LAND VEROVEREN GAAT NIET VANZELF

NEDERLANDS JURISTENBLAD
LAND VEROVEREN
GAAT NIET
VANZELF
ž Rechtsstaat in Jemen?
P. 1311-1370 JAARGANG 86 20 MEI 2011
10169210
20
*$$*
%)0'
,!$!"#$*
/($!+!
/($!+!
'%($+.+-!&+'$! +
...#$,.)&$$/($!+!
/($!+!'&$!&!*%*+-'$$!
.++&-)0%$!&-&)$&'')
",!*+!&+)()++!!*&)''+$-&
.+-!&-))!"#+%+!++&,!+'&)%)
()$%&+!) &$!&&",)!*(),&
+!'-&!&* !#+/($!+!'-)
!&+)&+!'&$)$!&&!-''))$&
-&$&0!"&
'#&0!"&*)'(/($!+!
'&$!&&-++&()+ %&0')-,$!
.'&*$+!-&)$-&+.+-!&
)!&')%+!'-)'&&%&+*-')
%&&)*-)* &&'#&-!&+
,'(...#$,.)&$-&*#,&+, !)-'')
'&++'(&%&%+$!&$&+'&
++&$
/
%!$!&'#$,.)&$
)!"*.!"0!!&&-'') ',&)!"0&0!"&!&$,*!
!"
Inhoud
Vooraf
1313
1037
Prof. mr. T. Hartlief
Aansprakelijkheid in kwaliteit
Wetenschap
1038
1314
Prof. mr. W.J.M. van Genugten en
dr. mr. N.M.C.P. Jägers
Land veroveren gaat niet vanzelf
Over de permanente en inherente
spanning tussen internationaal
recht en (internationale) politiek
Essay
1039
1322
Dr. mr. R. Janse
Rechtsstaatopbouw in Jemen?
Rubrieken
Rechtspraak 1040–1059 1329
Boeken 1060
1345
Tijdschriften 1061–10721346
Wetgeving 1073–1075
1353
Nieuws 1076–1081
1361
Universitair nieuws 1082 1367
Personalia 1083
1368
Agenda 1084
1369
Marloes liep door de trap
van een paard flink
LICHAMELIJK LETSEL
op. Wie moet je aanspreken: de eigenaar/bezitter
van het paard of de bedrijfsmatig gebruiker? Zij
deed het verkeerd en viste
achter het net. Pleidooi
voor een wettelijk systeem
van cumulatie: naast de bezitter zou ook de bedrijfsmatig gebruiker in zijn
kwaliteit aansprakelijk moeten zijn.
Pagina 1313
Graag minder STRESS IN
HET OMGEVINGSRECHT!
Wie in dit rechtsgebied moet
werken, verdient eindelijk eens
de rust om zich een systeem eiPagina 1365
gen te maken.
INTERNATIONAAL RECHT
OF MACHTSPOLITIEK?
Vorig jaar zijn in Nederland het
internationale recht en zijn verdedigers flink op de proef gesteld. Maar wie slechts redeneert vanuit het positieve
internationale recht blijft vaak
zitten met te eenvoudige antwoorden voor complexe vragen.
Pagina 1314
Omslag: © Mark Evans/iStockphoto
Voor vrouwen is het onbillijk als
zij met ‘KOUDE UITSLUITING’ gehuwd zijn en hebben
meebetaald aan de echtelijke
woning. Volgend jaar wordt de
‘belegginsleer’ ingevoerd waarbij ook rekening wordt gehouden met de waardeontwikkeling
Pagina 1367
van het huis.
Het vereiste van een
HIV-NEGATIEVE STATUS
voor toekenning van een verblijfsvergunning is stigmatiserend en niet noodzakelijk om de
volksgezondheid te beschermen,
oordeelde het EHRM.
Pagina 1329
Hoewel het ging over het telen
van slechts 5 HENNEPPLANTEN is het OM toch
ontvankelijk. De verdachte
deed namelijk niet onmiddellijk
afstand van de planten en dat is
wel de eis bij toepassing van de
Pagina 1338
richtlijn.
NEDERLANDS JURISTENBLAD
Opgericht in 1925 Eerste redacteur J.C. van Oven.
Auteursaanwijzingen Zie www.njb.nl. Het al dan niet op
de aanvang van het nieuwe abonnementsjaar worden
Erevoorzitter J.M. Polak.
verzoek van de redactie aanbieden van artikelen impliceert
opgezegd; bij niet-tijdige opzegging wordt het abonne-
Redacteuren Tom Barkhuysen, Ybo Buruma, Coen Drion,
toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging
ment automatisch met een jaar verlengd.
Ton Hartlief, Corien (J.E.J.) Prins, Taru Spronken,
t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
Gebruik persoonsgegevens Kluwer BV legt de gegevens
Peter J. Wattel (vz.).
Redactiebureau Bezoekadres: Lange Voorhout 84,
van abonnees vast voor uitvoering van de (abonnements-)
Medewerkers Chr.A. Alberdingk Thijm, technologie en
Den Haag, postadres: Postbus 30104, 2500 GC Den Haag,
overeenkomst. De gegevens kunnen door Kluwer, of zorg-
recht, Alex F.M. Brenninkmeijer, alternatieve geschillen-
tel. (0172) 466399, e-mail [email protected], www.njb.nl en
vuldig geselecteerde derden, worden gebruikt om u te infor-
beslechting, Wibren van der Burg, rechtsfilosofie en
www.kluwer.nl.
meren over relevante producten en diensten. Indien u hier
rechtstheorie, G.J.M. Corstens, Europees strafrecht,
Secretaris, nieuws- en informatie-redacteur
bezwaar tegen heeft, kunt u contact met ons opnemen.
Eric Daalder, bestuursrecht, Caroline Forder, personen-,
Caroline M.Th. Lindo
Advertentie-exploitatie Ria Blokland, tel. (0172) 466568,
familie- en jeugdrecht, Janneke H. Gerards, rechten van de
Adjunct-secretaris Else Lohman
email [email protected]
mens, Ivo Giesen, burgerlijke rechtsvordering en rechts-
Secretariaat Nel Andrea-Lemmers
Kluwer/Media Order Services Tel. (0172) 466565,
pleging, Richard H. Happé, belastingrecht, Guus J.J.
Vormgeving Colorscan bv, Voorhout, www.colorscan.nl.
fax (0172) 466639
Heerma van Voss, sociaal recht (socialezekerheidsrecht),
Uitgever Simon van der Linde
ISSN 0165-0483 NJB verschijnt iedere vrijdag, in juli en
Aart Hendriks, gezondheidsrecht, Marc Hertogh, rechts-
Uitgeverij Kluwer, Postbus 23, 7400 GA Deventer.
augustus driewekelijks. Hoewel aan de totstandkoming van
sociologie, Martijn W. Hesselink, rechtsvergelijking en
Op alle uitgaven van Kluwer zijn de algemene leverings-
deze uitgave de uiterste zorg is besteed, aanvaarden de
Europees privaatrecht, P.F. van der Heijden, internationaal
voorwaarden van toepassing, zie www.kluwer.nl.
auteur(s), redacteur(en) en uitgever(s) geen aansprakelijk-
arbeidsrecht, C.J.H. Jansen, rechtsgeschiedenis,
Abonnementenadministratie, productinformatie Kluwer
heid voor eventuele fouten en onvolkomenheden, noch
M.J. Kroeze, ondernemingsrecht, Willemien den Ouden,
Afdeling Klantcontacten, www.kluwer.nl/klantenservice,
voor gevolgen hiervan. Voor zover het maken van kopieën
bestuursrecht, Theo de Roos, straf(proces)recht, Sierd J.
tel. (0570) 673555.
uit deze uitgave is toegestaan op grond van art. 16h t/m
Schaafsma, internationaal privaatrecht, Nico J. Schrijver,
Abonnementsprijs Inclusief toegang tot het besloten deel
16m Auteurswet j°. Besluit van 29 december 2008, Stb.
volkenrecht en het recht der intern. organisaties, Ben
van www.njb.nl en inclusief automatisch te ontvangen
2008, 583, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde
Schueler, omgevingsrecht, J.M. van Slooten, arbeidsrecht,
banden € 274, inclusief BTW en verzendkosten.
vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te
Thomas Spijkerboer, migratierecht, Elies Steyger, Europees
Studenten 50% korting! Losse nummers € 19,75.
Hoofddorp (Postbus 3051, 2130 KB).
recht, T.F.E. Tjong Tjin Tai, verbintenissenrecht,
Abonnementen kunnen op elk gewenst moment worden
F.M.J. Verstijlen, zakenrecht, Dirk J.G. Visser, intellectuele
aangegaan voor de duur van minimaal één jaar vanaf de
eigendom, Inge C. van der Vlies, kunst en recht, Rein
eerste levering, vooraf gefactureerd voor de volledige
Wesseling, mededingingsrecht, Reinout Wibier, financieel
periode, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen.
recht, Willem J. Witteveen, staatsrecht.
Abonnementen kunnen schriftelijk tot drie maanden voor
VU Law Academy
#FUSPLLFOPQ|XDPNQFUFOUJF
Leergangen najaar 2011:
voor juristen met ambitie
www.vula.nl
vrije Universiteit amsterdam
VACATURE-INDEX
In de vacature-index treft u een overzicht aan van de belangrijkste vacatures die deze week zijn opgenomen in het NJB
en/of op www.njb.nl
Gemeente Enschede
juridisch adviseur a
www.njb.nl
Gemeente Leidschendam-Voorburg
jurist bestemmingsplannen
www.njb.nl
Rechtbank Rotterdam
senior rechter kanton
www.njb.nl
Gemeente Waterland
afdelingshoofd algemene juridische zaken
www.njb.nl
Wilt u ook optimaal bereik in de juridische sector?
Plaats dan uw vacature in het Nederlands Juristen Blad en sta ook op www.njb.nl, www.binnenlandsbestuur.nl en
www.jobnews.nl. Bel voor meer informatie Ria Blokland. Telefoon 0172-466568, email [email protected]
Vooraf
1037
Aansprakelijkheid in kwaliteit
20
Loretta mocht na de training in de binnenbak
nog even uitlopen. Op uitnodiging van degene
die het paard daarbij begeleidde, kwam vervolgens een tienjarig meisje de bak binnenlopen. Toen
Marloes achter Loretta langs liep, trapte het paard in haar
gezicht met ernstig letsel als gevolg.
Het geval heeft drie rechterlijke instanties beziggehouden. Alsof het zo’n ingewikkeld geval is, zult u denken.
Dat Loretta’s ‘eigen energie en het onberekenbare element
dat daarin opgesloten ligt’ cruciaal waren, staat toch buiten kijf. Daarmee komt, zo denkt u nog steeds, art. 6:179
BW in beeld. Deze bepaling brengt een risicoaansprakelijkheid voor dieren mee die is gekoppeld aan een bepaalde hoedanigheid.
Hier is iemand in kwaliteit aansprakelijk, maar wie?
Dat blijkt, zo heeft deze zaak pijnlijk duidelijk gemaakt,
een lastiger vraag dan men zou denken. Art. 6:179 schuift
de bezitter naar voren. De parlementaire geschiedenis
hecht vooral aan de gedachte dat de bezitter een makkelijk te traceren persoon zou zijn, voor wie het tevens voor
de hand ligt zich te verzekeren tegen mogelijke aansprakelijkheid.
De ouders van Marloes stellen als haar wettelijk vertegenwoordigers inderdaad eigenaar/bezitter Van de
Water aansprakelijk voor de schade. Van de Water meent
echter dat zij bij hem aan het verkeerde adres zijn: manege De Gulle Ruif is aansprakelijk, niet omdat zij bij nader
inzien bezitter zou zijn, maar omdat zij bedrijfsmatig
gebruiker van het paard was. Art. 6:181 brengt mee dat de
aansprakelijkheden van art. 6:173 (gebrekkige roerende
zaken), art. 6:174 (gebrekkige opstallen) en art. 6:179 (dieren) in geval van bedrijfsmatig gebruik van deze zaken en
dieren rusten op de bedrijfsmatig gebruiker en dus niet
op de bezitter. Maar maakte de manege nu bedrijfsmatig
gebruik van Loretta? Naar normaal spraakgebruik, zo
geeft de rechtbank aan, is dat niet het geval: het paard
was immers van Van de Water en werd niet door de manege aan derden verhuurd of voor rijlessen ingezet. Het
paard was slechts ter ‘belering’ in de manege: het werd
daar tegen betaling getraind en zadelmak gemaakt. Het
beleren vormt uiteraard een onderdeel van de bedrijfsuitoefening, de manege verdient er geld mee, maar is het
trainen en zadelmak maken nu bedrijfsmatig gebruik?
Rechtbank en Hof meenden van wel en krijgen steun van
de Hoge Raad (RvdW 2011, 455)1. Art. 6:181 met zijn verlegging van de aansprakelijkheid berust enerzijds op de
overweging dat de benadeelde niet behoort te worden
belast met de moeilijkheden van een onderzoek naar en
de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar en anderzijds op de eenheid van de onderneming in
het kader waarvan het dier wordt gebruikt, het feit dat
bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht
op het verkrijgen van profijt, en het feit dat van een
ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico
als één risico verzekert. Bij de beantwoording van de
vraag of de aansprakelijkheid van art. 6:179 in plaats van
op de bezitter rust op degene die het dier bedrijfsmatig
gebruikt, is niet relevant of degene die dit bedrijf uitoe-
Reageer op NJBlog.nl op het Vooraf.
fent bezitter dan wel houder van het dier is, ook niet of
het doel waartoe het dier aldus wordt gebruikt, inmiddels
bijna is bereikt en evenmin of hij het dier duurzaam en
ten eigen nutte gebruikt.
Uiteindelijk is De Gulle Ruif hier inderdaad bedrijfsmatig gebruiker, zodat zij en niet Van de Water hier de
kwalitatief aansprakelijke persoon is. Voor Marloes en
haar ouders was het een harde les: zij bleken de verkeerde
te hebben aangesproken. Tijd om alsnog de juiste persoon
op de korrel te nemen was er niet meer.
Zij liepen stuk op een centraal element van het wettelijk systeem dat voor slachtoffers zeer vervelend kan
uitpakken: de aansprakelijkheden van art. 6:173, 174 en
179 rusten hetzij op de bezitter, hetzij op de bedrijfsmatig
gebruiker. Het systeem is er een van alternativiteit.
Cumulatie van kwalitatieve aansprakelijkheden werd
onwenselijk geacht, mede met het oog op het voorkomen
van dubbele verzekeringslasten. Tegelijkertijd, zo geeft
ook de Hoge Raad aan, geldt er geen exclusiviteit: dat er
een kwalitatieve aansprakelijkheid (van bezitter of
bedrijfsmatig gebruiker) is, staat niet in de weg aan een
op art. 6:162 gebaseerde aansprakelijkheid van enige persoon (denk aan een echte derde, maar het zou ook weer
de bezitter of bedrijfsmatig gebruiker kunnen zijn). Dat
stelt het argument van de dubbele verzekeringslasten in
een wat ander licht: in de praktijk zullen die er wel degelijk zijn. Vaak zullen bij schade veroorzaakt door zaken
wel degelijk meerdere personen tegen aansprakelijkheid
verzekerd zijn.
Zaken als deze roepen de vraag op of het wettelijk systeem niet alsnog door een uitgangspunt van cumulatie
zou moeten worden beheerst2 : naast de bezitter zou ook
de bedrijfsmatig gebruiker in zijn kwaliteit aansprakelijk
te stellen moeten zijn. Ik voorspel in ieder geval dat het
huidig systeem nog vaker eisers zal treffen die hun geld
op de verkeerde persoon zetten3. Neem alleen al de volgende casus. Een man brengt zijn auto naar de garage
voor een reparatie aan de achteras. Tijdens een proefritje
door de monteur breekt de versnellingspook af. De
bestuurder schrikt zodanig dat hij een aanrijding veroorzaakt. Wie is er aansprakelijk voor de schade veroorzaakt
door deze gebrekkige roerende zaak (art. 6:173)? Probeer
het maar eens in uw omgeving: hoevelen denken er, mede
tegen de achtergrond van het arrest waarin Loretta een
kwalijke hoofdrol speelt, werkelijk aan het garagebedrijf in
diens kwaliteit van bedrijfsmatig gebruiker van deze auto?
Ton Hartlief
1. Ik heb mij mede laten inspireren door de bespreking van dit arrest op njblog.nl.
2. Natuurlijk kan men in het huidige systeem meerdere personen in rechte betrekken, maar
dat heeft consequenties in de kostensfeer en kan ook meer tegenspraak en tegenstand
organiseren.
3. En dan rijzen vragen van beroepsaansprakelijkheid (advocaat) of zoals in het Loretta-arrest
vertegenwoordigersaansprakelijkheid.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1313
Wetenschap
1038
Land veroveren
gaat niet vanzelf
Over de permanente en inherente spanning tussen
internationaal recht en (internationale) politiek
Willem van Genugten en Nicola Jägers1
Land veroveren door het internationale recht op machtspolitiek gaat niet zonder slag of stoot, en dat is maar
goed ook. Wie denkt dat internationaalrechtelijke verworvenheden een rustig bezit zijn, laat zich in slaap
sussen en vergeet al snel om onderhoud te plegen. Enkele Nederlandse uitdagingen komen voorbij, zoals Irak
2003, Kosovo 1999, de discussie over het EVRM, het rapport-Davids en de Staatscommissie Grondwet.
D
e ontwikkeling van het internationale recht kan
worden gezien als het veroveren van land ‘op die
machtspolitiek die verzuimt de menselijke waardigheid als uitgangspunt te nemen’.2 En zoals vaak bij
ontwikkelingen waar iets groots op het spel staat, zijn er
gelukkig ook vertegenwoordigers te vinden van ‘de tegengestelde lijn’, hetzij uit volle overtuiging, hetzij als contrapunt in het debat, hetzij als verdedigers van een situatie
die is ontstaan door een samenloop van praktische
omstandigheden. In het afgelopen jaar zijn in Nederland
het internationale recht en zijn verdedigers een aantal
keren flink op de proef gesteld, bijvoorbeeld tijdens het
debat dat volgde op het ‘rapport-Davids’ en door het
In het afgelopen jaar zijn in
Nederland het internationale
recht en zijn verdedigers
een aantal keren
flink op de proef gesteld
Regeer- en Gedoogakkoord. In deze bijdrage worden enkele
van deze uitdagingen tegen het licht gehouden van, wat
wij noemen, de ‘landveroveringsthese’. Bij die these gaan
we uit van een situatie met twee grootheden (internationaal recht en mondiale machtspolitiek) waarbij – schematisch bezien en met weglating van het schemergebied − de
ruimte voor de ene grootheid slinkt naarmate die voor de
1314
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
andere groeit. Noem het communicerende vaten. De interactie tussen recht en machtspolitiek kan de vorm hebben
van het stapsgewijs overhevelen van een stuk ‘land’ van
het ene domein naar het andere, maar kan ook raken aan
nieuwe politieke inzichten en de wens om reeds veroverd
land op te geven of aan onachtzaam omgaan met eerdere
landveroveringen. Er zit, anders gezegd, een permanente
spanning tussen diegenen die meer ruimte willen voor het
internationale recht en de daarbij behorende middelen
van regelgeving en rechtspleging en degenen die meer neigen naar de machtpolitieke overhand. Nederland kende
het afgelopen jaar heel wat uitdagingen waarbij de twee
uitersten elkaar ontmoetten. Het leidt in deze bijdrage tot
de conclusie dat het ‘veroverde land’ bepaald geen rustig
bezit is en dat de uitdagingen ook de verdedigers van het
internationale recht dwingen tot zelfreflectie en tot het
formuleren van vindingrijke en passende antwoorden op
nieuwe complexe vraagstukken.
Irak 2003 en het vervolg op ‘Davids’
Het eerste moment uit 2010 waarin het internationale
recht in ons land opeens veel extra aandacht kreeg, betrof
de presentatie van het rapport van de commissie-Davids
en het hele spectrum aan reacties daarop. Daarbij laten we
de bijval voor ‘Davids’ goeddeels weg.
De lijn van de commissie-Davids is bekend; het volkenrechtelijke standpunt van de regering betreffende de
inval in Irak in 2003 viel niet goed te verdedigen. De
norm die bij ‘Irak’ in het geding was, betrof het verbod op
gebruik van geweld, en zo stelden volkenrechtjuristen na
het verschijnen van het rapport van de commissie feitelijk: als zelfs deze fundamentele norm van dwingendrechtelijke aard mag worden genegeerd of mag worden
geïnterpreteerd op een wijze die onder normale omstandigheden niet is toegestaan, dan wordt de bijl gezet aan
een van de pijlers van de moderne internationale orde.
Nu is in het geval van de invasie in Irak in 2003 wel
gezegd dat uitholling van het geweldsverbod als zodanig
niet ter discussie stond, omdat de Veiligheidsraad al een
(impliciete) machtiging tot het gebruik van geweld had
neergelegd in eerdere resoluties − specifiek Resolutie 1441
van november 2002 dan wel de optelsom van alle resoluties sinds het begin van de Tweede Golfoorlog, de zogenoemde ‘corpus’-theorie −, maar de commissie-Davids
maakte overtuigend duidelijk dat dat geen juiste interpretatie is van de wijze waarop de Veiligheidsraad pleegt te
werken.3 Resolutie 1441 zegt weliswaar ook dat Irak dan
‘serious consequences’ stonden te wachten, maar die maakten deel uit van de laatste waarschuwing en niet van de
nog niet bestaande resolutie over machtiging tot gebruik
van geweld. Daar kon, aldus ‘Davids’, met de kennis van de
gebruikelijke werkwijze van de Veiligheidsraad geen misverstand over bestaan. Dat ‘misverstand’ begon pas te
groeien toen er politieke redenen waren om te trachten
aan de greep van het internationale recht te ontkomen.
We zitten dan in het hart van de ‘landveroveringsthese’.
De volkenrechtelijke paragrafen uit het rapport, en
de daaropvolgende bijval uit volkenrechtelijke kring,
hebben op hun beurt veel reacties opgeroepen. Zo bijvoorbeeld van Fred van Staden, hoogleraar internationale
betrekkingen te Leiden. Hij nam het, kort gezegd, op voor
de machtspolitieke lijn, met als basisargument dat de
grondregels met betrekking tot gebruik van geweld minder eenduidig zijn dan volkenrechtjuristen stellen en dat
de internationale rechtsorde minder verder ontwikkeld is
dan haar verdedigers willen doen geloven.4 Van Staden
stelt dat overigens onder de gelijktijdige erkenning dat
‘Davids’ goed werk heeft geleverd (‘ondeugdelijke juridische constructies’, ‘overtuigend door de commissie-Davids
vastgesteld’). Zijn belangrijkste tegenargument lijkt te zijn
ingegeven door een zekere ergernis over het juristenbrein
(‘tunnelvisie’). Van Staden: ‘Sinds jaar en dag wordt in
Nederland het denken over internationale vraagstukken
in termen van macht en belang als iets onzedelijks
beschouwd. Dit verklaart waarom elke regering zich
gedwongen voelt belangrijke beslissingen over vrede en
veiligheid te rechtvaardigen met argumenten die aan het
internationaal recht zijn ontleend.’
En dan, vast en zeker om volkenrechtelijk Nederland
wat te ‘jennen’: ‘Een simpele verwijzing naar de grondwettelijke inspanningsplicht tot bevordering van de internationale rechtsorde is al voldoende om de heersende rechtzinnigheid op dit punt te handhaven.’
Van Stadens argumenten komen vervolgens samen
in de vraag of een regering niet soms ‘mag en onder
omstandigheden zelfs moet afwijken van geschreven of
ongeschreven regels van volkenrecht’ en dat die vraag
‘gemakkelijk ontkennend te beantwoorden zou zijn, wan-
neer we te maken zouden hebben met een internationale
rechtsorde die enigszins te vergelijken is met een rechtsorde die in beschaafde samenlevingen bestaat’. Ofwel: de
rule of law bestaat internationaal nauwelijks,5 terwijl overigens ‘zo’n rechtsorde in wereldverband wel zeer gewenst
[zou] zijn’. Vervolgens geeft Van Staden een aantal voorbeelden van hedendaagse tekortkomingen, alle ontleend
aan het subterrein van de vrede en veiligheid, met als
centrale these dat de Veiligheidsraad uiteindelijk gewoon
een politiek orgaan is, en dat ‘de zuivere toepassing van
rechtsbeginselen in deze omgeving vaak op even grote
Het belangrijkste
tegenargument lijkt te zijn
ingegeven door een zekere
ergernis over het juristenbrein
afstand [staat] als het praktiseren van seksualiteit in een
victoriaans nonnenklooster’. Los van de vraag of dat laatste met zekerheid klopt…, zit in zijn beeld een forse kern
van waarheid. Maar die waarheid heeft meer kanten, zoals
de op polemiek ingestelde auteur Van Staden natuurlijk
ook weet. Hij werd per kerende post bediend door Peter
Kooijmans, oud-hoogleraar volkenrecht en oud-rechter in
het Internationale Gerechtshof.6 De kern van Kooijmans’
argument: maak van de huidige stand van het volkenrecht geen karikatuur (‘niemand die bij zinnen is [zal]
stellen dat het volkenrecht bij het nemen van buitenlands-politieke besluiten het enige referentiekader is’) en
waak ertegen om à la carte te werk te gaan: de criteria
voor uitzonderingen op het verbod op geweldgebruik luisteren nauw, aldus Kooijmans, en ‘het volkenrecht is geen
sjabloon dat je naar believen op een situatie kunt leggen
en, als het niet past, terzijde kunt leggen’.
‘Irak-2003’ en ‘Kosovo-1999’ als laboratoria
In zijn reactie op Van Staden kwam Kooijmans ook kort te
spreken over de Kanttekening die commissielid Van
Walsum had gemaakt bij het rapport van de commissieDavids – die erop neerkwam ‘dat de regering [niet] verkeerd heeft gehandeld door voor de Amerikaans-Britse
inval Nederlands politieke steun uit te spreken’, omdat
‘een verantwoordelijke regering zich niet alleen door de
regels van het volkenrecht maar ook door de eisen van de
internationale politiek [dient] te laten leiden’7 − alsook
over een van de voorbeelden die Van Staden aanhaalde
Auteurs
Noten
Veiligheidsraad: is een oorlog voorkomen?’,
of an Effective World Order, Leiden/
1. Prof. mr. W.J.M. van Genugten en dr. mr.
2. W. van Genugten, ‘Handhaving van
NJB 22 november 2002, p. 2094-2095.
Boston: Martinus Nijhoff Publishers 2007.
N.M.C.P. Jägers zijn hoogleraar respectieve-
wereldrecht. Een kritische inspectie van
4. ‘In de internationale politiek mag het
6. ‘Volkenrecht leg je niet terzijde’, NRC
lijk universitair hoofddocent Internationaal
valkuilen en dilemma’s’, NJB 2010/12, p. 46.
recht niet altijd het zwaarst wegen’, NRC
Handelsblad 19 februari 2010.
Recht, Universiteit van Tilburg.
3. Rapport Commissie van onderzoek
Handelsblad 13 februari 2010.
7. Rapport Commissie van onderzoek
besluitvorming Irak, Amsterdam: Boom
5. Zie ook A. van Staden, Between the Rule
besluitvorming Irak, Amsterdam: Boom
2010. Zie ook N.J. Schrijver, ‘Irak en de
of Power and the Power of Rule. In Search
2010, p. 270.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1315
Wetenschap
© Mark Evans/iStockphoto
om aan te geven dat volkenrechtelijk Nederland de zaken
niet scherp ziet: de vraag namelijk of de humanitaire
noodsituatie in Kosovo militair ingrijpen rechtvaardigde.
Het is niet toevallig dat de militaire interventie in
Kosovo in 1999 steeds als voorbeeld wordt aangehaald om
te illustreren wat er in het mondiale rechtspolitieke
domein op het spel staat. De vraag die daar speelde was of
er buiten de VN om, en wel op het moment dat de VNVeiligheidsraad het liet afweten, met militaire middelen
mocht/moest worden ingegrepen om een einde te maken
aan (dreigende) grootschalige schendingen van de rechten
van de mens. In deze casus kan iedereen iets van zijn
gading vinden. Bovendien zijn er veel parallellen met ‘Irak2003’. Evenals Van Staden en Kooijmans, haalde Van
Walsum, in een krantenstuk waarmee hij zich mengde in
het ‘post-Davids-debat’,8 ‘Kosovo’ uitvoerig aan, waarbij zijn
relaas tevens kan worden gelezen als nadere ondertiteling
1316
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
bij zijn Kanttekening bij ‘Davids’. Ook Van Walsum heeft
zich kennelijk verbaasd over of gestoord aan de volkenrechtelijke inbreng in het debat na het verschijnen van het
rapport en gebruikte ‘Kosovo’ om dat te illustreren. Volgens
Van Walsum werd die actie in ons land ‘bijna unaniem verheerlijkt als schoolvoorbeeld van een geslaagde humanitaire interventie’, waarbij hij zich afvraagt ‘of hier niet de
wens de vader van de gedachte is en of die gedachte over
rechtsontwikkeling rond zulke zaken voortkomt uit naïviteit dan wel is gestoeld op volkenrechtelijk realisme’.
Zonder op alle ins en outs van ‘Kosovo-1999’ te kunnen ingaan, is het van belang even een stap terug te zetten in de tijd en te zien hoe de Nederlandse regering destijds haar steun aan de NAVO-operatie rechtvaardigde.
Het te bestrijden gevaar lag deze keer in de al dan niet
vaststaande dreiging van grootschalige etnische zuiveringen in Kosovo, terwijl de VN-Veiligheidsraad ook toen niet
De militaire interventie
in Kosovo werd gesitueerd
op de subtiele lijn van
volken rechtelijke legaliteit
versus een door humanitaire
motieven afgedwongen
legitimiteit
tot besluitvorming in staat was, waarna de NAVO actie
ondernam buiten de VN om. Deze actie was in strikte zin
illegaal, want in strijd met het geweldsverbod zoals neergelegd in het VN-Handvest, maar verschillende NAVOlidstaten probeerden aan de (staatsaansprakelijkheids)
consequenties van het label ‘illegaal’ te ontsnappen door
een rechtvaardiging te zoeken in de humanitaire noodzaak om tot actie over te gaan. De Nederlandse regering
koos als lijn dat een halt diende te worden toegeroepen
aan de Joegoslavische president Milošević en dat hij desnoods buiten de VN om gedwongen diende te worden ‘de
internationale eisen na te leven en af te zien van verder
geweld tegen de bevolking van Kosovo’.9 Daarmee situeerde zij de actie op de subtiele lijn van volkenrechtelijke
legaliteit versus een door humanitaire motieven afgedwongen legitimiteit. Naast de talrijke verschillen – zo
ging het bij ‘Irak’ niet om een inval op basis van humanitaire motieven; dat argument werd er pas later bijgehaald,
toen de originele redengeving niet houdbaar bleek – zijn
de parallellen met ‘Irak 2003’ frappant, en Van Walsum
heeft gelijk dat het standpunt inzake ‘Kosovo’ de Nederlandse regering minder zwaar is aangerekend dan dat
inzake ‘Irak’. In volkenrechtelijke kring werd ‘Kosovo’
echter, en veel preciezer dan Van Walsum schrijft, vooral
gebruikt voor een debat over de vraag of er rond humanitaire interventies een regel van gewoonterecht aan het
ontstaan is,10 met evenwel als breed gedragen uitkomst
dat dat (nog) niet het geval was. Om aan die eis te voldoen, moet immers worden voldaan aan de strenge criteria die het Internationaal Gerechtshof aan de vorming
van regels van gewoonterecht stelt, zoals het bestaan van
een (min of meer) consistente statenpraktijk, en daartoe
mogen alle gevallen die op dit vlak doorgaans worden
aangehaald − zoals de interventie van India in OostPakistan (Bangladesh) in 1971, van Tanzania in Oeganda
in 1978, van Vietnam in Cambodja in 1978, van de Verenigde Staten in Grenada in 1983 en in Panama in 1989,
het creëren van een veilige zone voor de Koerden in
Noord-Irak (1991), en ‘Kosovo-1999’ dus − niet eenvoudigweg bij elkaar worden opgeteld. Daarvoor zijn ze te ongelijksoortig en is de geschiedenis van het ingrijpen ook te
specifiek verbonden met de binnenlandse politiek en de
historie van de landen die tot ingrijpen besloten. Dat alles
staat nog los van de eveneens vereiste opinio iuris. Waarschijnlijk had Van Walsum niet die (genuanceerde) discussie op het oog toen hij volkenrechtelijk Nederland vermanend toesprak. En als er na ‘Kosovo’ al sprake is van
rechtsontwikkeling – vooruitgang in de ogen van sommigen, vervuiling van het systeem in de ogen van anderen
− dan is het omdat ‘we misschien af en toe iets moeten’,
ook als het geldende recht dat niet of nog niet toestaat.
De Nederlandse regering duidde dat ooit aan als ‘een
noodinstrument voor extreme situaties’, waarbij men zich
‘rekenschap dient te geven van de risico’s van afzijdigheid’,
aangezien ‘de wereldgemeenschap zich geen nieuwe
‘Rwanda’s’ kan permitteren’.11 En dat zijn nou juist de
situaties waarin Van Walsums politieke en morele argumenten wellicht de doorslag zouden moeten geven.
Als bekend heeft het Internationale Gerechtshof zich in
zijn Advisory Opinion over de vraag of de eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo in overeenstemming
was met het internationale recht, niet willen branden
aan deze vraag, die in het volkenrechtelijke taalgebruik
ook wel wordt aangeduid als het vraagstuk van remedial
secession.12
Realisme versus constructivisme
De discussie over Irak en Kosovo laat zich uitstekend
plaatsen in het debat over realisme en constructivisme in
de internationale orde, waarbij de eerste lijn uitgaat van
verschillen in macht en invloed van staten en waarbij de
sterkste de uitkomst bepaalt, en de tweede stelt dat het
internationale systeem een stelsel van gedeelde waarden
kent die het gedrag van de actoren beïnvloeden en zo
nodig corrigeren. Deze woorden zijn − met weglating van
de derde lijn die hij onderscheidt (het institutionalisme)
− ontleend aan de oratie die Jaap de Hoop Scheffer hield
bij aanvaarding van de Peter Kooijmans-leerstoel.13
Wie De Hoop Scheffer op het netvlies heeft als Minister
van Buitenlandse Zaken tijdens de inval in Irak en weet
hoe zijn rol in het rapport van de commissie-Davids is
beschreven – als, kort gezegd, iemand die het met het
internationale recht niet al te nauw nam − zou wellicht
een geluid verwachten dat op het continuüm realismeconstructivisme dicht bij het realisme ligt. Het is dan
(voor ons: aangenaam) verrassend te lezen dat hij de ‘ontwikkeling van het internationaal recht − de twee woorden alleen al zijn voor realisten een oxymoron (…) − een
zodanige vlucht heeft genomen dat [in] de school van het
realisme de duiding van de huidige wereldorde tekort
8. ‘Grenzen van volkenrecht zijn bereikt’,
Horbach, R. Lefeber & O. Ribbelink (eds),
12. Zie www.icj-cij.org/docket/
60 Ars Aequi 2011, p. 11-19.
NRC Handelsblad 27 en 28 februari 2010.
Handboek Internationaal Recht, Den Haag:
files/141/15987.pdf, ff. Zie voor enkele
13. ‘Opkomst G-20: bedreiging voor geves-
9. Kamerstukken II 1998/99, 22 181,
T.M.C. Asser Press 2007, p. 385-436, in het
commentaren daarop: C. Ryngaert in
tigde instituties?’, Leiden 8 oktober 2010,
nr. 241.
bijzonder p. 426-436.
Netherlands International Law Review
in sterk verkorte vorm afgedrukt in de Inter-
10. Zie bijv. het AIV/CAVV-advies, Humani-
11. Notitie ‘Humanitaire Interventie Joego-
2010, issue 3, in het bijzonder p. 490-494,
nationale Spectator, januari 2011, p. 8-13.
taire interventie 2000, par. II.2, en W. van
slavië’, aangeboden aan de Tweede Kamer
en S. van den Driest, ‘Kosovo’s onafhanke-
De citaten komen uit de langere versie,
Genugten, F. Grünfeld & D. Leurdijk, ‘Inter-
op 30 oktober 2001 (kenmerk DVF/
lijkheidsverklaring en het Internationaal
zoals verspreid door de voorlichtingsdienst
nationale rechtshandhaving’, in: N.
PJ-577/01).
Gerechtshof : een onzeker precedent’,
van de Universiteit Leiden.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1317
Wetenschap
schiet’.14 En: ‘[H]et belang van een stelsel van internationaalrechtelijke en sociale normen (…) [kan] moeilijk worden overschat’, omdat we anders belanden ‘in de “anarchie” van de realisten’ en dat lijkt De Hoop Scheffer ‘geen
aanlokkelijk vooruitzicht’.15 In zijn woorden is het internationale recht een ‘absolute voorwaarde staten en politieke leiders bij de les te houden’.16 Het zou flauw zijn hier
nogmaals zijn positie aangaande de inval in Irak in herinnering te roepen. Dat zou alleen gerechtvaardigd zijn
indien De Hoop Scheffer ook na een half jaar bezinningstijd nog steeds een standpunt zou verdedigen dat hiervoor als onhoudbaar is aangeduid. Noem het voortschrijdend inzicht dat kon postvatten na het neerdalen van het
stof van ‘Davids’. Of het spiegelbeeld daarvan: in 2003
moesten we het doen ‘met de kennis van toen’ en afwegingen die op basis daarvan al dan niet in redelijkheid
konden worden gemaakt. In het volkenrecht geldt, zoals
overal elders, de ‘clausula rebus sic stantibus’, ter vermijding van handelen met wijsheid achteraf. Er kan nauwelijks misverstand bestaan over de wijze waarop in 20022003 breed naar Saddam Hoessein werd gekeken; denk
slechts aan het buisje met Antrax dat ‘good guy’ Colin
Powell in februari 2003 in de VN-Veiligheidsraad
omhooghield. Ook de vier fracties die destijds in de Tweede Kamer vroegen om een tweede resolutie − de SP,
Groen Links, de PvdA en D66 – zullen achteraf (moeten)
toegeven dat zij eerder handelden op basis van hun
rechtspolitieke intuïtie dan van meer kennis van de feiten. Wat nog steeds niet wegneemt dat degenen die dachten dat het zonder een tweede resolutie kon volkenrechtelijk fout zaten…
Regeer- en Gedoogakkoord en de wens
tot het opzeggen van verdragen
Ook op andere wijzen werden de verdedigers van het
internationale recht in Nederland in 2010 uitgedaagd, zo
bijvoorbeeld door de Akkoorden die ten grondslag liggen
aan het kabinet-Rutte. In het Regeerakkoord staat te lezen
dat ‘waar nieuw nationaal beleid op juridische grenzen
stuit (…) Nederland zich binnen de Europese Unie of in
Debatten die een aantal
jaren geleden zo goed
als ondenkbaar waren,
worden nu wel gevoerd
ander verband [zal] inzetten voor wijziging van de betreffende verdragen, richtlijnen of afspraken’.17 Daar is op
zichzelf juridisch-technisch niets mis mee. De onderliggende boodschap is echter dat Nederland in het verleden
ofwel te veel aan zeggenschap heeft ingeleverd, dan wel
van plan is beleid te gaan voeren dat bij de huidige stand
van het internationale recht niet mogelijk is. ‘Land veroveren door het internationale recht’ wordt dan ‘land terug
veroveren op het internationale recht’.
1318
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Nederland mag op Europees niveau proberen richtlijnen op het vlak van migratie en asiel aan te passen.
Van belang is echter dat geen van de richtlijnen waarop
de pijlen zich richten als op zichzelf staand kan worden
gelezen, zoals ook door de commissie-Meijers aangetoond.18 Zo heeft het Hof van Justitie van de Europese
Unie door de decennia heen handelingen van EU-lidstaten
getoetst op hun ‘mensenrechtengehalte’, een lijn die in
2000 is neergelegd in het ‘Handvest van de Grondrechten
van de Europese Unie’. Dit mag dan in Nederland bij referendum zijn weggestemd, maar is daarna teruggekeerd als
Protocol bij het Verdrag van Lissabon, en samen met het
Verdrag sinds 1 december 2009 ook voor ons land
bindend. Daar komt bij dat met het Verdrag van Lissabon
de weg is vrijgemaakt voor de toetreding van de EU tot
het EVRM, waardoor de Unie eens temeer niet alleen een
economisch samenwerkingsverband is, maar ook een
‘waardengemeenschap’ – de bekende ‘ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten
worden geëerbiedigd’ – en wel voor iedereen die legaal –
en in sommige gevallen illegaal; denk aan het uitzettingsbeleid van uitgeprocedeerde asielzoekers – op het grondgebied van de Unie verblijft. Hier raken geldend recht en
veranderende politieke visies elkaar in optima forma.
Praten over het opzeggen van verdragen lijkt vaak
voort te komen uit ergernis over de reikwijdte en doorwerking van het internationale recht in de nationale
rechtsorde en steekt meestal de kop op als een internationale toezichthouder een uitspraak heeft gedaan waarbij
ons land op de vingers wordt getikt, hoe licht soms ook, of
als het vermoeden bestaat dat de onderhandelingen in
het verleden te soft zijn gevoerd dan wel met de kennis en
beleidsprioriteiten van nu tot een heel andere uitkomst
hadden kunnen leiden. Irritatie dus. Tegelijkertijd is het zo
dat debatten die een aantal jaren geleden zo goed als
ondenkbaar waren nu wel worden gevoerd. De discussie
over de grote reikwijdte en invloed van het EVRM en zelfs
over het opzeggen van dat verdrag als dat niet verandert,
is hiervan een voorbeeld. De bijdragen aan dat debat
beginnen vaak met één of enkele, doorgaans goed gekozen voorbeelden waaruit blijkt dat het Hof zijn reikwijdte
ver heeft opgerekt, gevolgd door een vaak nogal karikaturale uitvergroting van de geldingsdrang van het Hof, waartegen het vervolgens niet al te lastig strijden is. Zo schreef
Tom Zwart, hoogleraar Rechten van de Mens in Utrecht,
dat ‘in het uitdijende Verdrag het Hof steeds meer en verfijndere rechten [leest]’ en dat het Hof daardoor ‘steeds
meer [begint] te lijken op koning Midas, omdat alles wat
het aanraakt in mensenrechten verandert’.19 Ook vermeldt
hij, blijkens de context met instemming, dat de Britse
regering werkt aan een wetsvoorstel waarin ‘Britse rechters [worden] ontmoedigd zich nog langer te voegen naar
Straatsburgse uitspraken, behalve in zaken waarbij GrootBrittannië zelf partij is’. Het mag bij snelle lezing een klein
punt lijken, maar is het niet, zoals ook Zwart zal weten. In
zijn stuk en dat van anderen, zoals Thierry Baudet,20 staan
diverse zaken waarover het zinvol discussiëren is − zoals
het primaat van de politiek, de mogelijkheid om (weer)
meer gebruik te maken van minnelijke schikkingen en de
vraag of het Hof inderdaad te weinig weerwerk krijgt,
anders dan van NGO’s en academici − maar zijn wijze van
argumenteren draagt er naar onze smaak toe bij dat het
debat, in een land dat toch al van meningen aan elkaar
hangt, al te zeer in een populistisch-politieke sfeer wordt
getrokken. In de woorden van Rick Lawson, EVRM-kenner
bij uitstek, roepen auteurs als Zwart en Baudet bovendien
‘een beeld van het EHRM op dat niet spoort met de feiten’.
Lawson: ‘Dit Hof toont zich in de regel juist gevoelig voor
culturele verschillen. Uit het (…) EVRM vloeit géén recht
op abortus voort (A, B & C/Ierland, 2010), en géén recht op
openstelling van het huwelijk voor homo’s (Schalk & Kopf,
2010). Als Nederland besluit een Turkse burger vanwege
zijn strafblad het land uit te zetten, kan het Hof dat billijken (Üner, 2006). Nederland wordt sowieso maar zelden
veroordeeld door het EHRM [vorig jaar gebeurde dat bijvoorbeeld slechts tweemaal, WvG/NJ].21 Het Hof wijst 95%
van alle Nederlandse zaken af en moedigt schikkingen
tussen de staat en klagers aan.’22
Eind vorig jaar wijdde het NJCM een pracht van een
themanummer aan het EVRM,23 dat evenwel door de
tegenstanders wel zal worden weggezet als een oratio pro
domo. Maar wat is dat huis en wat staat er op het spel?
Terecht benadrukken de redacteuren van het themanummer dat het EVRM zijn wortels heeft in de mensenrechtenschendingen van de Tweede Wereldoorlog, en ‘wie de
lessen uit het verleden niet kent, en bovendien de moeite
niet neemt om zich te verdiepen in het werk van Straatsburg, kan het Hof afschilderen als een obstakel, een
belemmering voor de efficiënte uitvoering van beleid’.24
Het kan geen kwaad dat de dragers van Regeer- en
Gedoogakkoord zich realiseren in welke traditie Nederland staat, alsook hoezeer de vrijheden waarvoor zij opkomen bevochten hebben moeten worden. Tegelijkertijd is
het EVRM, gelukkig, een ‘living instrument’ dat daadwerkelijk kan en mag worden uitgedaagd in het licht van
nieuwe inzichten. Maar wie de bijl zet aan de wortel en
niet slechts aan een of enkele takken, zet misschien wel
meer op het spel dan hij vermag te overzien. Of, blijvend
bij de eerder gebruikte beeldspraak: het is zaak eerder
gewonnen land niet zonder slag of stoot prijs te geven.
Het is het waard ervoor te vechten.
De Staatscommissie Grondwet en
de internationale rechtsorde
Een ander interessant Nederlands voorbeeld, eind 2010,
waarbij de spanning die het internationale recht kan
oproepen aan de orde kwam is het rapport van de Staats-
commissie Grondwet. Een van de opdrachten van de
Staatscommissie Grondwet luidde om te kijken naar ‘de
invloed van de internationale rechtsorde op de nationale
rechtsorde’.25 De kern van de aanbevelingen op dit vlak
luidt dat de commissie ‘geen redenen [ziet] om verandering te brengen in de van oudsher open houding van de
Nederlandse Grondwet ten opzichte van de internationale
en Europese rechtsorde’.26 Als bekend slaat dit op de syste-
Hoe behouden we het goede
van de grondrechten
maximaal overeind bij een
steeds veranderende tijdgeest?
matiek; de Staatscommissie doet wel een aantal praktische
voorstellen ter aanpassing, maar deze hebben niet geleid
tot het advies het systeem te wijzigen, tenzij men het
(meerderheids)advies om toetsing van nationaal recht aan
dwingende bepalingen van internationaal gewoonterecht
als zodanig ziet. Voor nu is dat echter niet van belang.27
Wel is van groot belang de vraag of men de oplossing van
de spanning tussen internationaal en nationaal recht
(mede) in handen legt (of laat liggen) van de rechterlijke
macht dan wel ziet als (primaire) taak van regering en Staten-Generaal. Het is een punt dat de commissie verdeelt,28
en dat na het verschijnen van het rapport nog een extra
lading kreeg via het eerder genoemde debat over de macht
van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en
door bijvoorbeeld de opmerking van Geert Wilders,
gemaakt ten tijde van de discussie over wraking van rechtbankpresident Jan Moors, dat hij het gevoel had bij zijn
proces tegenover D66 te staan.29 Het leidde in de periode
daarna tot alweer een forse toename van wrakingsverzoeken.30 Onze oud-studente Marloes van Noorloos, nu aio in
Utrecht, spreekt zonder Wilders te noemen over hetzelfde,
als zij zegt dat ‘[v]oor veel politici grondrechten vervelende
hindernissen [zijn] die het behalen van politiek gewin in
de weg staan’, dat smalle parlementaire meerderheden de
grenzen bepalen van de rechten die aan minderheden toe-
28. Rapport Staatscommissie Grondwet,
14. Idem, p. 13.
weerwerk’, NRC Handelsblad 17 januari
ten van de Mens. Een lichtend voorbeeld?,
15. Idem, p. 14.
2011.
speciaal nummer van het NTM/NJCM-
p. 129.
16. Idem, p. 15.
20. T. Baudet, ‘Het Europese Hof voor de
Bulletin, november-december 2010.
29. Waarschijnlijk alle kranten en overige
17. ‘Vrijheid en verantwoordelijkheid.
Rechten van de Mens vormt een ernstige
24. Idem, p. 681.
oude en nieuwe media, 4/5 oktober 2010.
Regeerakkoord VVD-CDA’, 30 september
inbreuk op de democratie’, NRC Handels-
25. Rapport Staatscommissie Grondwet,
30. Zie onder meer www.nu.nl/binnen-
2010, p. 3.
blad 13 november 2010.
november 2010, p. 13.
land/2387794/wilders-zet-trend-met-wra-
18. ‘Notitie immigratie en asiel in het
21. HvJ EU 14 september 2010, appl.nr.
26. Idem, p. 105.
kingsverzoek.html. Het aantal wrakingsver-
Regeerakkoord VVD-CDA 30 september
38224/03 (Sanoma Uitgevers BV/Neder-
27. Zie de reflecties op het rapport van de
zoeken is de laatste vijf jaar met maar liefst
2010’, CM1016, Utrecht 10 november
land) en HvJ EU 20 juli 2010, appl.nr.
Staatscommissie in dit blad van de hand van
81% is toegenomen. Zie M. Chrit & R. L.
2010, met bijlage, passim. Zie ook de ver-
4900/06 (A./Nederland).
Jit Peters en Geerten Boogaard (‘Staatscom-
Venneman, ‘Wraking en de legitimiteit van
volgnotitie, uitgebracht op verzoek van de
22. R. Lawson, ‘Het mensenrechtenhof
missie Thomassen: te voorzichtig’) en Luc
de Rechterlijke Macht (een evaluatie van
Tweede Kamer: CM1101, Utrecht 31 janua-
beschaaft Hongarije en Griekenland’, NRC
Verhey (‘De Staatscommissie Grondwet:
het wrakingsinstituut)’, Trema 2011, afl. 1.
ri 2011.
Handelsblad 25 januari 2011.
een doodgeboren kind?’), NJB 2010/2281,
31. M. van Noorloos, ‘Het toetsingsverbod
19. T. Zwart, ‘Bied dat mensenrechtenhof
23. 60 jaar Europees Verdrag voor de Rech-
p. 2802-2808 en NJB 2010/2282, p. 2809.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1319
Wetenschap
komen en dat het belang van toetsing door een onafhankelijke rechter eens te meer van belang is, juist omdat ‘de
rol van de wetgever zo ingrijpend is veranderd in het huidige krachtenveld van politiek, burgers en media’.31 En dan
zitten we wederom in het midden van de ‘landveroveringsthese’, met, anders dan hiervoor waar het steeds ging om
juridisch-getinte debatten in een politieke context, als centrale boodschap: hoe behouden we het goede van de
grondrechten maximaal overeind bij een steeds veranderende tijdgeest? En dat alles wederom zonder de ogen te
sluiten voor reële conceptuele vragen – aangaande bijvoorbeeld de Trias Politica – en praktische problemen – de wetgever kan niet alles voorzien en gaat niet over concrete
gevallen – die bij de werkverdeling tussen wetgever en
rechter altijd weer aan de orde zullen zijn.
Los van de vraag wie bij botsingen tussen internationaal en nationaal recht als ‘arbiter’ mag aantreden, laat de
Staatscommissie het systeem van voorrang voor internationaal recht dus intact. En dat is, al naar gelang het gekozen perspectief, niet te danken noch te wijten aan de aanwezigheid van volkenrechtspecialisten in de commissie.
Deze waren in Staatscommissie immers niet vertegenwoordigd, anders dan, indirect, via de volkenrechtelijke
kennis in de hoofden van de wel aanwezige (staats)rechtsgeleerden, via achtergrondstukken32 en via een expertmeeting met volkenrechtjuristen.33 Naar het causale verband kan slechts worden gegist, maar voor het huidige
stuk is de afwezigheid van specifiek volkenrechtelijke
kennis misschien wel eerder een zegen dan een nadeel,
omdat deze het voorstel voor handhaving van het systeem nog onverdachter maakt dan het al is.
De Staatscommissie Grondwet had mede tot
opdracht te kijken naar ‘de grondrechten in het digitale
tijdperk’34 en heeft daarmee zichtbaar geworsteld.
Misschien kon dat ook niet anders, gezien het feit dat het
onderwerp raakt aan fundamentele concepties over wat
grondrechten eigenlijk zijn, terwijl die concepties zelf aan
verandering onderhevig zijn en per commissielid zullen
hebben gevarieerd. Tekenend bijvoorbeeld is dat de commissie wel signaleert dat aan, bijvoorbeeld, de vrijheid van
meningsuiting een zorgplicht kleeft voor de overheid,
maar dat het ‘in eerste instantie een zorg van de samenleving – van de burgers zelf – [is] om de pluriformiteit van
meningen en gezichtspunten levend te houden’,35 reden
voor de commissie om aan de overheidskant te kiezen
voor het woord ‘eerbiediging’.36 Dat is een keuze waar veel
voor te zeggen valt – in landen als China en Rusland nog
meer dan bij ons − maar wel een keuze, in casu een waaruit vertrouwen spreekt in het zelfreinigend en -corrigerend vermogen van ‘de samenleving’ zonder dat de politieke macht eraan te pas hoeft te komen. Het zijn allemaal
aspecten die relevant zijn voor ‘het grotere verhaal’ van
dit artikel en voor beantwoording van de vraag hoe het
steeds veranderende strijdtoneel vanuit een (min of meer)
consistente filosofie tegemoet kan worden getreden. Eén
ding staat daarbij vast: wat de wetgever ook met de voorstellen van de Staatscommissie gaat doen, er zullen in de
toekomst altijd gevallen zijn waaraan een rechter te pas
moet komen om te bepalen of de grenzen van de vrijheid
van meningsuiting met voeten worden getreden, hetzij
aan de vraagkant, door burgers en media dus, hetzij aan
de kant van de autoriteiten tegen wie de vrijheid van
1320
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
meningsuiting wordt ingezet. We zijn dan terug bij nationale rechters en, bijvoorbeeld, het Europese Hof voor de
Rechten van de Mens en andere regionale en mondiale
toezichthouders. Het internationale recht heeft daarbij
een normerende rol te spelen, zowel in absolute zin (zoals
bij het verbod op het strafrechtelijk gebruik van informatie die via marteling is verkregen) als in relatieve zin: het
aanreiken en voorschrijven van criteria die in acht moeten worden genomen wil een land aanspraak kunnen
maken op de (niet-beschermde titel van) geciviliseerde
natie. ‘Landveroveren’ bij uitstek.
Slotopmerkingen
Land veroveren door het internationale recht op ‘machtspolitiek die verzuimt de menselijke waardigheid als uitgangspunt te nemen’ gaat niet zonder slag of stoot, en dat
is maar goed ook. Wie denkt dat internationaalrechtelijke
verworvenheden een rustig bezit zijn, laat zich in slaap
sussen en vergeet al snel om onderhoud te plegen. In dit
Wie alleen maar redeneert
vanuit het positieve
internationale recht blijft vaak
zitten met te eenvoudige
antwoorden voor complexe
vragen
stuk kwamen enkele Nederlandse testen en varianten van
onze landveroveringsthese voorbij, van onachtzaam
omgaan met eerdere landveroveringen (‘Irak 2003’) tot de
opdracht om (misschien) een stap naar voren te zetten
waar het bestaande internationale recht zwijgt (‘Kosovo
1999’), van nieuwe politieke inzichten en de wens om
reeds veroverd land op te geven (het Regeer- en Gedoogakkoord en de discussie over het EVRM) tot het veiligstellen
van verworvenheden (‘Davids’ en de Staatscommissie
Grondwet). Onze lijn: kijk waar reële mogelijkheden liggen
om het internationaalrechtelijke domein te vergroten,
onder gelijktijdige onderkenning van de voetangels en
klemmen. En vooral: wees zuinig op veroverd land en realiseer je hoeveel bloed, zweet en tranen het heeft gekost
om, met alle tekortkomingen, in de geschiedenis van de
mensheid zo ver te komen.
Verder is het van groot belang steeds voor ogen te
houden welk deel van het internationale recht aan de
orde is. Zo is het niet toevallig dat juist op het vlak van
vrede- en veiligheidvraagstukken de strijd tussen politiekmilitaire macht en internationaalrechtelijke inperkingen
daarvan sterk, zo niet het sterkst, aan de oppervlakte
komt. Zeker op dat vlak is het ‘landveroveren’ geen eenrichtingverkeer, waarbij eenmaal veroverd terrein voor
eens en voor altijd is veiliggesteld en geborgd door internationaalrechtelijke normstelling en handhaving. Staten
ontwikkelen voortdurend nieuwe veiligheidsdoctrines,
daartoe al dan niet aangezet door onvoorziene, nieuwe
uitdagingen, en dat zal in de toekomst niet anders zijn.
De antwoorden zullen even vindingrijk moeten zijn.
Niemand kan en zal met droge ogen kunnen bepleiten dat Nederland zich te allen tijde moet houden aan de
letter van het internationale recht, noch dat het internationale recht oplossingen dicteert voor alle mogelijke gevallen. Sterker: wie te veel – laat staan: alleen maar – redeneert vanuit het positieve internationale recht (‘black
letter law’) blijft vaak zitten met te eenvoudige antwoorden voor belangwekkende, complexe vragen. Het internationale recht dient daarom, behalve waar dat volstrekt evident en onomstreden is, in politieke debatten niet
apodictisch te worden gepresenteerd, al was het maar
omdat het recht vervolgens de schuld krijgt van iets waarop veeleer de boodschapper zou moeten worden aangesproken. De attitude moet veeleer zijn dat het internationale recht zich voortdurend dient te bewijzen, via een
mix van principieel-fundamentele en pragmatische argumenten. Het zal zijn plaats in het debat ten goede komen.
Zo te werk gaande is er ook een scherper zicht te
krijgen op de grenzen van het volkenrecht (Van Staden,
Van Walsum, Zwart), of liever: op de grenzen van wat recht
internationaal vermag en de vraag wat er redelijkerwijs
van het internationale recht en internationale organisaties − denk aan de VN en haar vredesoperaties − en instituties − denk aan het Internationale Strafhof en zijn interventies in vredesprocessen en aan het EHRM − mag
worden verwacht. Ook hier is het zaak met een langeretermijnblik te blijven kijken onder een gelijktijdig open
oog voor actuele en acute problemen. Verder kunnen
inzichten uit belendende wetenschappen als de leer van
de internationale betrekkingen, de antropologie en de
geschiedwetenschap, of het gebruik van methodes uit de
hoek van empirische kennisverzameling, ervoor zorgen
dat klassiek-juridische argumenten worden gecontextualiseerd en daardoor met des te meer kracht en kans op
acceptatie kunnen worden geponeerd. De terreinen waarmee het internationale recht zich bezighoudt, behoren
niet tot het exclusieve domein van de jurist, terwijl juist
in interactie met andere disciplines en benaderingen
nieuwe inzichten en betere antwoorden kunnen ontstaan.
Daarbij is het positieve internationale recht er ook, en
niet in de laatste plaats, om grenzen aan te geven en strepen te trekken. Er is immers sinds de Tweede Wereldoorlog ook gewoonweg veel bereikt.
Daarbij gaat het voor Nederland ook om de ‘systeemvraag’, de vraag namelijk of de Nederlandse soevereine
volkswil systematisch en mede in het licht van het Grondwettelijke stelsel ten aanzien van de doorwerking van
internationaal recht waarvoor ooit op goede gronden
werd gekozen, te veel wordt ingeperkt door of last heeft
van geldend internationaal recht. Een debat over dat alles
is goed, om te voorkomen dat de aannames onder de werking die het internationale recht in Nederland heeft als
vanzelfsprekendheden dienst doen. Maar liever dan internationale verdragen te presenteren als iets waaraan ons
land is gehouden ‘omdat het niet anders kan’ is te begrijpen waar die binding vandaan komt en waaruit zij inhoudelijk bestaat. Daarover moet de discussie gaan en dan
zullen zelfs geharnaste tegenstanders van te veel internationaalrechtelijke ‘bemoeizicht’ begrijpen dat zij meer op
het spel zetten dan op het eerste gezicht mag lijken.
en de tijdgeest ’, NJB 2010/2284, p. 2816.
voor Constitutioneel Recht, juli 2010,
diale ontwikkelingen en de noodzakelijke
34. Idem, p. 13.
32. Zie bijv. P.A. Nollkaemper, ‘De Grond-
p. 286-296, waarin hij in een vroeg stadium
Nederlandse openheid.
35. Idem, p. 79.
wet en de opkomende angst voor de inter-
enkele goed onderbouwde klaroenstoten
33. Rapport Staatscommissie Grondwet,
36. Idem, p. 80.
nationale rechtsorde’ (essay), Tijdschrift
liet horen over de verhouding tussen mon-
p. 170.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1321
Essay
1039
Rechtsstaatopbouw
in Jemen
Ronald Janse1
Ook al lijkt het op dit moment ver weg om in verband met Jemen over een rechtsstaat te spreken, toch zal die
in de toekomst opgebouwd moeten worden. Er is een rapport voorhanden over het Jemenitische recht waarin
met geen woord gerept wordt over de niet-statelijke rechtssystemen die daar welig tieren. Dat is net zo
vreemd als een rapport over het Nederlandse recht waarin niets staat over het statelijk recht.
O
p 23 en 24 mei organiseren het Hague Institute
for the Internationalisation of Law en het in Beiroet gevestigde Arab Center for the Development
of the Rule of Law and Integrity een conferentie over de
Arabische lente in het Vredespaleis. Vertegenwoordigers
van regeringen, juridische beroepsgroepen en lokale
NGOs uit vijf Arabische landen (Egypte, Jemen, Jordanië,
Libanon en Tunesië) zullen daarin met vertegenwoordigers van een aantal internationale organisaties en Westerse regeringen van gedachten wisselen over de vraag hoe
de EU en andere donoren effectieve steun kunnen bieden
bij de transities in de Arabische wereld. Centraal thema
is hoe hulp kan worden geboden bij de opbouw van de
rechtsstaat teneinde meer vrijheid en economische ontwikkeling in de regio te realiseren.
Het verband tussen de fragiliteit
van staten en grensoverschrijdend
terrorisme is discutabel
Rechtsstaatopbouw is een van de prioriteiten in de
op handen zijnde Europese strategie voor hulp bij de transities in Noord-Afrika en het Midden-Oosten.2 Naar verluidt zal Nederland met Zweden een van de hoofdrolspelers zijn bij de uitwerking van deze rechtsstaatstrategie.
Dit biedt voor Nederland de gelegenheid om de koers bij
te stellen van een aantal al lopende initiatieven van de
internationale gemeenschap, waaronder de door Nederland voorgezeten werkgroep rechtsstaatopbouw van de
Vrienden van Jemen, een samenwerkingsverband van
bijna dertig staten en internationale organisaties. Uit een
analyse van het eindrapport van deze werkgroep blijkt
namelijk dat het rechtsstaatbeleid sterk gericht is geweest
op de veiligheidsagenda van Westerse staten en Golfstaten. Als gevolg daarvan is onder de vlag van rechtsstaatopbouw tot nu toe eerder rule by law versterkt dan de rule
1322
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
of law. Met de dood van Osama bin Laden is het gevaar
van grensoverschrijdende terreur uiteraard niet geweken,
maar een serieuze strategie van rechtsstaatopbouw vereist
meer dan effectieve grensbewaking en rechtshandhaving.
Friends of Yemen
Op eerste kerstdag 2009 mislukte een aanslag op een
vlucht van Amsterdam naar Detroit. De dader, de 23-jarige
Nigeriaan Umar Farouk Abdulmatallab, verklaarde zijn
training, instructies en explosieven te hebben gekregen
in Jemen. Op 28 december eiste Al-Qaeda-op-het-ArabischSchiereiland (voortaan AQAS), het vanuit Jemen opererende filiaal van de beruchte terroristische organisatie, de
verantwoordelijkheid voor de aanslag op. Zodoende kwam
Jemen in het middelpunt van de belangstelling te staan.
Na een lange reeks aanslagen, waaronder die op de USS
Cole in 2000 in Aden, was de aanslag op vlucht 253 het
definitieve bewijs dat het land was uitgegroeid tot een uitvalsbasis van Al-Qaeda. Het AQAS-gevaar moest worden
bestreden, maar hoe?
De Amerikaanse regering, overbelast door Irak en
Afghanistan, liet begin januari weten geen grondtroepen
te sturen. De oplossing, vonden ook andere Westerse regeringen en landen uit de regio, zou liggen in steun aan de
Jemenitische regering bij terreurbestrijding. De gelegenheid om hierover van gedachten te wisselen, deed zich
snel voor. Op 28 januari 2010 stond een internationale top
over Afghanistan gepland in Londen. Toenmalig ministerpresident Gordon Brown stelde voor om de dag daaraan
voorafgaand een conferentie over Jemen in te lassen voor
Ministers van Buitenlandse Zaken en vertegenwoordigers
van de EU, het UNDP (het ontwikkelingsprogramma van
de Verenigde Naties) en andere internationale organisaties. Na afloop van deze twee uur durende conferentie
riepen 22 staten en 5 internationale organisaties zich uit
tot de Friends of Yemen, een samenwerkingsverband dat
zich ten doel stelt Jemen te helpen.3 Daartoe werden twee
werkgroepen opgericht: één voor Economy and Governance en een voor Justice and Rule of Law. Van die laatste
werkgroep werd Nederland voorzitter, samen met Jordanië. ‘Het is duidelijk dat de internationale gemeenschap
niet zal toestaan dat Jemen een tweede Afghanistan
wordt’, verklaarde toenmalig Minister van Buitenlandse
Zaken Maxime Verhagen.4
Het bericht over het Nederlandse gedeelde voorzitterschap van de werkgroep rechtsstaatopbouw in Jemen
kwam voor velen als een verassing. Weliswaar onderhoudt
Nederland een structurele ontwikkelingsrelatie met Jemen
en is zij na de Wereldbank, het IMF en de Verenigde Staten
de grootste donor van dat land.5 Maar anders dan Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten had
Nederland mondjesmaat geïnvesteerd in rechtsstaatopbouw.6 Nederland heeft zich primair toegelegd op hulp bij
gezondheidszorg, waterbeheer en onderwijs. Desondanks is
het Nederlandse voorzitterschap een diplomatiek succes
geworden. Dankzij een strakke regie en uitgebreide consultaties kon op 24 september jl. in New York een eindrapport7 worden voorgelegd tijdens het tweede ministeriële
overleg van de Vrienden van Jemen. Maar is het eindrapport ook goed voor de rechtsstaat in Jemen? De stelling
van dit artikel is dat het rapport in de huidige vorm weinig bijdraagt aan de rechtsstaat in Jemen, maar dat de
kans op een zinvolle bijdrage nog niet verkeken is.
Rechtsstaatopbouw en terreurbestrijding
Terreurbestrijding is zowel aanleiding als doelstelling van
de werkgroepen rechtsstaatopbouw en economie en
bestuur van de Vrienden van Jemen. Na afloop van de
ministeriële top van 27 januari 2010 verklaarde de toenmalige Britse Minister van Buitenlandse Zaken David
Miliband aan de pers:
‘… the ... UK prime minister … called this meeting
shortly after the failed terrorist attack on Northwest Airlines flight 253 ... In tackling terrorism, it is vital to tackle
the root – its root causes. In Yemen’s case, these are manifold – economic, social and political … Working closely
with the government of Yemen, we decided that our agenda needed to cover agreement on the nature of the problem and then address the solutions across the economic,
social and political terrain … we agreed to launch a formal
Friend of Yemen process ... which will address the broad
range of challenges facing Yemen, including through two
working groups on economy and governance and justice
and law enforcement.’8
Deze woorden passen naadloos in het antiterreurbeleid waaraan we sinds 9/11 en Afghanistan gewend zijn
geraakt. Dit beleid is gebaseerd op twee veronderstellingen. De eerste is dat er een verband is tussen grensoverschrijdend terrorisme en fragiele staten. Dit zijn staten die
niet bij machte zijn (grote delen van) hun grondgebied te
beheersen en niet of nauwelijks in staat zijn hun burgers
veiligheid en andere essentiële openbare diensten te leveren.9 Deze staten bieden terroristische organisaties gele-
In afgelegen gebieden zijn domweg
geen rechtbanken en politie
genheid hun acties voor te bereiden en te coördineren en
hun leden te trainen in ungoverned spaces en black holes,
de termen die in militaire en diplomatieke kringen in
zwang zijn geraakt om gebieden aan te duiden die zich
aan effectieve staatsmacht onttrekken. Ook heerst in fragiele staten een dermate bar klimaat van armoede, endemische ziekte, onveiligheid en werkloosheid dat een groot
aantal mensen zich aansluit bij terroristische organisaties.
Dit verband tussen fragiliteit en terrorisme is discutabel.10 Er zijn veel fragiele staten zonder terroristische
organisaties (Liberia) of met alleen lokale terroristische
organisaties (Colombia). Omgekeerd zijn grensoverschrijdende terroristische organisaties te vinden in staten die
weliswaar slecht functioneren, maar die in alle of in elk
geval de meeste delen van het land nog een redelijk effectieve overheidsmacht hebben. De vestigingskeuze van
grensoverschrijdende terreurorganisaties wordt ingegeven
door een reeks van factoren, waaronder de aanwezigheid
van voorzieningen die lang niet in of nabij alle fragiele
staten voorhanden zijn: (lucht)havens, financiële dienstverlening, communicatiefaciliteiten. Jemen is echter wél
een illustratie van het veronderstelde verband tussen fragiliteit en terrorisme. Het land is de thuisbasis van AQAS
en oefent momenteel een magnetische aantrekkingskracht uit op Jihadisten uit het Westen.
De tweede aanname van het huidige antiterreurbeleid is dat er een verband is tussen (rechts)staatsopbouw
en terreurbestrijding: als geïnvesteerd wordt in het over-
Auteur
Canada, China, de Tsjechische Republiek,
6. Zie www.cilc.nl/index.php?page=cilc-s-
Een Wereldwijde Verantwoordelijkheid,
1. Dr. mr. R. Janse is universitair hoofd-
Egypte, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan,
track-record; Y. Sayigh, Fixing Broken Win-
mei 2004, nr. 35, p. 11.
docent rechtstheorie aan de Universiteit
Jordanië, Koeweit, Nederland, Oman,
dows; Security Sector Reform in Palestine,
10. T.E. Aalberts, ‘Een gevaarlijke driehoeks-
Utrecht en themacoördinator Rule of Law
Qatar, de Russische Federatie, Saoedi
Lebanon, and Yemen, Carnegie Papers,
verhouding?; Falende staten, georganiseer-
aan het Hague Institute for the Internatio-
Arabië, Spanje, Turkije, de Verenigde
Carnegie Endowment for International
de misdaad en transnationaal terrorisme’,
nalisation of Law. Met dank voor commen-
Arabische Emiraten, het Verenigd Konink-
Peace 2009, p. 17-8.
Justitiële Verkenningen 2009, 35:3, p.
taar aan Laila al-Zwaini en Margaret Plan-
rijk, de Verenigde Staten, Jemen, de EU, het
7. Zie www.fco.gov.uk/en/global-issues/
13-29; A. Hehir, ‘The Myth of the Failed
ken.
secretariaat van de Gulf Cooperation Coun-
conflict-prevention/mena/yemen/.
State and the War on Terror: A Challenge
cil, het IMF, het UNDP, en de Wereldbank.
8. ‘Remarks with British Foreign Secretary
to the Conventional Wisdom’, Journal of
Noten
4. NRC Handelsblad 28 januari 2010, p. 5.
David Miliband and Yemeni Foreign Minis-
Intervention and State Building 2007, 1:3,
2. http://ec.europa.eu/commissi-
5. Zie www.ministeriebuitenlandsezaken.nl/
ter Abu Bakr Abdullah al-Qirbi’, U.S.
p. 307-32; S. Patrick, ‘“Failed” States and
on_2010-2014/president/news/speeches-
en/Key_Topics/Development_Cooperation/
Department of State, zie www.state.gov/
Global Security: Empirical Questions and
statements/pdf/20110308_en.pdf; www.
Partner_Countries/Countries_
secretary/rm/2010/01/135930.htm.
Policy Dilemmas’, International Studies
consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/
alphabetically/Y/Yemen. Deze en alle ande-
9. Adviesraad Internationale Vraagstukken
Review 2007, 9, p. 644-62.
docs/pressdata/en/ec/119780.pdf.
re vermelde websites zijn geraadpleegd op
en Commissie van Advies inzake Volken-
3. De organisatie bestaat uit Bahrein,
30 januari 2011.
rechtelijke Vraagstukken, Fragiele Staten;
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1323
Essay
heidsapparaat, het rechtssysteem en de economie van
fragiele staten, dan zullen terroristische organisaties wegkwijnen, omdat zij er niet langer een vrijhaven en grote
aantallen verse rekruten vinden. Aldus is (rechts)staatsopbouw een speerpunt geworden van het internationale
veiligheidsbeleid.
Deze veronderstelling is discutabel, ook ten aanzien
van Jemen. Het is misleidend om grote delen van Jemen
te omschrijven als ungoverned spaces of black holes. Deze
delen worden bestuurd door stammen met hun eigen
recht en rechtspleging. Volgens sommige waarnemers zijn
deze tribale ordes de afgelopen tien jaar onderhevig
geraakt aan slijtage, doordat hun leiders gecoöpteerd zijn
door het regime van president Saleh en veel van hun tijd
doorbrengen in Sana’a, met als gevolg dat zij hun taak van
geschilbeslechting verwaarlozen en conflicten steeds
vaker en gewelddadiger escaleren. Deze waarnemers zien
juist hierin de oorzaak dat AQAS een veilige toevluchtshaven heeft verworven in Jemen; zolang de tribale ordes
beter functioneerden, was AQAS niet welkom om trainingskampen op te zetten.11 Dezelfde waarnemers stellen
dat effectieve bestrijding van AQAS in Jemen nauwe
samenwerking met de stammen vereist. Volgens hen ligt
de oorzaak van het AQAS-probleem niet in staatszwakte
en de oplossing van het probleem niet in (rechts)staatopbouw in zogenaamde ungoverned spaces, maar in
samenwerking met de niet-statelijke tribale verbanden die
deze onbestuurde zwarte gaten al eeuwen besturen.
De aanbevelingen komen overeen
met die welke de afgelopen tien
jaar al vaker door donoren zijn
gedaan en die nauwelijks resultaat
hebben gehad
Diagnose en aanbevelingen
Jemen kampt met forse economische, demografische en
politieke problemen. Het is het armste land in de Arabische
wereld. Het gemiddelde inkomen is minder dan $ 900 per
jaar, de helft van de bevolking leeft van minder dan $ 2 per
dag. Circa 75% van de inkomsten in de nationale begroting
is afkomstig uit oliewinning, maar de voorraden slinken
snel en zijn voor 2020 volledig uitgeput. Er zijn nu 23 miljoen Jemenieten, twee derde jonger dan 24 jaar; bij voortduring van het huidige geboortecijfer, een van de hoogste
ter wereld, is de bevolking verdubbeld in 2030. De werkloosheid bedraagt officieel 40%, maar ligt in feite ruim
daarboven, vooral onder jongeren. De grondwaterspiegel
daalt twee meter per jaar, water is schaars. Jemenitische
instituties zijn zwak en kunnen nauwelijks veiligheid,
water, werk en andere diensten leveren aan alle burgers,
vooral niet buiten de steden. Sada’a, in het Noorden, is
sinds 2004 in opstand onder leiding van de Houthi-familie,
dit leidt regelmatig tot zware gevechten met het regerings-
1324
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
leger. In het Zuiden is een steeds omvangrijker seperatistische beweging, die eveneens gewelddadige confrontaties
met het regeringsleger aangaat.
Er is een discrepantie tussen de perceptie van Jemenitische regering en de Vrienden van Jemen op AQAS:
voor de Jemenitische regering is de terreurorganisatie
slechts één van de vele problemen, en niet het meest dringende. Desalniettemin delen de Vrienden de vele andere
zorgen van de regering en achten ook zij de oplossing
daarvan urgent. Overeenkomstig de in de vorige alinea
geschetste beleidsinzichten menen zij namelijk dat het
AQAS-probleem wortelt in de belabberde toestand van het
land en dat effectieve bestrijding van de terreurorganisatie een verbetering vereist van de economische, sociale,
juridische en politieke omstandigheden. Militaire middelen zijn ontoereikend.12 De specifieke taak van de werkgroep rechtsstaatopbouw van de Vrienden is na te gaan
welke zwakke punten in de justitiële sector het AQAS
mogelijk maken vanuit Jemen te opereren. En om maatregelen voor te stellen ter verbetering van het Jemenitische
rechtssysteem.
Dat dit rechtssysteem inderdaad niet goed functioneert, blijkt uit de uitkomsten van een groot aantal interviews met Jemenieten door het Arab Barometer Project.13
Slechts een derde vertrouwt de rechtspraak en gelooft dat
burgers er gelijk worden behandeld; een derde vertrouwt
de politie; en minder dan een derde gelooft dat de overheid corruptie serieus bestrijdt. Deze perceptie van Jemenieten op de justitiële- en veiligheidssector steekt negatief
af bij zowel hun perceptie op andere sectoren van overheidsbeleid, bijvoorbeeld gezondheidszorg en onderwijs,
als bij de perceptie die burgers van andere Arabische landen hebben op de eigen justitiële- en veiligheidssector.
Het rapport van de werkgroep identificeert drie
tekortkomingen in het Jemenitische rechtssysteem en
suggereert oplossingen.
Ten eerste is het statelijke recht ontoegankelijk. In
afgelegen gebieden zijn domweg geen rechtbanken en
politie. In gebieden waar rechtbanken wel aanwezig zijn,
worden ‘niet alle’ – preciezer is: bijna geen, zoals zo dadelijk zal blijken – geschillen aan de rechter voorgelegd,
duren gerechtelijke procedures te lang, is de tenuitvoerlegging van vonnissen gebrekkig en is sprake van corruptie. Vrouwen en kinderen kunnen nauwelijks gebruikmaken van het recht. Verder wijst het rapport op het
ontbreken van programma’s ter preventie van jeugdcriminaliteit en de re-integratie van jeugddelinquenten.
Om de toegang tot het recht te verbeteren, beveelt
het rapport aan de juridische aanwezigheid van de overheid te vergroten, met name in afgelegen gebieden. De
komende tien jaar moet elk jaar één rechtbank en één
politiebureau worden gebouwd en uitgerust in de tien
armste gebieden. Daarnaast beveelt het rapport aan de
toegang tot en het gebruik en kwaliteit van de rechtspleging aan nader onderzoek te onderwerpen en op basis
daarvan doelstellingen te formuleren voor verdere hervormingen. Het rapport beveelt ook aan de politie beter te
trainen en de relatie tussen de politie en lokale gemeenschappen te verbeteren. Onder de noemer van toegang tot
het recht brengt het rapport ook de verbetering van het
vermogen van het Ministerie van Justitie om geschillen
over water, land en eigendom te voorkomen. Deze aanbe-
De stad Al Hajjara in Jemen © Helena Lovincic/iStockphoto
velingen komen in grote lijnen overeen met die welke de
afgelopen tien jaar al vaker door donoren zijn gedaan en
nauwelijks resultaat hebben gehad. Het rapport besteedt
geen aandacht aan minder conventionele suggesties die
door experts gedaan zijn voor rechtsstaatverbetering.14
De tweede tekortkoming is gebrekkige grensbewaking. De landgrens met Saoedi-Arabië is poreus, de kust en
territoriale wateren staan nauwelijks onder effectief toezicht. Wapenhandel, mensenhandel, illegale immigratie,
illegale visserij, illegale financiële transacties en piraterij
kunnen vrijwel ongestoord plaatsvinden. Het rapport
beveelt aan de kustwacht te versterken, de samenwerking
met de buurlanden te verbeteren en grensbewakers beter
op te leiden in documentenfraude en identiteitsfraude.
De derde tekortkoming is corruptie in de rechtelijke
macht en het Openbaar Ministerie en bij de politie en
andere instanties die tot veiligheidssector behoren. Het
rapport noemt een reeks oorzaken, waaronder lage salarissen, gebrekkige kennis van procedures bij zowel rechtzoekenden als leden van het justitieel apparaat en sterke con-
trole van de uitvoerende macht; onduidelijke grenzen
tussen rechters en aanklagers (vaak dezelfde personen die
van gedaante verwisselen). Het rapport beveelt aan de
effectiviteit te verbeteren van een reeks al bestaande
instellingen, regelingen en methoden voor corruptiebestrijding, bijvoorbeeld integriteitstrainingen van rechters,
aanklagers en andere functionarissen.
Lacunes en onevenwichtigheden
Het rapport besteedt vrijwel uitsluitend aandacht aan de
versterking van het formele, statelijke rechtssysteem.
Niet-statelijk recht valt nagenoeg buiten het blikveld.15 De
enige keer dat het rapport het bestaan van niet-statelijk
recht terloops ter sprake brengt, is bij de modernisering
van de registratie van grond en eigendom. Dit is overigens
een terechte zorg van de Vrienden van Jemen, omdat
geschillen over eigendom veelvuldig tot conflicten leiden
die vaak gewelddadig worden beslecht, met naar schatting
4000 doden per jaar als gevolg – voor Jemenieten een veel
groter probleem dan terrorisme. Deze overigens gebrek-
11. S. Philips & R. Shanahan, Al-Qaída,
ment for International Peace, Middle East
ce in Yemen’, Paper for the Conference on
Tribal Arbitration in San’a’, in: B. Dupret &
Tribes and Instability in Yemen, Policy
Program, maart 2010. Zie ook Healy & Hill,
the Relationship between State and Non-
F. Burgat, Le Shaykh et le Procureur; Systè-
Paper, Lowy Institute for International Poli-
‘Yemen and Somalia’.
State Justice Systems in Afghanistan, 10-4
mes Coutumiers et Pratiques Juridiques au
cy, november 2009; Philips, ‘What Comes
12. Friends of Yemen Working Group Eco-
december 2006, p. 14-6, verkrijgbaar via
Yémen et en Égypte 2005, p. 309-335;
Next in Yemen? Al-Qaeda, the Tribes, and
nomy and Governance, Final Report, p. 7.
www.usip.org/files/file/zwaini_paper.pdf.
Idem, ‘State and Non-State Justice in
State-Building’, Yemen: on the Brink;
13. www.arabbarometer.org.
15. L. al-Zwaini, ‘Mediating between Cus-
Yemen’.
A Carnegie Paper Series, Carnegie Endow-
14. L. al-Zwaini, ‘State and Non-State Justi-
tom and Code: Dãr al-Salãm, an NGO for
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1325
Essay
kige aandacht voor niet-statelijk recht is merkwaardig. In
Jemen heeft het statelijke recht, zoals eerder opgemerkt,
een slechte naam. Niet-statelijk recht, een combinatie
van Sharia en tribaal gewoonterecht dat wordt toegepast
door een breed palet aan tribale en geestelijke leiders
(en overigens buiten werktijd ook door formele rechters
en gerechtsdienaren) geniet een aanzienlijk betere reputatie. Het is toegankelijk; snel; kosten worden openlijk en
gezamenlijk overeengekomen; uitspraken worden in veruit de meeste gevallen nageleefd. Volgens schattingen
wordt minstens 80% van de geschillen in Jemen opgelost
in niet-statelijke rechtssystemen. Daarbij gaat het om
geschillen rond eigendom, een erfenis, scheiding, mishandeling en moord.
Overigens is het onderscheid tussen statelijk en nietstatelijk recht niet absoluut. Zo kunnen rechters in hun
uitspraken verwijzen naar recht dat in niet-statelijke
geschillenbeslechting wordt toegepast; zijn sommige
materiële normen identiek; vervullen sommige rechters
en andere beambten ook taken in niet-statelijke vormen
geschillenbeslechting; zijn sommige plaatselijke geschillenbeslechters door de staat benoemd; en erkent de Arbitragewet de geldigheid van de uitkomst van niet-statelijke
geschilbeslechting, voor zover deze in overeenstemming
is met het statelijke recht. Informele geschilbeslechting is
toegestaan onder de Wet op arbitrage, behalve in geval
van moord, en valt strikt genomen dus onder het formele
recht, maar in de praktijk onttrekt het zich aan het blikveld van statelijke rechtbanken.16
De afwezigheid van aandacht voor niet-statelijke
rechtssystemen is des te opmerkelijker, omdat donoren
het belang van deze rechtssystemen inmiddels volop
onderkennen.17 Tien jaar geleden was dat anders. Toen lag
de nadruk vrijwel uitsluitend op versterking van het formele, statelijke rechtssysteem. Juridische ontwikkelingssamenwerking kwam neer op de invoering of wijziging
van wetten; de bouw en het uitrusten van rechtbanken;
het trainen van rechters, Officieren van Justitie en advocaten; het automatiseren van de zaaksbehandeling; het verbeteren van de juridische opleiding, en wat dies meer zij.18
Ook vandaag de dag worden projecten gericht op de versterking van het statelijke recht nog volop geïnitieerd en
uitgevoerd. Maar de afgelopen vijf à zes jaar is bij donoren
het besef ontstaan dat niet-statelijke rechtssystemen in
ontwikkelingslanden veel belangrijker zijn dan het formele rechtssysteem. Invloedrijke donoren en organisaties,
waaronder de OESO, het UNDP en de Wereldbank, benadrukken aandacht voor niet-statelijke rechtssystemen in
hun recente beleidsstrategieën en in projecten die recent
door hen zijn geïnitieerd en gefinancierd.19
Het is niet duidelijk wat de visie van de Vrienden van
Jemen is op de dominantie van niet-statelijke rechtssystemen in het dagelijks leven van Jemenieten. Verwachten ze
dat niet-statelijke rechtssystemen de komende jaren vanzelf zullen verdwijnen als de door de hen beoogde versterking van het formele rechtssysteem slaagt? Gelet op de
omvang van de problemen in het formele rechtssysteem
en de diepe wortels van het niet-statelijke recht is dit
onwaarschijnlijk. Of zouden de Vrienden juist denken dat
niet-statelijke rechtssystemen ongemoeid moeten blijven
omdat ze uitstekend functioneren? Ook dat ligt niet voor
de hand: niet-statelijke rechtssystemen kampen deels met
1326
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
dezelfde tekortkomingen als die welke de Vrienden signaleren in het formele rechtssysteem, zoals discriminatie
tegen vrouwen, migranten in de kuststreken, en armen
zonder stamverband. Deze problemen willen ze in het formele rechtssysteem aanpakken. Hoe dit ook zij, een rapport over het Jemenitische recht dat met geen woord rept
over niet-statelijke rechtssystemen is net zo vreemd als
een rapport over het Nederlandse recht waarin niets staat
over het statelijk recht.
Een tweede tekortkoming van het rapport van de
Vrienden van Jemen is de miskenning van de invloed van
het Jemenitische politieke systeem op het mogelijke succes van pogingen tot (rechts)staatopbouw. Op papier is
Jemen een democratie met een gekozen parlement en president, wetten, een onafhankelijke rechterlijke macht, en
is politieke machtsuitoefening in redelijke mate onderworpen aan politieke en juridische verantwoording.
In werkelijkheid worden macht en middelen in Jemen
verdeeld door patronage. Persoonlijke relaties, niet onpersoonlijk legaal-juridisch gezag, zijn de basis van het func-
Verwacht men soms dat
niet- statelijke rechtssystemen de
komende jaren vanzelf zullen
verdwijnen als de versterking van
het formele rechtssysteem slaagt?
tioneren van de staat.20 Saleh, die in 1978 president werd
van Noord-Jemen en in 1990 van het verenigde Jemen,
heeft zijn positie weten te behouden door geld, overheidsbanen (Jemen telt 800 000 ambtenaren) en voorrechten
(bijvoorbeeld import- en exportrechten) aan (de achterbannen van) invloedrijke personen te geven in ruil voor
steun aan zijn bewind. In het begin van zijn bewind
bracht hij verwanten en leden van zijn eigen stam in sleutelposities in het leger, politie en de veiligheidsdiensten.
Vervolgens breidde hij zijn patronagenetwerk uit naar alle
sectoren van het economische en politieke leven. Hij heeft
een breed scala van invloedrijke personen en groeperingen aan zich weten te binden: stamleiders (de sjeiks), religieuze leiders, traditionele kooplieden, technocraten en
leden van oppositiepartijen. Deze strategie van coöptatie
van elites en tegenstanders, ‘dansen op slangenkoppen’,21
die geflankeerd wordt door harde repressie, met name de
afgelopen jaren, heeft voor hem lange tijd gewerkt: hij is
ruim dertig jaar aan de macht. Inmiddels heeft hij zijn
vertrek aangekondigd, al is niet uitgesloten dat dit een
schijnbeweging is.
De Vrienden van Jemen bepleiten versterking van de
rechtsstaat door capaciteitsopbouw (nieuwe rechtbanken,
automatisering, enz.) en een reeks anticorruptiemaatregelen. Voor zover deze maatregelen leiden tot een injectie
van geld in het rechtssysteem, bijvoorbeeld het verhogen
van salarissen van rechterlijke functionarissen, kunnen
deze maatregelen op steun rekenen van het huidige
bewind. Het patronagesysteem draait namelijk primair
op inkomsten uit olie en de olievoorraad is voor 2020 op.
Financiële hulp is welkom en wat betreft het regime een
belangrijk beoogd resultaat van het Vrienden van Jemenproces.22 De kans is echter nihil dat het regime de politieke wil heeft om de rechtstoepassing en rechtshandhaving
onafhankelijk te maken van patronagenetwerken en het
functioneren ervan te laten bepalen door onpersoonlijke
regels en procedures. Dat zou de bijl zijn aan de wortel
van de eigen macht. ‘Paradoxically, strengthening governance ... requires the consent of Yemen’s power elite, while
simultaneously threatening their current operating model
by devolving their collective advantage to the benefit of
state institutions.’23
Een derde probleem in het rapport getuigt van een
eenzijdig begrip van de rechtsstaat. Effectieve rechtshandhaving is een essentieel onderdeel van elke rechtsstaat.
Vanuit die optiek is begrijpelijk dat de Vrienden van
Jemen inzetten op maatregelen ter versterking van de
opsporing en vervolging van criminaliteit en de kust- en
grensbewaking. De vraag is echter of de Vrienden het juiste evenwicht kiezen tussen bescherming van burgers
tegen veelvoorkomend geweld en de bescherming van
Golfstaten en Westerse staten tegen de dreigingen van
grensoverschrijdende terreur en piraterij. Het is afwachten welke financiële middelen voor de verschillende
onderdelen van het rapport worden vrijgemaakt en welke
programma’s worden ontwikkeld en uitgevoerd, maar
zoals het er nu naar uitziet staat de rechtshandhaving
vooral in het teken van de veiligheidsagenda van Westerse
staten en de Golfstaten. Bovendien bestaat de kans dat
het regime de wapens die bedoeld zijn voor kust- en
grensbewaking inzet tegen de opstandelingen in het
Noorden, de afscheidingsbeweging in het Zuiden, en politieke tegenstanders.
Bovendien speelt het wezenlijke kenmerk van de
rechtsstaat, beperking van willekeurige machtsuitoefening, nauwelijks een rol in het rapport van de Vrienden
van Jemen. Vergroting van de onafhankelijkheid van de
rechterlijke macht wordt wel aangestipt in een van de
aanbevelingen, maar niet nader uitgewerkt, terwijl
binnen- en buitenlandse waarnemers het erover eens zijn
dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht alleen
op papier redelijk bevredigend is. Meer in het algemeen
zijn checks and balances op de uitvoerende macht nagenoeg afwezig en verzekeren zowel de mistige en overlappende bevoegdheden tussen een aanzienlijke hoeveelheid
In Jemen heeft het statelijke recht
een slechte naam
overheidsorganisaties en de informele patronage dat de
regering vrijwel ongecontroleerde invloed heeft op
besluitvorming. Volgens Amnesty International is Jemen,
tot een jaar of tien geleden een van de meest vrije landen
in de Arabische wereld, de afgelopen jaren het toneel
geworden van politieke moorden en vervolgingen, forse
inperking van de vrijheid van meningsuiting, verdwijningen, marteling en oneerlijke processen.24 Over deze
zaken zwijgt het rapport.
Daarbij komt dat de Verenigde Staten, parallel aan
het Vrienden van Jemen-proces, bezig zijn met een militaire antiterreurcampagne. Blijkens WikiLeaks heeft president Saleh in 2009 de hoogste antiterreuradviseur van
Obama het aanbod gedaan dat ‘... Yemen’s national territory is available for unilateral CT operations by the US’.25
Van dit aanbod is gebruikgemaakt. In december 2009
vuurden de VS twee kruisraketten af op vermoede trainingskampen van AQAS, waarbij tientallen mensen om
zijn gekomen, waaronder leden van AQAS, maar ook
burgers.26 In 2010 is de militaire samenwerking sterk
geïntensiveerd.27 De Verenigde Staten bewapenen, trainen
en financieren Jemenitische strijdkrachten, delen militaire
inlichtingen met Jemenitische veiligheidsdiensten, en
voeren geheime operaties tegen AQAS uit met Jemenitische troepen. De vraag is of deze militair operaties ondermijnend zijn voor de beoogde versterking van het Jemenitische rechtsstelsel. De stilzwijgende veronderstelling van
politici, diplomaten en militairen is dat militair optreden
pogingen tot (rechts)staatopbouw niet (ernstig) ondermijnen. Bewijs voor de juistheid van deze veronderstelling is
nog niet geleverd.
Conclusie
Het was de bedoeling dat de Vrienden van Jemen dit voorjaar opnieuw bij elkaar zouden komen om de aanbevelingen van het rapport om te zetten in beleid. Vanwege de
hevige onrust in Jemen en de regio is dat niet gebeurd en
lijkt het erop dat het rapport voorlopig in een bureaulade
verdwijnt. Vast staat echter dat Westerse donoren en Golfstaten zich actief met Jemen blijven bemoeien, omdat
AQAS na de dood van Osama bin Laden een van de actiefste en best georganiseerde takken van de gevreesde ter-
16. L. al-Zwaini, ‘State and Non-State Justi-
J4P_Packet.pdf.
of Snakes 2010.
24. Amnesty International, Yemen: Crac-
ce in Yemen’.
20. A. Longley Alley, ‘The Rules of the
22. ‘Yemen, the Region and the World:
king Down under Pressure 2010.
17. J. Faundez, ‘Legal Pluralism and Inter-
Game: Unpacking Patronage Politics in
Perceptions of Regional and International
25. ‘Yemen Sets Terms of a War on Al Qae-
national Development Agencies: Statebuil-
Yemen’, The Middle East Journal (64)
Interests’, Meeting Summary, 6 april 2010,
da’, New York Times 3 december 2010;
ding or Legal Reform?’, Hague Journal on
2010, 3, p. 385-409; Idem, ‘Yemen’s Multi-
Chatham House Yemen Forum and Sheba
‘Cables Show Obstacles with Yemeni Lea-
the Rule of Law 2011 (1), t.p.
ple Crisis’, Journal of Democracy, 21 (4)
Centre for Strategic Studies, zie www.chat-
der’, Washington Post 4 december 2010.
18. T. Carothers, ‘The Rule of Law Revival’,
2010, p. 72-86; I. Duyvesteyn & W. P.
hamhouse.org.uk/
26. ‘Is Yemen the Next Afghanistan?’, New
in: Idem, Promoting the Rule of Law
Murphy, ‘Interventie in Staatsvormingspro-
files/16471_050410summary.pdf.
York Times 6 juli 2010.
Abroad; In Search of Knowledge 2006,
cessen: dictatuur versus Democratie?’,
23. S. Healy & G. Hill, ‘Yemen and Somalia:
27. S. Healy & G. Hill, Yemen and Somalia:
p. 3-14.
Internationale Spectator 64 (4) 2010,
Terrorism, Shadow Networks and the Limi-
Terrorism, Shadow Networks and the Limi-
19. Zie http://siteresources.worldbank.org/
p. 220-224.
tations of State-building’, Chatham House
tations of State-building, Chatham House
INTJUSFORPOOR/Resources/USIP_GW_
21. V. Clark, Yemen; Dancing on the Heads
Briefing Paper, oktober 2010, 12.
Briefing Paper, oktober 2010, p. 13.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1327
Essay
reurorganisatie is. Versterking van de rechtsstaat zal een
prioriteit blijven, omdat onder beleidsmakers de opvatting heerst dat dit een probaat middel is om de voedingsbodem van terreur weg te nemen.
De kans is echter klein dat rechtsstaatopbouw zoals
bepleit door de Vrienden van Jemen de oorzaken van
onvrede van burgers weg zal nemen. Als de aanbevelingen van het rapport worden omgezet in beleid, dan kan
de toegang tot het formele rechtssysteem enigszins verbeteren. Versterking van het formele rechtssysteem heeft
echter nauwelijks invloed op het leven van burgers, gelet
op de overweldigende betekenis van informeel recht. Het
rapport leidt vooral tot versterking van de rechtshandhaving, waarbij de door de internationale veiligheidsagenda
ingegeven versterking van de kust- en grensbewaking
belangrijker lijkt dan de bescherming van Jemenitische
burgers tegen veelvoorkomend geweld. Het rapport bevat
geen harde aanbevelingen om de autocratische uitoefening van overheidsmacht aan het recht en effectieve
checks and balances te onderwerpen. Er zijn geen aanwijzingen dat het regime de politieke wil heeft hervormingen door te voeren die het einde inluiden van het patrimoniale politieke systeem en van de invloed van
persoonlijke relaties en corruptie op het rechtssysteem.
Versterking van rule by law, niet van de rule of law, is de
meest waarschijnlijke uitkomst van uitvoering van de
aanbevelingen van het rapport.
Daarmee is niet gezegd dat het rapport geen spoor
vertoont van een meer op de rule of law georiënteerde
benadering van rechtsstaatopbouw. In de aanbevelingen
over verbetering van de toegang tot het recht en het voorkomen van geschillen over land en water kan het streven
naar rule of law worden herkend. Bij de totstandkoming
van een rapport als dat van de Vrienden van Jemen zijn
vele donoren betrokken met verschillende, deels overlappende, deels conflicterende agenda’s en beleidsinzichten.
Sterker, dergelijke verschillen komen terug in de departementen en afdelingen van elk afzonderlijk donorland.
De stelling is dat de op rule of law georiënteerde benadering in het rapport van de Vrienden van Jemen bedolven
dreigt te raken onder de aandacht voor rechtshandhaving,
die op haar beurt overwegend lijkt te zijn gericht op de
internationale veiligheidsagenda.
Een belangrijke oorzaak hiervoor is dat juridische
ontwikkelingssamenwerking vrijwel altijd het resultaat is
van onderhandelingen tussen de regering van het ontvangende land en donoren, waarbij beide partijen water bij de
wijn moeten doen. Westerse donoren en de Golfstaten
1328
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
hebben de Vrienden van Jemen-groep tot stand gebracht
vanwege hun eigen staatsveiligheid en de internationale
veiligheidsagenda. Bovendien meenden zij dat zij daarvoor steun nodig hebben van de Jemenitische regering en
zagen zij geen alternatief voor Saleh. Op zijn beurt was
Saleh uit op het behoud van zijn eigen macht. Voor het
Saleh-bewind waren de voornaamste bedreigingen de
opstand in het Noorden, de afscheidingsbeweging in het
Zuiden, en de staatsfinanciën. De Vrienden van Jemen en
de Jemenitische regering konden elkaar vinden in versterking van de rechtshandhaving. Voor versterking van de
rule of law ontbrak dit draagvlak.
Het feit dat juridische ontwikkelingssamenwerking
het resultaat is van onderhandelingen, betekent echter
niet alleen dat donoren concessies moeten doen, maar
ook dat zij concessies kunnen afdwingen. Gelet op de
Arabische lente en de hevige onrust die naar aanleiding
daarvan ook in Jemen is ontstaan, lijken donoren in een
sterkere positie te verkeren dan afgelopen jaar. Bovendien
zijn er nu duidelijke aanwijzingen dat beperking van autocratische machtsuitoefening en vergroting van vrijheid
een duidelijke wens is van de bevolking. Als de Vrienden
van Jemen, in welke samenstelling dan ook, verdergaan,
dan zouden zij aandacht kunnen afdwingen voor informeel recht en voor effectieve controle op machtsuitoefening. De vraag is natuurlijk of de Golfstaten, die de
ontwikkelingen in de regio met argusogen volgen en
inmiddels zelf met openlijke opstandigheid kampen,
zitten te wachten op een dergelijke accentverschuiving.
Bovendien blijken Westerse donoren, ondanks hun geloof
dat organisaties als AQAS wortelen in sociale, economische, juridische en politieke onderontwikkeling en
ondanks hun ambitie om deze problemen aan te pakken,
in de praktijk sterk de nadruk te leggen op een harde aanpak die gericht is op indamming van het gevaar.28 De kans
dat de Vrienden van Jemen zich zullen inspannen voor de
rule of law is niet groot. Maar deze kans is ook niet verkeken. Nederland heeft gezag opgebouwd in het samenwerkingsverband van de Vrienden van Jemen. Dat kapitaal
kan gebruikt worden om te zorgen dat rechtshandhaving
en rule of law in het beleid ten aanzien van Jemen meer
in balans komen. Dat de resultaten van rechtsstaatbevordering in Jemen op zijn best bescheiden zullen zijn en lange adem vergen, spreekt voor zich.
28. S. Humphreys, Theatre of the Rule of Law; Transnational Legal Intervention in Theory and
Practice 2010, p. 166-73.
Rechtspraak
Aanbevolen citeerwijze:
Procedure in Straatsburg
slechts in een zeer klein aantal Europese sta-
NJB 2011, … (nummer uitspraak)
Kiyutin diende op 18 december 2009 een
ten wordt vereist voor het verkrijgen van een
klacht in bij het Straatsburgse Hof, waarin hij
verblijfsvergunning. Ook dat maakt dat een
stelde dat hij het slachtoffer was van discri-
bijzonder overtuigende rechtvaardiging nodig
Europees Hof voor de
Rechten van de Mens
1329
minatie op grond van zijn gezondheidstoe-
is om zo’n eis toch te stellen.
Hoge Raad (strafkamer)
1330
stand bij de beoordeling van zijn verzoek om
De regering heeft dergelijke overtuigende
Hoge Raad (belastingkamer)
1340
een verblijfsvergunning. Op 5 mei 2010
redenen niet naar voren gebracht. Het argu-
Raad van State
1341
besloot het Hof de feiten en ontvankelijkheid
ment van de noodzaak tot bescherming van
Centrale Raad van Beroep
1343
gezamenlijk te beoordelen. In de procedure
de volksgezondheid overtuigt het Hof niet,
zijn schriftelijke interventies toegelaten door
nu uit tal van internationale rapporten en
Interights en het International Centre for the
onderzoeken blijkt dat reisbeperkingen voor
Europees Hof voor de
Rechten van de Mens
Legal Protection of Human Rights.
mensen met HIV/aids niet zinvol zijn. De
Deze rubriek wordt verzorgd door onderzoe-
Uitspraak van het Hof
pelijk bewijs voor het tegenovergestelde. Eer-
kers van de Instituten voor Publiekrecht en
(Eerste kamer: Vajić (president), Kovler,
der berust de uitsluiting op een veronderstel-
Strafrecht van de Universiteit Leiden alsmede
Rozakis, Lorenzen, Steiner, Lazarova
ling dat HIV-positieve mensen zich op een
door M. Kuijer (Min. van Justitie; VU) en J.H.
Trajkovska, Laffranque)
onveilige manier zullen gedragen en de
regering heeft niet gewezen op wetenschap-
infectie zullen overbrengen. Die veronderstel-
Gerards (RUN). Alle uitspraken van het EHRM
staan op www.echr.coe.int; een selectie ver-
Hoewel art. 8 EVRM geen recht bevat op ves-
ling komt echter neer op een onaanvaardba-
schijnt uiteindelijk in Reports of Judgments
tiging in een bepaalde staat of op een ver-
re generalisering die niet op feitelijke gege-
and Decisions. De uitspraken van kamers van
blijfsvergunning, moet een staat zijn immi-
vens is gebaseerd en die ten onrechte de
het EHRM worden drie maanden na de uit-
gratiebeleid volgens het Hof vormgeven op
individuele situatie van iemand met HIV niet
spraakdatum definitief, tenzij er intern appel
een wijze die verenigbaar is met de mensen-
in acht neemt. Daar komt nog bij dat Rusland
wordt ingesteld bij de Grote Kamer van het
rechten van een buitenlands onderdaan,
de eis van een HIV-negatieve status niet stelt
Hof.
waaronder in het bijzonder diens recht op
aan toeristen of mensen die slechts tijdelijk
respect voor zijn privé- of gezinsleven en het
in het land aanwezig zijn, zonder dat duide-
recht om niet te worden gediscrimineerd.
lijk is waarom deze groepen een minder
Het Hof stelt vast dat bij de weigering van de
groot gezondheidsrisico zouden vormen. Het
verblijfsvergunning doorslaggevende waarde
Hof merkt op dat de maatregel eerder contra-
is gehecht aan de HIV-positieve status van
productief kan werken, nu deze kan leiden
Kiyutin. Hoewel art. 14 EVRM niet expliciet
tot vermijdingsgedrag (migranten die geen
Art. 8 jo. 14 EVRM. Discriminatieverbod.
melding maakt van gezondheidsstatus of
HIV-test willen ondergaan zullen de illegali-
Vereiste van HIV-negatieve status voor
medische aandoeningen als beschermde
teit induiken) en tot een vals gevoel van vei-
toekenning verblijfsvergunning is inherent
gronden van onderscheid, aanvaardt het Hof
ligheid bij de eigen bevolking (HIV/aids is
stigmatiserend en niet noodzakelijk om de
dat art. 14 ook betrekking heeft op deze
een ‘buitenlands probleem’, waartegen in het
volksgezondheid te beschermen. ‘Very
gronden.
eigen land geen preventieve maatregelen
weighty reasons’ vereist als rechtvaardiging
Als een beperking van fundamentele rechten
hoeven te worden getroffen).
voor onderscheid wegens HIV/aids.
van toepassing is op een bijzonder kwetsbare
Alles bijeengenomen, ook rekening houdend
groep in de samenleving, die in het verleden
met het feit dat Kiyutin in Rusland als immi-
het slachtoffer is geweest van aanzienlijke
grant met een verblijfsvergunning geen aan-
discriminatie, dan moet de staat zeer zwaar-
spraak kan maken op kosteloze medische
1040
10 maart 2011, appl.nr. 2700/10
(EVRM art. 8 en 14)
wegende redenen aanvoeren ter rechtvaardi-
bijstand, leidt dit het Hof tot de bevinding
ging van zo’n beperking. De reden daarvoor is
dat de klager door de maatregelen inderdaad
Feiten
dat deze groepen historisch gezien zijn onder-
slachtoffer is geworden van discriminatie op
Kiyutin is in 1971 in de USSR geboren en
worpen aan vooroordelen die nog steeds voel-
grond van gezondheidsstatus.
verkreeg de Oezbeekse nationaliteit toen de
bare resultaten kunnen hebben, zoals sociale
USSR uiteenviel. In 2003 trouwde hij met een
uitsluiting. Mensen met HIV/aids zijn sinds
Slotsom
Russische; zij kregen samen een dochtertje
de jaren ’80 het slachtoffer geweest van wijd-
Het Hof oordeelt unaniem dat de weigering
en wonen in de Oryol-regio in Rusland. In
verbreide stigmatisering en uitsluiting, als
van de verblijfsvergunning een schending
augustus 2003 vroeg Kiyutin een verblijfsver-
gevolg van angst en onwetendheid over de
vormt van art. 8 jo. 14 EVRM. Eveneens una-
gunning voor Rusland aan. In dat verband
oorzaken en het besmettingsrisico. Boven-
niem kent het Hof de klager € 15 000 toe als
werd hij verplicht om een medische keuring
dien zijn steeds relaties gelegd met gedragin-
vergoeding voor immateriële schade en
te ondergaan, waaruit bleek dat hij HIV-
gen (bijv. homoseksuele contacten, drugsge-
€ 350 als proceskostenvergoeding.
positief was. Op die grond werd zijn verzoek
bruik en prostitutie) die ook al onderhevig
om een verblijfsvergunning afgewezen. In
zijn aan stigmatisering, waardoor de vooroor-
2009 diende Kiyutin opnieuw een verzoek in
delen nog zijn vergroot. Dit betekent dat
om een (tijdelijke) verblijfsvergunning, maar
mensen met HIV/aids een kwetsbare groep
dit verzoek werd opnieuw afgewezen met
zijn die getekend wordt door vooroordelen en
een verwijzing naar zijn HIV-positieve status.
stigmatisering, zodat er slechts een zeer klei-
Bovendien werd hem een geldboete opgelegd
ne margin of appreciation is om deze groep
omdat hij in de tussengelegen periode ille-
anders te behandelen. Het Hof acht verder
gaal in Rusland had verbleven.
van belang dat een HIV-negatieve status
Kiyutin vs. Rusland.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1329
Rechtspraak
Hoge Raad (strafkamer)
volgd. De verdachte is gedagvaard voor de
voorwaardelijke gevangenisstraf of een
Deze rubriek wordt verzorgd door prof. mr.
kinderrechter van zijn woonplaats, te weten
(on)voorwaardelijke geldboete. Aan dit
J.C.M. Leijten, oud-advocaat-generaal bij de
de kinderrechter in de Rechtbank te Haarlem.
onderbouwde standpunt is het hof voorbij-
Hoge Raad en oud-redacteur van dit blad.
2.6. Het middel stelt de vraag aan de orde of
gegaan zonder daartoe de bijzondere rede-
de kinderrechter in de rechtbank te Haarlem
nen op te geven. Nietigheid wegens schen-
in eerste aanleg en daarmee het hof in hoger
ding van art. 359 lid 2 en 8 Sv
1041
beroep – zich onbevoegd had moeten verklaren op grond van art. 6, tweede lid, Sv. Het
(Sv art. 359 lid 2; Vreemdelingenbesluit
26 april 2011, nr. 09/03329 J
antwoord op die vraag luidt ontkennend. Art.
art. 6.6)
(Mrs. Koster, De Savornin Lohman,
6, tweede lid, Sv staat niet eraan in de weg
Van Schendel, Splinter-van Kan en Loth;
dat in een geval als het onderhavige, waarin
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
de A-G Machielse heeft geconcludeerd tot
anders dan het hof heeft geoordeeld, sprake
deeld tot twee maanden gevangenisstraf
verwerping van het beroep;
is van gelijktijdige vervolging, de zaak tegen
wegens als vreemdeling in Nederland verblij-
adv. mr. M.J.F. Stelling, Zeist)
een jeugdige verdachte wordt aangebracht
ven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft
LJN BO9872
voor de kinderrechter die op grond van de
te vermoeden dat hij op grond van een wet-
woonplaats van de verdachte bevoegd is.
telijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling
Art. 6 lid 2 Sv beoogt met gelijktijdige
Dat berust op het volgende.
is verklaard.
vervolging te bewerkstelligen dat de zaken
Met het voorschrift van het tweede lid van art.
Het middel bevat de klacht dat het hof in
tegen dezelfde rechter worden behandeld.
6 Sv heeft de wetgever beoogd in geval van
strijd met art. 359 lid 2 Sv niet, althans onvol-
Maar dat oogmerk kan niet bereikt worden
gelijktijdige vervolging te bewerkstelligen dat
doende de redenen heeft weergegeven waar-
als vier meerderjarigen en een persoon
de zaken tegen medeverdachten door dezelfde
om het is afgeweken van het uitdrukkelijk
samen een feit plegen, terwijl die laatste
rechter worden behandeld (vgl. HR 27 mei
onderbouwde standpunt dat aan de verdach-
moet worden berecht door de kinderrechter
1999, LJN ZD1575, NJ 1999/635, r.o. 3.3.8).
te geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf
met diens bijzondere rechtsregels die niet
De met art. 6, tweede lid, Sv beoogde behan-
moet worden opgelegd.
gelden voor de gewone strafrechter. Daarom
deling door dezelfde rechter kan hier niet
De rechtbank had de verdachte drie maan-
is er ook geen reden om in zo’n geval de kin-
worden bereikt, waar de zaak van de verdach-
den gevangenisstraf opgelegd. Het hof ver-
derrechter in de rechtbank waar de meerder-
te door een kinderrechter, op de wijze als
minderde de straf tot twee maanden, zich
jarige verdachten worden vervolgd, bevoegd
bepaald in Titel II van het Vierde boek van
daarbij en daartoe beroepend op de oriënta-
te maken en niet (ook) de kinderrechter van
het Wetboek van Strafvordering moet wor-
tiepunten straftoemeting van het LOVS.
de woonplaats van de jeugdige
den behandeld en de zaken van de medever-
Het middel gaat een stuk verder en voert in
dachten door de rechtbank, op de gewone
cassatie aan dat het Hof zonder nadere
wijze, worden behandeld. In een dergelijke
motivering weigerde de door de verdediging
(Sv art. 6 en 495)
situatie dient het geen redelijk, met de
bepleite voorwaardelijke gevangenisstraf op
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
beoogde doelmatige rechtspleging strokend,
te leggen. Daartoe was in hoger beroep onder
deeld tot een werkstraf van twintig uren
doel dat uitsluitend de kinderrechter in de
meer aangevoerd:
wegens openlijk in vereniging geweld plegen
rechtbank waar de medeverdachten worden
Ingevolge artikel 6.6. van het Vreemdelingen-
tegen goederen.
vervolgd bevoegd zou zijn van het aan de
besluit komt de ongewenstverklaring te ver-
Het eerste (van de tien) middel(en) bevat de
verdachte tenlastegelegde feit kennis te
vallen als cliënt vijf jaar buiten Nederland
klacht dat de kinderrechter in de rechtbank
nemen en de kinderrechter van verdachtes
heeft verbleven. Dat betekent dat cliënt in
Haarlem onbevoegd was de strafzaak te
woonplaats niet. Daartoe strekt art. 6, tweede
juli 2014 terug kan komen naar Nederland
behandelen. De rechtbank te ’s-Gravenhage
lid, Sv dan ook niet.
en hier kan proberen in aanmerking te
was bij uitsluiting van andere colleges
2.7. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
komen voor een verblijfsvergunning voor
bevoegd, omdat er sprake was van een gelijk-
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
verblijf bij zijn gezin.
Deze verblijfsvergunning zal echter worden
tijdige vervolging van mededaders voor deze
rechtbank. De verwerping door het hof van
het beroep op onbevoegdheid van de rechter
1042
afgewezen op het moment dat hij voor dit
feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Op zich wordt een eens
te Haarlem is (…) in strijd met art. 6 Sv.
De volgende wettelijke bepalingen zijn in
26 april 2011, nr. 09/03650
gepleegd misdrijf niet blijvend tegengewor-
deze zaak van belang: art. 6 en 495 Sv.
(Mrs. Koster; De Savornin Lohman en Loth;
pen, na verloop van vijf jaar zou de veroorde-
In deze zaak geeft onder 2.5 de feiten waar-
de A-G Knigge heeft geconcludeerd tot ver-
ling voor dit feit in principe niet meer
van in cassatie met betrekking tot het eerste
nietiging van het bestreden arrest ten aan-
gebruikt kunnen worden om de aanvraag af
middel kan worden uitgegaan:
zien van de strafoplegging en tot zodanige
te wijzen. Maar het probleem is dat de ter-
Vier meerderjarige medeverdachten zijn als
op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de
mijn van vijf jaar pas begint te lopen op de
daders ter zake van dezelfde tenlastgelegde
Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot ver-
dag waarop de sanctie volledig is ten uitvoer
feiten gedagvaard voor de Rechtbank te
werping van het beroep voor het overige:
gelegd. Dat is – in geval van een gevangenis-
’s-Gravenhage. De officier van Justitie heeft
adv. mr. A.A. Franken, Amsterdam)
straf – op de datum van invrijheidstelling (…).
kennelijk geoordeeld dat zich niet het uitzon-
LJN BP6467
Cliënt zal dus vanwege deze veroordeling in
plaats van vijf jaar, wel tien jaar moeten
deringsgeval van art. 495 Sv, tweede lid onder
c, Sv voordoet dat de zaak niet voor splitsing
De vreemdelingenrechtelijke gevolgen van
wachten voordat hij met zijn gezin in Neder-
vatbaar is en heeft de zaak tegen de verdach-
het opleggen van een onvoorwaardelijke
land kan worden herenigd. Door deze
te overeenkomstig de hoofdregel van art.
gevangenisstraf of taakstraf nopen, volgens
omstandigheden, is oplegging van een
495, eerste lid, Sv voor de kinderrechter ver-
de verdediging, tot het opleggen van een
onvoorwaardelijke gevangenisstraf een
1330
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Rechtspraak
onevenredig zware straf. (…) Ik verzoek u
daarnaar als bedoeld in art. 163 lid 2 WVW
ren, verplicht hun medewerking te verlenen
daarom een voorwaardelijke gevangenisstraf
1994: uit de bewijsmiddelen valt wel af te
aan een voorlopig onderzoek van uitgeadem-
of taakstraf, dan wel een (on)voorwaardelijke
leiden dat het strafbare feit van art. 160 lid
de lucht en daartoe volgens door die perso-
geldboete op te leggen.
5 WVW 1994 is begaan, maar dat is niet ten
nen te geven aanwijzingen ademlucht te bla-
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
laste gelegd, terwijl het strafbare feit van
zen in een door die persoon aangewezen
het middel:
art. 163 lid 2WVW 1994 niet uit de bewijs-
apparaat.
2.4. Ter terechtzitting. In hoger beroep heeft
middelen kan worden afgeleid
Art. 163, eerste en tweede lid, WVW 1994
1. Bij verdenking dat de bestuurder van een
de raadsvrouwe met betrekking tot de strafoplegging aangevoerd dat ‘een onvoorwaarde-
(WVW 1994 art. 8, 159, 160 en 163)
voertuig heeft gehandeld in strijd met art. 8,
kan de opsporingsambtenaar hem bevelen
lijke gevangenisstraf in deze zaak niet gepast
is’. Dat standpunt is door de raadsvrouwe
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
zijn medewerking te verlenen aan een onder-
onderbouwd door te wijzen op, kort gezegd,
deeld tot een geldboete van € 1000 waarvan
zoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder-
de vreemdelingenrechtelijke consequenties
€ 500 voorwaardelijk en tot ontzegging van
deel a en artikel 8, derde lid, onderdeel a.
die de oplegging van een dergelijke straf voor
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen
2. De bestuurder aan wie het in het eerste lid
de verdachte zou meebrengen. Dit betoog
voor de tijd van vijftien maanden, waarvan
bedoelde bevel is gegeven, is verplicht adem-
kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan
zes maanden voorwaardelijk een en ander
lucht te blazen in een voor het onderzoek
als een standpunt dat duidelijk, door argu-
wegens 1. overtreding van art. 163, lid 2
bestemd apparaat en gevolg te geven aan alle
menten geschraagd en voorzien van een
WVW 1994; en 2. overtreding van art. 8 WVW
door de opsporingsambtenaar ten dienste van
ondubbelzinnige conclusie is overstaan van
1994.
het onderzoek gegeven aanwijzingen.
het Hof naar voren is gebracht.
Het hof heeft overeenkomstig de tenlasteleg-
De Hoge Raad vervolgt:
Het Hof is in zijn arrest van dit uitdrukkelijk
ging onder 1 bewezenverklaard dat de ver-
2.4. Uit de door het Hof gebezigde bewijs-
onderbouwde standpunt afgeweken door de
dachte: op 15 januari 2007 te A. als degene
middelen kan wel worden afgeleid dat de
verdachte te veroordelen tot een onvoorwaar-
tegen wie verdenking was gerezen als
verdachte geen gevolg heeft gegeven aan de
delijke gevangenisstraf van twee maanden.
bestuurder van een voertuig, te weten een
in art. 160, vijfde lid, WVW 1994 bedoelde
Het Hof heeft daarbij niet gerespondeerd op
personenauto, te hebben gehandeld in strijd
vordering zijn medewerking te verlenen aan
het betoog van de raadsvrouwe met betrek-
met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994
een voorlopig onderzoek van uitgeademde
king tot de vreemdelingenrechtelijke conse-
en aan wie door een opsporingsambtenaar
lucht, maar dat is niet tenlastegelegd.
quenties die dat voor de verdachte zou mee-
was bevolen medewerking te verlenen aan
Dat – zoals wel is tenlastegelegd en bewezen-
brengen, maar heeft in dit verband volstaan
een ademonderzoek als bedoeld in art. 8,
verklaard – de verdachte geen gevolg heeft
met een algemene verwijzing naar de per-
tweede lid, aanhef en onder a van genoemde
gegeven aan het bevel zijn medewerking te
soonlijke omstandigheden van de verdachte.
wet, niet heeft voldaan aan de verplichting
verlenen aan een onderzoek als bedoeld in
Het Hof is aldus van het uitdrukkelijk onder-
ademlucht te blazen in een voor het onder-
art. 8, tweede lid aanhef en onder a WVW
bouwde standpunt van de raadsvrouwe afge-
zoek bestemd apparaat en aan de verplich-
1994, doordat hij niet heeft voldaan aan de
weken, maar heeft in strijd met art. 359,
ting gevolg te geven aan alle door een opspo-
in art. 163, tweede lid, WVW 1994 bedoelde
tweede lid, Sv niet in het bijzonder de rede-
ringsambtenaar ten dienste van het
verplichting ademlucht te blazen in een voor
nen opgegeven die daartoe hebben geleid.
onderzoek gegeven aanwijzingen.
het onderzoek bestemd apparaat en aan de
Dat verzuim heeft ingevolge art. 359, achtste
De A-G Vegter heeft het middel omschreven
verplichting gevolg te geven aan alle door
lid, Sv nietigheid tot gevolg.
als behelzende de klacht dat het hof de
een opsporingsambtenaar ten dienste van
2.5. Het middel slaagt.
grondslag van de tenlastelegging heeft verla-
het onderzoek gegeven aanwijzingen, kan
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
ten door een onjuiste uitleg te geven aan het
echter uit de gebezigde bewijsmiddelen niet
spraak, maar uitsluitend wat betreft de straf-
in de tenlastelegging onder 1 opgenomen
worden afgeleid. De bewezenverklaring is
oplegging met terugwijzing in zoverre naar
bestanddeel ‘ademonderzoek als bedoeld in
derhalve niet naar de eis der wet met rede-
het hof en met verwerping van het beroep
artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van
nen omkleed.
voor het overige.
genoemde wet’ althans dat de gebezigde
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
de bewezenverklaring van het in de tenlaste-
spraak, maar uitsluitend wat betreft de
legging onder 1 opgenomen gedeelte ‘aan
beslissingen ter zake van het onder 1 tenlas-
wie door een opsporingsambtenaar was
tegelegde en de strafoplegging met, in zover-
26 april 2011, nr. 10/00564
bevolen medewerking te verlenen aan een
re, terugwijzing naar het hof en met verwer-
(Mrs. Van Dorst, De Hullu en Groos; de A-G
ademonderzoek als bedoeld in artikel 8,
ping van het beroep voor het overige.
Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging
tweede lid, aanhef en onder a van genoemde
van de bestreden uitspraak, maar uitslui-
wet’. Daarom is de bewezenverklaring van
tend wat betreft de beslissingen ter zake van
feit 1 onvoldoende met redenen omkleed,
het onder 1 tenlastegelegde en de strafopleg-
aldus de steller van het middel.
ging met terugwijzing in zoverre naar het
De Hoge Raad geeft onder 2.3. onderschei-
26 april 2011, nr. 10/04252 U
hof en tot verwerping van het beroep voor
denlijk de tekst van art. 160 lid 5 WVW 1994
(Mrs. Van Dorst, De Hullu en Splinter-van
het overige; adv. mr. J. Kuijper, Amsterdam)
en van art. 163 lid 1 en 2 WVW weer die lui-
Kan; de A-G Vellinga heeft geconcludeerd
LJN BP8811
den: Art. 160, vijfde lid, WVW 1994:
tot vernietiging van de bestreden beslissing
Op de eerste vordering van een van de in art.
en tot bepaling van een dag voor de feite-
Het hof heeft het voorlopig onderzoek naar
159, onderdeel a, bedoelde personen zijn de
lijke behandeling door de Hoge Raad;
alcoholgebruik als bedoeld in art. 160 lid 5
bestuurder van een voertuig en degene die
adv. mr. V.C. van der Velde, Almere)
WVW 1994 verward met het onderzoek
aanstalten maakt een voertuig te gaan bestu-
LJN BQ0838
1043
1044
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1331
Rechtspraak
Als vast komt te staan dat de opgeëiste
het volgende worden vooropgesteld.
– moord (artikel 298 Wetboek van Strafrecht)
persoon verband met de zaak waarvoor zijn
Indien komt vast te staan dat de opgeëiste
– doodslag (artikel 287 Wetboek van Straf-
uitlevering wordt gevraagd door functiona-
persoon in verband met de zaak waarvoor
recht)
rissen van de verzoekende staat is gefolterd,
zijn uitlevering wordt gevraagd door functio-
– deelneming aan een organisatie die tot
moet de uitlevering ontoelaatbaar worden
narissen van de verzoekende staat is gefol-
oogmerk heeft het plegen van misdrijven
verklaard. Onjuist is daarom onder meer het
terd, dient de verzochte uitlevering door de
(artikel 140 Wetboek van Strafrecht).
oordeel van de rechtbank dat in zo’n zaak
rechter ontoelaatbaar te worden verklaard
3.2. In aanmerking genomen dat dit bevel tot
aan de rechter geen oordeel toekomt maar
(vgl. HR 15 oktober 1996, LJN ZD0547, NJ
aanhouding onder meer niet inhoudt de in
de beslissing daarover aan de Minister van
1997/533).
art. 3, tweede lid onder b van de Overeen-
Justitie is voorbehouden. De Hoge Raad zet
Voorts brengt de bevoegdheidsverdeling tus-
komst tussen het Koninkrijk der Nederlan-
uiteen dat het verweer (als middel daarna
sen de rechter die over de toelaatbaarheid
den en de Republiek Suriname betreffende
herhaald) desondanks door de rechtbank
van een verzochte uitlevering moet oordelen
de uitlevering en de rechtshulp in strafzaken
alleen maar verworpen had kunnen worden.
en de Minister van Justitie die, indien de
voorgeschreven vermelding van de tijd en de
Het vonnis van de rechtbank bevat onvol-
rechter de uitlevering toelaatbaar heeft
plaats waarop de feiten zouden zijn begaan,
doende gegevens onder meer over plaats en
geoordeeld, uiteindelijk beslist of en zo ja
houdt de bestreden uitspraak aldus in strijd
tijd waarop de misdrijven waarvoor uitleve-
onder welke condities daadwerkelijk tot uitle-
met art. 28, derde lid, Uitleveringswet niet
ring wordt gevraagd, zijn begaan. De Hoge
vering zal worden overgegaan mee dat de
een genoegzame vermelding in van de feiten
Raad doet daaromtrent wat de rechtbank
rechter op grond van zijn toetsing aan art. 6
waarvoor de uitlevering kan worden toege-
had behoren te doen
EVRM de uitlevering slechts ontoelaatbaar
staan. De bestreden uitspraak kan in zoverre
kan verklaren indien blijkt dat de opgeëiste
niet in stand blijven. De Hoge Raad zal doen
(EVRM art. 1, 5 en 6; VN-Folteringsverdrag art.
persoon door zijn uitlevering zou worden
wat de Rechtbank had behoren te doen.
3; Uitleveringsverdrag Nederland-Suriname
blootgesteld aan een zodanig risico van een
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
art. 3 lid 2 onder B; Uitleveringswet art. 3 lid
flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art.
spraak, maar uitsluitend voor zover deze niet
2 onder B)
6 EVRM toekomend recht, dat de ingevolge
een genoegzame vermelding bevat van de
art. 1 EVRM op Nederland rustende verplich-
feiten waarvoor de uitlevering kan worden
Uitlevering van opgeëiste persoon aan de
ting om dat recht te verzekeren, in de weg
toegestaan.
republiek Suriname
staat aan de uit het toepasselijke uitleve-
Verklaart de uitlevering van de opgeëiste per-
Het middel keert zich tegen het oordeel van
ringsverdrag voortvloeiende verplichting tot
soon toelaatbaar ter zake van de feiten zoals
de rechtbank dat haar geen oordeel toekomt
uitlevering (vgl. HR 4 april 2006, LJN AV8326,
omschreven onder ‘Korte uiteenzetting’ in
omtrent het verweer dat de uitlevering
NJ 2006/408).
het ‘Verzoek tot voorlopige aanhouding’ van
ontoelaatbaar moet worden verklaard, omdat
2.4. Blijkens haar hiervoor onder 2.2.2. weerge-
2 juli 2010 van de Hoofdofficier van Justitie
art. 3 van het Verdrag tegen foltering en
geven overwegingen heeft de Rechtbank het-
bij het Parket van de Procureur-Generaal bij
andere, wrede, onmenselijke of onterende
geen onder 2.3. is vooropgesteld niet in al zijn
het Hof van Justitie in Suriname;
behandeling of bestraffing, en art. 6 EVRM
onderdelen tot uitgangspunt genomen. Voor
Verwerpt het beroep voor het overige.
zijn geschonden en dreigen te worden
zover het middel hierover klaagt, is het
geschonden.
terecht voorgesteld. Dit behoeft evenwel niet
De rechtbank heeft daaromtrent overwogen
tot cassatie te leiden, aangezien de Rechtbank
en beslist: Ten derde heeft de raadsman aan-
het verweer slechts had kunnen verwerpen.
gevoerd dat er sprake is van voltooide c.q.
2.5. In aanmerking genomen dat de raads-
26 april 2011, nr. 09/03069 B
dreigende flagrante schending van mensen-
man van de opgeëiste persoon wat betreft de
(Mrs. Van Dorst, De Savornin Lohman,
rechten, te weten de veiligheid van de per-
gestelde marteling in 2002 niet heeft aange-
De Hullu, Groos en Loth; de A-G Hofstee
soon van de opgeëiste persoon, alsmede het
voerd dat te dien aanzien sprake is geweest
heeft geconcludeerd tot verwerping van
feit dat in Suriname geen sprake kan zijn van
van foltering in verband met de zaak waar-
het beroep;
een eerlijk proces. De opgeëiste persoon is in
voor de uitlevering van de opgeëiste persoon
adv. mr. R.M.L. Theelen, ’s-Gravenhage)
2002 slachtoffer geworden van marteling in
wordt gevraagd, terwijl de feiten waarop het
LJN BO1633
de Surinaamse gevangenis. Er zijn onder
uitleveringsverzoek betrekking heeft in 2010
meer spijkers in zijn voeten geslagen. Tevens
zouden zijn begaan, en dat hetgeen hij heeft
Algemene beschouwing over de vraag wie
is er sprake van onderbezetting van de rech-
aangevoerd ter ondersteuning van het
in een raadkamerprocedure voor de
terlijke macht aldaar en draagt de politieke
beroep op de dreigende schending van art. 6
(niet verschenen) procesdeelnemers mag
situatie niet bij aan een eerlijk proces.
EVRM niet kan worden aangemerkt als een
optreden. De betekenis van art. 23 Sv die
De rechtbank overweegt dat beantwoording
beroep op een zodanig risico van een fla-
vaststelt dat de procesdeelnemers zich
van de vraag of er gegronde redenen zijn om
grante inbreuk als onder 2.3. vermeld, kan
kunnen doen bijstaan door ‘een raadsman
aan te nemen dat de opgeëiste persoon na
het aangevoerde niet tot ontoelaatbaarver-
of advocaat’ (Wie is geen advocaat maar wel
zijn uitlevering gevaar loopt in de verzoeken-
klaring van de verzochte uitlevering leiden.
raadsman?)
de staat op schending van mensenrechten
Vervolgens overweegt ambtshalve:
dan wel niet een eerlijk proces te ondergaan
3.1. Het dictum van de bestreden uitspraak
is voorbehouden aan de Minister van Justitie.
houdt in dat de Rechtbank de uitlevering
Ook hieromtrent komt derhalve de rechtbank
toelaatbaar heeft verklaard ter zake van de
Het beklag van M., Z. en L. als bedoeld in art.
geen oordeel toe.
strafbare feiten als omschreven in het bevel
552a Sv is door de rechtbank te Amsterdam
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
tot aanhouding ter fine van uitlevering van
ongegrond verklaard. Het beklag betrof voor-
het middel:
de hoofdofficier van justitie Paramaribo d.d.
al enveloppen met geld. Dat geld (€ 6000)
2.3. Bij de beoordeling van het middel moet
29 juni 2010, te weten:
zou bestemd zijn voor de aanstaande bruiloft
1332
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
1045
(Sv art. 12f, 23, 552a en 591a)
Rechtspraak
1046
van L. dan wel zou de bestemming zijn het
2.5.2. De Hoge Raad is van oordeel dat een
betalen van schulden.
redelijke, aan de eisen van een goede proces-
Het derde middel bevat klachten over de
orde beantwoordende en met het stelsel van
26 april 2011, nr. 09/05083
beslissing van de rechtbank dat zij noch de
de wet verenigbare wetstoepassing mee-
(Mrs. Koster, Thomassen en Sterk; de A-G
in de raadkamer verschenen zoon/broer van
brengt dat als uitgangspunt heeft te gelden
Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge
de klagers noch de aldaar aanwezige raads-
dat in raadkamerprocedures de procesdeel-
Raad het openbaar ministerie niet-ontvan-
man namens de niet verschenen klagers het
nemer die bij de behandeling door de raad-
kelijk zal verklaren in de vervolging van de
woord te laten voeren.
kamer niet is verschenen, zich aldaar kan
verdachte voor belaging van anderen dan
De Hoge Raad stelt onder 2.3. de vraag aan de
laten vertegenwoordigen door een raadsman
de heer V., de bewezenverklaring van feit
orde of, en zo ja door wie en op welke wijze,
of advocaat mits deze verklaart daartoe uit-
1 verbeterd zal lezen en het beroep zal
een procesdeelnemer zich bij de behandeling
drukkelijk te zijn gemachtigd, onverminderd
verwerpen; adv. mr. R.A.J. Verploegh,
door de raadkamer kan doen bijstaan of ver-
de bevoegdheid van de raadkamer te bevelen
’s-Gravenhage)
tegenwoordigen. Daartoe wordt weergegeven
dat de procesdeelnemer in persoon zal ver-
LJN BP1278
de tekst van art. 23, derde lid, Sv die luidt:
schijnen in geval zij het wenselijk acht dat hij
De verdachte en andere procesdeelnemers
bij de behandeling aanwezig is.
Bij belaging van de man, diens echtgenote
kunnen zich bij de behandeling door de raad-
Op het uitgangspunt dat een procesdeelne-
en hun kinderen moet de daartoe nodige
kamer door een raadsman of advocaat doen
mer zich door een raadsman of advocaat kan
klacht, bedoeld in art. 285b Sr, ook worden
bijstaan waarna door de Hoge Raad wordt
laten vertegenwoordigen, zijn uitzonderingen
gedaan door de echtgenote zelf en ten aan-
geciteerd uit de memorie van toelichting
denkbaar. Te denken valt in het bijzonder aan
zien van de kinderen is het hof in verzuim
over het in art. 23 Sv voorkomende begrip
raadkamerprocedures waarin vertegenwoordi-
gebleven iets vast te stellen over hun leef-
‘procesdeelnemer’:
ging door een raadsman of advocaat in strijd
tijd: zijn zij jonger dan zestien jaren dan
Het begrip procesdeelnemer laat zich niet
zou zijn met de andersluidende bewoordingen
moet de klacht worden ingediend door de
nauwkeuriger omschrijven vanwege de veel-
of strekking van de wet alsmede aan raadka-
wettelijke vertegenwoordiger in burgerlijke
heid en diversiteit van de raadkamerprocedu-
merprocedures waarin de aard van de proce-
zaken en als zij zestien jaar of ouder zijn
res. (…) Onder dit begrip vallen in elk geval
dure zich verzet tegen vertegenwoordiging
door hem- of haar zelf
indieners van verzoek-, klaag- en bezwaar-
door een raadsman of advocaat.
schriften voorts allen die de raadkamer als
2.5.3. Nu art. 23, derde lid, Sv uitsluitend
procesdeelnemers aanmerkt. (….)
spreekt over de bijstand door een raadsman
Daarna overweegt de Hoge Raad als volgt:
of advocaat en het wettelijk stelsel onvoldoen-
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
2.4.3. Ter illustratie van die in de memorie
de aanknopingspunten bevat voor een ander
deeld tot een gevangenisstraf van vier jaren
van toelichting genoemde ‘veelheid en diver-
oordeel, heeft als uitgangspunt te gelden dat
wegens feit 2 eerste en tweede cumulatief/
siteit van de raadkamerprocedures’ kan wor-
van bijstand door een derde in beginsel geen
alternatief: de eendaadse samenloop van
den gewezen op de eerste en de laatste raad-
sprake kan zijn, laat staan van vertegenwoor-
bedreiging met gijzeling meermalen
kamerprocedure die in het Wetboek van
diging door een derde. In beginsel, omdat dit
gepleegd en belaging, wegens de feiten 4 en
Strafvordering zijn geregeld. De eerste betreft
uitgangspunt vanzelfsprekend niet geldt inge-
6 poging tot afpersing, meermalen gepleegd
de behandeling van het beklag over een
val de wet anders bepaalt, zoals het onder
en wegens feit 5; bedreiging met enig mis-
beslissing tot niet (verdere) vervolging.
2.4.3. genoemde art. 12 f, eerste lid, Sv.
drijf tegen het leven gericht, meermalen
Dienaangaande is in art. 12 f, eerste lid, Sv
2.6. Het middel faalt omdat
gepleegd.
bepaald dat de klager en de persoon wiens
i. de klacht dat de Rechtbank ten onrechte
Het derde middel bevat de klacht dat het hof
vervolging wordt verlangd, zich in raadkamer
heeft geoordeeld dat de zoon/broer van de
ten onrechte heeft verworpen het verweer
kunnen doen bijstaan en dat zij zich kunnen
klagers – aan wie zij blijkens het hiervoor
dat het openbaar ministerie niet-ontvanke-
doen vertegenwoordigen door een advocaat
onder 2.2.3. weergegeven geschrift volmacht
lijk dient te worden verklaard in de vervol-
of door een bijzonderlijk gevolmachtigde der-
hadden verleend hen in de onderhavige pro-
ging van het onder 2, tweede cumulatief en
de. De laatste, in art. 591a van het Wetboek
cedure te vertegenwoordigen – niet was toe-
alternatief tenlastegelegde. Dit wordt
voorziene raadkamerprocedure betreft de
gestaan om namens de klagers het woord te
gestaafd door het ontbreken van een klacht
behandeling van het verzoek tot vergoeding
voeren, afstuit op hetgeen hiervoor onder
voor wat betreft de vrouw en de kinderen
van door de gewezen verdachte gemaakte
2.5.3. is overwogen;
van V. als bedoeld in art. 285b, tweede lid Sr.
kosten. De bepalingen die de behandeling
ii. de klacht dat de Rechtbank ten onrechte
Het Hof overwoog op dit punt:
van dit verzoek regelen, bevatten geen van
heeft geoordeeld dat de twee niet verschenen
Verder kan, gelet op de verklaring van de
art. 23 Sv afwijkende voorschriften omtrent
klaagsters zich niet door mr. van Oppen
heer V. en de inhoud daarvan en de inhoud
de verlening van bijstand en evenmin voor-
mochten laten vertegenwoordigen, steunt op
van de klacht, in redelijkheid niet anders
zien zij in vertegenwoordiging, hetzij door
een verkeerde lezing van het proces-verbaal
worden begrepen dan dat hij de klacht niet
een advocaat hetzij door een derde. Daaraan
van de behandeling in raadkamer. Dit proces-
alleen voor zichzelf heeft gedaan maar ook
kan nog worden toegevoegd dat in onder
verbaal houdt immers in dat ‘als raadsman
voor zijn echtgenote en zijn kinderen.
meer HR 4 december 1979, NJ 1980/160 is
van klagers (… aanwezig (is)) mr. C.G.J. van
Als feit 2 is onder meer bewezenverklaard
aangenomen dat de wetgever wat betreft de
Oppen’. Daarmee heeft de Rechtbank tot uit-
dat verdachte in de periode van 27 december
indiening van een dergelijk verzoek niet
drukking gebracht dat zij ermee heeft inge-
2007 t/m 7 januari 2008 te W. en/of D.
heeft willen weten van vertegenwoordiging.
stemd dat mr. van Oppen in raadkamer de
M. en D. en hun kinderen heeft bedreigd met
2.5.1. In de diversiteit van raadkamerprocedu-
beide niet-verschenen klaagsters als raads-
gijzeling, immers heeft verdachte opzettelijk
res, zoals hiervoor beschreven, vindt de Hoge
man vertegenwoordigt. De klacht mist dus
dreigend aan die V. (per telefoon) de volgen-
Raad aanleiding tot het treffen van na te noe-
feitelijke grondslag.
de sms-berichten doen toekomen:
men voorziening van meer algemene aard.
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
- ‘Beste heer, ik wil u waarschuwen voor het
(Sr art. 65 en 285b; Sv art. 164)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1333
Rechtspraak
volgende, medio januari ligt in de planning
van anderen dan V. betreft. Voor vernietiging
niet zomaar de conclusie toe dat met kracht
om uw gezin af te persen door middel van
van de overige beslissingen van het Hof
een levensbedreigende wond is toegebracht.
ontvoering, neem dit serieus. Ik ben er onge-
bestaat onvoldoende grond aangezien de
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
wild bij betrokken en weet dit zeker, ik kan u
aard en de ernst van hetgeen ten laste van de
het middel:
niet meer info geven zonder zelf problemen
verdachte is bewezenverklaard niet worden
2.3. Het Hof heeft blijkens de gebezigde
te krijgen. Ik ontken ook t.o. politie. sorry
aangetast door bedoelde partiële niet-ontvan-
bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte
voor de onduidelijkheid.’
kelijkverklaring.
O. met een mes in de buik heeft gestoken,
- ‘En ik neem niet op ik waarschuw omdat ik
3.8. Voor het overige kan het middel niet tot
5 cm onder de ribbenboog. Dat het Hof daar-
er niet achter sta maar er min of meer in
cassatie leiden (….)
uit kennelijk heeft afgeleid dat de verdachte
mee moet. Verander de alledaagse dingen
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
daarbij op zijn minst voorwaardelijk opzet op
van uw gezin of neem meer bewaking, kan
spraak maar uitsluitend wat betreft de beslis-
de dood van O. heeft gehad, getuigt niet van
afschrikken. Ik en anderen zijn al weken op
singen ter zake van het onder 2 tweede
een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin
de hoogte van de gang van doen aan de Koe-
cumulatief/alternatief tenlastegelegde voor
onbegrijpelijk, nu in het algemeen geldt dat
koekslaan. Neem uw maatregelen en bel me
zover dit de belaging van “D. en/of hun kin-
de kans dat O. door deze gedraging van de
niet, ik loop meer risico dan u en probeer
deren” betreft en wat betreft de duur van de
verdachte zou kunnen overlijden naar alge-
nog meer info als ik kan en’ (…).
opgelegde gevangenisstraf;
mene ervaringsregels aanmerkelijk is te ach-
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
verklaart de Officier van Justitie niet-ontvan-
ten en die kans blijkens die gedraging door
het middel:
kelijk in de vervolging ter zake van het onder
de verdachte willens en wetens is aanvaard,
3.4. Het klachtvereiste van art. 285b, tweede
2 tweede cumulatief tenlastegelegde voor
terwijl van bijzondere omstandigheden die
lid Sr strekt ertoe dat het persoonlijk belang
zover dit de belaging van D. en/of hun kinde-
tot een ander oordeel zouden moeten leiden
bij het slachtoffer niet te worden geconfron-
ren betreft;
niet is gebleken.
teerd met eventuele negatieve gevolgen van
vermindert (wegens overschrijding van de
2.4. Het middel faalt. De Hoge Raad verwerpt
een strafvervolging de voorrang heeft boven
redelijke termijn, red.) de opgelegde gevange-
in hoofdzaak het beroep. Wegens overschrij-
het algemeen belang van strafvervolging. Die
nisstraf in die zin dat deze drie jaren en elf
ding van de redelijke termijn wordt de straf
gedachte zou worden ondergraven indien in
maanden beloopt; verwerpt het beroep voor
teruggebracht tot gevangenisstraf van 23
een geval als het onderhavige de ene klacht-
het overige.
maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk.
De A-G Machielse overwoog onder meer:
gerechtigde zou kunnen bewerkstelligen dat
de mogelijkheid van strafvervolging ook zou
worden geopend voor zover het feit of de
1047
3.4. Gelet op de rechtspraak van de Hoge Raad
dat voor het aannemen van voorwaardelijk
opzet op levensberoving nodig is dat er sprake
feiten zijn begaan ten opzichte van zijn
medeslachtoffers. Met die gedachte strookt
26 april 2011, nr. 09/03174
was van een aanmerkelijke kans dat de gedra-
ook dat art. 164 Sv ertoe strekt te doen vast-
(Mrs. Van Dorst, De Hullu en Splinter-
ging van verdachte de ander dodelijk zou tref-
staan dat de tot klacht gerechtigde persoon
van Kan; de A-G Machielse heeft geconclu-
fen, welke kans in werkelijkheid en niet enkel
zelf wenst dat een strafvervolging wordt
deerd tot vernietiging van het bestreden
in de voorstelling van verdachte aanmerkelijk
ingesteld (vgl. HR 2 november 2004, LJN
arrest met terugwijzing naar het hof;
moet zijn geweest, is het middel gegrond. Uit
AQ4289).
adv. mr. Th.J. Kelder, ’s-Gravenhage)
de gebezigde bewijsmiddelen is enkel af te
3.5. ’s Hofs kennelijke oordeel dat de klacht
LJN BP1142
leiden dat de verdachte de ander met een mes
in de buik heeft gestoken en dat als gevolg
van V. tevens kon worden beschouwd als een
klacht van zijn echtgenote in de zin van art.
Door met een mes in de buik van een ander
daarvan de ander in de buikstreek is geraakt.
285b, tweede lid, Sr geeft dan ook blijk van
te steken is minst genomen sprake van
Of de messteek de aanmerkelijke kans van
een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het
poging tot voorwaardelijk opzet op dood-
overlijden van het slachtoffer in werkelijkheid
daarover klaagt is het terecht voorgesteld
slag
in het leven riep is door het hof niet vastgesteld. Het middel slaagt.
3.6. ten aanzien van de kinderen van V. geldt
het volgende. Art. 65 Sr bepaalt dat, indien de
(Sv art. 350, 358 en 359)
klachtgerechtigden de leeftijd van zestien
1048
jaren nog niet bereikt heeft, de klacht
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
geschiedt door zijn wettelijke vertegenwoor-
deeld tot gevangenisstraf van 24 maanden
diger in burgerlijke zaken. Het Hof heeft over
waarvan 8 maanden voorwaardelijk wegens
26 april 2011, nr. 09/01950 P
de leeftijd van de kinderen evenwel niets
poging tot doodslag.
(Mrs. Van Dorst, Splinter-van Kan en Groos;
vastgesteld. Het Hof heeft zijn oordeel dat
Ten laste van de verdachte werd in hoger
De A-G Hofstee heeft geconcludeerd tot
ook ten aanzien van deze kinderen is vol-
beroep bewezen verklaard dat: hij op 12 juli
vernietiging van de bestreden uitspraak
daan aan het klachtvereiste van art. 285b,
2008 te G., ter uitvoering van het door ver-
ten aanzien van de betalingsverplichting,
tweede lid, Sr dan ook ontoereikend gemoti-
dachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
tot vermindering daarvan naar de
veerd. Voor zover het middel daarover klaagt
O. van het leven te beroven, met dat opzet
gebruikelijke maatstaf en tot verwerping
is het eveneens terecht voorgesteld.
die O. met een mes in de buik heeft gestoken,
van het beroep voor het overige;
3.7. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen
adv. mr. A.A. Franken, Amsterdam)
– met vernietiging van de bestreden uit-
misdrijf niet is voltooid.
LJN BP9900
spraak in zo verre – de Officier van Justitie
Het eerste middel bevat de klacht dat het
alsnog niet-ontvankelijk verklaren in de ver-
opzet van verdachte op levensberoving niet
Ook in ontnemingszaken heeft de veroor-
volging ter zake van het aan de verdachte
zonder meer uit de bewijsmiddelen is af te
deelde het recht voorafgaande aan het eerste
onder 2, tweede cumulatief en alternatief
leiden. De bewijsmiddelen houden te weinig
politieverhoor een advocaat te raadplegen,
tenlastegelegde voor zover het de belaging
in over de wijze waarop is gestoken en laten
bij gebreke waarvan in beginsel bewijsuit-
1334
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Rechtspraak
sluiting het gevolg is. Dat geldt ook als
bestaan van dwingende redenen om dat
De verdachte werd na terugwijzing door de
bewijsmateriaal dat verkregen wordt als een
recht te beperken – dient te leiden tot uit-
Hoge Raad in hoger beroep veroordeeld tot
rechtstreeks gevolg van een om die reden
sluiting van het bewijs van de verklaringen
24 jaren gevangenisstraf wegens moord.
voor het bewijs onbruikbare verklaring. Of
van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij
Ten laste van de verdachte is bewezenver-
van een rechtstreeks gevolg sprake is, valt
een advocaat kon raadplegen. Het voorgaan-
klaard: dat hij omstreeks 9 oktober 2006 op
niet in algemene zin te beantwoorden al zal
de geldt ook voor bewijsmateriaal dat is ver-
het eiland Curaçao opzettelijk met voorbe-
daarvan geen sprake zijn als de verdachte
kregen als een rechtstreeks gevolg van een
dachten rade een persoon genaamd M. van
(betrokkene) een verklaring heeft afgelegd
voor het bewijs onbruikbare verklaring als
het leven heeft beroofd, hebbende hij, ver-
nadat hij een advocaat heeft kunnen raad-
hiervoor bedoeld. De vraag of sprake is van
dachte, toen en daar opzettelijk na kalm
plegen en hem de mededeling is gedaan dat
zo’n rechtstreeks gevolg laat zich niet in alge-
beraad en rustig overleg schoten met een
hij niet verplicht is te antwoorden
mene zin beantwoorden, zij het dat bewijs-
vuurwapen op en/of in de richting van die M.
uitsluiting in beginsel niet in aanmerking
afgevuurd waardoor die M. schotverwondin-
komt ten aanzien van (een) verklaring(en)
gen aan het hoofd bekwam, tengevolge van
die de verdachte nadien heeft afgelegd nadat
welke schotverwondingen die M. is overleden.
Ontnemingszaak (€ 182 945)
hij een advocaat heeft kunnen raadplegen en
In een nadere bewijsoverweging verklaarde
Het tweede middel bevat de klacht dat het
hem de in art. 29, tweede lid Sv mededeling
het hof: uit de bewijsmiddelen volgt dat de
hof – in strijd met een eerlijk proces als
is gedaan dat hij niet verplicht is tot ant-
verdachte stapvoets bij de B. Grill is langs
bedoeld in art. 6 EVRM – de schatting van
woorden. Een verklaring die tot stand is
gereden en kort daarna nogmaals langs die
het wederrechtelijk verkregen voordeel mede
gekomen in strijd met art, 6 EVRM, kan ook
Grill is gereden. Uit de verklaring van de
heeft gebaseerd op de verklaring die de
niet voor het bewijs worden gebruikt indien
getuige D. wordt afgeleid dat het rustig was
betrokkene op 22 juni 2004 tegenover de
de verdachte nadien, na raadpleging van een
bij de B. Grill totdat er werd geschoten terwijl
politie heeft afgelegd zonder dat hij vooraf-
advocaat dan wel met bijstand van een advo-
de schoten dichtbij hem werden gelost. Uit
gaand aan het verhoor in de gelegenheid was
caat, een verklaring heeft afgelegd van
de verklaring van R. volgt dat de verdachte
gesteld een advocaat te raadplegen.
dezelfde inhoud en/of strekking (vgl. HR 21
na het eerste schot, het slachtoffer nogmaals
Het hof overwoog toen een zelfde klacht in
december 2010, LJN BN9293).
vier maal in het gezicht schoot. Uit deze
hoger beroep werd aangevoerd: (…) dat de
2.3.2. Het voorgaande geldt ook ten aanzien
bewijsmiddelen in onderling verband en
verdediging niet heeft aangevoerd dat ver-
van de schatting van het wederrechtelijk ver-
samenhang bezien leidt het Hof af dat de
oordeelde zijn verklaring niet vrijwillig heeft
kregen voordeel in ontnemingsprocedures.
verdachte welbewust op zoek was naar M.,
afgelegd. Ook nadat veroordeelde zijn advo-
2.4. Door het gevoerde verweer te verwerpen
met een vuurwapen uit de auto is gestapt en
caat had geraadpleegd is niet aangevoerd dat
op de hiervoor onder 2.2.2. gegeven gronden
naar de B. Grill is gelopen om aldaar M. dood
het niet raadplegen van de advocaat bij ver-
en de schatting van het wederrechtelijk ver-
te schieten. Het voorgaande brengt het Hof
oordeelde heeft geleid tot misverstanden dan
kregen voordeel aan de gewraakte verklaring
tot de conclusie dat de verdachte heeft
wel het afleggen van zijn verklaring heeft
te ontlenen, heeft het Hof, naar voortvloeit
gehandeld uit een tevoren genomen besluit
beïnvloed. Ook in hoger beroep is niet
uit hetgeen hiervoor onder 2.3. is overwogen,
en voorafgaande aan de uitvoering van dat
betoogd dat de veroordeelde, had hij wel zijn
blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvat-
besluit voldoende gelegenheid heeft gehad
raadsman had kunnen raadplegen, een ande-
ting.
om over de betekenis en de gevolgen van de
re verklaring zou hebben afgelegd. Voorts
2.5. Het middel is terecht voorgesteld.
voorgenomen daad na te denken en zich
heeft veroordeelde zijn verklaringen in ver-
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
daarvan rekenschap te geven. Het bestand-
schillende instanties van de procedure in
spraak en wijst de zaak terug naar het hof.
deel voorbedachte raad is daarmee bewezen.
(Sv art. 29 en 359a; EVRM art. 6)
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof
grote lijnen bevestigd. Daarnaast worden de
verklaringen van veroordeelde, afgelegd op
22 juni 2004, in voldoende mate ondersteund
1049
ten onrechte de voor het bewijs gebezigde
verklaring van de verdachte, afgelegd ter
terechtzitting van het hof heeft gedenatu-
door ander bewijs. Uit het voorgaande volgt
dat het feit dat de veroordeelde niet in de
26 april 2011, nr. 10/01009 A
reerd. In het bijzonder wordt in de toelichting
gelegenheid is gesteld om voorafgaand aan
(Mrs. Koster, De Hullu, Thomassen, Splinter-
op het middel betoogd dat het hof aan de
de politieverhoren op 22 juni 2004 te overleg-
van Kan en Loth; de A-G Machielse heeft
door de verdachte afgelegde verklaring, aan
gen met een raadsman, niet tot uitsluiting
geconcludeerd tot vernietiging van het
die verklaring een andere betekenis heeft
van de op die datum afgelegde verklaringen
bestreden strafvonnis en tot verwijzing van
gegeven omdat in die weergave tot uitdruk-
leidt of tot enig ander rechtsgevolg.
de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof;
king zou zijn gebracht dat de verdachte zelf
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
adv. mrs. Goudswaard en Van Straalen,
heeft gereden ‘en aldus zelf de rijrichting van
dit middel:
’s-Gravenhage)
de auto heeft bepaald’ terwijl die verklaring
2.3.1. Indien een aangehouden verdachte niet
LJN BP1286
blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep inhoudt dat een ander
dan wel niet binnen redelijke grenzen de
gelegenheid is geboden om voorafgaand aan
Bewijs van voorbedachte raad onder meer
dan de verdachte de auto bestuurde. Voorts
het eerste verhoor door de politie een advo-
daaraan ontleend dat de verdachte die
zou, aldus het middel het gebruik in die weer-
caat te raadplegen, levert dat in beginsel een
nacht in een auto langzaam langs het
gave van het woord ‘stapvoets’ niet stroken
vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv,
betreffende restaurant is gereden, terwijl –
met de afgelegde verklaring, nu die inhoudt
dat, na een daartoe strekkend verweer, in de
aldus de Hoge Raad – kennelijk geen
dat de auto ‘langzaam’ heeft gereden.
regel – behoudens in het geval dat de ver-
gewicht is toegekend aan de omstandigheid
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
dachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend
dat de verdachte niet zelf de auto bestuurde
het eerste middel: blijkens de nadere bewijsoverweging van het Hof heeft het de door de
doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand
heeft gedaan van het recht, dan wel bij het
(Sv (Ned. Antillen) art. 402)
verdachte in hoger beroep afgelegde, en tot
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1335
Rechtspraak
het bewijs gebezigde verklaring mede reden-
hij op 22 november 2007 te A. met het oog-
de Boer, Amsterdam)
gevend geacht voor het bewijs van de voorbe-
merk van wederrechtelijke toeëigening uit
LJN BO5820
dachte raad. De gevolgtrekking van het Hof:
een bestelauto heeft weggenomen een Tom-
‘dat de verdachte welbewust op zoek was naar
Tom en een telefoon (…) toebehorende aan
Ontnemingszaak (€ 12 000)
M.’ is kennelijk op die verklaring gebaseerd.
een ander of anderen dan aan verdachte.
Het tweede middel richt zich tegen het door
Blijkens de weergave van die verklaring in het
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof
het Hof bij de schatting van het wederrechte-
bestreden arrest heeft het Hof wat betreft die
ten onrechte, althans ontoereikend gemoti-
lijk verkregen voordeel in aanmerking geno-
verklaring in het bestreden arrest heeft het
veerd het verzoek van de verdediging tot het
men camera’s. Het derde middel betreft de
Hof wat betreft die verklaring en de daarop
houden van een foto-confrontatie met de
daarbij in aanmerking genomen gemiddelde
gebaseerde gevolgtrekking kennelijk en niet
getuige M. heeft afgewezen. Aangevoerd wordt
verkoopprijs van die camera’s. Het vierde
onbegrijpelijk beslissend geacht dat de ver-
ook dat de weigering om de fotoconfrontatie
middel klaagt over ’s Hofs oordeel dat de
dachte die nacht in een auto langzaam langs
te houden is gebaseerd op een vooruitlopen
betrokkene geen kosten heeft gemaakt. De
het betreffende restaurant is gereden en heeft
op de resultaten van die confrontatie.
middelen lenen zich – zo de Hoge Raad –
het daarbij geen gewicht toegekend aan de
Ter zitting van het hof verklaarde de raads-
voor een gezamenlijke bespreking.
omstandigheid dat volgens die verklaring de
vrouw van de verdachte dat de opdracht voor
De Hoge Raad overweegt voorts:
verdachte niet zelf de auto bestuurde. Daarom
voormelde fosloconfrontatie weliswaar in juli
2.7. Bij de beoordeling van het tweede en het
kan niet worden gezegd dat het Hof bij de
2008 is gegeven maar dat daaraan kennelijk
derde middel moet worden vooropgesteld
weergave van die verklaring in het bestreden
pas veel later getracht is uitvoering te geven.
dat de betrokkene in de hoofdzaak is veroor-
arrest – waarin ook naar de letter bezien niet
Zij deelt mede dat zij persisteert bij het ver-
deeld voor schuldheling van een in de bewe-
valt te lezen dat de verdachte zelf de auto
zoek tot het houden van de foslo-confronta-
zenverklaring niet benoemd aantal camera’s
bestuurde – in dat opzicht aan die verklaring
tie met de getuige M. (…)
zodat het Hof niet was gehouden om bij de
een andere betekenis heeft gegeven. Dat geldt
Na beraad in raadkamer deelt de voorzitter
schatting van het daaruit wederrechtelijk
ook wat betreft het gebruik in die weergave
als beslissing van het hof mede dat het ver-
verkregen voordeel slechts dat aantal came-
van het woord ‘stapvoets’.
zoek tot het houden van een foslo-confronta-
ra’s in aanmerking te nemen dat is genoemd
Het middel faalt.
tie met de getuige M. wordt afgewezen. Naar
in de voor die bewezenverklaring gebezigde
Ook het tweede en het derde middel falen op
het oordeel van het hof wordt de verdachte
bewijsmiddelen. Voor zover die middelen op
de gronden vermeld in de conclusie van de
hierdoor redelijkerwijs niet in zijn verdedi-
een andere opvatting berusten, is die opvat-
Advocaat-Generaal onder 4.2. en 4.3. respectie-
ging geschaad, waarbij het hof in aanmer-
ting onjuist.
velijk 5.2 Verworpen worden de stellingen dat
king neemt de door de getuige M. op 29
2.8. Het Hof heeft – in navolging van de
het bewijs van de moord op de verklaring van
augustus 2008 bij de rechter-commissaris
Rechtbank – geoordeeld dat het aantal door
slechts één getuige berust (middel twee) en
afgelegde verklaring dat het voor haar heel
de betrokkene geheelde camera’s waaruit
dat de bewezenverklaring van voorbedachte
lastig zal worden de verdachte te herkennen.
voordeel is getrokken, op twintig moet wor-
raad ontoereikend zijn gemotiveerd (middel
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
den geschat. Dat oordeel is tegen de achter-
drie). De Hoge Raad verwerpt het beroep.
het eerste middel:
grond van het hiervoor onder 2.5. weergege-
3.4. Het Hof heeft als zijn oordeel tot uitdruk-
ven financieel rapport en in het licht van het
king gebracht dat het gelet op het tijdsver-
hiervoor onder 2.6 weergegeven verweer –
loop sedert het plegen van het feit onwaar-
waarin slechts wordt geconcludeerd dat de
schijnlijk is dat een met de getuige M. te
betrokkene geen enkel voordeel (heeft) ver-
26 april 2011, nr. 08/04995 J
houden fotoconfrontatie een voldoende rele-
kregen uit een misdrijf – toereikend gemoti-
(Mrs. Koster, Thomassen, Splinter-van Kan,
vant en betrouwbaar resultaat zou opleveren
veerd en kan, verweven als het is met waar-
Groos en Sterk; de A-G Machielse heeft
voor enige door het Hof te nemen beslissing.
deringen van feitelijke aard, in cassatie
geconcludeerd tot vernietiging van het
Daarbij heeft het in aanmerking genomen
verder niet ten toets komen. Het tweede mid-
bestreden arrest en tot terugwijzing naar
dat die getuige reeds op 29 augustus 2008
del stuit daarop af.
het hof; advocaten mrs. De Boer en
ten overstaan van de Rechter-Commissaris
2.9. Hetzelfde heeft te gelden voor het derde
Van der Velden)
op de vraag of zij de verdachte nu nog zou
middel dat dus tevergeefs klaagt over de door
LJN BO2593
herkennen, heeft geantwoord dat dat voor
het Hof in aanmerking genomen gemiddelde
haar ‘heel lastig gaat worden’. Eén en ander is
verkoopprijs van € 548 per camera.
Het oordeel van het hof dat het houden van
niet onbegrijpelijk. Anders dan het middel
Het vierde middel deelt dat op dezelfde gron-
een foto- of fosloconfrontatie door het
betoogt is het Hof met dat oordeel niet voor-
den waar het klaagt over ’s Hofs oordeel dat
aanzienlijke tijdsverloop geen betrouwbare
uitgelopen op hetgeen die getuige bij een te
gesteld noch gebleken is dat de betrokkene
en relevante beslissing voor het hof kan
houden fotoconfrontatie zou verklaren.
kosten heeft gemaakt waarmee het Hof reke-
opleveren is niet een niet toegestaan voor-
3.5. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
ning dient te houden.
uitlopen op de uitkomst van de eventueel
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Het eerste en het vijfde middel kunnen niet
1050
tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81
te houden fotoconfrontatie
RO, geen nadere motivering nu de middelen
(Sv art. 315, 316, 328, 331, 350, 358 en 359)
1051
De verdachte werd in hoger beroep wegens
26 april 2011, nr. 08/03615 P
rechtsontwikkeling.
diefstal veroordeeld tot jeugddetentie voor
(Mrs. Van Dorst, Splinter-van Kan en Ilsink;
In het zesde middel wordt geklaagd over
de duur van dertig dagen.
de A-G Aben heeft geconcludeerd tot
overschrijding in de cassatiefase van de rede-
Ten laste van de verdachte werd bewezenver-
vernietiging van de bestreden uitspraak en
lijke termijn. Dat middel is gegrond maar dat
klaard dat:
tot terugwijzing naar het hof, adv. mr. B.P.
hoeft niet tot cassatie te leiden omdat de
niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de
1336
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Rechtspraak
rechtsgevolgen van de overschrijding zullen
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
de hennepplanten of de daarvan te verwach-
worden toegepast in de hoofdzaak.
spraak en wijst de zaak terug naar het hof.
ten oogst. Gelet hierop verstaat het hof de
Aanwijzing en Richtlijn aldus dat het telen
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
1052
1053
dan wel het aanwezig hebben van niet meer
dan vijf hennepplanten – ongeacht de verdere specificaties van die planten – in beginsel
26 april 2011, nr. 09/01099 (en 09/00196 en
niet strafrechtelijk wordt vervolgd, doch
26 april 2011, nr. 09/03794
09/00197)
wordt afgedaan middels een (politie-)sepot.
(Mrs. Van Dorst, De Hullu en Groos; de A-G
(Mrs. Van Dorst, De Savornin Lohman,
Voorwaarde is dan wel, zo leest het hof het
Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping
Ilsink, Groos en Sterk; de A-G Vegter heeft
bepaalde in onderdeel 2.2.1. van de Aanwij-
van het beroep; advocaten mrs. De Boer en
op het door de A-G bij het hof ingestelde en
zing onder het opschrift ‘niet-bedrijfsmatige
Van der Velden)
door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwar-
teelt’ dat door degene die onder wie niet
LJN BP8498
den, tegengesproken beroep in cassatie,
meer dan vijf hennepplanten worden aange-
geconcludeerd tot verwerping van dat
troffen, aanstonds daarvan afstand doet ter
Verklaringen van de verdachte die enerzijds
beroep)
vernietiging.
als bewijsmiddel worden gebezigd en
LJN BO4015 (en BO3976 en BO4004)
Nu in het onderhavige geval de aangetroffen
hoeveelheid hennepplanten binnen het
anderzijds in een nadere bewijsoverweging
als ongeloofwaardig worden bestempeld:
De aanwijzing en richtlijn inzake het niet
gedooggebied van vijf planten is gebleven én
nietigheid
vervolgen van het telen of aanwezig hebben
door de verdachte en de medeverdachte L.R.,
van vijf of minder hennepplanten is recht
zoals uit de door hen tegenover de politie
in de zin van art. 79 RO en bindt het Open-
afgelegde verklaringen blijkt, aanstonds
baar Ministerie tegenover de burger(es) die
afstand is gedaan van de aangetroffen hen-
Het gerechtshof heeft – behalve ten aanzien
vijf hennepplanten heeft geteeld en/of
nepplanten, dient naar het oordeel van het
van de strafoplegging en met aanvulling van
aanwezig gehad met de opbrengst daarvan
hof in beginsel als uitgangspunt te worden
(Sv art. 338, 339, 342, 358 en 359)
genomen dat de verdachte erop mocht ver-
de bewijsconstructie – bevestigd het vonnis
van de rechtbank waarbij de verdachte is ver-
(RO art. 79; Aanwijzing Opiumwet teelt van
trouwen dat ten aanzien van het telen c.q.
oordeeld wegens (1) opzettelijk handelen met
cannabis art. 2.2.1)
aanwezig hebben van die hennepplanten
geen strafrechtelijke vervolging zou worden
een in art. 3 onderdeel A Opw gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft –
ingesteld.
grote hoeveelheid van een middel en (2)
met vernietiging van een veroordelend von-
Door de advocaat-generaal is tegen het
opzettelijk handelen in strijd met het in art.
nis van de rechtbank – bij arrest van
gevoerde ontvankelijkheidsverweer onder
3 onderdeel C Opw gegeven verbod, terwijl
17 december 2008 het Openbaar Ministerie
meer ingebracht, kort gezegd, dat het gedoog-
het feit betrekking heeft op een grote hoe-
niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging
beleid in het onderhavige geval geen toepas-
veelheid van een middel. Het hof heeft de
van de verdachte.
sing vindt, omdat de verdachte op 9 oktober
verdachte veroordeeld tot een onvoorwaarde-
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
2006 niet alleen de hiervoor bedoelde hennep-
lijke gevangenisstraf van veertien maanden.
zij op of omstreeks 09 oktober 2006 in de
planten teelde c.q. aanwezig had, maar tevens
Het eerste middel behelst de klacht dat de
gemeente R. tezamen en in vereniging met
een andere door de Opiumwet bestreken straf-
bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 niet
een ander of anderen, althans alleen, opzette-
bare gedraging pleegde (te weten het aanwe-
naar de eis der wet met redenen is omkleed,
lijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt
zig hebben van een hoeveelheid hennep met
nu het hof een verklaring van de verdachte
en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aan-
een totaalgewicht van 2180 gram) die niet
als bewijsmiddel heeft opgenomen terwijl
wezig heeft gehad een hoeveelheid van (in
voldoet aan de in de Aanwijzing en Richtlijn
het hof in een nadere bewijsoverweging
totaal) ongeveer 2180 gram hennep en/of
bedoelde gedoogvoorwaarden.
heeft geoordeeld dat het deze verklaring
ongeveer 5, althans een aantal hennepplan-
Het hof overwoog hieromtrent als volgt:
ongeloofwaardig heeft geacht.
ten en/of delen daarvan (welke planten een
Uit het relaas van verbalisant R. (…) blijkt dat
In een nadere bewijsoverweging noemde het
gewicht hadden van 11 100 gram) in elk
hij – het hof begrijpt: op 9 oktober 2006 –
hof de verklaring van de verdachte inhou-
geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram
zag dat de medeverdachten R. en V. in de ach-
dende dat (dan) een vriend van A., ene R.,
van een materiaal bevattende hennep, zijnde
tertuin van de woning van verdachte bezig
met A. en F. in de winkel van verdachte
hennep een middel als bedoeld in de bij de
waren met het knippen van hennepplanten
waren ongeloofwaardig.
Opiumwet behorende lijst II, dan wel aange-
en dat hij, R. toen hij in de achtertuin van de
De in deze nadere bewijsoverweging door het
wezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a
woning stond, zag dat er vijf hennepplanten,
hof ongeloofwaardig geachte verklaring van
van die wet.
waarvan er één reeds was geknipt. Het hof
de verdachte is door het hof tevoren juist als
Het hof stelde vast: dat de Aanwijzing en de
merkt op dat op de foto’s in het dossier (…)
bewijsmiddel gebruikt.
Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, soft-
kennelijk de geknipte hennepplant en de vier
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
drugs (hierna de Richtlijn) ten aanzien van
niet geknipte hennepplanten te zien zijn.
het eerste middel:
de niet als beroeps- of bedrijfsmatig aan te
Uit het relaas van verbalisant J. (…) blijkt dat
2.3. Het Hof heeft in de gebezigde bewijsmid-
merken teelt van hennepplanten uitsluitend
hij op 9 oktober 2006 een partij henneptop-
delen een verklaring van de verdachte opge-
een getalsmatige limiet stellen aan de hoe-
pen met een totaalgewicht van 400 gram, die
nomen die het evenwel blijkens de nadere
veelheid hennepplanten die in beginsel zon-
afkomstig waren uit een slaapkamer op de
bewijsoverweging ongeloofwaardig acht.
der het risico van strafvervolging geteeld
eerste verdieping van de woning van de ver-
Daarom is de bewezenverklaring niet naar de
mag worden en dat deze beleidsregels geen
dachte, en een partij henneptoppen met een
eis der wet met redenen omkleed.
verdere details bevatten betreffende bijvoor-
totaalgewicht van 1780 gram, die – zo
2.4. Het middel slaagt
beeld de maximaal toegestane omvang van
begrijpt het hof – eveneens van het adres
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1337
Rechtspraak
van de verdachte afkomstig waren, in beslag
waar niet gelden als algemeen verbindende
Deze zaak komt in alle opzichten – op één na
heet genomen. Uit foto 6 op pagina 19 van
voorschriften omdat zijn niet krachtens eni-
– overeen met die welke hiervoor is (zijn)
het dossier leidt het hof af dat de henneptop-
ge wetgevende bevoegdheid zijn gegeven,
weergegeven, maar dat ene verschil is er
pen met een gewicht van 400 gram, die op de
maar binden wel het openbaar ministerie op
reden van dat in deze zaak niet tot de niet-
slaapkamer werden aangetroffen, daar te dro-
grond van beginselen van een behoorlijke
ontvankelijkheid van het Openbaar Ministe-
gen waren gelegd. Het hof neemt hierbij in
procesorde en lenen zich naar hun aard en
rie door het hof is overgegaan noch door de
aanmerking dat de medeverdachte V. tegen-
strekking ertoe jegens de betrokkenen als
Hoge Raad daartoe is gekomen.
over de politie heeft verklaard (…) kort
rechtsregels te worden toegepast (vgl. HR
De reden waarom de richtlijn het Openbaar
gezegd, dat hij en R. voornoemd op 9 oktober
19 juni 1990, LJN ZC8556, NJ 1991/119).
Ministerie in deze zaak niet bindt, hoewel
2006 in de achtertuin van de woning van de
2.7. De aanwijzing dient aldus te worden uit-
het hier toch ook om vijf hennepplanten
verdachte bezig waren met het knippen van
gelegd dat – behoudens door het openbaar
gaat, is hierin gelegen dat de verdachte niet
de hennepplanten, dat zij – toen de politie
ministerie te stellen en aannemelijk te
aanstonds van die planten afstand heeft
van de woning betrad – net de eerste plant
maken bijzondere omstandigheden en mits
gedaan. Die eis of voorwaarde werd ook in de
hadden geknipt en dat R. de toppen van de
tijdig afstand is gedaan van de teelt van niet
vorige zaak door de Hoge Raad uitdrukkelijk
eerste plant naar binnen had gebracht om
meer dan vijf hennepplanten – met een poli-
opgenomen onder zijn ‘mits’.
deze te laten drogen. (…)
tiesepot wordt afgedaan de teelt van niet
Het door de raadsman van de verdachte –
Op grond van het bovenstaande en bij gebre-
meer dan vijf hennepplanten, ongeacht de
wiens middel, nadat het hof de verdachte tot
ke aan aanwijzingen van het tegendeel moet
hoeveelheid of het gewicht van de met die
een, zij het geringe, straf had veroordeeld,
naar het oordeel van het hof in de onderhavi-
teelt verkregen of te verkrijgen opbrengst
aansloot bij de beslissingen uit de vorige
ge zaak als vaststaand worden aangenomen
van voor consumptie geschikte hennep of
zaak, kon om die reden niet slagen. De Hoge
dat de losse hennepproducten (toppen en
hennepproducten.
Raad verwierp dan ook het beroep.
restmateriaal) met een totaalgewicht van
2.8. Nu het Hof in de bestreden uitspraak van
2180 gram afkomstig zijn van de door de
die uitleg is uitgegaan en het heeft geoor-
medeverdachten R. en V. geknipte hennep-
deeld dat van bijzondere omstandigheden
plant waarvan de stronk nog in de grond
als vorenbedoeld niet is gebleken, geeft zijn
stond. (…)
oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-
26 april 2011, nr. 09/01875
Gelet op het voorgaande komt het hof, met
ontvankelijk in de vervolging moet worden
(Mrs. Van Dorst, De Hullu en Groos; de A-G
de verdediging, tot de conclusie dat het open-
verklaard, niet blijk van een onjuiste rechts-
Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging
baar ministerie in deze zaak heeft gehandeld
opvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
van de bestreden uitspraak, maar uitslui-
in strijd met de beginselen van een goede
2.9. het middel stuit daarop af.
tend voor zover daarbij geen toepassing is
procesorde door, in tegenstelling tot hetgeen
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
gegeven aan art. 27 lid 1 Sr, tot het op de
in de hiervoor genoemde Aanwijzing en
Richtlijn is bepaald, de verdachte te vervolgen voor het telen dan wel het aanwezig heb-
1055
opgelegde gevangenisstraf in mindering
1054
ben op 9 oktober 2006 van 5 hennepplanten
brengen van de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis en tot verwerping van het beroep voor het overige;
en een hoeveelheid van diezelfde planten
26 april 2011, nr. 09/04729
adv. mr. J. Boksem, Leeuwarden)
afkomstige hennepproducten. Het openbaar
(Mrs. Van Dorst, De Savornin Lohman,
LJN BP7844
ministerie dient daarom in zijn strafvervol-
Ilsink, Groos en Sterk; de A-G Silvis heeft
ging niet ontvankelijk te worden verklaard.
geconcludeerd tot verwerping van het
Verweren en standpunten die in eerste
Hiertegen richt zich het middel van de advo-
beroep; adv. mr. G.J.P.M. Mooren, Goirle)
aanleg ter sprake zijn gebracht, behoeven
caat-generaal dat in de kern neerkomt op
LJN BP1275
in hoger beroep niet besproken en beslist
bestrijding van het oordeel van het hof dat
te worden, als zij in hoger beroep niet zijn
het openbaar ministerie te dezen heeft
Geen niet-ontvankelijkheid van het OM in
herhaald ook niet als het hoger beroep bij
gehandeld in strijd met de beginselen van
de vervolging hoewel het maar gaat over
verstek is berecht en evenmin als de appel-
een goede procesorde door de verdachte in
het telen van vijf hennepplanten, omdat de
akte vermeldt dat hoger beroep wordt
strijd met de onder 2.4. vermelde Aanwijzing
verdachte niet aanstonds afstand heeft
ingesteld omdat men, zonder dat dat
te vervolgen voor het telen dan wel aanwezig
gedaan van de hennepplanten. Die afstand
verweer in hoger beroep wordt herhaald,
hebben van vijf hennepplanten en een hoe-
wordt als eis gesteld wil de richtlijn over
het niet eens is met de verwerping van het
veelheid van van diezelfde planten afkom-
vijf hennepplanten toepassing vinden
verweer in eerste aanleg gedaan op bijvoor-
stige hennepproducten.
beeld noodweer(exces)
De Hoge Raad overweegt hieromtrent als
(Aanwijzing cannabisteelt art. 2; RO art. 79;
volgt:
Opw art. 3 onderdeel B)
(Sr art. 27; Sv art. 422)
worden vooropgesteld dat regels die zijn ver-
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
vat in voormelde Aanwijzing, moeten worden
deeld tot een voorwaardelijke werkstraf van
deeld tot 36 maanden gevangenisstraf waar-
beschouwd als recht in de zin van art. 79 RO.
40 uren wegens onder meer: opzettelijk han-
van tien maanden voorwaardelijk wegens
De Aanwijzing bevat immers regels omtrent
delen in strijd met een in art. 3 onderdeel B
poging tot doodslag.
de beleidsuitgangspunten bij de opsporing
Opw gegeven verbod.
Het middel bevat de klacht dat het hof ten
en vervolging van opiumdelicten. Deze op de
Aan de verdachte werd, kort gezegd, onder
onrechte niet uitdrukkelijk en gemotiveerd
uitoefening van het beleid van het Openbaar
meer verweten dat hij had geteeld en/of aan-
heeft gerespondeerd op in eerste aanleg
Ministerie betrekking hebbende en behoor-
wezig had gehad ongeveer vijf zogenoemde
gevoerde verweren en evenmin op de ter
lijk bekend gemaakte regels kunnen welis-
(moeder)hennepplanten.
terechtzitting in eerste aanleg uitdrukkelijk
2.6. Bij de beoordeling van het middel moet
1338
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Rechtspraak
door de verdediging onderbouwde standpun-
De door de civiele rechter geheel of ten dele
aan dat de vordering moet worden vermin-
ten. Daarmee wordt blijkens de toelichting
toegewezen schade kan, wat de strafrechte-
derd met de in de civiele procedure toegewe-
op een beroep gedoeld op noodweer, nood-
lijke vordering betreft, wel door de straf-
zen schadevergoeding van € 76 989,18. Cliën-
weerexces en putatief noodweer alsmede
rechter wegens gebrek aan belang worden
te heeft een extra hypotheek moeten nemen,
betrouwbaarheid van een getuige. Het mid-
afgewezen (niet-ontvankelijk verklaard) al
die haar per maand € 553 kost. Zij vordert nu
del bouwt voort op een annotatie van mr.
naar gelang zij geheel of ten dele door de
als directe schade € 1556 als afsluitprovisie.
Knigge bij HR 30 juni 1998, NJ 1999/60, waar-
civiele rechter is toegewezen
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van
in wordt betoogd dat onder (bijzondere)
omstandigheden een reactie op verweren en
€ 22 292,97 en de verdachte veroordeeld dit
(Sv art. 421 e.v.)
bedrag te betalen aan de benadeelde partij
standpunten in eerste aanleg in een arrest
van het hof niet achterwege kan blijven.
De verdachte werd in hoger beroep veroor-
en tot betaling aan de Staat ten behoeve van
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
deeld wegens verduistering, meermalen
het slachtoffer van hetzelfde bedrag.
het middel:
gepleegd, tot twaalf maanden gevangenis-
Ook overweegt het hof onder meer:
2.2. Geen rechtsregel verplicht de rechter te
straf waarvan zes maanden voorwaardelijk.
Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep
beslissen omtrent enig verweer of standpunt
De vordering van de benadeelde partij werd
een schadepost van € 1556 aan afsluitprovi-
dat niet door of namens de verdachte ter
toegewezen tot een bedrag van € 22 292,97
sie van de hypotheek die mevrouw W. heeft
terechtzitting uitdrukkelijk is voorgedragen.
voor welk bedrag ook een schadevergoe-
moeten sluiten, opgevoerd. Deze schade is
Het Hof was dan ook niet gehouden uitdruk-
dingsmaatregel werd opgelegd.
een rechtstreeks gevolg van het bewezenver-
kelijk en gemotiveerd te beslissen omtrent
Ten laste van de verdachte werd in hoger
klaarde.
hetgeen door of namens de verdachte ter
beroep bewezen verklaard dat:
De Hoge Raad overweegt naar aanleiding van
terechtzitting in eerste aanleg is aangevoerd
zij op meerdere tijdstippen in de periode van
het middel:
waarvan niet is gebleken dat dit ter terecht-
1 maart 2006 tot en met 7 oktober 2007 te
2.4. Ingevolge art. 421, derde lid eerste volzin,
zitting in hoger beroep is herhaald. De
Sc. en/of te S. opzettelijk geld toebehorende
Sv kan, voor zover de in eerste aanleg gevor-
omstandigheid dat de behandeling van de
aan W. en/of L., welk goed verdachte anders
derde schadevergoeding niet is toegewezen,
zaak in hoger beroep bij verstek heeft plaats-
dan door misdrijf, te weten als beheerder van
de benadeelde partij zich in hoger beroep
gevonden en dat de aan de appelakte gehech-
het persoonsgebonden budget van W. dan
voegen binnen de grenzen van haar eerste
te opgave van bezwaren inhoudt dat het
wel als vertegenwoordiger van de budget-
vordering. De in deze wetsbepaling opgeno-
hoger beroep is gericht tegen de verwerping
houder van het persoonsgebonden budget
men beperking moet aldus worden uitgelegd
van het beroep op noodweer(exces), leidt niet
van W., onder zich had, wederrechtelijk zich
dat de benadeelde partij in hoger beroep niet
tot een ander oordeel.
heeft toegeëigend.
alsnog schadeposten mag opvoeren, die zij in
2.3. Het middel faalt.
In de tenlastelegging werd ‘geld’ nader
eerste aanleg niet heeft opgevoerd en even-
De Hoge Raad verwerpt, in hoofdzaak, het
bepaald als ‘een bedrag van in totaal
min het bedrag van de in eerste aanleg
beroep; in mindering op de straf wordt als-
€ 73 277,14’.
gevorderde schadevergoeding mag verhogen
nog gebracht de tijd in verzekering en voor-
Het middel bevat de klacht dat het hof ten
(vgl. HR 17 februari 1998, LJN ZD0945, NJ
lopige hechtenis doorgebracht.
onrechte heeft geoordeeld dat de benadeelde
1998/449). Voor zover het middel de klacht
partij ontvankelijk is in haar vordering.
behelst dat het Hof de benadeelde partij niet-
Ook wordt geklaagd over de toewijzing van
ontvankelijk had moeten verklaren in haar
de vordering en over de oplegging van de
vordering tot schadevergoeding wat betreft
schadevergoedingsmaatregel.
de voor het eerst in hoger beroep opgevoerde
26 april 2011, nr. 09/05210
Het voegingsformulier van de benadeelde
schadepost ‘afsluitprovisie’ is het derhalve
(Mrs. Van Dorst, Splinter-van Kan en Groos;
partij hield daarin in als opgevoerde schade:
terecht voorgesteld.
1056
2.5. Gezien de inhoud van het voegingsfor-
de A-G Machielse heeft geconcludeerd tot
vernietiging van het bestreden arrest, maar
Conform dagvaarding
€ 73 277,14
mulier en gelet op het verzoek van de advo-
uitsluitend voor zover het de beslissing
Niet aan cliënt afgedragen (PGB) € 4 803,41
caat van de benadeelde partij ter terechtzit-
betreft op de vordering van de benadeelde
Immateriële schade
€ 5 000,00
ting in hoger beroep ‘de vordering
partij en de beslissing tot oplegging van
Proces- en andere kosten
€ 13 523,00
niet-ontvankelijk te verklaren voor wat
een schadevergoedingsmaatregel en tot
Porti- en telefoonkosten
€
500,00
betreft het grootste gedeelte van de materië-
terugwijzing in zoverre naar het hof; adv.
Kosten voor rechtsbijstand
€
322,60
le schade’ moet het ervoor worden gehouden
mr. R.J. Baumgardt, Spijkenisse)
Totaal
€ 97 426,15
LJN BP1279
dat het Hof de vordering van de benadeelde
partij ontvankelijk heeft geacht voor zover
De rechtbank heeft de benadeelde partij in
die betrekking heeft op de in het voegings-
1. De vordering in hoger beroep van de
haar vordering niet-ontvankelijk verklaard
formulier opgevoerde schade met uitzonde-
benadeelde partij kan de posten die in
op de grond dat deze niet van zo eenvoudige
ring van de post ‘conform dagvaarding’ ten
eerste aanleg zijn opgevoerd daar niet
aard is dat die zich leent voor behandeling
bedrage van € 73 277,14. Ook daarover klaagt
aanvullen met nieuwe posten en ook niet
in de strafzaak.
het middel. Het berust evenwel op de opvat-
de aangevoerde posten verhogen
In hoger beroep heeft de benadeelde partij
ting dat de strafrechter de benadeelde partij
2. Als aan de benadeelde partij ter zake van
haar vordering van € 97 426,15 gehandhaafd.
niet-ontvankelijk moet verklaren in haar vor-
diens schade ook door de burgerlijke rech-
Het hof overweegt dat er een vonnis van de
dering, indien over die vordering door de
ter een bedrag is toegewezen of de toewij-
civiele rechter ligt inzake de schade van de
burgerlijke rechter reeds is beslist of indien
zing van die schade nog loopt, maakt dat
benadeelde partij groot € 76 989,18 met ren-
de vordering bij de burgerlijke rechter nog
toewijzing van de schade door de strafrech-
te en kosten.
aanhangig is. Die opvatting vindt geen steun
ter niet zonder meer niet-ontvankelijk.
De advocaat van de benadeelde partij voert
in het recht. Indien de door de benadeelde
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1339
Rechtspraak
partij gevorderde schadevergoeding reeds
Cassatieberoep belastingplichtige;
dat de uitleg die het Hof aan de afspraak
geheel of gedeeltelijk bij vonnis van de bur-
incidenteel cassatieberoep Minister
heeft gegeven onbegrijpelijk is.
gerlijke rechter is toegewezen, kan de straf-
Hoge Raad, onder meer:
5.2.1. Voorafgaand aan de beoordeling van dit
rechter na een daartoe strekkend verweer de
‘3. Uitgangspunten in cassatie
betoog dient de vraag te worden beantwoord
benadeelde partij – in zoverre – in haar vor-
3.1. De Inspecteur heeft begin 2001 bij belang-
of een belanghebbende een beroep moet doen
dering niet-ontvankelijk verklaren bij gebrek
hebbende een boekenonderzoek ingesteld. In
op verval van de bevoegdheid van de inspec-
aan belang. In aanmerking genomen hetgeen
verband met belanghebbendes achterstand in
teur om een boete op te leggen, en wat in ver-
namens de verdachte omtrent de vordering
de administratie en bij de indiening van aan-
band daarmee de rechtsgevolgen zijn indien
van de benadeelde partij is aangevoerd, geeft
giften is toen met belanghebbende afgespro-
een belanghebbende afstand doet van een
het oordeel van het Hof dat de benadeelde
ken dat zij afzag van een beroep op het opleg-
dergelijk beroep (vgl. onderdeel 8 van de con-
partij ontvankelijk is in haar vordering met
gen van aanslagen buiten de daarvoor
clusie van de Advocaat-Generaal). Daartoe
betrekking tot de hiervoor genoemde posten,
geldende termijnen. Deze afspraak is gemaakt
dient het volgende te worden vooropgesteld.
niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en
om te voorkomen dat vóór het beëindigen
5.2.2. Ingevolge artikel 16 van de AWR vervalt
is het niet onbegrijpelijk.
van het boekenonderzoek aanslagen ter
de bevoegdheid tot het vaststellen van een
De Hoge Raad vernietigt de bestreden uit-
behoud van rechten zouden worden opgelegd.
navorderingsaanslag door verloop van een
spraak, doch uitsluitend wat betreft de beslis-
In een brief van X2, directeur en enig aandeel-
termijn (hierna: de navorderingstermijn) die
sing op de vordering tot schadevergoeding
houder van belanghebbende, van 22 februari
als regel vijf jaar bedraagt. Ingevolge het met
van de benadeelde partij voor zover daarbij
2001 aan de Inspecteur is over deze afspraak
ingang van 1 januari 1998 geldende artikel
de vordering tot betaling van een bedrag van
het volgende vermeld:
67e, lid 1, van de AWR kan de inspecteur in
€ 1556 ter zake van ‘afsluitprovisie’ is toege-
“Cliënten hebben een aanzienlijke achter-
de gevallen bedoeld in die bepaling aan de
wezen met verwerping van het beroep voor
stand met betrekking tot de indiening van
belastingplichtige gelijktijdig met de vaststel-
het overige.
aangiften.
ling van een navorderingsaanslag een ver-
De A-G Machielse voert op het arrest van de
Voor X1 B.V. betreft het de aangiften vennoot-
grijpboete opleggen. Als gevolg van dit
HR 19 februari 2010, NJ 2010/131 met de
schapsbelasting vanaf het jaar 1995; voor X2
samenstel van bepalingen vervalt ook de
conclusie van de A-G Aben die stelt:
betreft het de aangiften inkomstenbelasting
bevoegdheid van de inspecteur tot het opleg-
Uit de wetsgeschiedenis en de literatuur
vanaf het jaar 1997.
gen van een vergrijpboete op de voet van
volgt dan ook daar de benadeelde partij niet-
Voor beide belastingplichtigen zal, namens
artikel 67e, lid 1, van de AWR door tijdsver-
ontvankelijk dient te worden verklaard
cliënten, afgezien worden van een mogelijk
loop met het verstrijken van de navorde-
indien over de vordering van de benadeelde
beroep door cliënten op het verlopen van
ringstermijn (afgezien van uitzonderlijke
partij door de civiele rechter reeds is beslist
aanslagtermijnen tot en met het jaar 1999.”
situaties waarin het derde lid van artikel 67e
of zelfs in geval zij daar nog aanhangig is.
3.2 (…) de Inspecteur (…) [heeft] navorderings-
van de AWR kan worden toegepast).
aanslagen vennootschapsbelasting over de
5.2.3. Voor strafbare feiten waarop het Neder-
jaren 1996 en 1997 met verhogingen aan
landse strafrecht van toepassing is, geldt de
Hoge Raad (belastingkamer)
belanghebbende opgelegd en over het jaar
regeling van artikel 70, lid 1, van het Wet-
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. drs.
1998 een navorderingsaanslag vennoot-
boek van Strafrecht, op grond waarvan het
I.H.T. Reiniers (KPMG Meijburg en Fiscaal
schapsbelasting met een vergrijpboete. Het
recht tot strafvordering vervalt door verloop
instituut Tilburg/Universiteit van Tilburg) en
Hof heeft de navorderingsaanslagen vermin-
van de aldaar nader omschreven termijnen.
mr. drs. M.R.T. Pauwels (Wetenschappelijk
derd. De verhogingen zijn door het Hof volle-
Deze regeling moet door de rechter ambts-
Bureau voor de Hoge Raad en Fiscaal Insti-
dig kwijtgescholden en de boetebeschikking
halve worden toegepast. Zij geldt dus onge-
tuut Tilburg/Universiteit Tilburg).
is vernietigd.
acht of de verdachte daarop een beroep doet,
4. Beoordeling van de in het principale
zodat de rechter de regeling ook behoort toe
beroep voorgestelde middelen (…)
te passen indien de verdachte afstand heeft
5. Beoordeling van het in het incidentele
gedaan van een beroep daarop.
beroep voorgestelde middel
5.2.4. Voor bestuurlijke boeten buiten het
29 april 2011, nr. 09/05158
5.1. Het Hof heeft geoordeeld dat uit de hier-
belastingrecht is de wetgever ervan uitge-
(Mrs. Van den Berge, Schaap, Tijnagel,
voor in 3.1 geciteerde brief (…) moet worden
gaan dat de rechter eveneens ambtshalve
Heisterkamp en Feteris; na conclusie Wattel
afgeleid dat belanghebbende en de Inspec-
onderzoekt of de wettelijke termijn is ver-
tot ongegrondverklaring van zowel het
teur zijn overeengekomen dat de Inspecteur
streken na afloop waarvan de bevoegdheid
principale als het incidentele beroep in
ook na het verstrijken van de termijn van
tot het opleggen van een boete vervalt. Hier-
cassatie)
artikel 16, lid 3, van de Algemene wet inzake
toe kan worden gewezen op de memorie van
LJN BN9685
rijksbelastingen (hierna: de AWR) bevoegd
toelichting bij de Wet bestuurlijke boete
was navorderingsaanslagen vennootschaps-
Arbeidstijdenwet (Kamerstukken II 2002/03,
(Awb art. 5:45; AWR art. 16, 67e en hoofdstuk
belasting over de jaren 1996, 1997 en 1998
29 000, nr. 3, blz. 21). Een soortgelijke opmer-
VIIIA)
op te leggen. Voorts heeft het Hof geoordeeld
king is gemaakt in de memorie van toelich-
dat uit deze brief niet kan worden afgeleid
ting bij de Wet bestuurlijke boete arbeid
In geval van een geschil over een bestuur-
dat deze afspraak ook betrekking heeft op de
vreemdelingen (Kamerstukken II 2003/04, 29
lijke boete dient de belastingrechter ambts-
bevoegdheid verhogingen en/of boeten op te
523, nr. 3, blz. 18). Tevens kan worden gewe-
halve te onderzoeken of de bevoegdheid
leggen. Verder heeft het Hof geoordeeld dat
zen op de memorie van toelichting bij de
tot het opleggen van die boete door tijds-
het niet aannemelijk acht dat partijen een
Geneesmiddelenwet, waarin de parallel met
verloop is vervallen, ook indien een belang-
verlenging van de bevoegdheid straf op te
het strafrecht wordt vermeld en wordt opge-
hebbende afstand heeft gedaan van een
leggen zijn overeengekomen. Tegen dit oor-
merkt dat het verval inhoudt dat de overtre-
beroep op dat tijdsverloop.
deel keert zich het middel met het betoog
der zich daarop niet hoeft te beroepen
1057
1340
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Rechtspraak
omdat de bevoegdheid een bestuurlijke boe-
toenmalige recht een strafkarakter hadden.
de vereniging ‘Belangengroep Nauerna’,
te op te leggen door het verval van rechtswe-
Daarom dient ook ten aanzien van die boeten
gevestigd te Westzaan, gemeente Zaanstad,
ge eindigt (Kamerstukken II 2003/04, 29 359,
aansluiting te worden gezocht bij het karakter
appellanten, en het college van gedeputeer-
nr. 3, blz. 75). Dat het verval van de bevoegd-
van vervaltermijnen in het strafrecht en het
de staten van Noord-Holland (hierna: het
heid een bestuurlijke boete op te leggen van
(overige) bestuurlijke boeterecht.
college), verweerder.
rechtswege intreedt, was door de regering
5.2.9. Opmerking verdient nog dat in geval-
reeds in 1994 geconstateerd in het kader van
len waarin het opleggen van een fiscale
Procesverloop
de regeling op grond waarvan de bevoegd-
bestuurlijke boete volgens de toepasselijke
Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het
heid tot het opleggen van bestuurlijke boe-
wettelijke regeling is gekoppeld aan het vast-
college aan de besloten vennootschap met
ten in de sociale zekerheid vervalt door het
stellen van een belastingaanslag, en de ter-
beperkte aansprakelijkheid Afvalzorg Depo-
overlijden van de overtreder (Kamerstukken
mijn waarbinnen die aanslag kan worden
nie B.V. (hierna: Afvalzorg) een vergunning
II 1994/95, 23 909, nr. 3, blz. 58). Nadien is de
vastgesteld wordt verlengd met de duur van
als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieu-
wetgever in het kader van de regeling over
het uitstel dat voor het doen van aangifte is
beheer verleend voor het veranderen en in
bestuurlijke boeten in de vierde tranche van
verleend, het op de weg van de inspecteur
werking hebben van een inrichting voor het
de Algemene wet bestuursrecht in algemene
ligt om in voorkomend geval met het oog op
storten van gevaarlijke en niet-gevaarlijke
zin, voor het gehele bestuursrecht, uitgegaan
dit door de rechter ambtshalve te verrichten
afvalstoffen alsmede het be- en verwerken
van parallellie tussen de bestuursrechtelijke
onderzoek te stellen dat een zodanig uitstel
daarvan aan het Nauerna 1 te Assendelft,
vervaltermijn voor beboeting en het bepaal-
is verleend, en om die stelling in geval van
gemeente Zaanstad. Verder heeft het college
de in artikel 70 van het Wetboek van Straf-
betwisting aannemelijk te maken.
bij dit besluit met toepassing van artikel
recht. Tevens is in de memorie van toelich-
5.3. Uit onderdeel 4.2.2 van de uitspraak van
8.24, eerste lid, van de Wet milieubeheer het
ting bij deze vierde tranche opgemerkt dat
het Hof, dat in cassatie niet is bestreden,
van het besluit van 7 juli 2006, met kenmerk
het niet in het stelsel van het Nederlandse
volgt dat op het moment waarop de Inspec-
2005-17471, deel uitmakende voorschrift
bestuursrecht past dat de overtreder zich zou
teur de verhogingen en de vergrijpboete
4.18.1 gewijzigd en in aansluiting daarop
moeten beroepen op de termijn na afloop
oplegde, de wettelijke termijn waarbinnen hij
met toepassing van artikel 8.23, eerste lid,
waarvan de bevoegdheid tot het opleggen
daartoe mocht overgaan verstreken was.
van die wet de van het besluit van 7 juli 2006
van een boete vervalt (zie onderdeel 8.16 van
Daarvan uitgaande brengt hetgeen hiervoor
deel uitmakende voorschriften 3.1.21, 4.18.2
de conclusie van de Advocaat-Generaal).
in 5.2.1 tot en met 5.2.8 is overwogen mee
en 4.18.3 gewijzigd en het van het besluit
5.2.5. Uit niets blijkt dat de vervaltermijnen
dat de verhogingen en de vergrijpboete
van 7 juli 2006 deel uitmakende voorschrift
voor het opleggen van bestuurlijke boeten in
wegens termijnoverschrijding niet in stand
4.18.4 ingetrokken. Dit besluit is op 30 okto-
de belastingwetgeving een andere werking
kunnen blijven. Of de hiervoor in 3.1 bedoel-
ber 2009 ter inzage gelegd.
zouden hebben dan de in 5.2.3 en 5.2.4 ver-
de afspraak tussen belanghebbende en de
Tegen dit besluit hebben X bij brief, bij de
melde vervaltermijnen in het strafrecht en
Inspecteur ook betrekking heeft op de verho-
Raad van State ingekomen op 16 november
het (overige) bestuursrecht. Derhalve is er
gingen en de vergrijpboete, is hierbij niet van
2009, Y bij brief, bij de Raad van State ingeko-
geen aanleiding om uit te gaan van een ver-
belang.
men op 8 december 2009, en Belangengroep
schil in strekking.
5.4. Het Hof heeft dan ook terecht de verho-
Nauerna bij brief, bij de Raad van State inge-
5.2.6. Aan dit oordeel over het karakter van
gingen kwijtgescholden en de vergrijpboete
komen op 10 december 2009, beroep inge-
vervaltermijnen voor fiscale bestuurlijke boe-
vernietigd, wat er zij van de daarvoor gebe-
steld. Y heeft zijn beroep aangevuld bij brief
ten kan niet afdoen dat het opleggen van die
zigde gronden. Ook het incidentele beroep
van 4 januari 2010.
boeten veelal is gekoppeld aan het vaststel-
faalt daarom.’
Het college heeft een verweerschrift inge-
len van een belastingaanslag, en dat op over-
Volgt ongegrondverklaring van het princi-
diend.
schrijding van de termijn voor het opleggen
pale en incidentele beroep in cassatie.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak
van een belastingaanslag wel een beroep
voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft
moet worden gedaan, zodat het mogelijk is
desverzocht een deskundigenbericht uitge-
dat een belanghebbende rechtsgeldig afstand
Raad van State
bracht. X, Y, Belangengroep Nauerna, het col-
doet van een dergelijk beroep (HR 22 april
Deze rubriek wordt verzorgd door mr. drs.
lege en Afvalzorg hebben hun zienswijze
1998, nr. 33249, LJN AA2428, BNB 1998/214).
B. Veenman en mr. drs. J. de Vries van de
daarop naar voren gebracht.
5.2.7. De slotsom is dat de belastingrechter in
directie Bestuursrechtspraak van de Raad
X, Belangengroep Nauerna, het college en
geval van een geschil over een bestuurlijke
van State. Volledige versies van deze uitspra-
Afvalzorg hebben nadere stukken ingediend.
boete ambtshalve dient te onderzoeken of de
ken zijn te vinden op www.raadvanstate.nl.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behan-
bevoegdheid tot het opleggen van die boete
door tijdsverloop is vervallen, ook indien een
belanghebbende afstand heeft gedaan van
deld op 30 september 2010, waar X, in per-
1058
een beroep op dat tijdsverloop.
soon, Y, in persoon, Belangengroep Nauerna,
vertegenwoordigd door mr. R.A. Schram,
W.W.M. Antonissen en F. Ebing, en het college,
5.2.8. Deze slotsom geldt eveneens voor boe-
13 april 2011, nr. 200908792/1/M1
vertegenwoordigd door mr. P.C. Speelman en
ten die zijn opgelegd onder toepassing van
(Mrs. Van Kreveld, Simons Vinckx en
ing. C.J. Groot, beiden werkzaam bij de pro-
het vóór 1 januari 1998 geldende fiscale boe-
Timmerman Buck)
vincie, zijn verschenen.
terecht. Daaraan doet niet af dat de boete des-
LJN BQ1081
Voorts zijn ter zitting Afvalzorg, vertegen-
tijds doorgaans de vorm aannam van een ver-
woordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te
hoging van een belastingaanslag, in dit geval
(Awb art. 1:2; Wabo art. 2.1 en 2.2)
Amsterdam, A.H. Krom, J.A. Bouman, A. de
een navorderingsaanslag, in combinatie met
Uitspraak in het geding tussen X, wonend
Wit en E.C. Doekemeijer, en het college van
een kwijtscheldingsbesluit. Die vormgeving
te Assendelft, gemeente Zaanstad, Y,
burgemeester en wethouders van Zaanstad,
neemt niet weg dat de boeten ook onder het
wonend te Assendelft, gemeente Zaanstad,
vertegenwoordigd door mr. R.D. Lubach, advo-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1341
Rechtspraak
caat te Amsterdam, S. Meijer en B.S. Abdoel-
betoogt dat het beroep van Y niet-ontvanke-
denis van de totstandkoming van de Wabo
cariem, beiden werkzaam bij de gemeente,
lijk is, omdat hij niet als belanghebbende in
niet blijkt dat de wetgever dit verschil in
als partij verschenen.
de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet
omvang van de kringen van belanghebben-
Bij besluit van 7 december 2010, bij de Raad
bestuursrecht kan worden aangemerkt. In dit
den heeft willen opheffen, ligt het in de rede
van State ingekomen op 22 december 2010,
verband voert Afvalzorg aan dat de woning
om, indien een bestreden omgevingsvergun-
heeft het college de besluiten van 7 juli 2006
van Y op dusdanige afstand van de inrichting
ning meer dan één toestemming als bedoeld
en 12 oktober 2009 met toepassing van arti-
is gelegen, dat ter plaatse van die woning
in de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo bevat,
kel 8.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer
geen milieugevolgen vanwege de inrichting
per toestemming te bepalen of degene die
gewijzigd.
kunnen worden ondervonden.
een rechtsmiddel heeft aangewend belang-
Na het sluiten van het onderzoek ter zitting
2.2.1. Ingevolge artikel 20.1, eerste lid, van de
hebbende is. Het ligt eveneens in de rede dat
heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Er
Wet milieubeheer, voor zover hier van
deze regel uitzondering lijdt voor zover de
zijn nog stukken ontvangen van X en Y. Deze
belang, kan een belanghebbende tegen een
betrokken vergunning ziet op een activiteit
zijn aan de andere partijen toegezonden.
besluit op grond van deze wet beroep instel-
als bedoeld in de zin van artikel 2.7, eerste
De Afdeling heeft de zaak verder ter zitting
len bij de Afdeling bestuursrechtspraak van
lid, van de Wabo, die behoort tot verschillen-
van 4 april 2011 behandeld, waar Y, in per-
de Raad van State.
de categorieën activiteiten als bedoeld in de
soon, en het college, vertegenwoordigd door
Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Alge-
artikelen 2.1 en 2.2. (…)
mr. P.C. Speelman en ir. G.C.S. Hommel, bei-
mene wet bestuursrecht wordt onder belang-
den werkzaam bij de provincie, zijn versche-
hebbende verstaan: degene wiens belang
Slotoordeel
nen. Voorts zijn ter zitting Afvalzorg, verte-
rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.40 Het beroep van X is, voor zover ontvan-
genwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat
2.2.2. Wanneer krachtens de Wet milieubeheer
kelijk, gegrond. De beroepen van Y en Belan-
te Amsterdam, en A. de Wit, en het college
een vergunning voor het veranderen van een
gengroep Nauerna zijn gegrond. Het besluit
van burgemeester en wethouders van
inrichting wordt verleend, zijn naast de aan-
van 12 oktober 2009 moet in zijn geheel wor-
Zaanstad, vertegenwoordigd door mr. R.D.
vrager onder meer de eigenaren en bewoners
den vernietigd. Het besluit van 7 december
Lubach, advocaat te Amsterdam, en B.S.
van percelen waarop milieugevolgen van het
2010 moet, voor zover het onderdeel III
Abdoelkariem, werkzaam bij de gemeente,
in werking zijn van de inrichting kunnen wor-
betreft, eveneens worden vernietigd.
als partij verschenen.
den ondervonden, belanghebbenden.
Proceskosten 2.41 Het college dient ten aan-
Y is op een afstand van ongeveer 265 meter
zien van X, Y en Belangengroep Nauerna op
Overwegingen
van de inrichting woonachtig en stelt onder
na te melden wijze tot vergoeding van de
Overgangsrecht 2.1. Op 1 oktober 2010 is de
meer geurhinder vanwege de inrichting te
proceskosten te worden veroordeeld.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
ondervinden. Gelet op de aard en omvang van
(Wabo) in werking getreden. Bij de invoering
de inrichting alsmede hetgeen partijen hier-
van deze wet is een aantal andere wetten
omtrent ter zitting naar voren hebben
Centrale Raad van Beroep
gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is
gebracht, acht de Afdeling het aannemelijk
Deze rubriek wordt verzorgd door mr.
opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de
dat ter plaatse van de woning van Y milieuge-
A.B.J. van der Ham, vice-president van de
Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigin-
volgen van het in werking zijn van de inrich-
Centrale Raad van Beroep,
gen niet van toepassing zijn op dit geding,
ting kunnen worden ondervonden. Y is der-
en mr. E.L. Benetreu, senior-gerechtsauditeur.
omdat de veranderingsvergunning en het
halve belanghebbende als bedoeld in artikel
besluit tot wijziging van de aan de vergun-
1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuurs-
ning van 7 juli 2006 verbonden voorschriften
recht, zodat zijn beroep ontvankelijk is.
4.18.1, 3.1.21, 4.18.2 en 4.18.3 en intrekking
Belanghebbendheid in gedingen onder de
van het aan die vergunning verbonden voor-
Wabo 2.3. Hoewel de Wabo op dit geding
20 april 2011, nr. 10/2809 WW
schrift 4.18.4 voor inwerkingtreding van de
niet van toepassing is, acht de Afdeling het
(Van den Hurk, Rottier, Greebe)
Wabo nog niet onherroepelijk waren.
voor de rechtspraktijk van belang reeds
LJN BQ1775
In deze uitspraak worden dan ook de wetten
thans de vraag te beantwoorden hoe in toe-
aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij
komstige gedingen de kring van belangheb-
Geen arbeidsovereenkomst tussen betrok-
invoering van de Wabo werden gewijzigd.
benden, in de zin van artikel 1:2 van de Alge-
kene en P/flex. Verplichting om persoonlijk
De vergunde situatie 2.1. Bij besluit van
mene wet bestuursrecht, bij een
arbeid te verrichten, ontbreekt. Geen werk-
7 juli 2006 is aan Afvalzorg een revisiever-
omgevingsvergunning als bedoeld in de
nemer. Re-integratieactiviteiten.
gunning verleend. Op basis van deze vergun-
Wabo dient te worden bepaald ingeval die
Voor het aannemen van een privaatrechtelij-
ning, met een geldigheidsduur tot 2 septem-
vergunning meer dan één van de toestem-
ke dienstbetrekking moet sprake zijn van
ber 2016, bedraagt de stortcapaciteit van de
mingen als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2
een verplichting tot het persoonlijk verrich-
stortplaats aan het Nauerna 1 te Assendelft
van de Wabo bevat.
ten van arbeid, een gezagsverhouding en
9,587 miljoen m3. De inrichting is gelegen in
2.4. Onder het vóór de Wabo geldende recht
een verplichting tot het betalen van loon.
de Nauernasche polder en beslaat een opper-
kon de kring van belanghebbenden als
Daarbij moet acht worden geslagen op alle
vlakte van ruim 70 hectare.
bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet
omstandigheden van het geval, in onderling
Het bestreden besluit houdt de verlening van
bestuursrecht, bij bijvoorbeeld een vergun-
verband bezien, en dienen niet alleen de
een veranderingsvergunning in en voorziet in
ning op grond van de Wet milieubeheer voor
rechten en verplichtingen in aanmerking te
de uitbreiding van de stortplaats met 3,7 mil-
het in werking hebben van een inrichting
worden genomen die partijen bij het sluiten
joen m3. Deze uitbreiding zal uitsluitend wor-
aanmerkelijk ruimer zijn dan de kring van
van de overeenkomst voor ogen stonden,
den gerealiseerd door verhoging van de eind-
belanghebbenden bij bijvoorbeeld een uit-
maar dient ook acht te worden geslagen op
contouren van 30 tot maximaal 50 meter.
wegvergunning voor de aanleg van een uit-
de wijze waarop partijen uitvoering hebben
Belanghebbendheid van Y 2.2. Afvalzorg
weg vanuit die inrichting. Nu uit de geschie-
gegeven aan hun overeenkomst en aldus
1342
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
1059
Rechtspraak
daaraan inhoud hebben gegeven.
bij Spido – niet tot feitelijke arbeid van appel-
gemeente Rotterdam afgesproken dat ID-ers
De re-integratieactiviteiten waaraan appel-
lante heeft geleid. De rechtbank is van oordeel
een arbeidsovereenkomst zouden krijgen en
lante uit hoofde van de overeenkomst met
dat de door appellante verrichte activiteiten,
in een mobiliteitscentrum van Maatwerk
P/flex en nader ingevuld door Maatwerk
bestaande uit scholingsactiviteiten, sollicita-
zouden worden geplaatst. De gemeente Rot-
heeft verbonden, zoals het aanwezig zijn bij
tieactiviteiten en gesprekken met Maatwerk,
terdam zou gedurende deze periode ‘de bru-
alle overeengekomen activiteiten binnen het
niet als arbeid in de zin van artikel 7:610 van
to/bruto loonkosten (inclusief eventuele ver-
Maatwerktraject, het nakomen van afspra-
het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen worden
loningskosten, kosten juridisch
ken en het gemotiveerd zoeken naar werk
aangemerkt. Dat appellante zich beschikbaar
werkgeverschap en arbo-dienstverlening) en
en het beschikbaar zijn voor re-integratie,
heeft gehouden om productieve arbeid ten
een re-integratiefee’ betalen. ‘Verloning en
vormen geen arbeid in de zin van art. 7:610
behoeve van potentiële inleners van Maat-
juridisch werkgeverschap’ zouden worden
BW. De overeenkomst met P/flex had dan
werk te verrichten en loon heeft ontvangen,
verzorgd door P/flex.
ook niet als doel om appellante werkzaam-
heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel
3.3. In de overeenkomst tussen appellante en
heden voor een derde te laten verrichten; die
geleid. De overeenkomst tot het verrichten
P/flex is de functie van appellante aangeduid
werkzaamheden – voor zover al aangeboden
van deze activiteiten kan volgens de recht-
als ‘algemeen medewerker’. In de overeen-
– waren alleen een middel om de doelstel-
bank niet als een privaatrechtelijke dienstbe-
komst is voorts bepaald dat de inhoud van
ling van re-integratie van appellante in het
trekking gelden. De werkzaamheden die
de Werkwijzer ID-project Rotterdam van
arbeidsproces te bevorderen.
appellante bij Spido heeft verricht, hebben
Maatwerk op de overeenkomst van toepas-
slechts drie weken geduurd, zodat appellante
sing is. In de Werkwijzer is een aantal rechts-
daarmee niet voldoet aan de referte-eis van
positionele en arbeidsvoorwaardelijke onder-
artikel 17 van de WW, inhoudende dat binnen
werpen toegelicht dan wel nader geregeld in
Overwegingen
36 weken onmiddellijk voorafgaand aan de
het verlengde van de CAO voor Medewerkers
1.1. Appellante was werkzaam op basis van
eerste dag van werkloosheid in ten minste 26
van Payroll Ondernemingen. In de Werk-
een arbeidsovereenkomst bij de gemeente
weken als werknemer arbeid is verricht.
wijzer is bepaald dat deze, samen met de
Rotterdam in het kader van de Instroom/
Appellante kan dan ook geen recht op een
arbeidsovereenkomst en de CAO, de basis
Doorstroom-Regeling (ID-Regeling). Aangezien
uitkering volgens de WW doen gelden.
vormt van de gezamenlijke inspanning om
de ID-Regeling op basis van Rijksbeleid geheel
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in
voor de deelnemer aan het traject een nieu-
zou worden beëindigd, heeft de gemeente Rot-
hoger beroep naar voren hebben gebracht
we baan te vinden. Uit de Werkwijzer blijkt
terdam appellante voor de keuze gesteld om
overweegt de Raad het volgende.
dat een deelnemer aan het Maatwerktraject
nog een jaar in de oorspronkelijke zogenoem-
3.1. Het geschil betreft de vraag of appellante
verplicht is aanwezig te zijn bij alle overeen-
de ID-baan werkzaam te zijn dan wel om een
kan worden aangemerkt als werknemer in de
gekomen activiteiten binnen het Maatwerk-
arbeidsovereenkomst voor twee jaar aan te
zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Gelet
traject, afspraken na te komen, gemotiveerd
gaan met P/flex B.V. (P/flex), die nader zou
op deze bepaling, voor zover hier van belang,
naar werk te zoeken en beschikbaar te zijn
worden ingevuld door Maatwerk Nederland
is vereist dat zij tot P/flex in een privaatrech-
voor re-integratie. Volgens de Werkwijzer
B.V. (Maatwerk) met als doel de uitstroom naar
telijke dienstbetrekking heeft gestaan. Naar
wordt de eerste drie maanden van het traject
een duurzame arbeidsplaats op de reguliere
vaste rechtspraak van de Raad moet voor het
– afhankelijk van de persoonlijke situatie en
markt. Appellante heeft voor de laatste optie
aannemen van een privaatrechtelijke dienst-
achtergrond van een deelnemer – intensief
gekozen. Het ID-dienstverband is op verzoek
betrekking sprake zijn van een verplichting
aandacht geschonken aan versterking van de
van appellante beëindigd. Aansluitend heeft
tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een
motivatie, zelfvertrouwen, realiteitszin en
appellante met P/flex een overeenkomst
gezagsverhouding en een verplichting tot het
flexibiliteit. Maatwerk biedt ondersteuning
gesloten, door partijen benoemd als ‘arbeids-
betalen van loon (zie onder meer de uit-
bij het opstellen van een goede sollicitatie-
overeenkomst (payroll-overeenkomst) voor
spraak van de Raad van 16 april 2010, LJN
brief met curriculum vitae en bij het zoeken
bepaalde tijd’. Hierin is onder meer bepaald
BM3433). Daarbij moet acht worden geslagen
naar werk. Naast individuele- en mogelijk
dat de overeenkomst wordt gesloten in het
op alle omstandigheden van het geval, in
groepsopdrachten, heeft een deelnemer vol-
kader van het re-integratietraject van appel-
onderling verband bezien, en dienen niet
gens de Werkwijzer minimaal één maal per
lante bij Maatwerk en dat de CAO voor Mede-
alleen de rechten en verplichtingen in aan-
week een persoonlijk coachingsgesprek met
werkers van Payroll Ondernemingen van toe-
merking te worden genomen die partijen bij
de arbeidsbemiddelaar van Maatwerk. Daar-
passing is. Bij afzonderlijke brief heeft P/flex
het sluiten van de overeenkomst voor ogen
naast kan scholing of training worden inge-
vastgelegd dat Maatwerk als opdrachtgever
stonden, maar dient ook acht te worden
zet. Uit de Werkwijzer volgt verder dat Maat-
wordt beschouwd.
geslagen op de wijze waarop partijen uitvoe-
werk actief werkgevers benadert voor een
1.2. Appellante heeft na de afloop van de
ring hebben gegeven aan hun overeenkomst
proefplaatsing of detachering gedurende drie
overeenkomst met P/flex een uitkering vol-
en aldus daaraan inhoud hebben gegeven
maanden, op voorwaarde dat aansluitend
gens de Werkloosheidswet (WW) aange-
(vgl. onder meer HR 13 juli 2007, LJN BA6231,
een arbeidsovereenkomst wordt aangeboden
vraagd. Bij besluit van 29 april 2009 heeft het
en HR 25 maart 2011, LJN BP3887). Partijen
voor een periode van minimaal drie maan-
Uwv appellante het recht op WW-uitkering
zijn verdeeld over de vraag of de door appel-
den. Maatwerk concretiseert zo de met de
ontzegd. Bij besluit van 2 juli 2009 heeft het
lante te verrichten activiteiten in het kader
gemeente Rotterdam gemaakte afspraak
Uwv het bezwaar tegen het besluit van
van de overeenkomst met P/flex kunnen wor-
deelnemers waar mogelijk voor het opdoen
29 april 2009 ongegrond verklaard.
den aangemerkt als arbeid in de zin van arti-
van werkervaring bij werkgevers te plaatsen
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de recht-
kel 7:610 van het BW. 3.2. De overeenkomst
tegen een voor Maatwerk kostendekkend
bank het beroep van appellante ongegrond
tussen appellante en P/flex is gesloten in het
tarief met gebruikmaking van ‘werkgeversar-
verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat
kader van een re-integratietraject bij Maat-
rangementen’. De uitstroom van een deelne-
tussen partijen niet in geschil is dat de over-
werk voor de duur van maximaal twee jaar.
mer aan het Maatwerktraject naar regulier
eenkomst – afgezien van de werkzaamheden
Maatwerk had op 28 maart 2006 met de
werk via een dergelijk arrangement wordt in
(BW art. 7:610)
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1343
Rechtspraak
de Werkwijzer benoemd als ‘de kroon op het
komst met P/flex en nader ingevuld door
behoeve van de herplaatsing en de bemidde-
traject’. De overeenkomst met P/flex had dan
Maatwerk heeft verbonden deel te nemen,
ling van de werknemer. Deze bepaling brengt
ook niet als doel om appellante werkzaamhe-
vormen geen arbeid in de zin van artikel
niet mee dat de activiteiten van appellante
den voor een derde te laten verrichten; die
7:610 van het BW. De werkzaamheden die zij
in het Maatwerktraject, die met het deelne-
werkzaamheden – voor zover al aangeboden
in de functie van ‘attractie teamlid’ bij Spido
men aan een sollicitatietraining, het zoeken
– waren alleen een middel om de doelstel-
heeft verricht, hebben plaatsgevonden in het
naar geschikte vacatures en het schrijven van
ling van re-integratie van appellante in het
kader van een afzonderlijke arbeidsovereen-
sollicitatiebrieven van vergelijkbare aard
arbeidsproces te bevorderen. P/flex of Maat-
komst met RPEX B.V. Er is geen sprake
waren, aan te merken zijn als arbeid in de zin
werk vervulde, anders dan appellante heeft
geweest van een aanwijzing van RPEX B.V.
van artikel 7:610 van het BW. De CAO-bepa-
betoogd, niet een met een uitzendbureau te
door P/flex als opdrachtgever voor het ver-
ling ziet op de situatie dat sprake is van het
vergelijken allocatiefunctie. Uit de toelich-
vullen van die functie in het kader van de
wegvallen van arbeid doordat een inleenop-
ting ter zitting blijkt dat de overeenkomst
overeenkomst die appellante met P/flex had.
dracht wordt beëindigd of ingetrokken. Aan
ook feitelijk met op re-integratie gerichte
3.5. Voor zover beoogd is een arbeidsovereen-
het Maatwerktraject is niet vóór ommekomst
activiteiten is ingevuld. Naar aanleiding van
komst tussen appellante en P/flex tot stand
van de overeengekomen duur van twee jaar
de vraag hoe een werkdag van een deelne-
te brengen, is die bedoeling, gelet op alle ove-
een einde gekomen, zodat van het wegvallen
mer eruit zag, is uiteengezet dat de deelne-
rige hiervoor onder 3.2 tot en met 3.4 ver-
daarvan geen sprake is.
mers niet gehouden waren elke dag bij Maat-
melde omstandigheden, niet toereikend om
3.6. Uit 3.1 tot en met 3.5 volgt dat appellan-
werk te verschijnen, maar dat men verplicht
de rechtsverhouding tussen appellante en P/
te tot P/flex niet in een privaatrechtelijke
was op afgesproken tijden zich te melden in
flex als een arbeidsovereenkomst te kwalifi-
dienstbetrekking heeft gestaan, zodat zij uit
het door Maatwerk ingerichte mobiliteitscen-
ceren, nu een van de wezenlijke criteria voor
dien hoofde niet kan worden aangemerkt als
trum en dat men daar begeleid werd met het
het bestaan van een arbeidsovereenkomst, de
werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid,
zoeken naar arbeid. Sommige deelnemers
verplichting om persoonlijk (productieve)
van de WW. Voor een gelijkstelling van niet
zijn in de gelegenheid gesteld scholing te
arbeid in de zin van artikel 7:610 van het BW
voor P/flex gewerkte uren met gewerkte uren
volgen. Andere deelnemers hebben geduren-
voor de werkgever te verrichten, ontbreekt.
op basis van de Regeling gelijkstelling niet-
de enige tijd feitelijk werkervaring opgedaan.
In dit licht is ook niet toereikend het door
gewerkte uren met gewerkte uren, zoals door
3.4. Appellante is niet gedurende het in de
appellante benadrukte gegeven dat in artikel
appellante bepleit, is geen plaats. Voor een
haar door P/flex gezonden brief genoemde
15, vierde lid, van de CAO voor Medewerkers
dergelijke gelijkstelling is immers vereist dat
aantal uren per week voor de organisatie van
van Payroll Ondernemingen is bepaald dat
appellante werknemer was. Daarvan is, zoals
Maatwerk werkzaam geweest. De onder 3.3
onder passende arbeid in het kader van dit
hiervoor uiteengezet, ten aanzien van de acti-
omschreven re-integratieactiviteiten waaraan
artikel ook wordt verstaan werkzaamheden,
viteiten ten behoeve van P/flex en Maatwerk
appellante zich uit hoofde van de overeen-
activiteiten, trainingen en/of bijscholing ten
geen sprake geweest. (…)
AANWIJZINGEN VOOR AUTEURS
Het verdient aanbeveling vóór het inzenden van artikelen contact
op te nemen met het redactiebureau; dit kan dubbel of vergeefs werk
voorkomen.
žOpinies zijn in beginsel gebonden aan de omvang van één pagina.
Dit is 800 woorden.
žôüàėÐðäąĭĊĊėàäėĤÛėôäýO&M omvatten maximaal 1200 woorden.
žôüàėÐðäąĭĊĊėàäėĤÛėôäýReacties blijven binnen de 600 woorden
Het NJB kent verschillende soorten hoofdartikelen. Voor alle artikelen
en een naschrift binnen de 300 woorden.
geldt dat de auteur in de eerste alinea’s duidelijk maakt aan de NJBlezers waarom dit artikel interessant is om verder te lezen.
- Noten kunnen alleen bij artikelen worden geplaatst; daarin geen
meningen, toelichtingen of andere uitweidingen, maar alleen
žWetenschappelijke artikelen: omvang inclusief notenapparaat
3 000 tot maximaal 5 000 woorden. Uitgebreidere versies kunnen
op de NJB-site worden geplaatst. Deze artikelen voldoen aan de
maatstaven van het wetenschappelijk forum. Zij vermeerderen de
vindplaatsen.
- Meestal ontvangt de auteur binnen 1 maand bericht of de inzending zal worden geplaatst.
- Artikelen of andere bijdragen die elders in dezelfde of vrijwel dezelf-
bestaande kennis met relevante nieuwe inzichten die methodisch
de vorm zijn of worden gepubliceerd worden niet aanvaard.
worden verantwoord.
Bij inzending dient vermeld te worden of en waar het artikel of de
Auteurs van wetenschappelijke artikelen kunnen de redactie verzoeken hun artikel aan peer review te laten onderwerpen. Meer informatie op www.njb.nl onder Voor Auteurs
žLessen voor de praktijk: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2 500 woorden. Dit is een analyse van een expert met als
doel de praktijk te informeren over ‘best practices’.
žFocus: indicatie van de omvang inclusief notenapparaat 2500 woor-
andere bijdrage eveneens ter plaatsing is aangeboden.
- Auteurs die bij een zaak of onderwerp waarover zij in het NJB willen
schrijven, betrokken zijn of zijn geweest, dienen dat in een voetnoot te
vermelden met een korte uitleg van de aard van hun betrokkenheid.
- Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen
aan het NJB impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging t.b.v. de elektronische ontsluiting van het NJB.
den. Deze artikelen geven een schets en ordening van interessante
actuele ontwikkelingen in een deelgebied.
žEssays: indicatie van de omvang 3 000 woorden. Dit is een prikkelende beschouwing over een breder onderwerp. Verwijzingen staan
bij voorkeur in de tekst zelf.
1344
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Een uitgebreide toelichting op het bovenstaande is te lezen in de
brochure Schrijven voor het NJB, te vinden op www.njb.nl onder
Voor Auteurs
Boeken
Methodologies of Legal
Research
Which Kind of Method for What Kind
of Discipline?
Until quite recently
questions about
methodology in legal
research have been
largely confined to
understanding the
role of doctrinal
research as a scholarly discipline. In turn this has involved
asking questions not only about
coverage but, fundamentally, questions about the identity of the discipline. Is it (mainly) descriptive, hermeneutical, or normative? Should it also
be explanatory? Legal scholarship has
been torn between, on the one hand,
grasping the expanding reality of law
and its context, and, on the other,
reducing this complex whole to
manageable proportions. The purely
internal analysis of a legal system,
isolated from any societal context,
remains an option, and is still seen in
the approach of the French academy,
but as law aims at ordering society
and influencing human behaviour,
this approach is felt by many scholars to be insufficient.
Consequently many attempts have
been made to conceive legal research
differently. Social scientific and comparative approaches have proven
fruitful. However, does the introduction of other approaches leave merely a residue of ‘legal doctrine’, to
which pockets of social sciences can
be added, or should legal doctrine be
merged with the social sciences?
What would such a broad interdisciplinary field look like and what
would its methods be? This book is
an attempt to answer some of these
questions.
Mark Van Hoecke (ed.)
European Academy of Legal Theory Series - no. 9
Oxford: Hart Publishing 2011, 310 p., € 45
ISBN 9781849461702
Substantive Criminal Law of
the European Union
Whilst the focus of the European
Union in criminal law over the last
decades has predominantly been the
implementation of the principle of
mutual recognition, the EU also
further developed its influence on
substantive criminal law. It has emerged that the smooth operation of
mutual recognition is facilitated by
harmonisation of substantive law.
This book is the result of a conference in which the issues at stake were
discussed. The book is divided into
three parts. In the first, fundamental
questions for the development of a
coherent general part of European
criminal law are adressed. The goal
of this part is to pin down the position of the general part in the European criminal justice system and to
show its interrelations within existing and future developments in Union law. After discussing this ‘why’
question, the second part delves deeper into the ‘what’ question. Different principles and doctrines of the
general part, like legality, jurisdiction,
locus delicti, actus reus and mens rea
are discussed, to envisage the possible scope of these principles in European criminal law. In the third and
final part the focus turns on the
appropriate process - the ‘how’ question - for the development of a
general part.
André Klip (ed.)
Antwerpen: Maklu 2011, 254 p., € 60
ISBN 9789046604403
Het EVRM en het
Nederlandse bestuursrecht
Dat de invloed van het Europese
recht op het Nederlandse bestuursrecht groot is behoeft zo langzamerhand geen toelichting meer. Opvallend is dat er wel handboeken zijn
over de EU- invloed, maar dat een
dergelijk boek over de invloed van
het EVRM tot nog toe ontbrak. Dit
boek behandelt de verhouding tussen het EVRM en het Nederlandse
bestuursrecht, waaronder ook het
overheidsaansprakelijkheidsrecht
wordt verstaan. Aan de orde komen
algemene leerstukken in het kader
van de uitleg en toepassing van het
EVRM, de verhouding met het EUrecht alsmede de doorwerking daarvan in de Nederlandse rechtsorde.
Daarna wordt ingegaan op de invloed
van het EVRM op het bestuursprocesrecht, waarbij art. 6 EVRM een prominente rol speelt. Vervolgens komt het
materiële bestuursrecht aan bod. Tot
slot wordt de EVRM-toepassing in de
Nederlandse bestuursrechtpraktijk
beoordeeld en de blik op de toekomst gericht. Welke ontwikkelingen
op het terrein van het EVRM en het
Nederlandse bestuursrecht staan ons
de komende jaren te wachten?
Prof. mr. T. Barkhuysen, mr.dr. M.L.
van Emmerik
Mastermonografieën staats- en bestuursrecht
Deventer: Kluwer 2011, 178 p., € 34,50
ISBN 9789013090369
Inleiding Humanitair
Oorlogsrecht
Voor de feiten inzake
oorlogen en conflicthaarden moeten wij
het doen met wat ons
wordt verteld of vertoond: door de media,
door betrokkenen,
door overheden. En
het recht: waar halen we dat vandaan? In belangrijke mate uit de vier
Verdragen van Genève van 1949. Er
bestonden ook al oudere verdragen,
en inmiddels zijn er heel wat bijgekomen over uiteenlopende zaken als
wapens zoals clusterbommen, over
de bescherming van gewonden en
zieken, over het milieu, over de minimumleeftijd waarop kinderen mogen
worden gerekruteerd, enz. Ook
gewoonte speelt een belangrijke rol,
en van oudsher erkende regels zoals
het beginsel dat burgers niet mogen
worden aangevallen. Tegenwoordig
spelen, naast het speciaal op oorlog
toegespitste recht ook mensenrechten een rol. Een halve eeuw geleden
werden die nog bijna helemaal weggedrukt door het oorlogsrecht maar
het speciaal voor niet-internationaal
gewapend conflict geschreven artikel
3 gemeenschappelijk aan de vier Verdragen van Genève, bevat onmiskenbare sporen van aanraking met de
mensenrechten. Voor de niet internationaal gewapende conflicten hebben
deze inmiddels een nog veel duidelijker plaats veroverd. De afdeling
Humanitair Oorlogsrecht van het
Nederlandse Rode Kruis heeft als
kerntaak de kennis van het humanitair oorlogsrecht in Nederland te verspreiden. Met deze Inleiding Humanitair Oorlogsrecht wil het
Nederlandse Rode Kruis dit onderwerp toegankelijker maken. Het biedt
op overzichtelijke wijze inzicht in dit
actuele rechtsgebied en de toepassing ervan in hedendaagse gewapende conflicten.
Het Nederlandse Rode Kruis (red.)
B.P. Pieters en A. Vermeer (sam.)
Den Haag: T.M.C. Asser press 2011, 240 p., € 25
ISBN 9789067043366
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1345
1060
Tijdschriften
1061
Burgerlijk (proces)recht
Bedrijfsjuridische berichten,
Nieuwsbrief Bb
Nr. 8, 28 april 2011
Mr. L. Amperse
Stelplicht en bewijslast bij subjectieve bekendheid
- Op 28 januari 2011 heeft de Hoge
Raad in de aandelenleasekwestie een
nieuw arrest gewezen. In het arrest
staat de vraag centraal of de mogelijkheid tot vernieuwing van de effectenleaseovereenkomst is verjaard en,
in het bijzonder, of Dexia moet worden toegelaten tot het leveren van
getuigenbewijs zonder dat zij concrete feiten en omstandigheden heeft
aangevoerd die haar stelling ten aanzien van de subjectieve bekendheid
van de echtgenote onderbouwen. De
stellingen die een procespartij met
het aangeboden getuigenbewijs wil
bewijzen, zullen doorgaans feitelijk
moeten worden onderbouwd, om te
kunnen worden toegelaten tot bewijsaanbod. Het arrest van de Hoge Raad
brengt hierop een nuance aan voor
die gevallen waarin een procespartij
de subjectieve bekendheid van zijn
wederpartij dient aan te tonen.
Juridisch up to Date
Nr. 9, 5 mei 2011
Mr. M.A.C. Geurts
De aansprakelijkheid van de curator
- Een curator dient zeer voorzichtig te
handelen wil hij niet achteraf geconfronteerd worden met een aansprakelijkheidssteling in zijn hoedanigheid
van curator dan wel een persoonlijke
aansprakelijkheidsstelling (pro se). In
deze bijdrage worden deze twee aansprakelijkheidsvormen nader besproken. Tevens wordt aangegeven dat de
normen voor de beide aansprakelijkheidsvormen in de rechtspraak niet
altijd juist worden gebruikt. Daarna
wordt de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator in geval van verkoop van activa besproken.
Rechtsgeleerd magazijn
Themis
2e jrg., april 2011
Prof. mr. drs. M.L. Hendrikse
Eigen schuld, proportionaliteitsbeginsel en causaliteitstoerekening:
een proportionele benadering
1346
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
bij eigen schuld in het
(schade-)verzekeringsrecht
- Deze bijdrage is in
verkorte vorm als oratie uitgesproken op
vrijdag 29 april 2011
bij de openbare aanvaarding van de bijzondere leerstoel Handelsrecht en
Verzekeringsrecht aan de Open Universiteit. Deze bijdrage verdedigt de
opvatting dat een schadeverdeling
naar evenredigheid en dus een
gedeeltelijke uitkering voor de verzekerde bij eigen schuld in het (schade)
verzekeringsrecht rechtens wel degelijk mogelijk zijn en moeten zijn.
Waar dit tot nu toe rechtens nog niet
mogelijk is, zou deze proportionele
benadering in een aantal gevallen
mogelijk moeten worden gemaakt.
Een en ander komt dus neer op de
introductie van een proportionele
benadering van eigen schuld in het
(schade)verzekeringsrecht.
Tijdschrift voor Huurrecht
bedrijfsruimte
8e jr. nr. 2, maart/april 2011
S. van der Kamp
Kwalificatie
- Bij verhuur van bedrijfsruimte gelden bijzondere regels. Er bestaan
twee regimes afhankelijk van de
bestemming: regels voor ‘290
bedrijfsruimte’ en regels voor ‘overige (230a) bedrijfsruimte’. Voor beide
categorieën geldt als voorwaarde
voor toepasselijkheid dat de overeenkomst betrekking moet hebben op
een ‘gebouwde onroerende zaak’.
Deze systematiek brengt allerlei kwalificatievraagstukken mee die in dit
artikel worden behandeld.
Mr. E.D. den Egelsman, mr. M.J.
Terstegge
Mogelijkheden tot vernietiging
van afwijkende bedingen
- Slechts de huurder kan een beroep
op vernietiging doen in geval van
een ten nadele van de huurder van
de wet afwijkend beding. Wanneer
huurder dit kan doen is afhankelijk
van de situatie. De vordering tot vernietiging verjaart drie jaar nadat
huurder kennis heeft gekregen van
de vernietigingsrechten. Bij wijze van
verweer kan huurder wel altijd een
beroep op vernietiging doen. Indien
verhuurder duidelijkheid wenst, kan
verhuurder een termijn stellen om
het beding te bekrachtigen.
Na bekrachtiging kan huurder een
beding niet langer vernietigen.
Mr. M. Sloot
De ‘wachttijd van drie jaar’
bij opzegging. Hoe werkt het na een
initiële huurtermijn van tien
(in plaats van vijf) jaar?
Het Toko Mitra arrest van de Hoge
Raad van 24 september 2010, waarin
de Hoge Raad kort gezegd heeft
geoordeeld dat de wachttijd van drie
jaar die geldt voor een opvolgend
verhuurder, alleen nog maar geldt bij
een huuropzegging op grond van
dringend eigen gebruik tegen het
einde van de eerste huurtermijn,
heeft voor veel commotie gezorgd.
Al met al lijkt het er op dat het arrest
meer vragen oproept dan dat het
antwoorden geeft. Het wachten is
derhalve op een nieuw arrest.
Mr. J. Nijsten
Concernrelatie en vergelijkbaarheid
ex art. 7:303 BW
- Bij arrest van het gerechtshof
Amsterdam van 14 september 2010,
gepubliceerd op 29 november 2010, is
beslist dat de enkele omstandigheid
dat twee van de vergelijkingspanden
binnen een concernverband zijn verhuurd die panden niet ongeschikt
maakt om in de vergelijking te worden betrokken. Naar schr’s. oordeel is
het arrest juridisch onjuist. Indien
desondanks door iemand geschermd
wordt met dit arrest kan worden verwezen naar de uitspraak van hetzelfde gerechtshof Amsterdam in een
hier ook besproken WOZ-zaak.
Tijdschrift voor
Insolventierecht
17e jrg. nr. 2, maart/april 2011
Prof. mr. drs. F.E.J. Beekhoven van den
Boezem, mr. G.J.L. Bergervoet
Nieuwe vragen naar aanleiding
van herinvoering stille cessie
tot zekerheid
- De ontwerper van het huidige Burgerlijk Wetboek, E.M. Meijers, wilde af
van de mogelijkheid van cessie, in
gevallen waarin het doel ervan
slechts was de schuldeiser zekerheid
te verschaffen. Bij cessie tot zekerheid verkrijgt de schuldeiser namelijk meer dan zijn belang als schuldeiser rechtvaardigt: hij wordt
rechthebbende op de vordering.
Om aan het zekerheidsbelang tegemoet te komen volstaat een pandrecht op de vordering. Inmiddels is
Tijdschriften
wel duidelijk dat de positie van de
stil pandhouder van een vordering
onder het huidige recht minder sterk
is dan die van de stil cessionaris tot
zekerheid van een vordering onder
het recht van vóór 1992. Rechtspraak
en wetgever lijken niet ongevoelig
voor deze problemen. Met de recente
wijziging van de Collateral Richtlijn
is er een opmerkelijke doorbraak
gekomen voor het opnieuw gebruiken van fiduciaire zekerheid. Doordat
kredietvorderingen onder de reikwijdte van de financiëlezekerheidsovereenkomst (fzo) gaan vallen, is de
eerste echte doorbreking van het
‘fiduciaverbod’ een feit.
1062
Fiscaal recht
regels zijn in te passen in ons huidige
fiscale stelsel van jaarwinstbepaling.
Mr. M.W.C. Soltysik, drs. N. van de
Water
BTW- en BCF-herzieningsregels
deels aan herziening toe?
- In dit artikel gaan schrs. aan de
hand van verschillende situaties na
of een wijziging in het gebruik tussen (aftrekgerechtigde) btw-ondernemersactiviteiten en compensabele
activiteiten op dit moment een groot
probleem vormt. Een probleem doet
zich volgens schrs. voor indien het
toepassen van de btw- en
bcf-herzieningsbepalingen niet leidt
tot de wenselijke uitkomst. Die wenselijke uitkomst is dat recht op compensatie bestaat voor zover goederen
en diensten voor compensabele doeleinden worden aangewend en recht
op aftrek van voorbelasting bestaat
indien zij voor belaste ondernemersdoeleinden worden aangewend.
Weekblad fiscaal recht
140e jrg. nr. 6905, 5 mei 2011
Mr. dr. R. Russo
De betekenis van het eenvoudselement in goed koopmansgebruik
- De betekenis van
het eenvoudselement in goed koopmansgebruik leek in
de jurisprudentie
aan gewicht in te
boeten. De fiscale
rechter leek daarentegen bereid de regels van de commerciële winstberekening een grotere rol te laten spelen. In deze bijdrage
wordt door schr. bezien hoe de Hoge
Raad in HR januari 2011, BNB
2011/85, op deze ontwikkelingen
lijkt terug te komen en wordt
betoogd dat dit een onwenselijke
ontwikkeling zou zijn.
Prof. dr. mr. G.W.J.M. Kampschöer RA,
mr. drs. R.W. Tieskens, mr. dr. H.
Vermeulen
De nieuwe IFRS-leasingregels en de
fiscale jaarwinstbepaling
- De Financial Accounting Standards
Board en de International Accounting
Standards Board zijn een gezamenlijk
project gestart over de verwerking in
de commerciële balans en winst- en
verliesrekening van leaseverplichtingen c.q. leaserechten. In dit artikel
onderzoeken schrs. aan de hand van
dogmatiek en jurisprudentie of de
bedrijfseconomische principes die ten
grondslag liggen aan deze nieuwe
1063
Handels- & economisch recht
Computerrecht
Nr. 2, april 2011
Mr. P.G. van der Putt
De gevolgen van niet-nakoming
- Er zijn maar weinig IT-projecten die
volgens plan verlopen. Het leerstuk
van de gevolgen van niet-nakoming
is echter niet eenvoudig te doorgronden. Afnemers stoten dan ook
geregeld hun neus, zelfs indien tussen partijen vast staat dat de overeenkomst niet is nagekomen.
Mr. T.H. Chen
Aanbesteding van software licenties
- Levering van licenties op software
kan in veel gevallen beschouwd worden als een niet-wezenlijke wijziging
van een lopende overeenkomst waarvoor een aanbesteding niet noodzakelijk is.
Nederlands Tijdschrift
voor Energierecht
10e jrg. nr. 1, april 2011
Mr. drs. J.E. Janssen
Het vangnet van de NMa: weg
ermee!
- De liberalisering van de energiesector gaat hand in hand met de regulering van natuurlijke monopolies als
energie-infrastructuur. Dit is geen
tijdelijk instrument, maar een permanent gegeven in een geliberaliseerde markt. Wat niet lijkt te passen
in een geliberaliseerde markt is een
systeem voor de vaststelling van
maximumtarieven voor de levering
van elektriciteit en gas. Niettemin
bevatten de Elektriciteitswet 1998 en
de Gaswet de bevoegdheid van de
Raad van bestuur van de NMa om de
leveringstarieven voor kleinverbruikers te beperken tot hetgeen hij redelijk oordeelt. Schr. plaatst een reeks
kritische kanttekeningen bij de vangnetregulering en het beleid van de
raad van bestuur van de NMa.
Hij bepleit dat de wetgever afscheid
neemt van deze regulering.
M. van Eeuwen
Investeren in het elektriciteiten gasnet; bewegingen in het
reguleringskader
- Het artikel biedt een overzicht van
het reguleringskader voor investeringen in het elektriciteit- en gasnetwerk. Beschreven wordt welke
mogelijkheden de regelgeving en de
reguleringspraktijk bieden aan netbeheerders om investeringen in netten
terug te verdienen. Daarbij worden
mogelijke discrepanties aangestipt
tussen het Europese en het nationale
reguleringskader ter zake van de uitbreidingsinvestering en de taakverdeling tussen de Minister en de NMa.
Tijdschrift voor
Consumentenrecht
handelspraktijken
Nr. 2, 2011
Themanummer reisrecht
- Dit nummer is gewijd aan een
materie in volle evolutie. Dit geldt
zowel voor het reizen zelf als voor
de reisregulering. Hoe we vandaag
reizen is niet meer te vergelijken met
een paar decennia geleden. Niet
alleen reizen we exponentieel vaker,
ook de manier waarop we reizen is
sterk gewijzigd. Het internet speelt
daar ongetwijfeld een belangrijke rol
in. De traditionele pakketreizen lijken gedoemd te verdwijnen of zijn
minstens op de terugweg. Vandaag
organiseert de meerderheid van de
reizigers immers zelf zijn reis. De in
1990 aangenomen Richtlijn Pakketreizen (90/314/EEG) beschermt daardoor steeds minder reizigers. De
Europese Commissie is zich hiervan
bijzonder goed bewust en momenteel wordt dan ook aan een nieuwe
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1347
Tijdschriften
richtlijn pakketreizen gewerkt. In het
bijzonder het probleem van de ‘dynamic packages’ moet daarbij worden
opgelost. ‘Dynamische pakketreizen’
zijn reizen die door de consumenten
zelf worden samengesteld.
Aan de problematiek van de ‘dynamische pakketten’ zijn twee bijdragen
in dit themanummer gewijd. Europese Verordeningen focussen vooral op
passagiersvervoer en dan in het bijzonder op het luchtvervoer. Vooral
Verordening 261/2004, die de rechten van passagiers in de luchtvaart
regelt blijft voor commotie zorgen.
Het is dan ook deze verordening die
in dit themanummer het meeste
aandacht krijgt. De door het
Sturgeon-arrest veroorzaakte deining
is nog steeds niet volledig weggeëbd.
Een problematisch aspect van de Verordening wordt besproken: de handhaving en dan vooral het publiekrechtelijk luik. De vulkaanascrisis
van vorig jaar bracht duidelijk naar
voren dat de verschillen in nationale
(publiekrechtelijke) handhaving schadelijk zijn voor de interne markt en
voor de gedupeerde reizigers. Aldus
bevat het nummer de volgende bijdragen: dr. I. Koning, Van vulkaanascrisis tot passagiersverordeningscrisis. Passagiersrechten na de
Eyjafjallajökull-uitbarsting. Prof. mr.
A.W. Jongbloed, De juridische kwalificatie van een door een reisbureau
samengestelde reis. Mr. B.J. BroekemaEngelen, mr. L.C. Maters, De charme
van de eenvoud.
Tijdschrift voor
Insolventierecht
17e jrg. nr. 2, maart/april 2011
Mr. B. Vermue
Wetenschap en de pauliana na HR
ABN AMRO/Van Dooren q.q. III
- Na de arresten van
de Hoge Raad Van
Dooren q.q./ABN
AMRO II en ABN
AMRO/Van Dooren
q.q. III, stellen sommige auteurs dat het
voor banken zéér
riskant is om krediet te verstrekken
aan noodlijdende bedrijven. In dit
artikel wordt onderzocht of de Hoge
Raad met deze arresten een andere
weg is ingeslagen waardoor het paulianarisico wordt vergroot. Dit is onderzocht door de lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad vanaf 1976 af te
1348
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
zetten tegen de kritieken die op de
arresten gevolgd zijn. In tegenstelling
tot het door de criticasters beweerde
wordt geconcludeerd dat het paulianarisico bij ‘reddingsacties’ door deze
arresten juist verkleind wordt. De
belangrijkste ontwikkeling is dat het
vereiste van de wetenschap van benadeling, en meer specifiek de wetenschap van het faillissement, eindelijk
nader bepaald wordt. Hierdoor valt(/
vallen) tevens de (voorwaarden van
de ) ‘reddingsactie’ te definiëren.
Mr. Ph.W. Schreurs
De thermometer van het kennelijk
onbehoorlijk bestuur.
Een onderzoek naar de effectiviteit
van art. 2:248/138 lid 1 en 2 BW
- De rechtspraak ter zake art. 2:248
BW wordt als een ‘soms schokkende’
loterij beoordeeld. In dit artikel
wordt stilgestaan bij de vraag wat
het effect is van de bewijslastverdeling van art. 2:248 lid 1 en 2 BW en
het in lid 2 gemaakte onderscheid
tussen art. 2:10 en 2:394 BW. Daarna
nog bij de vraag wat de ‘kennelijk
onbehoorlijke taakvervulling’ is die
een belangrijke oorzaak moet zijn
van het faillissement. Er lijkt wel
degelijk misbruik te worden aangepakt, waarvan de bestrijding de wetgever destijds voor ogen stond. Art.
2:248 BW draagt daarmee per saldo
bij aan de verbetering van misbruikbestrijding die de wetgever destijds
voor ogen stond.
WPRN
142e jrg. nr. 6886, 7 mei 2011
Mr. F. van der Woude
Een nieuwe bijzondere zorgplicht
bij vermogensbeheer?
- Op 24 december 2010 heeft de Hoge
Raad geoordeeld dat een bijzondere
waarschuwingsplicht kan gelden ten
aanzien van aandelen die buiten het
vermogensbeheer vallen. Dit wordt
geplaatst in het bredere kader van
zorgplichten van dienstverleners.
Mr. P.H.N. Quist
Decharge (II, slot)
- De lijn zoals deze ten aanzien van
decharge in de rechtspraak door de
jaren is ontwikkeld, wordt aan de
hand van een vijftal uitspraken doorlopen. Samenvattend kan men zeggen dat de periodieke decharge zich
alleen uitstrekt tot wat uit de jaarrekening blijkt en aan de algemene
vergadering als orgaan expliciet is
bekendgemaakt.
1064
Intellectuele eigendom,
mediarecht & informatierecht
Computerrecht
Nr. 2, april 2011
Prof. dr. P. van Eecke
Het internet is dood,
leve het internet!
- Het globale en ongebreidelde internet dreigt gesegmenteerd te worden
op basis van geografische, inhoudelijke en functionele criteria. Deze segmentatie gebeurt in toenemende
mate door zowel overheden als
ondernemingen. Door strengere wetgeving en technologische evoluties
lijkt het vandaag eenvoudiger voor
overheden om op een vrij eenvoudige
wijze het internet of bepaalde delen
ervan af te sluiten. Zonder noodzakelijk bondgenoten met overheden te
zijn, trachten ook ondernemingen op
eenzelfde wijze te bepalen wat goed
is voor de gebruiker. Zij bepalen meer
en meer welke informatie we te zien
krijgen en welke informatie prioriteit
krijgt op de netwerken. Misschien
hoeven we dit niet eens zo erg te vinden. Het nieuwe internet biedt meer
comfort, is stabieler en is veiliger. Wie
zal het weten? Maar één ding is zeker,
het oude internet is dood, leve het
internet.
Prof. mr. E.J. Dommering
Een nieuw voorstel tot aanpassing
van de Grondwet
Zie onder Staats- & bestuursrecht.
Mediaforum
23e jrg. nr. 5, mei 2011
Jens van den Brink, Christien
Wildeman
Kroniek Persrecht 2009-2010
- De economische crisis lijkt geen
impact te hebben gehad op de
bereidwilligheid te procederen over
de vrijheid van meningsuiting. Het
afgelopen anderhalf jaar heeft een
indrukwekkende stroom aan persrechtzaken opgeleverd. Het EHRM
voegde een bouwsteen toe aan de
bronbescherming in het Sanomaarrest, waarin Nederland (weer) op de
vingers werd getikt. Andere onderwerpen die in deze kroniek de revue
passeren zijn: de openbaarheid van
Twitter, Hyves en Facebook, ‘Trial by
het OM’ in de zaak Nekschot, nut en
noodzaak van het tot in de lengte
Tijdschriften
van jaren online houden van
beschuldigende publicaties, de
vrijblijvendheid van wederhoor, de
risico’s van het maken van een spotprent over je baas, de vetes tussen
de Telegraaf en de AIVD en tussen
Pretium en VARA en TROS, de valkuilen van publiceren op internet en
het recht van de oppositie het
bestuur fel aan te vallen.
P&I Privacy & Informatie
14e jrg. nr. 2, april 2011
Mr. drs. B. van der Sloot
Het plaatsen van cookies ten
behoeve van behavioural targeting
vanuit privacyperpspectief
- Sinds een aantal
jaren is behavioural
targeting sterk in
opkomst. Door het
gedrag van internetgebruikers te volgen
en te analyseren,
kan reclame worden
gegenereerd op basis van persoonlijke voorkeuren. Hiertoe worden cookies geplaatst op de computers van
internetgebruikers. Al sinds de
opkomst van dit fenomeen wordt er
op het privacyschendende karakter
van deze reclametechniek gewezen.
Dit artikel geeft een overzicht van de
kritiek die in de loop der jaren is
geuit op het plaatsen van cookies en
het gebruik van de verkregen gegevens voor behavioural targeting. De
stelling is dat de opgeworpen argumenten onvoldoende reden geven
om aan te nemen dat er een inherente privacyschending met dit fenomeen is gemoeid, maar dat er daarentegen overduidelijk een
dataprotectieprobleem aan is gelieerd. Uit dit laatste vloeit wel een
afgeleid privacyprobleem voort.
Mr. E. Hoving
Datakwaliteit: een niet te
onderschatten onderwerp
- In 2009 heeft het College bescherming persoonsgegevens in een zienswijze geconstateerd dat het Landelijk
Informatiesysteem Schulden een
registratiesysteem is dat niet voldoet
aan de eis van datakwaliteit ingevolge de Wet bescherming persoonsgegevens. Dit artikel wil een lans
breken voor meer aandacht voor
datakwaliteit met behulp van deze
casus. Daartoe wordt eerst ingegaan
op wat de LIS-registratie feitelijk
inhoudt. Daarna volgt een nadere
analyse van de LIS-casus, waarbij in
het bijzonder op het punt van
datakwaliteit wordt ingegaan. Vervolgens wordt duidelijk gemaakt dat het
belang van datakwaliteit groter
wordt in onze informatiemaatschappij. De conclusie luidt dat datakwaliteit een lastig en onderschat onderwerp is, waaraan meer aandacht zou
moeten worden besteed dan gewoonlijk in de praktijk gebeurt.
Dr. J.A.G. Versmissen, mr. dr. J. Nouwt
Terug van weggeweest:
het datakluisje
- In deze bijdrage wordt de stand van
zaken beschreven ten aanzien van
het datakluisje, zoals dat door de
commissie-Snellen indertijd in 2001
als idee is gepresenteerd in het rapport ‘GBA in de toekomst’. Inmiddels
staat dit kluisje opnieuw in de
belangstelling en worden er ook in
het bedrijfsleven initiatieven in die
richting ontwikkeld.
Verder in deze aflevering: Fundamenten van privacywetgeving en voortschrijdende technologie: Toespraak
gehouden tijdens het congres van de
Vereniging Privacy Recht op 24 maart
2011 door Mr. M.W. McLaggan.
1065
Internationaal privaatrecht
Tijdschrift voor
Insolventierecht
17e jrg. nr. 2, maart/april 2011
Prof. mr. M.L. Lennarts
Yukos: na meer dan 4 jaar
procederen nog geen uitsluitsel
over de erkenning van een Russisch
faillissementsvonnis...
dat moet anders!
- Er zijn talrijke civiele procedures
voortgekomen uit het faillissement
van Yukos Oil, dat in augustus 2006
is uitgesproken door de arbitrazh
rechtbank te Moskou. Het strijdtoneel strekt zich uit tot Nederland. Dit
komt doordat in Nederland Yukos
Finance BV, tot 2007 een 100% dochter van Yukos Oil, is gevestigd. De
rechtbank van Amsterdam is van
mening dat Yukos Oil een eerlijk proces is onthouden: er is sprake van
schending van de in art. 6 EVRM
neergelegde fundamentele beginselen van een behoorlijke rechtspleging. Omdat het leeuwendeel van de
in het faillissement van Yukos Oil
toegelaten vorderingen direct of
indirect zijn oorsprong vindt in de
door de Russische belastingdienst
opgelegde naheffingsaanslagen,
komt de rechtbank tot de conclusie
dat het faillissementsvonnis zonder
die aanslagen niet zou zijn uitgesproken. Er wordt nu al meer dan 4 jaar
geprocedeerd over – in essentie – de
vraag of het faillissement van Yukos
Oil in Nederland moet worden
erkend. De juridische schermutselingen rondom de Nederlandse erfenis
van Yukos laten zien dat het de hoogste tijd is om ook het internationale
insolventierecht te codificeren!
1066
Internationaal publiekrecht
Rechtsgeleerd magazijn
Themis
2e jrg., april 2011
Mr. drs. M.E. Notermans
Het primaat van de rechtspraak
in de verzekering van de vrede
- Gelet op het huidige, weinig effectieve, VN-systeem van internationale
vredeshandhaving valt het achteraf
bezien nog steeds te betreuren dat
de internationale gemeenschap na
de Tweede Wereldoorlog uiteindelijk
toch de voorkeur heeft gegeven aan
de dominantie van de politieke benaderingswijze over de rechterlijke. Het
is dan ook te hopen dat bij eventuele
noodzakelijke – van de politieke wil
afhankelijke – hervormingen van de
Verenigde Naties Hans Kelsens voorstel uit 1944 voor een Permanent
League for the Maintenance of Peace,
waarin een internationaal gerechtshof primeert boven een uitvoerend
orgaan, in de nabije toekomst meer
gehoor zal vinden dan het destijds
heeft gekregen. Want, zo mogen we
ten minste uit zijn evolutionair-technische en moreelpolitieke argumentatie voor het primaat van de supranationale rechtspraak binnen de
wereldrechtsorde nu wel concluderen: zolang de wereldgemeenschap
‘in rechterlijk opzicht’ blijft tekortschieten, zal aan de oorlog geen einde kunnen komen.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1349
Tijdschriften
1067
Jeugd-, relatie- & erfrecht
Right! Tijdschrift voor de
rechten van het kind
21e jrg. nr. 2, april 2011
Hellen Kooijman
‘Alle kinderen moeten kunnen
klagen over de jeugdzorg’.
- Ouders en kinderen in de jeugdzorg
kunnen met klachten terecht bij een
vertrouwenspersoon van het Adviesen Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).
Toch heeft niet elk kind toegang tot
zo’n vertrouwenspersoon. En dat
moet veranderen, vindt directeur
Ineke Glissenaar.
WPRN
142e jrg. nr. 6886, 7 mei 2011
M.I. van Zielst
Een regeling analoog aan
de quasi-legatenregeling in de
Successiewet 1956
- In deze bijdrage wordt ingegaan op
de mogelijkheid om de fictiebepalingen uit de Successiewet te vervangen
door de quasi-legatenregeling van
art. 4:126 BW.
1068
Omgevingsrecht
Tijdschrift voor
Agrarisch recht
71e jrg. nr. 4, april 2011
Prof. mr. D.W. Bruil
Het bestemmingsplan
buitengebied. Preadvies voor de
jaarvergadering van de Vereniging
voor Agrarisch Recht 2011
- In dit preadvies
gaat het vooral om
rechtspraak, die
invulling geeft aan
vragen rond het
bestemmingsplan,
en dan vooral over
de materieelrechtelijke aspecten die van belang zijn
voor de landbouw. Bepaalde onderwerpen krijgen relatief veel aandacht. Voorbeelden daarvan zijn de
problematiek van de bouwpercelen
en de geurhinder. Alleen al dat laatste onderwerp vergt een uitvoerige
behandeling, niet alleen omdat geur-
1350
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
hinder vaak een rol speelt bij ruimtelijke beslissingen, maar ook omdat er
nogal wat beweging zit in de rechtspraak daarover. In het algemeen is
opvallend dat het aantal onderzoeksverplichtingen hand over hand is
toegenomen ten opzichte van de
jaren negentig van de vorige eeuw.
Mr. P.P.A. Bodden
Wie ordent de ruimte in het landelijk gebied? – Een concurrentie van
bevoegdheden: Preadvies voor de
jaarvergadering van de Vereniging
voor Agrarisch Recht 2011
- Dit preadvies ziet op de ruimtelijke
ordening in het landelijk gebied (het
buitengebied) en richt zich op de
hogere overheidsniveaus (rijk en provincie). De verhouding tussen de provincie en de gemeente staat centraal.
Een en ander wordt behandeld aan
de hand van een thema dat de
gemoederen in het landelijk gebied
gebied thans stevig bezig houdt, te
weten de regulering van de (grootschalige) intensieve veehouderij.
Het Waterschap
Nr. 4, mei 2011
H. Bolkestein, H. Havekes, W. Wensink
Laat de watervergunning bij de
waterbeheerder
- In het Regeerakkoord van 2010 en
in het Hoofdlijnenakkoord van het
Rijk met de decentrale overheden is
het al opgenomen: het omgevingsrecht in Nederland wordt herzien.
Bedoeling is het omgevingsrecht te
bundelen en te vereenvoudigen.
De waterschappen pleiten voor voorzichtigheid.
G. Ritskes, S. Handgraaf
Baggeren of doormodderen?
- Sinds begin 2008 is een groot deel
van het wettelijke kader voor baggeren op de schop gegaan. Watersysteembeheer wordt vanaf eind 2009
door de nieuwe Waterwet gereguleerd. In de vorm van een viertal stellingen schetst dit artikel de gevolgen
van de introductie van de Waterwet
voor actief waterbodembeheer en
passief waterbodembeheer door
waterschappen. Daarnaast ook aandacht voor de relatie met andere weten regelgeving.
H. van Gerner
Florakleed houdt dijk bijeen
- Natuurbeheer op dijken maakt de
waterkeringen beslist niet zwakker.
En dat terwijl de natuurwaarden
toenemen. Een natuurdijk doet niet
onder voor een kleidijk, zo blijkt uit
onderzoek. Verscheidenheid is de
sleutel tot succes.
1069
Sociaal Recht
ArbeidsRecht
18e jrg. nr. 4, 2011
Mr. M. Holtzer
Enige praktische consequenties
van het Albron-arrest
van het Hof van Justitie
- De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Albron is voor de
Nederlandse rechtspraktijk ingrijpend. In dit artikel wordt ingegaan
op de gevolgen die de uitspraak kan
hebben voor de praktijk. Deze terreinverkenning richt zich op drie thema’s:
(1) de concernvennootschap, (2) de
permanente tewerkstelling en (3) de
praktische afwikkeling van een onverwachte overgang van onderneming.
Mr. drs. A.M. Helstone
De reikwijdte van
medezeggenschap na overgang
van onderneming
- Onlangs heeft het Hof van Justitie
zich voor het eerst uitgelaten over de
uitleg van het begrip ‘eenheid’ in art.
6 lid 1 van de Richtlijn 2001/23. Dit
begrip is van belang voor de vraag op
welke wijze de medezeggenschap na
overgang van onderneming dient te
worden vormgegeven. Deze bijdrage
richt zich op de gevolgen van het
arrest en de reikwijdte van medezeggenschap na overgang van onderneming in Nederland.
Mr. K. van Kranenburg-Hanspians,
mr. A. Avci
Wie beschermt de weigerachtige
werknemer?
- Bij de implementatie van de Richtlijn betreffende behoud van de rechten van de werknemers bij overgang
van ondernemingen, vestigingen of
onderdelen van ondernemingen in
art. 7:662 BW e.v. is geen rekening
gehouden met de positie van de
werknemer die niet wenst mee over
te gaan. De Richtlijn staat aan een
verdergaande bescherming van deze
werknemer dan thans wettelijk het
geval is echter niet in de weg. In dit
artikel wordt ingegaan op de positie
van de weigerachtige werknemer en
wordt betoogd dat het gesloten ont-
Tijdschriften
slagstelsel zich verzet tegen de stelling dat de arbeidsovereenkomst van
deze werknemer van rechtswege eindigt vanwege de weigering mee over
te gaan naar de verkrijger.
Mr. M.E. Lips, mr. A. Meulenveld
Stoelendansen in het land van de
bollebozen
- Een werkgever die genoodzaakt is te
reorganiseren, neemt liever afscheid
van zijn minder presterende dan van
zijn goed presterende werknemers.
Regelmatig wordt dan – om zo op
kwaliteit te kunnen selecteren – de
stoelendansmethode toegepast, waarbij men een functie(groep) geheel
laat vervallen en een aantal nieuwe
functies creëert, waarop alle boventallige werknemers kunnen solliciteren. De laatste jaren zijn meerdere
uitspraken gewezen over de toelaatbaarheid daarvan. Verreweg de meeste ontbindingsverzoeken worden niet
afgewezen vanwege de stoelendansmethode op zich, maar vanwege
uitwisselbaarheid van de oude en de
nieuwe functies of een onzorgvuldige selectieprocedure. In dit artikel
wordt de legitimiteit van de stoelendansmethode in het licht van het
Ontslagbesluit en de beleidsregels
van het UWV bezien.
Mr. R.P.J. Ter Haseborg
Jaaroverzicht Jurisprudentie
concurrentiebedingen en
onrechtmatige concurrentie
- Dit artikel biedt een overzicht van
de interessantste uitspraken over het
concurrentiebeding uit 2010 en is
opgedeeld in de categorieën: schriftelijkheidsvereiste, belangenafweging,
overgang van onderneming, nadere
voorwaarden bij CAO, onrechtmatige
concurrentie en ‘varia’.
belang zijn voor de verzekeringsplicht van werknemers met een aandelenpakket.
M. Rijsdijk
Ontslagvergoeding uitbetalen na
overlijden werknemer: ja of nee?
- Een werknemer heeft een ontbindingsvergoeding toegekend gekregen
van circa 65.000 euro. Maar voordat
de ontbindingsdatum van de
arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden overlijdt de werknemer. Zijn
nabestaanden maken tevergeefs in
kort geding aanspraak op de ontbindingsvergoeding. De arbeidsovereenkomst is door het overlijden van
rechtswege geëindigd.
T. Hendriks
Recht op loon bij staking?
- Zowel bij TNT als bij enkele distributiecentra van Albert Heijn is het afgelopen najaar meerdere malen het
werk neergelegd. Het is de vraag in
hoeverre de medewerkers recht hebben op loon over die periode(s).
En hoe zit het met de werknemers die
hun werk eventueel wel wilden, maar
niet konden doen. Hebben zij recht op
loon? Kortom, hoe zit het met de
loondoorbetaling tijdens een staking?
Mr. P.J. van Alten
Geheimhoudingsbeding versus
non-concurrentiebeding.
Aanvulling of alternatief?
- Met de vergrijzing van de beroepsbevolking voor de deur willen bedrijven jongere werknemers binden. Een
non-concurrentiebeding is van
belang op het moment dat zij weer
uit dienst gaan. Het geheimhoudingsbeding speelt hierbij een
belangrijke rol. In de bijdrage wordt
dit beding afgezet tegen het nonconcurrentiebeding.
Praktijkblad
Salarisadministratie
1070
13e jrg. nr. 7, 6 mei 2011
Mr. B. Agerbeek
Werknemersverzekeringen en
aandelen. Verzekeringsplicht
op grond van feitelijke situatie
- Voor de werknemersverzekeringen
geldt dat werknemers die aandelen
bezitten in de vennootschap van de
werkgever in principe nog steeds
gewoon werknemers zijn. De werkgever moet over de beloning van de
aandeelhoudende werknemers premies werknemersverzekeringen
betalen. In dit artikel wordt ingegaan
op de verschillende aspecten die van
Staats- & bestuursrecht
Computerrecht
Nr. 2, april 2011
Prof. mr. E.J. Dommering
Een nieuw voorstel
tot aanpassing van de
Grondwet
- Grondwetscommissies komen en gaan.
Ligt er verandering in
het verschiet voor de
Grondwet? De Com-
missies willen allemaal de uit de jaren
tachtig van de vorige eeuw daterende
formulering van de grondrechten in
art. 7 - 13 Gw up to date maken. Ze
worstelen allemaal met het conflict
tussen de explosieve ontwikkeling
van de Informatie en Communicatie
Technologie en een eerbiedwaardig
college van heilige koeien uit het
Nederlandse staatsrecht.
SEW Tijdschrift voor
Europees en economisch
recht
59e jrg. nr. 4,april 2011
Drs. Ph. Gérard
De hoeder van de meerlagige
Europese Constitutie tussen unierecht en grondwet in Frankrijk en
België
- Deze bijdrage onderzoekt recente
ontwikkelingen in het grondwettelijk procesrecht in Frankrijk en België. Zowel in Frankrijk als België
werd een volgorde van toetsing ingevoerd in geval van samenloop van
middelen ontleend aan zowel de
nationale grondwet als aan het internationaal- of supranationaal recht.
Een kroniek beschrijft de aanloop
naar en de nasleep van het arrest
Melki van het HvJ EU in Frankrijk,
gevolgd door een appreciatie van de
Belgische samenloopregeling uit
artikel 26 § 4 Bijz. W. GWH.
Mr. P. de Bandt
De nieuwe groepsvrijstelling en
richtsnoeren inzake verticale
overeenkomsten en beperkingen:
zachte evolutie na een revolutie
- De nieuwe Groepsvrijstellingsverordening (EU) nr. 330/2010 voor verticale overeenkomsten en onderling
afgestemde gedragingen behelst
geen fundamentele koerswijziging
ten opzichte van zijn voorganger.
Toch bevatten de nieuwe groepsvrijstellingen en de bijbehorende richtsnoeren inzake verticale beperkingen
een aantal nuttige verduidelijkingen.
Na de ingrijpende revolutie van 1999
heeft de Commissie thans wijzelijk
geopteerd voor een zachte evolutie
van dit regelgevende kader.
Het Waterschap
Nr. 4, mei 2011
J. van Peperstraten
Bestuursakkoord Water:
‘Nu komt het er op aan’
- Het heeft even geduurd, maar nu is
er toch een Bestuursakkoord Water.
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1351
Tijdschriften
De Unie ziet het akkoord als een grote stap voorwaarts om te komen tot
een betere organisatie van het waterbeheer in Nederland. De waterschappen krijgen meer taken en verantwoordelijkheden, maar ook meer
(financiële) verplichtingen. Hoe denken diverse vertegenwoordigers van
de waterschappen over het akkoord?
1071
Straf (proces)recht,
penitentiair recht &
criminologie
Bedrijfsjuridische berichten,
Nieuwsbrief Bb
Nr. 8, 28 april 2011
Mr. B.F.H. Rumora-Scheltema
Bedrieglijke bankbreuk
nader bekeken
- De Hoge Raad heeft in 2010 drie
belangwekkende arresten gewezen
over bedrieglijke bankbreuk – de
strafrechtelijke variant van de actio
pauliana. In deze arresten heeft de
Hoge Raad meer duidelijkheid gegeven over de uitleg van art. 343
(bedrieglijke bankbreuk) van het Wetboek van Strafrecht. Daarmee zijn
niet alle vragen beantwoord, maar
wel is een verduidelijking gekomen
van de vereisten voor strafbaarheid
op grond van dat artikel. Dit artikel
beoogt een toelichting te geven op
die arresten.
Delikt en delinkwent
Nr. 4, april 2011
P.A.M. Mevis
Opnieuw de TBS: laat svp tijd en
ruimte voor rustige en bestendige
ontwikkeling in de goede richting
- Het goede van de
TBS moet behouden
en versterkt. Dat zit
vooral in de inrichting van de behandeling, het inzetten
van behandeling zo
snel als even mogelijk in de tenuitvoerlegging, een
behandeling waarvan het perspectief
van resocialisatie inclusief verlof per
fase en per TBS-gestelde kan verschillen, maar nooit helemaal achter de
horizon verdwijnt. Van zodanige
inrichting hangt uiteindelijk het vertrouwen in de TBS als strafrechtelijke
1352
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
maatregel af. Er wordt hard aan verbetering gewerkt. Bestaande knelpunten moeten daarbij niet te eenzijdig
de focus van denken worden. Dat is
symptoombestrijding en daar schiet
niemand iets mee op. Bedachtzaam
gezamenlijk voortgaan is van belang.
K. van Willigenburg
Casuïstiek en scherpe normen
in het materiële strafrecht
- De wijze waarop de Hoge Raad
invulling geeft aan zijn rechtsvormende taak is een terugkerend thema in de literatuur. In dit artikel
wordt de gedachte afgewezen dat de
algemene leerstukken door scherpe
normen beheerst zouden moeten
worden. Invoering van ideaaltypische
scherpe normen zou ten koste gaan
van de individualiseerbaarheid van
rechterlijke beslissingen in het materiële strafrecht. Aangezien het bewijs
dat aan de voorwaarden van een
bepaald leerstuk is voldaan, op holistische wijze gewaardeerd moet worden, zal het ‘isoleren’ van een beperkt
aantal casuïstische factoren in scherpe normen vroeger of later leiden tot
onbevredigende beslissingen, waarbij
een leerstuk (niet) wordt toegepast
terwijl uit de omstandigheden als
geheel blijkt dat in werkelijkheid wel
(of juist niet) aan de regels en criteria van het leerstuk is voldaan. De
conclusie van dit artikel is dan ook
dat casuïstische rechtspraak geaccepteerd zal moeten worden, mits we
willen voorkomen dat de individualiseerbaarheid van rechterlijke beslissingen wordt geofferd op het altaar
van de rechtszekerheid.
B.M. Blom
Belediging van een agent:
een geval apart!
- In dit artikel wordt het delict ‘belediging van agenten’, strafbaar gesteld in
artikel 266 juncto artikel 267 Sr,
afzonderlijk onder de loep genomen
en duidelijk gemaakt waarom dit
delict niet in het rijtje geweldsdelicten tegen ambtsdragers thuishoort en
waarom een strenge aanpak zoals die
nu wordt bepleit en gehanteerd niet
wenselijk is. Belediging van agenten
zou een aparte plaats moeten krijgen
in het Wetboek van Strafrecht, bij
voorkeur in titel VIII: misdrijven
tegen het openbaar gezag. De ratio
van de strafbepalingen in deze titel
komt overeen met de ratio die in de
doctrine, politiek en praktijk aan
strafbaarheid van belediging van
agenten ten grondslag werd gelegd.
Voorwaarde voor strafbaarheid zou in
de eerste plaats moeten zijn dat de
agent in kwestie daadwerkelijk in het
uitoefenen van zijn taken belemmerd
wordt en/of dat daadwerkelijk afbreuk
wordt gedaan aan diens gezag of het
gezag van het gehele politieapparaat.
Right! Tijdschrift voor de
rechten van het kind
21e jrg. nr. 2, april 2011
Sabine de Jong
Vijftig mensen in de rij voor
de virtuele politie.
Spreekuur in het Habbo hotel
- Waar je een politiebureau normaal
gesproken bereikt via een deur, word
je in het virtuele Habbo Hotel naar
binnen gestraald via een teleporteermachine; een rode telefooncel waar
je alleen in kunt na toestemming
van de politie. Eenmaal binnen lijkt
alles dan wel weer op een ‘normaal’
kantoor: een bureau met een groene
kantoorlamp erop, een uitgedroogde
kamerplant en een koffieautomaat.
Achter het bureau staat een klein
poppetje glazig voor zich uit te staren. Het is Internet Politie; de virtuele politieman die vanuit een politiebureau in Zuid-Limburg bestuurd
wordt door agent Boudewijn Mayeur
(39). Twee keer per maand houdt
Mayeur als digitaal wijkagent spreekuur in het Habbo Hotel. Hij geeft dan
informatie over zaken waar jongeren
tegenaan kunnen lopen in de online
wereld. Oplichting bijvoorbeeld, of
digitaal pesten, maar ook over de
gevaren van een webcam.
1072
Vreemdelingenrecht
Rechtskundig Weekblad
74e jrg. nr. 34, 23 april 2011
G. Debersaques, A. Wijnants
Kroniek van de rechtspraak van
de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inzake de annulatiebevoegdheid en de rechtspleging
- (België) Op 1 juni 2007 werd de
Raad voor Vreemdelingenbetwistingen als enige bevoegd om kennis te
nemen van de beroepen die worden
ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de
wetten betreffende de toegang tot
Tijdschriften
het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In het eerste deel van deze
kroniek werd het algemeen kader
geschetst waarbinnen de Raad zijn
bevoegdheden uitoefent en werd de
rechtspraak in het raam van de volle
rechtsmacht inzake asiel en subsidiaire bescherming ontsloten. In dit
tweede deel wordt een representatief
staal gegeven van de arresten die de
Raad heeft geveld inzake zijn rechtsmacht en bevoegdheden als annulatierechter en de rechtspraak ten
gronde in dat annulatieberoep.
Bovendien wordt de rechtspleging
voor de Raad toegelicht aan de hand
van een aantal specifieke rechtspunten die in de loop van de hier besproken periode aanleiding hebben gegeven tot discussie en – eventueel – tot
een evolutie in de rechtspraak.
Right! Tijdschrift voor
de rechten van het kind
21e jrg. nr. 2, april 2011
Carla van Os
Kinderen op vertrekcentrum
Ter Apel leven in angst: ‘de mensen
die doen ons heel bang’
- Asielzoekerskinderen zijn bang voor
Ter Apel, het vertrekcentrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Defence for
Children kreeg jaren
geleden een hartverscheurende brief van een meisje dat
schreef: ‘Ik wil niet Trappel’. De ervaringen van kinderen op Ter Apel, zijn
samen te vatten onder één noemer:
angst. Right! ging een kijkje nemen
en sprak met enkele kinderen over
hun angsten en over hun dromen.
Joyce Brummelman
Luisteren naar de jongere.
Angst om te spreken
- Je verhaal doen, dat is wat een asielzoeker te wachten staat als hij in
Nederland aankomt. Voor een kind
dat zonder zijn ouders op de vlucht
is, is dat extra moeilijk. De eerste
dagen komt de jongere met tal van
hulpverleners in aanraking en weet
nog niet wie hij kan vertrouwen en
wat wel en niet belangrijk is om te
vertellen aan de gehoorambtenaren.
Het slot van deze vervolgserie over
de communicatie met jongeren in
verschillende juridische procedures,
gaat over het horen van alleenstaande minderjarige vreemdelingen.
Wetgeving
Een overzicht van aanhangige wetsvoorstellen en gepubliceerde staatsbladen met links naar de integrale
Kamerstukken is opgenomen op de
NJB-site www.njb.nl
1073
Staatsblad
Uitzonderingen op
toepasselijkheid positieve
fictieve beschikking
Wet tot wijziging van de Algemene
wet bestuursrecht, de Dienstenwet en
enige andere wetten ter vastlegging
van uitzonderingen op de toepasselijkheid van de positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen
ingevolge de Dienstenwet.
– In december 2009 is de Dienstenwet inwerking getreden (Stb. 2009,
503). Deze wet diende tot uitvoering
van de dienstenrichtlijn (Richtlijn nr.
2006/123/EG). Een van de onderdelen
van de dienstenrichtlijn is de toepassing van de automatische verlening
van een vergunning indien niet tijdig
door het overheidsorgaan op de aanvraag wordt beslist (de zogeheten Lex
silencio positivo). Deze automatische
vergunningverlening (LSP) is bij de
implementatie van de dienstenrichtlijn voor een groot aantal vergunningen gaan gelden. Het systeem daarbij
is dat de LSP geldt tenzij bij wettelijk
voorschrift anders is bepaald. Besloten is toen tot opname van een
nieuw artikel 66 in de Dienstenwet,
welk artikel een grondslag bevatte
voor een bijzondere en tijdelijke regeling bij algemene maatregel van
bestuur. Dat is het zogenoemde Tijdelijk besluit geworden (Stb. 2009, 571).
In bijlage A bij dit besluit staat aangegeven voor welke Dienstenwetvergunningen de LSP wordt uitgezonderd en
waarom. Het Tijdelijk besluit geldt tot
1 januari 2012. Per die datum moet
de wet of wettelijke regeling zelf
voorzien in de uitzondering. Deze wet
voorziet daarin, voor zover het gaat
om uitzonderingen op wetsniveau en
houdt dus een omzetting in van het
Tijdelijk besluit in een wet in formele
zin. Dit betekent dat de uitzonderingen op de toepasselijkheid van de LSP
bij de vergunningstelsels uit bijlage A
van het Tijdelijk besluit thans worden
opgenomen in de relevante wetgeving zelf. Voorts is bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel gebleken
dat een aantal vergunningstelsels ten
onrechte niet in het Tijdelijk besluit
is opgenomen. Deze stelsels zijn nu
wel meegenomen.
Inwerkingtreding 1-1-2012
Wet van 7-4-2011, Stb. 2011, 201 (Kamerstukken 32
614)
Versterking energiemarkt/
slimme energiemeter
Inwerkingtredingsbesluit houdende
vaststelling van het tijdstip van
inwerkingtreding van enkele onderdelen van de wet van 2 december 2010
tot wijziging van de Gaswet en de
Elektriciteitswet 1998, tot versterking
van de werking van de gasmarkt, verbetering van de voorzieningszekerheid en houdende regels met betrek-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1353
Wetgeving
king tot de voorrang voor duurzame
elektriciteit, alsmede enkele andere
wijzigingen van deze wetten (Stb.
2010, 810) en enkele onderdelen van
de wet van 26 februari 2011 tot wijziging van de Elektriciteitswet 1998 en
de Gaswet ter verbetering van de werking van de elektriciteits- en gasmarkt (Stb. 2011, 130).
– Stb. 2010/180 trad grotendeels op
1 april 2011 in werking. De toen nog
niet in werking getreden onderdelen
treden middels dit besluit op 1 juli
2011 in werking, evenals de wet met
betrekking tot de slimme energiemeters (Stb. 2011, 130).
Inwerkingtredingsbesluit van 27-4-2011, Stb. 2011, 203
Deelneming in
de financiële sector
Wet tot wijziging van de Wet op het
financieel toezicht ter implementatie
van richtlijn nr. 2007/44/EG van het
Europees Parlement en de Raad van
de Europese Unie van 5 september
2007 tot wijziging van Richtlijn
92/49/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2002/83/EG, 2004/39/EG,
2005/68/EG en 2006/48/EG wat
betreft procedureregels en evaluatiecriteria voor de prudentiële beoordeling van verwervingen en vergrotingen van deelnemingen in de
financiële sector (PbEU L 247) (Wet
implementatie richtlijn deelnemingen in de financiële sector).
– De richtlijn heeft tot gevolg dat in
de Wet op het financieel toezicht
(Wft) de bepalingen met betrekking
tot verwervingen en vergrotingen
van gekwalificeerde deelnemingen
moeten worden gewijzigd.
Om oneigenlijke afwegingen zoveel
als mogelijk te weren uit het besluitvormingsproces is besloten om de
procedures en toetsingscriteria voor
een beoordeling van een voorgenomen deelneming of overname te harmoniseren. De richtlijn voorziet in
wijziging van de inhoudelijke toets en
in wijziging van procedurele aspecten, zodat de beoordeling van een
voorgenomen gekwalificeerde deelneming in de lidstaten aan consistentie
en transparantie wint. In dat kader
voorziet de richtlijn onder meer in
het verkorten van de beoordelingstermijn en het voorschrijven van een
specifiek voor deze beoordelingen
bedoelde procedure. Hiermee wordt
beoogd dat overal in de Europese
Unie helderheid ontstaat over de pro-
1354
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
cedure die dient te worden gevolgd.
Daarnaast wordt met de richtlijn
voor de beoordeling van een gekwalificeerde deelneming een limitatieve
lijst van (strikt prudentiële) criteria
geïntroduceerd. Het gesloten en limitatieve karakter van deze lijst van
beoordelingscriteria dient ertoe dat
in alle lidstaten eenzelfde inhoudelijke toets wordt verricht op een
voorgenomen gekwalificeerde deelneming. De richtlijn noopt tot aanpassing van de wetgeving terzake.
De gevolgen van de richtlijn zijn voor
de desbetreffende financiële ondernemingen in Nederland beperkt voor
wat betreft de inhoudelijke criteria
dan wel de procedurebepalingen.
Immers, op grond van de Wft en de
Algemene wet bestuursrecht gold in
Nederland reeds een duidelijke procedures. Echter, de verkorting is gunstig voor ondernemingen omdat ze
minder lang hoeven te wachten op
een beslissing. Daarnaast kan de uniformering van de procedure in de
lidstaten gunstig zijn in het geval
van een grensoverschrijdende aanvraag. Tenslotte is voor Nederlandse
ondernemingen een gunstig gevolg
van de richtlijn dat de toezichthoudende instantie van de lidstaat van
vestiging van de onderneming waarin de deelneming wordt verworven
of vergroot de aanvraag dient te
beoordelen in plaats van zowel deze
toezichthouder als de toezichthouder
van de aanvrager. Het betreft een één
op één implementatie.
Inwerkingtreding 7-5-2011
2011) over de wijziging van de Wet
gebruik burgerservicenummer in de
zorg in verband met de elektronische
informatie-uitwisseling in de zorg.
Kamerstukken I 2010/11, 31 466, AA
Strafuitsluitingsgrond voor
rechtmatig geweldgebruik
militairen
Brief van de Ministers van Veiligheid
en Justitie en van Defensie (22-122010) en verslag van een schriftelijk
overleg (3-5-2011) over het wetsvoorstel tot wijziging Wetboek van Militair Strafrecht in verband met het
opnemen van een strafuitsluitingsgrond voor rechtmatig geweldgebruik door militairen.
Kamerstukken I 2010/11, 31 487 (R1862), G en H
Bestuur en toezicht in
naamloze en besloten
vennootschappen
Memorie van antwoord (3-5-2011)
bij het wetsvoorstel tot wijziging van
boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in
verband met aanpassing van regels
over bestuur en toezicht in naamloze
en besloten vennootschappen.
Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C
Zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk
gehandicapte cliënten
Wet van 21-4-2011, Stb. 2011, 206 (Kamerstukken
Nota naar aanleiding van het verslag
en nota van wijziging (29-4-2011) bij
het wetsvoorstel met regels ten
aanzien van zorg en dwang voor personen met een psychogeriatrische
aandoening of een verstandelijke
handicap.
32 292)
Kamerstukken II 2010/11, 31 996, nrs. 6-7
1074
Vervolgstukken
Wet uniformering loonbegrip
Tekst van het gewijzigd voorstel van
wet (12-4-2011) bij het wetsvoorstel
tot wijziging van een aantal wetten
ter uniformering van het loonbegrip.
Kamerstukken I 2010/11, 32 131, A
Invoering titel 7.13
(Vennootschap) in BW
Voorlopig verslag (22-4-2011) over
het wetsvoorstel tot aanpassing van
de wetgeving aan en invoering van
titel 7.13 (vennootschap) van het
Burgerlijk Wetboek (Invoeringswet
titel 7.13 Burgerlijk Wetboek).
Kamerstukken I 2010/11, 31 065, B
Boek 10 BW (IPR)
Nadere memorie van antwoord
(28-4-2011) bij het wetsvoorstel tot
vaststelling en invoering van Boek
10 (Internationaal privaatrecht) van
het Burgerlijk Wetboek (Vaststellingsen Invoeringswet Boek 10 Burgerlijk
Wetboek).
Kamerstukken I 2010/11, 32 137, E
Elektronisch
patiëntendossier
Kaderwet Zbo’s
Brief van de Minister van VWS (22-4-
Derde nota van wijziging (4-5-2011)
Wetgeving
bij het wetsvoorstel tot aanpassing
van EZ-instellingswetten aan de
Kaderwet zelfstandige bestuursorganen.
Kamerstukken II 2010/11, 32 154, nr. 11
DNA-verwantschapsonderzoek
Tekst van het gewijzigd voorstel van
wet (19-4-2011) bij het wetsvoorstel
tot wijziging van het Wetboek van
Strafvordering en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband
met de introductie van DNA-verwantschapsonderzoek en DNA-onderzoek
naar uiterlijk waarneembare persoonskenmerken van het onbekende
slachtoffer en de regeling van enige
andere onderwerpen.
Kamerstukken I 2010/11, 32 168, A
Implementatie Kaderbesluit
verstekbeslissing
Nadere memorie van antwoord (12-42011) bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Overleveringswet, de Wet
wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging strafrechtelijke sancties 2008
en het Wetboek van Strafvordering
ter implementatie van kaderbesluit
2009/299/JBZ van de Raad van de
Europese Unie van 26 februari 2009
tot wijziging van kaderbesluit
2002/584/JBZ, 2005/214/JBZ,
2006/783/JBZ, 2008/909/JBZ en
2008/947/JBZ en tot versterking van
de procedurele rechten van personen, tot bevordering van de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen
gegeven ten aanzien van personen
die niet verschenen zijn tijdens het
proces (PbEU L 81).
Kamerstukken I 2010/11, 32 188, E
Regulering prostitutie
Tekst van het gewijzigd voorstel van
wet (29-4-2011) bij het wetsvoorstel
met regels betreffende de regulering
van prostitutie en betreffende het
bestrijden van misstanden in de
seksbranche.
Kamerstukken I 2010/11, 32 211, A
Consumentenkrediet
Nadere memorie van antwoord
(29-4-2011) bij het wetsvoorstel tot
wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet op het financieel
toezicht en enige andere wetten ter
implementatie van richtlijn nr.
2008/48/EG van het Europees Parle-
ment en de Raad van de Europese
Unie van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten
en tot intrekking van Richtlijn
87/102/EEG van de Raad (PbEU L
133/66).
Wijziging
Crisis- en herstelwet
Kamerstukken I 2010/11, 32 339, E
Kamerstukken II 2010/11, 32 588, nr. 9
Herzien Europees
Adoptieverdrag
Staatsdeelnemingen in
financiële instellingen
Tekst van het gewijzigd voorstel van
Rijkswet (14-4-2011) ter goedkeuring
van het op 27 november 2008 te
Straatsburg totstandgekomen Europees Verdrag inzake de adoptie van
kinderen (herzien) (Trb. 2009, 141)
aanbiedt.
Tekst van het gewijzigd voorstel van
wet (28-4-2011) tot wijziging stichting administratiekantoor beheer
financiële instellingen.
Kamerstukken I 2010/11, 32 365 (R1912), B
Modernisering
monumentenzorg
Verslag van een schriftelijk overleg
(26-4-2011) over het wetsvoorstel tot
wijziging van de Monumentenwet
1988 en de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht in verband met de
modernisering van de monumentenzorg.
Derde nota van wijziging (28-4-2011)
bij het wetsvoorstel tot wijziging van
de Crisis- en herstelwet en enkele
andere wetten.
Kamerstukken I 2010/11, 32 613, A
Beperking
geheimhoudingsplicht bij
notariële derdenrekening
Verslag (2-5-2011) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op het
notarisambt in verband met de
invoering van een informatieplicht
ten aanzien van gegevens betreffende de bijzondere rekening, bedoeld in
artikel 25 van die wet.
Kamerstukken II 2010/11, 32 700, nr. 5
Kamerstukken II 2010/11, 32 433, nr. 19
Intrekking WWIK
Anticumulatie Ziektewet
en WW
Verslag (29-4-2011) over het wetsvoorstel tot intrekking van de Wet
werk en inkomen kunstenaars.
Voorlopig verslag (26-4-2011) over het
wetsvoorstel tot wijziging van de
Werkloosheidswet, de Ziektewet en de
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen om cumulatie van de uitkeringsduur op grond van de Ziektewet
met de uitkeringsduur op grond van
de Werkloosheidswet tegen te gaan en
enige andere wijzigingen.
Kamerstukken I 2010/11, 32 464, C
Oprichting College voor de
rechten van de mens
Tekst van het gewijzigd voorstel van
wet (19-4-2011) tot oprichting van het
College voor de rechten van de mens.
Kamerstukken I 2010/11, 32 467, A
Rechterlijk gebieds- of
contactverbod
Tweede nota van wijziging (20-42011) en gewijzigd voorstel van wet
(26-4-2011) tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek
van Strafvordering in verband met
de invoering van een rechterlijke
vrijheidsbeperkende maatregel.
Kamerstukken II 2010/11, 32 701, nr. 5
Inlichtingen aan het OM
t.b.v. inning geldboeten
Verslag (2-5-2011) over het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek
van Strafvordering en de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften in verband met
de verstrekking van inlichtingen aan
het openbaar ministerie bij de tenuitvoerlegging van geldboeten en
enkele verbeteringen.
Kamerstukken II 2010/11, 32 702, nr. 5
Gebiedsgerichte sanering
grondwater
Verslag (29-4-2011) over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet
bodembescherming (Gebiedsgerichte
aanpak van de verontreiniging van
het diepere grondwater).
Kamerstukken II 2010/11, 32 712, nr. 5
Kamerstukken II en I 2010/11, 32 551, nr. 9 en A
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1355
Boeken
Wetgeving
1075
Nota’s,
rapporten &
verslagen
Verwesterde Afghaanse
meisjes en meer
Verslag van een schriftelijk overleg
(vastgesteld 26-4-2011) met de Minister voor Immigratie en Asiel over het
thematisch ambtsbericht Afghanistan over de situatie van schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes), het vertrekmoratorium Zuid- en
Centraal-Somalië, de wijziging in het
landgebonden asielbeleid voor de
Democratische Republiek Congo, de
beleidsvisie stroomlijning toelatingsprocedures en situaties waarin een
verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden
afgewacht.
Kamerstukken II 2010/11, 19 637, nr. 1416
Implementatie
achterstanden
Brief van de Staatssecretaris van
BuZa (26-4-2011) met het periodieke
overzicht van de stand van zaken bij
de implementatie van EG/EU-richtlijnen en EU-kaderbesluiten in de
Nederlandse wet- en regelgeving aan
het einde van het eerste kwartaal
van 2011.
- In het eerste kwartaal van 2011 zijn
er tweeëntwintig richtlijnen/kaderbesluiten die vertraging hebben
opgelopen bij de implementatie. Het
aantal richtlijnen/kaderbesluiten
met een implementatieachterstand
is daarmee in het eerste kwartaal
van 2011 gelijk gebleven ten opzichte van het vierde kwartaal van 2010.
Bij zeven richtlijnen/kaderbesluiten
die in het vierde kwartaal van 2010
een achterstand hadden, kon deze
achterstand in het eerste kwartaal
van 2011 worden weggewerkt. Tegelijkertijd zijn er in dit kwartaal zeven
nieuwe achterstallige richtlijnen/
kaderbesluiten bijgekomen. Het gaat
om twee richtlijnen van EL&I, van
VenJ en van IenM en één richtlijn
van VWS. Bij vijftien richtlijnen/
kaderbesluiten die al in het vorige
kwartaal achterstallig waren, kon de
implementatieachterstand niet wor-
1356
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
den weggewerkt. De ministeries van
IenM en VenJ hebben in het overzicht de grootste achterstand, resp.
zeven en zes.
Kamerstukken II 2010/11, 21 109, nr. 199
Uitvoering REACH/
gevaarlijke stoffen
Brief van de Staatssecretaris van
IenM (27-4-2011) over de evaluatie
van de uitvoering van REACH in
Nederland.
- Er is een evaluatieonderzoek uitgevoerd naar de uitvoering van de
REACH verordening in Nederland,
over de periode van 1 juni 2007 tot
de eerste REACH registratiedeadline
op 1 december 2010. De samenvatting van dit onderzoek “Drie jaar uitvoering REACH in Nederland (2007–
2010)” zit als bijlage bij deze brief.
Het volledige rapport is te downloaden op http://www.rijksoverheid.nl/
onderwerpen/gevaarlijke-stoffen.
Kamerstukken II 2010/11, 21 501-08, nr. 369
Groenboek BTW
Brief van de Staatssecretaris van
Financiën (26-4-2011) met de kabinetsreactie op het groenboek ‘De
toekomst van de BTW- naar een eenvoudiger, solider en efficiënter BTWstelsel’.
– De Europese Commissie publiceerde op 3 december 2010 het groenboek. Het groenboek betreft een consultatie van alle betrokkenen. De
resultaten van deze consultatie-ronde worden door de Commissie verwerkt en zullen naar verwachting
aanleiding geven tot een witboek
eind van dit jaar. Pas daarin zal een
lijn voor de toekomst van de BTW
worden geschetst. Het kabinet verwelkomt de consultatie als aanzet tot
een BTW-systeem dat vereenvoudigd
is en rekening houdt met de effecten
van het systeem. Zonder een systeem
bij voorbaat uit te sluiten of te omarmen, gaat de voorkeur van het kabinet uit naar een systeem dat voor de
toekomst zo bestendig mogelijk is
tegen fraude in brede zin.
Wel is daarbij voor het kabinet het
uitgangspunt dat de belastingopbrengst in ieder geval ten goede
komt aan de lidstaat waar consumptie plaatsvindt. Daarbij zal eenvoud
ook bijdragen aan de bereidheid en
de mogelijkheid voor de welwillende
bedrijven om aan de BTW-verplichtingen te voldoen. Dit streven naar
eenvoud betekent wel dat we het
bestaansrecht van bestaande uitzonderingen in het BTW-stelsel moeten
heroverwegen. Een serieuze discussie
over het afschaffen van vrijstellingen, het afschaffen van optiemogelijkheden in de Richtlijn of de beperking van het toepassingsgebied van
het verlaagde BTW-tarief en zelfs het
perspectief van één BTW-tarief op
termijn dient, wat het kabinet
betreft, hierbij niet te worden
geschuwd. Overigens is het kabinet
van mening dat in deze discussie ook
het instrument van derogaties moet
worden besproken. Met name oude
derogaties met een onbeperkte tijdsduur maken consensus over gewenste wijziging van de Richtlijn nagenoeg onmogelijk. Wel hecht het
kabinet waarde aan het behoud van
dit instrument, mits voorzien van
een korte tijdsduur met een evaluatiemoment. De vereenvoudiging
dient zich wat het kabinet betreft
niet te beperken tot de regelgeving
sec. Ook de uitvoeringsprocessen
zouden in deze discussie moeten
worden betrokken.
Kamerstukken II 2010/11, 22 112, nr. 1162
Reisdocumentenadministratie
en vingerafdrukken
Brief van de Minister van BZK
(26-4-2011) over de wijze waarop de
nieuwe reisdocumentenadministratie vorm zou kunnen krijgen.
– Gelet op allerlei factoren is de
vraag aan de orde of het opportuun
is om de vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie op te
slaan ter verificatie en identificatie.
De bewindsman is in het licht van de
tot dusver beperkte voortgang van de
technische ontwikkeling tot de conclusie gekomen dat gebruik van de
vingerafdrukken voor doeleinden
van verificatie en identiteitsvaststelling niet mogelijk is zonder een te
hoog percentage gevallen waarin een
‘misser’ wordt aangegeven bij een
rechtmatige houder van het reisdocument. Om die reden is het beter
om voor nu te stoppen met de opslag
van de vingerafdrukken in de decentrale reisdocumentenadministratie.
Hij wil deze tussenstap gebruiken
om goed na te gaan hoe de vingerafdrukken in de praktijk worden opgenomen bij het aanvragen van de reisdocumenten en om te bepalen of
Wetgeving
Boeken
daar verbeteringen op mogelijk zijn
en zo ja welke. Hij wil overigens het
aanvraag- en uitgifteproces op meer
onderdelen kritisch bezien, ook de
wijze waarop de identiteitsvaststelling dient plaats te vinden. Dat is
immers het fundament. Er is ook
reden, van de zijde van de gemeenten wordt dat ook onderschreven, om
te kijken naar de competenties die de
medewerkers moeten hebben die dit
werk doen. De Nederlandse identiteitskaart krijgt een andere wettelijke
status waardoor het mogelijk is om,
anders dan voor het paspoort, eigen
afwegingen te maken omtrent het
digitaal opslaan van gegevens in het
document. Voor de toekomst blijft de
vorming van een centrale reisdocumentenadministratie het doel.
Kamerstukken II 2010/11, 25 764, nr. 46
Cloud computing overheid
Brief van de Minister van BZK
(20-4-2011) over een cloud computing strategie voor de Rijksoverheid
en een cloud first strategie.
– Cloud computing is een model om
op afroep op een gemakkelijke
manier via een netwerk toegang te
krijgen tot een gedeelde verzameling
van configureerbare computer
resources (bijvoorbeeld netwerken,
servers, opslag, applicaties en diensten) die snel kunnen worden geleverd en vrijgegeven met minimale
inspanning of interactie met leveranciers. De bedoelde verzameling kan
‘gesloten’ zijn of ‘open’. Het aanbod
van ‘open’ cloud computing met voor
de overheid toepasbare ICT-oplossingen is, mede als gevolg van geconstateerde bezwaren, nog beperkt. Wat
informatiebeveiliging betreft blijkt
dat het via een ‘open’ cloud uitbesteden van ICT diensten, dan wel opslag
van informatie buiten Nederland,
risico’s met zich meebrengt die nog
niet voldoende kunnen worden afgedekt. Zo is privacybescherming nog
geen integraal onderdeel van de wijze waarop ‘open’ cloud toepassingen
nu worden vormgegeven. Naar aanleiding hiervan kiest het kabinet voor
een aanpak waarbij de mogelijkheden van cloud computing gericht in
‘gesloten’ vorm worden ingezet.
Kamerstukken II 2010/11, 26 643, nr. 179
Mensenhandel
Verslag van een algemeen overleg
van 31-3-2011 (vastgesteld 27 april
2011) met de minister van Veiligheid
en Justitie en de minister voor Immigratie en Asiel over de 8ste rapportage Nationaal Rapporteur Mensenhandel, over immigratie prostituees
uit Oost-Europese landen in relatie
tot het toezicht op en preventie van
mensenhandel en de Training luchtvaartpersoneel op mensenhandel.
Kamerstukken II 2010/11, 28 638, nr. 50
Deskundigenoordeel
reïntegratie
Brief van de Staatsecretaris van SZW
(26-4-2011) met een reactie op het
onderzoek van Stichting De Ombudsman naar de effectiviteit van
deskundigenoordelen.
– In het rapport concludeert Stichting
De Ombudsman dat de uitkomst van
het deskundigenoordeel in ruim 60%
van de gevallen niet wordt besproken
tussen werkgever en werknemer. Volgens Stichting De Ombudsman wordt
hierdoor het deskundigenoordeel niet
door werkgever en werknemer benut
om het stagnerende re-integratieproces vlot te trekken. Voorts concludeert
Stichting De Ombudsman dat werknemer en werkgever bij stokkende reintegratie behoefte hebben aan hulp.
Doordat het UWV bij het deskundigenoordeel achteraf oordeelt en niet
toekomst-gericht adviseert, kan het
UWV die hulp niet bieden. Daarom
doet Stichting De Ombudsman de
aanbeveling om het deskundigenoordeel een bindend karakter te geven,
waardoor de rechtspositie van de
werknemer wordt verbeterd.
Uit het rapport van Stichting De
Ombudsman leidt de staatssecretaris
af dat werknemers iets anders hopen
van het deskundigenoordeel dan dat
zij ervan mogen en kunnen verwachten. Hierin ziet hij geen aanleiding
om het karakter van het deskundigenoordeel te veranderen en bindend te maken. Zoals wordt toegelicht, is de reden hiervoor dat dit niet
past binnen de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het private en
publieke domein, terwijl de rechtspositie van de werknemer nu bovendien adequaat is beschermd.
Kamerstukken II 2010/11, 28 719, nr. 77
Doorlichting
woningcorporaties
Brief van de Minister van BZK (3-52011) waarbij hij de rapporten ‘Preventieve doorlichting van de woning-
corporatiesector’ en ‘Integriteit,
maatschappelijk verantwoord’ aanbiedt (Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer).
– Deze rapporten hebben betrekking
op onderzoeken die zijn uitgevoerd
in het kader van de in 2009 gestarte
intensivering van het toezicht op de
integriteit van woningcorporaties. De
doelstelling van het onderzoek was
in kaart te brengen in hoeverre de
woningcorporatiesector kwetsbaar is
voor misbruik door al dan niet georganiseerde (financieel-economische)
criminaliteit. Niet alleen de antecedenten van bestuurders en toezichthouders zijn onderzocht, maar ook is
nagegaan hoe het staat met vastgoedtransacties tussen bestuurders
en toezichthouders waarbij hun
(directe) familierelaties betrokken
zijn. Het onderzoek is afgerond in
december 2010, het rapport is medio
maart opgeleverd. De belangrijkste
conclusie van het onderzoek is dat er
geen sprake is van indringing door
georganiseerde criminaliteit in de
sector. Er zijn in de sector enkele
kwetsbaarheden voor financieel economische criminaliteit, maar voor
zover dat in het kader van deze doorlichting kon worden nagegaan lijkt
de omvang van de aan corporaties
gerelateerde criminaliteit beperkt.
Op basis van de uitkomsten van de
beperkte empirische verkenning uit
dit onderzoek naar vastgoedtransacties en het toegezegde bredere
onderzoek naar ABC-constructies
(Tweede Kamer, Handelingen
2009/10, nr. 78, pag. 6602–6604) zal
verder op dossierniveau nader onderzoek worden gedaan.
Kamerstukken II 2010/11, 29 453, nr. 183
Werken naar vermogen
Brief van de Staatsecretaris van SZW
(21-4-2011) met een notitie met de
hoofdlijnen van de hervorming van
de WWB/WIJ, Wsw en Wajong tot een
regeling werken naar vermogen.
– Deze hervorming is in het regeerakkoord aangekondigd. Het kabinet
wil zo komen tot een regeling voor
de onderkant van de arbeidsmarkt
die gemeenten decentraal uitvoeren.
De notitie schetst, binnen de kaders
van het regeer- en gedoogakkoord,
op hoofdlijnen de contouren van
deze nieuwe wet. De kernpunten van
de nieuwe wet zijn: –Mensen werken
naar vermogen, bij voorkeur bij een
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1357
Wetgeving
reguliere werkgever; –Mensen zijn
daar in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor, maar krijgen ondersteuning of begeleiding waar dat
nodig is; –Zoveel mogelijk harmoniseren van polisvoorwaarden; –Ontschotting van re-integratiebudgetten;
–Gemeenten voeren de nieuwe wettelijke regeling uit; –Invoering van
het instrument van loondispensatie
maakt het mogelijk dat werkgevers
mensen naar de geleverde productiviteit betalen; –Voor jonggehandicapten die echt niet kunnen werken
blijft de Wajong bestaan. Voor mensen die alleen in een beschutte
omgeving kunnen werken, blijft
beschut werken beschikbaar.
Het kabinet zorgt voor één regime
voor iedereen met arbeidsvermogen
die voorheen een beroep zou doen op
de Wet Wajong, de Wsw of de WWB/
WIJ. Voor mensen die volledig en
duurzaam arbeidsongeschikt zijn
blijft de Wet Wajong bestaan. Voor
mensen die niet in staat zijn om bij
een reguliere werkgever aan de slag te
gaan, kunnen gemeenten vanaf
1 januari 2013 gebruik maken van het
instrument ‘beschut werk’ in de Wsw.
De huidige systematiek van rechten
en plichten in de Wsw, verandert niet
voor de groep mensen die op dit
moment een Wsw-indicatie heeft. Het
uitgangspunt van de WWNV is: werk
gaat boven een uitkering. Mensen zijn
in de eerste plaats zélf verantwoordelijk alles te doen wat nodig en mogelijk is om in het eigen bestaan te
voorzien. Bij het uitgangspunt ‘werk
gaat boven inkomen’ past een vorm
van inkomensondersteuning die aanvullend is op de middelen waarover
iemand zelf beschikt. Dit betekent dat
in beginsel alle middelen van de
betrokkene (en de eventuele partner)
meegenomen worden bij het vaststellen van de hoogte van de inkomensondersteuning. Mensen die straks de
WWNV instromen krijgen dan ook te
maken met de uitkeringsvoorwaarden
van de huidige WWB, zoals: landelijke
bijstandsnormen en gemeentelijke
toeslagen, een partner- en middelentoets, een arbeids- en reïntegratieverplichting en aanspraak op ondersteuning.
Kamerstukken II 2010/11, 29 544, nr. 297
Uitvoeringskosten
pensioenregelingen
Brief van de Minister van SZW (20-4-
1358
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
2011) over de uitvoeringskosten van
pensioen-regelingen.
– De AFM heeft (verkennend) onderzoek gedaan naar de hoogte van de
administratie- en beleggingskosten
bij pensioenfondsen. De hoogte van
de kosten is van belang, omdat de
kosten van invloed kunnen zijn op
het ouderdomspensioen. In zijn algemeenheid geldt dat een kostenverlaging van 0,25 procentpunt op een
termijn van veertig jaar leidt tot een
circa 7,5% hoger collectief pensioenvermogen. Uit het onderzoek is
gebleken dat de kosten van pensioenfondsen van gelijke omvang sterk
kunnen verschillen, zeker als het
gaat om de administratiekosten.
Gestimuleerd moet worden meer
inzicht te krijgen in de uitvoeringskosten. Volgens de AFM zouden pensioenfondsen meer kosteninzicht bij
vermogensbeheerders moeten
afdwingen. Met de AFM meent de
minister dat de Pensioenfederatie
een belangrijke rol kan hebben bij
het formuleren van best practices
voor het aanleveren van beleggingsinformatie door vermogensbeheerders aan pensioenfondsen, inclusief
informatie over beleggingkosten.
Kamerstukken II 2010/11, 30 413, nr. 155
Migratiebeleid
Verslag van een schriftelijk overleg
(vastgesteld 22 april 2011) met de
minister voor Immigratie en Asiel
over de ‘Roadmap’ Europese inzet
migratiebeleid, de Nederlandse inzet
EU migratiebeleid, de uitspraak van
het Hof van Justitie van de Europese
Unie in de zaak Ruiz Zambrano, de
uitspraak van het EU Hof van Justitie
in de gevoegde zaken Toprak en
Oguz en de Standpuntverkennende
notitie ‘Visie op bescherming’.
Kamerstukken II 2010/11, 30 573, nr. 67
Bibob wordt uitgebracht vormt voor
bestuursorganen een belangrijk
instrument in de besluitvorming
aangaande vergunningen, subsidies
en aanbestedingen. Dit betekent dat
het bestuursorgaan op de betrouwbaarheid ervan moet kunnen afgaan
en dat het advies voor het bestuursorgaan optimaal bruikbaar is voor
het daartoe bestemde doel. Mede
gelet op het gesloten verstrekkingenregime en de geheimhoudingsplicht
van de Wet Bibob is het voor bestuursorganen (en andere betrokken
partijen zoals leden van de rechterlijke macht en advocaten) niet mogelijk om de aan het advies ten grondslag liggende informatie in te zien
teneinde de kwaliteit van het advies
te beoordelen. Om de transparantie
te bevorderen, is besloten een kwaliteitscommissie in te richten, die de
kwaliteit van de adviezen van het
Bureau en de zorgvuldigheid waarmee deze tot stand komen zal toetsen. De huidige wet Bibob biedt geen
mogelijkheid een externe commissie
in te stellen. In de huidige wet Bibob
wordt namelijk zeer nauwkeurig
beschreven wie gerechtigd zijn tot
het inzien van informatie. In beginsel zijn dit medewerkers van het
Bureau en geen externe partijen.
Inmiddels is een wetswijziging bij de
Tweede Kamer aanhangig waarin
wordt geregeld dat de kring wordt
verruimd. Op grond van deze wijziging is het mogelijk een externe kwaliteitscommissie in te stellen. Omdat
de minister nu al de transparantie
van het Bureau wil bevorderen, alsmede maatregelen wil nemen om de
kwaliteit van de adviezen blijvend te
beheersen, heeft hij besloten om
vooruitlopend op de wetswijziging
zelf een (tijdelijke) kwaliteitscommissie Bibob in te stellen.
Kamerstukken II 2010/11, 31 109, nr. 10
Kwaliteitscommissie Bibob
Brief van de Minister van Veiligheid
en Justitie (20-4-2011) waarin hij de
Kamer informeert over het feit dat
hij een tijdelijke kwaliteitscommissie
Bibob heeft ingericht.
– Deze commissie heeft de opdracht
gekregen om de kwaliteit van de
adviezen van het Landelijk Bureau
Bibob alsmede de zorgvuldigheid
waarmee deze tot stand komen, te
toetsen. De commissie zal per direct
(officieel) haar taak gaan vervullen.
– Het advies dat door het Bureau
Onderzoek financieel stelsel
Brief van de Minister van Financiën
(22-4-2011) over de stand van zaken
en de wijze van nakoming van de
door hem tijdens de behandeling van
de kabinetsreactie op het rapport
‘Verloren krediet’ van de Tijdelijke
commissie onderzoek financieel
stelsel (commissie De Wit) gedane
toezeggingen, alsmede over de uitvoering van de aangenomen moties.
– In de bijgevoegde tabel zijn de
moties en de follow-up die de minis-
Wetgeving
ter hier aan heeft gegeven of zal
geven samengevat.
Kamerstukken II 2010/11, 31 980, nr. 46
Pensioenfondsen
Verslag van een rondetafelgesprek
van 31-3-2011 (vastgesteld 28 april
2011) met de vaste commissie van
SZW over Pensioenfondsen.
Kamerstukken II 32 043, nr 39
Civielrechtelijke
maatregelen tegengaan
huwelijksdwang
Brief van de Staatsecretaris van Veiligheid en Justitie en van de Ministers voor I en A en BZK (28-4-2011)
over de aangekondigde civielrechtelijke maatregelen met als doel de
huwelijksvrijheid te vergroten, door
huwelijksdwang verder te beteugelen
en erkenning van in het buitenland
gesloten huwelijken te beperken tot
hetgeen in overeenstemming is met
het in Nederland meer algemeen
ervaren karakter van het huwelijk.
Kamerstukken II 2010/11, 32 175, nr. 17
Zie de rubriek Nieuws van deze aflevering
Toegang Rekenkamer
tot bedrijfsdossier DNB
Voorlichting van de Raad van State
(21-4-2011) over het verkrijgen van
toegang door de Algemene Rekenkamer tot bedrijfsdossiers van de toezichthouder De Nederlandsche Bank.
– De AR is van oordeel dat toegang
tot de dossiers van de banken waarop DNB toezicht houdt, noodzakelijk
is om de werking van het toezicht
van DNB te kunnen beoordelen. DNB
weigert inzage in deze dossiers te
verlenen, omdat het gaat om toezichtvertrouwelijke informatie met
betrekking waartoe, ingevolge Europese richtlijnen, op DNB een geheimhoudingsverplichting rust. Naar aanleiding daarvan heeft de Tweede
Kamer der Staten-Generaal aan de
Afdeling advisering van de Raad van
State het volgende verzoek om voorlichting voorgelegd: Bieden het Europese recht en de Nederlandse wetgeving de ruimte om de Algemene
Rekenkamer toegang te geven tot
bedrijfsdossiers van de toezichthouder De Nederlandsche Bank (DNB)?
Zo ja: gelden er voorwaarden voor
deze toegang, ook rekening houdend
met te onderscheiden toezichthoudende taken van DNB? De Wet op het
financieel toezicht (Wft) regelt, ter
implementatie van enkele richtlijnen
inzake financieel toezicht in de
artikelen 1:89 e.v. Wft de geheimhoudingsverplichting en de uitzonderingen daarop. In haar recente voorlichting inzake de Parlementaire
Enquêtecommissie Financieel Stelsel
heeft de Afdeling deze bepalingen
van de Wft in de context van de
richtlijnen geanalyseerd. Deze algemene analyse van de betreffende
bepalingen van de richtlijnen en van
de daarbij horende verklaringen in
de notulen van de Raad is ook op het
verzoek om voorlichting inzake de
AR van toepassing. De Afdeling concludeert dat de richtlijnen geen aanknopingspunt bieden voor verstrekking van toezichtvertrouwelijke
informatie door DNB aan de AR.
De Afdeling merkt voorts op, dat er
geen aanknopingspunten te vinden
zijn voor een uitleg van de richtlijnen inzake financieel toezicht die
informatieverstrekking aan de AR
mogelijk maakt. Het enkele beroep
op de nationale constitutionele basisstructuren, is naar het oordeel van de
Afdeling bij het ontbreken van zo’n
aanknopingspunt onvoldoende om
de uit een richtlijn voortvloeiende
verplichtingen opzij te kunnen zetten. Tot slot zij opgemerkt dat DNB
bij het financiële toezicht niet in alle
gevallen opereert op basis van Europese richtlijnen of op basis van de
Wft, bijvoorbeeld waar het gaat om
geldtransactiekantoren. De geheimhoudingsverplichtingen in de Wft
hebben een iets ruimere werkingssfeer dan de richtlijnen: sommige
sectoren worden niet door de richtlijnen, maar wel door de Wft bestreken (met name bepaalde financiële
dienstverleners). In die gevallen had
dus kunnen worden gekozen voor
minder vergaande geheimhoudingsbepalingen in de Wft. Hiervoor is in
de Wft echter vooralsnog niet gekozen. Gelet op de opzet van artikel 91,
eerste lid, Cw 2001, brengt dit mee
dat ook in die gevallen de Wft in de
weg staat aan informatieverstrekking
aan de AR. Daarnaast houdt DNB in
een (beperkt) aantal gevallen toezicht op basis van financiële toezichtswetgeving die niet valt onder
de Wft, bijvoorbeeld (nu nog) op
basis van de Wet op de geldtransactiekantoren. In die gevallen zal
telkens moeten worden bezien of de
desbetreffende wet in de weg staat
aan informatieverstrekking.
Kamerstukken II 2010/11, 32 255, nr. 8
JBZ-Raad
Brief van de Minister van Veiligheid
en Justitie (27-4-2011) met het verslag van de bijeenkomst van het
Gemengd Comité en de Raad Justitie
en Binnenlandse Zaken van 11 en
12 april j.l.
– De belangrijkste resultaten zijn als
volgt samen te vatten: De Raad is
akkoord met de Raadsconclusies over
de zuidelijke nabuurschapregio. Veel
lidstaten, waaronder Nederland, verklaarden dat er een scherp onderscheid gemaakt dient te worden tussen vluchtelingen uit Libië enerzijds
en economische migranten uit
Tunesië anderzijds. De stand van
zaken met betrekking tot het
Gemeenschappelijk Europees Asielstelsel is besproken. Ten behoeve van
de JBZ-Raad van juni a.s. zal de Commissie haar gewijzigde voorstellen
indienen op de procedure- en de
opvangrichtlijn. De Raad verwelkomde het operationeel plan dat EASO en
Griekenland hebben ondertekend ter
implementatie van het Grieks nationaal actieplan inzake migratiebeheer
en hervorming van het asielstelsel.
De Raad hield een eerste gedachtewisseling over het voorstel voor een
richtlijn voor uitwisseling van gegevens van vliegtuigpassagiers ten aanzien van vluchten naar de EU en vanuit de EU naar derde landen (EU
PNR). Bij de bespreking van de ontwerp-richtlijn over het bestrijden van
seksuele uitbuiting van kinderen,
werd het Nederlands-Luxemburgse
voorstel tot verruiming van de gegevensuitwisseling tot niet-professionele activiteiten en invoering van een
verplichting om verzoeken om informatie die verband houden met de
toegang tot beroepen waarbij sprake
is van regelmatig contact met kinderen in te willigen, goed ontvangen.
Kamerstukken II en I 2010/11, 32 317, nr. 50 en AJ
Bestuurlijke Informatie
Justitiabelen
Brief van de Staatssecretaris van
Veiligheid en Justitie (26-4-2011) over
de voortgang van de pilot ‘Bestuurlijke Informatie Justitiabelen’.
– In deze pilot wordt in de praktijk
uitgeprobeerd hoe de informatieverstrekking dient te worden vorm-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1359
Wetgeving
gegeven aan gemeenten over het
vrijkomen of met verlof gaan van
plegers van ernstige gewelds- en
zedendelicten. In het kader van deze
proef krijgen gemeenten twee maanden voordat een delinquent vrijkomt
een melding van de Justitiële Informatiedienst (JustID). Uit de evaluatie
van 2010 kwam naar voren dat de
informatieverstrekking op zich goed
verloopt, maar dat er meer inzicht
voor wat betreft de aard van de benodigde informatie nodig is voordat
kan worden overgegaan tot een landelijke invoering. Daarop is besloten
de pilot te verlengen en uit te breiden. Aan de Pilotplus nemen ten minste 76 gemeenten deel, waaronder de
36 grootste gemeenten.
Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VI, nr. 97
Integriteit
Brief van de Minister van BZK
(21-4-2011) over de rol van de burgemeester en de commissaris van de
Koningin inzake integriteit, de
wenselijkheid van een verklaring
omtrent het gedrag voor wethouders
en gedeputeerden en over een regeling inzake stemonthouding in geval
van belangenverstrengeling voor
Kamerleden.
– Met de motie Heijnen/Schouw is
verzocht om een wijziging van de
Gemeentewet en Provinciewet voor
te bereiden die voorziet in de rol van
commissarissen van de Koningin en
burgemeesters bij integriteitshandhaving. De burgemeester vervult
veelal nu reeds – als boegbeeld van
de gemeente – de rol van hoeder van
de gemeentelijke integriteit. Zijn verantwoordelijkheid voor de gemeentelijke integriteit vloeit nu nog niet
expliciet voort uit de Gemeentewet.
Dat zou ook wettelijk verankerd kunnen worden in de Gemeentewet.
Omdat de burgemeester niet alleen
‘boven de partijen’, maar ook ‘tussen
de partijen’ staat, acht de Minister
het aangewezen ook de rol van de
commissaris van de Koningin te versterken. Waar het de eigen provincie
betreft, heeft de cdK een gelijksoortige positie en verantwoordelijkheid
als de burgemeester. Ook deze zou
wettelijk verankerd kunnen worden.
Waar het de eigen integriteit van
deze bestuurders betreft wordt erop
gewezen dat sinds 1 januari 2011 uitvoering wordt gegeven aan het voor-
1360
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
nemen om kandidaten voor de functie van commissaris van de Koningin
of burgemeester beter te screenen.
De verbetering bestaat eruit dat nu
voor elke vrijkomende functie in de
vacatureomschrijving wordt opgenomen dat de voor te dragen kandidaat
voorafgaand aan de benoemingsvoordracht door de minister van
BZK zal worden gescreend. Naast het
reeds bestaand onderzoek zal voortaan het onderzoek bestaan uit
navraag bij de AIVD en fiscaal onderzoek bij de belastingdienst. Deze
screening zal ook mogelijk zijn bij
doorstroming en herbenoeming.
Kamerstukken II 2010/11, 32 500 VII, nr. 99
Ambtenaren en
verkiezingscampagnes
Brief van de Minister van BZK (19-42011) over de vraag of van departementale ambtenaren gevraagd mag
worden een bijdrage te leveren aan
de voorbereiding van toespraken die
hun minister houdt in het kader van
de verkiezingscampagne van zijn
politieke partij.
– Bij het schrijven van toespraken
worden bewindslieden door hun
ambtenaren ondersteund. Afhankelijk van het onderwerp zullen daar
doorgaans een of meer in de materie
deskundige beleidsambtenaren bij
betrokken zijn, naast een tekstschrijver van de afdeling voorlichting. Dit alles is niet anders in een
periode waarin verkiezingen aanstaande zijn. Het is gebruikelijk dat
zittende ministers een bijdrage
leveren aan de verkiezingscampagne
van hun politieke partij. Dat doen zij
vooral door spreekbeurten te houden
in het land. Ook bij het houden van
die spreekbeurten blijven zij echter
minister en dus tevens lid van de
regering. Dit betekent dat de spreekbeurten die een minister tijdens een
verkiezingscampagne houdt, voor
een groot deel overeen zullen komen
met de spreekbeurten die hij in
andere tijden pleegt te houden.
Echter niet helemaal.
Twee vragen kunnen nu rijzen voor
de ambtenaren aan wie gevraagd
wordt een bijdrage te leveren aan de
voorbereiding van een dergelijke toespraak. De eerste vraag is of het
enkele feit dat de spreekbeurt wordt
gehouden op een partijbijeenkomst
of anderszins in het kader van de
verkiezingscampagne en dus mede
met als doel om stemmen te winnen
voor de politieke partij waartoe de
minister behoort, voor de ambtenaar
iets moet uitmaken. De tweede vraag
is of van de ambtenaar ook gevraagd
kan worden om suggesties te doen
voor de meer partijpolitieke opmerkingen of passages. Het antwoord op
beide vragen is ontkennend.
Kamerstukken II 2010/11, 32 500 XIII, nr. 194
Reglement van Orde
Wijziging van het Reglement van
Orde in verband met de aanwijzing
van kabinets(in)formateur(s).
- De Tweede Kamerleden Schouw en
Van der Ham doen een voorstel tot
wijziging van het Reglement van
Orde.
Artikel 153, eerste lid, bepaalt dat
ieder lid een voorstel tot wijziging
van het Reglement van Orde kan
indienen. De initiatiefnemers maken
van dit recht gebruik om artikel 139a
te wijzigen, zodat de Tweede Kamer
een grotere invloed op de formatie
krijgt en de formatie aan transparantie wint. De initiatiefnemers zouden
daartoe de volgende bepalingen in
het Reglement van Orde willen opnemen. In de eerste vergadering van de
Tweede Kamer in nieuwe samenstelling na de verkiezingen, beraadslaagt
de Kamer onder leiding van de
fungerende Kamervoorzitter in het
openbaar over de uitslag van de verkiezingen. Dit debat heeft tot doel te
komen tot het formuleren van een
(in)formatieopdracht en het aanwijzen van een (in)formateur of (in)formateurs. Na afronding van de
opdracht van een informateur
beraadslaagt de Kamer binnen een
week opnieuw over het opstellen van
een formatieopdracht en het aanwijzen van een formateur. Indien een
(in)formatiepoging mislukt en de
(in)formateur zijn opdracht aan de
Kamer teruggeeft, beraadslaagt de
Kamer binnen een week opnieuw
over een nieuwe opdracht en aanwijzing. Initiatiefnemers menen dat
deze wijzigingen een stap in de richting van een opener en democratischer proces van de formatie vormen. Het voorstel beoogt om binnen
het huidige constitutionele en wettelijke kader de democratische legitimatie van het formatieproces te vergroten door de Tweede Kamer de (in)
formateur(s) aan te laten wijzen.
Kamerstukken II 2010/11, 32 759, nrs. 1-2
Nieuws
1076
Aanpassing wettelijke gemeenschap
van goederen
Voor vooral vrouwen is het onbillijk
als zij met “koude” uitsluiting van
iedere gemeenschap gehuwd zijn en
tijdens het huwelijk hebben meebetaald aan de echtelijke woning op
naam van de man. Vanaf 1 januari
2012 wordt de ‘beleggingsleer’ ingevoerd waarbij ook rekening wordt
gehouden met de waardeontwikkeling van het betrokken goed.
H
et in 2003 ingediende wetsvoorstel tot aanpassing van
de wettelijke gemeenschap is
dan eindelijk in het Staatsblad gepubliceerd (Wet van 18 april 2011, Stb.
2011, 205). Overigens zonder het
belangrijkste onderdeel van het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel:
de Tweede Kamer schrapte dat door
aanvaarding van het amendementAnker. Het was in 2003 de bedoeling
om erfenissen en schenkingen niet
langer deel te laten uitmaken van de
wettelijke gemeenschap van goederen. De overgang van de algehele naar
een beperkte gemeenschap van goederen ging de Tweede Kamer echter
te ver. De wet die nu –waarschijnlijk
op 1 januari 2012 in werking treedtbevat nog de volgende wijzigingen:
– indien echtgenoten ook privévermogen hebben, worden bijdragen
tussen de vermogens niet meer alleen
vergoed voor het nominale bedrag,
maar kan ook rekening worden
gehouden met het positieve of negatieve rendement van de bijdragen;
– bij het bestuur over goederen van
de huwelijksgemeenschap wordt grotere gelijkheid tussen de echtgenoten bewerkstelligd;
– het recht van de echtgenoten op
informatie over het gevoerde bestuur
wordt uitgebreid;
de huwelijkgemeenschap wordt
voortaan ontbonden op het tijdstip
van het verzoek tot echtscheiding;
– de verhaalsregeling na ontbinding
voor gemeenschapsschulden wordt
gewijzigd;
– voor wijziging van het huwelijksgoederenregime tijdens huwelijk is
niet langer rechterlijke goedkeuring
vereist.
Afrekening van vergoedingsrechten niet langer beperkt
tot nominaal bedrag
Naast de gemeenschap kan elk der
echtgenoten ook privévermogen hebben. Tussen het gemeenschappelijk
vermogen en deze privévermogens
kunnen vergoedingsrechten ontstaan. Dit kan zich voordoen als uit
privévermogen van de ene echtgenoot een goed wordt bekostigd dat
behoort tot de gemeenschap of tot
het privévermogen van de andere
echtgenoot. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de gemeenschappelijke woning waaraan door één van
de echtgenoten met privémiddelen is
bijgedragen. Vergoedingsrechten
kunnen uiteraard ook een rol spelen
als echtgenoten gehuwd zijn op
huwelijkse voorwaarden.
In het huidige stelsel zijn vergoedingsrechten in beginsel beperkt tot
het nominale bedrag waarmee is bijgedragen. Als afrekening van een vergoedingsrecht pas na vele jaren
plaatsvindt, wordt de beperking tot
het nominale bedrag door zeer velen
als onbillijk ervaren. Dit gevoel wordt
niet weggenomen door de slechts
Schulden die een echtgenoot tijdens de
echtscheidingsprocedure aangaat,
bijvoorbeeld in verband met een huis,
vallen niet meer in de gemeenschap
beperkte ruimte die de Hoge Raad
biedt voor nuancering op grond van
redelijkheid en billijkheid. Herhaaldelijk is aandacht gevraagd voor de
onbillijkheid die vooral vrouwen
treft wanneer zij met (“koude”) uitsluiting van iedere gemeenschap
gehuwd zijn en tijdens het huwelijk
hebben meebetaald aan de echtelijke
woning op naam van de man.
In het nieuwe stelsel wordt afgestapt
van nominale vergoedingen en
wordt in plaats daarvan ook rekening
gehouden met de waardeontwikkeling van het betrokken goed
(“beleggingsleer”). Dit sluit aan bij de
wettelijke regeling voor verrekenbedingen, waarin de beleggingsleer
in navolging van jurisprudentie van
de Hoge Raad al eerder is vastgelegd.
Wijziging bestuursregeling
Op dit moment heeft de echtgenoot
van wiens zijde een goed in gemeenschap is gevallen, daarover het
bestuur. In 2012 zal ieder van de
echtgenoten zelfstandig bevoegd zijn
tot het bestuur over alle goederen
van de gemeenschap. Zo wordt een
grotere gelijkheid van de echtgenoten bewerkstelligd. Alleen voor
goederen op naam en voor goederen
die dienstbaar zijn aan het beroep of
bedrijf van een echtgenoot, blijven
de huidige regels gehandhaafd.
Het recht op informatie tussen echtgenoten over het gevoerde bestuur en
de stand van het vermogen wordt verbreed. Dit recht zal, anders dan onder
het huidige recht, niet alleen gelden
voor echtgenoten die in gemeenschap
van goederen zijn gehuwd, maar ook
voor hen die huwelijkse voorwaarden
hebben gemaakt.
Ontbinding huwelijksgemeenschap door verzoek
tot echtscheiding
De gemeenschap zal worden ontbonden op het moment dat het verzoek
tot echtscheiding wordt ingediend
en niet pas op de dag dat de
echtscheidingsbeschikking wordt
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1361
Nieuws
ingeschreven in de registers van de
burgerlijke stand, zoals thans het
geval is. Deze wijziging houdt
verband met de realiteit dat de
solidariteit tussen de echtgenoten
reeds tijdens de scheidingsprocedure
niet meer aanwezig is. Schulden die
een echtgenoot tijdens de echtscheidingsprocedure aangaat, bijvoorbeeld in verband met een nieuw
huis, zullen derhalve niet meer in de
gemeenschap vallen.
Verhaal voor gemeenschapsschulden na ontbinding
De regels voor verhaal door gemeenschapsschuldeisers na ontbinding
van de gemeenschap zijn gewijzigd,
zodat benadeling van deze schuldeisers bij de verdeling wordt tegengegaan. Het gaat dan om schulden die
weliswaar in de gemeenschap zijn
gevallen, maar waarvan slechts één
van de echtgenoten de schuldenaar
is. Nu kan de schuldeiser van een
dergelijke schuld ná ontbinding van
de gemeenschap (slechts) de helft
van de schuld op de andere echtgenoot verhalen. In het wetsvoorstel
was aanvankelijk een benadering
gekozen die op praktische bezwaren
bleek te stuiten. In de tweede nota
van wijziging is ervoor gekozen dat
de schuld voor het geheel op die
andere echtgenoot kan worden verhaald. Daarbij geldt wel de beperking
dat daarbij slechts goederen kunnen
worden uitgewonnen, die deze echtgenoot uit hoofde van de verdeling
heeft verkregen. In feite wordt zo
bereikt dat de schuldeiser ook na de
ontbinding en verdeling van de
gemeenschap zijn schuld volledig
kan blijven verhalen op de goederen
die behoorden tot de gemeenschap.
Afschaffing rechterlijke
tussenkomst bij wijziging
huwelijkse voorwaarden
Onder het nieuwe regiem hoeven
echtgenoten voor het aangaan of de
wijziging van huwelijkse voorwaarden tijdens huwelijk geen rechterlijke goedkeuring meer te verzoeken.
Vanuit de Tweede Kamer werd de
rechterlijke goedkeuring al verschillende malen ter discussie gesteld.
Daaraan is nu gevolg gegeven met de
hiervoor genoemde wijziging van de
verhaalsregeling. Nu ontbinding en
verdeling van de gemeenschap niet
leiden tot een beperking van de verhaalsmogelijkheden voor gemeenschapsschulden, is het gevaar voor
benadeling van schuldeisers door
wijziging van de huwelijkse voorwaarden staande huwelijk aanzienlijk
verkleind. De wijziging betekent dat
het voor echtgenoten eenvoudiger
en minder kostbaar wordt om hun
vermogensrechtelijke regime aan te
passen aan de omstandigheden.
1077
Eerste Kamer: kwalificaties minister
Rosenthal over EHRM ‘niet passend’
D
e Eerste Kamer heeft op 10
mei een motie aangenomen
waarin de regering verzocht
wordt zich te blijven inzetten voor de
mensenrechten conform haar verplichtingen die voortvloeien uit het
EVRM en de jurisprudentie van het
Europese Hof voor de Rechten van de
Mens. Ook moet de regering actief de
toetreding van de EU tot het EVRM
blijven bevorderen (EK 32 502, B). De
Eerste Kamer kwam in het geweer
tegen passages in de nota Mensenrechten in het buitenlands beleid (TK
32 735, nr. 1) die zij kwalificeerde als
“onjuist en niet passend.”
Minister Rosenthal van Buitenlandse
Zaken had daarin geschreven dat het
EHRM zijn eigen gezag niet moest
verzwakken door uitspraken te doen
over zaken die slechts op “perifere
wijze” verband houden met mensenrechten. “Daardoor kan jurisprudentiële inflatie optreden en het draagvlak voor het Hof afnemen.
Voorkomen moet worden dat het
1362
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
“Voorkomen moet worden dat het Hof een
automatische, vierde beroepsinstantie
wordt voor niet-mensenrechtengerelateerde zaken”
Hof een automatische, vierde
beroepsinstantie wordt voor nietmensenrechten-gerelateerde zaken.
Nederland is voorstander van een
sterk Hof dat zich bezighoudt met
toezicht op de kern van het Europese
mensenrechtenacquis. Om de geloofwaardigheid van het Hof op de lange
termijn te bevorderen zal Nederland
daarom bepleiten dat het Hof meer
ruimte laat voor de ‘margin of appreciation’ van verdragspartijen bij de
concrete invulling van standaarden
die op meer afgeleide wijze samenhangen met het EVRM”, schrijft de
bewindsman. Verder constateerde
Rosenthal dat de gebrekkige tenuitvoerlegging van de uitspraken van
het Hof door sommige landen het
gezag van het Hof in toenemende
mate ondermijnt. Nederland zal
daarom in het Comité van Ministers
meer nadruk leggen op de verplichting van alle Raad van Europa-lidstaten om Straatsburgse vonnissen correct en tijdig ten uitvoer te leggen.
De Eerste Kamer vindt dat er geen
reden is voor de regering om meer
ruimte te bepleiten voor de ‘margin
of appreciation’ van verdragspartijen
bij de invulling van standaarden.
Nieuws
1078
Civielrechtelijke maatregelen tegen
huwelijksdwang
Het moet gemakkelijker worden
onder dwang gesloten huwelijken
nietig te verklaren. Ook komt er
een verbod op kinderhuwelijken en
een verbod op huwelijken van nichten en neven.
I
n een brief van 28 april kondigden bewindslieden van Justitie,
Immigratie en Asiel en BZK
civielrechtelijke maatregelen aan om
huwelijksdwang te beteugelen (28-42011). De civielrechtelijke maatregelen betreffen zowel wijzigingen van
het Burgerlijk Wetboek als wijzigingen van de Wet conflictenrecht
huwelijk.
Huwelijksdwang algemeen
Het Openbaar Ministerie kan onder
het huidige recht een huwelijk stuiten indien het bekend is met het
bestaan van een van de in het Burgerlijk Wetboek opgenomen huwelijksbeletselen (artikel 1:53 BW) of
indien sprake is van een schijnhuwelijk (artikel 1:71a). In de nieuwe opzet
moet het Openbaar Ministerie ook
de bevoegdheid krijgen een huwelijk
te stuiten als sprake is van dwang.
Op korte termijn zal met het College
van procureurs-generaal besproken
worden hoe praktisch inhoud kan
worden gegeven aan de uitvoering
van deze bevoegdheid. Verder moet
het eenvoudiger worden om een
gedwongen huwelijk nietig te doen
verklaren. Nu kan dit alleen als het
onder invloed van ernstige onrechtmatige bedreiging is gesloten (artikel
1:71 BW). De bevoegdheid om nietigverklaring te verzoeken vervalt wan-
neer de echtgenoten sedert het
ophouden van de bedreiging zes
maanden hebben samengewoond. De
Nederlandse rechter kan een in het
buitenland gesloten huwelijk alleen
dan nietig verklaren als het op het
huwelijk toepasselijke recht daartoe
gronden biedt. De nietigverklaring
werkt in beginsel terug tot het tijdstip van de huwelijksvoltrekking
(artikel 1:77 BW).
De grond voor de nietigverklaring
wordt versoepeld van ernstige
onrechtmatige bedreiging in bedreiging. Daarnaast is het voornemen
om ook hier het Openbaar Ministerie
een rol te geven en wel door het
Openbaar Ministerie, naast de echtgenoot zelf, de bevoegdheid te verlenen om de nietigverklaring van het
huwelijk te verzoeken.
Erkenning van een rechtsgeldig in het buitenland gesloten huwelijken
Het Verdrag inzake de voltrekking en
de erkenning van de geldigheid van
huwelijken (Verdrag van 14 maart
1978, Trb. 1987, 137) biedt de mogelijkheid om erkenning te onthouden
aan een huwelijk als een der echtgenoten op het tijdstip van dat huwelijk niet vrijelijk zijn toestemming
daartoe heeft gegeven. In artikel 6
Wet conflictenrecht huwelijk is
bepaald dat erkenning aan een
rechtsgeldig in het buitenland gesloten huwelijk kan worden onthouden,
indien de erkenning onverenigbaar
zou zijn met de openbare orde. Om
de wetstoepasser behulpzaam te zijn,
de rechtszekerheid te bevorderen en
Bij de aangifte van hun huwelijk zal de
aanstaande echtgenoten gevraagd worden
een verklaring af te leggen omtrent hun
eventuele bloedverwantschap
de bedoelingen van de wetgever te
verduidelijken, is het voornemen de
in het Verdrag opgenomen catalogus
van gronden waarop erkenning aan
een gedwongen huwelijk onthouden
kan worden expliciet op te nemen in
artikel 6 van de Wet conflictenrecht
huwelijk (artikel 10:32 BW als het
wetsvoorstel Vaststellings- en Invoeringswet Boek 10 BW, (Kamerstukken
I 2010/11, 32 137, nr. A), tot wet
wordt verheven).
Polygame huwelijken
Tot nu toe wordt per geval bepaald of
een rechtsgeldig in het buitenland
gesloten polygaam huwelijk in
Nederland kan worden erkend. In het
regeerakkoord is afgesproken dat
polygame huwelijken niet langer zullen worden erkend. De Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht acht het onaanvaardbaar
een polygame relatie niet te erkennen, indien pas na de totstandkoming van de polygame relatie een
raakpunt met Nederland of een
ander land dat is aangesloten bij het
EVRM is ontstaan. Niet-erkenning
zou in zulke gevallen op gespannen
voet komen te staan met artikel 8
EVRM, aldus de Staatscommissie. In
de Wet conflictenrecht huwelijk zal
derhalve worden bepaald dat een
weigeringsgrond om een polygaam
huwelijk te erkennen zich in elk
geval voordoet als ten tijde van de
huwelijkssluiting ten minste een van
de echtgenoten zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, of een vergunning tot verblijf in Nederland
heeft aangevraagd of de Nederlandse
nationaliteit bezat, of de nationaliteit
van een land bezat waarin het deze
persoon evenmin is toegestaan een
polygaam huwelijk te sluiten. Indien
evenwel de familierechtelijke betrekking van een kind met zijn ouders op
een in het buitenland door een
bevoegde instantie opgemaakte
geboorteakte is vermeld, dan wordt
erkenning aan deze akte in Neder-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1363
Nieuws
land alleen dan onthouden indien de
erkenning kennelijk onverenigbaar is
met de openbare orde (artikel 9 en
10 Wet conflictenrecht afstamming).
Neef/nichthuwelijken
De Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht adviseerde om
neef/nichthuwelijken niet wettelijk te
verbieden. Maar omdat bij neef/
nichthuwelijken vaker sprake kan
zijn van dwang zien de bewindslieden in het feit dat dit ooit in Nederland bestaande huwelijksverbod
gedurende lange tijd niet heeft gegolden, geen reden om het niet opnieuw
in te voeren. Zij zijn dan ook van
plan bloedverwantschap in de derde
of vierde graad in de zijlijn als huwelijksbeletsel in de wet op te nemen.
Als aannemelijk is dat geen sprake is
van dwang, zal dispensatie van het
verbod verleend kunnen worden.
Handhaven van het verbod zal niet
eenvoudig zijn, omdat door de ambtenaar van de burgerlijke stand niet
is vast te stellen of sprake is van
bloedverwantschap in de derde of
vierde graad tussen de aanstaande
echtgenoten. Om te voorkomen dat
de normstelling slechts een symbolische waarde zou hebben, zal bepaald
worden dat de aanstaande echtgenoten bij de aangifte van hun huwelijk
gevraagd zal worden een verklaring
af te leggen omtrent hun eventuele
bloedverwantschap. Het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning
van de geldigheid van huwelijken
biedt, behoudens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde,
geen grond om erkenning te onthouden aan een huwelijk tussen bloedverwanten in de derde (oom/tante
met neef/nicht) of vierde graad
(neef/nicht). Aangezien neef/nichthuwelijken in Nederland reeds van
oudsher voorkomen en als gevolg
van de mogelijkheid om dispensatie
van het verbod te verkrijgen zullen
blijven voorkomen, moet aangenomen worden dat deze huwelijken op
zichzelf niet in strijd geacht kunnen
worden met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde.
Die kennelijke onverenigbaarheid
met de openbare orde zal zich echter
wel voordoen, indien blijkt dat het
neef/nichthuwelijk onder invloed van
bedreiging is gesloten. In dat geval
zal erkenning aan het huwelijk onthouden kunnen worden.
Kinderhuwelijken
Volgens het Nederlandse recht dienen de aanstaande echtgenoten de
leeftijd van achttien jaar te hebben
bereikt, tenzij van dit leeftijdsvereiste dispensatie is verkregen van de
Minister van Justitie of als de vrouw
zwanger is, dan wel het kind reeds
heeft gebaard. De Wet conflicten-
recht huwelijk biedt thans aan
vreemdelingen die in Nederland in
het huwelijk willen treden de mogelijkheid om niet gebonden te zijn
aan de Nederlandse minimum leeftijdseis. Artikel 3 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk (straks artikel 10:29
BW) bepaalt de minimumleeftijd van
de aanstaande echtgenoten in dat
geval op vijftien jaar. Het voornemen
is om de mogelijkheid om in Nederland een huwelijk te sluiten zonder
uitzonderingen te beperken tot personen die de leeftijd van achttien
jaar bereikt hebben. Hiertoe zal de
betreffende bepaling in het BW worden gewijzigd (artikel 1:31 lid 1 BW).
Verder zal de regeling in de Wet conflictenrecht huwelijk (straks Boek 10)
zodanig worden aangepast dat altijd
Nederlands recht van toepassing is
op het vaststellen van de huwelijksbevoegdheid, zodat het ook voor
vreemdelingen die de leeftijd van
achttien jaar nog niet bereikt hebben
niet langer mogelijk zal zijn om in
Nederland een huwelijk te sluiten.
Tot slot biedt artikel 11 lid 1, onderdeel 3, Verdrag het verdragsrechtelijk
kader om erkenning aan een kinderhuwelijk te kunnen onthouden. Ten
aanzien van de erkenning van rechtsgeldig in het buitenland gesloten
kinderhuwelijken zal de regeling in
de Wet conflictenrecht huwelijk worden verduidelijkt.
1079
Aandeelhoudersmacht wordt
ingetoomd
De toegang van aandeelhouders van
grote naamloze en besloten vennootschappen (NV’s en BV’s) tot de
Ondernemingskamer van het
gerechtshof in Amsterdam wordt
beperkt, als het aan minister
Opstelten van Justitie ligt.
I
n de toekomst zullen aandeelhouders meer aandelen moeten
vertegenwoordigen voor een
1364
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
onderzoek naar de gang van zaken
bij een onderneming. Een wetsvoorstel van deze strekking zal om advies
naar de Raad van State worden
gestuurd.
Op dit moment kunnen aandeelhouders naar de rechter stappen als
de nominale waarde van hun aandelen ten minste euro 225.000 bedraagt
(of als zij 10 procent van het
geplaatste kapitaal vertegenwoordi-
gen). De bewindsman vindt deze
grens voor ondernemingen met een
groot aandelenkapitaal te laag. Daarom moeten aandeelhouders voortaan minimaal 1 procent kapitaal
vertegenwoordigen als de NV of BV
een geplaatst kapitaal heeft van 22,5
miljoen euro of meer. Of hun belang
moet een beurswaarde hebben van
ten minste 20 miljoen euro. Voor
vennootschappen met een lager
Nieuws
geplaatst kapitaal verandert er niets.
De nieuwe grenzen sluiten aan bij
het SER-advies ‘Evenwichtig ondernemingsbestuur’.
Het enquêterecht is een belangrijk
instrument om geschillen in ondernemingen op te lossen. De Ondernemingskamer kan snel en effectief
optreden bij geschillen tussen aandeelhouders en problemen tussen
aandeelhouders en bestuurders. De
rechter kan bijvoorbeeld tijdelijke
bestuurders benoemen en besluiten
schorsen. Ook is de aanbeveling van
de SER overgenomen om de NV of BV
- vertegenwoordigd door haar
bestuur - in staat te stellen om zelf
een enquête te vragen vanwege het
beleid van de aandeelhoudersvergadering of het gedrag van individuele
aandeelhouders. De positie van de
ondernemingsraad verandert niet.
De NV of BV kan zelf een enquête vragen
wegens het beleid van de aandeelhoudersvergadering of het gedrag van individuele
aandeelhouders
De werknemers hebben toegang tot
de enquêteprocedure via de vakbonden of afspraken met de rechtspersoon.
De enquêteprocedure zal op verschillende punten verbeterd worden.
Het gaat ondermeer om de onderbouwing van de toewijzing van
onmiddellijke voorzieningen door de
rechter, de mogelijkheid om opmerkingen te maken over de verslaglegging door onderzoekers en toezicht
op de onderzoeksfase door een
raadsheer-commissaris. Daarnaast
beperkt het wetsvoorstel het aansprakelijkheidsrisico van onderzoekers en worden tijdelijke bestuurders
of commissarissen die op verzoek
van de rechter aan de slag zijn
gegaan, niet langer belast met de
kosten van verweer als zij vanwege
hun werkzaamheden aansprakelijk
worden gesteld.
1080
Open brief over crisis in het
omgevingsrecht
De ongebreidelde wetgevingsactiviteit van regering en Staten-Generaal maakt het de professionals, die
de telkens veranderende regels
dagelijks moeten toepassen, haast
onmogelijk. Degenen die met het
omgevingsrecht moeten werken
verdienen eindelijk eens de rust om
zich een systeem eigen te maken
dat vervolgens consistent, rechtszeker en zo efficiënt mogelijk kan
worden toegepast.
D
e Leidse advocaat, mr. R.C.V.
Mans, heeft in een open
brief de minister van Infrastructuur en Milieu opgeroepen om
een pas op de plaats te maken voordat wéér een nieuw wetgevingstraject in het ruimtelijk domein in gang
wordt gezet.
De minister werkt aan een “heldere,
overkoepelende wet voor het omgevingsrecht die het voor ondernemers
en burgers gemakkelijker maakt om
bouwplannen en andere projecten te
realiseren.” Weliswaar een prijzenswaardig inititatief, maar toch huivert
advocaat Mans: “Telkens zijn versnelling, deregulering en vereenvoudiging de toverwoorden bij de invoering van nieuwe wetten en regels in
het ruimtelijk domein. De compromiswetten die tot stand komen vol-
De afgelopen vloedgolf aan wetgeving die
het systeem efficiënter had moeten
maken heeft de overheidsbureaucratie
alleen maar vergroot
doen echter bijna nooit aan deze
doelstellingen. De ervaring leert dat
de opvolgende efficiencyoperaties
telkens tot veel tijdelijke Haagse
tevredenheid leiden, maar de lokale
uitvoerders opzadelen met kostbare
investeringen en administratieve
topdrukte.”
Volgens de advocaat is er geen
rechtsgebied in Nederland waarin de
ontwikkelingen elkaar zo snel opvolgen als het bestuursrecht in het
algemeen en het ruimtelijk
bestuursrecht in het bijzonder.
“Alleen al met ingang van 1 juli 2008
kreeg Nederland met twee fundamentele herzieningen van de Wet
ruimtelijke ordening en de Woningwet te maken en moest ook invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Crisis- en
Herstelwet worden verwerkt. Het bijbehorende overgangsrecht, de invoeringswetten en alle minder ingrijpende wetswijzigingen kwamen daar
als slagroom op de taart bovenop. De
kleinere omgevingswetten, die de
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1365
Nieuws
afgelopen drie jaar ook sterk zijn
gewijzigd, laat ik dan nog buiten
beschouwing.”
De ongebreidelde wetgevingsactiviteit van regering en Staten-Generaal
maakt het de professionals, die de
telkens veranderende regels dagelijks
moeten toepassen, haast onmogelijk,
vindt Mans. “Het vergt telkens enorme investeringen in geld, tijd en
energie om lokale en provinciale
ambtenaren, projectontwikkelaars en
architecten, rechters en advocaten en
hun organisaties de nieuwe regels
eigen te laten maken. Het wetgevingstraject zelf, alle automatiserings- en opleidingstrajecten, nieuwe
naslagwerken et cetera kosten klauwen vol met geld. De maatschappelijke kosten reken ik dan nog niet mee.”
De afgelopen vloedgolf aan wetgeving die het systeem efficiënter had
moeten maken heeft de overheidsbureaucratie alleen maar vergroot en
niet verkleind. Advocaat Mans vraagt
zich of hoe de minister denkt te
voorkomen dat haar initiatief niet
onbedoeld hetzelfde effect heeft.
Verder verdienen degenen die met
het omgevingsrecht moeten werken
het om eindelijk eens de rust te krijgen om zich een systeem eigen te
maken dat vervolgens consistent,
rechtszeker en zo efficiënt mogelijk
kan worden toegepast. De advocaat
vindt dat er eerst een diepgaand
rechtseconomisch onderzoek moet
komen voordat er besloten wordt al
of niet met een nieuwe stelselwijziging te komen. Zo’n nieuw systeem
zou dan wel stress- en toekomstbestendig moeten worden, vindt hij.
1081
Samenvoegen kantongerechten met
civiele rechtbanken getemporiseerd
De mogelijkheid voor rechtbanken
om de sectoren kanton en civiel
samen te voegen wordt onder druk
van de Eerste Kamer getemporiseerd.
D
it bleek op 10 mei in een
debat met minister Opstelten van Veiligheid en Justitie
over de Evaluatiewet modernisering
rechterlijke organisatie (32.021).
Deze wet werd in de Kamer besproken in combinatie met een wijziging
op deze Evaluatiewet (32.562), die
beoogt de rechterlijke organisatie in
verband met vreemdelingenzaken in
overeenstemming te brengen met
enkele gemeentelijke herindelingen
die op 1 januari 2011 van kracht zijn
geworden.
1366
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Wel was de senaat voorstander
van het verhogen van de competentiegrens voor kantongerechtzaken
van € 5000 naar € 25 000. Ook was de
Eerste Kamer kritisch tot afwijzend
over het voorstel om de Raad voor de
rechtspraak de bevoegdheid toe te
kennen om te bepalen in welke
plaatsen nevenlocaties van een rechtbank of een gerechtshof worden
gevestigd dan wel gesloten. De
senaat plaatst eveneens grote vraagtekens bij de mogelijkheid van personele unies bij besturen van rechtbanken. Over deze drie punten zal de
minister van Veiligheid en Justitie
schriftelijk aangeven hoe hij aan de
bezwaren van de senaat tegemoet zal
komen voordat de Kamer over de
evaluatiewet modernisering rechter-
lijke organisatie wordt gestemd. Ook
was de Kamer tegen de mogelijkheid
voor de Raad voor de rechtspraak om
samenwerking verplicht op te leggen.
De woordvoerders in de Eerste
Kamer hielden de minister de aanbeveling voor van de commissie Deetman om de samenvoeging van de
kantongerechten met de civiele afdelingen van rechtbanken gefaseerd
over een termijn van drie jaar te realiseren. De commissie Deetman heeft
een evaluatie van de modernisering
van de rechterlijke organisatie in
2002 uitgevoerd en aan de hand
daarvan een reeks wettelijke maatregelen voorgesteld. In antwoord op de
kritiek in de senaat zei minister
Opstelten dat hij tot een fasering
bereid is.
Universitair Nieuws
Wilt u dat uw (juridische) proefschrift of dat van iemand die u kent
besproken wordt in deze rubriek dan
kunt u uw proefschrift sturen naar
het redactiebureau; zie colofon.
Oraties
Prof. dr. Robert C.R. Siekmann, bijzonder hoogleraar bij de Erasmus School
of Law, vanwege de Stichting Internationaal en Europees sportrecht, met
de leeropdracht Internationaal en
Europees Sportrecht, zal op vrijdag 10
juni 2011 (16.00 uur, Aula van de universiteit, Burgemeester Oudlaan 50,
Rotterdam) zijn ambt in het openbaar aanvaarden met het uitspreken
van een rede, die de titel draagt: ‘Wat
is sportrecht? Een herijking van
begripsinhoud en terminologie’.
Promoties
Scheiding van kerk en staat
Tussen het einde van de achttiende
eeuw en 1965 veranderde de positie
van kerk en levensbeschouwing in de
Westerse samenlevingen, als gevolg
van de invoering van het beginsel
van een scheiding van kerk en staat.
De rooms-katholieke kerk kon aanvankelijk geen aangepast theologisch
antwoord formuleren op deze nieuwe
politiek-maatschappelijke ontwikkelingen. Toch veranderde er in de
praktijk veel, zij het vaak onopgemerkt. Het Tweede Vaticaans Concilie
was voor de veranderingen uiteindelijk minder maatgevend dan vaak
wordt aangenomen. Dit blijkt uit
onderzoek waarop Maurice van
Stiphout op 12 mei 2011 promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen. Promotor van het onderzoek
was prof. mr. F.T. Oldenhuis, hoogleraar Religie en Recht.
Van Stiphout biedt met zijn studie
een overzicht van de complexe gelijktijdige processen die gepaard gaan
met de introductie van het beginsel
van een scheiding van kerk en staat
in een context van geleidelijke democratisering. Ook geeft hij inzicht in
de blijvende gevolgen hiervan voor
de betrokken kerkgemeenschap en
samenleving als geheel.
Voor theologische reflectie is veel tijd
en een stabiel kader noodzakelijk.
Desondanks pasten de gelovigen,
maar ook de centrale kerkleiding,
zich op de één of andere wijze aan de
nieuwe omstandigheden aan. Deze
aanpassingen bleven echter deels
onbekend bij zowel gelovigen als
niet-gelovigen, omdat de kerkelijke
propaganda deze wijzigingen niet
oppikte. Zo kon de indruk ontstaan
dat de structuur van de rooms-katholieke kerk onveranderlijk was en een
bolwerk van maatschappelijk conservatisme waarin pas verandering
kwam door het Tweede Vaticaans
Concilie (1962-1965). Dit beeld dient
echter gecorrigeerd te worden. Uit
het onderzoek wordt duidelijk dat de
geleidelijke ontwikkeling van de
katholieke visie op kerk-staat-verhoudingen juist werd afgesloten door het
Tweede Vaticaans Concilie.
Tevens blijkt uit het onderzoek dat
een aantal elementen en conclusies
niet tijdgebonden, maar structureel
van aard is. Ze zijn daarom niet
alleen van toepassing op de roomskatholieke kerk, maar op alle kerken
en levensbeschouwingen. Het naast
elkaar bestaan van kerken en andere
levensbeschouwingen in een zich
geleidelijk democratiserende context
heeft steeds invloed op de leer van
die kerken: sociaal-juridische ontwikkelingen werken ook door in de
levensbeschouwingen. Dit gegeven
zorgt er voor dat het proces van denken over een scheiding van kerk en
staat nooit afgerond is. Hiermee
moeten beleidsmakers en wetenschappers rekening houden bij het
voortdurend actualiseren van het
beginsel van een scheiding van kerk
en staat, juist ook bij de komst van
religieuze nieuwkomers.
Van Stiphout stelt voorop dat het
onmogelijk is om uit de ontwikkelingen in een bepaalde kerk in een
bepaalde historische context een
blauwdruk af te leiden voor andere
levensbeschouwingen in een andere
tijd, zoals bijvoorbeeld de islam op
dit moment. Maar het is volgens
hem wél mogelijk om een aantal blijvende effecten voor het voetlicht te
brengen, als resultaat van het permanente proces waarbij levensbeschouwingen en profane staten in een zelfde samenleving betrokken zijn. Het
naast elkaar bestaan van verschillende levensbeschouwingen impliceert
omgaan met het ‘anders zijn’ van
deze levensbeschouwingen. Ook
moet men beseffen dat elke levensbeschouwing (en ook de staat)
gebonden is aan zijn eigen theologie/
filosofie/wetten die ervoor zorgen
dat de mogelijkheden om te reageren
en de snelheid waarmee dit gebeurt
per levensbeschouwing verschilt.
Daarnaast treedt er vanaf het
moment dat een scheiding van kerk
en staat in een democratische context wordt ingevoerd een proces van
diversificatie in werking in de betrokken levensbeschouwing(en). Dit zorgt
ervoor dat een wereldwijde, nietgeorganiseerde geloofsgemeenschap
zoals de islam, nooit een monolithisch of eenvormig blok kan zijn,
maar zich voortdurend aanpast aan
de sociaal-juridische context in een
democratische samenleving.
M.A.H.P. van Stiphout
Scheiding van kerk en staat en de
ontwikkeling van de kerk tot een
zelfstandige geloofsgemeenschap
Studies over de rooms-katholieke kerk
vanuit juridisch perspectief (17901965)
CRBS-dissertatiereeks
Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, € 69
ISBN 9789089744456
Economische criteria
voor strafbaarstelling
De uit 2008 stammende EU-richtlijn
over de bescherming van het milieu
door het strafrecht verplicht de lidstaten om strafrechtelijke sancties te gebruiken om een aantal
EU-milieurichtlijnen te
handhaven. Het strafrecht is het meest
dwingende en ook het
meest dure instrument
dat kan worden ingezet tegen schadeverwekkend handelen. Dit gegeven
leidde tot een fundamentele vraag
en is tegelijk de motivatie voor het
onderzoek van Katarina Svatikova
waarop zij op 15 april 2011 promoveerde aan de Erasmus School of Law.
Die vraag luidt: waarom dient het
strafrecht te worden gebruikt om al
deze potentieel schadeverwekkende
activiteiten te reguleren en te handhaven? In veel gevallen zal het
gebruik van administratieve sancties,
met name van administratieve boetes, efficiënter werken omdat de
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1367
1082
Universitair Nieuws
administratieve procedure veel eenvoudiger is, en dus waarschijnlijk
goedkoper, in vergelijking met de
strafrechtelijke procedure. Promotores van het onderzoek waren prof. dr.
M.G. Faure en prof. dr. L. Franzoni.
Het onderzoek analyseert de vraag
waarom, vanuit een economisch perspectief, de samenleving bepaalde
overtredingen door middel van het
strafrecht zou moeten afdoen en
andere overtredingen juist door middel van privaat- of bestuursrecht. De
bevindingen laten zien dat handhaving door middel van het strafrecht
alleen in een beperkt aantal omstandigheden nuttig kan worden ingezet.
De normatieve economische criteria
die voor strafbaarstelling zijn ontwikkeld zijn achtereenvolgens:
1. de schade is groot en/of immaterieel en/of diffuus; 2. een stigma is
gewenst (de educatieve rol van het
strafrecht); 3. de pakkans is laag, en
1368
butie van de kosten van preventie
tussen bedrijven onderling; 2. de
marginale kosten van handhaving,
en 3. de waarschijnlijkheid van het
uitkomen van de overtreding en
sanctionering.
Uit de analyse volgt dat om van twee
afzonderlijke systemen, namelijk
strafrecht en administratief recht,
optimaal gebruik te maken de procedurele verschillen tussen beide systemen moeten worden gehandhaafd.
Deze verschillen hebben namelijk
een economische rechtvaardiging.
Katarina Svatikova
Economic criteria for criminalization
Optimizing enforcement in case
of environmental violations
Uitgave in eigen beheer, 209 p.
Een handelseditie zal verschijnen bij Intersentia Uitgevers
in de reeks ‘European Studies in Law and Economics’.
De dissertatie is ook te vinden op http://repub.eur.nl/
Personalia
Advocatuur
Bij Clifford Chance
Amsterdam is
Jeroen Thijssen per
1 mei 2011 tot
partner benoemd.
Thijssen is gespecialiseerd in het ondernemingsrecht,
met een focus op grensoverschrijdende M&A, private equity, joint ventures en herstructureringen.
Legaltree heeft Bieneke Braat per mei
2011 tot IE/ICTpartner benoemd.
Braat heeft zich
gespecialiseerd in
het ICT- en intellectuele eigendomsrecht. Legaltree is een samenwerkingsverband van zelfstandig gevestigde advocaten, onder andere op het
gebied van (internationale) arbitrage,
ondernemingsrecht, insolventierecht
en nu dus ook IE-recht.
1368
4. de strafrechtelijke handhavingskosten blijven binnen de perken.
Onder deze vier omstandigheden
lijkt strafrechtelijke handhaving een
efficiënt instrument te zijn.
Dit model is vervolgens toegepast op
de sanctionering van overtredingen
van de milieuwetgeving in het
Vlaamse Gewest, het Verenigd
Koninkrijk, Nederland en Duitsland.
Uit de evaluatie van de empirische
gegevens die dit onderzoek heeft
opgeleverd blijkt dat er wel degelijk
een nuttige rol voor administratieve
sancties, met name administratieve
boetes, is weggelegd. Deze kunnen
een kosteneffectief instrument zijn
voor het omgaan met overtredingen
van milieuwetgeving die geen strafrechtelijke vervolging verdienen,
maar wel gesanctioneerd dienen te
worden. De relevante factoren om te
beoordelen of de administratieve
boetes effectief zijn, zijn: 1. de distri-
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Simmons & Simmons LLP heeft de
Luc Cohen en Frenk Huisman per 1
mei 2011 benoemd tot partner.
Luc Cohen is gespecialiseerd in de beslechting van geschillen
binnen de rechtsgebieden bouwrecht,
aanbestedingsrecht
en huurrecht.
Frenk Huisman werkt
binnen de praktijkgroep Financial Markets als vastgoed specialist
Met ingang van 1 mei 2011 is
Alexander Doorman als partner toegetreden tot de maatschap Freshfields
Bruckhaus Deringer
LLP. Doorman is
gespecialiseerd in
ondernemingsrecht.
Voor het plaatsen van berichten
in deze rubriek kunt u uw tips en
informatie naar [email protected]
sturen.
ILPD Rwanda
Nick Huls, hoogleraar
rechtssociologie aan
de EUR en de Universiteit Leiden, is door
het Rwandese kabinet
benoemd tot Vice
Rector Academic Affairs van het
Institute for Legal practice and development (ILPD) in Nyanza, Rwanda.
Hij heeft een contract voor 2 jaar en
is per 15 mei begonnen. Het in 2008
opgerichte ILPD is een post graduate
opleidingsinstituut voor rechters,
advocaten en officieren van Justitie
en wetgevingsjuristen. Zie nader
www.ilpd.ac.rw.
Agenda
14 05 - 26 06 2011
Stemmingmakerij
Voorwaarts achterwaarts in
de moderne kunst
Stemmingmakerij ten bate van een
politieke beweging met kunst als
middel, het gebeurde in de geschiedenis maar al te vaak. De nationaalsocialisten verklaarden de avant-garde tot ‘entartet’ en openden de jacht
op de moderne kunst. Dat kunst een
illusie kan oproepen en dat die
gevaarlijk kan zijn wist Plato al. Om
die reden wilde Plato kunst bannen
uit de samenleving. Op basis van dit
motto maakte het Gemeentemuseum Den Haag een tentoonstelling
over stemmingmakerij in de kunst,
die handelt over politiek, maar ook
over illusie, spiritualiteit én vrouwen.
In de tentoonstelling wordt expressionistische kunst tentoongesteld die
in de jaren dertig als ‘entartet’ zou
zijn bestempeld. Bijzonder is een
aantal nooit eerder in Nederland
getoonde nieuwe bruiklenen, van de
Duitse expressionisten Ludwig Meidner en Ernst Ludwig Kirchner. Werken van de Israëlische kunstenaar
Yael Bartana en de Roemeense Mircea Cantor, beide uit de Collectie
Dommering, maken het onderwerp
Entartete Kunst actueel.
Tot slot: Als er iets is waar stemming
mee te maken valt, dan is het wel
met de verbeelding van de vrouw. In
de tentoonstelling is dan ook een
zaal ingericht met vrouwenportretten van 1900 tot heden.
Het concept voor deze tentoonstelling is in samenwerking met Egbert
Dommering tot stand gekomen.
Tijd: van 14 mei tot en met 26 juni 2011
Plaats: Gemeentemuseum Den Haag
28 06 2011
The EU as a Polity in
International Law
From the outset, the process of European integration has been faced with
a conceptual problem concerning the
end goal or finalité politique of the
project. Were the EU and its predecessors meant to form a confederation, which had to establish itself as a
Europe of Nation-States, or should
the member states ultimately merge
into a United States of Europe? This
dilemma, which has been described
already by Immanuel Kant in his
1795 essay Perpetual Peace, has led
to a perennial stalemate in the debate about the nature and goal of the
Union.
The purpose of this conference, organised by the T.M.C. Asser Institute
and others, is to discuss whether the
Lisbon Treaty has overcome this
dilemma by constructing the EU as a
democratic polity without turning
the Union into a state. If so, what are
the consequences for the place of the
EU as a polity in international law
and for its role in international relations? Chairman is prof. Steven
Blockmans (T.M.C. Asser Instituut,
University of Leuven), the opening
speach will be delivered by dr. Ben
Knapen, minister for European
Affairs of The Netherlands. Other
speakers include HE Judge Bruno
Simma (International Court of Justice, The Hague) on The place of the
EU in international law, prof. Michael
Burgess (University of Kent, UK) on
The emergence of the EU from a
federal perspective, prof. Christiaan
Timmermans (Erasmus University
Rotterdam) on The role of the Court
of Justice in the evolution of the EU
into a democratic polity of states and
citizens.
Tijd: 28 juni 2011, 16.00 - 19.00 uur
Plaats: Academiehal, Vredespaleis, Carnegieplein 2,
Den Haag.
Informatie en aanmelden: inlichtingen via [email protected], aanmelden via het formulier op
www.asser.nl, onder Events. Deelname is gratis.
Organisatie: T.M.C. Asser Instituut, Carnegie Stichting/
Peace Palace Library, Euroknow, CLEER, vfonds.
Agenda kort
23 - 27 05 2011
Cursus ‘Reporting on International
Justice – from Nuremberg to
The Hague’
24 05 2011
Vrouw en Recht-bijeenkomst
‘Beloningsbeleid m/v’
26 05 2011
Studiedag ‘Wat kan en mag de politie
op internet?’
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1308
NJB 2011/780, afl. 14, p. 913
25 05 2011
Symposium ‘Principles & Law’
26 05 2011
Vereniging Corporate Litigation
‘ASMI – aspecten van enqueterecht’
NJB 2011/516, afl. 9, p. 603
24 05 2011
Workshop Actuele Jurisprudentie
Brand
NJB 2011/852, afl. 16, p. 1103
NJB 2011/852, afl. 16, p. 1103
NJB 2011/565, afl. 10, p. 663
26 05 2011
Cursus ‘History of the Common Law’
24 05 2011
GIS-lezing ‘Het proces Demjanjuk’
NJB 2011/170, afl. 3, p. 219
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1308
26 - 27 05 2011
Conferentie ‘Conflict between EU law
and the maritime and transport law
convention’
NJB 2011/911, afl. 17, p. 1168
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 T– AFL. 20
1369
1084
Agenda kort
27 05 2011
Vereniging voor Procesrecht
‘De mondelinge behandeling,
negen jaar met het nieuwe burgerlijk
procesrecht’
NJB 2011/669, afl. 12, p. 787
07 06 2011
Schoordijk-lezing ‘Recht, rechters
en juristen’
NJB 2011/780, afl. 14, p. 913
27 05 2011
Seminar ‘EU’s shaping of the
international legal order’
NJB 2011/852, afl. 16, p. 1103
27 05 2011
Contractenrecht en rechtsvinding
met prof. mr. J.M. van Dunné
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1240
29 - 31 05 2011
Jaarcongres Association of Corporate
Counsel Europe
NJB 2011/516, afl. 9, p. 603
30 05 2011
Seminar ‘Shared Responsibility
in International Refugee Protection’
NJB 2011/852, afl. 16, p. 1103
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1240
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
08 06 2011
KNAW-symposium ‘Strafbare kunst’
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
27 05 2011
Vereniging voor Europees Recht
‘Invloed Europees soft law’
16–18 06 2011
Young Bar Association Barcelona
23 06 2011
‘Professioneel decentraal beleid door
beleidsmatig Europabewustzijn’
NJB 2011/911, afl. 17, p. 1168
09-10 06 2011
IVR-congres ‘Blokkades van
waterwegen door calamiteiten’
23&24 06 2011
Law of the Future Conference
NJB 2011/669, afl. 12, p. 787
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
09-11 06 2011
Conferentie ‘Rechtswetenschap,
uitleg en ontwikkeling van het
Europese recht’
24 06 2011
Juridische argumentatie
NJB 2011/669, afl. 12, p. 787
24 06 2011
Conferentie ‘Migration, Sanctions &
Business’
09 06 - 01 07 2011
Zomercursus ‘Milieurecht
voor niet-juristen’
NJB 2011/622, afl. 11, p. 729
10 06 2011
Jaarvergadering Utrecht
Nederlandse Juristen-Vereniging
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1241
14 06 2011
NEVOA jaarvergadering
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1241
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
28 06 2011
Conferentie ‘The EU as a Polity in
International Law’
NJB 2011/1084, afl. 20, p. 1369
29–31 06 2011
Association of Corporate Counsel
Europe in Berlijn
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1241
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1240
30 05 2011
Debat ‘Grondrechten & Grondwet’
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1308
16 06 2011
Symposium ‘Overheid, recht, religie’
06&07 10 2010
Conferentie ‘Ageing Europe, health
law revisited’
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
NJB 2011/1036, afl. 19, p. 1309
07 06 2011
Werkgroep Rechtsbijstand
in Vreembelingenzaken
NJB 2011/971, afl. 18, p. 1240
1370
NEDERLANDS JURISTENBLAD – 20-05-2011 – AFL. 20
Een uitgebreide versie van deze agenda is te raadplegen op www.njb.nl.
REEKS
FISCAAL
januari
2011
$&!"'%!$&
($" #!%
Met online Update Service
Essentiële feiten en cijfers
Handig zakboekformaat
Tot 20% korting voor abonnees
.
'&%(!+% &(% )(*#+-(
'# %%** &%#( )*
%(
%**)* % )*&( )%)(,&##
'("/#%,%*+((* ) )*(*$)*($
0&&',%*).$'&) +$"+%*+(,( %%
+ *- ))#%$*,"%&*%%% *%,%*
-#" % %%( %)(,&##$ %,%
#$ %&)((
*%%&#&$%&#(%$'& *$$&+++!")+&$"&'&($&
* &%#
&'(
$&
(/)++#(!,!#,,"+#$ -&&,*-(/("-1,&
#(/)++#(!,*+),#(&.,# (#.00-!/#(!,*#1%
+!&,$.+#,*+.(-#)''(-+-&/(*+%-#$%/))+&(
(-#*,
-.&(-+).0++!%((,&!0+%
+(*!#(,)('#,+#( )+'-#/))+#(/)++#(!,
.(-#)(+#,,(1,&#,-(1((#&/#,.+,)(+('+,
(*+-#.&#+(
" '*!"+$$##
(#!(('(%')!$ %&,,,!$+%#%$$#
$)#.!$#*(!),$+'-$"%()$
#$&#$/()(-"!))&!)(,)*-0#--+)'#(/)&)(