Kindergebreken

596
KENVERMOGEN.
materiaal der begripsvorming is, zooals van zelf spreekt, van objectieven
aard. Doch zoowel het vergelijken van de zinnelijke voorstellingen in
hare eigenschappen, als het afscheiden der ongelijke en het vasthouden
der gelijke eigenschappen, zijn openbaringen van de activiteit des
geestes.
In het nu volgend proces der inductie valt op te merken het optreden van eene tweeledige geesteswerkzaamheid, gegrond op de beseffen van causaal-verband en doelwerking, met dien verstande, dat
één van beide in elke inductie optreedt, zooals hierboven is aangetoond.
Aangaande het gewichtig vraagstuk der apperceptie wordt hier met
opzet niets medegedeeld, daar het reeds eene afzonderlijke behandeling vond. Meent men, dat het in dit artikel niet onbesproken mag
blijven, dan verloorloven we ons, er op te wijzen, dat de apperceptie,
volgensdarzmigjusteopvanWd,ewilsacte is en derhalve eerst onder: Willen behoort besproken te worden.
Ten slotte nog een woord van verontschuldiging voor den min of
meer stelligen vorm, waarin hier het kenvermogen werd besproken.
Wij droegen namelijk die denkbeelden voor, die ons als de aannemelijkste voorkwamen, zonder van andere inzichten eene volledige
opsomming te geven. — Zij zijn in hoofdzaak te vinden bij Lotze en ten
onzent op uitnemende wijze voorgedragen door Dr. P. Bierens de Haan
in zijne „Hoofdlijnen eener Psychologie met metafysischen grondslag."
Wil men met andere denkbeelden zich vertrouwd maken , dan leze
men de artikelen in dit Woordenboek over: Herbart , Apperceptie,
Associatie en Wundt.
Een wel niet psychologisch, doch daarom niet minder belangrijk
onderzoek is dat, hetwelk niet het ontstaan onzer kennis betreft, doch
dat zich bezig houdt met het vaststellen van de waarde, die aan de
menschelijke kennis mag toegekend worden. We willen er het een en
ander over zeggen.
Gelijk uit onze geheele uiteenzetting aangaande het ontstaan en den
opbouw der menschelijke kennis blijkt, zijn de subjectieve, de geestelijke factoren, daarbij van het allergrootste gewicht. Wel bevatten de
gewaarwordingen een zeer gewichtigen, objectieven ondergrond, die
als zoodanig buiten het terrein des geestes ligt, doch die eerst in het
geestelijk proces der gewaarwording ons bewust wordt en derhalve,
op zich zelf en dus buiten den geest gedacht, absoluut onkenbaar is.
Deze onkenbaarheid der objectieve wereld buiten ons laat zich niet
loochenen of miskennen. Wat Kant „das Ding an sick" noemde, is
uitteraard buiten de sfeer onzer bewustheid gelegen. We weten door
nadenken, dat het is; doch het is onmogelijk in zijn wezen te doorgronden. Evenmin te doorgronden is het wezen des geestes met zijne
aprioristische beseffen. De beperkte sfeer onzer bewuste kennis is
als 't ware begrensd door twee onmetelijke oceanen van onbewust
zijn: het „Ding an Sich" buiten ons en datzelfde „Ding an Sich" in
ons. Daaruit volgt met noodzakelijkheid, dat al onze kennis subjectief,
KINDERGEBREKEN.
597
en tevens dat zij betrekkelijk en niet absoluut is. Moet zij daarom nu
ook onbetrouwbaar geacht worden? Ons dunkt het stellen dezer vraag,
het twijfelen aan de betrouwbaarheid onzer kennis, vruchtbaar, in
zooverre die onbetrouwbaarheid geacht kan worden, gelegen te zijn in
de onvolkomenheid van onze zintuigelijke waarnemingen, in de onjuiste
vorming onzer begrippen, in de voorbarigheid onzer inductiën , kortom
in al datgene, dat in individuëele beperktheid en onvolkomenheid zijne
oorzaak vindt, en derhalve voor toekomstige correctie vatbaar is. Doch
het stellen derzelfde vraag achten wij totaal onvruchtbaar, voorzooverre
die onbetrouwbaarheid eene algemeene geldigheid zou hebben en derhalve ook voor het volmaaktste menschelijk organisme en de volmaaktste
menschelijke intelligentie van toepassing zou zijn. Immers zulk een
absolute twijfel aan de geldigheid en waarde onzer kennis zou eveneens
onbetrouwbaar geacht moeten worden en zoo zou dan de twijfel aan
den twijfel op nieuw tot de betrouwbaarheid voeren. Voorzeker, onze
kennis is en blijft subjectief; zij wordt opgebouwd uit elementen, die
den stempel van onzen geest dragen. Zij bestaat in bewustwording
van relatiën tusschen subject en object. Maar eene andere, als deze
kennis is niet mogelijk, een ander kennen te onderstellen is absurd,
even absurd als de daad van Von Miinchhausen, die zich zelf bij de
haren uit de sloot trekt.
Bovendien is ons gegeven het besef der waar-waardeering, of liever,
dit besef is geworteld in het wezen onzes geestes en heeft voor ons
absolute geldigheid en een normatief karakter. Het is geworteld in
de sfeer van absolute wezenheid, naast de beide andere normatieve
beseffen van schoonheid en goedheid.
Dit drievoudig normbesef , tot volledige en reine bewustheid ontwaakt,
is in staat, ons leven te verhelderen, te verblijden en te sturen in
de richting der hoogste volmaaktheid.
Utrecht.
W. JANSEN.
Litteratuur : LOTZE , lllikrokosmos. Deel I. — Dr. P. BIERENS DE
HAAN , Grondlijnen eener Psychologie met metafysischen grondslag. Amsterdam 1898. Voorts de bekende werken van HERBART , WUNDT en
ZIEHEN. Voor de theorie der kennis raadplege men: SPRUYT
Proeve
van eene geschiedenis van de leer der aangeboren begrippen. Leiden 1879.
,
Kindergebreken. Toen in 1890 het beroemde boek van professor
Ludwig Strumpell : Die Pi dagogische Pathologie verscheen, schreef
Dr. Dittes: „Als zelfstandig deel van de opvoedingsleer heb ik de
paedagogische pathologie niet behandeld. Dat hindert echter weinig als
men zich de paedagogische „Normallehre" maar helder voor oogen
stelt en zich daaraan houdt; zooals ook de medische pathologie zich
steeds richt naar de physiologie en de gezamenlijke natuurwetenschappen. Een speciale ad hoc samengestelde paedagogische pathologie kan nuttig zijn voor verbeterhuizen, gestichten voor dwangopvoeding e. d. waar men systematisch de gevolgen van een verwaar-
598
KINDERGEBREKEN.
loosde opvoeding en ontaarding behandelt, in het algemeen echter zal
men zich hieraan moeten houden , dat het voorkomen van abnormaliteiten en het leggen van stevige gronden voor het ware en het goede
het eigenlijke werk der opvoeding is, en dat zij in de eerste plaats verwant is aan de hygiéne en slechts in de tweede plaats aan de therapie" 1).
Dat dit denkbeeld ook ten onzent de opvoeding steeds heeft beheerscht,
toonde ik in den eersten jaargang van Oud en Nieuw 2) aan, eveneens
waarom deze eenzijdigheid is af te keuren. In het algemeen zal de
stelling van Dittes wel de juiste wezen, maar het zal de paedagogische
wetenschap en de geheele opvoeding 3) ten goede komen , wanneer
de kindergebreken „an und fiir sich" ernstig bestudeerd worden.
Het streven om een overzicht te krijgen van alle kindergebreken,
hun aard en hun wezen, hun overeenkomst en verschil, hun ontstaan
en vooral hun genezing dwingt tot nauwkeurig waarnemen van de
kinderen en het ernstig bestudeeren van ieder individu afzonderlijk.
Voor den onderwijzer der volksschool is de studie der kindergebreken in zooverre belangrijk, dat ze hem met meer medelijden en
meer liefde vervult tegenover hen, die zwak zijn en ziek, dat ze
hem te hooger leert waardeeren den gunstigen invloed, dien hij door
de waarheid van zijn onderwijs , de reinheid van zijn leven en de
vastheid van zijn karakter op de jeugd kan uitoefenen.
Hem zal die studie ook brengen tot hooger opvatting van zijn
heerlijke, maar moeielijke taak.
Hij zal leeren inzien, hoe gering de waarde is van stelsels en systermen voor opvoeding en onderwijs; maar zich met ijver toeleggen
op kinderstudie.
't Is een gelukkig verschijnsel , dat ook in Nederland ernst wordt
gemaakt met die studie. Zij levert materiaal voor de studie van kindergebreken, maar ondervindt omgekeerd een grooten steun van het bestaan van een juist omschreven pathologie.
In Duitschland, waar men de kinderstudie Kinderpsychologie of
Kinder forschung noemt , vindt men vele uitstekende beoefenaars van
deze nieuwe wetenschap , evenals in Frankrijk en Amerika. Daar heeft
men ze „met de min of meer barbaarsche namen van paidologie,
paidoskopie of paidonomiek toegetakeld" 4).
De studie der kindergebreken is bij de paedagogen nog in haar eerste
jeugd 5). Tot veel resultaten is ze nog niet gekomen, vooral niet met
1) Zie: Kózle, Die Pádagogische Pathologie, pag. 3.
2) Zie: Oud en Nieuw, jaargang '1896, pag. '106.
3) Zie: Dr. J. L. A. Koch, Die Psychopatischen Minderwertigkeiten. Voorrede pag. VI[l.
4) Dr. J. H. Gunning, Maatschappelij k Werk van 19 Mei 1901.
5) . De bewering van .1. Klootsema, dat „de paedagogische pathologie de critiek
van 'n eeuw met succes wederstaan". heeft, is alleen dan geheel juist, als we
bedenken, dat kindergebreken ook voor de geneeskundigen een voorwerp van
belangstelling zijn geweest. Zie: Verslag van de Vereeniging voor Paedagogiek
van 1899.
KI NDERGEBREKEN.
599
betrekking tot de therapie en studeerende krijgt men een enkele maal
den indruk: veel woorden en weinig zaken ; maar dit geeft niemand het
recht zich aan de studie te onttrekken of er met minachting op neer
te zien. Het steeds stijgende getal van minderwaardigheden in en
buiten de school, het voortwoekeren van allerlei geestelijke kwalen
en gebreken , ondanks de verbetering van de opvoeding in het algemeen
eischt van ons onderzoek en nadenken en zij, die' zich daar aan wijden
verdienen onze achting en bewondering. Bij het opvoeden en bestudeeren van de naar lichaam en geest min of meer misdeelden worden
toch de hoogste eischen aan den mensch gesteld : veel omvattende,
grondige kennis en heerlijke , hooge liefde.
Achtereenvolgens zullen we trachten aan te geven :
a. welke kindergebreken onder de paedagogische pathologie vallen
(begrip en begrenzing).
b. tot welke groepen ze kunnen worden gebracht (klassificatie).
c. welke de oorzaken der kindergebreken zijn (aetiologie).
d. de genezing der kindergebreken (therapie).
e. de geschiedenis en de litteratuur.
a. Begrip en B e g r e n z in g. Kindergebreken zijn in 't algemeen
gebreken, die we opmerken bij kinderen, d. w. z. bij menschen tusschen
de geboorte en de puberteitsjaren. Dat ze ook bij oudere menschen worden aangetroffen , belet niet ze tot de kindergebreken te blijven rekenen.
Kindergebreken, die onder de paedagogische pathologie vallen, zijn
al die zintuigelijke af wijkingen, welke we bij kinderen opmerken en
waarvan ons de ervaring heeft geleerd , dat ze storend werken op de
opvoeding.
Striimpell zegt 1 ) : Die Pdagogische Pathologie ist die Lehre von
allen denjenigen Zustanden und Vorgngen welche erfahrungsmaszig
wLthrend der Entwickelung des geistigen Lebens im Kindheitsalter
von solcher Beschaffenheit sind, dass sie der Abschatzung und Werthbestimmung, nach denen der Padagoge sie im Hinblick auf die vom
ihm gedachte und erstrebte Jugendbildung auffasst und beurtheilt, sich
entweder nicht als geniígend oder als bedenklich oder schadlich ,
überhaupt als irgendwelcher Hinsicht der Besserung bediirftige Fehler
darstellen. Solche Fehler neonen wir pádagogische Fehler."
Van deze kindergebreken moeten we onderscheiden die, welke tot
de medische pathologie gerekend worden en in het bijzonder die,
welke behooren tot het gebied der psychiatrie.
Dat het kennen van enkele verschijnselen ook van die gebreken,
welke tot de medische pathologie behooren voor den opvoeder van
groote waarde kan zijn, al was het alleen slechts om tijdig de hulp
van een arts te kunnen inroepen , behoeft geen betoog. Te minder waar
het uitgemaakt is, dat lichamelijke storingen, als slijmwoekering in de
neus-keelholte, op liet geestelijk leven van grooten invloed kunnen zijn.
1)
Stri mpell, Di' Pc dagogische Pathologie, pag. 16.
600
KINDERGEBREKEN.
In leerboeken over schoolhygiène is daaraan dan ook steeds de
aandacht gewijd') en in 't algemeen kan men zeggen, dat de kennis van
de psychische zijde dezer gebreken voor den paedagoog onontbeerlijk is 2).
Vooral de psychiatrie valt niet geheel buiten het terrein der paedagogische pathologie , al zal de opvoeder zich met de werkelijke
psychosen niet te bemoeien hebben.
Sedert het verschijnen van Koch's uitmuntende studie : Die Psychopatischen Minderwertigkeiten (1893) is het terrein voor den paedagoog
naar deze zijde nauwkeurig genoeg afgebakend 3).
Het begrip, psychopathische minderwaardigheid omschrijft Dr. Koch
nl. aldus: „onder den naam psychopathische minderwaardigheid vat
ik al de psychische onregelmatigheden samen, die van invloed zijn
op het leven van den mensch, hetzij ze aangeboren of verworven zijn.
In het ergste geval worden ze nog niet tot krankzinnigheid gerekend ,
terwijl toch ook in het gunstigste geval de personen , die er mede
belast zijn, niet als volkomen geestelijk normaal te beschouwen zijn"
Tot de paedagogische pathologie behooren, behalve de storingen in
het zenuwleven, de uitingen van een sterk sprekend temperament,
de onregelmatigheden in het voorstellings-, gevoels- en willeven, al
de gebreken aan de zintuigen voor zoover die storend inwerken op
de geestelijke ontwikkeling van het kind.
Zoowel doofstomheid, blindheid 4), achterlijkheid, idiotie, gebreken
van de spraak als wat we gewoonlijk moreele gebreken noemen behooren met tal van andere tot die welke een paedagogische behandeling behoeven , al valt een belangrijk gedeelte hiervan buiten het
terrein van den volksopvoeder en binnen dat van de zoogenaamde
heilpaedagogiek.
Aan den eenen kant slechts begrensd door de medische pathologie ,
met inbegrip van de psychiatrie, aan den anderen kant door de zoogenaamde Normallehre , is het veld der kindergebreken zeer groot. De
paedagoog zoowel als de arts en de psychiater vinden er van hun
gading en zullen elkander moeten steunen en voorlichten om het
veld geheel te leeren kennen en te bewerken.
Het Duitsch kent niet minder dan 914 namen voor kindergebreken,
die Kózle, alphabetisch gerangschikt, in zijn werk over : Die p(idago,
1 Zie: Van Tusschenbroek, Blok en De Jong, Inleiding tot de studie der
schoolhygiëne.
2) Zie hierover : Strumpell, Die Pddagogische Pathologie.
3) In het Voorbericht van den Zen druk van zijn bekend werk zegt Strumpell:
De grens tusschen paedagogiek en psychiatrie is echter niet meer scherp te
trekken. Door de leer der psychopathische minderwaardigheden van Dr. Koch ,
d. w. z. van die somatisch veroorzaakte psychopathische toestanden, welke tusschen de normale geestelijke gezondheid en geesteskrankheid als bijzondere
abnormaliteiten staan, is de paedagogische pathologie gedwongen naast haar
zuiver paedagogisch gedeelte een psychiatrisch gedeelte te behandelen.
4) Wegens het overwicht van de lichamelijke krankheid rekent Striimpell
echter doofstommen, blinden en crétins, niet onder de kinderen, die onder
paedagogisch-pathologische behandeling vallen.
KINDERGEBREKEN.
601
gische Pathologie mededeelt (zie pag. 194 en vervolg) en al zijn daarbij
heel wat namen, die in beteekenis niets of heel weinig verschillen,
daartegenover staan vele vreemde termen, die gebreken aanduiden,
waarvoor het Duitsch geen namen heeft als b.v. aphonie, monophonie
en paraphonie, die spraakgebreken; agraphie en paragraphie, die op
storingen in het schrijven; alexie en paralexie, die op het lezen ; aminie
en parominie, die op de gebaren betrekking hebben.
Ook het Nederlandsch heeft tal van namen voor kindergebreken.
Dat bij een zoo groot materiaal elke poging om daarin het gelijke
te vereenigen waarde heeft, behoeft niet aangetoond te worden en
voor de hand ligt het, dat ieder, die ernstig de kindergebreken heeft
bestudeerd, getracht heeft naar een klassificatie.
b. K 1 a s s i f i c a t i e. Bij de verdeeling en groepeering der kindergebreken kan men van verschillende denkbeelden uitgaan. In vergelijking met de medische pathologie kan men spreken van chronische en
acute gebreken, van gebreken, die door uitwendige slechte invloeden
ontstaan zijn en die, waarmede dat niet het geval is, van overgeërfde
en verworven gebreken.
Van practisch paedagogisch standpunt spreekt men van gebreken,
welke uit de individualiteit van het kind voortkomen (einheimische
Fehler noemt Strumpell ze) en die welke het kind uit de omgeving
overneemt (Fehler fremden Ursprungs). De waarde van deze verdeeling
schijnt groot met betrekking tot de maatregelen, welke men er tegen
moet nemen. Men noemt ze ook natuurlijke en kunstmatige gebreken
of, zooals Herbart zegt, gebreken die het kind hat en die het macht.
Nog spreekt men van lichamelijke en geestelijke gebreken, van gebreken van het verstand en het hart en van gebreken, zich openbarende
in het voorstellen, gevoelen en willen.
Zoo doet o. a. de heer J. Klootsema, een van de weinige Nederlandsche paedagogen, die over dit onderwerp hebben geschreven en
die „op psychologischen grondslag 'n eigen schema (heeft) ontworpen,
waarbij (hij) alleen de terminologie van een aanverwante wetenschap
heeft kunnen overnemen" 1).
Men zal mij niet van chauvinisme beschuldigen als ik het schema
van den heer J. Klootsema overneem. Het ziet er zonder de toelichting,
die in de lezing voorkomt, met al zijn vreemde termen wat geleerd
uit en overschrijdt eenigszins de grenzen, die Strumpell e. a. aan de
paedagogische pathologie hebben gesteld, en blijft uit den aard der
zaak niet binnen Koch's omschrijving van het begrip psychopatische
minder waardigheden.
1 ) Zie en lees vooral: Verslag (1899) van de Vereeniging voor Paedagogiek
(pag. 41). Tot juist begrip van dit schema zij hier nog opgemerkt, dat de
indeeling symptomatologisch is in afwijking van de in de geneeskunde meestal
gebruikelijke klinische indeeling. De heer Klootsema groepeert de afzonderlijke
verschijnselen en niet de gebreken, die uit een complex van verschijnselen
bestaan.
KIN DERGEBREKEN
002
Ziehier zijn schema :
Psychische stoornissen.
I
I ntensiteitsstornie.
(r
Stoornissen
in den duur.
I. Gevoelsleven.
hedonie. (uitgelatenhaid.) 1)
anhedonie. (lusteloosheid.) 1)
positieve
gevoelstonen.
negatieve
hy peralgesie. (overgevoeligheid.) 1)
e voelstonen. 11 analgesie. (gevoelloosheid.) 1)
Kwaliteits-1 perversiteiten.
stoornissen.
II. Voorstellingsleven.
A. Gewaarworden.
hyperaphie.
a,naphie.
13. Waarnemen.
hyperaesthesie.
anaesthesie.
C. Reproductie.
hypermnesie.
amnesie.
( bijzonder veel { gewaarwor-\1)
dingen. J
bijzonder weinig
bijzonder veel
bijzonder weinig
verhoogd
vertraagd
waarnemingen.
1)
herinne- 1 1)
ringstev./
D. Associatie.
1. Psychische associatie.
hyperphantasia.
pliantasmen.
illusies.
hallucinaties.
a. Kwaliteit.
dwangvoorstellingen.
waanvoorstellingen.
b. Kwantiteit.
c. Snelheid.
grootheid.
vervolging.
algeheele vermindering (idiotie, dementie!)
sagaciteit.
eenzijdige vermindering.
excentriciteit.
hyperprosexie.
te groote
{ snelheid.
C te geringe
aprosexie.
)1,
2. Logische associatie (alogie !)
III. Willeven.
i
athymie (langzaam begeeren, krachteloos streven.) 1 )
Intensiteitsstoornissen. 1 hyperthymie (bewegelijkheid onrust etc). 1)
negativisme (innerlijk verzet, trots.) 1)
aversiteiten.
K waliteitsparadoxie (dwanghandeling.) 1)
stoo rnissen.
t
perversiteiten .
1 ) Deze woorden komen niet voor in het schema zooals de heer Kloot . sema
dat gegeven heeft na zijn toelichtende lezing. Ik heb ze er achter geplaatst, om
de beteekenis der vreemde termen ten naastebij aan te geven.
KINDERGEBREKEN.
603
Eenvoudiger maar minder volledig is Dr. Scholz , die als gebreken
behoorende tot het gebied van het gevoel en de gewaarwording rekent :
neerslachtigheid, angst, verlegenheid, overmoedigheid, hoogmoed , eigenzinnigheid, ijdelheid, voorbarigheid, onbescheidenheid, indolentie, overgevoeligheid en leedvermaak; tot het gebied der voorstellingen rekent
hij: domheid, verstrooidheid, vluchtigheid, traagheid , vroegrijpheid,
droomerigheid, nuchterheid, geslotenheid, onordelijkheid, onreinheid en
pedanterie; tot het gebied van het willen brengt hij : onrust (beweeglijkheid), onhandigheid, dwaasheid, begeerlijkheid, verzamelwoede,
bedriegelij kheid , diefachtigheid , ongedienstigheid , norschheid , wangunst, boosheid, wreedheid, onkuischheid, vernielzucht en leugen I).
Strtimpell volgt een eenigszins anderen weg.
Hij verdeelt de kindergebreken in vier groepen :
10 die welke ontstaan uit het overwicht van lichamelijke invloeden
op psychische verschijnselen. Hiertoe behooren weekelijkheid, slapheid,
gemakzucht , traagheid , vadzigheid , loomheid , luiheid , schuchterheid ,
neiging tot schrikken, gevoeligheid, nerveusheid, ongevoeligheid voor
uitwendige invloeden , onreinheid , lekkerbekkerij , genotzucht , geslachtelijke gebreken, neiging tot toorn, drift, verdrietelijkheid en humeurigheid.
Verder onrust d. w. z. niet stil zitten of staan , onophoudelijk bewegen van vingers en handen , onberaden plotselinge handelingen om
te vernielen of te verstoren, uitgelatenheid, lacherigheid en ongebondenheid , eigenzinnigheid met tumultarische bewegingen , schreien
en dreinen ; gebrek aan of algeheele afwezigheid van leedgevoel, medelijden, medevreugde, ongevoeligheid, neiging tot wreedheid en ruwheid, een gedeelte der spraakgebreken.
Hiertoe behooren ook de meer tot de medische dan tot de paedagogische pathologie behoorende hysterische verschijnselen en idiotische
toestanden alsmede alle psychosen.
Als we eens even bedenken van welk een ontzaglijken invloed het
lichaam is op den geest, hoe verschijnt dan als een verschrikkelijke
waarschuwing maar tevens als een troostrijke boodschap het mens
sana in corpore sano.
20 die, welke veroorzaakt worden door storing, verwarring of defect
in de grondslagen van het psychisch mechanisme 2).
1) Zie: Dr. Scholz: Charakterfehler des Mindec.
Over dit onderwerp heeft ook Herbart in zijn Allgemeine Padagogik (pag.
51-58) en in zijn „Umrisz" § 295 geschreven. Bovendien Pestalozzi, Waitz,
Kant, Pérez, Schmid, (Pddagogische Encyclopddie) Schleiermacher, Salzman,
Fichte, Niemeier en vele anderen.
2) Om de uitdrukking psychisch mechanisme juist te verstaan, verwijs ik
naar Strumpell, Grundriss der Psychologie. Leipzig G. Biihme, hoofdstuk 17 tot
22. Ook in Die pizdagogische Pathologie van denzelfden auteur is daaromtrent
iets te vinden op pag. 8 en 9. Strumpell is een leerling van Herbart. Hij heeft
de philosophie van dezen een krachtigen stoot gegeven. Dr. Koch noemt hem
niet onaardig „den man van het methaphysisch realisme." Strumpell nu is het
geweest , die naast de leer van het psycho-physisch en psychisch mechanisme ,
die der vrijwerkende causaliteiten heeft uiteengezet en daardoor alweer, volgens
Dr. Koch, de psychologie een heel eind vooruitgebracht heeft. (Zie Dr. J. L. A.
604
KINDERGEBREKEN.
Hiertoe behooren het moeilijk bewaren van wat waargenomen is,
het moeilijk memoriseeren, het langzame en gebrekkige reproduceeren,
de Herhaaldelijke verwisseling van voorstellingen, het ras vergeten bij
snel opvatten, met één woord allerlei geheugen-gebreken.
Verder onbestendigheid door het te snelle verloop der voorstellingen,
grilefants m(hieranzjvwtdgpien
jolige invallen der kinderen) ; gebrek aan opmerkzaamheid en belangstelling, oppervlakkig waarnemen, babbelachtigheid, onbeduidend kallen
en snappen, voorbarigheid, neuswijsheid, verstrooidheid, vergeetachtigheid, vluchtigheid, moeilijk begrijpen en appercipiëeren , slordigheid
in denken, tegenzin in arbeid, onbeholpenheid, oninschikkelijkheid,
aanstellerigheid bij onbeduidend of gefingeerd lichamelijk lijden en
een gedeelte mede van de spraakgebreken.
Deze gebreken zetelen hoofdzakelijk in het voorstellingsleven. Zijn
ze in hooge mate aanwezig zonder bepaalde lichamelijke verstoringen ,
dan voeren ze tot stompzinnigheid en bekrompenheid eenerzijds en
talent en genie aan den anderen kant.
30 die gebreken, welke ontstaan uit een wanverhouding tusschen
het psychisch mechanisme en de vrije causaliteit, of wel uit defecten
in de laatste.
Hiertoe behooren onverdraagzaamheid, „Rechthaberei", zucht tot
twisten, krakeelen en tegenspreken, gebrek aan openhartigheid, vleierij,
huichelarij, oogendienst, neiging tot bedriegen en misleiden, leugenachtigheid, bedilzucht, klikken, verdachtmaken en foppen; eigenbaat,
winzucht, valschheid, (bij het spel b.v.) diefstal. Verder eigenzinnigheid,
ongehoorzaamheid, onvolgzaamheid, koppigheid, hardnekkigheid, trots
en verstoktheid, onbescheidenheid, ijdelheid, eigenwaan, praalzucht,
heerschzucht tegenover zwakken, nijd, leedvermaak, wraakzucht,
boosheid, ondeugendheid, ondankbaarheid, lompheid, barschheid, onverdraagzaamheid, gebrek aan rechtsgevoel, aan eergevoel en aan
plichtsbesef, zwakheid van wil en doorzetting, inconsequentie in het
willen en tusschen willen en handelen, gebrek aan aesthetisch-zedelijk
en godsdienstig gevoel.
40 die gebreken , welke zich vertoonen bij den overgang van den
kinderleeftijd tot den jongelingsleeftijd, of juister de gebreken der
puberteitsjaren. Ze worden voor het grootste gedeelte aangeduid door
de woorden lichtzinnigheid en gebrek aan zelfbeheersching en ontstaan
uit den strijd tusschen het objectieve en het subjectieve deel van het
karakter.
Koch: Die Psychopathische Minderwertigkeiten, pag. 380). Ll 't algemeen bedoelde hij met deze uitdrukkingen die werkingen der ziel, welke onbewust
geschieden en daarom psychisch mechanisme worden genoemd. Die welke bewust geschieden (de vrij werkende causaliteiten) verdeelt hij in:
1, de causaliteit van het gevoelsleven.
2. de logische causaliteit.
3. de aesthetische causaliteit.
4. de causaliteit van het geweten.
5. de causaliteit der zelf bestemming of der wilsvrijheid.
KINDERGEBREKEN.
605
De gebreken van de laatste soort vallen buiten de grenzen van de
kindergebreken. Die van de 3e soort zijn eigenlijk de fouten, waarmede
de zedelijke vorming vooral te maken heeft; men kan ze ook gemoedsof karakterfouten noemem.
In leerboeken over paedagogiek of speciaal over de moreele vorming
vindt men deze in den regel alleen opgegeven en het spraakgebruik
heeft ze aangewezen als die gebreken, waartegen de opvoeder vooral
moet waken. Dat dit wat eenzijdig is, behoeft natuurlijk niet aangetoond te worden.
Helm 1) brengt ze terug tot vier hoofdgroepen, nl. de leugen, de
lichtzinnigheid , de traagheid en een groep , die hij noemt affecten
en hartstochten, welke verdeeling eenigszins verband houdt met de
temperamenten. Uitvoeriger hierover is B. Hellwig in zijn: Die vier
Temperamente bei Kindern 2).
Nog wil ik voor dit speciale gedeelte wijzen op Bernard Perez :
L'Education morale, des le berceau.
In het algemeen zal men bij de verdeeling van de kindergebreken
in groepen nimmer deze opmerking van Strumpell uit het oog moeten
verliezen 3) : „Met de verdeeling der kindergebreken in groepen bedoel
ik niet dat daarmede ook in werkelijkheid de samenhang der bestanddeelen en verschijnselen van de lichamelijke en geestelijke ontwikkeling
bij het kind opgeheven zou zijn. Wat wij logisch scheiden dat is en blijft
veel meer zakelijk steeds verbonden. In werkelijkheid zijn zoowel de
lichamelijke als geestelijke verschijnselen afhankelijk van het zich ontwikkelende individu en blijft er tusschen beide groepen van verschijnselen
een voortdurende wisselwerking. Daarbij kan het natuurlijk niet uitblijven, dat de een op de andere soms gunstig, soms ongunstig inwerkt.
c. A e t i o 1 o g i e. De leer van de oorzaken der kindergebreken is
voor de practische paedagogiek natuurlijk van het hoogste belang, omdat
zij in zeer nauw verband staat met hun genezing of voorkoming,
wat, zooals van zelf spreekt, eigenlijk het werk der practische paedagogiek is. Strumpell noemt dan ook de aetiologie „die Grundlage fiir
die richtige Behandlung des Fehlers, also der Prophylaxis eines kiinftigen und der Therapie eines schon vorhandenen Fehlers."
Wetenschappelijk man als hij is, dringt hij door tot den diepsten grond
van zijn probleem, dat is, wat hij noemt de vraag of men zich voor
of tegen den „anthropologischen Materialismus" verklaart. Hij meent,
dat de paedagogische pathologie niet volstaan kan met uitsluitend
empirische voorstellingen, maar zekere vooropgezette theoretische waarheden moet aannemen, vooral omdat tot de therapeutische middelen
behooren regeering, het onderwijs en de tucht.
1) Zie: Johan Helm, Handbuch der allgemeinen Padagogik , pag. 97 e. v.
Erlangen and Leipzig, Georg Bóhme.
2) Zie: B. Hellwig, Die vier Temperamente bei Kindern, Paderborn, Verlag
von J. Essen.
3) Zie: Strumpell , Die padagogische Pathologie, pag. 226 en 227.
606
KINDERGEBREKEN.
Wij kunnen die moeilijkheid echter laten rusten; alleen willen we
opmerken, dat het standpunt van Strumpell door de latere schrijvers als
Koch b.v. geheel verlaten is en de opmerking van den heer J. Klootsema
omtrent de eenzijdigheid van Strumpell volkomen gegrond is.
Dat er verband bestaat tusschen de klassificatie en de aetiologie
ligt voor de hand. De klassificatie van Strumpell b.v. is tegelijk een
aetiologische verdeeling.
Terwille van de practische paedagogiek zoowel als van de volledigheid van het overzicht willen we van een groep kindergebreken de
oorzaken opsporen. Ik neem daartoe al de gebreken, die tot onwaarheid of leugen te brengen zijn. Vooreerst komen deze zeer veelvuldig
voor en ten tweede kan er de waarde, ja de onafwijsbare noodzakelijkheid van de studie der kindergebreken uit blijken.
De oorzaken van het liegen of onwaarheid spreken en al de vormen
waaronder deze zonde optreedt, liggen zoowel in als buiten het kind.
De eerste werken deels bewust , deels onbewust.
Onbewust werken ze, als het kind geen waarheid en leugen onderscheidt. Jean Paul 1) zegt: „In de eerste vijf jaren zijns levens spreekt
het kind noch waarheid, noch leugen, het spreekt alleen. Het is gelukkig, dat het spreken kan en speelt daarom met zijn nieuwe kunst.
Het spreekt dikwijls onzin, om zijn eigen spreekkunst te hooren."
Triiper beweert 2) , dat veel, wat wij bij kinderen voor leugen houden, bloot het spel der fantasie is. Het kind spreekt onwaarheid als
bloote jokkernij , om zich zelf en anderen „Freude zu machen", het
neemt verkeerd waar, appercipiëert en reproduceert onjuist, het verwart het waargenomene met datgene, wat zijn fantasie er van gemaakt heeft enz., enz. Dit alles gebeurt bij geestelijk normale kinderen ,
maar in onze scholen en huizen zijn er honderden, die tot de psychopatische minderwaardigheden behooren en waar de leugen nog geheel
andere onbewuste oorzaken heeft. Hier treedt de leugen op als product
van een herinneringsgebrek, van geheugenzwakte, van dwangvoorstelling, onder den invloed van allerlei suggestie — dit laatste komt ook
bij geestelijk normale kinderen en volwassenen voor. Daar verschijnt
hij als illusie en hallucinatie. Als psychisch degeneratie-teeken komt
de leugen herhaaldelijk voor. Bij sommige erfelijk belasten zijn de
ethische gevoelstonen of geheel afwezig of dermate verzwakt, dat ze
hun invloed op het handelen missen. Bij lichte intelligentie-storingen
vooral in verband met verzwakte ethische gevoelstonen treedt de
leugen veelvuldig en in de vreeselijkste vormen op. Ook bij alcoholisme en lichte graden van debiliteit, alsmede bij hysterisch en epileptisch belaste kinderen, bij wie het verloop der voorstellingen een sterke
neiging tot liegen ontwikkelt. Onontwikkelde waanvoorstellingen schuiven zich tusschen de andere in. Daar bij zulke kinderen de egoïstische gevoelstonen de sociale, zoo die al aanwezig zijn, geheel onderdrukken, dringt het egoïsme tot allerlei bewust en onbewust liegen.
1) Zie : Jean Paul (Friedrich Richter). Levana.
2) Zie: Rein , Encyklopddisch Handbuch der Padagogik : Unwahrheit and Liige.
KINDERGEBREKEN.
607
Bewust werken in het kind hebzucht, vrees, ijdelheid, gemakzucht
„et toutes les passions égoïstes, ces grandes conseillères des sophismes" 1).
Groot echter is het aantal oorzaken van de leugen , welke men moet
beschouwen als buiten het kind te liggen.
„La nature elle-même", zegt Pérez 2), „il faut l'avouer, est potre
première maitresse d'erreur : en nous trompant elle nous donne l'exemple
de tromper."
In zijn Krebsbiichlein- zegt Salzman 3) : Er zijn vijf middelen om de
kinderen het liegen te leergin en één om ze vroegtijdig aan het lasteren
te gewennen. Ze zijn : 1. Dwing de kinderen vroegtijdig tot liegen.
2. Belach en beloon de leugen. 3. Geloof alles, wat uw kinderen zeggen.
4. Straf uw kinderen, als ze de waarheid spreken. 5. Geef hun in
uw gesprekken gereede aanleiding tot liegen en 6. Wek uw kinderen
op, om van anderen veel kwaad te spreken.
Beneke wijst in zijn Erziehungslehre 4) op het feit, dat de opvoeders
de leugen op den weg van het kind plaatsen, door het te dwingen tot
bekentenis , tot vergiffenis vragen , tot verklaringen op eerewoord , tot
hoflijkheidsbetuigingen, welke het kind toch geen ernst kunnen zijn;
door het te bevelen om te liegen (Moe is niet thuis) , huichelende
vertooningen te houden tegen verwanten en vrouwen als bewijs van
„goede manieren" in de oogen van velen noodzakelijk enz.
Ook Dittes wijst in zijn Schule der Pcidagogik 5) als oorzaken van de
leugen op vrees, eigenbelang, eerzucht, schuchterheid, valsche lof
voor geslepenheid, gedwongen vergiffenis vragen, liefkozingen, bedankjes en bekentenis van zonde.
Het zou gemakkelijk zijn nog tal van schrijvers en tal van oorzaken
te noemen; deze vooral zijn overstelpend groot. En al was er geen
andere reden om kindergebreken te bestudeeren, dan alleen om er
de oorzaken van op te sporen, dan zou die studie om haar praktische
waarde alleen reeds door ieder aangegrepen moeten worden.
De aetiologie der kindergebreken predikt met kracht en klem: uw
regeering en tucht baten niets, als ge uw kind niet bestudeert; de
beste bestrijding van moreele fouten is het wegnemen of onderdrukken
der oorzaken er van en last not least : opvoeder , herzie u zelf !
d. Therapie. Vóór dat men de malaria-mug en haar hatelijke
werking kende, bestreed men met succes malaria en ook roodvonk
geneest men, zonder dat iemand ooit de baccil daarvan gevonden heeft,
zonder zelfs dat iemand de grenzen dezer ziekte juist kan vaststellen.
1) Zie: Pérez, l'Education morale, pag. 304.
2) t. a. p., pag. 304.
3) Dit boekje is volgens Kbzle eigenlijk het eenige geschrift vóór Striimpell's
boek, dat de kindergebreken paedagogisch wetenschappelijk behandelt; vele
andere, ofschoon allerlei paedagogische aanwijzingen bevattende, behooren tot
het gebied der psychiatrie.
4) Zie: Beneke, Erziehungslehre, § 65.
5) Dr. Fr. Dittes, Schule der Padagogik, pag. 418.
608
KINDERGEBREKEN.
Wie doordringt in het diepste wezen der kindergebreken, stuit op
moeielij kheden , waarvoor nog geen oplossing werd gevonden — maar
daarom behoeft niemand aan de genezing dier gebreken te wanhopen.
Hoe groot is niet het aantal gebreken waarvan de oorzaak uitsluitend in het lichaam gezocht moet worden. Kinderen, die tot
de psychopathische minderwaardige gerekend moeten worden, lijden
aan stoornissen , hetzij in de zenuwen , hetzij in de hersens ; de geheele eerste groep van Striimpell behoort tot deze soort. Is de veronderstelling al te gewaagd, dat men, op den weg, door Dr. Koch —
niet Robert maar J. L. A. — aangewezen, voortgaande, telkens meer de
lichamelijke bron van geestelijke ellende zal vinden : de teekenen zijn er.
Laat ons daarom allereerst aandringen overal, waar we dat kunnen,
op oordeelkundige verpleging van het lichaam, op reinheid, op beweging, op krachtige voeding, op matigheid , op juiste verdeeling van
arbeid en rust 1).
Laat ons mede den strijd aanbinden tegen alcohol, onzedelijkheid
en — armoede.
Want de misère des levens wreekt zich in neurasthenie, 2) hysterie,
epilepsie, in kindergebreken van allerlei aard.
En kindergebreken zijn soms in hooge mate besmettelijk.
„Eén gek maakt meer" zegt men ; maar één onanist, één onrustlij der kan een klasse bederven.
Kindervoeding, schoolbaden, vacantie-kolonies, toezicht op den kinderarbeid en de woningen der menschen vertellen ze het niet luide, dat
de geheele maatschappij voelt, dat in die richting ligt de opheffing
van stoffelijke, maar ook vooral van veel zedelijke ellende.
Maar daarnaast onderwijs en opvoeding.
Geen overlading, geen geleerdheid , maar waarheid en eenvoud en
tucht, liefdevolle ja , maar strenge tucht, stalende oefening in willen ,
in het concentreeren der belangstelling, der gedachten op één punt.
Laat ons, wat wichtige philosophie beredeneere en bepeinze, de
jeugd bewaren voor noodlottig determinisme en laat het der jeugd een
onfeilbare waarheid zijn , waarvan ze de toepassing dagelijks ziet: die
wil , die kan.
Na deze algemeene beschouwing, die ik met aanhalingen van bijna
alle der door mij genoemde schrijvers zou kunnen staven , enkele
bijzonderheden.
Langzamerhand , veel te laat en veel te langzaam, verschijnen hier
te lande scholen voor achterlijke kinderen. Het zal niet lang meer
duren, of de gemeenschap zal liet kortzichtig achten, dat zij niet al
sedert lang en in het belang der normale en in dat der intellectueel
zwakke de zorg voor achterlijke kinderen op zich nam.
Maar onverantwoordelijk is het ook, dat in onze schoolklassen psychopathische minderwaardigen in allerlei graad, moreel defecte, hysterisch en epileptisch belaste kinderen plaats nemen tusschen en naast
1) Zie: Mevr. V. d. Meij. Vermoeienis en overlading.
2) Zie: Dr. Stephan, Neurasthenie en hare behandeling.
KINDERGEBREKEN.
609
de geestelijk gezonde. Ook voor hen zullen we inrichtingen moeten
hebben, inrichtingen voor heilpaedagogiek zooals Trilpers Erziehungsanstalt auf der Sophienhóhe bei Jena en het Medisch-Paedagogisch
Instituut van A. J. Schreuder te De Bilt, waarvan onze verbeterhuizen
parodieen zijn.
Waarom wachten we nog immer op den leerstoel voor de paedagogiek aan onze universiteiten
Dat is een van de redenen waarom wij achterlijk zijn in deze
wetenschap.
Daar zou onder leiding van geneeskunde, psychiatrie, neurologie,
psychologie en physiologie een leger van wetenschappelijk gevormde
heilpaedagogen kunnen worden opgeleid niet alleen, maar daar zou
ook de volksopvoeder in het algemeen den breeden wetenschappelijken
grondslag kunnen leggen, waaraan zijn studie en zijn werk behoefte
hebben.
Op de inrichtingen voor blinden, doofstommen, idioten en spraakgebrekkigen behoef ik niet te wijzen , wel echter op suggestie en
hypnose 1 ). In mijn bestek kan ik echter met een bloot noemen dezer
zaken volstaan.
Dat de paedagoog bij het toepassen van middelen , welke niet bepaaldelijk tot het gebied der paedagogiek behooren, steeds den geneesheer moet raadplegen , spreekt wel van zelf. De therapie , in haar
nauwe begrenzing opgevat, is zijn terrein niet.
e. Geschiedenis en litteratuur. In zijn reeds genoemde
lezing 2) zegt de heer J. Klootsema, dat de paedagogische pathologie
als min of meer zelfstandige wetenschap reeds de critiek van een
eeuw met succes doorstaan heeft. Bij dit succes en die critiek dacht
de schrijver meer aan de studie der geneeskundigen dan aan die der
paedagogen. Met zijn tijdbepaling ben ik het echter geheel eens.
Men kan voor de geschiedenis van tweeërlei redeneering uitgaan ;
men kan nl. zeggen: 10 de studie der kindergebreken is het gevolg
geweest van kinderstudie in het algemeen en 20 de pogingen van
opvoeders om de kindergebreken langs therapeutischen weg te behandelen of om de aetiologie er van vast te stellen is het begin geweest
van een wetenschappelijke paedagogische pathologie, welke beide richtingen zich in Koch's bekend boek vereenigen.
Waaraan de heer Klootsema gedacht heeft is mij niet geheel duidelijk
geworden, omdat hij uitsluitend het systeem behandelde en geen geschiedenis schreef. Bij zijn opgave van litteratuur volgt hij zoowel den
eenen als den anderen weg.
In het eerste door mij gestelde geval is de geschiedenis ongeveer
1) Zie: Bierens de Haan. Ilet vraagstuk der beteekenis van hypnose en suggestie voor de opvoeding.
2) Paedagogische Pathologie, Verslag van de Vereeniging voor Paedagogiek
over 1899.
ZERNIKE
,
Paedag. Woordenb.
39
610
KINDERGEBREKEN.
aldus. Met kinderstudie begon eigenlijk Dietrich Tiedeman 1) (1787),
wiens werk echter pas in 1863 en in 1881 door een paar Fransche
geleerden 2) algemeen bekend werd. Hij bestudeerde zijn eigen kinderen.
Zoo deden ook Berthold Sigismund 3) (1856), Taine 4 ) en Darwin 5).
Een echt wetenschappelijk werk kwam pas in 1882, het terecht
beroemde boek van W. Preyer: Die Seele des Kindes, waarvan in 1902
de 5e druk verscheen.
Daarop volgde een stroom van boeken en artikelen over dit onderwerp in Amerika, vooral van dames, waaronder echter vele echte
dilletantische observaties. Belangrijke studies verschenen van Prof.
Stanley Hall, Prof. Monroe , Miss Shinn 6 ), Tracy 7) en Baldwin 8 ).
In Engeland schreven Romanes 9), Sully 10), Warner 11), in Frankrijk
Pérez 12) en Compayré en in Italië Paolo Lombroso 13) over dit onderwerp 14).
Uit deze studie moest zich natuurlijk de studie der kindergebreken
ontwikkelen en in het jaar 1890 zette Prof. Ludwig Strumpell in zijn
werk Die pcidagogische Pathologie dit gedeelte der studie op een
stevigen wetenschappelijken basis, waarin hij echter belangrijke wijzigingen bracht in den 2e druk (1892) na het verschijnen van het niet
minder beroemde werk van Dr. J. L. A. Koch: Die psychopatische
Minderwertigkeiten. Voor de volledigheid maak ik hier nog melding
van Kussmaul: Untersuchungen fi ber das Seelenleben des neugebornen
Menschen (3e druk 1896), en van het feit, dat in het jaar 1899 te
Jena een Allgemeiner Deutscher TTerein fair Kinder forschung werd opgericht, die het sedert 1896 bestaande tijdschrift Die Kinderfehler tot
orgaan koos. Thans zijn in Duitschland Triiper, Ufer, Ziehen, Schiller
en Richter de mannen, die de leiding der studie in handen hebben.
In ons land bestaan behalve een paar opstellen van mijn hand —
Kindergebreken in Oud en Nieuw (le jaargang). Hoe moet men kinderge1) Dietrich Tiedeman: Uber die Entwickelung der Seelenflihigkeiten bei
Kindern.
2) In 4863 leverde Michelan een vertaling in le Journal général de l'instruction publique en in 1881 verscheen van Pérez : Thieri Tiedeman et la psychologie de l'enfant.
3) Berthold Sigismund : Kind and Welt. Vóór hem Liibisch : Enwickelungsgeschichte der Seele des Kindes (1851).
4) Tame, Skizze eines kleinen Kindes.
5) Charles Darwin, Versuche fiber den Verstand.
6) Miss Shinn, Notes on te Development of a Child.
7) Tracy, Psychology of Childhood.
8) Baldwin, Mental Development with the Child and the Race.
9) Romanes , Geistige Entwickelung des Menschen.
10) Sully, Study's of Childhood.
11) Warner, How to study children.
12) Pérez, Les trois premières années de l'Enfant en L'Enfant de trois a
sept ans.
13) Paola Lombroso: Saggi di psicologiadel bambino.
14) Zie over dit alles het artikel Kinderpsychologie van Chr. Ufer in Rein's
Handbuch.
KINDERGEBREKEN.
611
breken bestudeeren? in het Verslag der Vereeniging voor de Paedagogiek
1898; Gerrit W. van A. J. Schreuder en het meermalen genoemd opstel
van J. Klootsema in id. 1899; verschillende kleine schetsen in het
Vaktijdschrift voor Onderwijzers. Ook kan men 't een en ander hierover
vinden in Wijsman: Voorlezingen over psychiatrie; Jelgersma: Functionelle neurosen en in het algemeen in studiewerken over psychiatrie.
Dit lijkt mij de natuurlijke gang der ontwikkeling van de studie der
kindergebreken.
Men kan echter ook een anderen weg inslaan, en den gang volgen, die
de studie der kindergebreken ging, onafhankelijk van de kinderstudie.
In het jaar 1891 schreef naar aanleiding van Prof. Strumpell's werk
het Padagogisch Gesellschaft te Leipzig een prijsvraag uit. Gevraagd
werd, wat in de 19e eeuw in Duitschland over kindergebreken was
geschreven en wel speciaal :
1. welke paedagogische kindergebreken werden door de bedoelde
schrijvers genoemd en beschouwd?
2. wat hebben zij over de natuur en de eigenaardigheden daarvan
gezegd (klassiticatie)? en
3. wat over de aanleiding en de oorzaken daarvan (aetiologie) ?
Het antwoord van J. F. G. Klizle werd bekroond en onder den titel
Die padagogische Pathologie uitgegeven en daarin is die gang eenigszins te vinden.
Dat dit werk echter geen eigenlijke geschiedenis van de kindergebreken is, ligt voor de hand. Het geeft citaten en beschouwingen uit
Schelling, Schleiermacher, Hegel, Rosenkrans, Herbart, Waitz, Ziller,
Stoy, Beneke, Jean Paul (Richter), Lotze, Diesterweg, Dittes, Zeller,
Schmid , Scholz en vele anderen.
Dikwijls hebben die citaten en beschouwingen niets om het lijf en
blijkt er uit , dat vele dier schrijvers geen „Ahnung" hadden van een
wetenschappelijke paedagogische pathologie. Zelfs het beroemde werkje
van Salzmann: Krebsbuchlein oder Anweissung zu einer unverniin f tigen
Erziehung der Kinder is moeilijk als een wetenschappelijk werk te
beschouwen. Het is ironisch geschreven en geeft veertig middelen aan
om de kinderen evenveel gebreken „anzugewóhnen".
Met mijn laatste opmerking bij de geschiedenis dacht ik aan de
werken van Dr. Koch, Dr. Emminghaus, Dr. Scholz en Chr. Ufer en
Beneke over Psychopatische Minderwertigkeiten, Psycho-Pathologische
Padagogik, Nervositát, Geistesstiiringen in der Schule , das Wesen des
Schwachsinns, Beitrge zu Seelenkrankheitskunde, Psychosen im Kinderalter e. d., die wijzen op de richting, die de studie in de laatste
jaren neemt, een richting, die eigenlijk door Beneke als paedagoog en
psychiater beide is voorbereid.
Behalve genoemde werken zijn nog te noemen :
EMMINGFHAIIS
,
Die psychischen Storungen des Kindesalters.
39*
dewrknvaSlzm,PestoiKanNmjr,SchwzFite
KINDERSTUDI5.
612
ScsoLZ, Die Characterfehler des Kindes. (Eene Nederlandsche Vertaling onder den titel: Karakterfouten bij kinderen verscheen bij J. B.
Wolters te Groningen).
TRi1PER Psychologische Minderwertigkeiten 2m Kindesalter.
LIFER, Die Geistesstdringen in der Volksschule.
BÉRILLON , La suggestion au point de vue pédagogique.
SCHREIIDER : Achterlijke kinderen , le afl. van ZERNIICE'S Paedagogisch
Woordenboek.
K. ANDRIESSE.
A m sterdam .
,
Kinderstudie 1 ). I. Dichter1ij ke belangstelling. Verschillende schrijvers over kinderstudie vangen aan met te wijzen op de
groote bekoring, die er van kinderen uitgaat , een bekoring, waarvan
tot in de oudste letterkunde sporen zijn te vinden. De Grieksche
gevoeligheid voor kinderschoonheid kennen we uit Homerus' schildering van Hektors afscheid, den geest van oud-Israël uit Davids dichterwoord : „Uwe kinderen zullen zijn als olijfplanten rondom. uwe tafel"
(Ps. 128 vers 3) en de diepe aandoenlijkheid der Middeleeuwen voor
de hoogheid van het kinderleven vindt in den eeredienst van het kind
Jezus zijn vrome uiting.
Het is goed gezien, deze dichterlijke belangstelling op den voorgrond
te plaatsen. Bewondering gaat vooraf aan weten en is de oorspronkelijke drijfkracht tot onderzoek. Een mensch is in zijn diepste wezen
éérst dichter, dan pas weter. Vandaar dat lang v66r de begeerte ontstond het kind wetenschappelijk te doorvorschen, de menschheid reeds
eeuw in eeuw uit de heerlijke ontroering der kinderadoratie gesmaakt
heeft en er door verreind en veredeld is geworden. Vandaar ook , dat
een der krachtigst werkende oorzaken der kinderlijke bekoring te
zoeken is in hunne half dichterlijke opvatting der dingen. Taine verhaalt
van een meisje van drie jaar, dat de deelen van haar gezicht moest
opnemen en toen , aan de oogleden gekomen , na eenige aarzelen zeide :
„Dat, dat zijn de gordijntjes van de ooggin" 2). Sully deelt mee, dat een
kind de sterren oogjes noemde. Dit „metaphorisch terugbrengen van
een ding tot een prototype" maakt in den grond het wezen uit van
alle poëzie en van alle philosophie. En zoo voert het kind ons, zonder
dat wij ons hiervan meestal recht bewast worden, weder terug naar
deze klare bronnen. Dat vooral in het moderne leven met zijne hypertrophie van het verstand, deze bekoring van het kind zich doet gelden,
is boven bedenking. Doch er is meer. Beschaving verbastert telkens weer
,
1) Wie de Inleiding van Sully's meesterwerk Studies of Childhood gelezen
heeft, zal bemerken, dat in het eerste deel van dit artikel in hoofdzaak dezelfde
behandelingsgang gevolgd is, echter met groote afwijkingen in de onderdeelen.
Overigens heb ik steeds mijn bronnen vermeld, tevens om den lezer bekend
te maken met de litteratuur, Een afzonderlijke litteratuuropgave kon daardoor achterwege blijven.
2) De l'Intelligence, Tome 1, p. 46, aangehaald bij Queyrat, la Log ique chez
l'Enfant (Paris 1902), blz. 27.
KINDERSTUDIE.
613
tot onnatuur en zedeloosheid. In tijdperken van herleving gaat de
menschheid weer terug tot de natuur en tot haar God. Hetzelfde trekt
ons naar het kind. Daar vertoont zich het Leven ongerept, maagdelijk.
't Is, of we hier liet levensgeheim tasten, of we hier, bij de wieg,
de draden konden vatten, waarlangs we voeling konden krijgen met
liet onlichamelijke Leven zelf.
„W here did you come from, baby dear?"
„Out of the everywhere into here" 1).
Zooals de zee en de sterrenhemel in volkomene ongereptheid ons
liet scherpst de ontroering der eeuwigheid geven, zoo geeft het jonge
kind ons het zuiverst de ontroering van het leven. Rousseau, in wierf
in nieuweren tijd dit gevoel zich misschien het sterkst heeft geopenbaard , heeft ons weer geleerd, het kind te eerbiedigen, af te houden
van het jammerlijke fatsoeneeren, dat men opvoeden beliefde te noemen, en in devoot verwachten neer te zitten aan zijn voeten, om op
te vangen de uitingen van oorspronkelijke schoonheid, van het leven
zelf, zooals het aan de eeuwigheid ontsprong. Zoo verstaat men ook
Davids aanhef, als hij in den achtsten psalm des Heeren heerlijkheid
bezingt: Gij , die Uwe Majesteit gesteld hebt boven de hemelen en
uit den mond der kinderkens en der zuigelingen U lof bereidt. Welk
woord ook Jezus aan de hooghartige en zeer wijze Overpriesters en
Schriftgeleerden tot hun beschaming voorhield.
Dit echte, pure, oorspronkelijke maakt het kleine kind tot een ding
van sublieme schoonheid, die onze ziel wonderlijk aandoen kan. Hierbij
komt de zwakheid en teerheid van al zijn leedjes, fijner dan het eelste
porcelein. Dan zijn hulpbehoevendheid en algeheele afhankelijkheid, die
aan het aesthetische een warm ethisch bestanddeel toevoegen. En wellicht worden we nog het meest bekoord door het onbezorgde en blijde
vertrouwen, dat een onuitwischbare grondtrek van het kinderleven is.
De groote menschen werken zich krom voor eer en geld in de toekomst en verzuimen het heden te smaken, het kind leeft in het oogenblik en bekommert zich niet om de toekomst. Zich gelukkig te voelen
in zijn eigen wereldje, behoort tot het wezen der kinderlijke natuur.
Zelfs onder bitter lijden komt deze trek telkens weer boven, zooals
Victor Hugo zoo aandoenlijk geschilderd heeft in „Les Misérables" en
Hector Malot in „Alleen op de Wereld". „Hunner is het koninkrijk
der hemelen", om hun blijdschap en vertrouwen, hun onbezorgdheid,
hun eenvoud en oprechtheid. Duidelijk komt telkens in de Evangeliën
uit, hoe de Heiland ten diepste geroerd was door deze hooge schoonheid van het kinderwezen. Als zijn leerlingen met elkander in woorden
waren geweest, wie hunner wel de meeste ware, nam Jezus een kind
en stelde dat in hun midden en omving het met zijn armen en zeide
tot hen : „Voorwaar zeg ik u, indien gij u niet verandert en wordt
gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het koninkrijk der hemelen geenszins ingaan." Of dit andere aangrijpende woord, dat het nutter is,
1 ) Uit een fijn gedichtje van George Mac Donald, aangehaald in Smith , The
Life of Henry .Drummond.