Studie 12: De oogst en zij die oogsten

Studie 12: De oogst en zij die oogsten
“Jezus trok rond langs alle steden en dorpen, hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde
het goede nieuws over het koninkrijk en genas iedere ziekte en elke kwaal. 36 Toen hij de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen
zonder herder. 37 Hij zei tegen zijn leerlingen: ‘De oogst is groot, maar er zijn weinig arbeiders. 38 Vraag
dus de eigenaar van de oogst of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen.” – Mat 9:35-38
Het tekstgedeelte is betekenisvol.
1. Eerst wordt aangegeven hoe Jezus omgaat met zijn missie:
- rondtrekken langs steden en dorpen = naar de mensen toe gaan, zich onder de mensen
begeven.
- onderricht geven = Hebreeuwse woord dat aan de basis ligt van het begrip TORAH
- goed nieuws verkondigen = wordt gezegd van een heraut
- goed nieuws over het koninkrijk = het leven en de wereld zoals God, de Schepper, die
droomde van bij het begin, wat hij als Vebondsgod met Israël wilde verwezenlijken in het
beloofde land en wat het evangelie kan helpen waarmaken.
- genezen = THERAPEUO = dienen, zorg dragen voor, genezen
2.
Vervolgens is er een belangrijke vaststelling: de mensen die Jezus ontmoette waren ‘uitgeput /
afgemat / zwak’ en ‘hulpeloos, neergeworpen (ook: opgejaagd)’ als schapen zonder herder.
Bij het zien van deze realiteit ‘voelt Jezus medelijden’: letterlijk staat er zoiets als ‘bewogen tot in zijn
ingewanden’
3.
Dit alles leidt tot een verklaring naar zijn discipelen toe, die tegelijk een opdracht inhoudt: de
oogst is groot… er zijn arbeiders nodig! Vraag aan de heer van de oogst dat hij arbeiders stuurt
(letterlijk: uitdrijven, uitgooien).
4. Het concrete vervolg hierop zal zijn, dat Jezus zijn twaalf leerlingen uitstuurt (Mat 10:1 e.v.).
Inleidende overdenkingen…
Ê ‘Zich onder de mensen begeven…’ is dat hetzelfde als ‘zendingsuitstappen organiseren’? Hoe
deed Jezus dat?
Ê Onderricht… Wat moet er dan zoal verteld en doorgegeven worden (maar ook: wat niet)? Wat
roept het begrip ‘Torah’ op in deze context? Waarvoor was de Torah bedoeld (lees eventueel
Deut 5:32,33 en 6:1-6.
Ê Goed nieuws… Geef eens wat voorbeelden van wat jij beschouwt en ervaart als goed nieuws in
het evangelie (of: jouw geloof / godsdienstbeleving), en wat mensen blij en gelukkig kan maken.
Ê Twaalf discipelen worden uitgestuurd, ieder met zijn eigenheid. Denk je dat een dergelijke verscheidenheid ook vandaag nog belangrijk is bij evangelisatie? Voorbeelden?
Het beeld van de schapen…
Het valt op dat er in Mat 9:35-38 twee beelden worden gebruikt uit het dagelijkse leven van toen:
zowel schapen als oogst. Het beeld van de schapen wordt vooral gekoppeld aan ‘nood’. In Jezus’
tijd was de nood bij de mensen groot. In vers 36 kregen we al de begrippen: uitgeput (afgemat) en
hulpeloos (opgejaagd). In 10:6 komt daar de idee ‘verloren’ bij. Het Griekse woord dat gebruikt wordt
betekent: vernietigd zijn, tot ruïne vervallen, onbruikbaar worden, kapotgaan… Hetzelfde woord
komt voor in de parabel van het ‘verloren schaap’ in Lucas 15.
Juist dit ‘in nood zijn’ en ‘verloren zijn’ roept bewogenheid op en spoort aan om iets te ondernemen.
„
„
In Lucas 15 trekt de herder er op uit om het verloren schaap te zoeken. Ook de discipelen
krijgen de opdracht om op zoek te gaan naar de verloren schapen (Mat 10.5)
In Matteüs 10 worden de discipelen uitgestuurd om:
Discipelen – 1ste kwartaal 2014 – studie 12
JD
-
onreine geesten uit te drijven (onreine geesten stonden ook voor alles wat een mens kan
opsluiten en verhinderen om normaal en in vrijheid te functioneren)
-
te dienen, te verzorgen, te genezen, te helen (THERAPEUO)
-
te verkondigen dat het ‘koninkrijk nabij is’. Het Griekse woord ‘nabij’ duidt NIET op nabijheid
in de tijd (“nog wat wachten, en dan komt het”), wel op nabijheid in de ruimte: dichtbij,
binnen handbereik.
Samen overleggen
Ê Wat is het eerste waar je aan denkt bij het begrip ‘verloren’? Vergelijk dat met de (concrete)
betekenis van het Griekse woord (vernietigd zijn, tot ruïne vervallen, onbruikbaar worden,
kapotgaan)…
Ê Bij het tegengestelde van ‘verloren’, ‘REDDEN’, wordt vaak gedacht aan ‘mensen redden voor
de eeuwigheid’. Hoe kunnen mensen gered worden voor de eeuwigheid? En is er ook nood aan
redding zonder daarbij onmiddellijk te denken aan de eeuwigheid?
Ê Hoe zou jij de noden van mensen vandaag omschrijven? Kun je voorbeelden geven? Zijn de
woorden ‘verloren, afgemat, hulpeloos of opgejaagd zijn’ nog steeds actueel? En wat kan er
aan gedaan worden? Op welke manier biedt het evangelie daar een antwoord op? Heb je de
indruk dat de kerk daar (een) antwoord(en) op biedt?
Ê Is er een verschil tussen ‘het Koninkrijk is nabij (in de tijd: nog wat wachten, ooit komt het wel)’ en
‘het koninkrijk is dichtbij, binnen handbereik’? Ga voor beide mogelijkheden eens na waar het
goede nieuws zit, en wat onze verantwoordelijkheid daarbij kan zijn…
Het beeld van de oogst…
Het begrip ‘oogst’, en meer nog de uitdrukking ‘de oogst binnenhalen’ kan heel suggestief
werken. Kerken zijn vaak gefocust op het ‘binnenhalen van mensen’ (proselitisme). In Mat 23:15, de
redevoering tegen schriftgeleerden en Farizeeën, waarschuwde Jezus hiertegen.
Er mag vooral niet uit het oog verloren worden dat Jezus’ vraag om arbeiders voor de oogst stoelt
op zijn medelijden met (bewogenheid voor) de mensen die hij in grote nood zag. Het bewerken van
de akker, het zaaien, het oogsten zou dus een antwoord moeten zijn op die nood, en niet op de
behoefte om de eigen schuur zo vol mogelijk te krijgen…
Samen overleggen
Ê Wat roept het beeld van de oogst bij jou op? Wat is die oogst in geestelijk / religieus opzicht (en
wat is het volgens jou niet)? Wie of wat moet er geoogst worden?
Ê Het werkwoord ‘uitzenden’, letterlijk: uitwerpen of –gooien (Mat 9.38), zou er op kunnen wijzen
dat het niet zo makkelijk is om mensen te vinden die bereid zijn om zo’n ‘arbeider’ te zijn… Hoe
zou dat komen? Vind jij het ook moeilijk? Wat houdt je tegen? Wat zijn de obstakels of barrières
die je moet overwinnen?
Ê Wat kunnen mogelijke motivaties zijn om te ‘evangeliseren’? Vergelijk dit met Jezus’ motivatie.
Jezus gebruikte wel vaker het beeld van de akker en de oogst. In Matteüs 13 kun je de
overbekende parabel van de zaaier eens opnieuw lezen: “een zaaier ging uit om te zaaien”. Zonder
de gelijkenis helemaal te ontleden, is het toch nuttig om enkele implicaties nog eens in de verf te
zetten:
-
Er kan maar sprake zijn van ‘oogst’ als er gezaaid wordt.
-
Het resultaat van het zaaien is gedeeltelijk afhankelijk van de grond waarop het zaad valt (de
innerlijke gesteldheid of de omstandigheden waarin mensen zich bevinden).
-
Naar het einde van de parabel toe komt het accent te liggen op de uitzonderlijke
levenskracht van het zaad. Daar waar mensen in Jezus’ tijd een opbrengst van 10, maximum
Discipelen – 1ste kwartaal 2014 – studie 12
JD
20 gewoon waren, geeft Jezus aan dat het zaad (= het woord van het koninkrijk – Mat 13:19)
dertig-, zestig- tot zelfs honderdvoudige vrucht kan voortbrengen!
Dit wordt nog versterkt door de korte gelijkenis over het kleine mosterdzaadje, dat uitgroeit
tot een grote struik waarin vogels kunnen nestelen (Mat 13:31,32)
Samen overleggen
Ê Goede of slechte grond… Mensen zijn natuurlijk zelf verantwoordelijk voor de keuzes die ze al of
niet maken. Moet ook de zaaier echter niet opletten waar en hoe hij zaait? Kan er op zo’n manier
gezaaid worden dat het zaad sowieso weinig kans heeft om op te schieten?
Ê Even doorgaan op de vorige vraag: zijn er dingen in de kerk (houdingen, ideeën, gewoonten,
uitspraken en discoursen,…) die mensen er van kunnen weerhouden om positief te reageren op
het evangelie ?
Ê Het ploegen, zaaien en oogsten gebeurt vandaag heel anders dan in Jezus’ tijd. Denk je dat
‘evangeliewerk’ ook kan of moet evolueren en veranderen? Indien niet: waarom niet? Zo ja: wat
kan of moet anders en waarom? Probeer concrete voorbeelden en suggesties te geven.
Ê Jezus spreekt over ‘buitengewone vruchtopbrengst’ van het ‘zaad van het koninkrijk’. Waar denk
je aan bij ‘vrucht’? Ervaar jij zelf dat ‘vruchtbare’?
Ê Is het opportuun om in deze context Galaten 5:22-24 er bij te nemen (vruchten van de Geest –
overloop ze eens!)? Of gaat het toch om iets heel anders?
Tussendoor vertelt Jezus nog een derde korte parabel over goed zaad en onkruid (Mat.13:24-30)
Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn akker uitzaaide. 25 Terwijl
de mensen sliepen, kwam zijn vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. 26 Toen het jonge
gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten
kwamen de heer des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar
komt dat onkruid dan vandaan?” 28 Hij antwoordde: “Dat is het werk van een vijand.” De knechten
zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het onkruid tussenuit wieden?” 29 Hij antwoordde: “Nee, want dan
zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken.
Samen overleggen
Ê Is er inderdaad zo iets als ‘goed zaad’ en ‘onkruid’? In de parabel van de zaaier en de gronden
heeft Jezus het over het ‘het woord van het koninkrijk’ (in Lucas 8: het woord van God) dat
vrucht draagt. Is het risico vandaag nog reëel om ‘ander zaad’ (een ander woord) te zaaien?
Ê In de korte parabel over het onkruid identificeert Jezus het goede zaad met ‘de kinderen van het
koninkrijk’ (Mat 13:38). Niet de woorden of de gesproken boodschap zijn het zaad, maar de
mensen zelf. Wat leer je hieruit?
Marcus voegt er nog een korte parabel aan toe: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een
mens die zaad uitstrooit op de aarde: 27 hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad
ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe. 28 De aarde brengt uit zichzelf vrucht voort, eerst de
halm, dan de aar, en dan het rijpe graan in de aar. 29 Maar zo gauw het graan het toelaat, slaat hij
er de sikkel in, omdat het tijd is voor de oogst.’ (Marcus 4:26-29)
Samen overleggen
Ê Wat wil deze gelijkenis ons leren over onze verantwoordelijkheid als ‘zaaiers’?
Ê Bestaat het gevaar om ‘de geleidelijkheid’ uit het oog te verliezen en een en ander te willen
forceren? Heb je dat zelf al meegemaakt?
Ê “De natuur haar werk laten doen…” Wat zou dit betekenen als je het omzet naar evangelisatie?
Of is dat niet toepasselijk? In hoeverre speelt ‘vertrouwen’ hierbij een rol?
Discipelen – 1ste kwartaal 2014 – studie 12
JD