Onderwijzen en metaprogrammas

Onderwijzen in het licht van metaprogramma’s
“Geen mens kan je openbaren dat wat reeds half slapend in de
dageraad van je kennis ligt”
Kahlil Gibran1
1 Inleiding
Opvoeden en onderwijzen liggen dicht bij elkaar. Beide zijn gericht op de ontwikkeling van
mensen. Zowel bij opvoeding als onderwijs wordt aandacht gegeven aan normen en
waarden. De focus bij opvoeden is breed. Coaching is meer gericht op een bepaalde
prestatie in een specifieke situatie. De focus bij onderwijzen is meer gericht op het vergroten
van kennis en vaardigheden in relatie tot een specifiek onderwerp.
Met andere woorden een onderwijzer helpt zijn/haar leerling bij het ontwikkelen van nieuwe
kennis en vaardigheden. In de praktijk van het onderwijs is het belangrijk aandacht te
besteden aan het verfijnen van onderwijsstijlen, zodat leerlingen zich competenties effectief
eigen kunnen maken
Leren leren
Versnelde ontwikkelingen in de maatschappij, waaronder in de geneeskunde, technologie en
businessmethoden, maken duidelijk dat het vermogen van leren een levenslange noodzaak
is om te overleven en te slagen. Er is een constante aandacht nodig voor
competentievergroting. Daarom is het belangrijk de effectiviteit en snelheid te bevorderen
waarmee doelgericht leren plaats kan vinden.
Daarbij is er een (belangrijke) tendens in het hedendaagse onderwijs meer aandacht te
besteden aan het leren leren. Ook de gedachte “als je weet wat je doet, kun je doen wat je
wilt”2 is er op gericht de autonomie te vergroten.
De interactie tussen leerling/student en onderwijzer/begeleider zal hierbij een
doorslaggevende succesfactor blijken te zijn.
Het stimuleren van de invloedsperceptie ‘controle binnen zelf’
Leren gaat in essentie om (innerlijk) controle krijgen over, binnen het eigen bereik brengen,
beheersen, kunnen.
Het is belangrijk dat de leerling als uitgangspunt heeft dat hij kan leren; dat dit binnen zijn
controle ligt. Het is evenzo belangrijk dat de leraar daarvan uitgaat.
Een van de NLP-vooronderstellingen is dat mensen de hulpbronnen voor positieve
verandering hebben. Deze aanname activeert in ‘zelf’ dan wel de ‘ander’ de
metaprogramma’s ‘controle binnen zelf’ en ‘naar toe’.
Iemand die deze vooronderstelling in de onderwijspraktijk waarmaakt is Feuerstein. De
methode Feuerstein3 gaat er vanuit dat ieder mens tot verandering in staat is. Dat betekent
tevens dat uitgegaan wordt van mogelijkheden en niet van onmogelijkheden.
Hij ontwikkelde het Instrumenteel Verrijkingsprogramma, dat gericht is op het stimuleren van
de denkontwikkeling. Het legt niet zozeer de nadruk op “wat “ te leren maar meer op “hoe” te
leren. Hiermee worden leerlingen zich bewust dat zij het denkproces eigenmachtig kunnen
sturen. De metaprogramma’s ‘re-actief’ en ‘controle binnen zelf’ en ‘naar toe’ zijn daarbij
actief.
Invloed op het eigen leerproces uitoefenen brengt het plezier in het schoolse leren terug. Dat
beïnvloedt het zelfvertrouwen en de motivatie positief. De actieve metaprogramma’s zijn
daarbij ‘controle binnen zelf’. ‘voldoet wel’, ‘zelf’ (zelfvertrouwen) en ‘interne referentie’
(intrinsieke motivatie).
In onze research zijn we inzichten en praktijkervaringen rondom adaptief onderwijs tegen
gekomen. Daarbij worden in wezen bovengenoemde aspecten verweven in het onderwijs.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
1
We definiëren het adaptief onderwijs, lichten kenmerken en werkwijzen toe en illustreren met
voorbeelden. Daarbij kijken we door de bril van metaprogramma’s en maken duidelijk hoe en
waarop binnen het adaptief onderwijs gestuurd wordt.
2 Adaptief onderwijs
Adaptief onderwijs is het optimaal afstemmen van het te geven onderwijs op de leer- en
ontwikkelingsmogelijkheden van de verschillende leerlingen. De elementen competentie,
autonomie en relatie staan centraal in het adaptief onderwijs. Dit vraagt om een (vaak
andere) stijl van lesgeven/begeleiden. Het heeft andere effecten op de leerling..
In dit kader transformeert de rol van onderwijzer naar begeleider, die de leerling/cliënt, de
input, verwerking en output helpt reguleren, waardoor hij uiteindelijk in staat is zelfstandig
meer van leersituaties te profiteren.
Uitgangspunt is een positieve grondhouding: geloof in groeimogelijkheden en
veranderbaarheid van mensen.
Kennis van metaprogramma’s biedt de onderwijzer enerzijds de gelegenheid beter af te
stemmen op de betreffende leerling, anderzijds inzicht in welke opzichten
(metaprogramma’s) de leerling ten behoeve van effectief leren gestimuleerd kan worden. Dit
betreft dan niet de inhoud van de leerstof maar de wijze waarop de leerstof eigen gemaakt
wordt.
Adaptief onderwijs betekent dus aanpassing van het onderwijsaanbod aan de individuele
behoeften van leerlingen en ook en vooral de uitdaging om actief mee te doen. De leerling
wordt uitgedaagd de leraar te informeren over wat hij denkt dat hij kan, voorstellen te doen
en hiervoor ook verantwoordelijkheid te nemen en de leraar van zijn/haar kant begeleidt dit
proces, geeft de instructie die kennelijk nog nodig is, doet eventueel tegenvoorstellen en stelt
afspraken voor. Leraar en leerling maken samen onderwijs.
2.1 Samen onderwijs maken
Wij zijn gewend om kinderen die iets niet lukt de helpende hand te bieden. De helpende
hand bieden zegt het letterlijk: directe en concrete hulp of steun bieden. Wij nemen dus, als
wij helpen, een deel van de taak of het probleem van het kind over.
De vraag is hoe groot de ontwikkelings- of leerwaarde van deze vorm van helpen is.
Het samen onderwijs maken betekent voor de meeste leerkrachten groeien naar een andere
stijl.
Reflectie over de volgende ‘hoe’ vragen4 helpen hieraan richting te geven:
• Hoe zorg ik ervoor dat ik meer het initiatief bij leerlingen laat
(het activeren van de metaprogramma’s pro-actief1 en controle binnen zelf)
• Hoe zorg ik ervoor dat mijn instructie interactiever wordt (ander, zelf, pro-actief)
• Hoe bewerkstellig ik dat niet de methode, maar het kind de volgende stappen in het
leerproces bepaalt? (metaprogramma interne referentie, controle binnen zelf, naar
toe, opties, activiteiten en zelfregulerend)
• Hoe realiseer ik regelmatig reflectiemomenten? (re-actief en zelf) 5
Hiermee verandert het gedrag van de leerkracht in relatie tot de leerling:
1
Het woord pro-actief kent in de dagelijkse praktijk verschillende ladingen. Met het
metaprogramma pro-actief wordt hier bedoeld ‘de energie in de spieren’, ‘doen’.
Met het metaprogramma re-actief wordt bedoeld ‘de energie in het hoofd’, ‘nadenken’, heetgeen
nadrukkelijk niet het zelfde is als reageren op.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
2
Van
‘uit handen nemen’
Naar
‘in handen geven’
verandering in metaprogramma’s
Van controle buiten zelf naar controle
binnen zelf
‘hollen’
‘stilstaan’
‘gerichtheid op het
gemiddelde kind’
‘leren omgaan met
verschillen tussen
leerlingen’
Van toekomst naar heden
Van pro-actief naar re-actief
Van voldoet wel: overeenkomsten naar
voldoet niet: verschillen
(met betrekking tot wijze van leren)
‘uitvoerder’
‘onderzoeker van het
eigen handelen’
Van pro-actief naar re-actief, ander
gericht en specifiek
‘voorschrijven’
‘stimuleren’
Van leidend naar zelfregulerend
2.2 De drie basisbehoeften
In het adaptief onderwijs wordt uitgegaan van drie basisbehoeften bij de leerling/student:
competentie, relatie en autonomie.
• Bij competentie staat het geloof en plezier in eigen kunnen centraal. Dit sterkt het
zelfvertrouwen
• Bij relatie gaat het om gezien worden, gewaardeerd worden om wie en hoe je bent
• Bij autonomie gaat het om het voeden van de drang naar zelfstandigheid, die zich al
op zeer jonge leeftijd manifesteert.
ondersteuning
uitdaging
a utonomie
competentie
kind
relatie
vertrouwen
De basisbehoeften van een kind vragen om vertrouwen, ondersteuning en uitdaging van de
leerkracht.
We gaan in op de basisbehoeften, geven praktijkvoorbeelden en zetten deze in het licht van
metaprogramma’s.
3 Competentie
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
3
Onderwijzen vraagt om het faciliteren van het proces waardoor kinderen complexe ideeën en
concepten gaan begrijpen. De ondersteuning ten behoeve van competentie-vergroting vraagt
om inzicht in individuele kenmerken/metaprogramma’s zodat in het onderwijs maatwerk
geleverd kan worden.
Tevens blijken succesvolle onderwijsmethodieken gewenste metaprogramma’s op een
strategische manier te activeren bij leerlingen.
3.1 Persoonlijke leerstijlen: Het kind wijst de leerkracht de weg
Elk radiostation heeft zijn eigen zenderfrequentie. Voor perfecte ontvangst moet je
afstemmen op die betreffende frequentie. Als je ook maar iets afwijkt zal het signaal inboeten
aan scherpte en helderheid.
Je zou kunnen zeggen dat we allen een eigen voorkeur, een eigen frequentie hebben. En
dat leren het meest gemakkelijk en efficiënt gaat als de informatie op precies die manier
binnenkomt, waar we het meest ontvankelijk voor zijn.
Dit pleit ervoor de individuele leerstijlen te identificeren en groepen met gelijke leerstijlen te
vormen zodat leer-activiteiten daarop aangepast kunnen worden.
Visueel, auditief, kinesthetisch
Goede onderwijzers onderkennen, erkennen en houden rekening met individuele leerstijlen
van leerlingen, bijvoorbeeld waar het gaat om visuele, auditieve of kinesthetische leerstijlen.
Hierbij worden de drie hoofdzintuiglijke systemen, visueel, auditief en kinesthetisch
(beweging en aanraking) gebruikt om de dominante leerstijl vast te stellen. Leerlingen
gebruiken alle drie om informatie te ontvangen. Echter een of meer is vaak dominant hierbij.
Deze dominante stijl geeft aan welke weg voor een persoon de ‘beste’6 is om nieuwe
informatie op te doen.
Deze stijl hoeft niet altijd dezelfde te zijn voor verschillende taken, kunnen dus naar individu
en taak verschillend zijn.
Grofweg gezegd wordt in peuterspeelzalen nieuwe informatie vaak kinesthetisch
gepresenteerd. Op lagere scholen wordt vooral visueel gepresenteerd en op middelbare
scholen en colleges over het algemeen auditief.
Indien leraren/trainers in het presenteren van informatie alle drie de stijlen hanteren, krijgen
leerlingen de informatie aangeboden afgestemd op hun voorkeuren. Hiermede wordt het
voor alle leerlingen aantrekkelijk gemaakt betrokken te zijn.
Tegelijkertijd worden hun ervaringen verrijkt met informatie gevoed door de andere kanalen.
Voor elk wat wils!!!
Een middelbare school houdt open dag voor toekomstige ‘brugpiepers’ en hun ouders.
Leerlingen en leerkrachten zijn aanwezig om op verschillende manieren de toekomstige
leerlingen van informatie te voorzien:
• Ze kunnen door het gebouw lopen, de sfeer proeven en in bepaalde lokalen, zoals
techniek, ook wat proefjes doen (pro-actief, kinesthetisch, activiteiten)
• Er worden diverse praatjes gehouden, het schoolorkest speelt en in de kelder wordt
muziek gedraaid (auditief, informatie)
• Op grote borden zijn foto’s gehangen van diverse activiteiten (visueel, mensen,
activiteiten, informatie).
Concept, structuur, gebruik
Tijdens een diezelfde open dag wordt in het wiskundelokaal met behulp van computers een
voorproefje van het vak gegeven.
Een enthousiaste leerkracht begint aan een van de ouders de wiskundige formule uit te
leggen. Het wordt hem snel duidelijk dat hij op die manier de kennis niet kan overdragen. Hij
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
4
schakelt ogenblikkelijk over op een praktijkvoorbeeld. Dat valt in betere aarde. De ouder die
in eerste instantie genegen was af te haken, blijft geboeid staan en vraagt vervolgens verder.
De wiskundeleerkracht heeft de flexibiliteit en het (intuïtieve) inzicht om goed af te stemmen
op de denkstijl van de betreffende ouder (toepassing in plaats van concept).
3.2 Succesvolle onderwijsstijlen
Het lijkt ons belangrijk niet alleen aandacht te geven aan individuele leerstijlen en het
aanpassen van het onderwijs op die individuele leerstijlen. Om de competentie van
leerlingen ten aanzien van vakgebieden te vergroten zullen er ook meer en minder effectieve
onderwijsstijlen blijken te zijn.
Allemaal leren als de slimsten van de klas
In de Volkskrant van 22 februari 2003 wordt gewag gemaakt van de Bookman-methode. Een
leermethodiek die leerlingen van het studiehuis niet een container kennis in het hoofd wil
proppen, maar ze leert die eerst logisch te ordenen.
Deze methode blijkt, volgens het onderzoek vermeld in de Volkskrant, vooral goed uit te
pakken voor zwakke broeders. De methodiek voorziet in een logische, schematische manier
van kennisoverdracht en gebruikt daarvoor hoofdschema’s en een twintigtal detailkaarten.
De begrippen worden door lijnen met elkaar verbonden.
Deze methodiek dwingt de hersenen als het ware dezelfde redeneertrant van
hoogbegaafden te volgen. Verschillende superslimme leerlingen bevestigen dit soort
schema’s te zien (voor hun geestesoog) als ze leren.
De bedenker van deze nieuwe leermethodiek, ir. Eric Groenendijk, geeft aan dat er zoveel
kennis is bijgekomen, vergeleken met twintig jaar geleden, dat deze nieuwe feiten nooit meer
helder in een studieboek gerepresenteerd kunnen worden, laat staan uit het hoofd geleerd.
Kernpunt bij deze methodiek is dat wanneer je een proces begrijpt, je het beter onthoudt. In
deze methodiek vallen de volgende metaprogramma’s sterk op:
• Visueel: een plaatje is duizend woorden waard!: overzicht en details kunnen in een klap
opgemerkt worden
• Structuur: onderlinge samenhang wordt duidelijk gemaakt.
• Concept: de essentie van de onderwerpen worden op de voorgrond geplaatst.
Onderliggende principe of stapsgewijze instructie.
Michelle Perry7 onderzocht verschillende manieren om kinderen het concept van equivalentie
te leren zoals bijvoorbeeld bij “4 + 6 + 9 = .. + 9”. Vierde en vijfde klassers (Amerikaans
schoolsysteem) die niet bekend waren met dit soort vraagstukken, werden in twee groepen
verdeeld. Aan de ene groep werd het onderliggende principe geleerd: “Het doel van een
probleem zoals dit is het vinden………….” (concept, naar toe, controle binnen zelf, re-actief).
Aan de andere groep werd een stapsgewijze instructie gegeven: “Tel alle cijfers aan de
linkse zijde op, en trek het nummer aan de rechterkant er vanaf.” (procedure, pro-actief, naar
toe)
Beide benaderingen waren effectief om de oplossing van het bovengenoemde vraagstuk te
bereiken. Echter de groep van de ‘principe’-benadering bleek zijn kennis makkelijk toe te
kunnen passen op iets andere soorten problemen, bijvoorbeeld vermenigvuldigen en delen
van nummers bij equivalentiesommen.
Een directe instructie van een techniek om het goede antwoord te krijgen was weliswaar
succesvol, maar verbreedde het leren niet.
We komen daarmee op de volgende basisbehoefte zoals het adaptief onderwijs die schetst.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
5
4 Autonomie
Het adaptief onderwijs richt zich op zelfregulerend leren8 en flexibel leren omgaan met
probleemoplossingstrategieën. De autonomie die hierdoor bevorderd wordt, vormt de basis
voor succesvol toekomstig functioneren.
4.1 Denkstimulerende vragen9
Bij het adaptief onderwijs passen bepaalde stijlkenmerken, zoals denkstimulerende vragen.
Deze hebben als doel:
• Het kind bewust te maken van zijn handelen en denken (re-actief)
• Het kind te laten leren van fouten én successen en zorgen voor inzicht in het
geleerde (voldoet niet en voldoet wel)
• Kinderen hardop te laten denken over hun eigen handelen, denken en voelen.
• Het ontwikkelen van innerlijke spraak, hetgeen belangrijk is om te komen tot
zelfsturing (zelfregulerend)
• Kinderen begeleiden bij planmatig werken
We geven hier enkele voorbeelden hoe een leerkracht dit in praktijk kan brengen en laten
zien welke metaprogramma’s daarbij geactiveerd worden.
Stijlkenmerk: Geef geen antwoorden, maar kaats de vraag terug.
Loes komt bij de leerkracht: “Ik snap het niet…”
Leerkracht vraagt:
• Wat snap je niet (voldoet niet-vraag)
• Tot hoever snap je het wel (voldoet welvraag)
Gestuurd wordt op de metaprogramma’s:
Helder maken van probleem: re-actief,
voldoet niet, controle buiten zelf
Resultaat: re-actief, voldoet wel en controle
binnen zelf
Probleemoplossingsstrategie: pro-actief,
• Welke stappen heb je al gezet om er
controle binnen zelf, activiteiten, voldoet wel,
achter te komen (eerst zelf, dan een
ander kind, dan pas de leerkracht vragen) zelf, ander en procedure
• Vraag eventueel letterlijk terugkaatsen
om bewust te maken van….. (hoe zou
…….)
Aanmoediging tot nadenken: re-actief, naar
toe, controle binnen zelf, zelf
Stijlkenmerk: Stel liefst waarom- en hoe-vragen (concept respectievelijk structuur)
Hoe- en waaromvragen activeren het metaprogramma re-actief. Dit ontwikkelt het vermogen
tot zelfreflectie gericht op de eigen (innerlijke) activiteiten, alsook de eigen motivatie.
Bij rekensommen kan de leraar aan de kinderen vragen: Hoe heb je het berekend?
De voorbeelden van kinderen zullen leiden tot inzicht in verschillende denkmanieren. Deze
kunnen bijvoorbeeld op het bord geschreven worden. Kinderen kunnen daarop opnieuw
kiezen en verwoorden ‘waarom kies ik voor deze manier?’.
Doordat kinderen hun eigen strategieën uitwisselen krijgen ze zicht op meerdere strategieën.
In het delen met elkaar wordt hun flexibiliteit vergroot: opties, activiteiten, naar toe. Zij
worden tevens gestimuleerd tot het maken van een keuze. Daarvoor zullen de
metaprogramma’s voldoet wel en voldoet niet geactiveerd worden.
4.2 Probleembewust maken10
De uitdaging aan de leraar is de leerling te leren leren.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
6
Laat de leerling bij de probleemformulering zoveel mogelijk aan het woord, letterlijk en
figuurlijk. Geef hem de gelegenheid de leraar zoveel mogelijk te informeren over het
probleem, waar beiden mee zitten, maar waar de leerling eigenlijk het meest van ‘weet’. Het
vraagt van de leraar het vertrouwen dat ze er uitkomen, en misschien het meest nog geduld.
In het probleembewust maken staan de volgende vier vragen centraal:
• Wat wordt er gevraagd? Wat is de taak, het vraagstuk?
• Wat vind ik moeilijk?
• Hoe kan ik het probleem aanpakken?
• Wat ik ga doen; de eerstvolgende stap die ik nu zet is…..!
Impliciet wordt hiermee aan het kind een probleemoplossingstrategie aangereikt.
Het inzoomen op ‘wat vind ik moeilijk’ maakt dat het kind ook problemen, obstakels leert
zien: ‘weg van’. Dit wordt ogenblikkelijk gevolgd door ‘hoe kan ik het probleem aanpakken’,
hetgeen ‘controle binnen zelf’ triggert. ‘Wat ga ik doen’ zorgt voor aandacht naar ‘activiteiten’
en activeert het ‘pro-actieve’.
Probleembewust maken
Om wiens competentie gaat het?
In het bovenstaande wordt de ontwikkeling duidelijk van een meer leerkracht-afhankelijkleren naar een zelfstandig-leren.
Daarbinnen past de volgende promotiecampagne minder goed!
Het is duidelijk dat in de campagne “Wie leerde Jantje rekenen? Goed gedaan juffrouw!”
waardering uitgesproken wordt voor alle inspanning van onderwijskrachten.
Het lijkt ons goed ook naar de metaboodschap te kijken van deze campagne.
Vergelijk de bovenstaande slogan met: “Wie leerde Jantje rekenen? Goed gedaan, Jantje!”
Bij “Goed gedaan juffrouw!!” wordt impliciet aan Jantje een controle buiten zelf
toegeschreven.
Dat gebeurt niet bij “Goed gedaan, Jantje!!” In dat geval weet Jantje dat hij het voor elkaar
heeft gekregen. En natuurlijk heeft dat consequenties voor zijn zelfvertrouwen en daarmee
ook voor zijn verdere leerprestaties.
In de paragraaf belonen en straffen wordt overigens het gevaar van “Goed gedaan, Jantje!”
geschetst in de zin dat het de externe referentie van Jantje kan bevorderen.
Met het bovenstaande voorbeeld willen we aangeven dat inzicht in metaprogramma’s
duidelijk maakt wat de consequenties van bepaalde acties kunnen zijn, niet zozeer wat
inhoud betreft als wel naar de wijze waarop geleerd wordt en gaat worden.
4 De relatie
Het is belangrijk dat een leraar vertrouwen heeft in het potentieel van het kind, de leerling en
uitgaat van mogelijkheden11.
Dit beïnvloedt de relatie tussen leraar en leerling positief.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
7
Krachtgevende overtuigingen en zelfvertrouwen ondersteunen en motiveren het effectief
leren. Beperkende overtuigingen en een negatief zelfbeeld staan vaak aan de voet van
leerproblemen en onvermogen.
4.1 Energy flows where attention goes!
Ook al heeft de leraar het goede voor met zijn leerlingen, toch komen positieve bedoelingen
niet altijd volledig goed uit de verf.
Een van de redenen is dat aandacht aan de relatie gegeven wordt nadat de situatie uit de
hand gelopen is. Er ontstaan acties rondom om ‘voorkomen van pesten’, ‘antigeweld
campagne’, ‘faalangstreductie’. Al snel komen de voorbeelden van pesten, geweld en
faalangst je hoofd binnendringen.12 De wijze van formuleren heeft onbedoeld een averechts
effect. Waar je aandacht naar uitgaat, is ook je energie.
De goede bedoelingen zullen makkelijker gehaald worden, als in plaats van of direct na de
‘weg van’ formuleringen, ‘naar toe’-formuleringen worden gebruikt, zoals bijvoorbeeld: “Van
faalangstreductie naar het vergroten van het zelfvertrouwen.”; “Van het voorkomen van
pesten naar respectvol omgaan met elkaar.”; “Van antigeweld naar hoe hou je het leuk!”
Energy flows…………………………….
Vertrouwen ten behoeve van de relatie vraagt om aandacht voor zelf en ander, inzicht in en
respect voor de criteria van zelf en ander (interne en externe referentie) en een belangrijke
mate van voldoet wel.
De leraar kan de relatie tussen leerlingen onderling positief beïnvloeden door middel van
opdrachten die deze metaprogramma’s activeren:
4.2 De dikke duim is voor………………..
Het is vrijdagmiddag; tijd voor de dikke duim!!!
Speciaal is tijd ingeruimd om een kind in het zonnetje te zetten voor iets wat zij/hij goed heeft
gedaan. Zo leren kinderen op dat moment heel expliciet het metaprogramma ‘voldoet wel’ te
gebruiken.
Een goede start………… het regent complimenten
Het schooljaar begint. Het belooft een moeilijke opgave te worden. De klas is niet een van de
gemakkelijkste. De leerkracht houdt wel van een uitdaging. Hij weet dat de kinderen elkaar
kennen en dat ze niet zo genegen zijn elkaar heel positief te benaderen.
Hij geeft elk kind zoveel briefjes als er kinderen in de klas zijn. Op elk briefje staat de naam
van een kind in de klas. Alle kinderen krijgen de opdracht iets aardigs te schrijven op de
achterkant van het papiertje over het betreffende kind.
Het resultaat is dat elk kind van elk ander kind uit de klas een compliment krijgt.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
8
Het baant de weg naar: “Hoe voldoe jij in mijn ogen?” (voldoet wel).
4.3 De klas: dat zijn wij!!
In de hoogste klassen van het basisonderwijs werd gestart met de volgende vraag:
Hoe willen jullie hier behandeld worden – door mij en door elkaar? Waar zouden jullie later
aan willen terugdenken en zeggen “Wat een fantastische klas!”.
Hierbij ligt niet langer de last van hoe de school eruit moet zien bij leerkrachten en
schoolleiding, maar ook bij de leerlingen zelf. Geactiveerd worden daarbij de
metaprogramma’s ‘re-actief’, ‘interne referentie’ en ‘naar toe’. Het bewustzijn van de
verschillende criteria leert iedere betrokkene dat er verschillen en overeenkomsten zijn
tussen mensen. Een eerste basis om rekening te houden met elkaar en misverwachtingen te
voorkomen. Vragen die in de praktijk waarschijnlijk niet zo vaak gesteld worden.
Het betrekken van leerlingen bij dit proces leert hen zelfstandig te bedenken wat ze van de
school willen, hetgeen een gunstig effect naar autonomie heeft.
4.4 Belonen en straffen: niet doen!
Nadat veel onderwijzers ervan overtuigd zijn geraakt dat straffen niet motiverend werkt en
dat het beter is om te belonen, wordt nu door Kohn13 beide afgewezen.
Zowel belonen als straffen, aldus Alfie Kohn, zijn vormen van controle over de leerling.
In een klas, gedomineerd door het voorhouden van de (negatieve) consequenties, zullen
kinderen gaan denken: “Wat willen ze dat ik doe en wat zal er gebeuren als ik niet voldoe.” In
termen van metaprogramma’s: ‘externe referentie’, gericht op ‘ander’, ‘voldoet niet’.
Hierdoor wordt als het ware een ‘weg van’-motivatiestrategie gestimuleerd, gebaseerd op
externe referentie.
In een klas, gedomineerd door beloningen, zullen kinderen gaan denken “Wat willen ze dat ik
doe, en wat zal ik er gebeuren als ik voldoe?” In termen van metaprogramma’s: ‘externe
referentie’, gericht op ‘ander’, ‘voldoet wel’.
Hierdoor wordt als het ware een ‘naar toe’-motivatiestrategie gestimuleerd, gebaseerd op
externe referentie.
In beide situaties zal een afhankelijkheid van de leerkracht ontstaan.
Het krijgen van waardering, aanmoediging en liefde is voor iedereen belangrijk.
De vraag is of belonen en straffen daartoe de geijkte middelen zijn. Naast het feit dat het de
aandacht afleidt van de taak, spreekt er bevoogding uit. Hiermee wordt impliciet zoiets
aangegeven als “Ik weet het beter” (voldoet niet in termen van vergelijking). Een vreemde
manier van aanmoediging. Tenslotte gaat het er in onderwijs om de leerling/ het kind het
‘beter’ te laten weten.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
9
Belonen of straffen?!
Kohn zegt verder dat beloning het meest schadelijk is voor de interesse van een kind
wanneer het kind al een intrinsieke motivatie heeft voor de taak.
Als het kind geen intrinsieke motivatie heeft voor de taak is het goed de taak zelf te
onderzoeken en te kijken hoe het aantrekkelijker gemaakt kan worden.
Je kunt je de vraag te stellen “Hoe gemotiveerd zijn mijn leerlingen.”, hetgeen leidt tot een
vaststelling…..? Of je kunt je de vraag stellen “Hoe worden mijn leerlingen gemotiveerd.”,
hetgeen leidt tot inzicht in persoonlijke motivatiestrategieën.
In de ideeën van Kohn is de meeste positieve vorm van feedback de beschrijvende
feedback. Daarbij zeg je wat je ziet, niet hoe je het waardeert. Vanuit onderwijs gezien kan
deze informatie juist heel constructief zijn.
Aanmoediging, zodat mensen zich erkend/gezien voelen waardoor hun interesse in hun taak
wordt vergroot heeft een ander effect dan een verbale beloning en is dus niet gelijk aan: ‘je
doet het goed’ of ‘je doet het slecht’.
Aanmoediging heeft ook meer betrekking op de taak zelf en kan meer vragenderwijs dan
stellenderwijs vorm gegeven worden. Dus minder praten, meer vragen, bijvoorbeeld naar:
wat vond je het leukste om te doen, hoe heb je dat uitgerekend etc.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
10
5 Competentievergroting en autonomie
Als je als leraar de competentie van de leerling beoogd te vergroten ga je anders te werk dan
wanneer je gericht bent op autonomie-vergroting. In het eerste geval zal het effectief zijn af
te stemmen op de individuele leerstijl van de leerling. In het laatste geval kies je voor een
methodiek die de leerstijl van de leerling verruimt, flexibiliseert.
Met het vergroten van autonomie gaat automatisch het vergroten van competentie gepaard.
Hierover gaan de volgende voorbeelden, die met behulp van inzicht in metaprogramma’s
nog beter op hun merites beoordeeld kunnen worden.
De nadenkstoel!
Annette begeleidt met veel plezier haar kleuters in groep 1. Joep heeft met veel plezier staan
verven en gaat de kwasten schoonmaken. Hij vind het heerlijk met water te kliederen en al
gauw is de vloer supernat. Annette vraagt hem heel rustig om even op de nadenkstoel te
gaan zitten en na te denken waarom hij dit deed.
Het invoeren van een nadenkstoel is een prima manier om het nadenken van kleine kinderen
te stimuleren (re-actief en interne referentie). Het zou jammer zijn als kinderen dit als een
straf gaan ervaren. Toch wordt dit risico gelopen als de leerkracht te ‘verwijtend’ zou vragen
naar het waarom én als blijkt dat de nadenkstoel alleen gebruikt wordt in ‘het loopt niet
goed’-gevallen. In dat geval wordt het re-actieve automatisch gekoppeld aan ‘hoe voldoe ik
niet?’, een weinig gunstige strategie voor de toekomst.
Het nadenken vergroot de autonomie van het kind; het nadenken in relatie tot wat minder
goed én goed loopt, vergroot de autonomie nog meer. Het willekeurig inzetten van de
nadenkstoel op allerlei momenten: vóór zowel als ná taken, als het goed, minder goed
verloopt enzovoorts, voorkomt dat de nadenkstoel onderdeel wordt van een vast
ritueel/strategie. De meta-boodschap is dan: je kunt op allerlei momenten nadenken.
Leren door fouten
‘Fouten’ maken is niet erg, zolang je er maar van leert!! Kinderen hoeven het niet meteen
goed te kunnen, ze zitten immers op school om te leren.
De leerkracht is over het algemeen degene die aangeeft wat goed is in een toets en wat fout.
Daartoe heeft de leerkracht in zichzelf de metaprogramma’s ‘voldoet wel’ en ‘voldoet niet’
geactiveerd. Een prima combinatie om zowel waarderend als corrigerend te kunnen
optreden.
In veel gevallen wordt het aan de leerkracht overgelaten het kind te wijzen op de ‘fouten’. De
leerkracht kan echter ook besluiten dit kritische vermogen te activeren bij kinderen
bijvoorbeeld door te zeggen: “Freek, er zitten zes fouten in dit dictee. Ga maar eens
ontdekken waar ze zitten!”
Het kind zal dan actief moeten gaan kijken door het filter ‘voldoet niet’.
“Ik kan het niet”
De kan wegzetten en de leer pakken!!! Met deze uitdrukking reageerden ouderen vroeger
soms op “Ik kan het niet” van het kind (controle buiten zelf).
De kan wegzetten en de leer pakken. Een interessante instructie, maar ………… hoe doe je
dat? Precies: “Hoe doe je dat?” met de nadruk op het woordje hoe.
Hoe leer je dat te doen, wat je tot dan toe niet kunt.
We geven hier twee mogelijkheden:
• De kunst van het afkijken
• Zie je wel dat je het zelf kunt.
Bij ‘de kunst van het afkijken’ worden impliciete leerprocessen van een kind, leren via
rolvoorbeelden in de omgeving of op televisie, expliciet gemaakt.
Bij ‘Zie je wel dat je het zelf kunt’ wordt het eigen brein geactiveerd.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
11
De kunst van het afkijken (via een rolvoorbeeld).
In het NLP-onderwijs wordt veelvuldig gebruikt gemaakt van rolvoorbeelden. Gevraagd
wordt om “de ander die het kan” te visualiseren in de gevraagde vaardigheid. Hiermee
wordt afgestemd op het metaprogramma controle buiten zelf van het kind en tegelijkertijd
ingegaan op de vraag “hoe doe je dat?” Dit heeft uiteindelijk als resultaat dat de leerling
het vermogen activeert in zichzelf.
Leren via een rolvoorbeeld:
o Visualiseer de ander in de gevraagde vaardigheid (controle binnen zelf van ander)
o Focus op het gedrag van de ander (specifiek, naar toe)
o Stap in de ander, tweede waarnemingspositie, om te ervaren welke gedachten,
gevoelens en overtuigingen bij het gedrag14 en dus ook de vaardigheid horen (naar
toe, specifiek, controle binnen zelf, ander).
o Stap uit de ander, check of dit is wat je wilt kunnen? Hoe voldoet dit wel aan je
criteria? En ‘Hoe voldoet dit niet aan je criteria?’ (criteria-check) Eventueel bijstellen.
o Verander de ander in zelf (verandering metaprogramma van ander naar zelf)
o Stap in zelf om, subjectief, te ervaren
dat je het zelf kunt (verandering
metaprogramma van controle buiten zelf naar controle binnen zelf).
In het leren via een rolvoorbeeld is ook opgesloten een gerichtheid op de ander en de
vooronderstelling dat de ander het kan (controle binnen zelf van ander).
We hebben bovenstaande methodiek zorgvuldig uit de doeken gedaan, om zodoende een
goede representatie te geven hoe leren via een rolvoorbeeld in principe werkt.
In de praktijk volstaat het vaak aan kinderen te zeggen: “Stel je voor dat je……………. bent,
hoe zou je het dan aanpakken?”
Zie je wel dat je het zelf kunt!!
De vraag “Hoe doe je dat?” wordt teruggespeeld met als doel het eigen brein te
activeren, dus niet vragend aan de ander, maar aan jezelf.
“Hoe doe ik dat?” “Hoe zou ik het kunnen doen?” Dat is de vraag die het brein nodig
heeft om geactiveerd te worden. De vooronderstelling die hierin opgesloten ligt is dat je
het kunt (controle binnen zelf). Verder motiveert deze vraag je ergens naar toe. Het brein
zal dan antwoorden gaan genereren.
De “kan (niet)” wegzetten en de leer pakken. Het is zeker te doen. Het vraagt alleen iets
meer tijd (zie ook hoofdstuk modelleren: leren van experts).
Die tijd is goed besteed omdat het leervermogen van de betrokken persoon vergroot wordt.
Uitdaging ten behoeve van de autonomie houdt vrijwel altijd in dat een leerling een ander
pad (in termen van metaprogramma’s) afloopt en zo de eigen zelfstandigheid vergroot.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
12
6 De effectieve onderwijzer/begeleider
In de ontwikkeling van onderwijs zullen leraren transformaties ondergaan. Ditzelfde geldt
uiteraard op het niveau van het schoolteam en de schoolleiding.
In deze transformatie zullen onderwijzers/begeleiders zich niet alleen van andere
werkmethodieken bedienen. De attitude vanwaaruit de onderwijzer deze werkmethodieken
aanreikt is zeker zo relevant. Dit vraagt van leerkrachten kritisch willen, durven en kunnen
kijken naar het eigen onderwijsgedrag.
Dilts15 benoemt een aantal overtuigingen van een effectieve onderwijzer:
Wij geven enkele hier weer en benoemen de relevante metaprogramma’s die hierin
opgesloten zijn:
o Iedereen is in staat om te leren (naar toe, controle binnen zelf en globaal, mensen en
activiteiten)
o Mensen leren makkelijk als hen waardering en erkenning wordt gegeven voor hun eigen
ideeën (mensen, activiteiten, naar toe, voldoet wel, interne referentie, opties)
o Ik word verrijkt door de ideeën en vragen van een ander. (naar toe, ander, opties, zelf)
o Hij zal goed gebruik maken van de kennis of informatie, die ik bied en op een soort
manier die het best is voor hem. (ander, gebruik, informatie, controle binnen zelf, voldoet
wel, zelfregulerend).
Verder noemt Dilts intellectuele stimulatie als een belangrijke leiderschapstijl van de
onderwijzer: dit betreft het aanmoedigen van mensen om nieuwe perspectieven te
ontwikkelen en te reflecteren op eigen ideeën. Onder meer als gevolg daarvan kan over
oude problemen op nieuwe manieren gedacht worden. De onderwijzer kan daartoe zichzelf
stimuleren of de leerling.
Obstakels: hoe ga je ermee om?
Het lijkt ons vanzelfsprekend dat ook leerkrachten behoefte hebben aan gevoel van
competentie (ik ben een leerkracht waar kinderen wat van leren).
Stel: een onderwijzer biedt veel uitleg en hulp aan een kind. Het kind slaagt er niet in de taak
met goed resultaat te verrichten. De neiging tot zelfbescherming kan er dan toe leiden dat de
leerkracht het probleem buiten zichzelf legt: Dit kind wil gewoon niet leren. Niet zelden zal
hierop gereageerd worden met: dit kind wil of kan niet leren. Dit voorkomt dat de onderwijzer
een gebrek aan competentie ervaart16.
In bovenstaande gevallen zou een leerkracht ook kunnen concluderen dat daar zijn/haar
eigen groeipotentieel ligt17.
Het onderwerp van leerlingbespreking is steevast de leerling. Echter vanuit het inzicht dat de
leraar eerst hulp nodig heeft zou de leraar tot onderwerp van bespreking gemaakt kunnen
worden. Wat is zijn interpretatie van het gesignaleerde probleem, wat heeft hij tot nu toe
gedaan, hoe effectief is dit geweest, kun je het probleem op een andere manier benaderen,
kun je er dan anders en beter mee omgaan?
Hiermede wordt een denkpauze ingelast ten behoeve van zorg voor zichzelf, reflectie. Je
denkt erover na en daardoor houd je jezelf en je werk op orde, houd je het in zekere zin ook
nieuw18. Deze zorg voor zelf gaat dan vooraf aan zorg voor leerlingen.
De leerkracht is zo een rolmodel voor zijn leerlingen.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
13
7 Conclusie
We hebben laten zien hoe metaprogramma’s op het niveau van competentie, autonomie en
relatie een belangrijke en zeer relevante rol spelen. We hebben daarbij tal van voorbeelden
gegeven die onzes inziens voor de gehele onderwijswereld relevant en belangrijk zijn.
Kennis van metaprogramma’s geeft de onderwijzer/leerkracht mogelijkheid tot reflectie en
snel inzicht waar kinderen mogelijkerwijs andere leerstijlen en ook minder effectieve
strategieën hebben en hoe ze hierin te begeleiden.
De leraar vergroot dan zijn/haar eigen effectiviteit door af te stemmen op individuele
leerstijlen van kinderen en deze (desgewenst) verder uit te bouwen.
Het onderwijsproces kun je dan zien als een constante uitdaging tot vergroting van
flexibiliteit, waarbij vaak niet duidelijk is wie nu de leraar en wie de leerling is!
Reacties naar aanleiding van dit artikel zijn welkom bij
Anneke Durlinger ([email protected], www.tjoys.nl)
En
Guus Hustinx ([email protected], www.intens.org)
En aangezien ‘experience the ultimate teacher is’, interesseren we je graag voor onze
workshop bij het IEP.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
14
1
2
Kahlil Gibran: de profeet. 1929/1979 Marananda Wassenaar
Citaat: Moshe Feldenkrais
3
Feuerstein, geboren 1921 in Roemenië, gevlucht naar en gevestigd in Palestina, werkt voor
Youth Aliyah. Dit is een organisatie belast met de zorg voor de honderdduizenden kinderen
die Israël binnen kwamen. Een van zijn taken was het onderzoeken van kinderen op hun
leermogelijkheden, teneinde ze te kunnen plaatsen binnen het onderwijs.
Hij wilde niet accepteren dat de testresultaten, groot verschil in intellectueel functioneren van
de kinderen ten opzichte van westerse leeftijdsgenoten, een goede voorspelling zouden zijn
voor toekomstig functioneren.
Hij was ervan overtuigd dat kinderen op een hoger niveau van functioneren kunnen worden
gebracht en ging daarom op zoek naar wegen om de leercapaciteiten van kinderen te
vergroten. Hij ontwikkelde daartoe het Instrumenteel Verrijkingsprogramma om de
leermogelijkheden van kinderen te vergroten. Bron: H. Jacobs (Stibco)
4
Genoemde hoe-vragen zullen leiden tot competentie-vergroting van de leerkracht naar het
adaptieve onderwijs. De kracht van hoe-vragen is:
• Hoe-vragen vooronderstellen de realiseerbaarheid van de inhoud; controle binnen
zelf.
• Hoe-vragen zorgen voor de reflectie; re-actief. Deze reflectie kan zowel bij zelf als de
ander geactiveerd worden.
• Genoemde hoe-vragen kenmerken zich daarnaast door de metaprogramma’s naar
toe, activiteiten en zelf als ook ander.
5
Uit een verslag van het project “omgaan met verscheidenheid” uitgevoerd door het APS
(Algemeen Pedagogisch Centrum in samenwerking met het ISOR (Instituut voor
Onderwijsresearch)
6
De weg welke voor een persoon de ‘beste’ is om informatie op te doen, kan in het licht van
autonomievergroting een andere zijn.
7
Genoemd door Alfie Kohn in zijn artikel: Education’s Rotten Apples, september 18, 2002
Education Week: gebaseerd op: a study published in the journal Cognitive Development by
Michelle Perry, researcher
8
Belangrijk is dat er twee verschillende soorten van effectiviteit in leren bestaan.
Vanuit het gezichtspunt van de leerling, zegt Peter Honey hierover:
• Mensen kunnen tegemoet komen aan hun eigen sterke kant en zo beter worden in het
selecteren van leermanieren die sporen met hun leerstijl. Of
• Zij kunnen zich ten doel stellen beter allround leerling te worden door extra te investeren
in onontwikkelde of niet benutte stijlen.
Het eerste is makkelijk, het laatste is de uitdaging.
9
Ontleend aan adaptief onderwijs
Ontleend aan adaptief onderwijs
11
Om met Feueurstein te spreken “Er is geen plafond!”
12
De goede bedoelingen bij bovengenoemde onderwerpen zijn duidelijk. Maar ook hier
geldt, zoals als bij het hoofdstuk opvoeding reeds gesteld: “Het onbewuste kent het woord
niet niet”.
13
Five Reasons to stop saying “Good job!” bij Alfie Kohn, article published in Young
Children, september 2001.Kohn:
10
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
15
14
Door in de ander te associëren, activeert betrokkene automatisch de in dit gedrag en voor
dit vermogen actief zijnde metaprogramma’s. Zie ook hoofdstuk coaching, het belang van
associatie.
15
Dilts in NLP-encyclopedia
16
Op dat moment gaat de leerkracht niet uit van mogelijkheden, maar van onmogelijkheden.
17
Uitgaand van de NLP-vooronderstelling: “de betekenis van de communicatie is de reactie
die je oproept”.
18
Dit is congruent met vormvoorwaarden voor doelen, gesteld in hoofdstuk 6, coaching:
controle binnen zelf.
© Anneke Durlinger-van der Horst & Guus Hustinx
16