Denken en handelen in corridors

Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Denken en handelen in corridors
P. 174
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Paul Chorus
P. 175
In Nederlandse steden is over het algemeen nog geen sprake van
een systematische integratie tussen verstedelijking en openbaar
vervoer. Weliswaar kent ook Nederland voorbeelden van integratie van
vastgoed- en stationsontwikkeling. Deze beperken zich echter veelal
tot stationslocaties, terwijl toonaangevende buitenlandse voorbeelden
uitgaan van een integrale strategie die de hele stedelijke regio en het
openbaar vervoersnetwerk omvat. Tokio is één van de voorbeelden waar
de spoorwegcorridor het vertrekpunt vormt voor het opstellen van een
integrale gebiedsstrategie. Wat zou de Randstad hiervan kunnen leren?
Paul Chorus
Denken en handelen in corridors
Nederland is een voorbeeld van een land
waar, ondanks de ruime beleidsaandacht
voor het verbeteren van de afstemming
tussen verstedelijking en openbaar vervoer,
deze in de praktijk vaak moeilijk tot stand
komt. In het geval van spoorwegontwikkeling is het vaak zo dat de spoorweginfrastructuur wordt aangelegd voordat
met ruimtelijke ontwikkelingen wordt
begonnen. Of erger nog, de ruimtelijke
ontwikkelingen zijn afgerond terwijl de
railinfrastructuur nog moet worden aangelegd. In beide gevallen wordt een efficiënte
exploitatie van het spoor belemmerd.
Ondanks dat in Nederland het besef er is
dat stedelijke ontwikkelingen op het openbaar vervoer moeten worden afgestemd, is
dit nog weinig zichtbaar in de praktijk.
Boven: Kita Umeda Goederenemplacement in Osaka, Onder: Yokohama station (foto's: Paul Chorus)
De ontwikkeling van stationsgebieden
is hier een voorbeeld van. Sinds de jaren
negentig krijgen stationsgebieden steeds
meer aandacht. Ze worden beschouwd als
belangrijke ontwikkellocaties, vanwege hun
goede bereikbaarheid en ligging nabij het
centrum van de stad. Voor een efficiënte
benutting van deze gebieden dienen
openbaar vervoer en ruimtelijke ontwikkelingen op elkaar te worden afgestemd.
Dit blijkt moeilijk te zijn en kan als één van
de redenen gezien worden voor de trage
voortgang van stationsgebiedsontwikkelingen in Nederland. Er zijn echter ook
voorbeelden waar openbaar vervoer en
ruimtelijke ontwikkelingen beter op elkaar
zijn afgestemd. Eén van deze voorbeelden is
Tokio. In dit artikel wordt beschreven hoe in
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Denken en handelen in corridors
P. 176
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Paul Chorus
P. 177
Figuur 1: Gebiedsstrategie Tokyu Corporation
Bron: Tokyu Corporation, 2005
Tokio ruimtelijke ontwikkelingen worden
afgestemd op het spoorsysteem, waarbij
specifiek aandacht wordt besteed aan hoe dit
op corridorniveau wordt gedaan. Onder corridor wordt een regionale spoorlijn verstaan
met inbegrip van de gronden rondom de
stations van deze lijn. Het doel is om na te
gaan in hoeverre de Randstad van een dergelijke corridorbenadering zou kunnen leren.
Denken in corridors
Diverse studies hebben aangetoond dat een
succesvolle integratie van verstedelijking
en openbaar vervoer vraagt om een visie
die de gehele grootstedelijke regio omvat
en consistent is voor de lange termijn
(Cervero, 1998; Dittmar & Ohland, 2004;
Curtis e.a., 2009). Het belang van de regio
wordt verder onderschreven door het feit
dat het merendeel van de verplaatsingen in
Nederland plaatsvindt op dit schaalniveau
(Ruimtelijk Planbureau, 2006). Daarom is
een benadering nodig die in staat is om de
dagelijkse activiteiten- en verplaatsingpatronen op dit schaalniveau te coördineren.
De corridor lijkt hiervoor het meest
geschikt te zijn, omdat deze duidelijke
voordelen heeft ten opzichte van een
benadering die zicht richt op individuele
stations (Bertolini & Rietveld, 2008).
Ten eerste kan binnen een corridor in
samenhang gekeken worden naar herkomst
(de woongebieden) en bestemmingen
(de werkgebieden en concentraties van
voorzieningen). Dit maakt het mogelijk om
een integrale strategie te ontwikkelen voor
het gehele gebied die gericht is op specifieke
doelgroepen. Ten tweede maakt een focus
op corridors het mogelijk om plannen voor
verschillende stationsgebieden onderling
op elkaar af te stemmen. Op deze wijze
kan een destructieve concurrentie tussen
knooppunten worden voorkomen en in
plaats daarvan complementariteitkansen
tussen knooppunten bevorderd worden.
Ten derde kan een focus op corridors bijdragen aan een betere afstemming tussen
de verschillende vormen van vervoer als
onderdeel van ketenverplaatsingen. Tot
slot, kan een focus op corridors bijdragen
aan een efficiëntere exploitatie van het
openbaar vervoer, door op ontwikkelingen
te richten die tegenspitsverkeer en/of verkeer in de daluren genereren. Denk daarbij
bijvoorbeeld aan het plaatsen van scholen
of pretparken op het midden of eind van de
corridor, op enige afstand van het centrum.
In Tokio heeft men ruime ervaring met
het denken en handelen in corridors. De
private spoorwegmaatschappij en de overheid spelen hierin een belangrijke rol.
Uiteraard kunnen naast het regionale
schaalniveau ook op andere schaalniveaus
corridors worden onderscheiden. Een
eenduidige afbakening van een corridor is
dan ook niet zo maar te maken. Bovendien
functioneren corridors niet onafhankelijk
van elkaar, maar zijn ze onderdeel van een
netwerk. Dat betekent dat de focus dus
eigenlijk op het netwerk zou moeten liggen.
Echter, het organiseren van de afstemming
tussen verstedelijking en openbaar vervoer
op corridorniveau is al ingewikkeld genoeg,
gelet op het aantal betrokken partijen met
ieder hun eigen belangen. Een focus op
het netwerk zou dit alleen maar complexer
maken. Vandaar dat voor de regionale
afstemming van verstedelijking en
openbaar vervoer de corridor het beste als
uitgangspunt kan worden genomen.
Handelen in corridors
Tokyu Corporation wordt gezien als een
van de succesvolste private spoorwegbe-
PEAs Strategy
hardware approach
Develop the major stations and the area around them
Create "liner identities" of each area along Tokyu Line
Station
Town
Station
Town
Station
Town
Station
Town
Station
Town
software approach
Strong collaboration among the three core
businesses. Alliance with local communities and
government
drijven in het afstemmen van vastgoedontwikkelingen op stationsontwikkelingen
in Japan (Cervero, 1998; Padeco, 2000).
In Tokio is dit spoorwegbedrijf eigenaar
en exploitant van zeven spoorweglijnen
in het gebied ten zuidwesten van Shibuya,
één van de subcentra van Tokio. In
haar bedrijfsplan speelt de corridor een
belangrijke rol in het genereren van groei.
Voor Tokyu Corporation vormt de corridor
het vertrekpunt voor het opstellen van een
zogenaamde gebiedsstrategie. Dit wordt
door haar ook wel aangeduid met de term
‘PEAs Strategy’(figuur 1). De zogenaamde
‘erwten’ verwijzen naar de stations en de
steden die met elkaar worden verbonden
door een spoorlijn, terwijl het omliggende
gebied dat bediend wordt door de spoorlijn
als ‘boon’ wordt beschouwd. Voor het
opstellen van de gebiedsstrategie zijn de
sociaaleconomische kenmerken van de
omwonenden en reizigers zoals leeftijdsopbouw, inkomen en consumptie uitgaven
in kaart gebracht. Dit stelt het bedrijf in
staat om gericht functionele programma’s
af te stemmen op de wensen en eisen van
bepaalde doelgroepen.
Gebaseerd op deze gebiedsstrategie worden
een beperkt aantal stationsgebieden
aangewezen waarin Tokyu Corporation
de komende jaren wil investeren. Het gaat
hierbij vaak om plekken die een belangrijke
functie in het netwerk vervullen. Daarnaast
probeert het spoorwegbedrijf om variatie
in detailhandel tot stand te brengen door
ervoor te zorgen dat de detailhandelsvoorzieningen op de stations langs de corridor
verzorgingsgebieden van verschillende
omvangen dienen en op verschillende doelgroepen gericht zijn. Op deze wijze hoopt
Tokyu Corporation meerwaarde te genereren tussen haar vastgoed-, detailhandel- en
vervoersactiviteiten. Deze meerwaarde uit
zich in hogere reizigersaantallen, hogere
consumptie uitgaven en hogere huur- en
grondprijzen dan wanneer deze activiteiten
afzonderlijk van elkaar ontwikkeld zouden
worden.
Spoorwegbedrijven spelen, al dan niet
gezamenlijk met andere ontwikkelaars,
zodoende een cruciale rol in zowel de
planning als de ontwikkeling van een
corridor. Dit wijkt af van de Nederlandse
situatie waar de gemeente doorgaans een
prominente rol speelt in de planning en
vaak ook in de ontwikkeling van stationsgebieden vanwege gemeentelijk grondbezit.
In Tokio is de rol van de lokale overheid
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Denken en handelen in corridors
P. 178
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Paul Chorus
Figuur 2: Variatie in dichtheden op corridorniveau (%)
Figuur 3: Functiedifferentiatie op corridorniveau
In Japan wordt de FSI aangegeven in procenten. Een FSI van
K = Kantoor
D = detailhandel
P. 179
W = wonen
900% is echter gelijk aan een FSI van 9
Shibuya
Naka Meguro
Jiyugaoka
Den en Chofu
Tamagawaen
Musashi Kosugi
Kikuna
Yokohama
Shibuya
Naka Meguro
Jiyugaoka
Den en Chofu
Tamagawaen
Musashi Kosugi
Kikuna
Yokohama
900
500
600
200
200
500
300
800
K - D
W - K
W - D
W
W
W - D - K
W
K-D
(de Tokyo Metropolitan Government)
minder prominent. De voornaamste rol
van de lokale overheid is om ontwikkelingen te faciliteren en te conditioneren
waarbij gebruik wordt gemaakt van haar
plannings- en financieel instrumentarium.
Bovendien is het merendeel van de grond
in handen van private ontwikkelaars of
individuele grondeigenaren. Als zodanig
heeft de overheid een relatief beperkte,
maar desondanks invloedrijke rol, omdat
het stellen van randvoorwaarden aan
bepaalde ontwikkelingen haar nog steeds
in staat stelt om invloed uit te oefenen
op het bereiken van een bepaald gewenst
eindresultaat. De overheid kan hetzij direct
of indirect invloed uitoefen op de planning
en ontwikkeling van een corridor.
Directe invloed kan de overheid uitoefenen
door te sturen op enerzijds dichtheid en
anderzijds functiedifferentiatie. De Tokyo
Metropolitan Government is meestal het
bevoegd gezag om dichtheden toe te wijzen
aan bepaalde gebieden. Stations krijgen
hierbij doorgaans een voorkeursbehandeling wat betekent dat de gebieden rondom
de stations hogere bebouwingsdichtheden
krijgen toegewezen dan gebieden elders
in Tokio. Op deze wijze hoopt de lokale
overheid deze gebieden aantrekkelijker
te maken voor private ontwikkelaars om
in te investeren. Bij het toekennen van
dichtheden aan een corridor is sprake van
een zeker hiërarchisch patroon (figuur 2).
De hoogste dichtheden worden toegekend
aan de stedelijke subcentra gevolgd door
de regionale centra. Stations met een lokale
functie krijgen de laagste dichtheden
toegewezen. Doorgaans zijn de subcentra,
en dus de hoogste dichtheden, te vinden
aan het begin en einde van een corridor,
met op ruwweg het midden van de lijn het
regionale centrum.
Ook wat betreft functiedifferentiatie valt
een bepaald patroon te ontdekken op
corridorniveau (figuur 3). Meestal worden
de subcentra aan het begin en/of eind van
een lijn gedomineerd door kantoren en
detailhandel. Tussen deze subcentra kan
een scala aan functies worden aangetroffen, terwijl doorgaans de meest multifunctionele stations zich ergens op het midden
van de lijn bevinden. Dit berust niet op
toeval, maar ligt ten grondslag aan de
gebiedsstrategie. Bepaalde functies (winkelcentra, ziekenhuizen en universiteiten)
worden bewust ergens op het midden
van de lijn gepland om een tegenspits en
verkeer in de daluren te genereren. Een
evenwichtige spreiding van voorzieningen
langs de spoorcorridor draagt bij aan een
efficiëntere benutting en daarmee dus een
gezondere exploitatie van het spoor. De
overheid probeert functiedifferentiatie te
stimuleren door via belastingprikkels specifieke bedrijven naar bepaalde stations te
lokken. Indien in een stationsomgeving
bijvoorbeeld veel ICT-bedrijven gevestigd
zijn, kan de overheid de ontwikkeling
ervan verder aanjagen door bedrijven
die aan dit profiel voldoen tijdelijk een
ontheffing van de onroerend goedbelasting te geven, wanneer zij zich ook in dit
gebied vestigen.
Ten slotte oefent de lokale overheid ook
indirect invloed uit op de planning en
ontwikkeling van een corridor door een
auto-ontmoedigend beleid te voeren. Het
gebruik van de auto wordt ontmoedigd
door diverse maatregelen zoals hoge
belastingen op autobezit, hoge parkeertarieven en tolheffingen. Daarnaast zijn
er in Tokio de zogenaamde garaging
requirements die vereisen dat iemand
die zijn auto wil laten registreren, moet
kunnen aantonen dat hij of zij hiervoor
een parkeerplaats op straat heeft nabij
zijn huis. Vooral in centraal Tokio waar
de grondprijzen hoog zijn en doorgaans
weinig ruimte is voor het parkeren op
straat, blijkt dit een effectieve maatregel
te zijn om het autobezit te ontmoedigen.
Tegelijkertijd voert de lokale overheid
een OV-stimulerend beleid door reiskostenvergoedingen van werknemers
voor werkgevers volledig aftrekbaar te
maken. Bovendien heeft het openbaar
vervoer in Tokio een goed imago; het is
punctueel en dus betrouwbaar, en rijdt
daarnaast in hoge frequenties (om de 2 à
3 minuten in de spits en om de 5 minuten
buiten de spits). Daar staat tegenover dat
een groot deel van de snelwegen in en rond
Tokio gedurende de hele dag last heeft van
congestie.
Wat naar aanleiding van het bovenstaande
geconcludeerd kan worden is dat niet
zozeer de lokale overheid, maar de private
sector een prominente rol speelt in de
planning en ontwikkeling van stationsgebieden. In feite wordt de daadwerkelijke
planning van stationsgebieden niet door
de lokale overheid gedaan in Tokio, maar
door de private spoorwegmaatschappij. De
rol van de lokale overheid is beperkt tot het
conditioneren en faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen rondom stations.
Ondanks deze beperkte rol is de lokale
overheid in staat om stationsgebiedsontwikkelingen te sturen. Hiervoor maakt
ze gebruik van haar financiële (belastingprikkels) en planningsinstrumentarium
(toewijzen van dichtheden).
Leren van Tokio
In Nederland speelt doorgaans de gemeente
een belangrijke rol in de planning van
stationsgebieden en is de rol van de private
sector minder uitgesproken. Bijvoorbeeld
de NS stelt zelf geen stedenbouwkundige
plannen op en neemt meestal ook niet het
initiatief om nieuwe gebiedsontwikke-
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Denken en handelen in corridors
P. 180
Rooilijn
Jg. 45 / Nr. 3 / 2012
Paul Chorus
P. 181
Station Tokio Seijo Gakuen Mai met fietsenstalling (foto: Paul Chorus)
lingsprojecten rond stations op te starten.
Gewoonlijk zijn de gemeenten hiervoor
verantwoordelijk en initiatiefnemer van
nieuwe stationsgebiedsontwikkelingsprojecten. Potentiële lessen voor de Randstad
zouden dan ook getrokken kunnen
worden uit de andere rolverdeling tussen
publieke en private partijen in Tokio.
Lokale overheden zouden zich minder
moeten bezighouden met het gedetailleerd
voorschrijven van wat op een bepaalde
locatie aan type ontwikkelingen is toegestaan. Met gedetailleerde voorschriften is
de kans groter dat private investeringen
worden ontmoedigd in plaats van
gestimuleerd, omdat ze nauwelijks ruimte
laten voor innovatie.
Wat de lokale overheid in Tokio laat zien
is dat ruimtelijke ontwikkelingen ook
op een andere manier kunnen worden
gereguleerd zonder dat dit ten koste
gaat van het resultaat. Sterker nog, door
het conditioneren en faciliteren van
ontwikkelingen blijkt de lokale overheid
in Tokio zelfs beter in staat te zijn om
ruimtelijke ontwikkelingen te sturen.
Een passievere rol van de lokale overheid
zou automatisch moeten betekenen
dat de private sector een actievere rol
in de ruimtelijke planning krijgt, want
waarom zou bijvoorbeeld in Nederland
een private partij niet zelf een stedenbouwkundig plan kunnen opstellen?
De overheid zou een beperkt aantal
voorwaarden kunnen meegeven waaraan
een ontwikkeling dient te voldoen en
vervolgens het initiatief kunnen overlaten aan de private sector. Dit betekent
nogal een verandering van de bestaande
planningspraktijk, maar zou in een
tijd waarin de overheid steeds meer
afhankelijk wordt van de bereidheid van
de private sector om te investeren in een
gebied, het overwegen waard zijn.
Wat zou een dergelijke rolopvatting
betekenen voor het toepassen van de
corridorbenadering in de Randstad?
Allereerst wat betekent dit voor de rol van
de overheid? Vanwege het bovenlokale
karakter van de corridor, zou de provincie
ervoor moeten zorgen dat er een op
regionaal niveau afgestemd programma
wordt gerealiseerd. Daarvoor zou ze de
structuurvisie en de hieraan gekoppelde
verordening kunnen gebruiken. Per
corridor zouden bijvoorbeeld afspraken
gemaakt kunnen worden met gemeenten
rond welke stations regionale voorzieningen als scholen, ziekenhuizen en
recreatievoorzieningen geconcentreerd
zouden moeten worden. De overeengekomen locatie zou vervolgens juridisch in de
verordening vastgelegd kunnen worden.
Daarnaast zou de private sector gestimuleerd moeten worden om te investeren
in stationsgebieden. Een manier zou
kunnen zijn om flexibeler om te gaan met
milieuregels bij de ontwikkeling van stationsgebieden. Wat betekent dit ten slotte
voor de rol van de NS? Deze zou, samen
met private partijen, betrokken, of op zijn
minst geconsulteerd, moeten worden bij
het maken van programma-afspraken op
regionaal niveau. Daarnaast zou de NS
haar netwerkvisie moeten vertalen in een
strategische ruimtelijke visie waarin per
corridor wordt aangegeven welke stations
de komende tien jaar de absolute prioriteit
hebben. Daarmee wordt voor de lokale
en regionale overheden duidelijkheid
gecreëerd over de investeringen van de
NS in stationsgebieden. Deze integrale
visie zou ze vervolgens ook actief moeten
gaan uitdragen en gebruiken om zelf
actief plannen te initiëren. In de huidige
toekomstvisie van de NS (Visie 2020)
wordt er nauwelijks aandacht besteed aan
de link met ruimtelijke ordening (NS,
2006). Gelet op haar dominante positie in
de Nederlandse openbaar vervoersmarkt
zou het zeker niet misstaan wanneer de
NS zich eens wat vaker publiekelijk zou
mengen in het ruimtelijke debat. Tot slot
zou NS bij de ontwikkeling van nieuwe
programma’s op stations nadrukkelijker
rekening kunnen houden met de behoeften van de huishoudens en bedrijven
die rondom deze stations gevestigd zijn.
Private spoorwegmaatschappijen in
Tokio laten zien dat stations daarmee
een centralere plek in het dagelijkse leven
kunnen innemen.
Literatuur
Bertolini, L. & P. Rietveld (2008)
Knooppuntontwikkeling in corridorverband;
economische betekenis en institutionele prikkels,
Universiteit van Amsterdam/Vrije Universiteit,
Amsterdam
Cervero, R. (1998) The transit metropolis; a global
inquiry, Island Press, Washington DC
Curtis, C., J.L. Renne & L. Bertolini (red.) (2009)
Transit-oriented development; making it happen,
Ashgate, Farnham
Dittmar H. & G. Ohland (red.) (2004) The New Transit
Town: Best Practices in Transit-Oriented Development,
Island Press, Washington DC
NS (2006) Visie 2020; vrij om te bewegen, Utrecht:
Nederlandse Spoorwegen
Padeco (2000) Study on urban transport development,
Padeco Co., Ltd., Tokio
Ruimtelijk Planbureau (2006) Vele steden maken
Paul Chorus ([email protected]) is werkzaam als
nog geen Randstad, NAI Uitgevers i.s.m. Ruimtelijk
beleidsadviseur bij de provincie Noord-Holland en als pro-
Planbureau, Den Haag
movendus verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.
Tokyu Corporation (2005) Three year medium-term
Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.
management plan 2005-2008. Tokio: Tokyu Corporation