Programmaboekje

deSingel
do 13 feb 2014
Blauwe Zaal Grote podia
Akademie für Alte Musik
Berlin olv. René Jacobs
© Kristof Fischer
inleiding Stephan Weytjens | 19.15 uur | Muziekstudio
begin 2
0 uur| pauze omstreeks 21 uur| einde omstreeks 21.50 uur
mozart con brio 2013-2014
Polish Chamber Orchestra olv. Maxim Vengerov
za 16 nov 2013
Akademie für Alte Musik Berlin
do 5 dec 2013
kademie für Alte Musik Berlin olv. René Jacobs
A
do 13 feb 2014
teksten programmaboekje Stephan Weytjens
coördinatie programmaboekje deSingel, Eveline Heylen
Akademie für Alte Musik
Berlin
René Jacobs muzikale leiding
Patricia Kopatsjinskaja viool
Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)
Symfonie nr 36 in C, KV425, 'Linzer'
Adagio - Allegro spiritoso
Andante
Menuetto & Trio
Presto
Concerto voor viool en orkest nr 4 in D, KV218
Allegro
Andante cantabile
Rondeau. Andante grazioso
31'
24'
PAUZE
Gelieve uw GSM uit te schakelen.
De inleidingen kan u achteraf beluisteren via www.desingel.be
Selecteer hiervoor voorstelling | concert | tentoonstelling van uw keuze.
REAGEER
& WIN
Op www.desingel.be kan u uw visie, opinie, commentaar, appreciatie, …
betreffende het programma van deSingel met andere toeschouwers delen.
Selecteer hiervoor voorstelling | concert | tentoonstelling van uw keuze.
Neemt u deel aan dit forum, dan maakt u meteen kans om tickets
te winnen.
Bij elk concert worden cd’s te koop aangeboden door ’t KLAverVIER,
Kasteeldreef 6 | Schilde | +32 (0)3 384 29 70 | www.tklavervier.be
Grand café deSingel open alle dagen 9 > 24 uur
informatie en reserveren: +32 (0)3 237 71 00 | www.grandcafedesingel.be
drankjes | hapjes | snacks | uitgebreid tafelen
Joseph Haydn (1732-1809)
Symfonie nr 91 in Es, HobI:91
Largo - Allegro
Andante
Menuetto & Trio
Finale. Vivace
27'
Muziek van evenwicht
.A. Mozart, Symfonie nr 36 in C KV425 'Linzer Sinfonie'
W
Eind oktober 1783 was Wolfgang Amadeus Mozart samen met zijn
echtgenote Constanze vanuit Salzburg onderweg naar Wenen. In
Salzburg waren zij op bezoek geweest bij Mozarts vader Leopold
en zijn zus Nannerl. Mozart had er zijn kersverse echtgenote aan
hen voorgesteld, zij het met matig succes. Op de terugweg naar
Wenen maakten zij een tussenstop in de stad Linz waar zij drie weken
lang logeerden bij graaf Johann Joseph von Thun-Hohenstein, een
gepassioneerd muziekliefhebber en sinds jaar en dag een trouwe
vriend van de familie Mozart.
In een brief aan zijn vader bracht Mozart verslag uit van zijn verblijf
in Linz. Na een uitweiding over de hartelijke ontvangst die hem bij
de graaf te wachten stond, maakt hij onder meer melding van een
op stapel staande uitvoering van een nieuwe symfonie van zijn
eigen hand. Het nieuwe werk zou worden uitgevoerd tijdens een
“musikalische Akademie” die door de graaf in het plaatselijke theater
werd georganiseerd: “Op dinsdag 4 november ga ik hier in een theater
een concert geven”, schreef Mozart, “en omdat ik geen enkele
symfonie bij me heb, zal ik maar hals over kop een nieuwe schrijven
die tegen dan klaar moet zijn.”
Mozarts brief is gedateerd op 31 oktober 1783. Dat betekent dat er
nog welgeteld vier dagen overbleven om de hele vierdelige symfonie
te componeren, vervolgens de afzonderlijke partijen uit te schrijven (of
te laten uitschrijven) en nadien het hele werk in te studeren. Zelfs naar
Mozarts normen lijkt deze symfonie razendsnel tot stand gekomen te
zijn – nog sneller wellicht, dan een kopiist het werk ooit had kunnen
kopiëren. Aan de kwaliteit van het werk is dit echter geenszins af te
lezen. De zogeheten 'Linzer Symfonie' bevat geen enkele maat die
blijk zou geven van haast, vluchtigheid of routine. Integendeel, zij
vormt tot in de kleinste details een grandioos en origineel werk. In de
Mozart-literatuur wordt de symfonie zelfs algemeen geprezen als een
ware mijlpaal binnen het oeuvre van de componist.
Vergeleken met de vorige symfonieën van Mozart krijgt het genre
hier een heel nieuwe status aangemeten. Nieuw zijn onder meer
de omvangrijker dimensies van de symfonie en het proportionele
evenwicht tussen de eerste beweging en de finale. De finale is hier
geen luchtig naspel meer, maar krijgt qua omvang en ernst eenzelfde
gewicht als de openingsbeweging. Verder is de 'Linzer Symfonie' de
eerste symfonie van Mozart die met een trage inleiding begint. De
toevoeging van een langzame inleiding is een kenmerk dat wij vandaag
Mozart in Verona. Schilderij van Saverio dalla Rosa, 1770.
vooral met de symfonieën van Joseph Haydn associëren, en wellicht
waren ook Haydns werken die Mozart hierbij tot voorbeeld strekten.
Ook in zijn eerstvolgende symfonieën zal Mozart trouwens de eerste
Allegro-beweging door een trage introductie laten voorafgaan.
Andere kenmerken die 'Linzer Symfonie' typeren, zijn de stralende
toonaard C-groot en de relatief uitgebreide orkestbezetting. Door
de strijkersgroep aan te vullen met twee hobo’s, fagotten, hoorns,
trompetten en pauken, wordt het grootste karakter van de symfonie
nog versterkt. Een typisch kenmerk van Mozarts rijpe stijl is daarbij
de prominente rol die wordt ingenomen door de blazers. In alle vier de
bewegingen reden die in wisselwerking met de strijkerspartijen.
De symfonie begint op een heroïsche manier, met een plechtstatig
ritme dat wordt afgewisseld met delicate chromatische lijnen. In
de eigenlijke openingsbeweging 'Allegro spiritoso' die daarop volgt
worden twee contrasterende thema’s tegen elkaar uitgespeeld,
volgens het klassieke schema van de sonatevorm (expositie –
doorwerking – reëxpositie). De tweede beweging, 'Andante', is
een zogenaamde siciliano. Deze rustige dansvorm in de maat 6/8,
met zijn typische wiegende ritmiek, was tot dan toe slechts zelden
terug te vinden in Mozarts symfonieën. In zijn volgende werken zal
hij er herhaaldelijk opnieuw gebruik van maken. Opvallend is dat de
trompetten en pauken nadrukkelijk aanwezig zijn in deze beweging,
met name in de middensectie. In die tijd deden deze instrumenten er
gewoonlijk het zwijgen toe, in een trage beweging van een symfonie.
Hier dringen ze de pastorale sfeer enigszins naar de achtergrond,
die traditioneel met de siciliano werd geassocieerd. In de derde
beweging, een feestelijke menuet, vervullen de trompetten en pauken
weer hun karakteristieke ceremoniële rol. Het zachte trio-middendeel
van het menuet, een Ländler, roept tijdelijk een meer idyllische sfeer
op door middel van verfijnde dialogen tussen de eerste hobo en de
eerste fagot. De opgewekte 'Presto'-finale ten slotte, is veel meer
dan een lichtvoetige uitsmijter. De aanwezigheid van een uitgebreide
sonatevorm als vormschema plaatst deze slotbeweging op hetzelfde
niveau als de eerste beweging. Zo’n evenwicht tussen de eerste en
laatste beweging was tot dan toe in geen enkele Mozartsymfonie te
herkennen geweest, althans niet in die mate. In zekere zin gaat Mozart
in de finale zelfs nog een stap verder dan in de eerste beweging.
Terwijl geleerde technieken als contrapunt en motivisch-thematische
arbeid in het 'Allegro spiritoso' grotendeels achterwege bleven – zelfs,
verrassend genoeg, in de centrale doorwerkingspassage – komen
deze technieken in de finale wel ruimschoots aan bod.
.A. Mozart, Vioolconcerto nr 4 in D, KV218
W
“Je had ze moeten zien staren! Ik speelde alsof ik de grootste violist
van Europa was!”, schreef Mozart na afloop van een concert in
oktober 1777 met enige ironie aan zijn vader Leopold. “Je hebt er
geen idee van hoe goed je viool speelt”, luidde diens antwoord. “Als
je jezelf maar eens eer zou bewijzen, en zou spelen met energie en
met je hele hart en ziel, ja, alsof je inderdaad de eerste violist van gans
Europa was. Veel mensen weten niet eens dat je viool speelt, omdat je
van kindsbeen aan als pianist bekend bent.”
Vandaag stellen wij ons Mozart nog steeds in de eerste plaats voor
aan de piano en niet meteen als violist. Vanaf zijn verhuis naar Wenen
in 1781 concentreerde Mozarts zich inderdaad vooral op de piano.
Maar voordien, tijdens zijn Salzburgse jaren, was hij ook als violist
actief. Dat Mozart al op heel jeugdige leeftijd de viool ter hand nam,
kan moeilijk verrassend genoemd worden. Zijn vader Leopold was
een vermaard violist en een uitmuntend vioolpedagoog. Zijn leerboek
getiteld “Versuch einer gründlichen Violinschule”, dat uitgerekend
in Wolfgangs geboortejaar verscheen geldt vandaag als een van de
belangrijkste bronnen over het 18de-eeuwse vioolspel. Wolfgang
kreeg op jonge leeftijd vioollessen van zijn vader en speelde geregeld
viool met diens vrienden en collega’s. Ook wanneer Mozart door zijn
vader als wonderkind ten tonele gevoerd werd, trad hij niet enkel op
aan het klavier maar bespeelde hij ook de viool.
Toen Mozart in 1769 op dertienjarige leeftijd te werk gesteld werd
aan het aartsbisschoppelijke hof van Salzburg, behoorde het
vioolspel tot zijn belangrijkste taken. Als tweede concertmeester
kreeg hij er geregeld de leiding over het orkest en trad hij vaak op
als solist. Drie Italië-reizen die Mozart tussen 1769 en 1773 samen
met zijn vader ondernam stimuleerden zijn interesse voor de viool
nog meer. Contacten met plaatselijke vioolvirtuozen zetten hem
ertoe aan zijn eigen vioolspel te perfectioneren en inspireerden hem
tot een aantal nieuwe werken voor strijkers, waaronder een aantal
divertimenti, serenades en strijkkwartetten, maar ook enkele werken
waarin de viool een solistische rol vervult, zoals het 'Concertone
voor twee violen en orkest KV190' en niet in de laatste plaats de vijf
'Vioolconcerti KV207, 211, 216, 218 en 219'.
Met uitzondering van het eerste Vioolconcerto dat vermoedelijk in
1773 tot stand kwam, dateren deze concerti allemaal uit het jaar 1775.
Mozart was intussen negentien jaar oud en een vijftal jaar in dienst
van de aartsbisschop van Salzburg. Voor welke gelegenheid Mozart
de vioolconcerti componeerde, is niet met zekerheid bekend. Mozart
heeft de werken aan niemand opgedragen. Vandaag wordt meestal
aangenomen dat Mozart ze componeerde om ze zelf uit te voeren aan
het hof, al zou de vioolvirtuoos Antonio Brunetti, Mozarts collega en
latere opvolger aan het hof, de concerti een paar jaar later eveneens
uitvoeren.
Ondanks de beperkte tijdspanne waarbinnen de vijf vioolconcerti
ontstonden, vertonen ze een opmerkelijke stilistische evolutie. Zo
leunen de eerste twee concerti nog sterk aan bij de modieuze galante
stijl van Mozarts collega’s. Ze volgen getrouw het overgeleverde
schema en de vioolpartij bevat nogal wat virtuoos passagewerk.
De laatste drie concerti daarentegen, waaronder ook het concerto
dat vanavond op het programma staat, getuigen van een grotere
stilistische rijpheid. Zowel qua vorm als qua muzikale expressie geven
ze blijk van een streven naar een nieuw klassiek evenwicht.
De eerste beweging 'Allegro' van het 'Vioolconcerto nr. 4 in D-groot
KV218' zet in met een dubbele expositie waarin twee thema’s worden
voorgesteld. Beide thema’s, een heroïsch, fanfare-achtig thema
gevolgd door een gracieus tweede thema, worden eerst door het
orkest voorgesteld en verschijnen vervolgens in de vioolsolopartij. De
centrale doorwerking, waarin vooral de solist het woord neemt, gaat
vrijwel ongemerkt over in de reëxpositie, waarin de thema’s uit de
expositie hernomen worden, zij het dit keer beginnend met het tweede
thema. Naar het einde toe krijgt de solist ruimte voor een virtuoze
cadenza.
Als lyrisch middendeel van het concerto componeerde Mozart
een 'Andante cantabile': een rustige, eenvoudige beweging die de
Mozart-biograaf Alfred Einstein ooit vergeleek met een uitgebreide
liefdesbetuiging. Opnieuw bepalen twee thema’s hier het muzikale
verloop: een zangerige aria-achtige melodie en een thema met een
wat speelser karakter. Fragmenten van de beide thema’s worden
door het orkest opgepikt en uitgewisseld tussen de verschillende
instrumentengroepen.
De finale is getiteld 'Andante grazioso' en heeft de vorm van een
rondo: een afwisseling van een refrein met een aantal strofes. Het
refrein is verrassend samengesteld uit twee thema’s die met elkaar
contrasteren op het vlak van tempo en ritme. Een lichtvoetige,
gracieuze hofdans in de maat 2/4 met als tempoaanduiding Andante
wordt gevolgd door een levendige, energieke gigue in 6/8 in een
Allegro-tempo. De finale lijkt daardoor niet te kunnen kiezen tussen de
elegante 2/4-maatsoort en de humoristische 6/8.
De episodes waarmee het refrein wordt afgewisseld zijn gekruid
met flarden Franse en Italiaanse volksmuziek – een typisch kenmerk
overigens van de finales uit Mozarts vioolconcerti. De meest
verrassende episode is ongetwijfeld de contrasterende middensectie
van de finale. Hier introduceert Mozart een pastorale passage
waarin de solist een statige gavotte-melodie ten gehore brengt met
behulp van dubbelgrepen. Doordat de laagste snaar van de viool
daarbij als open snaar wordt aangestreken - onder de vorm van een
bourdontoon – ontstaat een effect, vergelijkbaar met typisch pastorale
instrumenten zoals de draailier of de doedelzak. Het slot van het
concerto is even eenvoudig als origineel: een aanzwellend crescendo
wordt in laatste instantie omgebogen in een decrescendo, waarna
de allerlaatste noten van het concerto als het ware zachtjes lijken te
verdampen in een fluisterend pianissimo.
J oseph Haydn, Symfonie nr 91 in Es, HOBI:91
Gedurende drie decennia, van 1761 tot 1790, was Joseph Haydn
als kapelmeester verbonden aan het hof van de prinsen Esterházy.
Aanvankelijk bevond zijn werkplek zich in hun residentie te Eisenstadt,
maar nadien werkte hij vooral in hun zomerpaleis Esterháza aan
de Neusiedlersee. Geografisch gezien bevond Haydn zich ver weg
van de bruisende metropool Wenen. Hij stelde echter alles in het
werk om niet geïsoleerd te geraken van de muzikale en culturele
ontwikkelingen in de grootstad. Vanuit zijn “wildernis”, zoals hij
Esterháza ooit omschreef, ondernam Haydn dan ook geregeld reizen
naar Wenen. Via deze uitstapjes slaagde hij er niet enkel in op de
hoogte te blijven van de actuele muzikale ontwikkelingen, maar vooral
ook om contacten te leggen met binnen- en buitenlandse uitgevers
en opdrachtgevers. Publicaties door buitenlandse uitgevers en
uitvoeringen door buitenlandse orkesten bezorgden de muziek van
Haydn een grote internationale faam. Over gans Europa werden
Haydns symfonieën verspreid en uitgegeven. Vooral vanaf de jaren
1780 stroomden de opdrachten binnen, van particulieren, van
uitgeverijen en ook van andere instellingen.
Met name in Parijs werden Haynds symfonieën graag gespeeld. Nadat
er reeds in de jaren 1760 eerste Haydnsymfonieën in druk waren
verschenen, stonden Haydns werken er vooral vanaf de jaren 1770
geregeld op het programma. De Parijzenaars waren dan ook goed
vertrouwd met zijn stijl toen Haydn in 1785 de opdracht kreeg om een
reeks symfonieën te componeren voor een toonaangevende Parijse
concertorganisatie Le Concert de la Loge Olympique. In opdracht van
de jonge aristocraat Claude-François-Marie Rigolet, Comte d'Ogny,
een van de begunstigers en oprichters van de concertorganisatie,
componeerde Haydn zes symfonieën die vandaag bekend staan als
de zogeheten 'Parijse Symfonieën nr. 82-87'. De grote waardering
die Haydn in Parijs genoot, wordt duidelijk weerspiegeld in de hoge
prijs die men bereid was voor deze werken te betalen: 25 “louis d'or”
per symfonie (plus 5 “louis” voor de publicatierechten), zowat het
vijfvoudige van het bedrag dat men een paar jaar voordien (1778) had
neergeteld voor Mozarts 'Parijse Symfonie KV297'.
Haydns Parijse symfonieën werden zo enthousiast onthaald, dat
Haydn nadien besloot om nog een paar symfonieën (nr. 88 en 89) te
componeren om ze in Parijs te koop aan te (laten) bieden. Bovendien
kwam er een nieuwe vraag van de Comte d’Ogny om nog drie extra
symfonieën te leveren voor Le Concert de la Loge Olympique. Van
deze drie symfonieën, de nummers 90, 91 en 92, staat vanavond de
'Symfonie in Es-groot nr. 91' op het programma.
Qua orkestbezetting is de 'Symfonie nr. 91' vergelijkbaar met die van
Mozarts bovengenoemde 'Linzer Symfonie'. Bij Haydn wordt er echter
een fluit toegevoegd aan de houtblazers en blijven de trompetten
en pauken afwezig. De 'Symfonie nr. 91' staat trouwens bekend als
Haydns laatste symfonie zonder trompetten en pauken.
Zoals Mozarts symfonie, die zoals gezegd invloeden van Haydns
oeuvre verraadt, begint ook Haydns werk met een langzame inleiding.
Die gaat naadloos over in de eigenlijke openingsbeweging, 'Allegro
assai'. Dit levendige openingsdeel staat in de klassieke sonatevorm,
maar typisch voor Haydn – en anders dan bij Mozart - is er hier geen
sprake van een duidelijk contrast tussen twee muzikale thema’s.
Integendeel, het tweede thema is in feite grotendeels als een variant
van het eerste thema op te vatten, zodat men spreekt over van
een monothematische vorm. Haydns belangstelling voor geleerde
technieken is herkenbaar in het gebruik van omkeerbaar contrapunt in
de beginmaten: de stijgende melodie en de dalende baslijn wisselen
na acht maten van plaats. Opmerkelijk zijn ook de soms verrassende
modulaties: zo begint het tweede thema verrassend in Des alvorens te
moduleren naar de verwachte toonaard Bes. Naarmate de beweging
vordert, verschijnen er in de strijkers en de blazers steeds nieuwe
contrapuntische tegenstemmen, die uiteindelijk samenkomen in een
grootse polyfone culminatie.
De tweede beweging van de symfonie, 'Andante', bestaat uit een
opeenvolging van variaties op een dans-achtig thema in het ritme
van de gavotte. Tijdens deze variaties, waaronder één in de kleine
tertstoonaard, blijven de contouren van het thema steeds herkenbaar.
Wisselingen in de orkestratie, waarbij de solistische rol van de fagot
opvalt, helpen de vormstructuur te verduidelijken. Een vleugje Haydnhumor wordt opgespaard voor de coda: kort voor het einde verschijnt
er een aaneenschakeling van trillermotiefjes in het hele orkest, die de
indruk scheppen dat de muziek begint te haperen.
Ook in de volgende beweging, een gracieus menuet, 'Un poco
Allegretto', vervult de fagot een solistische rol, met name in het triomiddendeel. Zoals bij Mozart is ook dit trio een “Ländler”. Behalve
de fagot spelen ook de andere houtblazers een prominente rol in dit
middendeel, waardoor het herinnert aan een blazers-serenade.
Zoals de eerste beweging staat ook de opgewekte finale, 'Vivace
alla breve”' in de sonatevorm. Zoals in Mozarts 'Linzer Symfonie' is
ook in dit werk een duidelijk streven herkenbaar naar een evenwicht
tussen de eerste en de laatste beweging. Volgens het principe van de
monothematische sonatevorm groeit nagenoeg de hele slotbeweging
vanuit de ontwikkeling van één enkele muzikale idee, die in de
beginmaten door de strijkers wordt voorgesteld. Ook zonder de steun
van pauken en trompetten slaagt Haydn erin deze finale uit te bouwen
tot een wervelende apotheose.
© Kristof Fischer
Akadiemie für Alte Musik Berlin
De geschiedenis van de Akademie für Alte Musik Berlin gaat terug tot het
jaar 1982, toen jonge leden van verschillende Berlijnse orkesten besloten een
zelfstandig ensemble met historisch instrumentarium op te richten. Daarmee
wilden ze de tot dan toe aarzelende pogingen in de voormalige DDR tot
authentieke uitvoeringen van oude muziek een belangrijke impuls geven. Sinds
1984 heeft het ensemble zijn eigen concertserie in het Konzerthaus van Berlijn
aan de Gendarmenmarkt. Ook internationaal groeide de reputatie snel. Sedert
1986 gasteert het ensemble bij de door de West-Duitse omroep opgerichte
Tage für Alte Musik in Herne. Sinds de val van de Muur in 1989 nam het aantal
concerten in het buitenland spectaculair toe. De Akademie is regelmatig te gast
in de grote muzikale centra van Europa zoals Wenen, Parijs, Amsterdam, Zürich,
Londen en Brussel. Het orkest tourneerde reeds in het Nabije Oosten, Japan,
Zuidoost-Azië, Zuid-Amerika en de Verenigde Staten. De afgelopen jaar maakte
het orkest haar debuut in China. In 2012 vierde het kamerorkest, dat ondertussen
tot de wereldtop behoort, haar 30-jarig bestaan. Onder leiding van René Jacobs
geeft de Akademie regelmatig concerten in de Berlijnse Staatsoper Unter den
Linden en tijdens de Innsbrucker Festwochen. René Jacobs is al 25 jaar een
vaste partner, wat leidde tot talrijke geprezen opera -en oratoriaproducties.
Daarnaast heeft het orkest ook een vaste band met dirigenten Marcus Creed,
Peter Dijkstra, Hans-Christoph Rademann en Daniel Reuss. Andere partners
waarmee het orkest veelvuldig samenwerkt, zijn Philippe Herreweghe, Ton
Koopman, Reinhard Goebel, Monica Huggett, Cecilia Bartoli, Adreas Staier, RIAS
Kammerchor, Andreas Scholl, Sandrine Piau en Bejun Mehta. Ook werkte het
orkest reeds meermaals samen met het dansgezelschap Sasha Waltz & Guests
wat telkens resulteerde in succesvolle producties zoals 'Dido & Aeneas' (Henry
Purcell) en 'Medea' (Pascal Dusapin). Sinds 1994 maakt de Akademie exclusief
cd-opnamen voor het label Harmonia Mundi France. Een groot aantal opnamen
werd bekroond met prijzen als de Diapason d'or, Cannes Classical Award,
Gramophone Award, Deutsche Schallplattenpreis en Edison Award. De opname
van Mozarts 'Zauberflöte' olv. René Jacobs bijvoorbeeld werd bekroond met de
Preis der Deutschen Schallplattenkritik. De cd van Händels 'Agrippina' olv. René
Jacobs werd voor een Grammy Award genomineerd als beste opera-opname van
2013. Eveneens verschenen de cd-première van Pergolesi's oratorium 'Septem
Verba a Christo' en de gloednieuwe opname van Bachs 'Matthäus-Passion',
beide olv. René Jacobs. Sinds het seizoen 2012/13 heeft Akamus een eigen
concertreeks in het Prinzregententheater in München.
www.akamus.de
muzikale leiding
René Jacobs
viool
Bernhard Forck
Gudrun Engelhardt
Kerstin Erben
Barbara Halfter
Santiago Medina
Dörte Wetzel
Erik Dorset
Thomas Graewe
Uta Peters
Gabriele Steinfeld
altviool
Sabine Fehlandt
Anja-Regine Graewel
Clemens-Maria Nuszbaumer
Stephan Sieben
cello
Piroska Baranyay
Barbara Kernig
Kathrin Sutor
fluit
Christoph Huntgeburth
hobo
Xenia Löffler
Michael Bosch
hoorn
Erwin Wieringa
Stefan Blonk
fagot
Christian Beuse
Katrin Lazar
trompet
Martin Patscheider
Sebastian Kuhn
pauken
Heiner Herzog
contrabas
Walter Rumer
Harald Winkler
deSingel tijdlijn
do 13 feb 2014
Akademie für Alte Musik Berlin olv. René Jacobs
Mozart, Haydn
do 5 dec 2013
Akademie für Alte Musik Berlin
Mozart
wo 17 okt 2012
Akademie für Alte Musik Berlin & Arsys Bourgogne olv. Pierre Cao
Bach
[…]
ma 5 nov 2001
Akademie für Alte Musik, Collegium Vocale & Hans-Christoph Rademann
Zelenka, Händel
wo 10 jan 2001
Akademie für Alte Musik
Bach, Müthel
wo 3 nov 1999
Akademie für Alte Musik & Andreas Scholl
Bach
René Jacobs
René Jacobs (1946) is een veelzijdige Vlaamse muziekpersoonlijkheid met
internationale bekendheid. Hij werd bekend als contratenor, maar verwierf
voornamelijk wereldfaam als dirigent van barok- en classicistische opera's.
Na zijn studies Klassieke Talen aan de Universiteit van Gent en aan het
conservatorium van deze stad, gaf hij een tijd Latijn in het middelbaar onderwijs.
Hij volgde tevens lessen bij Louis Devos en Alfred Deller die hem toelieten zijn
bijzondere altusstem te ontwikkelen. In 1977 werd hij voltijds musicus. Hij stichtte
zijn eigen ensemble – het Concerto Vocale – en trad ook internationaal als
solozanger op. Hij werd docent aan de Schola Cantorum Basiliensis waar hij een
reeds lange band mee onderhoudt en vanaf 1988 was hij eveneens verbonden
aan het Centre de Musique baroque de Versailles. In 1991 werd hij artistiek
directeur van het Festival van Innsbruck. Dit was het begin van zijn succesvolle
operacarrière, eerst als zanger met rollen zoals Orfeus in de gelijknamige opera
van Gluck of Admeto in de opera van Händel. Vervolgens werd hij dirigent
en bracht vernieuwende interpretaties van enkele grote opera's uit de 18de
eeuw. Hij voerde onder meer een aanzienlijk werk uit door het herschrijven
van manuscripten met daarbij een specifieke focus op instrumentatie en de
ornamentatie van gezongen partijen. Als gastdirigent trad hij in de belangrijkste
opera- en concerthuizen van Europa op. In 2001 verstrekte de Académie Charles
Cros Jacobs haar hoogste onderscheiding, de Prix in honorem, aan René Jacobs
voor zijn opnamen van 'Keisers Croesus' en zijn totale carrière. In 2004 volgde
een hele reeks triomfen in de internationale muziekpers waarna Jacobs in 2005
ondermeer uitgekozen werd als Artiest van het jaar (MIDEM). Zijn opname van
'Le nozze di Figaro' won in Los Angeles de prijs van 'Best Opera'. In 2008 kreeg
René Jacobs de prestigieuze Telemann-Prijs van de stad Magdeburg.
Daarna
dirigeerde hij twee nieuwe producties in Wenen en Brussel en vonden we hem
terug in de Staatsoper van Berlijn en het Aix-en-Provence Festival. Hij ontving de
Klara Carrièreprijs en heel wat van zijn opnames werden bekroond.
René Jacobs © Molina Visuals
deSingel tijdlijn
do 13 feb 2014
Akademie für Alte Musik Berlin olv. René Jacobs
Mozart
do 26 sep 2013
René Jacobs
lezing en cd-voorstelling Matthäus Passion ism. Harmonia Mundi
vr 29 mrt 1996
Koor en Orkest van de Nederlandse Bachvereniging, St.Bavo Koor Haarlem
Bach olv. René Jacobs
Bach
zo 31 mrt 1991
Concerto Köln olv. René Jacobs
Bach
zo 15 apr 1990
Instrumentaal Ensemble Capriccio
Buxtehude
vr 17 mrt 1989
Koor en Orkest La Petite Bande
Bach
do 9 apr 1987
Koor en Orkest La Petite Bande
Bach
Patricia Kopatsjinskaja
Patricia Kopatsjinskaja werd in Moldavië als kind van musici geboren.
Ze studeerde compositie en viool in Wenen en Bern. In 2000 won ze de
internationale Szeryng-Wedstrijd in Mexico en in 2002 de International Credit
Suisse Group Young Artist Award. In 2004 werd haar de New Talent - SPP Award
van de European Broadcasting Union (EBU) toegekend en in 2006 ontving ze
de Förderpreis Deutschlandfunk. In 2011 kreeg ze de Goldener Bogen van de
Musikfestwoche Meiringen (CH). In 2012 kwam er nog de Pretoriuspreis des
Landes Niedersachsen bij. Kopatsjinskaja's repertoire bestrijkt het vioolrepertoire
van barok over klassiek tot hedendaags. Zowel de Vioolconcerti van Peter
Eötvös, Tigran Mansurian, Mauricio Sotelo, Vanessa Lann, Esa-Pekka Salonen,
als deze van Tsjajkovski, Prokofjev, Sjostakovitsj en Berg voert ze regelmatig
uit op concerten over de hele wereld. Hoogtepunten van het voorbije seizoen
waren concerten met het Ensemble Orchestral de Paris olv. Sir Roger Norrington
in het Théâtre des Champs-Elysées, een tournee door Europa met de Junge
Deutsche Philharmonie olv. Andrej Borejko, en een tournee met het Finse
Radio Orkest olv. Sakari Oramo. Ze is regelmatig te gast op de grote festivals,
zoals deze van Schleswig-Holstein en het Rheingau Musikfestival. Op de
Karinthischer Sommer was ze te horen in Tsjajkovski's Vioolconcerto met het
Tsjajkovski Symfonieorkest Moskou en op de Salzburger Festspiele vertolkte
ze het Vioolconcerto van Alban Berg met het Radio Symphonieorchester Wien.
Dit seizoen geeft ze concerten olv. Esa-Pekka Salonen met het Philharmonia
Orchestra, Deutsches Symphonieorchester Berlin, Orchestre Philharmonique
de Radio France, Orchestre des Champs-Elysées, Konzerthausorchester
Berlin, WDR-Symphonieorchester Köln, Camerata Salzburg en het TonkünstlerOrchester. Kopatsjinskaja speelt vaak in kamemruziekverband met Fazil Say,
Sol Gabetta, Mihaela Ursuleasa, Polina Leschenko ea. Kopatsjinskaja maakt
exclusief opnamen voor het label Naive Classique. Haar opname van Beethovens
Vioolconcerto met het Orchestre des Champs-Elysées olv. Philippe Herreweghe
won in 2010 een prijs van BBC Music Magazine en werd door The Strad als "beste
versie op historische instrumenten" genoemd. Haar cd met Fazil Say met onder
meer Beethovens 'Kreutzersonate' werd met een Echo-Klassikpreis bekroond.
De recentste cd op het label Naive 'Rapsodia' gaat op zoek naar de wortels van
George Enescu's muziek in de Roemeense en Moldavische volksmuziek. Dit
seizoen neemt ze het Tweede Vioolconcerto van Bartók, het Vioolconcerto van
Ligeti en 'Seven' van Peter Eötvös' op met het HR-Sinfonieorchester en Ensemble
Modern. Met Amsterdam Sinfonietta zal ze concerti van Tigran Mansurian op cd
zetten.
www.patkop.ch
Patricia Kopatsjinskaja © Marco Borggreve
deSingel tijdlijn
do 13 feb 2014
Akademie für Alte Musik Berlin olv. René Jacobs
Mozart
wo 10 okt 2012
Amsterdam Sinfonietta olv. Candida Thompson
Brahms, Mendelssohn-Bartholdy, Ravel
za 25 feb 2012
Collegium Vocale Gent & I Solisti del Vento olv. Philippe Herreweghe
Weill, Eisler, Distler
wo 4 okt 2006
Patricia Kopatsjinskaja & Mihaela Ursuleasa
Sjostakovitsj, Enescu, Kurtag, Beethoven
za 7 jan 2006
Rotterdams Philharmonisch Orkest olv. Philippe Herreweghe
Beethoven, Mozart, Schumann
binnenkort in deSingel
Le Concert Olympique
olv. Jan Caeyers
François-Frédéric Guy piano
Lenneke Ruiten sopraan
W A Mozart Symfonie nr 38 ‘Praagse’, KV504
L van Beethoven Concertaria ‘Ah! Perfido’, opus 65
W A Mozart Concertaria voor sopraan, piano en orkest
‘Ch’io mi scordidite’,KV505
L van Beethoven Concerto voor piano en orkest nr 2 in Bes, opus 19
wo 19 mrt 2014 | 20 uur | Blauwe zaal
gratis inleiding Christine Dysers | 19.15 uur | Muziekstudio
€ 26, 22, 18 (basis) | € 22, 18, 14 (-25/65+) | € 8 (-19 jaar)
architectuur
theater
dans
muziek
www.desingel.be
t +32 (0)3 248 28 28
Desguinlei 25
B-2018 Antwerpen
f deSingelArtCity
deSingel is een kunstinstelling van de Vlaamse Gemeenschap en geniet de steun van de Provincie en de Stad Antwerpen.
mediasponsors