid
(n=43)
(n=86)
Amotivatie
0.5±0.7
0.6±0.9
0.45
Externe regulatie
0.8±1.0
1.0±1.1
0.44
Geïntrojecteerde regulatie 0.9±0.8
1.2±1.0
0.08
Autonome regulatie
2.6±0.9
2.7±0.9
0.75
Ongepaarde t-toetsen met significantie-niveau vastgelegd op P <0.05.
118
Autonome motivatie
Tabel 6. Verschillen in motivatie tussen eerste-episode en multi-episode
deelnemers
EersteMultip-waarde
episode
episode
(n=17)
(n=112)
Amotivatie
0.4±0.7
0.6±0.8
0.52
Externe regulatie
1.1±1.3
0.8±1.0
0.45
Geïntrojecteerde regulatie
0.7±0.8
1.1±0.9
0.07
Autonome regulatie
2.8±0.8
2.6±1.0
0.31
Ongepaarde t-toetsen met significantie-niveau vastgelegd op P <0.05.
Tabel 7. Verschillen in motivatie tussen residentiële en ambulante patiënten
Residentieel
Ambulant
p-waarde
(n=60)
(n=69)
Amotivatie
0.5±0.9
0.5±0.73
0.84
Externe regulatie
0.6±0.9
1.0±0.9
0.049*
Geïntrojecteerde regulatie
0.7±0.7
1.1±0.9
0.03*
Autonome regulatie
2.6±0.8
2.6±0.9
0.99
Ongepaarde t-toetsen met significantie-niveau vastgelegd op P <0.05.
Discussie
Algemene bevindingen
Deze multi-centrische, cross-sectionele studie toont aan dat patiënten met
schizofrenie die meer autonoom gemotiveerd zijn ook meer bewegen. Dit
verband was het sterkst voor het aantal minuten wandelen per week. Belangrijk is echter om op te merken dat intrinsieke motivatie op zich niet voldoende is om op langere termijn fysiek actief te blijven (Mullan & Markland, 1997; Edmunds et al., 2006). De psychomotorisch therapeut dient er
zich van bewust te zijn dat het behouden van een actieve levensstijl heel wat
inspanningen vergt van de patiënt, vooral in het blijvend omgaan met mentale en fysieke beperkingen (Vancampfort et al., 2012b). Vandaar dat het begrijpen en onderschrijven van de individuele mentale en fysieke gezondheidsvoordelen even belangrijk is als het bewegen omwille van de plezierbeleving.
Een tweede doelstelling van deze studie was om na te gaan of er verschillen
in motieven om te bewegen terug te vinden zijn volgens geslacht, oplei-
119
Davy Vancampfort et al. dingsniveau, therapeutische setting (residentieel versus ambulant) en naargelang de episode (eerste episode versus multipele episode). Er werden enkel
significante verschillen gevonden tussen residentiële en ambulante patiënten.
Ambulante patiënten ervaren meer externe, geïntrojecteerde motieven, of
met andere woorden ze bewegen meer vanuit een schuld of schaamtegevoel.
Een mogelijke verklaring wordt waarschijnlijk gevonden in de verschillende
omgevingscontext. Het zou kunnen dat ambulante patiënten meer druk ervaren vanuit de omgeving, zijnde de familie of vrienden, om activiteiten op te
nemen. Schuld en schaamte ontstaan dan vaak wanneer ze niet volledig de
verwachtingen van hun omgeving kunnen inlossen.
Praktische implicaties
Aangezien deze studie aantoont dat patiënten die meer autonoom gemotiveerd zijn, meer bewegen dient er in de dagelijkse praktijk ook meer aandacht uit te gaan naar het stimuleren van autonome motivatie. Een belangrijke vaststelling bij de algemene bevolking is hier echter dat de kans op
levenslang bewegen het grootst is bij intrinsieke motivatie maar dat de autonome vormen van extrinsieke motivatie ook gedrag op lange termijn voorspellen (Deci & Ryan, 2000). Hoewel meer gecontroleerde vormen van
motivatie op korte termijn soms even sterke effecten opleveren als meer
autonome vormen van motivatie, is de superioriteit van autonome vormen op
lange termijn onmiskenbaar. De ZDT stelt dat indien de therapeut het bewegingspatroon van patiënten op termijn blijvend veranderen, dan moet zowel
de individuele begeleiding als het beleid in elke setting rekening houden met
drie basisnoden: autonomie, competentie en verbondenheid. Autonomie
betekent dat de patiënt in het veranderen van de levensstijl een gevoel van
psychologische vrijheid en keuze ervaart. Competentie wil zeggen dat de
patiënt zich bekwaam voelt om een gewenst doel te bereiken. Relationele
verbondenheid verwijst dan weer naar het ervaren van warme relaties met
anderen en het zich opgenomen voelen in een breder sociaal netwerk. Als
aan die behoeften is voldaan, hebben patiënten met schizofrenie dan ook de
grootste kans om hun autonome motivatie te ontwikkelen. De nood aan
autonomie kun je als psychomotorisch therapeut bewerkstellingen door het
aanbieden van verschillende beweegopties. Dat komt erop neer dat de psychomotorisch therapeut vermijdt om controlerend over te komen. De psychomotorisch therapeut dient een patiënt dan ook inspraak te geven in het
programma. Daarnaast vermijdt de psychomotorisch therapeut zoveel mogelijk uitdrukkingen zoals ‘je moet’. Deze worden vervangen door bijvoorbeeld ‘je zou ook kunnen…’, ‘heb je er al aan gedacht om…’ enzovoort.
Een gevoel van competentie kan de psychomotorisch therapeut stimuleren
door middel van het behalen van korte- en lange termijndoelen en een gevoel
van succes. Belangrijk hierbij is om haalbare doelen te formuleren. Een
120
Autonome motivatie
vuistregel die vaak wordt gehanteerd: doelen waarvoor iemand zichzelf 70%
slaagkans geeft, leiden over het algemeen tot het meest doelgericht gedrag.
Met andere woorden, doelen die als realistisch maar uitdagend worden beschouwd, bieden de grootste kans op gedragsverandering. De verbondenheid versterk je door de patiënt als psychomotorisch therapeut het gevoel te
geven dat hij of zij aanvaard wordt. De psychomotorisch therapeut zorgt er
bijvoorbeeld voor dat deze op geen enkel moment of manier veroordelend
overkomt, verbaal of non-verbaal. Een hulpmiddel vormen de principes van
het actief luisteren: (1) ga als psychomotorisch therapeut expliciet na of je de
boodschap van de patiënt hebt begrepen, zowel qua inhoud als gevoel; (2)
herhaal regelmatig wat de patiënt zegt, stel vragen tot verduidelijking, uitwijding, maak regelmatig oogcontact. De principes van de motiverende
gespreksvoering (Miller en Rollnick, 2013) kunnen hier een leidraad zijn.
Beperkingen
De bevindingen in deze studie dienen met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd te worden. Hoewel de betrouwbaarheid en validiteit van de
IPAQ aangetoond werden (Faulkner e.a., 2006), toont onderzoek aan dat
zelfreportage belangrijke beperkingen heeft. Patiënten met schizofrenie
vinden het niet altijd eenvoudig om zich hun beweeggedrag van de voorbije
week te herinneren (Soundy e.a., 2007). Ten tweede werden er geen data
verzameld aangaande het psychiatrische functioneren en het medicatiegebruik. We konden dus niet nagaan in welke mate het psychiatrische functioneren en het medicatiegebruik het motivatiegedrag beïnvloedden. Ten derde, aangezien we slechts een beperkt aantal patiënten in een eerste episode
konden verzamelen, was het niet mogelijk om definitieve conclusies te trekken aangaande het feit of motivatie verandert doorheen het ziekteproces.
Tot slot dient opgemerkt te worden dat het cross-sectionele karakter van
deze studie ons niet toelaat om causale verbanden te leggen. Zo kunnen we
niet vaststellen of het motivatiegedrag het beweeggedrag ook effectief beïnvloedt.
Tot besluit
Deze studie toont aan dat patiënten met schizofrenie die meer autonoom
gemotiveerd zijn meer bewegen. Op deze manier onderschrijft deze studie
het belang van het aanwenden van de principes van de zelfdeterminatie binnen de psychomotorische therapie. De psychomotorisch therapeut dient een
omgeving te stimuleren waarin de patiënt zich autonoom, competent en verbonden voelt.
121
Davy Vancampfort et al. Dankwoord
De auteurs willen de volgende centra uitdrukkelijk danken voor hun medewerking: (1) PC Sint-Amandus, Beernem; (2) PSC Sint-Alexius, Elsene; (3)
PZ Sint-Norbertus, Duffel; (4) UPC KU Leuven, campus Kortenberg, Kortenberg; (5) APZ Sint-Lucia, Sint-Niklaas; (6) PC OLVrouw van Vrede,
Menen, Belgium; (7) PC Bethanië, Zoersel; (8) PZ Asster, campus Melveren, Melveren; (9) PC Sint-Jan-Baptist, Zelzate; (10) UPC Sint-Kamillus,
Bierbeek; (11) OPZ, Rekem; (12) PZ Heilig Hart, Ieper; (13) PZ SintAlexius, Grimbergen.
Referenties
American Psychiatric Association. (2000). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders. 4th edition. American Psychiatric Association.
Beebe, L.H., Smith, K., Burk, R., McIntyre, K., Dessieux, O., Tavakoli, A.,
& Velligan, D. (2012). Motivational intervention increases exercise
in schizophrenia and co-occurring substance use disorders. Schizophrenia Research 135(1-3), 204-205.
Caspersen, C.J., Powell, K.E., & Christenson, G.M. ()1985. Physical activity, exercise and physical fitness: definitions and distinctions for
health-related research. Public Health Reports 100, 126-131.
Craig, C.L., Marshall, A.L., Sjöström, M., Bauman, A.E., Booth, M.L.,
Ainsworth, B.E., Pratt, M., Ekelund, U., Yngve, A., Sallis, J.F., &
Oja, P. (2003). International physical activity questionnaire: 12country reliability and validity. Medicine and Science in Sports and
Exercise 35, 1381-1395.
Deci, E.L., & Ryan, R.M. (1985). Intrinsic motivation and self-determination in human behaviour. New York: Plenum Press.
Deci, E.L., Eghrari, H., Patrick, B. C., & Leone, D. R. (1994). Facilitating
internalization: the self-determination theory perspective. Journal of
Personality 62, 119-142.
Deci, E.L., & Ryan, R.M. (2000). The “what” and “why” of goal pursuits:
Human needs and the self-determination of behavior. Psychological
Inquiry 11, 227-268.
Edmunds, J., Ntoumanis, N., & Duda, J. (2006). A test of self-determination
theory in the exercise domain. Journal of Applied Social Psychology
36, 2240-2265.
122
Autonome motivatie
Faulkner, G., Cohn, T., & Remington, G. (2006). Validation of a physical
activity assessment tool for individuals with schizophrenia. Schizophrenia Research 82, 225-231.
Green, M.F., Hellemann, G., Horan, W.P., Lee, J., & Wynn, J.K. (2012).
From perception to functional outcome in schizophrenia: modeling
the role of ability and motivation. Archives of General Psychiatry
69(12), 1216-1224.
Markland, D., & Tobin, V. (2004). A modification to the behavioural regulation in exercise questionnaire to include an assessment of amotivation. Journal of Sport and Exercise Psychology 26, 191-196.
Medalia, A., & Brekke, J. (2010). In search of a theoretical structure for
understanding motivation in schizophrenia. Schizophrenia Bulletin
36(5), 912-918.
Miller, W.R., & Rollnick, S. (2013). Motivational interviewing: helping
people change. 3de editie. New York: The Guilford Press.
Mullan, E., & Markland, D. (1997). Variations in Self-Determination Across
the stages of change for exercise in adults. Motivation and Emotion
21, 349-362.
Soundy, A., Taylor, A., Faulkner, G., & Rowlands, A. (2007). Psychometric
properties of the 7-day physical activity recall questionnaire in individuals with severe mental illness. Archives of Psychiatric Nursing
21(6), 309-316.
Teixeira, P.J., Carraça, E.V., Markland, D., Silva, M.N., & Ryan, R.M.
(2012a). Exercise, physical activity, and self-determination theory: a
systematic review. International Journal of Behavioral Nutrition
and Physical Activity 9, 78.
Teixeira, P.J., Silva, M.N., Mata, J., Palmeira, A.L., & Markland, D. (2012
b). Motivation, self-determination, and long-term weight control. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity 9,
22.
Vancampfort, D., Knapen, J., Rutten, L., Aerts, L., De Schepper, E., &
Probst, M. (2009). Motiveren tot bewegen binnen de psychomotorische therapie. In: Simons J. (Red.), Actuele themata uit de psychomotorische therapie. Leuven: Acco, 11-40.
Vancampfort, D., Probst, M., van Winkel, R., Peuskens, J., Maurissen, K.,
Demunter, H., & De Hert, M. (2010a). De therapeutische waarde
van bewegen voor mensen met schizofrenie. Tijdschrift voor Psychiatrie, 52(8), 565-574.
Vancampfort, D., Probst, M., Knapen, J., Demunter, H., Peuskens, J., & De
Hert, M. (2011a). Lichaamsgerichte werkvormen binnen de psy-
123
Davy Vancampfort et al. chomotorische therapie voor mensen met schizofrenie: een literatuuronderzoek. Tijdschrift voor Psychiatrie, 53(8), 531-541.
Vancampfort, D., Probst, M., Knapen, J., & De Hert, M. (2011b). Evidentie
en aangrijpingspunten voor psychomotorische therapie bij mensen
met schizofrenie. In: De Hert M., De Wachter D., Pieters G., Van
Bouwel L., & Vermote R. (Red.), Fervet Opus. Actuele trends in de
geestelijke gezondheidszorg, Chapt. 33. Berchem: EPO, 413-422.
Vancampfort, D., De Hert, M., Maurissen, K., Sweers, K., Knapen, J.,
Raepsaet, J., & Probst, M. (2011c). Physical activity participation,
cardio-respiratory fitness and self-esteem in patients with schizophrenia with high and low physical self perception. International
Journal of Therapy and Rehabilitation, 18(4), 222-229.
Vancampfort, D., Probst, M., Sweers, K., Maurissen, K., Knapen, J., & De
Hert, M. (2011a). Relationship between obesity, functional exercise
capacity, physical activity participation and physical self-perception
in people with schizophrenia. Acta Psychiatrica Scandinavica
123(6), 423-430.
Vancampfort, D., De Hert, M, Skjaerven L.H., Gyllensten, A.L., Parker, A.,
Mulders, N., Nyboe, L., Spencer, F., & Probst, M. (2012b). International Organization of Physical Therapy in Mental Health consensus
on physical activity within multidisciplinary rehabilitation programmes for minimising cardio-metabolic risk in patients with
schizophrenia. Disability & Rehabilitation 34(1), 1-12.
Vancampfort, D., Knapen, J., Probst, M., Scheewe, T., Remans, S., & De
Hert, M. (2012b). A systematic review of correlates of physical activity in patients with schizophrenia. Acta Psychiatrica Scandinavica, 125(5), 352-362.
Vancampfort, D., Probst, M., Scheewe, T., De Herdt, A., Sweers, K., Knapen, J., van Winkel, R., & De Hert, M. (2013a). Relationships between physical fitness, physical activity, smoking and metabolic and
mental health parameters in people with schizophrenia. Psychiatry
Research, 207, 25-32.
Vancampfort, D., De Hert, M., Vansteenkiste, M., De Herdt, A., Scheewe,
T.W., Soundy, A., Stubbs, B., & Probst, M. (2013b). The importance
of self-determined motivation towards physical activity in patients
with schizophrenia. Psychiatry Research, resubmitted.
Verloigne, M., De Bourdeaudhuij, I., Tanghe, A., D'Hondt, E., Theuwis, L.,
Vansteenkiste, M., & Deforche, B. (2011). Self-determined motivation towards physical activity in adolescents treated for obesity: an
observational study. International Journal of Behavioral Nutrition
and Physical Activity 8, 97.
124