POËZIE IN DE KROEG

POËZIE IN DE KROEG
Presenteert
“Die lezen mogen eenzaam wezen.”
Ida Gardina Margaretha Gerhardt
(Gorinchem, 11 mei 1905 - Warnsveld, 15 augustus 1997)
Presentatie
Wim Kozijn
m.m.v.
Ko van den Bovenkamp
Freek Buné
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
1
POËZIE IN DE KROEG
Fragmenten over Ida Gerhardt
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
2
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
3
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
4
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
5
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
6
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
7
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
8
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
9
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Kosmos 1940 (voor Marie van de Zeyde)
DE AKELEI (Dürer)
Toen hij het kleine plantje vond,
boog hij aandachtig naar de grond
en dan, om wortels en om mos
groef hij de fijne aarde los,
voorzichtig - dat zijn hand niets
schond.
Behoedzaam rondom aangevat
droeg hij het langs het slingerpad
van bos en akker voor zich uit,
en schoof het thuis in 't licht der
ruit
zoals hij het gevonden had.
Dan, fluitende en welgezind
mengde hij zoekend eerst de tint;
diepblauw en zwart ineengevloeid,
met enk'le druppels rood
doorgloeid,
dat het tot purper samenbindt.
Totdat het gaaf te prijken stond:
de wortels scheem'rend afgerond,
het uitgesprongen groene blad
scherp in zijn karteling gevat
tegen de lichte achtergrond;
de bloemkroon purper violet,
de hokjes om het hart gebed
en boven de geknikte steel
de honingsporen, het juweel
vijfvlakkig: kantig neergezet.
In 't vallend donker toefde hij
nog dralend bij zijn akelei;
dan, in het laatste licht van 't raam
schreef hij de letters van zijn naam
en 't jaartal glimlachend erbij.
En uur aan uur trok stil voorbij;
zó diep verzonken werkte hij,
dat het hem soms was of zijn hand
de vezels tastte van de plantzo glanzend kwam de omtrek vrij.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
10
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Kosmos 1940 (voor Marie van de Zeyde)
TUIN VAN EPICURUS
Voor de vrienden
Gij die in eenvoud wilt tezamenhoren,
de tiende jaarkring sloot om onze dis, waar vriendschap open als het zonlicht is
werd ons een ongepeild geluk beschoren.
In arbeid werd der uren goud ontgonnen ;
de volle rijkdom van het eigen ik
vindt ieder terug, gespiegeld in de blik
van wie aan hèm zijn klaarte heeft gewonnen.
Zie naar het licht - hoe kleurt het mild en stil
ons samenzijn. Wat grenzen zijn gesteld
aan wie het nodige slechts nemen wil ?
Nog ongeweten wegen zult gij gaan.
Vriendschap - gij hebt haar reinigend geweld
alreeds beseft. Zo weet : zij ving pas aan.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
11
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Kosmos 1940 (voor Marie van de Zeyde)
HERINNERING
Voor mijn vader
De geur van Kruizemunt waait over,-ik zie mijn vroege kindertijd,
de wei, het slootje en zijn tover
van koelte en doorzichtigheid.
Water en de geheimenissen
die voor het turen opengaan,
scholen van kleine, snelle vissen
in vlucht en onbeweeg’lijk staan.
En planten, fijn vertakt en zwevend,
in heldere rechtstandigheid
beneden in de diepte levend
of op het water uitgespreid.
Spelen, maar met een eerste ontwaren
van d’onvervreemdbaar eigen aard--O spiegeling --- na zóveel jaren,
heb ik het alles gaaf bewaard?
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
12
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Kosmos 1940 (voor Marie van de Zeyde)
THUISKOMST
Dit is mijn droom- het kleine huis aan de rivier;
het rusteloze scheren van de zwaluw gaat er
langs dak en raam; de roodborst nestelt bij de vlier.
Een schip zeilt traag voorbij; de bel luidt over 't
water.
En als ik nader waar de dijk zich buigt door 't land,
richt kort zich op die in de lage tuin gebogen
over de spade staat,-en met de vrije hand
weert zij het helle licht beschuttend van de ogen.
Hoe ken ik dit gebaar, hoe is het mij vertrouwd,
dit sterke opzien van wie daag'lijks naar de lucht en
het wiss'lend, open water turend, rustig oud
werd in dit dijkland en zijn ruime wolkenvluchten.
Er is een scherp herkennen van elkaar en
dan komt zij langs het smalle klinkerpad gelopen,maar keert nog terug en stoot de stroeve huisdeur
open.
Dit ogenblik-wat tellen zóveel bitt're jaren?
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
13
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Veerhuis 1945 (voor mijn vader)
SPREUK BIJ HET WERK
Als ik nu in dit land
maar wat alléén mag blijven,
dan zal de waterkant
het boek wel voor mij schrijven.
Dit is wat ik behoef
en hiertoe moest ik komen,
het simpele vertoef
bij dit gestadig stromen.
Het water gaat voorbij,
wiss'lend gelijk gebleven, het heeft stilaan in mij
een nieuw begin geschreven.
Ik weet met zekerheid,
hier vind ik vroeg of later
het woord dat mij bevrijdt
en levend is als water.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
14
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Veerhuis 1945 (voor mijn vader)
HET ANDERE LAND
Zacht is de waterkant
zacht is de groene weide;
maar zachter kleurt het land
ginds aan de overzijde.
Het riet, de oeverrand
fluist'ren te allen tijde
beloften in het land
ginds aan de overzijde.
En staande hand in hand
wij zwijgend turen beiden
naar 't licht bewaarde land
ginds aan de overzijde.
Zo na ons hart verwant
zo ver van ons gescheiden;
het onbereikbaar land
ginds aan de overzijde.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
15
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Veerhuis 1945 (voor mijn vader)
GEBOORTE
Wanneer een vers is afgemaakt
en tot zijn eigen vorm gekomen,
dan wordt het èven aangeraakt
en gaat het leven er in stromen
De kleuren gloeien langzaam aan,
dan komt het aderwerk verschijnen;
de bloedklop doet zijn stuwing gaan
door nerven en vertakte lijnen.
Eén is er, die dit wonder ziet
nog van het eerste waas beslagen:
de maker zelf, die om het lied
zijn pijn en moeite heeft gedragen.
En diep verwonderd, oog in oog
met dit voltooid, bewegend leven,
dankt hij wie hem tot arbeid boog
en zó zijn zegen heeft gegeven
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
16
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Veerhuis 1945 (voor mijn vader)
HET CARILLON
Ik zag de mensen in de straten,
hun armoe en hun grauw gezicht, toen streek er over de gelaten
een luisteren, een vleug van licht.
Want boven in de klokketoren
na ’t donker-bronzen urenslaan
ving, over heel de stad te horen,
de beiaardier te spelen aan.
Valerius : - een statig zingen
waarin de zware klok bewoog,
doorstrooid van lichter sprankelingen,
‘Wij slaan het oog tot U omhoog.’
En één tussen de naamloos velen,
gedrongen aan de huizenkant
stond ik te luistr’ren naar dit spelen
dat zong van mijn geschonden land.
Dit sprakeloze samenkomen
en Hollands licht over de stad –
Nooit heb ik wat ons werd ontnomen
zo bitter, bitter liefgehad.
Oorlogsjaar 1941
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
17
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Sonnetten van een leraar 1951
ZUEIGNUNG
Dag Pegasus!- wat doe jij hier in dit gebouw?
Ik ben met de zaterdagse thema’s nagebleven.
Kijk niet: mijn kleren zijn vol krijt, mijn ogen grauw;
En de rode inkt blijft altijd aan mijn vingers kleven.
Ja dit is zogezegd de school.-wat wil je nou?
Ik heb mezelf al zoveel maanden afgeschreven…
Of dacht je dat we – God wat is het buiten blauw!--Door de kapotte tuimelramen konden zweven?
Jij hoort daarbuiten Pegasus, en hier hoor ik.
O, doe dat niet, kniel niet op deze planken vloer
Vol stof--- en dat voor mij, mijn trots, mijn prachtig
dier.
Pegasus---laat mij, dat ik in je manen snik.
Wist jij dan hoeveel malen ik mijzelf ontvoer,
Nochtans, om deze kind’ ren?--- Dráág mij: ik ben
hier.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
18
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Sonnetten van een leraar 1951
BIJ EEN EINDEXAMENFOTO
Een Streber, jongens, strebt omdat hij streben moet.
Want dat is zijn natuur: zo moet een bunzing stinken.
Bijbels: hij heeft zijn ziel verkocht voor werelds goed.
Klassiek: hij zal zijn eigen vleugelpaard verminken.
Een Streber, jongens, strebt omdat hij streben moet.
Mocht één van jullie ooit tot dàt bestaan verzinken
- mijn klas, die ik met Plato's Phaedros heb gevoed dan zie ik liever, dat hij eerlijk zal verdrinken.
Ik heb dat alles wèl nooit op het bord gezet.
Ik heb het je, uit schuwheid, nooit zozeer verteld.
De ethica bleef steeds zwijgend verondersteld.
Nu word ik achteraf door dit verzuim gekweld.
Mijn knappe klas - ik zie met zorg naar je portret.
Laat het niet nodig zijn. - Vergeef mij dit sonnet.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
19
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Sonnetten van een leraar 1951
PSYCHE
Ik las de Phaedo met mijn vijfde klas;
en in de tekst kwam het woord ψυχή voor:
ik legde, aan 't nog kinderlijk gehoor,
uit waarom ψυχή `ziel' èn `vlinder' was.
Terwijl ik nòg eens de passage las
was er ineens een ritseling, en een spoor
van glanzen kwam, van 't raam, de ruimte door.
Er zat een grote vlinder voor het glas.
Het was een dagpauwoog. En ieder zag
de purperen gloed, die op zijn vleugels lag;
de ogen, waar het aetherblauw in brandt.
Ten laatste - hij zat rustig op de hand bracht hem een jongen weg. Onaangerand,
zei hij, was hij ontweken naar het blauw.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
20
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Sonnetten van een leraar 1951
WERKLOOSHEID
Drie jaar nu al. Ik kom nog in 't gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
't Is of de meid het woord niet tot mij richt.
Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m'n vàk gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.
Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
`God zal u, als op adelaarsvleugelen, dragen.'
Maar ík heb zitten zweten als een beest.
Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkeloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.
Rotterdam 1933, 1934, 1935
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
21
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het levend monogram
KINDERHERINNERING
Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.
Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
22
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het levend monogram
Het gebed
Drie maal per dag, naar vaste wetten,
nemen zij de eigen plaatsen in,
en gaan zich rond de tafel zetten;
van haat eendrachtig: het gezin.
De vader heeft het mes geslepen,
De kinderen wachten, wit en stil.
De moeder houdt haar bord omgrepen,
alsof zij het vergruizelen wil.
Een grauw: dan vouwen zij de handen,
de disgenoten in het huis:
van tafelrand tot tafelranden
geschikt tot een onzichtbaar kruis.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
23
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het levend monogram
TRISTIS IMAGO
Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?
Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wìl niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het schrikkelijk verwijt op uw geblust gelaat.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
24
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het levend monogram
SONNET VOOR MIJN MOEDER
Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen.
Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant.
Wij horen in dit stormbevochten land
van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.
Ik heb uw gang: die driftige en toch trage
voetstap, die onverzettelijke trant.
Uw harde hand herken ik in mijn hand,
onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.
Machtig zijn wij, in liefde en in haat.
Gij hebt u dóódgehaat, hatend het meest
uzelve, om de liefde die gij schond.
Ik ben genezen van het bitter kwaad.
En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:
van mijn talent de donkere moedergrond.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
25
POËZIE IN DE KROEG
Uit: De Hovenier
(aan de nagedachtenis van mijn zuster Truus
RONDEELVOOR HENRIËTTE ROLAND HOLST
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid:
want zij zullen verzadigd worden. Matth. 5:6
De helft was haar niet aangezegd
- eenzaam te leven en te sterven die opgesleten tot de nerven
door vreemde handen is afgelegd.
Na het verloren aards gevecht.
Want macht gaat uit om macht te werven.
De helft was haar niet aangezegd:
eenzaam te leven en te sterven.
Godlof, aan de aardse staat onthecht
die tijd noch wereld kan onterven.
Zij zal gerechtigheid niet derven
ginder in glans haar weggelegd:
De helft is haar niet aangezegd.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
26
POËZIE IN DE KROEG
Uit: De Hovenier
(aan de nagedachtenis van mijn zuster Truus)
DE VEERPONT
Hier bij de vlonder en de overhaal
het stommelen van de pont op het plankier
denk ik aan hem, die met mij de rivier
zo vaak hier zocht. - Hoe zwijgend hij genoot
bij 't gaan en keren van de kettingboot
en soms iets zeide in zijn simpele taal:
over het licht, de wolken en de wind.
Hij was mijn Vader en ik ben zijn kind.
O God, hoe heb ik hem tekort gedaan,
die met het grote veer is meegegaan.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
27
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Slechtvalk (1966)
DE GESTORVENE
Zeven maal om de aarde gaan,
als het zou moeten op handen en voeten;
zevenmaal om die éne te groeten
die daar lachend te wachten zou staan.
Zeven maal om de aarde gaan.
Zeven maal over de zeeën te gaan,
schraal in de kleren, wat zou het mij deren,
kon uit de dood ik die éne doen keren.
Zeven maal over de zeeën te gaan zeven maal, om met zijn tweeën te staan.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
28
POËZIE IN DE KROEG
Uit: De Ravenveer
In memoriam patris
Mijn vader heeft de waterlaarzen aan.
Wij samen zijn de Lekdijk afgekomen.
Ik ben voor mijn verjaardag meegenomen:
hij moest vandaag bij het gemaal langs gaan.
Gemaal: dat is je vader horen noemen
die vreemde woorden van een andere taal
als hij de waterstand leest van de schaal;
te ademen in het onbenoembaar zoemen
dat gonzend omgaande aanwezig is.
Èn, niets te zeggen als hij bezig is:
‘Dàt is een man, daar kun je staat op maken’.
Als op de zaken orde is gesteld
doen wij huis op aan. Een lucht van geweld:
Gorcum ligt al door wolken overkraagd.
Geen noodweer en geen wereld kan mij raken
als hij, het laatste stuk, mij op de schouder draagt.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
29
POËZIE IN DE KROEG
Uit: De Ravenveer
Het weerzien
Immer vervaarlijk blijft het schilderij.
Rivierlandschap van Salomon Ruysdael.
Rivierlandschap met veer en overhaal.
De zomer is voorbij. Octoberlicht.
Statig vaart onder wolken, tegen tij,
het grootzeil op, ik denk komend van Dordt,
een machtige tjalk. Licht wordt er uitgestort
in gouden banen, maar de atmosfeer
draagt al verandering. Er komt onweer.
Van overzee, in tweespalt levenslang,
aanzie ik Holland, in dit groots gericht
van licht en donker. - Vóór zijn nedergang.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
30
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Vijf Vuurstenen
BIOGRAFISCH I I
In de donkere romp, in de molen,
- en van angst leek mijn bloed te bevriezen dáár heb ik als kind mij verscholen,
toen het winnen was of verliezen.
Toen het winnen was of verliezen.
Een kind is een muis in het nauw
als de machtigen samenspannen,
als de machtigen samenspannen,
als zij wachten: met ogen en handen.
Ik stond daar: ik zag wat ik zag.
Die daarboven ik òm hoorde gaan,
zij stortten, stortten het graan;
gemalen, gemalen werd het,
tussen stenen te pletter geplet:
dat er brood, dat er brood zou ontstaan.
En zij maalden, maalden het graan,
tussen stenen te pletter geplet.
Moed komt uit een afgrond vandaan.
Toen ik ging, met mijn kraag opgezet,
wist ik: ik zal ze verslaan
En ik stond daar, ik zag wat ik zag:
- en zij stortten, stortten het graan –
het vergauwde licht van de dag,
de balk met stof en spinrag;
en overdwars lag het touw.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
31
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Vijf Vuurstenen
MELANCHOLIA
Gaan vissen tussen Rossum en Hurwenen,
achter een krib, alleen met zijn verlangen.
Goed aas aanslaan, gezind om niets te vangen.
Aken zien naderen en hun naam ontcijferen,
die éne lezen en het weer betwijfelen.
Neen, niet. - Het meegebrachte brood gaan eten,
zichzelve uit een fles de koffie schenken.
Wegstaren en de Waterman gedenken.
Staan vissen tussen Rossum en Hurwenen.
Weet hebben wáár precies hij is verdronken
van wie er staat - hij die daar is gezonken dat hem het water goed zat aan de benen.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
32
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Sterreschip
OVER DE EERBIED I
Gij moet het eenzaam laten
het zaad dat ligt te slapen
en dat al kiem gaat maken.
Dit eerstelingsbewegen
van leven binnen leven
vermijd het te genaken.
Laat het stil in zijn waarde,
zaad in de donkere aarde;
zaad in de donkere aarde.
En het zal groen ontwaken.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
33
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Sterreschip
HET SCHIP
Er kwam een schip gevaren;
het kwam van Lobith terug,
met grint en rivierzand geladen.
Het richtte zijn boeg naar de brug.
De scheepsbel was helder te horen,
de brugwachter kwam al in zicht;
een halfuurslag viel van de toren.
Het schip voer door schaduw en licht.
Met boegbeeld en naam kwam het nader,
de ophaalbrug ging omhoog;
een deining liep door het water
dat tegen de schoeiing bewoog.
Er stond een kind op de kade
- ik was het, ik was nog klein het had niets meer nodig op aarde
om volkomen gelukkig te zijn.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
34
POËZIE IN DE KROEG
Uit: Het Sterreschip
GENESIS
Oud worden is het eindelijk vermogen
ver af te zijn van plannen en getallen;
een eindelijke verheldering van ogen
voordat het donker van de nacht gaat vallen.
Het is een opengaan van vergezichten,
een bijna van gehavendheid genezen;
een aan de rand der tijdeloosheid wezen.
Of in de avond gij de zee ziet lichten.
Het is, allengs, een onomstotelijk weten
dat gij vernieuwd zult wezen en herschapen
wanneer men van u schrijven zal: `ontslapen'.
Wanneer uw naam op aarde is vergeten.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
35
POËZIE IN DE KROEG
Die lezen mogen eenzaam wezen.
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
36
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
37
POËZIE IN DE KROEG
21-10-2014
SeniorenVereniging Hilversum
38