HC 1. Conservatie- en executierecht

Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
HC 1.
Conservatie- en executierecht – supranationaal procesrecht
Verplichte literatuur
Nederlands Burgerlijk Procesrecht, Auteur Snijders – Klaassen -Meijer, hoofdstukken 13
en 14
Ritzen en Vandeberg/Hoekstra, HR 22 april 1983, NJ 1984, 145, m. nt. WHH
Van Berkel/Tribosa, HR 25 januari 1991, NJ 1992, 172, m. nt. HJS
Ajax/Reule, HR 26 februari 1999, NJ 1999, 717, m. nt. HJS
Van den Bergh/Van der Walle, HR 29 oktober 2004, NJ 2006, 203, m. nt. HJS
Bijl/Van Baalen, HR 30 juni 2006, NJ 2007, 483, m. nt. HJS
Forward/Huber, HR 25 september 2008, NJ 2009, 154, m. nt. Van Mierlo
Het beslag is de kern van het onderwerp. Daaromheen vallen het executie- en het
conservatierecht.
Het gaat om drie velden, namelijk het conservatierecht, het beslagrecht en het
executierecht. Er is een overlap. Deze overlap kan ontleed worden in vier delen ,
namelijk de gebieden A, B, C en D. Er bestaan dus conservatoire maatregelen die geen
beslag zijn en executoriale maatregelen die geen beslag zijn, maar ook conservatoire en
executoriale beslagen.
Beslagrecht
Er bestaan twee soorten beslag, namelijk het conservatief en het executoir beslag. Veel
regels zijn op beide soorten beslag van toepassing. Conservatierecht is het recht inzake
bewarende maatregelen(bewaringsrecht). Je probeert te verhinderen dat dingen
wegraken. Executierecht is het recht ter uitvoering van executoriale maatregelen
wat alleen mag als je een executoriale titel hebt (tenuitvoerleggingsrecht). Dat gebeurt
vaak bij rechterlijke uitspraak. De functie van het conservatierecht zijn de rechten te
bewaren, bij het executierecht gaat het er juist om de rechten te verwezenlijken,
executeren.
Op het moment dat de hoofdvordering waarvoor beslag is gelegd door de rechter
gegrond wordt bevonden, wordt een conservatoir beslag van rechtswege een executoir
beslag.
Voor het beslagrecht vind je regels in boek 2 en 3. Bij het beslagrecht moet je heel vaak
pendelen tussen boek 2 en 3.
1. Conservatierecht (boek 3): bij conservatoire maatregelen geeft de rechter vaak
toestemming zonder dat hij de wederpartij heeft gehoord. Hoor en wederhoor wordt hier
met voeten getreden. En dat is om geen slapende honden wakker te maken. Als
bijvoorbeeld de partij eerst gehoord zou moeten worden voordat die rechter dat verlof
geeft, dan zal het object waarop beslag wil worden gelegd allang weg zijn. En dan heb je
niets in beslag te nemen. Het conservatierecht draait om geschillen. Vaak heeft iemand
bezwaar tegen conservatoire maatregelen. Hierbij zal het vaak gaan om bezwaar tegen
het conservatoir beslag. Om deze geschillen uit te vechten kan een kort geding begonnen
worden tot opheffing van het beslag. Indien aannemelijk gemaakt wordt dat het beslag
niet deugt, dan zal het beslag opgeheven worden.
2. Beslagrecht (boek 2 en 3): Het beslagrecht is het geheel van regels betreffende
beslagen. Beslag is de onttrekking van een goed aan de vrije beschikking van iemand.
Dat is conservatoir als je dat doet ter bewaring van je recht en het kan executoriaal zijn
als je het doet ter tenuitvoerlegging.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
1
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
Beslag is geen vermogensrecht, het is geen zaak. Het is slechts een instrument tot
bewaring of verwezenlijking van de rechten van een der partijen. Het belangrijkste
rechtsgevolg is het volgende: een beslag onttrekt iets aan de vrije beschikkingsmacht
van iemand. Het rechtsgevolg is dan de beschikking in weerwil van een beslag de
beslaglegger niet regardeert.
Dit kan geïllustreerd worden met een voorbeeld: Stel A legt beslag onder B, B verkoopt
en levert het goed aan C, dan regardeert, raakt, de beschikking A niet. A kan zijn beslag
vervolgen alsof het goed niet vervreemd is aan een derde, C. Hier bestaan
uitzonderingen op. Deze uitzonderingen lijken op de bescherming tegen
beschikkingsonbevoegdheid, zoals bekend uit het goederenrecht. Andere rechtsgevolgen
zijn dat het vervreemden van een beslagen goed strafbaar is, zowel in het strafrecht als
door middel van de onrechtmatige daad.
Degene die het beslag legt, A in het voorbeeld, is de beslaglegger/beslagcrediteur,
degene onder wie beslag gelegd wordt, B in het voorbeeld, is de
beslagene/beslagdebiteur en C, in het voorbeeld, is de derde.
Op goederen bestemd voor de openbare dienst mag geen beslag gelegd worden,
krachtens art. 436 Rv. Er kan dus bijvoorbeeld geen beslag worden gelegd op spullen in
de tweede kamer.
3.Executierecht (boek 2):Het executierecht kent twee vormen, namelijk de gedwongen
executie, ook wel eigenlijke executie of exécution forcée genoemd, en de executie van
een tussenuitspraak, ook wel oneigenlijke executie (executie bij wijze van vervolg van
een instantie) of exécution par suite d’instance.
De eigenlijke executie is in dit vak de stof van het executierecht. Een executie kan niet
zomaar ingezet worden. Dit moet gebeuren door middel van een executoriale titel, art.
430 Rv. Het woord titel betekent hier rechtsgrond, namelijk de rechtsgrond voor
tenuitvoerlegging. In art. 430 lid 2 Rv staat welke titel een executoriale titel moet
voeren, namelijk ‘in naam des konings’.
Een dwangbevel van de fiscus kan gemaakt worden zonder tussenkomst van de rechter.
De fiscus maakt dus een executoriale titel en daarmee is er een rechtsgeldig dwangbevel.
Wel moet eerst de titel betekend worden aan de wederpartij. Dat betekent dus een
deurwaardersexploot. Een executoriale titel kan niet ten uitvoer gelegd worden zonder
betekening. Betekening betekent per definitie dat het via de deurwaarder gaat. De juiste
volgorde is dus eerst betekening en dan tenuitvoerlegging.
Er bestaan zowel directe als indirecte executiemiddelen. Dit is een ander onderscheid dan
het onderscheid tussen executoriale beslagen en andere executiemiddelen. Onder het
kopje andere executiemiddelen zijn directe en indirecte middelen te vinden.
Een voorbeeld van een direct executiemiddel is de ontruiming op basis van een
ontruimingsvonnis. Ontruiming is wel een executiemiddel, maar geen beslag. Een direct
executiemiddel wordt direct genoemd, omdat een partij door het executiemiddel
precies krijgt waar hij recht op heeft, in dit geval ontruiming op grond van het
ontruimingsvonnis.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
2
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
Een indirect executiemiddel is een prikkel voor de schuldenaar om te doen wat hij
moet doen. Een voorbeeld hiervan is wanneer een film uitgezonden gaat worden
volgende week dinsdag door een omroep waarbij het recht op privacy van iemand wordt
aangetast. Deze persoon zou dan naar de kortgedingrechter kunnen gaan en kunnen
vragen om een verbod op uitzending, maar een dergelijk verbod moet wel effectief
gemaakt worden. Dit kan bijvoorbeeld door een verbod of een bevel te vorderen op
straffe van een dwangsom. De rechter probeert deze dwangsom zo op te stellen dat een
doorsnee wederpartij het vonnis zal naleven. De dwangsom is in dit geval het indirecte
executiemiddel. De dwangsom prikkelt een partij immers te doen wat in het vonnis staat.
De namen van partijen in het executierecht zijn executant, degene die de executie ten
uitvoer legt, en de geëxecuteerde, degene tegen wie ten uitvoer gelegd wordt.
Binnen het executierecht kunnen executiegeschillen rijzen. Een voorbeeld van een
executiegeschil is te vinden in het arrest Ritzen/Hoekstra.
Ritzen/Hoekstra
Hoekstra is in dit arrest de verhuurder en Ritzen de huurder. Hoekstra krijgt de huur niet
betaald en begint een procedure tegen Ritzen. Hoekstra vordert ontruiming van Ritzen.
Dat is een bodemprocedure. Die bodemprocedure leidt tot een vonnis en daarbij wordt
de ontruiming toegewezen door de kantonrechter. Ritzen gaat in appel tegen het
kantonrechtervonnis en maakt ook een executiegeschil aanhangig. Hij wil dat de executie
wordt geschorst en begint daarom een kortgeding. In dat korte geding wordt natuurlijk
ook vonnis gewezen en in dat vonnis wordt de ordering tot schorsing executie
afgewezen. Daartegen wordt weer appel ingesteld. De vraag die centraal staat in dit
arrest is: onder welke omstandigheden rechtelijk bevel tot staking executie van voor
voorlopige tenuitvoerlegging vatbaar vonnis in afwachting van beslissing op het door
eiser tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep?
Het executiegeschil is te vinden in art. 438 Rv. Partijen dienen naar de Rechtbank te
gaan die naar de gewone rechtsregels bevoegd zou zijn, maar op grond van lid 2 kunnen
partijen ook naar de voorzieningenrechter die een voorziening geeft in kort geding. Lid 2
wordt in de praktijk vaak gebruikt.
De Hoge Raad oordeelt dat in principe aangenomen moet worden dat als er een vonnis
tot ontruiming ligt, dat geëxecuteerd moet kunnen worden (want er is een executoriale
titel), ook al is beroep ingesteld. Dit ligt anders als er een in redelijkheid te respecteren
belang bij de executie ontbreekt. Hier is sprake van indien:
 Er een juridische of feitelijke misslag begaan is; of
Er sprake is van nieuwe omstandigheden die gebleken zijn na de executoriale titel
(dus na het ontruimingsvonnis).Op grond van nova geëxecuteerde anders
klaarblijkelijk in een noodtoestand zou verkeren bij executie. Een dergelijke
noodtoestand kan zich voordoen wanneer iemand binnen twee dagen het huis
moet verlaten en het uitgesloten is dat deze persoon ergens anders zou kunnen
wonen.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
3
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
Gebied A: Andere conservatoire maatregelen dan beslag
Bij andere conservatoire maatregelen dan beslag gaat het met name om verzegeling,
boedelbeschrijving, gerechtelijke bewaring en onderbewindstelling. Van gerechtelijke
bewaring is sprake wanneer iemand beslag legt op een auto die wordt toevertrouwd aan
een bewaarder voor de tijd van het beslag. De bewaarder is iemand die hier door de
rechter toe wordt aangesteld. Deze maatregelen zijn te vinden in boek 3.
Gebied B: Conservatoir beslag
Beslag is de onttrekking van een goed aan de vrije beschikking van een persoon.
Conservatoir gaat om hetzelfde, maar het doel is het recht te bewaren. Het belangrijkste
rechtsgevolg is, zoals eerder beschreven, dat beschikking in weerwil van een beslag de
beslaglegger niet regardeert. Dus als A beslag heeft gelegd onder B en B doet alsof er
niets aan de hand is en het goed doorverkoopt aan C. Dan heeft de inbeslaglegger A daar
in principe niets mee te maken. De derde kan echter wel vaak profiteren van de
derdenbescherming. Van belang hierbij is het arrest Forward/Huber.
Forward/Huber
In dit arrest gaat het om grond die is gelegen bij Schiphol. Deze grond wordt aangeduid
als de stergronden.
De stergronden worden in beslag genomen door Huber onder Forward, Ondanks het feit
dat de gronden in beslag zijn genomen verkoopt en levert Forward de gronden aan
SAD.C
Beschikking in weerwil van een beslag raakt de beslaglegger niet. De vraag die nu rijst
is, of een conservatoir beslag de rechthebbende beschikkingsonbevoegd maakt in de zin
van het goederenrecht, zodat hij niet kan vervreemden of bezwaren.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
4
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
De Hoge Raad oordeelt als volgt: De beschikkingsbevoegdheid wordt niet aangetast. De
bevoegdheid tot vervreemden en bezwaren blijft bestaan, maar kan niet worden
tegengeworpen aan Huber (de beslaglegger) . Het regardeert Huber dus niet. Huber kan
voor verkoop van de gronden zorgen en zich uit de opbrengst van de gronden voldoen,
dit ook ten nadele van SADC. Dus vervreemding of bezwaring door de beslagene kan
ingevolge art 505 lid 2jo. 726 Rv niet tegen de beslaglegger worden ingeroepen.
Er is echter wel sprake van een vorm van derdenbescherming als de derde te goeder
trouw is. De derde wordt dan tot op zekere hoogte beschermd, zoals ook in art. 3:86 BW.
De wetsbepalingen, art. 505 lid 2 jo 726 Rv zijn ook bij executoriaal beslag van
toepassing.
De Hoge Raad bepaalt in rechtsoverweging 3.3.3. dat opheffing van beslag strekt tot het
wegnemen van de beperking. Indien het beslag wordt opgeheven dan heeft SADC die
eerst verkregen had met een beperking, nu geen last meer van de beperking. In dit
geval wordt door de opheffing op het beslag de smet derhalve weggenomen. Met andere
woorden: SADC krijgt dus toch de eigendom van het beslagen goed zonder die
beperking.
Wil je conservatoir beslag leggen dan moet je wel even naar de rechter voor een verlof.
Dit gebeurt bij een verlofprocedure. De verlofprocedure is bijzonder procesrecht en dus
geregeld in boek 3. Conservatoir beslag moet je bij verzoekschrift vragen. Dat moet ex
parte verleend worden. Dat betekent: op basis van het horen van 1 partij. Een partij
wordt dus gehoord en de partij tegen wie het gericht is niet, om geen slapende honden
wakker te maken. Er moet voorkomen worden dat de partij tegen wie het gericht is niet
nog even snel de goederen kan vervreemden. Als je dat conservatoir beslag hebt gelegd
ben je er natuurlijk nog niet want dan komt de hoofdprocedure nog waarin de vordering
wordt behandeld. Als je die wint wordt het conservatoir beslag van rechtswege omgezet
in executoriaal beslag.
Heel vaak in de praktijk wordt vlak na het conservatoir beslag aan de verplichtingen
voldaan.
Na conservatoir beslag kan er een conservatiegeschil worden begonnen. Dit is een
geschil tot opheffing van het beslag. Vaak is dat een kort geding omdat het haast heeft.
Fasering in de regel
Het conservatoir beslag is met name geregeld in art. 700-710a e.v. Rv. Er zijn diverse
stadia in het conservatoir beslag, namelijk:
 Verlof;
 Conservatoir beslag, hier is ook een mogelijkheid van een conservatiegeschil
zoals geïllustreerd in Bijl/Van Baalen;
 Aanhangig maken van de hoofdprocedure, de termijn is te vinden in art. 700
lid 3 Rv, ook van belang is het arrest Ajax/Reule;
 Conversie van rechtswege van een conservatoir in een executoriaal
beslag, mits de procedure gewonnen wordt (anders is dit het einde van het
beslag). En dan ben je dus waar je begint als je gewoon executoriaal beslag legt
(art 430 Rv);
 Executie.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
5
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
Bijl/Van Baalen
Bijl heeft een erfdienstbaarheid van uitzicht (heersend erf). Van Baalen is dan degene die
dat moet verschaffen (dienend erf). Van Baalen wil gaan bouwen en dat vindt Bijl maar
niets want dat verpest zijn uitzicht. Bijl verzet zich tegen de afgifte van een
bouwvergunning. En dat vindt van Baalen weer niets. In de hoofdprocedure vordert Van
Baalen schadevergoeding van Bijl. Voor die vordering legt hij (Van Baalen) een
conservatoir beslag. Hierna ontstaat een rare situatie, want de chronologie is als volgt:
het conservatoir beslag is gelegd, de hoofdprocedure is ingesteld en de bodemrechter
wijst de hoofdvordering af. Vervolgens wordt er beroep ingesteld tegen dit vonnis. Dan
komt de vordering aan de orde waar het in deze zaak om gaat, namelijk een vordering
van Bijl tot opheffing van het conservatoir beslag. Gegeven is dat er een hoofdprocedure
gevoerd is, en dat de hoofdvordering in de hoofdprocedure is afgewezen. De vraag die
openstaat, is dan: Dient de voorzieningenrechter, indien hij heeft te beslissen over een
vordering tot opheffing van een conservatoir beslag, zijn vonnis in beginsel af te
stemmen op het oordeel van de bodemrechter?
De Hoge Raad antwoordt hierop dat bij een conservatoir beslag de belangen van partijen
afgewogen moeten worden. Het oordeel van de bodemrechter hoeft niet gevolgd te
worden, ook niet onder voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak. Het
oordeel van de bodemrechter moet echter wel meegewogen worden in de procedure over
het conservatoir beslag.
Ajax/Reule
Reule had zonder toestemming spullen van Ajax op de markt gebracht, Ajax is het hier
niet mee eens en legt met verlof van de rechter beslag (een beslag tot afgifte van de
spullen) onder Reule en moet dan binnen een bepaalde termijn, zoals bepaald in het
beslagverlof, de hoofdprocedure aanhangig maken. Zij doet dat in een kort geding. De
rechtsvraag die centraal staat is of het instellen van een kort geding aan te merken is als
het instellen van een eis in de hoofdzaak, zoals beschreven in art. 700 lid 3 Rv.
De Hoge Raad geeft aan dat dit het geval is. In dit geval gaat het om een conservatoir
beslag tot afgifte en niet om een verhaalsbeslag zoals in de regel het geval is. De
hoofdvordering was de vordering tot afgifte van de spullen die Reule nog onder zich had.
Soorten beslag
In art. 711 en verder Rv zijn allerlei soorten beslag te vinden met allerlei
schakelbepalingen naar boek 2. Het conservatoir beslag wordt net als het executoriaal
beslag gelegd. Dit komt door de schakelbepalingen in boek 3. Een bijzondere vorm van
beslag is het derdenbeslag. Dit is voor conservatoire beslagen geregeld in art. 718 en
verder Rv. In art 718 Rv staat: “de schuldeiser kan onder derden conservatoir beslag
leggen op de in artikel 475 bedoelde goederen”. Dus in dat artikel kun je zien waar
derdenbeslag op kan worden gelegd.
Er zijn drie figuren die een rol spelen in het derdenbeslag, namelijk de beslaglegger, A,
deze legt beslag ten laste van een persoon, de beslagene, B, onder C, de derdebeslagene. Tussen de beslagene en de derde-beslagene bestaat een rechtsverhouding.
Er kan bijvoorbeeld een huurovereenkomst bestaan tussen B en C op grond waarvan C
huurder is. A legt dan beslag onder C op hetgeen B van C te vorderen heeft op grond van
de huur, of in de toekomst zal krijgen. Van belang is het arrest Van den Berg/Van der
Walle.
Van den Berg/Van der Walle
Het ging hier om een beslag op kredietruimte. Het doet er niet toe of het een
conservatoir of een executoriaal beslag is, de vraag is of er überhaupt beslag gelegd kan
worden op een kredietruimte uit een bestaande kredietovereenkomst.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
6
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
De beslaglegger is Van den Berg, de beslagene is Van der Walle. Er wordt beslag gelegd
op de ABN Amro als derde-beslagene. Het beslag wordt gelegd op de vordering die Van
der Walle zou krijgen op grond van een kredietovereenkomst. ABN Amro verplicht zich
tegenover Van der Walle om krediet te verschaffen. Van den Berg heeft iets te ‘vorderen’
van Van der Walle die beslag wil leggen op de kredietovereenkomst.
De Hoge Raad oordeelt dat geen beslag gelegd kan worden op een kredietruimte, ook
niet wanneer het een bestaande kredietovereenkomst is die een partij het recht verschaft
om krediet op te nemen. Dit komt omdat het in beginsel geen vordering is. Een vordering
moet gaan om iets met vermogenswaarde, maar de vermogenswaarde van een
kredietruimte is in wezen 0,0. Ook wanneer de kredietruimte afgeroepen is kan nog
gezegd worden dat er geen sprake is van een vordering, want als het bedrag wordt
gestort is er meteen een tegenvordering van hetzelfde bedrag voor de bank. Dit is de
dogmatische zijde, de pragmatische zijde houdt in dat het kredietverkeer om zeep wordt
geholpen als alle crediteuren van een cliënt beslag kunnen leggen.
Gebied C: Executoriaal beslag
De algemene regels voor het executoriaal beslag zijn te vinden in art. 430 tot en met
438c Rv. De betekeningseis is te vinden in art. 430 Rv. Dit is de laatste mogelijkheid
voor de wederpartij om ‘vrijwillig’ aan de executoriale titel te voldoen. Betekening duidt
per definitie op het uitbrengen van een deurwaardesexploot. Daarop zijn de artikelen 45
e.v. Rv op van toepassing.
Er zijn diverse soorten executoriaal beslag, zoals te vinden is in art. 439 e.v. Rv. Ook hier
kan een derdenbeslag gelegd worden zoals blijkt uit art. 474 e.v. Rv. Het arrest Van
Berkel/Tribosa is hierbij van belang.
Van Berkel/Tribosa (huurpenningen)
Deze zaak gaat om een ingewikkelde casus. Er is sprake van een ingewikkeld
derdenbeslag. Van Berkel (A), legt beslag ten laste van Zuid-Arcade (B) op
huurpenningen die B heeft ten opzichte van Tribosa (C). Het beslag is gelegd onder
Tribosa. Zowel de bestaande als toekomstige huurpenningen worden in beslag genomen.
Eerst was er de huurovereenkomst, fase 1. Hierna werd conservatoir beslag gelegd, fase
2a, waarna de hoofdvordering ingesteld werd, fase 2b. Hierna verkoopt en levert ZuidArcade het verhuurde pand aan het Spoorwegpensioenfonds.
De nieuwe eigenaar is gebonden aan de huurovereenkomst, zoals blijkt uit art. 7:226
BW. Koop breekt immers geen huur
Van Berkel meldt het Spoorwegpensioenfonds dat hij beslag heeft gelegd op de
huurpenningen, zowel de bestaande als de toekomstige, en dat door de overdracht van
de bedrijfsruimte Zuid-Arcade heeft beschikt over de huurpenningen, maar dat hij daar
als beslaglegger niets mee te maken heeft, waardoor hij het geld van het
Spoorwegpensioenfonds eist.
Rechtsvragen en beslissingen HR:
Stap A: Beslag op toekomstige vorderingen is mogelijk, mits voortvloeiend uit een
bestaande rechtsverhouding, art. 718 jo 475 Rv. Dit is te vinden in de noot.
Stap B: Beschikking door de beslagene werkt niet tegen de beslaglegger, art. 720 jo
475h Rv. Dit betekent dat als er derdenbeslag wordt gelegd op bepaalde dingen, als die
dingen worden verkocht en geleverd aan een derde dan heeft de beslaglegger daar niets
mee te maken. Maar wat zijn nou die dingen in dit geval? Dat zijn de huurpenningen.
Dus als het nou zo zou zijn dat Van Berkel moet meemaken dat na de beslaglegging
onder Tribosa ten laste van de hem de huurpenningen aan een ander worden verkocht,
dan kan je zondermeer zeggen dat het de beslaglegger Van Berkel niet de regardeert.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
7
Supplement hoorcollegestof Burgerlijk procesrecht 2014-2015
Maar in dit geval gaat het niet op huurpenningen die verkocht en geleverd worden maar
dat de huur overgaat. En dat de huurovergang met zich meebrengen dat de
huurpenningen in de toekomst overgaan.
Stap C: Huurovergang werkt ook niet tegen de beslaglegger. De huur verschuldigd na
huurovergang komt normaal gesproken toe aan de nieuwe verhuurder, maar de
beslaglegger mag dat negeren.
Stap D: Overgang na executie door hypotheekhouder, ex art. 7:226 BW, werkt ook niet
tegen een beslaglegger.
Gebied D: Andere executoriale maatregelen dan beslag
In dit gebeid gaat het over direct en indirecte executoriale maatregelen, zoals de
dwangsom en de lijfsdwang, indirecte middelen, en de ontruiming, direct middel.
Supranationaal procesrecht
Het supranationaal procesrecht gaat om procederen ten overstaan van supranationale
rechtscolleges. Hierbij gaat het met name om het Benelux-Hof, het Hof van Justitie van
de Europese Unie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Bij het Beneluxrecht gaat het met name om het merkenrecht, de Wet Aansprakelijkheidsverzekering
Motorvoertuigen en de dwangsom. De Benelux-Hof leden zijn leden van de HR en leden
van de hoogste rechtscolleges uit België en Luxemburg. De uitleg omtrent de bepalingen
worden ingebracht in de Nederlandse procedure. Ook bij het Hof van Justitie van de
Europese Unie werkt dit zo. Bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden
geen prejudiciële beslissingen genomen, maar is sprake van een klachtprocedure waarna
afgewacht kan worden.
Twitter.com/SlimStuderen | Facebook.com/SlimStuderenLeiden
8