Download volledige artikel

INSTRUMENTEN
FLOW
Inleiding: Artikel
Alarm: Hoe langer hoe korter!
De postindustriële samenleving bulkt van de
kortcyclische arbeid
Geert Van Hootegem
Februari 2014
Inleiding
In 2004 definieert Reich, Secretary of Labor onder Clinton, in zijn boek “The
Work of Nations” de jobs van de toekomst. Opmerkelijk in de evolutie die hij
vooropstelt, is het aanhoudend belang van jobs met repetitieve arbeidstaken in
de Westerse samenleving. Het was een voorspelling die stof deed opwaaien. Het
lijkt immers een controversiële stelling dat in een samenleving die wordt
omschreven als een informatiesamenleving (Castells, 2000), met een groeiend
aandeel jobs in de tertiaire sector en de quartaire sector, een groot aandeel
repetitieve jobs aanwezig blijft.
Van Tulder, Malmivaara en Koes (2007) stellen dat repetitieve jobs een
waaier van fysische aandoeningen verrichten aan de spieren, pezen, gewrichten
en zenuwen. Psychische gezondheidsproblemen worden eveneens veroorzaakt
door monotone en repetitieve arbeidstaken (Game, 2007). Aanhoudende
repetitieve lichaamsbewegingen, moeilijke lichaamshoudingen en ergonomische
risico’s veroorzaken deze psychische en fysische problemen (Yassi, 1997). Dat
betekent dat repetititieve jobs een bedreiging zorgen voor volwaardige
loopbanen. De kans op vroegtijdige uitval vergroot. In een samenleving waar
door een gecombineerd effect van vergrijzing en ontgroening de loopbaanduur
structureel verlengd moet worden, is het vooruitzicht van een toenemend aantal
repetititieve jobs mogelijks een tikkende tijdbom. Het lijkt meer dan tijd om data
te laten aanrukken en te analyseren.
De informatiesamenleving blijkt aldus, volgens de literatuur, nog steeds
een groot aandeel ongezonde repetitieve jobs te omvatten. Maar over hoeveel
jobs praten we dan eigenlijk nog? Aan de hand van recente data wordt hierna
het belang van jobs met kortcyclische arbeidstaken voor België en Nederland
beschreven. In paragraaf één wordt comparatief de evolutie van het aandeel jobs
met repetitieve arbeidstaken in België vergeleken met het aandeel jobs met
repetitieve arbeidstaken in Nederland, de EU15 en de EU27. Paragraaf twee
verklaart vervolgens het groeiend aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken voor
België.
1. Relatief aandeel repetitieve jobs tussen 1991 en 2010
Reich (2004) schetst het aanhoudend belang van repetitieve jobs in de Westerse
landen. De onderstaande paragrafen beschrijven achtereenvolgens de evolutie
tussen 1991 en 2010 van het relatief aandeel jobs met arbeidstaken van minder
dan tien minuten en het relatief aandeel jobs met arbeidstaken van minder dan
één minuut. De evolutie wordt steeds beschreven voor België, waarna de data
comparatief vergeleken wordt met Nederland, de EU15 en de EU27.
Grafiek 1 toont dat tussen 1991 en 2010 het relatief aantal jobs met kortcyclische
arbeidstaken in België schommelt tussen 26% en 45%. Grafiek 1 toont
specifiek dat tussen 2005 en 2010 in België een relatieve stijging van 26% naar
45% plaats vond van het aantal werknemers dat arbeidstaken verricht van
minder dan tien minuten. België werd door deze stijging de koploper in het
relatief aandeel jobs met arbeidstaken korter als tien minuten. In de EU15 en de
EU27 bleef het relatief aandeel werknemers dat kortcyclische jobs uitoefent
stabiel tussen 2005 en 2010. Ongeveer 40% van de werknemers in de EU15 en
EU27 oefenden in 2010 jobs uit met kortcyclische arbeidstaken. In Nederland
vond tussen 1991 en 2010 een relatieve daling plaats van 50% naar 38% van het
aantal werknemers met jobs met kortcyclische taken van minder dan tien
minuten.
Grafiek 1. Relatief aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken van minder dan
Werk bestaat uit repetitieve
taken van minder dan 10
minuut
tien minuten in België, Nederland, de EU15 en de EU27 tussen 1991 tot 2010
100
80
60
België
40
EU15
EU27
20
Nederland
0
1991
1995
2000
Jaar
2005
2010
Bron: Eurofound, 1991;1995;2000;2005;2010 + eigen bewerking.
Grafiek 2 toont aan dat tussen 2000 en 2005 een daling plaatsvond van het
relatief aantal werknemers dat arbeidstaken van minder dan één minuut
uitvoert in België. De daarop volgende vijf jaren (2005-2010 observeren we een
relatieve stijging van 17% naar 29%.. Eenzelfde stijgende trend vinden we terug
bij de EU15 en de EU27. Nederland zet een omgekeerde trend neer en kende
tussen 2000 en 2010 een continue daling van 24% naar 16% van het relatief
aandeel kortcyclische jobs. Deze dalende trend in Nederland leidt ertoe dat in
2010 het aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken van minder dan één minuut
13% hoger ligt in België dan in Nederland.
Grafiek 2. Relatief aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken van minder dan
Procentueel aantal jobs
met repetitieve taken van
minder dan één minuut
één minuut in België, Nederland, de EU15 en de EU27 tussen 2000 tot 2010
100
80
60
België
40
Nederland
20
EU15
0
EU27
2000
2005
Jaar
2010
Bron: Eurofound, 2000;2005;2010 + eigen bewerking.
We concluderen dat in België een stijging plaatsvond van het relatief aandeel
jobs met repetitieve arbeidstaken van minder dan tien minuten én van minder
dan één minuut. Terwijl tussen 1991 en 2005 het relatief aandeel repetitieve jobs
schommelt, vond een sterke stijging plaats van het relatief aandeel repetitieve
jobs tussen 2005 en 2010. In tegenstelling tot België, kende Nederland een
continu daling van het aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken van minder
dan één minuut en van minder dan tien minuten. In de EU27 vond een kleine
stijging plaats van het relatief aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken van
minder dan één minuut. In tegenstelling tot België bleeft in de EU15 het relatief
aandeel jobs met repetitieve arbeidstaken redelijk stabiel tussen 1991 en 2010.
Vanwaar deze toch wel onverwachte evoluties? De volgende paragraaf reikt een
mogelijke verklaring aan voor deze evolutie in België.
2. De naakte cijfers
Deze paragraaf verklaart de stijging van het relatief aantal repetitieve jobs in
België door een toenemende Taylorisering van arbeid in de
informatiemaatschappij (Robins en Webster, 2004). Deze verklaring wordt
ondersteund door te kijken naar de evolutie van het aandeel repetitieve jobs per
sector en per beroepsgroep. Alvorens nader in te gaan op deze verklaring,
wordt benadrukt dat in de volgende alinea’s kortcyclische jobs worden
beschreven als jobs die arbeidstaken incorporeren die minder dan 10 minuten
duren.
Grafiek 3 toont het relatief aandeel tewerkgestelden over de verschillende
sectoren in België in 2005 en 2010. De primaire, secundaire, tertiaire en
quartaire sector zijn samengesteld op basis van de NACE-code. De NACE-code
verwijst naar de Europese activiteitennomenclatuur voor de productie en de
verspreiding van statistieken met betrekking tot economische activiteiten in
Europa. Grafiek 3 toont voor België een relatieve stijging van 7% van het aantal
werknemers in de tertiaire sector. Daarnaast kent België een relatieve daling
van het aantal werknemers in de primaire en secundaire sector. België wordt
dus gekenmerkt door een verschuiving in de tewerkstelling in de primaire
sector en de secundaire sector naar een tewerkstelling in de tertiaire sector.
Deze vaststelling komt overeen met wat Castells (2000) beschrijft als een
continue evolutie naar een informatiesamenleving, waarbij de focus ligt op
kennis die gegenereerd wordt in dienstverlenende activiteiten.
Grafiek 3. Procentueel aantal jobs in de primaire, secundaire, tertiaire en
quartaire sector in Belgie tussen 2005 en 2010
45
% aantal werknemers
40
35
30
25
20
2005
15
2010
10
5
0
Primaire sector
Secundaire sector
Tertiaire sector
Sector
Quartaire sector
Bron: European Working and Condition Survey, 2010 + eigen bewerking
Grafiek 4 schetst het aantal kortcyclische jobs per sector tussen 2005 en 2010.
Tussen 2005 en 2010 kenden alle sectoren een groei in het relatief aandeel jobs
met kortcyclische arbeidstaken. De tendens naar meer kortcyclische arbeid is
dus structureel en manifesteert zich economiebreed. De grootste stijging, van
22% naar 48%, vond evenwel plaats in de tertiaire sector. Het relatief aandeel
jobs met kortcyclische arbeidstaken in de tertiaire sector, is zelfs 2% hoger dan
het relatief aandeel jobs met kortcyclische arbeidstaken in de secundaire sector.
Indien per economische activiteit het aandeel repetitieve jobs wordt berekend,
kan worden vastgesteld dat terwijl in 2005 17% van alle kortcyclische jobs in de
industrie gebeurden, nu 14% van alle kortcyclische jobs in de industrie worden
verricht. De maatschappelijke gezondheidszorg en de maatschappelijke
dienstverlening namen in 2005 10% van alle kortcyclische jobs voor hun
rekening, in 2010 bedraagt dit reeds 14%. Op deze wijze is het aantal
kortcyclische jobs in de maatschappelijke gezondheidszorg en de
maatschappelijke dienstverlening bijna even groot als het aantal jobs met
kortcyclische arbeidstaken in de industrie. Indien per economische activiteit
wordt gekeken, vindt men een sterkere stijging terug in de tertiaire sector en
zelfs de quartaire sector dan in de primaire en secundaire sector.
Grafiek 4. Procentueel aantal werknemers met kortcyclische arbeidstaken
tussen 2005 en 2010 in België
% aantal werknemers met
kortcyclische arbeidstaken
60
50
40
30
2005
2010
20
10
0
Primaire sector
Secundaire sector
Tertiaire sector
Sector
Quartaire sector
Bron: European Working and Condition Survey, 2010 + eigen bewerking
Hoewel Reich ze tien jaar geleden al voorspelde, lijken deze data niet te stroken
met de dominante opvatting. We zijn er wel van overtuigd dat we in een
postindustrieel tijdperk leven maar we hebben ons blind overgegeven aan het
discours dat ons gebiedt dat we omringd zijn met jobs die bulken van de
autonomie, de creativiteit en de volledigheid. We zijn in de val gelopen van de
mythe van de dienstensamenleving als het paradijs van het post-vakman/vrouwschap. De data van de European Working and Condition Survey (2005; 2010)
voor de tertiaire sector tonen aan dat almaar meer administratief personeel,
dienstverlenend personeel, bedieners van machines en installaties, assembleurs
en elementaire beroepen die werken met repetitieve arbeidstaken zijn
tewerkgesteld in de tertiaire sector. In 2005 werkte bijvoorbeeld 36% van al het
administratief personeel dat repetitieve arbeidstaken verricht in de tertiaire
sector, in 2010 werkte reeds 51% van al het administratief personeel dat
repetitieve arbeidstaken verricht in de tertiaire sector. Eenzelfde stijgende trend
vindt plaats voor de meeste andere vermeldde beroepsgroepen.
Indien de grafieken 3 en 4 worden samengevat kan worden besloten dat almaar
meer jobs (in België) in de tertiaire sector te situeren zijn. Het relatief aantal
jobs in de primaire, secundaire en quartaire sector daalde tussen 2005 en 2010.
Daarnaast wordt vastgesteld dat in alle sectoren een stijging plaatsvond van het
aantal jobs met kortcyclische arbeidstaken. De grootste stijging vond evenwel
plaats in de tertiaire sector. Precies dé sector die een relatieve stijging kende
van het aantal jobs. Dit simultaan proces van stijging van het aandeel jobs in
tertiaire sector en de sterke stijging van het aandeel repetitieve jobs in de
tertiaire sector, ligt aan de basis van de stijging van het aandeel repetitieve jobs
in België tussen 2005 en 2010.
3. Op zoek naar verklaringen: de dienstenindustrie
Maar hoe valt dat te verklaren? Er zijn verschillende mogelijke elkaar
versterkende structurele tendenzen te benoemen. In de eerste plaats is er sprake
van een statistische maskerade. Door outsourcingprocessen zijn tal van
activiteiten verschoven van de industrie richting “diensten aan ondernemingen”
terwijl het in wezen dezelfde activiteiten gebleven zijn. Omdat organisaties
meer focus willen op hun waarde toevoegende core-activiteiten, zijn het vaak
activiteiten (schoonmaak, bewaking, opslag- en overslag, etc.) die in een fel
gestandaardiseerd keurslijf zitten.
Dat outsoursingsproces gaat tevens gepaard met een proces van horizontale
integratie waarbij monofunctionele giganten ontstaan. Een typisch voorbeeld is
de sector van de contactcenters. Door toenemende processen van
standaardisering gecombineerd met informatisering, worden al smalle taken nog
verder versmald.
Het opknippen van de waardenketen in monofunctionele organisaties, versterkt
door de globalisering heeft bovendien een versterkend effect gehad op opslag-,
overslag en vervoersactiviteiten (denk aan de distributie-activiteiten die een
internetgigant als Amazon veroorzaakt). Activiteiten die veel kortcyclische
arbeid in hun zog meetrekken. Ook de toename van de persoonlijke
diensverlening (denk aan de dienstencheques activiteiten) die veelal
georganiseerd wordt in monofunctionele entiteiten (bv. strijkateliers) heeft zijn
tol geëist.
Daarnaast moet opgemerkt worden dat de grote automatiseringssprongen van
de laatste decennia precies in de informatisering zitten en/of in het
automatiseren van ambachtelijk werk. En ze zitten niet in het automatiseren
van manipulatieve, kortcyclische taken. Daardoor winnen deze laatste aan
relatief belang.
Bovendien kunnen we observeren dat ondermeer door het invoeren van lean
managementtechnieken geen enkele functie, geen enkele sector nog gevrijwaard
blijft van de standaardiseringsijver. Ook dat leidt tot een toename van meer
kortcycliciteit in de takenpakketten van eenieder.
Ten slotte geven Robins en Webster (2004) als mogelijk verklaring voor dit
simultaan proces van tertairisering en cyclustijdreductie, dat in de
informatiesamenleving meer dienstverlenende activiteiten zijn, die worden
gekenmerkt door een almaar groter wordende Tayloristische insteek. Zij stellen
dat “Information, surveillance, efficiency: the very principles of Taylorism
become intensified, extended and automated through the application of new
communications and information technologies.” Kortom, de dienstennijverheid
wordt steeds meer gemodelleerd naar haar industriële voorganger.
4. Tijd voor Beleid.
Deze verklaringen tonen aan dat de geobserveerde tendenzen van structurele
aard zijn. Het gevolg is dat er op korte termijn niet verwacht moet worden dat
het aantal kortcyclische jobs zal beginnen dalen. Wetende dat kortcyclische jobs,
een bedreiging vormen voor de gezondheid van uitvoerders; beseffende dat we
in onze economie nood hebben aan langer wordende loopbanen, lijken deze
ontwikkelingen dramatisch voor de duurzaamheid van onze welvaart. Het is dus
hoog tijd voor beleid. Voor een beleid dat inzet op actie. Deze FLOW-toolkit
helpt alvast om de mouwen uit de handen te steken. Want we zijn zot van
werk.
Referentielijst
Castells, M. (2000). The rise of the network society. Oxford: Blackwell.
Eurofound (1991). 1th European Working and Condition Survey. Brussels:
Eurofound.
Eurofound (1995). 2th European Working and Condition Survey. Brussels:
Eurofound.
Eurofound (2000). 3th European Working and Condition Survey. Brussels:
Eurofound.
Eurofound (2005). 4th European Working and Condition Survey. Brussels:
Eurofound.
Eurofound (2010). 5th European Working and Condition Survey. Brussels:
Eurofound.
Game, A. (2007). Workplace boredom coping: health, safety, and HR
implications. Personnel Review
36(5), pp.701 – 721
Martens, B., Dierick, G., & Noot, W. (2008). Ethiek en weerbaarheid in de
informatiesamenleving.
Leuven: LannooCampus.
Reich, R. (2004). The jobs from the future. In Webster F. (Eds). The Information
Society Reader (204212). London: Routledge.
Robins, K., & Webster, F. (1999). The long history of the information revolution.
In Webster F.
(Eds).The Information Society Reader (62-81). London: Routledge.
Steijn, B. (2004). Werken in de informatiemaatschappij. Assen: Koninklijke Van
Gorcum.
van Tulder, M., Malmivaara, A., & Koes, B. (2007). Repetitive strain injury. The
Lancet 369(9575),
p. 1815-1822.
Yassi, A. (1997). Repetitive strain injuries. The Lancet 349(9056), pp. 943-947.