Samenvatting Goessens 2014 - Vrije Universiteit Brussel

Vrije Universiteit Brussel
Faculteit Economische en Sociale
Wetenschappen
Vakgroep Communicatiewetenschappen
Universiteit Gent
Faculteit Letteren & Wijsbegeerte
Vakgroep kunst-, muziek- en
theaterwetenschappen
Met dank aan het BOAB-fonds en het Koninklijk Conservatorium Brussel
[*For an English summary, please scroll down]
Discursieve en muzikale constructies van Vlaamse identiteit(en).
Studie naar de nationale en muzikale discours, retoriek en programmering van
de Vlaamse verzuilde omroepverenigingen, 1928-1939.
Lieselotte Goessens
2014
Proefschrift voorgelegd tot het behalen van de graad van Doctor in de Media- en
Communicatiewetenschappen (VUB) en Doctor in de kunstwetenschappen (UGent)
(gezamenlijk doctoraat)
Promotoren: Prof. Dr. Katia Segers (VUB) en Prof. Dr. Francis Maes (UGent)
Copromotor: Dr. Kristin Van den Buys
Samenvatting
Ondanks de globalisering en versterking van overkoepelende structuren zoals de Europese
Unie, is nationale identiteit in Europa doorheen de hele twintigste, tot in de
eenentwintigste eeuw een pertinente vorm van collectieve identiteit gebleven. Die
collectieve identiteit is sterk verankerd in een wereldbeeld, een beeld van een
maatschappelijke wereld die is samengesteld uit verschillende naties, die elk hun
eigenheid hebben. Een nationale identiteit is wat de ene natie zou moeten onderscheiden
van de andere. In België is dat hele natieconcept altijd een wringend schoentje geweest.
De constante wisselwerking tussen Belgische, dan wel Vlaamse of Waalse en meer
regionale identiteitsopvattingen heeft gemaakt dat het concept nationale identiteit in
België, vooral in Vlaanderen, steeds omringd is geweest door vraagtekens, onzekerheid,
dubbelzinnigheden, tegenstrijdigheden. De zoektocht naar identiteit heeft het land soms
even hard in een staat van verdeeldheid gebracht als dat het haar heeft samengehouden.
In de wetenschappelijke wereld is men sinds circa twee decennia geneigd het gegeven
te onderzoeken vanuit een constructivistisch oogpunt en als onderdeel van een
ideeëngeschiedenis. Het idee van de 'imagined community', zoals Benedict Anderson
(2006) het in zijn wereldberoemde boek noemde, heeft ook op het Vlaamse onderzoek
naar nationale identiteit sterke invloed uitgeoefend. Het idee komt hierop neer dat men de
nationale gemeenschap opvat als ‘verbeeld’, aangezien zij geen gemeenschap is die
bestaat uit mensen die elkaar werkelijk kennen, maar een gemeenschap is die bestaat uit
mensen die zich verbeelden een gemeenschap te vormen met anderen die ze nog nooit
hebben ontmoet. Tot die verbeelding, zo toont heel wat onderzoek ondertussen aan,
hebben de media een belangrijke bijdrage geleverd. In navolging van een auteur als A.D.
Smith beschouwen we in dit proefschrift bovendien symboliek, een gemeenschappelijk
verleden, mythologie en ook de kunsten essentieel in de verbeelding van de nationale
gemeenschap. Het uitgangspunt van voorliggend proefschrift is dat een concept als een
natie bestaat bij gratie van het discours dat we erover voeren, bij gratie van de beelden en
ideeën die we ervan vormen en bij gratie van de waarde die herinneringen en verbeelding
actueel kunnen blijven behouden. Die kunnen we het best onderzoeken in de culturele
formaties waar die zich in de loop der tijd zijn gaan concentreren, zoals locaties,
monumenten, literatuur of bijvoorbeeld muziekwerken.
Dit onderzoek is een studie naar het allereerste decennium van de Vlaamse omroep: de
oprichting en ontwikkeling van een Vlaamse radio, sinds eind jaren 1920, tot aan de
Tweede Wereldoorlog. Wat het onderzoek voor ogen heeft gehad, is om te verduidelijken
welke rol de Vlaamse natie als idee heeft gehad in de ontwikkeling van de
Nederlandstalige omroep in België en hoe zich dit enerzijds heeft geuit in de discours van
de diverse omroepen en anderzijds in hun cultuurbeleid en meer specifiek in hun
muziekprogrammatie.
Voor dit onderzoek werden vier cases onderzocht, namelijk de vier Nederlandstalige,
Vlaamse omroepverenigingen die eind jaren twintig en begin jaren dertig ontstonden en
die in 1931 werden geselecteerd om uit te zenden via de toenmalige (pas opgerichte)
openbare omroep, het NIR: de Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep (KVRO), de
Socialistische Arbeiders Radio Omroep voor Vlaanderen (SAROV), de Liberale RadioOmroep (Librado) en de Vlaamsch-Nationale Radiovereeniging (Vlanara).
In deze studie wordt nagegaan hoe de tussenoorlogse omroepverenigingen omgingen
met concepten als natie, vaderland, nationale identiteit. Welke betekenis had het concept
'natie' voor hen? Hoe belangrijk was het voor hen? Welke betekenis gaven zij als
'Vlaamse' (in naam) omroepverenigingen specifiek aan het concept van de 'Vlaamse natie'
(in vergelijking met de ‘Belgische natie’)? Werkten zij een Vlaamse dan wel Belgische
gemeenschapsvorming in de hand? Hoe stonden zij tegenover het idee van Vlaamse
ontvoogding en emancipatie?
Dit wordt eerst toegelicht aan de hand van een historische schets van de ontwikkeling
van de Vlaamse openbare omroep (hoofdstuk 3), maar wordt gevolgd door een kritische,
kwalitatieve inhoudsanalyse van de externe communicatie van de omroepverenigingen,
waaronder hoofdzakelijk radiobladen (hoofdstukken 4, 5 en 6). In hoofdstuk 4 wordt het
natiebesef van de omroepverenigingen bestudeerd in hun retoriek (verbaal en visueel),
meer specifiek aan de hand van de gebruikte argumentatieve strategieën en hoe we daar
processen terugvinden van assimilering en toeschrijving, zowel als van afbakening,
dissimilering. Zo wordt bijvoorbeeld onderzocht in welke mate en hoe een Vlaamse of
Belgische wij-groep werd gedefinieerd tegenover significante Anderen. In hoofdstuk 5
wordt onderzocht hoe de omroepverenigingen hun nationale identiteit uitdrukking gaven
via symboliek, herdenkingen, kunst, etc. In hoofdstuk 6 staat de rol van muziek in de
uitdrukking van nationale identiteit centraal.
Uit de analyses maakten we op dat de omroepverenigingen alle vier een zekere
gehechtheid uitdrukten aan een Vlaamse gemeenschap, een Vlaamse natie of een Vlaams
vaderland. Vanuit verschillende opvattingen over de betekenis van nationaliteiten en
naties, vanuit verschillende politieke overtuigingen en vanuit verschillende opvattingen
over de ‘noden’ van het ‘Vlaamsche volk’ en over het belang van België, droegen ze allen
op een expliciete of impliciete manier, bewust of onbewust, bij tot een Vlaamse
gemeenschapsvorming en ontvoogding. Opmerkelijk daarbij is hoe de diverse
omroepverenigingen onderling streden om de titel van ‘Vlaamse omroep’ en hoe het
predicaat ‘Vlaams’ dus als het ware een twistappel werd.
We konden bovendien vaststellen dat de verschillen tussen de nationaliteitsopvattingen
van de omroepverenigingen hun omgang met cultuur beïnvloedde en dus ook hun
muziekbeleid. De manier waarop muziek werd aangeboden in de uitzendingen is
veelzeggend wat betreft de sterkte van het natiewereldbeeld in de discours van de
omroepverenigingen. Bovendien hebben gevoeligheden ten aanzien van de eigen politieke
en Vlaamse identiteit invloed gehad op hun muzikale voorkeuren. Dat wil niet zeggen dat
de omroepen geheel verschillende muziekprogramma’s uitzonden, maar er zijn toch wel
enkele opmerkelijke verschillen of nuances vast te stellen. Die verschillen zijn het
opmerkelijkst wat betreft de (positie van) Vlaamse muziek in de muziekprogrammatie van
de omroepverenigingen.
Tot slot merkten we op dat de constructie van het concept Vlaamse muziek parallel
loopt met de constructie van het concept Vlaamse identiteit. Het discours over Vlaamse
muziek blijkt net als de programmatie ervan een expressie te zijn van de mate van
gehechtheid aan het concept Vlaamse natie, maar tegelijk reflecteert het discours over
Vlaamse muziek ook een welbepaalde interpretatie van de Vlaamse identiteit. Dat wil
zeggen dat de discours van een bepaalde groep over nationale muziek een interessant
domein vormt waarop de natie-opvattingen van die groep kunnen worden bestudeerd. Dat
muziekdiscours ons kunnen helpen begrijpen hoe nationale identiteit op een bepaald
moment op een bepaalde plaats wordt geconstrueerd, wil zeggen dat muziekdiscours
mogelijk ook bijdragen aan de constructie van die nationale identiteit.
In dit proefschrift hebben we willen aantonen dat de Nederlandstalige omroep in België
via zijn discours en cultuurbeleid (vooral muziekbeleid) mee vorm heeft gegeven aan een
Vlaamse identiteit en aan het definiëren van die Vlaamse identiteit als nationale identiteit
ten opzichte van andere vormen van nationale identiteit in België (zoals bijvoorbeeld de
Belgische identiteit). Door zichzelf aan te duiden als Vlaams, door in programma’s op
zoek te gaan naar typisch ‘Vlaamse’ invulling (bv. Vlaamse muziek), door een forum te
geven aan een wij-zij denken en door via een aparte zender voor Vlaanderen een andere
publieke cultuur op te bouwen en andere ‘nationale’ kunst te cultiveren dan in het
Franstalige landsgedeelte gebeurde, heeft de omroep mogelijk bijgedragen tot het verder
uit elkaar groeien van de sociolinguïstische gemeenschappen in België. Hoewel de
Vlaamse radio met zijn oprichting los van de Franstalige radio een maatschappelijke
realiteit leek te weerspiegelen, heeft ze die waarschijnlijk mee gerealiseerd. Zowel
algemene discours, algemene programmering als specifiek de muziekprogrammering van
de Vlaamse omroep heeft hier het zijne toe bijgedragen.
Discursive
and
musical
constructions
of
Flemish
identity/-ies.
Analysis of the national and musical discourses, rhetoric and programs of the
Flemish political radio associations, 1928-1939.
Summary
Despite globalization and the reinforcement of umbrella structures like the European
Union, national identity has been an enduring form of collective identity in the 20th
century until well into the 21st. This collective identity integrates with a certain
worldview, with the idea that society is composed of different nations, each with its own
identity. In Belgium, this whole nation-idea has always been characterized by
uncertainties, ambiguity and contradictions, due to conflicting Belgian, Flemish, Walloon
and more regional identities. The search for identity has divided the country as much as it
has ever united it.
Since two decades scientific research is inclined to consider ‘nations’ not as facts, but
instead as ideas and to approach the concept from a constructivist point of view. The idea
of ‘imagined community’, as Benedict Anderson (2006) called it in his famous book with
the same name, has also had a powerful influence on Flemish research on national
identity. The idea is that a national community is in fact an imagined community, because
it is a community not with people who know each other or who have face-to-face contact,
but with people who imagine themselves to form a community with people they have
never met. Existing research has showed that the media have played an important role in
the ‘imagining’ of community. Scholars like A.D. Smith have also showed that symbols,
myths and the arts have played an essential part in the conceptualisation of community.
The premise of this dissertation is that a concept like a nation exists only through the
discourses, the images and the ideas that we form around it and is dependent upon the
value that the memories and imagination of the nation retain for a certain group at a
certain moment. We can study these images best through the cultural formations where
they have clustered in the course of time, like locations, monuments, literature, pieces of
art and music.
This research is about the first decade of Flemish radio-broadcasting: the foundation
and development of Flemish radio since the 1920s until the Second World War. The aim
has been to study the influence that the idea of a ‘Flemish nation’ has exerted on the
Flemish radio, and how this is noticable on the one hand in its discourses and on the other
hand in its cultural policy and music programs.
For this study four cases were selected, which comprise the four Dutch-speaking,
Flemish radio associations that were founded in the 1920s and early 1930s and that in
1931 were selected to broadcast on the national channel, through the newly established
public broadcasting institution NIR. These stations consist of: the catholic broadcaster,
Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep (KVRO); the socialist broadcaster, Socialistische
Arbeiders Radio Omroep voor Vlaanderen (SAROV); the liberal broadcaster, Liberale
Radio-Omroep (Librado) and the Flemish-nationalist broadcaster, Vlaamsch-Nationale
Radiovereeniging (Vlanara).
I have studied how these broadcasters dealt with concepts like nation, fatherland, and
national identity. What did the concept of ‘nation’ mean to them? How important was it?
As ‘Flemish’ (in title) broadcasters, how did they imagine the ‘Flemish nation’, especially
in comparison with the ‘Belgian nation’? Did they promote Flemish (or Belgian)
community building? How did they evaluate the idea of Flemish emancipation?
In chapter 3 this is described against the history of Flemish public radio in general.
Chapter 4 shows how the national idea and a Flemish national identity are constructed in
the (verbal and visual) rhetoric of the radio associations, by analysing the argumentation
strategies that were used. These analyses show strategies of assimilation and of
dissimilation, of the construction of a Flemish ’in-group’ against significant ‘Others’. In
chapter 5 the analyses focus on the expression of national identity through symbolism,
commemoration and art. Chapter 6 is devoted to the importance of music in the
expression of national identity.
From these analyses I concluded that all four radio associations expressed an affinity
with a Flemish community, a Flemish nation or a Flemish fatherland. Coming from
different political backgrounds, different attitudes towards nationality and nationalism and
from different opinions about the ‘needs’ of the ‘Flemish people’ and the meaning of
‘Flemish emancipation’, they all contributed, consciously or unconsciously, implicitly or
explicitly, to the building of a Flemish community and emancipation. It is striking how the
title of ‘Flemish broadcaster’ seems to have been a title that all aspired to, without wishing
to share the associated status.
Moreover it was ascertained that the differences of opinion on nationality directly
influenced the broadcasters’ cultural policy and thus their musical policy. The manner in
which music was presented in the programs, for example, reflects the persistence and
strength of the national idea of the broadcasters. Also, their political identities and their
ideas on Flemish identity are noticeable in their musical repertoires. This does not mean
that each of them broadcasted completely different musical programs, but there are some
striking differences or nuances, notably with respect to (the position of) Flemish music in
the music programs.
To conclude, I observed how the construction of the concept ‘national music/Flemish
music’ reflected the construction of the concept ‘national identity/Flemish identity’. The
discourse on Flemish music and the musical repertoire of the broadcasters can be
considered an expression of their own attachment to, and interpretation of their national
identity. This means that the discourses of one group on national music is an interesting
domain on which to study the national attitudes and opinions of that group. If musical
discourses can help us to understand how national identity was comprehended at a certain
moment in time, than these musical discourses might have contributed to the construction
of that particular national identity.
In this PHD, I have tried to show how the national idea not only influenced the Dutchspeaking public broadcasters in Belgium, but how they themselves have, through their
discourses and cultural (musical) policy, contributed to the construction of a Flemish
identity and to the differentiation of this identity from other national identities in Belgium.
By naming itself Flemish, by an engagement with culture they called ‘Flemish’ (e.g.
Flemish music), by defining a Flemish ‘we’ against ‘them’, by building a different public
culture for Flanders than for the French-speaking part of the country, the radio has
possibly contributed to the growing apart of the sociolinguistic communities in Belgium.
Although the organization of Belgian radio, with its Flemish and its French-speaking
sections, seemed to reflect a social reality in Belgium, it has also contributed to its
realisation.