Bijlage 2 - Achtergronddocument KRW-maatregelen 2016-2021

Achtergronddocument KRW Maatregelen 2016-2021
Onderbouwing en effectbeschrijving van KRW maatregelen in het
stroomgebied van de Stichtse Rijnlanden
Hoe slaan we brug naar maatschappij?
Aandacht voor stedelijk water
Samenwerking met agrarische sector
Gezond water is van ons allemaal
DM 814053v5
September 2014
1
2
Inhoudsopgave
1. Inleiding................................................................................................................................. 5
2. Gebiedsprocessen en beleidsontwikkeling: koersbepaling .................................................. 6
2.1 Aanpak van de planvorming ...................................................................................................... 6
2.2 Gebiedsprocessen......................................................................................................................... 7
2.3 Beleidsontwikkeling..................................................................................................................... 9
3. Kostenbatenanalyse van drie maatregelpakketten ............................................................. 10
3.1 Opbouw maatregelenpakketten ............................................................................................... 10
3.2 Effectbepaling KRW-effecten................................................................................................... 10
3.3 Effectbepaling overige effecten ................................................................................................ 12
3.4 Conclusie kostenbatenafweging ............................................................................................... 13
4. Maatregelpakket 2016-2021................................................................................................ 14
4.1 Algemene toelichting ................................................................................................................. 14
4.2 Toelichting per maatregel......................................................................................................... 16
Maatregel 1 Uitvoeren Emissiebeheerplan 2014-2021................................................................................ 16
Maatregel 2 Uitvoeren Convenant Schoon water Utrechtse fruitteelt ......................................................... 18
Maatregel 3 Programma groen-blauwe diensten......................................................................................... 18
Maatregel 4 Integrale beheerprogramma’s ................................................................................................. 19
Maatregel 5 Afwegen natuurvriendelijker peilbeheer.................................................................................. 20
Maatregel 6 Natuurvriendelijke oevers ontwikkelen/verbreding waterlichamen......................................... 20
Maatregel 7 Kunstwerken passeerbaar maken voor vis............................................................................... 22
Maatregel 8 Programma Synergieprojecten landelijk gebied...................................................................... 23
Maatregel 9 Programma Kwaliteitsimpuls Stedelijk water.......................................................................... 23
Maatregel 10 KRW-onderzoeksprogramma................................................................................................. 24
4.3 Voorbereiding uitvoering op weg naar 2016........................................................................... 24
4.4 ‘Afhechting’ intrekken van maatregelen SGBP1 ................................................................... 25
5. Fasering doelbereik............................................................................................................. 27
5.1 Prognose 2021 ............................................................................................................................ 27
5.2 Motiveringen voor fasering ...................................................................................................... 28
5.3 Toelichting gehanteerde motiveringen fasering doelbereik................................................... 29
Bijlage 1. Maatregelenoverzicht per waterlichaam................................................................ 31
Bijlage 2. Landelijke KRW maatregelcodes ........................................................................... 32
Bijlage 3. Rijn-West redeneerlijnen........................................................................................ 34
Bijlage 4. Werkwijze maatregeltoekenning per waterlichaam op basis van belastingen ..... 35
Bijlage 5. Ambitie stedelijke waterkwaliteit............................................................................ 37
3
4
1. Inleiding[NEV1]
Waarom dit document
De Kaderrichtlijn Water verplicht de lidstaten om elke zes jaar te rapporteren over haar KRW-plannen.
In 2015 zal Nederland de stroomgebiedbeheerplannen voor de tweede KRW-periode vaststellen. Dit
achtergronddocument geeft de onderbouwing voor het KRW-maatregelpakket van Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR) voor de periode 2016-2021.
Het document is bedoeld als achtergrondinformatie voor andere overheden en derden die na inzien
van factsheets of het WKP meer willen weten over de KRW-maatregelen binnen het beheergebied
van HDSR. Daarnaast biedt het ook voor medewerkers van HDSR een overzicht van de
achtergronden en redenaties, dat tijdens de uitvoering en ook bij het volgende planvormingstraject
geraadpleegd kan worden.
Afbakening
Het achtergronddocument levert de onderbouwing voor de maatregelen van het waterschap. Hierbij
worden ook verwachtingen benoemd over bijdragen van derden op basis van gebiedsprocessen en
reeds lopende trajecten bij het waterschap. Over deze bijdragen bestaat geen zekerheid, en daarom
worden deze ook niet als concrete maatregelen benoemd.
Factsheets en vaststellingsprocedure
De hier beschreven maatregelen worden ingevoerd in het Waterkwaliteitsportaal (WKP), dat wordt
beheerd door het Informatiehuis Water (IHW). Uit het WKP kunnen factsheets worden gegenereerd.
Sinds 2013 wordt ieder voorjaar een 'publieke versie' van de factsheets openbaar gemaakt. Ten
behoeve van de ter inzage legging van de stroomgebiedbeheerplannen 2015 (SGBP-2) worden in het
najaar van 2014 geactualiseerde factsheets gegenereerd en via internet toegankelijk gemaakt.
Het ontwerp van de regionale plannen wordt in de tweede helft van 2014 door de bestuurslagen
vastgesteld. Het waterschap stelt daarbij alleen haar eigen maatregelen vast, waarbij verwezen wordt
naar de factsheets. De factsheets worden als onderdeel van het regionale plan van de provincie ter
inzage gelegd. Na de inspraak worden de plannen eventueel aangepast en vastgesteld.
Verwijzingen
In dit document wordt regelmatig verwezen naar andere waterschapsdocumenten rapporten met een
DM-nummer. Dit is een verwijzing naar het Document-managementsysteem van het waterschap, en is
daarom vooral relevant voor medewerkers van het waterschap.
Figuur 1. www.waterkwaliteitsportaal.nl
5
2. Gebiedsprocessen en beleidsontwikkeling:
koersbepaling
2.1 Aanpak van de planvorming
Het planproces werd voorbereid op basis van een inhoudelijke analyse, een verkenning van actuele
(maatschappelijke) ontwikkelingen en aanbevelingen vanuit diverse gremia. De denklijnen zijn
uitgeschreven in de Inhoudelijke startnotitie (HDSR oktober 2013, DM715612). Deze paragraaf geeft
een korte samenvatting.
Een overzicht van de belangrijkste aanbevelingen:
- betrek belangenpartijen beter (rijk);
- zorg voor betere transparantie en onderbouwing van uitzonderingen (Europese Commissie);
- hanteer een duidelijke strategie voor terugdringen belasting uit de landbouw en verwerk
klimaatverandering in de plannen (Europese Commissie);
- integreer de KRW in het bestaande beleid van de organisatie en haal nog meer uit interne én
externe samenwerking (Rekenkamercommissie waterschap);
- benader water integraal in gebiedsprocessen en geef ook aandacht aan beschermde en nietKRW wateren (Klankbordgroep Rijn-West).
Uit de inhoudelijke analyses bleek dat het waterschap op schema ligt met de uitvoering van de
maatregelen voor de eerste periode, maar dat er nog een grote opgave is voor de komende
periode(n). De KRW-doelen voor de chemie worden gehaald[NEV2], maar voor de ecologie nog niet.
De opgave ligt vooral op het gebied van nutriënten en onvoldoende natuurlijke inrichting en beheer.
Nutriënten Een te hoge belasting met nutriënten zorgt zowel in KRW-waterlichamen als in het overig
water zoals veensloten en stedelijk water voor knelpunten (kroosdekken, zuurstofloosheid, vissterfte).
Het water dat het beheergebied van HDSR verlaat is van slechtere kwaliteit dan het aangevoerde
water, wat betekent dat er sprake is van afwenteling. Om de knelpunten op te lossen en om
verslechtering van de kwaliteit als gevolg van klimaatverandering tegen te gaan is het (verder)
terugdringen van de nutriëntenbelasting uit het beheergebied nodig.
Inrichting en beheer De eerder geformuleerde restopgave voor de KRW-waterlichamen bestaat vooral
uit inrichtingsmaatregelen zoals natuurvriendelijke oevers. Uit de uitgevoerde KRW-onderzoeken blijkt
dat dit wel effectief is, maar lastig haalbaar in de KRW-waterlichamen in verband met vrijwillige
grondverwerving. Ook is de verwachting dat deze maatregelen niet heel kosteneffectief zijn in
vergelijking met maatregelen buiten de waterlichamen (‘overig water’). In het totale beheergebied
verschilt het beeld ten aanzien van inrichting en beheer per type water en deelgebied. In het
veengebied speelt vooral de afkalving van de oevers, waardoor snel ondiepe sloten met een dikke
baggerlaag ontstaan. Dit is ongunstig voor waterkwaliteit, planten en dieren. In het overige agrarisch
gebied zijn op sommige plaatsen heel weinig kansen voor de ecologie door krappe dimensionering en
zeer steile oevers, terwijl op andere plaatsen wel meer ruimte is. In het stedelijk gebied speelt dit ook,
dan is vooral in de oudere wijken en kernen weinig ruimte. Daarnaast spelen er ook typisch stedelijke
knelpunten zoals zwerfvuil en snelle baggervorming door bladval, met name in geïsoleerde wateren.
Op basis van de verkenning werd het planproces sober ingestoken (vanwege beperkte budgetten),
met een focus op samenwerking (zowel intern als extern) en de maatschappelijke waarde van
waterkwaliteit. Vooraf werd de projectstrategie “samenwerken aan gezond water met de volgende
uitgangspunten vastgesteld:
- We spreken over de opgave in termen van “gezond water”; niet over een bepaalde score op een
KRW-maatlat;
- We kiezen voor de meest effectieve schaal en locatie voor maatregelen, of dat nu binnen of
buiten een KRW-waterlichaam is;
- Gebiedsprocessen voor KRW sluiten zoveel mogelijk aan bij lopende trajecten zodat
schaalniveau en onderwerp aansluit bij de doelgroep;
- Inhoudelijk ligt de focus op optimalisatie van beheer (bestaand ‘beleid’) en terugdringen
nutriënten, minder op inrichtingsmaatregelen;
6
-
Maatregelen in rapportage aan Brussel op hoog abstractieniveau om flexibiliteit te houden tijdens
de uitvoering en te kunnen inspelen op samenwerkingskansen.
2.2 Gebiedsprocessen
De planvorming was opgedeeld in zes sporen (thema’s): nutriënten, beheer, inrichting, stedelijk
gebied, beschermde gebieden en monitoring & analyse. Per spoor werden passende
gebiedsprocessen gezocht of georganiseerd om de opgave en maatregelen en oplossingsrichtingen
nader te bespreken, zowel binnen de organisatie als met derden. Aanvullend is in juli 2013 een
'watertafel’ georganiseerd op het schaalniveau van het hele beheergebied, in samenwerking met de
Klankbordgroep Rijn-West. Hier konden partijen kennis nemen van elkaars inbreng en onderling
discussiëren. In het najaar van 2014 [NEV3]werd een vergelijkbare bijeenkomst georganiseerd,
voorafgaand aan de besluitvorming over het ontwerp-maatregelenpakket van het waterschap.
Gezien bovenstaande uitgangspunten voor de planvorming heeft tijdens deze processen de focus niet
zozeer op de KRW-waterlichamen gelegen (die slechts 3% van het water vormen binnen het
beheergebied), maar op het gehele beheergebied. De inbreng van de maatschappelijke partijen is
(per sector) opgenomen in het Achtergronddocument gebiedsprocessen (DM746789). Deze paragraaf
geeft een toelichting op de gebiedsprocessen en de resultaten.
1. Nutriënten: HDSR heeft actief meegewerkt aan het nutriëntenproject Rijn-West en andere
gebiedsprojecten en daarnaast vooral aansluiting gezocht bij de ontwikkelingen vanuit het
Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en het Deltaplan Agrarisch waterbeheer. Hiervoor heeft het
waterschap veelvuldig contact gezocht met (koepels van) agrarische natuurverenigingen en de
LTO. Intern is ook gezocht naar synergie mogelijkheden met de maatregelen in het kader van de
wateropgave wateroverlast (DM 765496). Daarnaast is een vervolgstudie uitgevoerd naar de
mogelijkheden voor het afstemmen van RWZI-effluent op het watersysteem.
Resultaten: de agrarische sector vraagt om inpassing van vergroening en innovatie van de sector
in de KRW, met haalbare waterkwaliteitsdoelen en een voor de sector gunstig peilbeheer. Er wordt
veel waarde gehecht aan de regionale
gebiedsgerichte projecten zoals het
nutriëntenproject Rijn-West, waarbinnen
het Besluit tot Samenwerking en
vervolgens de Bestuurlijke
samenwerkingsovereenkomst
Veenweiden voor het uitvoeren van 13
nutriëntenmaatregelen is ondertekend.
Tijdens de gebiedsprocessen werd
steeds duidelijker dat de vergroening van
het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid
(via POP3) veel kansen biedt voor
waterkwaliteit in het landelijk gebied.
De agrarische collectieven in oprichting
binnen het beheergebied willen ook
watermaatregelen uitwerken in de
gebiedsoffertes en staan positief
tegenover samenwerking met het
waterschap daarvoor.
Figuur 2.1 Ondertekening Bestuurlijke Samenwerkingsovereenkomst Veenweiden, oktober 2013
2. Optimalisatie maaien, baggeren en peilbeheer. Via interne bijeenkomsten en met andere
waterschappen heeft HDSR de mogelijkheden onderzocht voor optimalisatie van het eigen
beheer (maaibeheer, baggeren, flexibel peilbeheer) én van beheer door derden. Het beheer door
derden is vervolgens verder uitgewerkt via de lopende contacten in het eerste spoor, mede omdat
dit gedeeltelijk om dezelfde maatregelen gaat (natuurvriendelijker slootschonen).
Resultaten: het maaibeheer is in 2014 vanwege bezuinigingen aangepast, wat mogelijk positief
uitwerkt. Dit moet nog worden geëvalueerd. Voor het baggeren wordt gedurende de volgende
KRW-periode een nieuw beheerplan opgesteld, waarin nieuwe inzichten ten aanzien van
natuurvriendelijkere fasering, methodes etc. kan worden ingebracht. Peilbeheer wordt per gebied
afgewogen. Ook hiervoor geldt dat in de komende periode de nieuwe inzichten (ten aanzien van
flexibel peilbeheer) in de peilbesluiten kunnen worden meegenomen.
7
3. Inrichtingsmaatregelen in het landelijk gebied. Dit kunnen vispassages zijn, maar ook
maatregelen waarvoor ruimte nodig is, zoals natuurvriendelijke oevers. HDSR heeft via
gesprekken met gemeenten en terreinbeherende organisaties synergiekansen hiervoor verkend.
Ook is afgestemd met de Visstandbeheercommissie (VBC), waarin de sport- en beroepsvisserij in
het gebied vertegenwoordigd wordt.
Resultaten: De natuurorganisaties hebben aandacht gevraagd voor de kleinere (niet-KRW)
wateren, ook op het vlak van natuurvriendelijker beheer en flexibel peilbeheer. Zij zien goede
synergie- en samenwerkingskansen bijvoorbeeld binnen en rond EHS, maar ook vanwege
wijzigingen in het vergoedingenstelsel. De particuliere grondeigenaren hebben aangegeven dat
zij vaak meerdere belangen hebben (landbouw, natuur en recreatie), en hun verzoek is om
grondbezitters individueel aan te spreken. De sport- en beroepsvissers ondersteunen de
noodzaak voor vispassages, maar vragen ook aandacht voor natuurlijker peilbeheer (met name in
februari-april), baggeren en zuurstofloosheid in kleinere wateren, maatschappelijk aansprekende
eindbeelden en kaders voor het uitzetten van vis.
4. Stedelijk water. Het waterschap heeft een effectieve aanpak van waterkwaliteit verkend via het
samenwerkingsverband met gemeenten in de waterketen (Winnet). Hierbij is zowel gekeken naar
het watersysteem als naar de waterketen.
Resultaten: In 2014 is HDSR gestart met een nieuwe stimuleringsregeling voor het oplossen van
waterkwaliteitsknelpunten in stedelijk water, waarvoor bij gemeenten ruim voldoende ideeën en
aanvragen blijken te zijn. In een studiegroep met vertegenwoordigers van waterschap en
gemeenten wordt nagedacht over vervolgmaatregelen op basis van een systeemanalyse, wat ook
bestuurlijk is bekrachtigd.
5. Beschermde gebieden. Voor Natura2000-gebieden, drinkwaterbeschermingsgebieden en
zwemwateren worden al afspraken gemaakt via andere beleidsprocessen. Als het nodig is zorgt
het waterschap voor extra uitwerking van deze afspraken.
Resultaten: Ten behoeve van de KRW-doelen voor grondwater heeft de provincie Utrecht om
bevestiging gevraagd van de uitvoering van een aantal maatregelen uit de Utrechtse
drinkwaterdossiers. HDSR heeft dit bevestigd per bestuurlijke brief (DM817401) met een aantal
opmerkingen (zie tabel 2.1).
6. Monitoring en analyse. In overleg met de andere waterbeheerders binnen Rijn-West wordt
gezocht naar een efficiëntere inzet en gebruik van monitoring. Hierdoor kan het waterschap in de
toekomst beter de effectiviteit van maatregelen inschatten.
Resultaten: Intern is vastgesteld dat het belangrijk is om gerichter de effecten van maatregelen te
monitoren, omdat het lastig is om daarover uitspraken te doen op basis van de KRWtoestandsmonitoring.
Tabel 2.1. Maatregelen in de drinkwaterdossiers binnen de provincie Utrecht relevant voor de KRWdoelen voor grondwater met een taak voor HDSR
Maatregel drinkwaterdossiers
Taak
Opmerking HDSR
regulier
1. Uitvoeren gebiedsaanpak
regulier
2. Voorkantsturing ruimtelijke bescherming
extra taak wij zien dit als reguliere taak
3. Bewustwording in grondwaterbeschermingszones
4. Emissiereductie bestrijdingsmiddelen stedelijk gebied extra taak
regulier
5. Drinkwaterbelang in calamiteitenplannen
regulier
7. Goede staat riolering
regulier
8. Evaluatie beleid en regels voor afkoppelen
9. Emissiereductie gewasbeschermingsmiddelen
regulier
= Convenant Utrechtse Fruitteelt,
fruitteelt
neemt HDSR op als KRW-maatregel
10. Optimalisatie monitoringsmeetnet early warning
regulier
Graag passender formuleren als
nieuwe stoffen
"Verkenning optimalisatie …."
13. Onderzoek herkomst verontreinigingen ARK
extra taak
Nieuwersluis
8
2.3 Beleidsontwikkeling
Op basis van de resultaten van de inhoudelijke analyses en verkenningen en de gebiedsprocessen
heeft het College in december 2013 een beleidslijn voor het KRW maatregelenpakket 2016-2021
vastgesteld. De redeneerlijn was als volgt:
- De uitvoering van de KRW in de eerste planperiode (2010-2015) loopt volgens planning en
binnen de beschikbaar gestelde kredieten.
- De restopgave vanaf 2016 zoals in 2009 in het WBP vastgelegd bestaat vooral uit
inrichtingsmaatregelen langs KRW-waterlichamen. Uit onderzoek is gebleken dat de uitvoering
van deze inrichtingsmaatregelen slecht haalbaar is langs KRW-waterlichamen, en dat het
wenselijk is om het zoekgebied te vergroten naar het achterland (op basis van systeemanalyse;
uitgangspunt blijft haalbaar en betaalbaar).
- Daarnaast is er een opgave om (nutriënten)emissies tegen te gaan. Deze opgave ligt zowel bij
het waterschap als bij de agrarische sector, zoals voor het veenweidegebied is uitgewerkt en
door alle partijen bekrachtigd in de bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst veenweiden.
- In de voorbereiding is al gekozen om op zoek te gaan naar kansen voor coproductie en synergie,
voor kosteneffectiviteit en maatschappelijk draagvlak. Op basis van de gebiedsprocessen blijkt
dat partijen willen samenwerken op het gebied van inrichting, beheer en nutriënten, zoals de
agrarische gebiedscollectieven (in ontwikkeling), natuurorganisaties en gemeenten en provincies.
Omdat het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) vanaf 2016 voor maatregelen in het
landelijk gebied de mogelijkheid biedt voor 50% cofinanciering uit Europa is inzet in het landelijk
gebied zeer aantrekkelijk.
- Het is niet mogelijk om uit te werken wat minimaal gedaan moet worden om de KRW-doelen te
halen, omdat er discussie is over de doelen. [NEV4]De KRW-doelen zijn vastgelegd voor de KRWwaterlichamen, terwijl deze in het beheergebied slechts 3% van het water vormen. De
maatschappelijke partijen vragen om ook maatregelen te nemen in de ‘kleine wateren’ ofwel ‘het
overige water’. Sommige waterschappen zeggen dat dit ‘business as usual’ is, want
waterschappen zorgen overal voor een goede waterkwaliteit. Maar je kunt een euro maar één
keer uitgeven. Daarom is het logischer om een integrale afweging te maken vanuit het financiële
kader.
Op basis van bovenstaande redeneringen en motivaties is de volgende beleidslijn vastgesteld voor
het KRW maatregelenpakket voor de 2e KRW-periode:
- een substantieel aandeel aan KRW-maatregelen gericht op coproductie en synergie, onder
andere voor nutriënten en beheer. Dit is een verschuiving ten opzichte van het pakket in de 1e
KRW-periode met vooral inrichtingsmaatregelen voor het waterschap.
- maximaal gebruik maken van (landbouw)subsidies om met de beschikbare middelen meer te
kunnen doen.
- uitgaan van het bestaande KRW-budget (geen bezuinigingen, maar ook geen aanvulling) met
een verschuiving van investeringen naar exploitatie passend bij de voorgestelde verschuiving.
Voor het terugdringen van probleemstoffen werd in 2013 het Emissiebeheerplan 2014-2021
voorbereid, dat in het voorjaar van 2014 is vastgesteld. Naast nutriënten gaat dit over
bestrijdingsmiddelen, zware metalen en nieuwe stoffen zoals medicijnresten en microplastics. En ook
hier is de strategie om in te zetten op een intensivering van samenwerking, zowel extern als intern.
9
3. Kostenbatenanalyse van drie maatregelpakketten
3.1 Opbouw maatregelenpakketten
Voor een eerste bestuurlijke keuze op hoofdlijnen ten aanzien van de maatregelen zijn drie varianten
van maatregelpakketten opgesteld. Hierbij is uitgegaan van kosteneffectieve maatregelen (deels op
een vrij hoog abstractieniveau), waarvoor in de gebiedsprocessen draagvlak is gevonden en waarbij
het geheel past binnen de beleidslijn die in december 2013 was vastgesteld: aanzienlijk aandeel
maatregelen voor coproductie/synergie, aandacht voor nutriënten en beheer, maximale benutting van
(landbouw)subsidies en uitgaan van beschikbare budgetten. De drie varianten verschillen van elkaar
in inhoudelijke focus, niet in kosten omdat wordt uitgegaan van het bestaande budget. De meeste
maatregelen komen in enige mate in alle varianten terug, zoals natuurvriendelijke oevers langs
waterlichamen, vispassages en groenblauwe diensten, maar het beschikbare budget is per variant
verschillend verdeeld over de maatregelen (tabel 3.1). In de variant ‘focus landelijk gebied’ is relatief
veel budget ingezet op groenblauwe diensten en ook op ‘synergieprojecten landelijk gebied’. In het
pakket ‘focus stedelijk gebied’ is juist relatief veel ingezet op het stedelijk water. Om het bestuur een
keuze te kunnen laten maken werden de effecten op KRW-doelen en overige effecten bepaald
(paragraaf 3.2 en 3.3).
Tabel 3.1. Budgetverdeling bij de drie pakketten. [NEV5]
focus KRWwaterlichamen
Groenblauwe diensten
€€
Integraal beheer
€€€
Natuurvriendelijke oevers langs KRW€€€
waterlichamen
Vispassages
€
Synergieprojecten landelijk gebied
0[NEV6]
Kwaliteitsimpuls stedelijk water
€
focus landelijk
gebied
€€€
€
focus stedelijk
gebied
€
€€
€
€
€
€€€
€
€
0
€€€€
3.2 Effectbepaling KRW-effecten
Voor de KRW-doelen is per maatregel bepaald welk aandeel van de waterlichamen resp. het
achterland significant kan worden verbeterd op KRW-deelmaatlatten zoals waterplanten, macrofauna,
vis en nutriënten. Dit is deels uitgevoerd op basis van rekenwerk en kennisregels, maar deels ook op
basis van expert-judgement vanwege de grote onzekerheden. Dit wordt hier beschreven.
Tabel 3.2 Effectentabel[NEV7]. KRW doelen: het aandeel waterlichamen resp. overig water waarin een
significante verbetering kan worden bereikt. Overige effecten: een + wordt toegekend als het pakket
op dat aspect beter scoort dan de andere pakketten.
Effectentabel
KRW doelen
Waterlichamen
Overig water
ondersteunend: nutrienten
Overige effecten
Synergie doelen
wateropgave wateroverlast
landschap en beleving
natuur
bodemdaling
Klimaat
CO2
robuustheid (nutriënten)
Zichtbaarheid
maatregelen stedelijk gebied
Samenwerking
partijen landelijk gebied
partijen stedelijk gebied
Maatregelpakketten
focus
waterlichamen
12%
11%
13%
20%
0
0
0
0
0
10
focus landelijk
gebied
19%
16%
21%
33%
++
+
+
+
+
+
+
+
+
0
+
+
focus stedelijk
gebied
4%
4%
4%
13%
+
0
0
+
+
+
+
Ecologie
De ecologische effecten van maatregelen in de verschillende varianten zijn ingeschat op basis van
kennis over de huidige situatie, rekenregels en expert judgement. Voor waterplanten en vis is hierbij
gebruik gemaakt van de rekenregels uit de KRW-Verkenner[NEV8], voor macrofauna vooral van expertjudgement. Op basis van het beschikbare budget per variant is voor alle maatregelen, indien mogelijk,
een globale invulling van de maatregelen bepaald, die haalbaar en uitvoerbaar is. Uitgaande van de
huidige ecologische toestand en de hoeveelheid toegepaste maatregel is de verbetering van de
waterkwaliteit ingeschat. In tabel 3.3 is aangegeven wat het effect is van de maatregelen per relevant
waterlichaam of achterliggend gebied, waarbij één plus een verbetering binnen een klasse oplevert,
twee plussen een klasse en drie plussen tot twee klassen verbetering opleveren.
Tabel 3.3 Effecten van de maatregelen per waterlichaam/gebied. Hoe meer plusjes, hoe groter het
effect. 0 = verwaarloosbaar effect, + verbetering binnen 1 klasse, ++ verbetering met 1 klasse +++
verbetering tot 2 klassen.[NEV9]
focus
focus
focus
waterlandelijk
stedelijk
Maatregelen
KRW doelen
lichamen
gebied
gebied
Groen-blauwe diensten
waterlichamen
++
+++
+
overig water
++
+++
+
Integrale beheerprogramma's
waterlichamen
+
0
+
overig water
++
+
+
Natuurvriendelijke oevers/verbreding waterlichamen waterlichamen
++
+[NEV10]
+
overig water
0
0
0
Vispassages
waterlichamen
+
+
+
overig water
++
++
++
Synergieprojecten landelijk gebied
waterlichamen
0
0
0
overig water
0
+
0
Kwaliteitsimpuls Stedelijk waterbeheer
waterlichamen
0
0
0
overig water
+
+
++
Vervolgens is de grootte van het effect gecombineerd met het percentage oppervlaktewater waar de
maatregel effect heeft. De combinatie van deze twee (grootte van het effect + oppervlakte waar de
maatregel invloed heeft) geeft het effect in termen van aandeel waterlichamen of achterliggend gebied
waar de waterkwaliteit significant verbeterd, zoals (voor alle maatregelen totaal) opgenomen in tabel
3.2. Bijvoorbeeld in de variant Focus Waterlichamen wordt 6 km natuurvriendelijke oever in de
waterlichamen extra aangelegd ten opzichte van de andere varianten. Door deze extra
natuurvriendelijke oevers is de inschatting dat in 20% van de waterlichamen (6 stuks) de ecologische
kwaliteit tussen de 0.1 en 0.2 EQR toeneemt.
De rekenregels en expert judgement zijn toegepast op basis van best beschikbare kennis.
Ecologische ontwikkeling is echter onzeker en afhankelijk van vele factoren. Daarom moet dit
geschatte effect niet als absoluut worden gezien, maar dient het vooral om de verschillende varianten
onderling te vergelijken. De uitgebreide analyse is opgenomen in DM860797.
Inzet op het landelijk gebied is naar verwachting het meest effectief. De effectiviteit van groen-blauwe
diensten wordt positief ingeschat doordat het direct (via schoning, baggeren of inrichting) en indirect
(via terugdringen nutriënten) werkt op het voorkomen van soorten. Daarnaast zijn het relatief
goedkope maatregelen waardoor meer areaal beïnvloed kan worden dan met
investeringsmaatregelen. Dit resulteert samen met de andere maatregelen in deze variant tot het
grootste aandeel water, zowel KRW waterlichaam als overig water, dat kwalitatief vooruit gaat ten
opzichte van de huidige situatie.
[NEV11]
Nutriënten
Op basis van de nutriëntenopgave per deelgebied, het jaarlijkse budget per variant en de
kosteneffectiviteitskentallen van de maatregelen is een inschatting gemaakt van het aantal
waterlichamen en afvoergebieden waarvan de nutriëntenbelastingen naar het gewenste niveau
teruggebracht kan worden in 2021 (tabel 3.4). In alle drie de varianten is uitgegaan van drie
nutriëntenmaatregelen (kringlooplandbouw, baggerspuit & natuurvriendelijk slootschonen en aanleg &
11
beheer van natuurvriendelijke oevers), waarbij steeds een zelfde percentage van het
nutriëntenmaatregelen budget wordt toegekend: 10% aan stimuleren kringlooplandbouw en
respectievelijk 60% en 30% aan het ondersteunen van de baggerspuit & natuurlijk slootschonen en
aanleg & beheer van natuurvriendelijke oevers als groenblauwe dienst. Daarbij wordt ervan uitgegaan
dat de HDSR-budgetten worden verdubbeld door de Europese landbouwsubsidie, omdat deze
maatregelen passen binnen de steeds duidelijker wordende kaders voor het Europese
landbouwbeleid en de uitvoering via het Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP3) en op alle
daarvoor relevante lijstjes staan (bijv. Nutriëntenproject Rijn-West, Groenblauwe diensten catalogus,
maatregelenlijst Deltaplan Agrarisch Waterbeheer). De maatregelen kringlooplandbouw en
natuurvriendelijk slootschonen kunnen op veel draagvlak rekenen uit de agrarische sector; de
maatregel natuurvriendelijke oevers is lokaal kansrijk door te koppelen aan andere belangen en
doelen zoals afkalvende oevers en natuurdoelen. [NEV12]
Deze maatregelen hebben in eerste instantie vooral een effect op het achterliggende afvoergebied
van de KRW-waterlichamen, en vervolgens, indirect op de KRW-waterlichamen. De beoordeling in
tabel 3.4 is een indicatie op basis van expert-judgement. Het is erg moeilijk om hier precieze
berekeningen op los te laten, omdat veel factoren de nutriëntenhuishouding bepalen en de kentallen
onzeker zijn. De uitgebreide analyse is opgenomen in DM788239.
Tabel 3.4. Beoordeling effecten verschillende nutriëntenpakketten. Hoe meer plusjes, in hoe meer
waterlichamen of afvoergebieden de nutriëntenbelasting naar een gewenst niveau kan worden
teruggebracht: 0 geen effect, + gering effect, ++ matig effect, +++ veel effect
focus
focus
focus
waterlichamen
landelijk
stedelijk
Budget groenblauwe diensten
€€
€€€
€
Deelgebied veenweide
+
+
0
Deelgebied overig agrarisch west
+
++
+
Deelgebied overig agrarisch oost
++
+++
+
Deelgebied stedelijk
0
+
0[NEV13]
Van de drie verschillende maatregelenpakketten wordt bij het pakket “Focus landelijk” het meeste geld
uitgegeven aan nutriëntenmaatregelen. Logischerwijs heeft daarom dit pakket het meeste effect op de
nutriëntenreductie van zowel de waterlichamen als het overig water. Het bepalen van het effect van de
maatregelen op de nutriëntenbelasting van het water gaat gepaard met grote onzekerheden. Grote
onzekerheden zitten in het bepalen van de actuele belasting, de kritische belasting en de kentallen
van de effectiviteit van maatregelen. Tevens is in deze variantenvergelijking het effect van autonome
ontwikkelingen niet meegenomen, waardoor het effect iets onderschat wordt. De resultaten moeten
worden beschouwd als een indicatie voor de effectiviteit van de verschillende maatregelenpakketten
op de nutriëntenhuishouding en daarmee op het halen van de nutriëntendoelen.
De maatregelen zijn naar verwachting het meest effectief in de deelgebieden (overig west en oost)
waar de opgave het kleinst is. In het veenweide gebied is de opgave vaak zo groot dat ondanks de
reductie de belasting alsnog te hoog is om aan de doelen te voldoen. Mogelijk dat door het
verdisconteren van de achtergrondbelasting de opgave in sommige waterlichamen/afvoergebieden
kleiner wordt (zie DM 852524). De drie geselecteerde maatregelen hebben allemaal effect op de
nutriëntenhuishouding in het landelijke gebied. De maatregelen zijn niet direct van invloed op de
waterkwaliteit in de stad, maar door verbetering van de kwaliteit van het inlaatwater zal er toch een
indirect positief effect zijn. Vraagstukken met betrekking tot de effectiviteit van maatregelen zullen
zoveel mogelijk beantwoord worden in samenwerking met de nutriëntenadviesgroep van Rijn-West.
Omdat veel maatregelen nu net in uitvoering zijn, zullen de inzichten over de effectiviteit pas in een
later stadium duidelijk worden.
3.3 Effectbepaling overige effecten
Voor de overige effecten (redenaties per aspect zie tabel 3.5) scoort het pakket “focus landelijk
gebied” ook het hoogst, omdat er vanwege het grotere zoekgebied meer flexibiliteit is om synergie te
zoeken met andere doelen en samenwerkingspartners, en omdat het totale systeem klimaatrobuuster
wordt door de grotere inzet op reductie van nutriënten. Alleen op zichtbaarheid scoort het pakket
12
“focus stedelijk gebied” het beste, omdat in het stedelijk gebied de meeste mensen wonen, en
waterkwaliteitsknelpunten in het stedelijk gebied vaak heel zichtbaar zijn.
Tabel 3.5 Redenaties per aspect, op basis waarvan is beoordeeld welk pakket het beste scoorde op
dat aspect
Overige effecten
Redenering
Synergie doelen
Wateropgave wateroverlast
Hogere score bij meer natuurvriendelijke oevers/verbreding, vooral
wanneer dit doel kan meespelen bij de locatiekeus. En hogere score
bij meer natuurvriendelijk beheer van tertiair systeem (via
groenblauwe diensten).
Landschap en beleving
Hogere score bij meer inzet in overig water, want dan zal dit
criterium in meer gevallen meespelen bij de selectie en uitwerking
van projecten
Natuur
Idem
Bodemdaling
Onderwaterdrainage is een van de nutriëntenmaatregelen die
mogelijk hier en daar al toegepast kan worden, mogelijk
ondersteund door HDSR. De kans daarop is het grootst bij de
meeste financiële speelruimte in het landelijk gebied.
Klimaat
CO2
Zie redenatie bodemdaling
Robuustheid (nutriënten)
Hogere score bij hogere reductie van emissies
Zichtbaarheid
Maatregelen stedelijk gebied
Samenwerking
Partijen landelijk gebied
Partijen stedelijk gebied
Hogere score bij meer maatregelen in het stedelijk gebied, waar
meer mensen wonen
Hogere score bij meer samenwerking met partijen in het landelijk
gebied
Hogere score bij meer samenwerking met partijen in het stedelijk
gebied
3.4 Conclusie kostenbatenafweging
Het pakket ‘focus landelijk gebied’ levert de hoogste score op voor zowel de KRW-waterlichamen als
voor het overig water, ondanks dat er in het pakket ‘focus waterlichamen’ twee keer zoveel
natuurvriendelijke oevers langs KRW-waterlichamen worden aangelegd, en meer wordt ingezet op
beheermaatregelen in het primaire systeem (waarbinnen de KRW-waterlichamen liggen[NEV14]). De
inzet in het achterliggend gebied via de agrarische collectieven, waarbij gebruik wordt gemaakt van de
cofinanciering (‘multiplier’) door het GLB), zorgt niet alleen voor sterkere terugdringing van nutriënten,
die uiteindelijk meetbaar is in de waterlichamen, maar ook voor een betere ecologie in de sloot.
Voor het bepalen van een totaalscore is aan de scores voor waterlichamen en overig water een gelijke
weging meegegeven. Aangezien het overig water binnen het beheergebied 97% (in lengte) van al het
water uitmaakt, lijkt het in een integrale afweging gerechtvaardigd om deze score voor 50% mee te
laten tellen.
Het bestuur heeft ingestemd met het voorkeurspakket landelijk gebied, waarna dit verder werd
uitgewerkt tot een definitief (ontwerp) maatregelenpakket.
13
4. Maatregelpakket 2016-2021
4.1 Algemene toelichting
Het voorkeurspakket landelijk gebied is in het voorjaar van 2014 verder uitgewerkt tot een Ontwerpmaatregelpakket met 10 maatregelen op programmaniveau (4.1a en b). Deze paragraaf geeft een
algemene toelichting en motivatie voor de samenstelling van dit pakket, met speciale aandacht voor
het hogere abstractieniveau van de maatregelen in vergelijking met het eerste KRW-plan van HDSR.
Bijlage 1 geeft een overzicht van de maatregelen per KRW-waterlichaam.
Tabel 4.1a. Ontwerp KRW Maatregelenpakket 2016-2021
Maatregel
1. Uitvoeren Emissiebeheerplan 2014-2021
2. Uitvoeren Convenant Schoon water Utrechtse fruitteelt
3. Programma groen-blauwe diensten
4. Integrale beheerprogramma's
5. Afwegen natuurvriendelijker peilbeheer
6. Natuurvriendelijke oevers ontwikkelen/verbreding waterlichamen
7. Kunstwerken passeerbaar maken voor vis
8. Programma Synergieprojecten landelijk gebied
9. Programma Kwaliteitsimpuls Stedelijk water
10 KRW -onderzoeksprogramma
Waar
beheergebied
beheergebied
beheergebied
beheergebied
meerdere waterlichamen
meerdere waterlichamen
meerdere waterlichamen
beheergebied
beheergebied
beheergebied
Omvang
1 exemplaar
1 exemplaar
1 exemplaar
1 exemplaar
9 exemplaren
minimaal 6 km
minimaal 14 exemplaren
1 exemplaar
1 exemplaar
1 exemplaar
Tabel 4.1b. Toelichting per maatregel zoals ingevuld in het waterkwaliteitsportaal. De (SGBP)-codes
verwijzen naar landelijke KRW-maatregelcategorieën (bijlage 2).
Maatregel
1. Uitvoeren Emissiebeheerplan
2014-2021
code
S06
2. Uitvoeren Convenant Schoon
water Utrechtse fruitteelt
S06
3. Programma groen-blauwe
diensten
S05
Programma gericht op emissiereductie van nutriënten, ontwikkeling ecologie en
wateropgave wateroverlast door stimulering diensten in tertiaire watergangen. Specifieke
(bovenwettelijke) diensten worden in overleg met relevante partijen in 2014-2015
uitgewerkt en vallen in uiteenlopende categorieën: Natuurvriendelijker beheer en
onderhoud in en om de sloot en inrichtingsmaatregelen (SGBP-codes BE03, BE04,
BE06, BR01, BR02, BR03, IM08, IM09, IN01, IN07, IN08, IN12, IN20)
4. Integrale beheerprogramma's
BE08
Afspraak dat bij aanpassing van beheerprogramma's van het waterschap (peilbeheer,
maaien, baggeren en zuiveren) doelen voor ecologie en waterkwaliteit integraal worden
meegewogen (SGBP-codes o.a. IN02, IN03, IN14, IM01, IM02, BE03, BE04).
5. Afwegen natuurvriendelijker
peilbeheer
S06
6. Natuurvriendelijke oevers
ontwikkelen/verbreding
waterlichamen
IN08
Meer natuurlijke peilfluctuatie is nodig voor met name oeverplanten; bij een volgend
peilbesluit of watergebiedsplan wordt dit integraal afgewogen. Naar verwachting is dat
voor 9 waterlichamen binnen de periode 2015-2021.
Creëert geschikt leefgebied voor planten en dieren. In totaal gaan we uit van 6 km.
Afhankelijk van beschikbaarheid gronden en subsidiemogelijkheden kan tot 9 km extra
worden gerealiseerd.
Toelichting
Programma gericht op emissiereductie van probleemstoffen zoals nutrienten, zware
metalen, medicijnen, (tekort aan) zuurstof en overige stoffen. Het betreft voorbereiden en
stimuleren van bronmaatregelen (SGBP-codes BR01 t/m BR10).
Programma gericht op emissiereductie van bestrijdingsmiddelen in de fruitteelt (SGBPcode BR03).
7. Kunstwerken passeerbaar maken IN15
voor vis
Heft barrieres voor vismigratie op. Er worden 14-18 vispassages gerealiseerd afhankelijk
van synergiekansen en financiële mee- en tegenvallers
8. Programma Synergieprojecten
landelijk gebied
IN20
Programma gericht op verbetering waterkwaliteit en ecologie in het landelijk gebied,
waarbij prioriteit is voor projecten met synergie met andere (water)doelen en coproductie.
Bij de inrichtingsmaatregelen valt te denken aan zuiveringsmoerassen, vispassages,
verbreden watergangen (SGBP-codes o.a. IN08, IN15, IN20)
9. Programma Kwaliteitsimpuls
Stedelijk water
S05
10 KRW -onderzoeksprogramma
S01
Programma gericht op verbetering waterkwaliteit en ecologie in het stedelijk gebied
(oplossen knelpunten), waarbij jaarlijks een maatregelpakket wordt vastgesteld
(bijvoorbeeld aanpassen van doorspoelregime) afhankelijk van verzoeken en
beschikbare cofinanciering van gemeenten (SGBP-code o.a. IN03).
Onderzoeksprogramma nog nader in te vullen
[NEV15]
14
Afbakening maatregelenpakket
Alle in dit document beschreven maatregelen van de variant ‘focus landelijk gebied’ zijn opgenomen in
het uiteindelijke Ontwerp-pakket. Hier wordt toegelicht waarom er nog vier extra maatregelen zijn
toegevoegd, en waarom sommige andere maatregelen niet zijn opgenomen.
 De maatregelen 1 ‘uitvoeren Emissiebeheerplan’ en 2 ‘uitvoeren Convenant Schoon water
Utrechtse Fruitteelt’ zijn toegevoegd als KRW-maatregel, omdat dit herkenbaar en sturend is voor
het terugdringen van andere probleemstoffen dan nutriënten. Het uitvoeren van de
Samenwerkingsovereenkomst Nutriënten Veenweide Rijn-West is niet als aparte maatregel
opgenomen omdat de hierin afgesproken maatregelen ondergebracht zijn in de andere KRWmaatregelen (1, 3, 4, 5, 6 en 8);
 De maatregel ‘Afwegen natuurvriendelijker peilbeheer’ was in eerste instantie niet apart
opgenomen omdat dit valt binnen KRW-maatregel 4 (Integrale beheerprogramma’s). Maar omdat
de peilbesluitplanning op grote lijnen al bekend is, is het wel mogelijk om iets te zeggen over de
gebieden (en waterlichamen daarbinnen) waarvoor flexibel peilbeheer zal worden afgewogen.
 Met de provincies is afgesproken dat het niet nodig is om maatregelen voor de beschermde
gebieden binnen het beheergebied van HDSR op te nemen als specifieke KRW-maatregelen,
omdat deze maatregelen reeds zijn uitgevoerd, regulier zijn, of nog in een te onzeker stadium zijn
(zie eventueel ook Redeneerlijnen Rijn-West, nr 11, 12, en 13 (bijlage 5);
 De maatregel ‘uitvoeren KRW-onderzoeksprogramma’ is toegevoegd, omdat er nog
kennislacunes zijn ten aanzien van het functioneren van het systeem en kosteneffectiviteit van
maatregelen.
 Niet opgenomen zijn investeringsmaatregelen op rioolzuiveringsinstallaties, omdat de komende
jaren (nog) geen nieuwe investeringen in de zuiveringen voorzien worden ten behoeve van
verbetering van waterkwaliteit. Wel zal hiervoor beleid ontwikkeld worden, wat is opgenomen in de
KRW-maatregelen 1 en 4.
Algemene motivering voor het maatregelenpakket
1. Dit maatregelenpakket geeft op doelmatige wijze invulling aan de doelen van de Kaderrichtlijn
water
Het pakket bevat alleen die (relatief dure) inrichtingsmaatregelen ín KRW-waterlichamen, waar dat
haalbaar en zinvol wordt geacht op basis van de uitgevoerde KRW-onderzoeken in de huidige
periode. De focus ligt op het landelijk gebied inclusief overig water, waar investeringsmaatregelen ter
bevordering van waterkwaliteit vooral worden ingezet waar synergie mogelijk is met andere
(water)doelen. Nieuw in dit pakket zijn de “slimme” maatregelen in het tertiaire systeem via de
agrarische collectieven, waardoor niet alleen nutriëntenemissies bij de bron worden aangepakt, wat
uiteindelijk ook terug te meten is in de KRW-waterlichamen, maar waarmee ook de ecologie ‘in de
sloot’ verbetert. Omdat deze nutriënten- en beheermaatregelen op grote schaal kunnen worden
ingezet, wordt bijgedragen aan een klimaatrobuust systeem in het hele beheergebied, in plaats van
aan ecologische verbetering in enkele KRW-waterlichamen. Bij de inzet van de beschikbare budgetten
wordt zoveel mogelijk naar synergie gezocht met andere doelen, zowel binnen als buiten het
waterschap, waardoor ook inzet van andere budgetten en partijen wordt gestimuleerd. Met deze focus
op het landelijk gebied wordt maximaal gebruik gemaakt van de beschikbare Europese
Landbouwsubsidies en POP3.
2. Dit maatregelpakket sluit goed aan op de maatschappelijke behoeftes in het gebied met
betrekking tot schoon water
De keuze voor maatregelen in het overig water sluit aan bij de maatschappelijke vragen, die gesteld
zijn in de gebiedsprocessen (m.n. vanuit landbouw, natuur, sportvisserij). Deze partijen zien veel
kansen en maatschappelijke relevantie in beheer en inrichting in de kleinere wateren en/of specifiek
gericht op maatschappelijk relevante wateren zoals in natuur- en recreatiegebieden en in de stad (zie
eventueel ook redeneerlijn Rijn-west nr. 3: Overige wateren (bijlage 5). De focus op samenwerking
met andere partijen schept daarnaast veel gelegenheid voor uitwisseling van kennis en ervaring, waar
door andere partijen specifiek om is gevraagd. Uiteraard werkt dat ook de andere kant op.
3. Het maatregelenpakket past geheel binnen de kaders die de Kaderrichtlijn Water stelt
De Kaderrichtlijn Water gaat over al het water. De verschuiving in de focus van inrichting in
waterlichamen naar nutriënten, beheer en inrichting in overig water kan op basis van de uitgevoerde
KRW-onderzoeken en het kosteneffectiviteit-argument goed worden onderbouwd voor Europa. Ten
opzichte van de eerste planperiode rapporteren wij nu de maatregelen op een hoger abstractieniveau.
15
Dit is al in een heel vroeg stadium in de planvorming aan alle partijen gecommuniceerd, inclusief het
Ministerie van I&M. Provincies zijn verantwoordelijk voor het vaststellen van de KRW-doelen, en
waterbeheerders voor het treffen van maatregelen die bijdragen aan deze doelen. Het voorgestelde
concept-maatregelenpakket is goed afgestemd met de beide provincies Utrecht en Zuid-Holland.
Extra toelichting hogere abstractieniveau
Er is bewust gekozen voor een hoger abstractieniveau van de meeste maatregelen dan in de eerste
KRW-periode. De concrete maatregelen, die direct aan waterlichamen kunnen worden gekoppeld
(natuurvriendelijke oevers en vispassages) zijn voor de waterlichamen waar deze waarschijnlijk
kunnen worden uitgevoerd geclusterd aangeleverd in het WKP. De andere concrete maatregelen
(groenblauwe diensten, synergieprogramma landelijk gebied en kwaliteitsimpuls stedelijk gebied) zijn
op programmaniveau geformuleerd (steeds 1 maatregel voor het hele beheergebied). De overige
maatregelen zijn meer instrumentele maatregelen en afspraken, waarbij het waterschap zichzelf én
externe partijen probeert te stimuleren tot innovatieve en natuurvriendelijke maatregelen. Deze zijn
ook steeds als 1 maatregel geformuleerd zoals het uitvoeren van het Emissiebeheerplan of het zorgen
voor Integrale beheerprogramma’s. Hieronder valt ook het KRW-onderzoeksprogramma, dat nu 1
maatregel vormt (vergelijk: in de eerste KRW-periode werd over 137 onderzoeksmaatregelen
gerapporteerd). Argumenten hiervoor zijn:




Een hoger abstractieniveau sluit beter aan bij de praktijk. De ervaring in de eerste KRW-periode
leert dat tijdens de planvorming niet voorzien kan worden welke kansen er zijn voor effectieve
maatregelen tijdens de uitvoering. Waar kansen lijken te ontstaan kan dat tegenvallen, en waar je
niks verwacht kan ineens dynamiek ontstaan. Als je dat allemaal heel strak vastlegt snijd je jezelf
in de vingers. De keuze voor een hoger abstractieniveau en het alleen globaal inventariseren van
kansen vooraf, biedt flexibiliteit tijdens de uitvoering en voorkomt onnodig tijdverlies aan
administratieve verschuivingen.
Uit de KRW-onderzoeken blijkt dat de eerder voorgenomen maatregelen in de KRWwaterlichamen zoals natuurvriendelijke oevers beperkt haalbaar zijn (in verband met vrijwilligheid
bij grondverwerving) én niet meest kosteneffectief vanuit het perspectief van het totale gebied.
Investeren in KRW-waterlichamen is in sommige gevallen relatief duur omdat dit juist de meest
intensief gebruikte kanalen en weteringen zijn, waar de strakste eisen aan waterdoorvoer,
oeverstabiliteit en peilbeheer worden gesteld. Het is kosteneffectiever om in de kleinere
watergangen te investeren, zeker wanneer daar synergie met andere doelen kan worden bereikt.
Dit is vrijwel altijd in het ‘overige water’. Vanwege het eerste argument is het niet mogelijk en
wenselijk om nu al precies in beeld te brengen welke kansen zich daarbij zullen voordoen.
In verband met de verschuiving van de aandacht naar het overig water wordt op dit moment een
verkenning uitgevoerd naar het vergroten van KRW-waterlichamen. Besluitvorming hierover is
echter niet haalbaar vóór de ter inzage legging van de maatregelen voor de tweede KRWperiode. Deze (mogelijke) overgangssituatie zorgt er ook voor dat het nu niet heel zinvol wordt
geacht om zeer gedetailleerd maatregelen per waterlichaam uit te werken.
De maatregelen voor het terugdringen van nutriëntenemissies via GLB/POP3 dragen naar
verwachting sterk bij aan de KRW-doelen (in alle waterlichamen). Deze maatregelen zijn nog niet
concreet aan gebieden/waterlichamen op te hangen omdat dit hele traject nog volop in
ontwikkeling is. Via een maatregelprogramma kun je er toch een KRW-status aan geven.
Maatregelenpakket in formele KRW-rapportages en factsheets
De verschuiving in de focus van KRW-waterlichamen naar het overig water en de keuze voor
maatregelen op een hoger abstractieniveau heeft tot gevolg dat het lastig is om de totale inzet van
HDSR voor waterkwaliteit te rapporteren in de formele KRW-rapportages. Dit komt omdat via het
Waterkwaliteitsportaal (en de gegenereerde factsheets) alle informatie over maatregelen, prognose,
doelbereik etc. slechts wordt gerapporteerd per KRW-waterlichaam, en niet per beheergebied. De
KRW-maatregelen die gelden voor het hele beheergebied zijn in elk waterlichaam opgenomen.
4.2 Toelichting per maatregel
Maatregel 1 Uitvoeren Emissiebeheerplan 2014-2021
Het waterschap zet met het nieuwe Emissiebeheerplan (EBP) voor de periode 2014 – 2021 een
nieuwe strategie uit om emissies van milieubelastende stoffen tot het gewenste niveau terug te
dringen. Dit heeft betrekking op de opgave in de KRW-waterlichamen, de opgave in de regionale
16
wateren en de wateropgave in de stad. De belangrijkste probleemstoffen zijn nutriënten,
bestrijdingsmiddelen en zuurstofvragende stoffen. Stoffen die ook de aandacht vragen zijn
medicijnresten, zware metalen en overige stoffen (prioritaire stoffen, zwerfvuil, PAK’s etc.). Het
Emissiebeheerplan (EBP) is geen “waterkwaliteitsbeheerplan”, maar beperkt zich uitsluitend tot de
emissies. Andere factoren die van invloed zijn op de waterkwaliteit, zoals inrichting, beheer &
onderhoud vallen buiten dit beheerplan.
Het emissiebeheer is gestoeld op twee hoofdpijlers:
1. “verbetering eigen inzet”: het waterschap wil de inspanning vanuit de eigen verantwoordelijkheden
verbeteren en het “waterkwaliteitsdenken” verankeren binnen de organisatie.
2. “externe samenwerking”: het waterschap wil de emissies aanpakken door zoveel mogelijk samen te
werken met externe partijen. Per probleemstof is hiertoe een strategie opgesteld met activiteiten en
procesafspraken. Deze strategie is gebaseerd op samenwerking met andere partijen en de koppeling
van belangen.
Belangrijkste speerpunten Emissiebeheerplan
De belangrijkste speerpunten van het Emissiebeheerplan zijn de uitvoering van de afspraken in de
bestuursovereenkomst “Nutriënten in Veenweiden Rijn-West” en de uitvoering van de afspraken uit
het convenant “Schoon water Utrechtse fruitteelt” (zie KRW-maatregel 2). Het waterschap zal (een
belangrijk deel van) de regie voeren om de maatregelen uit de bestuursovereenkomst te
implementeren bij de agrariërs in het beheergebied. Hierbij handelt het waterschap proactief om
voorwaarden te creëren en kennis te delen die essentieel is voor een goede implementatie. Hierbij
werkt het waterschap zoveel mogelijk samen met partijen als de Provincie Utrecht, LTO, Agrarische
Natuurverenigingen en het Veenweide Innovatie Centrum VIC. Tevens wordt aansluiting gezocht
bij het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) van de LTO. In het DAW-project BodegravenWoerden wordt hier al op kleine schaal mee geëxperimenteerd. Zelf neemt het waterschap zijn
verantwoordelijkheid als het gaat om investeringen in het eigen systeem.
Andere activiteiten in het agrarische gebied zijn: participeren in de innovatieraad kringlooplandbouw
met 30 agrariërs, participeren in projecten om erfafspoeling tegen te gaan, promoten van de
baggerspuit, onderzoek verwijderen slootmaaisel en het participeren in het onderzoek naar de
(kwalitatieve) effecten van onderwaterdrainage. Ook in het stedelijke oppervlaktewater is de
nutriëntenbelasting vaak te hoog. Het waterschap heeft 3 ton per jaar (cofinanciering) beschikbaar
gesteld om waterkwaliteitsproblemen in het stedelijk gebied samen met de gemeenten op te lossen,
wat als aparte KRW-maatregel is opgenomen (zie maatregel 9). De aanpak van chronische
waterkwaliteitsproblemen gebeurt bij voorkeur op basis van een watersysteemanalyse in
samenwerking met de gemeente. Het waterschap doet onderzoek om de kwaliteit van het effluent van
de rioolwaterzuiveringen af te stemmen op de KRW-doelen van het ontvangende oppervlaktewater.
In de tweede nota gewasbeschermingsmiddelen zijn verboden voorgesteld voor middelen buiten de
landbouw. Het waterschap wil samen met Provincie Utrecht de gemeenten ondersteunen met de
overgang naar een chemievrij beheer door de kennis te delen die is opgedaan in het project “Schoon
water Utrechtse Heuvelrug”. Het WINNET- platform wordt gebruikt om kennis en ervaring te delen met
de gemeenten.
Zuurstofvragende stoffen, medicijnresten, zware metalen en overige stoffen
Voor de aanpak van medicijnresten prefereert het waterschap een bronaanpak boven een end of pipe
aanpak in de rioolwaterzuiveringen, wat in lijn is met de landelijke koers. Het waterschap sluit aan bij
de strategie van de Unie van Waterschappen voor het opzetten van een landelijk
monitoringprogramma voor het meten van geneesmiddelen in oppervlaktewater. Voor specifieke
probleemwateren gaat het waterschap zoveel mogelijk gezamenlijk met andere partijen aan
bronmaatregelen werken. Normoverschrijdingen door zware metalen komen nauwelijks nog voor
binnen het beheergebied van het waterschap. Ten aanzien van de emissiereductie van zware metalen
zal het waterschap het huidige gevoerde beheer daarom voortzetten. Net als bij nutriënten worden
zuurstofproblemen zoveel mogelijk opgelost door middel van een watersysteemanalyse. Uit de
nulmeting en uit recentere metingen zijn bij het waterschap geen normoverschrijdingen aangetoond
van prioritaire stoffen. Voor oplossingsrichtingen van nieuwe probleemstoffen (en zwerfvuil) wordt
aansluiting gezocht bij andere partijen.
17
Zie ook: http://www.hdsr.nl/actueel/abonneren/nieuwsbrieven/kopiesjabloon/@8839/emissiebeheerplan/
Maatregel 2 Uitvoeren Convenant Schoon water Utrechtse fruitteelt
Een van de speerpunten uit het Emissiebeheerplan is het convenant “Schoon water Utrechtse
fruitteelt”. Het doel voor de komende planperiode is om het aantal normoverschrijdingen uit de
fruitteelt terug te brengen met 80 procent in 2015 ten opzichte van het referentiejaar (gemiddelde van
2007 t/m 2010). Om dit te halen heeft het waterschap samen met de Utrechtse fruitsector,
Nederlandse Fruitteelt Organisatie en LTO) en de Provincie Utrecht afspraken gemaakt in het
convenant “Schoon water Utrechtse fruitteelt” om de belasting van het grond- en oppervlaktewater
met middelen die in de reguliere fruitteelt gebruikt worden te verminderen. Als initiatiefnemer van het
convenant is het waterschap coördinator, bewaker en regisseur van het proces om de afspraken uit te
voeren en het convenant tot een succes te maken.
Deze maatregel wordt ook ondersteund door de provincie Utrecht in het kader van de
drinkwaterdossiers en in het kader van de KRW-doelen voor grondwater. Zie daarvoor ook de
resultaten van de gebiedsproces ‘beschermde gebieden’ (paragraaf 2.2)
Zie: http://www.hdsr.nl/info_op_maat/agrariers/nieuws-0/praktisch-slag-0/
Maatregel 3 Programma groen-blauwe diensten
De herziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) heeft onder andere vergroening en
verduurzaming van de agrarische sector als doel, waarbij waterkwaliteit nadrukkelijk ook als doel is
benoemd. Via het POP3 1-instrumentarium zijn subsidies mogelijk voor diensten door agrariërs (deze
maatregel) en voor investeringen van o.a. waterschappen en andere partijen (maatregel 8). De
diensten vallen allen onder de noemer ‘agrarisch natuurbeheer’, maar hieronder kunnen ook groenblauwe diensten of water- en milieudiensten worden verstaan. Omdat aanvragen voor agrarisch
natuurbeheer voortaan collectief gedaan moeten worden nu overal agrarische collectieven gevormd.
Vanwege de grote nutriëntenopgave, het draagvlak voor nutriëntenmaatregelen waarbij ook
biodiversiteit in overig water vergroot wordt en de beschikbare Europese subsidies wil het waterschap
vanaf 2016 starten met een Programma groen-blauwe diensten. Omdat uit- en afspoeling uit
landbouwgronden de grootste beïnvloedbare nutriëntenbron is, wordt verwacht dat
nutriëntenmaatregelen door agrariërs zeer effectief zijn om de belasting terug te dringen. Omdat deze
maatregelen op grote schaal kunnen worden ingezet, wordt bijgedragen aan een klimaatrobuust
systeem in het hele beheergebied. En ook zijn er kansen om via diensten de wateropgave
wateroverlast aan te pakken. Een belangrijk aspect van dit programma is het samenwerken met de
streek, anders kijken naar de boerensloot. Het waterschap ziet de collectieven daarbij als loket,
tussenpersoon naar de agrarische bedrijven.
Op dit moment (september 2014) heeft het waterschap een werklijst van maatregelen die bijdragen
aan de waterdoelen, waarvoor het waterschap cofinanciering beschikbaar wil stellen. Specifieke
diensten zullen in overleg met relevante partijen in 2014-2015 gebiedsspecifiek worden uitgewerkt. De
maatregelen betreffen beheerdiensten zoals baggeren & natuurvriendelijk slootschonen, maar ook
inrichtingsmaatregelen zoals de aanleg van een soortenrijke oever. Het waterschap wil voor de
beheermaatregelen om nutrientenemissies tegen te gaan geen restricties opleggen wat betreft
voorkeursgebieden, omdat de nutrientenopgave in vrijwel het hele beheergebied speelt. Voor de
relatief duurdere inrichtingsmaatregelen heeft het waterschap wel de voorkeur om dit te beperken tot
gebieden waar een hogere actuele of potentiële kwaliteit bestaat. Een conceptkaart/handreiking
hiervoor binnen de provincie Utrecht is inmiddels beschikbaar, op basis waarvan nadere afstemming
met andere overheden en collectieven plaatsvindt.
De intentie van het waterschap is dat het programma tijdelijk is, dat op den duur de agrariërs een
natuurvriendelijker beheer van sloot en oever vanzelfsprekend is (= stip op de horizon).
1
3e Plattelandsontwikkelingsprogramma (2014-2020) voor innovatie en duurzaamheid in de
e
landbouwsector, gefinancierd vanuit de 2 pijler van het Gemeenschappelijke Europese
Landbouwbeleid.
18
Maatregel 4 Integrale beheerprogramma’s
Voor de meeste primaire watergangen inclusief alle KRW-waterlichamen voert het waterschap op dit
moment het bagger-, maai- en peilbeheer uit. En ook voor het zuiveringsbeheer via de
rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s) is het waterschap verantwoordelijk. Dit beheer is cruciaal voor
de ontwikkeling van de ecologische toestand van de watergangen. Buiten de morfologie heeft het
beheer in een watergang directe invloed op het voorkomen van soorten en hun aantallen. Voor 12
KRW-waterlichamen wordt het intensieve beheer en onderhoud momenteel beschouwd als een
significante belasting. Met deze KRW-maatregel wordt vastgelegd dat doelen voor waterkwaliteit
integraal afgewogen worden in de beheerprogramma's van het waterschap (peilbeheer, maaien,
baggeren en zuiveren). Hieronder wordt dit per onderdeel verder toegelicht.
Baggeren
Vanuit bezuinigingen ingegeven gaat het waterschap over op toestandsafhankelijk baggeren in plaats
van een standaardfrequentie. Bij het opstellen van het volgende baggerprogramma gebruikt het
waterschap de nieuwe inzichten op het gebied van optimalisatie van frequentie, methode (materieel)
en periode ten behoeve van waterkwaliteit en ecologie. Dit gebeurt in principe binnen de bestaande
budgetten met mogelijke een kleine plus vanuit het budget voor deze KRW-maatregel. Onderdeel
wordt het opnemen van een zogenaamd waterkwaliteitsprofiel in de legger. Dit profiel is het meest
optimaal voor de waterkwaliteit[NEV16] en wordt meegenomen in de afweging voor het te baggeren
profiel.
Maaien
Recent heeft het waterschap vanuit een bezuinigingsslag het maaibeheer in veel watergangen
aangepast. Het aangepaste maaibeheer heeft betrekking op de frequentie en methode. Het tijdstip,
frequentie en methode van maaien zijn belangrijke factoren die van invloed zijn op de ecologie in een
watergang. Gemiddeld gezien lijken de aanpassingen in het maaibeheer positief voor de
waterkwaliteit (meer of langer bedekkingen gedurende het groieseizoengroeiseizoen), echter een
aantal wijzigingen kunnen lokaal voor een achteruitgang zorgen (maaisel laten drijven of rigoureuzer
schonen)[NEV17]. Bij de evaluatie van het proefjaar 2014 (en mogelijk 2015) zal het waterschap het
maaibeheer op plaatsen nog aanpassen worden vanuit waterkwantiteits- of -kwaliteitsoverwegingen.
Vanuit deze KRW-maatregel is jaarlijks een klein budget beschikbaar om optimalisatie voor
waterkwaliteit in het maaibeheer door te voeren.
Peilbeheer
De waterkwaliteit (fysisch-chemisch) kan voor een belangrijk deel gestuurd worden via het peilbeheer
(gebiedsvreemd water weren, doorspoelen, uit- en afspoeling). Daarnaast heeft het peilbeheer een
grote invloed op de ontwikkeling van oevertalud en -vegetatie en daarmee ook de macrofauna en vis.
Het peilbeheer is op dit moment voor 21 waterlichamen een significante belasting. Vanuit inzichten in
de bijdragen van de verschillende bronnen aan de actuele belasting kan via peilbeheer gestuurd
worden op de inlaat van het water, vaak zonder extra kosten. Dit wordt in de komende planperiode
waar mogelijk ingevoerd. Daarnaast zal tijdens peilbesluit-processen flexibel peilbeheer worden
afgewogen. Flexibel peilbeheer is in de KRW-onderzoeken gebleken effectief is en in sommige
gevallen beter haalbaar dan gedacht. Hiervoor wordt verwezen naar KRW- maatregel 5.
Zuiveren
In het Emissiebeheerplan is opgenomen dat in de tweede KRW-periode de effluenteisen van de rwzi’s
worden afgestemd op de KRW-doelen van het ontvangende oppervlaktewater. De ecologische
kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater is hierbij het uitgangspunt. Van de 17 rwzi’s lozen
acht op Rijkswater, acht op water in beheer van het waterschap en één op de Vecht (beheergebied
waterschap Amstel, Gooi en Vecht). In de huidige situatie is de resultaatverplichting van de rwzi
gebaseerd op de landelijke effluenteisen (figuur 4-2, a). In de gewenste situatie worden de
nutriëntennormen van het ontvangende oppervlaktewater vertaald naar effluenteisen voor rwzi’s
(figuur 4-2, b). De bijdrage van de rwzi op de totale nutriëntenbelasting verschilt per waterlichaam.
Inzicht in het aandeel van de verschillende bronnen maakt het mogelijk maatregelen af te wegen. Is
het nodig om het zuiveringsrendement van de rwzi te optimaliseren, of kan het waterschap beter
investeren in maatregelen die andere bronnen reduceren?
19
Maatregel 5 Afwegen natuurvriendelijker peilbeheer
Meer natuurlijke peilfluctuatie is gunstig voor met name oeverplanten; [NEV18]bij een volgend
peilbesluit of watergebiedsplan wordt dit integraal afgewogen. Het peilbeheer is op dit moment voor 21
waterlichamen een significante belasting. Naar verwachting speelt er voor negen waterlichamen een
peilbesluitproces binnen de periode 2016-2021, waarin dit kan worden afgewogen.
In de boezem wordt een vast peil gehanteerd waarbij het GEP haalbaar zou moeten zijn (volgens de
uitgangspunten van de maatlatten sloten en kanalen). In alle waterlichamen daarbuiten geldt een
tegennatuurlijk peil, wat als significante belasting wordt beschouwd. Een natuurvriendelijker
peilbeheer kan worden afgewogen voor waterlichamen die binnen peilgebieden liggen waarvoor in
2016-2021 een peilbesluit wordt verwacht (tabel 4.2). De datum van het verwachte AB-besluit is
daarbij als het uitgangspunt gehanteerd. Op basis hiervan wordt verwacht dat in de periode 20162021 in voor 9 waterlichamen wordt afgewogen of een natuurvriendelijker peilbeheer mogelijk is.
Dit heeft tot gevolg dat voor de waterlichamen in andere peilgebieden het gerelateerde doelbereik
wordt gefaseerd vanwege ‘synergie met andere beleidsvoornemens’.
Tabel 4.2 Planning peilgebieden en inliggende waterlichamen, waarbij tegennatuurlijk peilbeheer een
significante belasting is voor de ecologie.
Peilgebied
In of na 2021
KRW-waterlichamen
1
Linschoterwaard
Ja[NEV19]
14_23 Snelrewaard
2
Lopikerwaard - de Koekoek
Na 2021
14_13 De Koekoek
Lopikerwaard (noord)
Na 2021
14_11 De Keulevaart
2
14_12 De Pleyt
3
Utrecht
Na 2021
4
Nieuwegein
Na 2021
5
Eiland van Schalkwijk
Ja
14_4 Honswijk
6
Bodegraven
Na 2021
14_26 Meijepolder
Zegveld
Ja
14_28 Zegveld
14_30 Kockengen
7
8
Woerden
Na 2021
8
Boezem Oude Rijn
Na 2021
9
Leidsche Rijn (VINEX)
Ja
Groenraven-Oost (noord)
Ja
14_5 Biltse Grift
10
14_9 Maartensdijk
11 Driebruggen
Ja
12 Kamerik
Na 2021
14_31 Kamerik Teylingens
Kromme Rijn & Houten
Na 2021
14_2 Kromme Rijn
14_3 Westerlaak
14_6 Ravense wetering
13
14_32 Houtense wetering
14 Langbroekerwetering
Na 2021
14_1 Langbroekerwetering
Haarzuilens & De Tol
Ja
14_20 De Tol
14_21 Ouwenaar-Haarrijn
15
16 Gerverscop & Kockengen
Ja
14_19 Gerverscop
Rijnenburg
Na 2021
14_15 Bijleveld
17
(onbekend)
14_18 Galecop
18 Hollandse IJssel
Ja
Maatregel 6 Natuurvriendelijke oevers ontwikkelen/verbreding waterlichamen
Steile oevers en beschoeiingen vormen bij een aantal KRW-waterlichamen een significante belasting
op de ontwikkeling van de ecologie. Door de aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt leefgebied
voor aan water gebonden planten en daarvan afhankelijke diersoorten toegevoegd aan een systeem.
Met deze maatregel kunnen de significante belastingen door de steile oevers en beschoeiingen
gemitigeerd worden.
20
Voor het bepalen van het wenselijke areaal aan te leggen natuurvriendelijke oevers is het
uitgangspunt dat het percentage beschoeid/zeer steil gecompenseerd wordt. Daarbij wordt ook
gekeken naar het aandeel van de watergang dat in de huidige toestand al natuurvriendelijk is, of dat
binnen de huidige KRW-periode wordt aangelegd en of dit kan compenseren voor de steile delen (zie
voor de methode bijlage 4).
Vanuit de huidige inrichting van het waterlichaam (percentage beschoeid/zeer steil en percentage
natuurvriendelijk) en de huidige toestand is aangegeven of er een opgave ligt (tabel 4.3). Specifiek
voor deze druk is gekeken naar de deelmaatlat abundantie groeivormen, aangezien de druk hier direct
invloed op heeft. Geen van de 30 waterlichamen voldoet in de huidige toestand aan het GEP voor de
abundantie groeivormen. In 16 waterlichamen zijn het aandeel steile oevers een significante belasting
en in 6 waterlichamen ook het aandeel beschoeiing. In 16 waterlichamen is het aanleggen van
natuurvriendelijke oevers een goede maatregel om de belasting op de groeivormen te compenseren.
Tabel 4.3 Overzicht van de belastingen steile en beschoeide oevers en beoordeling abundantie
groeivormen per waterlichaam[NEV20]
Waterlichaam
Significant
Abundantie
kansen NVO Opmerking
belasting oevers groeivormen
eqr
JA
NL14_1
0.26
NEE
0.38
NL14_2
JA
JA
JA
JA
NL14_3
0.28
NL14_4
0.32
NEE
nvo nog gepland in SGBP1
JA
JA
NL14_5
0.32
NEE
JA
JA
NL14_6
0.27
NL14_7
NEE
NEE
Scheepvaartkanaal
NL14_8
NEE
0.02
NEE
beoordelen als scheepvaartkanaal
JA
NL14_9
0.26
NEE
NL14_10
NEE
0.03
NEE
Scheepvaartkanaal
JA
NL14_11
0.28
NEE
NL14_12
NEE
0.47
NEE
JA
NL14_13
0.42
NEE
NL14_15
NEE
0.57
NEE
NL14_16
NEE
0.33
Scheepvaartkanaal
JA
NL14_18
NEE
0.23
NEE
aangelegde nvo heft belasting op
NL14_19
0.19
NEE
JA
NL14_20
0.23
NEE
oeverafkalving
JA
NL14_21
NEE
0.48
NEE
NL14_22
NEE
0.26
NEE
beoordelen als scheepvaartkanaal
JA
JA
NL14_23
0.59
beoordelen als scheepvaartkanaal
NL14_24
NEE
0.47
NEE
NL14_25
NEE
0.51
NEE
beoordelen als scheepvaartkanaal
JA
JA
NL14_26
0.22
NL14_27
NEE
0.38
NEE
Scheepvaartkanaal
NL14_28
0.24
NEE
JA
beoordelen als scheepvaartkanaal
NL14_29
NEE
0.16
NEE
NL14_30
0.20
NEE
JA
NL14_31
NEE
0.49
NEE
obv huidige begrenzing
JA
NL14_32
0.27
NEE
Op basis van gebiedskennis binnen het waterschap is geïnventariseerd welke kansen er liggen langs
de waterlichamen voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers (tabel 4.4). In principe zijn dit de
waterlichamen waarbinnen het maatregelprogramma ingezet wordt op de aanleg van
natuurvriendelijke oevers. Op het moment dat zich gedurende de planperiode nieuwe kansen
voordoen in waterlichamen waar de inrichting en de bedekkingen ook niet op orde zijn, wordt
afgewogen waar de meeste potentie voor een goede ontwikkeling is en kan een deel van de
maatregelen buiten de opgevoerde waterlichamen uitgevoerd worden.
21
Tabel 4.4 Kansen voor de aanleg van natuurvriendelijke oevers of verbreding van de watergang
Waterlichaam
14_2 Kromme Rijn
14_3 Westerlaak
14_6 Ravensewetering
14_16 Leidsche Rijn
14_23 Snelrewaard
14_26 Meijepolder
totaal (m)
lengte kans
Voldoet aan GEP
NVO/verbreden
deelmaatlat abundantie
(m)
Nee
4000
Nee
500
Nee
300
Nee
500
Nee
1000
Nee
2400
8700
Vanuit de kostentoedeling is het mogelijk minimaal 6 kilometer natuurvriendelijke oever te realiseren.
Afhankelijk van de beschikbaarheid van gronden en subsidiemogelijkheden kan dit oplopen tot in ieder
geval 2,7 km extra gezien de huidige inzichten in kansen voor natuurvriendelijke oevers.
Maatregel 7 Kunstwerken passeerbaar maken voor vis
In 15 waterlichamen zijn barrières (niet of moeilijk vispasseerbare gemalen, stuwen en dammen)
aanwezig die een significante belasting vormen voor de ecologie. Gemiddeld scoren de
waterlichamen heel goed op de visstand. Toch voldoen 7 van de 30 waterlichamen niet aan de
doelstelling en scoren 3 waterlichamen net rond de 0,6. Gezien natuurlijke fluctuaties en incidenten
(zoals weersextremen) is dit niet robuust genoeg en is er aanleiding om maatregelen te treffen.
Daarnaast treden in het overig water (buiten de waterlichamen) lokaal of incidenteel problemen met
zuurstoftekorten op en kunnen ingrepen in het watersysteem zorgen voor verkleining van het
leefgebied.[NEV21]
Voor de waterlichamen betekent het dat in ongeveer 30% nog een opgave voor vis ligt. Daarnaast is
in de gezamenlijke Visie Vismigratie Rijn-West opgenomen dat vispassages op de overgangen tussen
de ‘watersnelwegen’ (Rijkswateren) en regionale waterwegen een grote prioriteit krijgen. Het
aanleggen van vispassages zorgt voor een verbinding tussen buitenwater en polders, maar vergroot
ook vooral het leefgebied van zogenaamde poldervissen.
Van alle vismigratieknelpunten in het beheergebied van de Stichtse Rijnlanden is een lijst
beschikbaar. De vismigratieknelpunten uit deze lijst zijn geprioriteerd. Op basis van deze prioritering
en de kansen die zich voordoen vanuit het GOP kunstwerken en gebiedsontwikkelingen, wordt
gekeken welke vispassages de komende jaren gerealiseerd worden. Het is afhankelijk van het
knelpunt welke kosten gemoeid zijn met het maken van een vispassage. Op basis van de
kostenkentallen van reeds aangelegde vispassages en een analyse van de peilverschillen die
overbrugd moeten worden bij de vispassages met een hoge prioriteit, is een eerste inschatting van het
type en de kosten van de vispassages gegeven. Op basis van het beschikbare budget in het KRW
maatregelenpakket voor dit onderdeel zouden 18 vispassages met hoge prioriteit kunnen worden
gerealiseerd als alleen gekeken wordt naar investeringskosten. Als ook gekeken wordt naar
bijkomende kosten kunnen voor het hetzelfde bedrag 14 vispassages gerealiseerd worden. De
overige kosten voor bestaan uit pompkosten door lekverliezen en onderhoudskosten.
In het tekstkader zijn de KRW-waterlichamen opgenomen die ecologisch profiteren van aanleg van
vispassages met een hoge prioriteit (in totaal 8 vispassages nodig). De overige vispassages dienen
vooral het verbinden en daarmee vergroten van het leefgebied (overig water).
Ravense Wetering  Door het opheffen van knelpunten bij de kunstwerken 75 en 76 wordt het
leefgebied vergroot (singels Lunetten en fortgrachten Lunetten komen erbij) en ontstaat een
verbinding met de Kromme Rijn  Prioriteit betreffende knelpunten: Hoog(1)
Westerlaak  Het aanleggen van een vispassage is hier vanwege versnippering en lastige
infrastructuur niet haalbaar tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Prioriteit betreffende
knelpunten (maar vooralsnog geen knelpunten benoemd): Hoog(1)
22
Kockengen  Door het oplossen van de knelpunten voor vis bij de kunstwerken 45, 316 en 341 is
vrije vismigratie mogelijk tussen het waterlichaam, de Bijleveld en de polders Spengen, Kockengen en
Teckop.  Prioriteit betreffende knelpunten: Hoog(3)
De Tol  Gemaal Haarrijn (object 92) en stuw Kortrijk (object 47) wordt voor 2016 vispasseerbaar
gemaakt (uitvoering loopt). Met het oplossen van de knelpunten voor vis bij de kunstwerken 46 en 116
is het gehele waterlichaam verbonden met het achterland (polder de Tol) en de Haarrijn/ARK.
Connectiviteit is dan geen probleem meer.  Prioriteit betreffende knelpunten: Hoog(2)
De inschatting van de effectiviteit is gedaan op basis van het percentage water(lichaam) dat een
klasse verbeterd. Voor de waterlichamen zijn dit 4 waterlichamen van de 30 stuks (=13%) (zie
tekstkader). Door het waterlichaam te verbinden met het achterland, wordt ook in het overig water de
visstand met deze maatregelen verbeterd. Dit betekent dat 4 afvoergebieden profiteren. Dit is een
verbetering van 6% (4 van de 63 afvoergebieden). Voor de overige 6 vispassages wordt ingeschat dat
er gemiddeld gezien 2 stuks nodig zijn om 1 afgebied te verbeteren qua visstand (= 5%). Dit betekent
dat de investering leidt tot 11% verbetering van het overig water en 13% van de waterlichamen.
Momenteel scoren 7 waterlichamen onvoldoende op basis van de visstand. Deze te lage score is niet
altijd te herleiden naar vismigratie, maar ligt ook aan lokale omstandigheden in het waterlichaam.
[NEV22]
Maatregel 8 Programma Synergieprojecten landelijk gebied
Programma gericht op verbetering waterkwaliteit en ecologie in het landelijk gebied, waarbij prioriteit is
voor projecten met synergie met andere (water)doelen en coproductie. Rol van het waterschap
(trekker dan wel participant) en financiering kan per project verschillen, waar mogelijk wordt gebruik
gemaakt van subsidies. Wat betreft type maatregelen kan gedacht worden aan zuiveringsmoerassen,
vispassages, verbreden van watergangen, gekoppeld aan maatregelen voor de andere doelen. In de
verkennende gesprekken met o.a. terreinbeherende organisaties en gemeenten zijn verschillende
mogelijke projecten genoemd, en daarnaast zijn er mogelijk nog kansen binnen of rond de
Ecologische hoofdstructuur. Omdat dit gaat om relatief dure inrichtingsmaatregelen heeft het
waterschap de voorkeur om daar te investeren waar hoge actuele of potentiële kwaliteiten bestaan.
Onder andere om die reden is het evenals voor KRW-maatregel 3 Groenblauwe diensten noodzakelijk
om in de voorbereiding een toetsingskader te ontwikkelen.
Maatregel 9 Programma Kwaliteitsimpuls Stedelijk water
Het waterschap heeft vanaf 2014 jaarlijks een budget beschikbaar gesteld voor verbetering van
waterkwaliteit en ecologie in het stedelijk gebied (m.n. oplossen knelpunten), waarbij jaarlijks een
maatregelpakket wordt vastgesteld (bijvoorbeeld aanpassen van doorspoelregime) afhankelijk van
verzoeken en beschikbare cofinanciering van gemeenten.
Dit past binnen het beleid voor de verbetering van het oppervlaktewater van het stedelijk water is
opgenomen in het regionaal afvalwaterketen beleid dat eind 2014 is opgesteld in het
samenwerkingsverband WINNET. Hoewel het oppervlaktewater in stedelijk gebied geen onderdeel is
van de afvalwaterketen, zijn er meerdere redenen om het wel in het regionaal afvalwaterketen beleid
te betrekken.
Gemaakte beleidsafspraken zijn:
Wij zien de waterkwaliteit in het stedelijk gebied als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van
gemeente en waterschap en zijn bereid er gezamenlijk in te investeren. De verdeelsleutel kan
gebaseerd worden op het eigenaarschap van het oppervlakte water. Wij brengen de huidige situatie
van ons stedelijk water in kaart op basis van ecoscans en klachten van burgers. Vervolgens bepalen
we voor elke (groep) watergang(en) het streefbeeld: zichtbaar, levendig of natuurlijk. De (voorlopige)
2
ambitie is dat het stedelijk water binnen het Winnet-gebied in 2027 minimaal aan het streefbeeld
“zichtbaar” voldoet (zie bijlage 5). Winnetpartners zijn vrij om hogere streefbeelden na te streven voor
2
Jaar dat de KRW-doelstelling in de KRW-lichamen behaald moeten zijn.
23
hun grondgebied of specifieke watergangen met hogere potentie. Gemeente en waterschap voeren
gezamenlijk watersysteemanalyses en no-regret maatregelen uit om de afgesproken ambitie voor
stedelijk water te realiseren. We gaan efficiënter samenwerken op het gebied van: ontsluiting van
beschikbare waterkwaliteitsgegevens en per gemeente gezamenlijk aanbesteden en laten uitvoeren
van ecoscans, dagelijks en groot onderhoud van watergangen. Hiermee verhogen wij de kwaliteit en
eenduidigheid van het waterbeheer en verlagen wij de kosten.
Op basis van ecoscans en klachten van burgers wordt een eerste indicatie van knelpunten en
mogelijke maatregelen gegeven. Er zijn twee categorieën aangehouden om waterkwaliteitsproblemen
gezamenlijk op te lossen:
1. No regret-maatregelen: Als de problemen zeer duidelijk zijn, bijvoorbeeld veel drijfvuil als
gevolg van een verzakte duiker, dan kan de gemeente in samenwerking met het waterschap
gebruik maken van de Kwaliteitsimpuls Stedelijk Water die beschikbaar is gesteld door het
waterschap (50/50: gemeente/waterschap).
2. Watersysteemanalyses: Voor waterkwaliteitsproblemen waarbij de oorzaak niet duidelijk is,
wordt een gezamenlijke watersysteemanalyse uitgevoerd door gemeente en waterschap. Het doel van
een watersysteemanalyse is om begrip van het watersysteem te ontwikkelen dat als basis dient voor
het treffen van de juiste beslissingen/maatregelen. De invloed van de afvalwaterketen is hierbij van
groot belang. Het denkstappenmodel en de ecologische sleutelfactoren van de STOWA bieden veel
handvatten voor deze aanpak. De gemeenten hebben weinig ervaring met deze
watersysteemanalyses, maar worden uitgedaagd om op een zo kosteneffectief mogelijke manier de
watersysteemanalyse uit te voeren. In Winnet verband willen we van elkaar leren, daarom voert elke
gemeente separaat een watersysteemanalyse uit, waarvan de resultaten vervolgens worden gedeeld
in een themabijeenkomst “stedelijk water”.
Maatregel 10 KRW-onderzoeksprogramma
Met het tweede stroomgebiedplan en de achterliggende besluitvorming zijn een aantal nieuwe wegen
ingezet en aandachtspunten benoemd die nadere invulling behoeven.
Ten aanzien de nutriëntenproblematiek blijft de vraag om de achtergrondbelasting te verdisconteren in
het doel. Dat vergt een beter inzicht in de bijdrage van de verschillende bronnen en in de vertaling van
het effect van een bepaalde belasting op de ecologie. Het bepalen van de kritische belasting per
polder is hierbij een belangrijk gegeven.
Het mogelijk vergroten van de waterlichamen en/of het stellen van doelen voor het overig water vraagt
inzichten in de toestand en potentie. Vergroten van het over te rapporteren areaal vraagt om slimmere
en goedkopere manieren om de toestand en potentie in beeld te krijgen.
Maatregel-effect relaties zijn nog steeds een aandachtspunt en blijven belangrijk gezien de
doelmatigheidsvraag bij de invulling van dit SGBP2-maatregelpakket, omdat de maatregelen immers
in programma’s zitten en nog toegekend moeten worden aan wateren op basis van kansen en
effectiviteit.
Inhoudelijk wordt daarom verder gewerkt aan het fijnslijpen en door experts laten toetsen van de
onderbouwingen van de doelen en maatregelen. Hiervoor is veel systeemkennis en kennis van
maatregel-effectrelaties nodig, waar zeker nog kennislacunes zijn. De vragen die hierbij overblijven
worden zo efficiënt mogelijk belegd in overleg met andere partijen, te weten
Stowa/WatermozaiekWatermozaïek en andere waterschappen, bijvoorbeeld binnen Rijn-West. De
overblijvende, naar verwachting vooral HDSR-specifieke zaken worden in de loop van 2015
gebundeld in een KRW-onderzoeksprogramma voor 2016-2021.
4.3 Voorbereiding uitvoering op weg naar 2016
De maatregelen worden uitgevoerd vanaf 2016, na de vaststelling in 2015. Tot die tijd wordt gewerkt
aan interne en externe borging van het maatregelenpakket, waardoor het waterschap in 2016 direct
van start kan gaan. Inhoudelijk gebeurt dit (ambtelijk) via de volgende activiteiten:
- Intern: we integreren de KRW-kennis en -ervaringen (o.a. uit Rijn-West) in de ontwikkelingen in
de nieuwe maai- en baggerprogramma’s en we nemen een extra handreiking op voor het
afwegen van flexibel peil in de nota Peilbeheer en we zetten een organisatiestructuur en
toetsingskader op voor het programma Groen-blauwe diensten en Synergieprogramma Landelijk
24
-
gebied. Voor het programma Kwaliteitsimpuls Stedelijk water bestaat dit al. Deze regeling is in
2014 gestart;
Extern: we leggen de maatregelen vast in het landelijke Waterkwaliteitsportaal (WKP) met ‘KRWproof’-onderbouwingen, die zoveel mogelijk zijn afgestemd met de gemeenschappelijke RijnWest redeneerlijnen. De informatie in het WKP wordt gebruikt door het rijk voor het opstellen van
het landelijke Stroomgebiedbeheerplan. Daarnaast stemmen we af met o.a. provincies en
collectieven i.o. over uitwerking POP3 -organisatie, doelen en maatregelen. Ook hiervoor is het
bovengenoemde toetsingskader gewenst.
Communicatie over het Ontwerp Maatregelenpakket (najaar 2014) vindt plaats via korte stukjes in
bestaande interne en externe nieuwsbrieven, met verwijzingen naar inter- en intranet (september
2014), een terugkoppeling in doorlopende gebiedsprocessen waarvan is gebruik gemaakt, en een
klankbordgroep (‘watertafel’) op 25 september 2014, voorafgaand aan de bestuurlijke vaststelling van
het Ontwerppakket. Ook wordt de KRW-aanpak opgenomen in de communicatie rond het 4e
Waterbeheerplan. Doel van de communicatie in deze fase is partijen informeren en consulteren over
de maatregelen en tot afspraken komen over de invulling van de samenwerking tijdens de uitvoering.
Inspraak op het Ontwerp Maatregelenpakket start in januari 2015 tegelijk met de inspraak op plannen
van andere regionale partijen en het landelijke Stroomgebiedbeheerplan; voor de regionale plannen
is de inspraakperiode 6 weken. Het waterschap streeft ernaar de inspraakreacties zoveel mogelijk
digitaal te ontvangen. Maar mondeling en schriftelijk is ook nog mogelijk, de inspraak volledig digitaal
is juridisch nog niet mogelijk.
Voor het overig water ontbreekt momenteel een toetsingskader voor waterkwaliteit, omdat alleen de
grotere wateren zijn aangewezen als KRW-waterlichamen. Vanaf 2016 hebben zowel waterschappen
als provincies een toetsingskader nodig, om te kunnen prioriteren in de gebiedsoffertes van agrarische
collectieven en eigen (synergie)projecten. Daarom zal in 2015 veel aandacht worden besteed aan het
opzetten van een toetsingskader, wat nauwe samenhang heeft met eventueel op te stellen doelen
overig water en/of eventueel vergrote waterlichamen (afhankelijk van de resultaten van de verkenning
die momenteel wordt uitgevoerd). Afstemming met de provincies is daarbij zeer belangrijk, zowel
vanwege hun rol in het POP3-proces, maar ook om synergie tussen water en natuur optimaal te
kunnen stimuleren. Daarnaast is het van belang om ook maatschappelijke partijen te betrekken.
4.4 ‘Afhechting’ intrekken van maatregelen SGBP1
In het Waterbeheerplan ‘Water Voorop’ heeft het waterschap het maatregelenpakket voor de eerste
KRW-periode (2010-2015) vastgesteld. Daarbij werd ook een (indicatief) maatregelenpakket
opgenomen voor de periode nà 2015. Deze (132) maatregelen stonden in het WKP onder planperiode
'SGBP1 2009-2015' opgenomen met als uitvoeringsperiode '2015-2021'. De status van de voortgang
werd standaard aangegeven als 'gefaseerd', omdat uitvoering pas in een latere planperiode gepland
was. In enkele gevallen is al in de eerstee planperiode met de uitvoering gestart omdat samenloop
met andere projecten kansen boden bood om de maatregel tegen lagere kosten uit te voeren. Voor dit
soort gevallen was een apart KRW-'kansenkrediet' beschikbaar gesteld. Het gaat om de vervroegde
aanleg van één natuurvriendelijke oever (NL14_28, Zegveld) en de vervroegde aanleg van een aantal
vispassages in meerdere waterlichamen.
Bij het planvormingsproces voor SGBP2 is gekozen voor een andere aanpak en zijn maatregelen op
een ander abstractieniveau benoemd. Deze komen in de plaats van de 'oude' 132 maatregelen voor
de periode na 2015, die dus niet opnieuw zijn opgenomen onder de volgende planperiode [SGBP2]).
Om deze maatregelen netjes ‘af te hechten’ wordt de status van deze maatregelen op
'ingetrokken'[NEV23] gezet, met als korte motivatie 'Voor 2015-2021 is een geheel nieuw
maatregelenpakket opgesteld'.
Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor de maatregelen die vervroegd zijn opgepakt (in
uitvoering of al uitgevoerd). Dit wordt afgehecht in het WKP, komt niet tot uiting in de factsheets.
De volgende werkwijze is gehanteerd:
1. Bij maatregelen die geheel vervroegd uitgevoerd of in uitvoering zijn wordt de status als zodanig
aangepast. De planperiode wordt aangepast naar '2009-2015' waardoor deze maatregel een nieuwe
maatregel wordt van het SGBP1.
25
2.
Maatregelen die gedeeltelijk vervroegd zijn opgepakt worden ingetrokken. Voor de reeds
opgepakte delen (bijvoorbeeld 2 van de 3 vispassages) wordt een nieuwe maatregel toegevoegd in
het WKP onder SGBP1.
3. Maatregel 89837, Baggeren of verdiepen in NL14_07 [Merwedekanaal] is een uitzondering. Deze
valt onder RWS, die het baggeren niet in SGBP2 maar later oppakt. Deze maatregel wordt daarom als
-wederom- gefaseerde maatregel onder SGBP2 in het WKP opgenomen.
26
5. Fasering doelbereik
5.1 Prognose 2021
Voor alle ecologische kwaliteitselementen en stoffen die in de prognose voor 2021 nog onvoldoende
scoren, is sprake van fasering van doelbereik, ofwel uitgesteld doelbereik. Dit is ook zichtbaar in de
factsheets, omdat hierin de prognose 2021 is opgenomen. In 2009 werden in de toenmalige
factsheets expliciet de maatregelen gefaseerd, maar dat is nu dus niet meer aan de orde. In de
meeste KRW-waterlichamen van HDSR scoren naar verwachting één of meerdere
kwaliteitselementen nog niet goed in 2021 (tabel 5.1).[NEV24]
Tabel 5.1 Prognose 2021 zoals ingevuld op 22-8-2014 (DM809400)[NEV25]
Macrofauna
(EKR)
Macrofyten
(EKR)
NL14_1 Langbroekerwetering
NL14_2 Kromme Rijn
ontoereikend
matig
NL14_3 Westerlaak
NL14_4 Honswijk
NL14_5 Biltse Grift
NL14_6 Ravensewetering
NL14_7 Merwedekanaal
NL14_8 Binnenstad Utrecht
NL14_9 Maartensdijk
NL14_10 Hollandse IJssel
NL14_11 De Keulevaart
NL14_12 De Pleijt
NL14_13 De Koekoek
NL14_15 Bijleveld
NL14_16 Leidsche Rijn
NL14_18 Galecop
NL14_19 Gerverscop
NL14_20 De Tol
NL14_21 Ouwenaar-Haarrijn
NL14_22 Wiericke's
NL14_23 Snelrewaard
NL14_24 Lange Linschoten
NL14_25 Montfoortse Vaart
NL14_26 Meijepolder
NL14_27 Oude Rijn
NL14_28 Zegveld
NL14_29 Grecht
NL14_30 Kockengen
NL14_31 Kamerik Teijlingens
NL14_32 Houtensewetering
matig
Vis
(EKR)
Fytoplankton
(EKR)
Totaal-P
ZHJ
(mg/l)
TotaalN ZHJ
(mg/l)
Specifiek
verontreini
gende st.
matig
voldoet niet
[NEV26]
nvt
slecht
matig
ontoereikend ontoereikend
matig
nvt
nvt
[NEV27]
matig
matig
ontoereikend ontoereikend ontoereikend
nvt
ontoereikend ontoereikend ontoereikend
matig
ontoereikend ontoereikend
matig
voldoet niet
matig
matig
matig
ontoereikend
voldoet niet
matig
matig
matig
matig
matig
matig
ontoereikend
matig
matig
nvt
matig
voldoet niet
matig
voldoet niet
voldoet niet
matig
matig
matig
matig
matig
voldoet niet
matig
voldoet niet
matig
matig
nvt
matig
matig
voldoet niet
matig
matig
matig
nvt
matig
matig
matig
nvt
matig
matig
nvt
voldoet niet
matig
matig
27
voldoet niet
5.2 Motiveringen voor fasering
De Kaderrichtlijn biedt ruimte voor het niet tijdig bereiken van de doelen, maar dit moet wel passen
binnen de randvoorwaarden van de richtlijn. Het gebruik van deze uitzondering moet goed
gemotiveerd worden. Er kunnen in het WKP motiveringen worden aangedragen op basis van drie
faseringsgronden:
- Technisch onhaalbaar
- Onevenredig kostbaar
- Natuurlijke omstandigheden.
Het samenwerkingsverband Rijn-West heeft een memo met diverse motiveringen voor fasering
opgesteld (DM813349). Ten behoeve van de transparantie en een sterker verhaal binnen Rijn-West
heeft HDSR hier actief aan bijgedragen en vervolgens daar waar relevant deze motiveringen
opgenomen in het WKP (tabel 5.2).
Tabel 5.2 Overzicht van gehanteerde motiveringen per waterlichaam zoals ingevuld op 22-8-2014.
Faseringsgrond
Technisch
Onevenredig
Natuurlijke omstandigheden
onhaalbaar
kostbaar
grondsynergie
kosten- kostenachterhistrage
verwer- andere
effectivi- effectivigrondtorische effecten
ving
beleidsteit (1)* teit (2)**
belasting belasting maatvoornemens
***
regelen
Waterlichaam
NL14_1 Langbroekerwetering
NL14_2 Kromme Rijn
NL14_3 Westerlaak
NL14_4 Honswijk
NL14_5 Biltse Grift
NL14_6 Ravensewetering
NL14_7 Merwedekanaal
NL14_8 Binnenstad Utrecht
NL14_9 Maartensdijk
NL14_10 Hollandse IJssel
NL14_11 De Keulevaart
NL14_12 De Pleijt
NL14_13 De Koekoek
NL14_15 Bijleveld
NL14_16 Leidsche Rijn
NL14_18 Galecop
NL14_19 Gerverscop
NL14_20 De Tol
NL14_21 Ouwenaar-Haarrijn
NL14_22 Wiericke's
NL14_23 Snelrewaard
NL14_24 Lange Linschoten
NL14_25 Montfoortse Vaart
NL14_26 Meijepolder
NL14_27 Oude Rijn
NL14_28 Zegveld
NL14_29 Grecht
NL14_30 Kockengen
NL14_31 Kamerik Teijlingens
NL14_32 Houtensewetering
Aantal keer toegepast
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
1
12
1
8
2
1
12
8
1
1
18
* te geringe baten **elders kosteneffectiever ***vanwege onvoldoende kennis nog niet verdisconteerd in het GEP
28
1
1
2
5.3 Toelichting gehanteerde motiveringen fasering doelbereik
Tabel 5.3 geeft aan in welke gevallen een bepaalde motivatie is toegepast. Daaronder wordt een
aantal keuzes nog extra toegelicht.
Tabel 5.3 Toelichting op het toepassen van de motiveringen
Motiveringsgrond
Mechanisme
#
Technisch
onhaalbaar
Onevenredig
kostbaar
Natuurlijke
omstandigheden
Vrijwillige grondverwerving
12
Synergie andere
beleidsvoornemens
8
Kosteneffectiviteit (1)
onvoldoende zekerheid over
kostenbaten
1
Kosteneffectiviteit (2) elders
kosteneffectiever
12
Achtergrondbelasting
(vanwege onvoldoende
kennis nog niet
verdisconteerd in het GEP)
8
Historische belasting
18
Trage effecten maatregelen
2
Toelichting
Ingevuld waar inrichting een significante
belasting vormt maar natuurvriendelijke
oevers/verbreding niet haalbaar én
kosteneffectief is afgezet tegen
maatregelen buiten het waterlichaam.
Ingevuld waar peilbeheer tegennatuurlijk
is (significante belasting) én dit als
knelpunt wordt gezien bij prognose 2021
én geen peilbesluiten worden genomen
in 2016-2021
Ingevuld voor waterlichaam waar wel
kleine kans is voor natuurvriendelijke
oever en vispassage, maar nog een
kosten-batenanalyse moet worden
opgesteld
Ingevuld waar ruimte en/of oevers een
significante belasting vormen maar
natuurvriendelijke oevers/verbreding niet
haalbaar én kosteneffectief is.
Ingevuld voor alle waterlichamen met
veen in de bodem én een resterend
nutriëntenknelpunt in 2021
Ingevuld voor alle waterlichamen met
een resterend knelpunt met nutriënten of
andere specifieke verontreinigingen,
omdat effect van de maatregelen nog erg
onzeker is, onder andere door de
historische belasting
Ingevuld voor waterlichamen waar in de
komende periode maatregelen worden
uitgevoerd die mogelijk net voldoende
zijn om het GEP te bereiken, wat in 2021
mogelijk nog niet zichtbaar is.
Technisch onhaalbaar
Er zijn twee motivaties voor het in veel KRW-waterlichamen niet uitvoeren van de oorspronkelijk
geformuleerde restopgave op het gebied van natuurvriendelijke oevers en verbreding die nodig is om
in die waterlichamen het GEP te halen. Deze zijn in dit achtergronddocument uitvoerig beschreven:
haalbaarheid ivm vrijwillige grondverwerving (technisch onhaalbaar) én elders kosteneffectiever
(onevenredig kostbaar). Daarom zijn steeds beide argumenten opgenomen voor de 12 waterlichamen
waarvoor geen kansen worden gezien voor deze inrichtingsmaatregelen.
Zie ook redeneerlijnen Rijn-West, nr. 7 Motiveringen voor Fasering: technisch onhaalbaar (bijlage 3)
Onevenredig kostbaar
Voor het KRW-Maatregelenpakket is uitgegaan van het in 2009 vastgestelde budget voor de
uitvoering van de KRW. Ondanks deze tijd van bezuinigingen wordt niet gekort op waterkwaliteit. Aan
de andere kant wordt ook geen extra budget beschikbaar gesteld voor KRW, ondanks dat we in 2021
de doelen naar verwachting nog niet halen. Europa vraagt om transparante onderbouwingen waarom
het doel in 2021 nog niet wordt gehaald, met name als betoogd wordt dat dit tot disproportionele
kosten zou leiden. Dit doet HDSR vooral op basis van de redeneerlijn ‘kosteneffectiviteit’ (“de totale
kosten van de benodigde maatregelen in de KRW-waterlichamen wegen niet op tegen de
maatschappelijke baten, omdat maatregelen buiten het KRW-waterlichaam kosteneffectiever zijn”).
29
Daarnaast geldt algemeen dat dit aansluit bij de Voorjaarsnota 2014 “Sober maar robuust”, waarin het
waterschap kiest voor ‘geen lastenverzwaring voor de burger’, conform landelijk overheidsbeleid.
Zie ook redeneerlijnen Rijn-West, nr. 8 Motiveringen voor Fasering: Onevenredig kostbaar (bijlage 3)
Natuurlijke omstandigheden
Voor waterlichamen met een hoge ‘natuurlijke’ achtergrondbelasting moet worden onderzocht of het
doel (GEP) haalbaar is. Dit is voor HDSR beschreven in het ‘Achtergronddocument
stroomgebiedsanalyse’ (DM710910). Bij HDSR zijn geen waterlichamen waar natuurlijke
achtergrondbelasting een overheersende rol speelt, maar er zijn wel waterlichamen waar
achtergrondbelasting waarschijnlijk een significante rol speelt (Keulevaart, Gerverscop, Meijepolder,
Zegveld, Kockengen en Kamerik-Teijlingens) en waar dit mogelijk het geval is (Langbroekerwetering,
De Koekoek en Snelrewaard). Hier is namelijk in enige mate veen in de (water)bodem, waardoor
nutriënten vrijkomen als gevolg van het verlagen van het grondwaterpeil ten behoeve van de
landbouw. Voor die waterlichamen gaat het waterschap de komende periode gebruiken om indien
nodig een nieuwe ‘haalbare’ ecologische doelstelling af te leiden, afgestemd met de
nutriëntenadviesgroep Rijn-West. Voor deze waterlichamen is daarom gesteld dat het doelbereik
(mogelijk) niet wordt gehaald in 2021 als gevolg van de achtergrondbelasting.
Het waterschap wil voor het hele beheergebied via stimulering en communicatie (maatregel 1) en het
programma groenblauwe diensten (maatregel 3) inzetten op nutriëntenmaatregelen. Daarnaast wordt
door het rijk de mestwetgeving aangescherpt. Het effect hiervan hebben wij bij het invullen van de
prognose 2021 voorzichtig ingeschat, aansluitend bij de redeneerlijn Rijn-West, nr. 1 Nutriënten, Nee
tenzij (bijlage 3). Wij hebben gekozen om als motivatie voor het achterblijven van het doelbereik in
2021 in het WKP alle argumenten te vatten onder het kopje “historische belasting”, en niet alle
mogelijke argumenten uit te splitsen.
Zie ook redeneerlijnen Rijn-West, nr. 9 Motiveringen voor Fasering: Natuurlijke omstandigheden
(bijlage 3).
30
Bijlage 1. Maatregelenoverzicht per waterlichaam
KRW-waterlichaam
Maatregel
5
6
9
10
11
12
13
15
16
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
Uitvoeren Emissiebeheerplan 2014-2021
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2002
Uitvoeren Convenant Schoon water Utrechtse fruitteelt
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2003
Programma groen-blauwe diensten
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2004
Integrale beheerprogramma's
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2005
Afwegen natuurvriendelijker peilbeheer
1
1
NL14_2006
Natuurvriendelijke oevers ontwikkelen/verbreding waterlicha
C
NL14_2007
Kunstwerken passeerbaar maken voor vis
C
NL14_2008
Programma Synergieprojecten landelijk gebied
NL14_2001
1
x
2
3
x
4
7
8
x
1
C
x
x
1
1
C
C
C
C
1
C
C
x
x
1
x
C
x
x
C
C
C
1
C
C
C
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2009
Programma Kwaliteitsimpuls Stedelijk water
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
NL14_2010
KRW-onderzoeksprogramma
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x = beheergebied breed (de maatregel is niet in te delen naar een KRW-waterlichaam)
C = geclusterd voor meerdere waterlichamen (de maatregel wordt uitgevoerd in één of meerdere van de genoemde waterlichamen)
1 = per waterlichaam (de maatregel wordt in elk genoemd waterlichaam uitgevoerd)
Lijst KRW-waterlichamen (1 t/m 32)
NL14_1 Langbroekerwetering
NL14_18 Galecop
NL14_2 Kromme Rijn
NL14_19 Gerverscop
NL14_3 Westerlaak
NL14_20 De Tol
NL14_4 Honswijk
NL14_21 Ouwenaar-Haarrijn
NL14_5 Biltse Grift
NL14_22 Wiericke's
NL14_6 Ravensewetering
NL14_23 Snelrewaard
NL14_7 Merwedekanaal
NL14_24 Lange Linschoten
NL14_8 Binnenstad Utrecht
NL14_25 Montfoortse Vaart
NL14_9 Maartensdijk
NL14_26 Meijepolder
NL14_10 Hollandse IJssel
NL14_27 Oude Rijn
NL14_11 De Keulevaart
NL14_28 Zegveld
NL14_12 De Pleijt
NL14_29 Grecht
NL14_13 De Koekoek
NL14_30 Kockengen
NL14_15 Bijleveld
NL14_31 Kamerik Teijlingens
NL14_16 Leidsche Rijn
NL14_32 Houtensewetering
31
Bijlage 2. Landelijke KRW maatregelcodes
CODE
BE01
BE02
BE03
BE04
BE05
BE06
BE07
BE08
BR01
BR02
BR03
BR04
BR05
BR06
BR07
BR08
BR09
BR10
GGOR
IM01
IM02
IM03
IM04
IM05
IM06
IM07
IM08
IM09
IM10
IM11
IM12
IN01
IN02
IN03
IN04
IN05
IN06
IN07
IN08
IN09
IN10
IN11
IN12
IN13
IN14
IN15
IN16
IN17
MAATREGELNAAM
uitvoeren actief visstands- of schelpdierstandsbeheer
uitvoeren actief vegetatiebeheer (enten, zaaien, planten)
uitvoeren op waterkwaliteit gericht onderhouds-/maaibeheer (water & natte oever)
verwijderen eutrofe bagger
verwijderen vervuilde bagger (m.u.v. eutrofe bagger)
aanpassen begroeiing langs water
beheren van grootschalige grondwaterverontreinigingen
overige beheermaatregelen
verminderen emissie nutriënten landbouw
verminderen emissie zware metalen en overige microverontreinigingen landbouw
verminderen emissie gewasbeschermingsmiddelen landbouw
verminderen emissie scheepvaart
verminderen emissie verkeer
verminderen diffuse emissie industrie
saneren uitlogende oeverbescherming
verminderen emissies bouwmaterialen
verminderen emissie gewasbeschermingsmiddelen stad
overige bronmaatregelen
GGOR maatregelen
verminderen belasting RWZI - nutrienten
verminderen belasting RWZI - overige stoffen
aanpakken overstorten gemengde stelsels
zuiveren + afkoppelen verhard oppervlak
herstellen lekke riolen
opheffen ongezuiverde lozingen
spuitvrije zones
mestvrije zones
aanleg zuiveringsmoeras bij lozings- en/of innamepunt
saneren verontreinigde landbodems
saneren verontreinigde landbodem en/of grondwater
overige emissiereducerende maatregelen
vasthouden water in haarvaten van het systeem
omleiden/scheiden waterstromen
invoeren/wijzigen doorspoelen
verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, NVO < 3 m
verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, 3m < NVO < 10 m
verbreden (snel) stromend water/ hermeanderen , NVO >10 m
verbreden watergang/-systeem langzaam stromend of stilstaand: NVO < 3 m
verbreden watergang/-systeem langzaam stromend of stilstaand: 3m < NVO < 10 m
verbreden watergang/-systeem langzaam stromend of stilstaand: NVO >10 m
verbreden watergang/-systeem: aansluiten wetland of verlagen uiterwaard
aanleg nevengeul / herstel verbinding
verdiepen watergang/-systeem (overdimensioneren)
verondiepen watergang/-systeem
aanpassen streefpeil
vispasseerbaar maken kunstwerken
verwijderen stuw
aanleg speciale leefgebieden voor vis
32
IN18
IN19
IN20
RO01
RO02
RO03
RO04
RO05
RO06
RO07
RO08
RO09
S01
S02
S03
S04
S05
S06
WB21
aanleg speciale leefgebieden flora en fauna
aanleg zuiveringsmoeras
overige inrichtingsmaatregelen
wijzigen landbouwfunctie
beperken recreatie
beperken scheepvaart
wijzigen visserij
wijzigen stedelijke functie
mijden risicovolle functies in grondwaterbeschermingsgebieden
verminderen / verplaatsen van de grondwaterwinning
stopzetten van kleine winningen (campings)
overige RO-maatregelen
uitvoeren onderzoek
geven van voorlichting
aanpassen/introduceren (nieuwe) wetgeving
opstellen nieuw plan
financiele maatregelen
overige instrumentele maatregelen
WB21 maatregelen
33
Bijlage 3. Rijn-West redeneerlijnen
Definitieve versie nog niet beschikbaar, daarom hier het overzicht opgenomen uit de
(samenvatting van) de Adviesnota Rijn-West, waar ze ook staan uitgeschreven.
34
Bijlage 4. Werkwijze maatregeltoekenning per waterlichaam
op basis van belastingen
Ten aanzien van het toekennen van maatregelen aan een waterlichaam is onderstaande
beslisboom gebruikt. De stappen in de beslisboom maken gebruik van de uitkomsten van de
belastingentabel per waterlichaam (welke drukken zijn significant en beperken dus het
ecologisch potentieel) en kennis over de huidige toestand van het water.
Onder de beslisboom staan de uitgangspunten voor de toekenning van de verschillende
maategelen uitgewerkt.
Voldoet
waterlichaam aan
GEP?
Geen
maatregele
n nodig
ja
nee
nee
Knelpunt in kanalisatie
en/of beschoeiing?
Fasering, evt.
doelverlaging
in 2021
ja
Maatregelen tbv
natuurvriendelijke
inrichting zijn zinvol Zijn
maatregelen haalbaar?
ja
nee
Maatregelen tbv
natuurvriendelijke
inrichting (buiten
watergang)
nee
Knelpunt in begroeibaar
areaal met geschikt
substraat gedurende
heel groeiseizoen?
ja
Maatregelen tbv substraat
of beheer zijn zinvol. Zijn
maatregelen haalbaar?
ja
Maatregelen tbv
substraat of beheer
(binnen watergang)
nee
Inrichting voldoet. Kijk
naar (fys)chemische
waterkwaliteit
Uitgangspunten voor de maatregelbeslisboom:
Bezien vanuit de huidige morfologie en het beheer wordt hieronder toegelicht op welk moment de
toepassing van een inrichtings- of beheermaatregel noodzakelijk en zinvol wordt geacht. Tevens wordt
hierbij toegelicht hoe de gewenste omvang van de maatregel bepaald wordt.
1. Aanleg nvo's
 Indien de deelmaatlat abundantie groeivormen de afgelopen 3 meetjaren voldoet aan het
GEP, en er zijn geen redenen om toekomstige achteruitgang, is er geen extra opgave in nvo's
meer.
 Indien het waterlichaam voor meer dan 10% is beschoeid of voorzien van een zeer steile
oever (steiler dan 1:1), dan is er WEL een opgave (m.u.v. de kanalen met scheepvaart).
Indien dat niet het geval is, dan is er GEEN opgave. Om de omvang van de opgave te
bepalen wordt ervan uitgegaan dat een normale oever (talud 1:1) per strekkende meter een
2
begroeibaar areaal van 1 m heeft. Elke strekkende kilometer beschoeide of zeer steile oever
(meer dan 10%) moet dan gecompenseerd worden door 1000 m2 nvo. Bij een talud van 1:5 is
dat dus 200 strekkende meter nvo, bij een talud van 1:2 is dat 500 strekkende meter nvo.
35
Schematisch:
2. aanleg extra wateroppervlak
 Het creëren van extra wateroppervlak is gerelateerd aan het begroeibaar areaal. Voor de
uitwerking zie de maatregel 100% natuurvriendelijk beheer en onderhoud.
3. toepassen natuurvriendelijke beheer en onderhoud;
 Indien de deelmaatlat abundantie groeivormen de afgelopen 3 meetjaren voldoet aan het
GEP, en er zijn geen redenen om toekomstige achteruitgang, is er geen extra opgave mbt
extra wateroppervlak of natuurvriendelijker beheer en onderhoud.
 Als dit niet voldoet, wordt de ruimte voor begroeiing uit het "beheerplan nat profiel" vergeleken
met de benodigde ruimte voor de GEP. Voor de categorie watergangen uit het 'normaal' of
'ruim' geldt dat er dan voldoende ruimte is voor 30% begroeiing en dus geen noodzaak tot het
verruimen van de watergang. Voor 'krappe' en 'zeer krappe' watergangen is dat zeker wel het
geval (zie bijlage 1 Bedekkingsgraden beheerplan Nat profiel irt KRW. Het percentage krappe
en zeer krappe watergangen kan gecompenseerd worden door het aandeel ruime
watergangen binnen het waterlichaam en anders moet extra wateroppervlak gerealiseerd
worden, liefst in de vorm van een natuurvriendelijke oever.
 Indien het waterlichaam een scheepvaartkanaal is, wordt geen extra oppervlaktewater
aangelegd (functie scheepvaart beperkt het begroeibaar areaal);
 Indien het waterlichaam een kanaal is, dient het aandeel krap (10% bedekking)
gecompenseerd te worden met extra wateroppervlak, zodat het begroeibaar areaal niet
frequent gemaaid hoeft te worden, tenzij binnen het waterlichaam gecompenseerd wordt met
delen die normaal tot ruim (bedekking 50 – 70%) zijn.
4. flexibel peilbeheer.
In de maatlatten wordt uitgegaan van een zomerpeil lager of maximaal gelijk aan winterpeil. Dit
betekent dat in principe met een vast peil de goede toestand bereikt zou kunnen worden. Voor de
boezemwateren, die grotendeels bestaan uit kanalen met scheepvaart lijkt dit een terechte
aanname. Voor de wateren met zachte oevers is een vast peil beter dan een tegennatuurlijk peil,
maar niet voldoende om de goede toestand te bereiken. Voorkeurspeil is een flexibel peil
(DM703681).
5. alle benodigde vispassages, overwinteringsputten, vooroevers, paaiplaatsen, verdiepen tot 1 m
en in veengebieden 10% peilopzet en 10% beperken gebiedsvreemd water
(waterlichaamspecifiek geanalyseerd)
Dit is uitgewerkt via gebiedssessies en een visanalyse (referentie: N. Jaarsma, 2013) (zie ook
stoplichtentabel
DM
635733)
voor
samenvatting).
De
bestuurlijk
vastgestelde
vismigratieknelpunten blijven uitgangspunt voor de waterlichamen en achterliggend gebied.
Mogelijk komt daar als gevolg van visevaluatie nog wat knelpunten bij.
36
Bijlage 5. Ambitie stedelijke waterkwaliteit
Ambitie
Voor elke sloot of waterpartij kunnen we een streefbeeld bepalen. De streefbeelden voor het stedelijk
water zijn weergegeven in figuur B5.1. In deze streefbeelden zijn de aanwezigheid van flora en fauna,
de helderheid van het water en de aanwezige voedingsstoffen en de aanwezigheid van zwerfvuil in
het waterbelangrijk.
Streefbeeld
Beeld
Laag
Aanwezigheid
>25%
algen, kroos
Doorzicht
Gering, troebel
Aantal soorten
Geen
onder
waterplanten
Fosfaatbelasting Hoog
Zwerfvuil
Hoog
Figuur B5.1. Ambities stedelijk water
Zichtbaar
Levendig
Natuurlijk
<25%
<25%
<25%
Gering, troebel
Eén of
overheersende
soorten
Hoog
Laag
Hoog, helder
Diverse soorten
Hoog, helder
Grote variëteit
aan soorten
Laag
Laag
Laag
Laag
Het eerste streefbeeld “Laag” betreft water met zichtbare knelpunten, zoals blauwalgen, kroos
(bedekking >25%), botulisme, zwerfvuil, plaagsoorten etc. In de huidige situatie worden deze
problemen zelden bij de bron aangepakt. Alleen de veiligheid wordt gewaarborgd, bijvoorbeeld door
het in de zomer plaatsen van een bordje “pas op, blauwalg, contact met het water vermijden!” in plaats
van het probleem echt op lossen. Het tweede streefbeeld “zichtbaar” heeft als doel de knelpunten op
te lossen van het eerste streefbeeld zodat het water altijd zichtbaar is, maar heeft geen hoge
ecologische ambities. Het streefbeeld “levendig” heeft een middelhoge en “natuurlijk” een hoge
ecologische ambitie met helder water en veel waterplanten. In veel gemeenten is er geen inzicht in de
huidige situatie. Bovendien zijn er grote verschillen in de beschikbare financiële middelen. Daarom
checken we in 2016 na het uitvoeren van de ecoscans of deze ambitie haalbaar is.
37