Altijd hetzelfde werkt niet bij Annie M.G. Schmidt

Altijd hetzelfde werkt niet bij Annie M.G. Schmidt
Achtergrond
Annie M.G. Schmidt-films
Waarom zijn de klassieke jeugdboeken
van Annie M.G. Schmidt zo lastig te
verfilmen? Door de combinatie van
fantastische en realistische elementen.
Door H enk van Geld er
W
iplala was geen kabouter, dat moesten vader Blom en de kinderen Nella Della en Johannes goed begrijpen. Hij was een wiplala. En toen
ze vroegen hoe hij heette, antwoordde hij: „Ik
heet Wiplala. Dat zei ik je toch?” De andere wiplala’s hadden hem weggestuurd omdat hij niet
goed kon toveren. Maar dat was het goede woord
niet: „Wij noemen dat niet toveren, maar tinkelen.”
Zo introduceerde Annie M.G. Schmidt in 1957
haar nieuwe kinderboek Wiplala, vier jaar na
Abeltje en twee jaar na het vervolgboek De A van
Abeltje. Het was, met die kenmerkende mengeling van sprookjesachtige elementen in een realistische omgeving, weer een echte Annie
Schmidt. Als geen ander kon zij het vanzelfsprekend maken dat in een heel gewoon huis zo’n minimannetje opdook dat een beetje kon toveren.
Net zoals ze een lift door het dak van een warenhuis kon laten vliegen (in Abeltje), een jongedame met katten kon laten praten omdat die vroeger zelf een kat was geweest (Minoes) en een jongetje in een kraanwagentje de Torteltuin kon laten redden door de aanplant van hasselbramen
die hij van een kluizelaar had gekregen (Pluk van
de Petteflet). Allemaal tovenarij in een wereld die
verder nauwelijks anders was dan de bestaande.
En dat is tegelijk ook de belangrijkste reden
waarom het zo lastig is die boeken van Annie
Schmidt te verfilmen. Een sprookje kan er
sprookjesachtig uitzien, al of niet door animatietechnieken toe te passen. Terwijl een realistisch
avontuur bovenal een realistische aanblik vergt.
Maar wat te doen met die combinatie van vertelgenres, die eigenlijk tegenstrijdig zijn, maar in
haar verhalen toch volkomen logisch lijken samen te gaan? Hoe kan een film bovendien die-
zelfde laconieke toon treffen die haar boeken zo
uniek heeft gemaakt?
BosBros, de producent van alle Schmidt-verfilmingen, heeft telkens voor een iets andere oplossing gekozen. Van één succesformule is geen
sprake. Abeltje, die in 1998 de reeks opende,
werd gemaakt in een vlotte videoclipstijl met een
paar speciale effecten. Minoes was aaibaar en
grappig tegelijk, Pluk ging iets meer de karikaturale kant op en Wiplala wil vooral de aandacht
trekken met geavanceerd visueel stuntwerk.
Van kleiner formaat – maar niet minder bezienswaardig – waren de als tv-serie gemaakte
Otje en Ibbeltje. Volkomen anders dan alle andere was ten slotte Ja zuster, nee zuster, niet gebaseerd op een boek maar op een tv-serie, en met
zijn uitzinnige camp à la Priscilla, Queen of the
Desert voornamelijk gericht op een volwassen
publiek.
Zo is bij elke film de stijl en de toonhoogte gevonden die het boek het meest recht doet. Waarbij de producent in elk geval in één opzicht in de
voetsporen van de schrijfster treedt. Want ook
BosBros is er tot dusver steeds in geslaagd voor
alle leeftijden iets bijzonders te maken.