Natuurcompensatieplan - Platform Participatie

TB verdubbeling N33
Natuurcompensatieplan
Opdrachtgever
Rijkswaterstaat Dienst Noord-Nederland
I. Groen
Ondertekenaar
Oranjewoud B.V.
Kenmerk 239586 - Versie D01
Heerenveen, 4 mei 2012
Addendum
Het voorliggende Natuurcompensatieplan ten behoeve van het TB Verdubbeling
N33 is tot stand gekomen op basis van de rapportage ten behoeve van het
OTB/MER Verdubbeling N33, d.d. 19 november 2010. Dit betekent dat er een
aanvulling gemaakt is in het door het bureau Movares opgestelde rapport voor de
verdubbeling van de N33 welke diende als onderbouwing van het Ontwerp Tracé
Besluit (OTB) Verdubbeling N33 Assen - Veendam - Zuidbroek. De aanvulling
bestaat uit zaken die gewijzigd, nader uitgewerkt dan wel extra toegevoegd zijn aan
het project in de periode tussen het gereedkomen van het OTB en het opstellen van
het Tracébesluit Verdubbeling N33 Assen - Veendam - Zuidbroek. Hieronder staat
beschreven welke punten voor het aspect Ecologie ten opzichte van het OTB zijn
aangevuld:
-
-
-
Wijziging ontwerp knooppunt Zuidbroek van botonde variant in klaverblad
variant: Aanvullende opgave en uitwerking vanuit de Boswet, EHS en Flora- en
faunawet
Wijziging in ontwerp knooppunt Assen Zuid en optimalisatie ecologische
verbindingszone Witterdiep/Anreeperdiep
Langs het hele tracé van de N33: Nadere uitwerking van een aantal
voorgeschreven zaken vanuit de Flora- en faunawet
Nieuwe verkeerscijfers uit het NRM: hierdoor treedt op enkele locaties meer
geluidsbelasting op dan in de huidige situatie, waardoor conform de
omgevingsverordening provincie Drenthe voor de Drentsche EHS compensatie
van verstoord oppervlak aan de orde is.
Gebruik van opstandsinformatie uit de bosinventarisatie van Movares ipv
ingetekend luchtfotokaarten aangaande berekening van de compensatieopgave.
Ontkoppeling ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet
Het traject voor het aanvragen van een ontheffing voor artikel 75 van de Flora- en
faunawet staat los van het vaststellen van de Nota Ecologie (Oranjewoud, 2012) en
het voorliggend Natuurcompensatieplan.
Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag voor een aantal beschermde diersoorten,
zal nog aanvullend onderzoek plaatsvinden. Het betreft jaarrond beschermde nesten,
gebruik van te slopen woningen door vleermuizen en verplaatsing van een
roekenkolonie. Daarnaast zijn enkele aanvullingen noodzakelijk met betrekking tot
de effectbeschrijving en mitigatie. Deze zaken zijn afgestemd op 19 december 2011
en 7 maart 2012 met specialisten van DLG. Daar waar deze werkwijze weerslag
heeft op het beschrevene in het voorliggende Natuurcompensatieplan, wordt
verwezen naar het activiteitenplan en eventueel werkprotocol welke in het kader van
de aanvraag ontheffing Flora- en faunawet worden opgesteld.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
1/1
Inhoud
1
Inleiding
1.1 Aanleiding
1.2 Leeswijzer
5
5
6
2
Korte beschrijving van het projectgebied N33
2.1 Rijksweg N33
2.2 Gebiedsbeschrijving
8
8
8
3
Toetsing aan wet- en regelgeving
3.1 Inleiding
3.2 Wetgeving en beleid aangaande compensatie
3.2.1. Compensatie uitgaande van gebiedsbescherming
3.2.2. Compensatie uitgaande van soortenbescherming
3.2.3. Compensatie volgens de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
3.2.4. Compensatie volgens de Compensatieverordening Bos, Natuur,
Landschap en Archeologie - Provincie Drenthe:
3.2.5. Compensatie volgens de Boswet (VenW en LNV, 2000):
3.3 Overige kaders
3.3.1. Nota Landschap & Nota Landschappelijke Inpassing
3.3.2. Overige ontwikkelingen in de omgeving
10
10
10
10
11
12
4
Spelregels compensatie N33
4.1 Uitgangspunten compensatieopgave N33
4.1.1. Andere uitgangspunten
4.1.2. Landschappelijke inpassing
4.1.3. Mitigatie
4.2 Compensatie vanuit de Flora- en faunawet
4.2.1. Leefgebied levendbarende hagedis
4.2.2. Verblijfplaats gewone dwergvleermuis
4.3 Compensatie EHS provincie Groningen
4.4 Compensatie EHS en bos provincie Drenthe
4.5 Compensatie vanuit Boswet
4.6 Vernietiging bosgebieden en houtopstanden
17
17
18
18
19
19
19
22
22
23
24
24
5
Aanpak compensatieopgave N33
5.1 De aanpak
5.1.1. Samenwerking met lokale overheden
5.1.2. Planologische bescherming
5.2 Gestelde eisen aan compensatie
5.2.1. Criteria compenseren
5.2.2. Inrichtings- en beheerplan
5.2.3. Evaluatie en monitoring
25
25
25
25
25
26
26
26
6
Onderzoek compensatiegebieden voor de N33
6.1 Verkenning compensatiegebieden levendbarende hagedis
6.1.1. Gasselterheide
6.1.2. Landgoed Heidehof
27
27
27
27
14
14
15
15
15
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
2/2
6.1.3. Landgoed het Westersche Veld
6.1.4. Conclusie
6.2 Verkenning compensatiegebieden voor bos en grasland
28
28
28
7
Compensatie in kader van de Flora- en faunawet
7.1 Compensatieopgave Levendbarende hagedis
7.1.1. Ecologische randvoorwaarden
7.1.2. Populatiegericht compenseren
7.1.3. Populatiegrootte obv veldonderzoek Stichting Ravon
7.1.4. Inrichtingsplan beoogde compensatiegebieden
7.1.5. Vegetatiestructuur beoogde compensatiegebieden
7.1.6. Wegvangen en verplaatsen van levendbarende hagedissen
7.1.7. Monitoring beoogde compensatiegebieden
7.1.8. Beheer beoogde compensatiegebieden
7.1.9. Planologie en eigendomssituatie
7.2 Compensatieopgave voor de gewone dwergvleermuis
29
29
29
30
30
30
33
33
33
33
34
35
8
Compensatie in kader van de EHS
8.1 Berekening compensatieopgave
8.2 Compensatieopgave EHS-grasland
8.2.1. Oostermoersche Vaart (Hunze)
8.2.2. Knooppunt Assen-zuid
8.2.3. Overige compensatiegebieden EHS-grasland
8.3 Compensatieopgave EHS-bos
8.3.1. Zuidbroek (oostkant)
8.3.2. Hollandscheveld
8.3.3. Overige zoekgebieden
37
37
38
38
39
39
39
39
40
40
9
Compensatiegebieden in het kader van de Boswet
9.1 Berekening compensatieopgave
9.2 Beschrijving locaties en eventuele compensatie binnen TB-grens
9.2.1. Compensatie Aansluiting Assen Zuid (N33/A28)
9.2.2. Compensatie Traject Assen – Hemmenweg
9.2.3. Compensatie Traject Hemmenweg –Nijlande
9.2.4. Compensatie Traject Nijlande – Rolde
9.2.5. Compensatie Traject Rolde – Nijend
9.2.6. Compensatie Traject Nijend-Schaepvolte
9.2.7. Compensatie Traject Schaepvolte-Oude Groningerweg
9.2.8. Compensatie Traject Oude Groningerweg-Zandvoort
9.2.9. Compensatie Traject Zandvoort-De Hilte
9.2.10. Compensatie Traject de Hilte - K.J. de Vriezestraat
9.2.11. Compensatie Traject K.J. de Vriezestraat – Wildervanksterdallen
9.2.12. Compensatie Traject Wildervanksterdallen - A.G.
Wildervanckkanaal
9.2.13. Compensatie Traject Wildervanckkanaal – Veendam
9.2.14. Compensatie Traject Veendam - Duurkenakker/Meeden
9.2.15. Compensatie Traject Duurkenakker/Meeden – Winschoterdiep
9.2.16. Compensatie Traject Winschoterdiep – Aansluiting N33/A7
9.3 Compensatieopgave buiten TB-grens
41
41
41
41
41
42
42
42
42
42
42
42
43
43
44
44
44
44
44
44
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
3/3
9.3.1. Nolde
9.3.2. Overige compensatie buiten TB-grens
44
45
10 Saldi te compenseren en voorziene compensatie
46
Referenties
50
Colofon
52
Bijlagen
54
Bijlage 1: Rapportage RAVON
55
Bijlage 2: Tabel compensatieopgave
56
Bijlage 3: Memo Provincie Groningen, d.d. 18 maart 2010
57
Bijlage 4: Bomeninventarisatie
58
Bijlage 5: Kaarten te kappen bos
59
Bijlage 6: Kaarten aangewezen compensatiegebieden
60
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
4/4
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Voor de verdubbeling van de N33 wordt het TB opgesteld. Uit de Nota Ecologie
(Oranjewoud, 2012), onderdeel van deze TB, komt naar voren dat
natuurcompensatie noodzakelijk is. Dit betreft compensatie:
- Van leefgebied voor de levendbarende hagedis en de gewone dwergvleermuis in
het kader van de Flora- en faunawet.
- Van grasland en bos in het kader van de provinciale verordening voor EHSgebieden (ruimtebeslag).
- Bomenrijen en bosopstanden in het kader van de Boswet.
- Biotoop in de vorm van bos of grasland waar extra geluidsbelasting plaats vindt
in het kader van de provinciale verordening voor EHS-gebieden (kwalitatieve
compensatie).
In onderstaande tabel is toegelicht in welke orde van grootte beschermd habitat zal
worden verwijderd in het kader van de TB N33. Deze hoeveelheden worden in dit
plan vertaald naar de daadwerkelijke compensatie-opgave, waarbij rekening wordt
gehouden met de wettelijk vereiste compensatiefactoren.
Soort
Levendbarende hagedis
Compensatieopgave
In totaal gaat ca. 24 ha leefgebied op de reserveringsstrook verloren.
Compensatie zal populatiegericht plaats vinden. Hierbij zullen de
nieuwe leefgebieden een kwaliteitsimpuls krijgen.
Met betrekking tot de verplaatsing van de populatie is het voorstel om
3/5 deel van de populatie te verplaatsen naar landgoed het Westersche
Veld en 2/5 naar de Gasselterheide/Drouwenerzand. Indien op het
moment van overplaatsing één of meerdere terreinen naar mening van
een deskundige ecoloog niet geschikt zijn, dan wordt naar zijn inzicht
afgeweken van deze verdeelsleutel.
Gewone dwergvleermuis
Betreft het voorkomen van deze soort in te slopen opstallen in Meeden,
Bareveld en Veendam.
Compensatie door plaatsen van vleermuiskasten, welke dezelfde
functie hebben als hun huidige verblijfplaatsen. Uit het onderzoek dat
in 2012 wordt uitgevoerd, zal moeten blijken welke functie deze
kasten, en dus de compensatieopgave, daadwerkelijk moeten hebben.
EHS
Compensatie EHS  Bos
Compensatieopgave
Van het te verwijderen bos ligt circa 5,16 ha binnen de begrenzing van
de EHS (1,31 ha in de provincie Drenthe en 3,85 ha in de provincie
Groningen).
Compensatie EHS  Gras
In totaal gaat het om 8,66 ha EHS-begrenst grasland, waarvan 7,94 ha
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
5/5
in de provincie Drenthe en 0,72 ha in de provincie Groningen.
Compensatie EHS  Geluid
De extra geluidsbelasting vindt plaats op circa 12,87 ha bos en 3,27 ha
open terrein (grasland, akker en water).
Boswet
Boswet
Compensatieopgave
Betreft circa 38,38 ha te kappen opstand (18,21 ha bosopstand en
omgerekend 3,68 ha bomenrij in de provincie Drenthe en 12,34 ha aan
bosopstand en omgerekend 4,15 ha bomenrij in de provincie
Groningen).
Tabel 1: Te verwijderen en dus te compenseren beschermd habitat ikv TB N33
Het doel van het compensatieplan is om één of meerdere kansrijke
compensatiegebieden aan te wijzen voor de verschillende compensatieopgaven.
In dit plan is uitgewerkt vanuit welk wettelijk- of beleidskader compensatie plaats
moet vinden. De compensatielocaties staan beschreven en in de bijlagen op kaarten
weergegeven. Tevens wordt er ingegaan op de uitvoering van de
compensatieopgave.
Om tot een compensatieplan te komen, zijn mogelijke compensatiegebieden
geanalyseerd en besproken met betrokken en belanghebbende partijen
(stakeholders). Het compensatieplan bevat het nader onderzoek van die kansrijke
compensatiegebieden. Zienswijzen en afspraken die geconcretiseerd zijn met
bevoegde gezagen zijn verwerkt in het compensatieplan en worden verder
uitgewerkt in de beheersplannen. De beheersplannen worden na het Tracébesluit
opgesteld door de betreffende bevoegde gezagen in samenwerking met de
toekomstige eigenaar.
Dit compensatieplan maakt, als bijlage, onderdeel uit van de Toelichting
Tracébesluit voor de verbreding van de N33.
1.2
Leeswijzer
Voor het opstellen van dit document is gebruik gemaakt van onderstaande
rapportages:
 Nota Ecologie (Oranjewoud, 2012)
 Nota Landschap (Oranjewoud, 2012)
 Nota Landschappelijke Inpassing (Oranjewoud, 2012)
 Toetsing Natuurbeschermingswet (Oranjewoud, 2012)
Naar tekstpassages die reeds vermeld staan in bovenstaande rapportages en die als
informatiebron dienen voor dit compensatieplan, wordt in de tekst verwezen.
Naast compenserende maatregelen dienen in het kader van de Flora- en faunawet
ook een aantal mitigerende maatregelen te worden genomen. De mitigerende
maatregelen worden in de Nota Ecologie beschreven en zijn niet meegenomen in dit
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
6/5
document. De mitigerende maatregelen worden ten behoeve van de
ontheffingsaanvraag Flora- en faunawet nader uitgewerkt in het activiteitenplan en
ecologisch werkprotocol.
Een uitgebreide gebiedsbeschrijving is te vinden in de Nota Landschap. In de Nota
Landschap is, naast de effecten op het landschap, eveneens aangegeven hoe moet
worden omgegaan met de landschappelijke inpassing van de Rijksweg.
Na vaststelling van het TB zullen afspraken gemaakt worden met betrokkenen en
belanghebbende partijen. Deze afspraken zullen in beheersplannen geconcretiseerd
en vastgelegd worden.
Hoofdstuk 2 geeft een korte beschrijving van het projectgebied van de N33.
Hoofdstuk 3 gaat in op het algemeen geldend wettelijk- en beleidskader met
betrekking tot compensatie vanuit de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en
faunawet, Nota Ruimte, Provinciale Compensatieverordening en de Boswet.
Daarnaast worden overige kaders (zoals de Nota Landschap en ontwikkelingen in de
omgeving) kort toegelicht.
In hoofdstuk 4 worden de uitgangspunten en compensatieopgaven beschreven, als
gevolg van vernietiging.
Hoofdstuk 5 beschrijft de aanpak n.a.v. de gestelde eisen van de verschillende
compensatieopgaven voor de N33.
Hoofdstuk 6 bevat een korte verkenning van mogelijke compensatiegebieden.
Waarna in de hoofdstukken 7 (Flora- en faunawet), 8 (EHS) en 9 (Boswet) per
wettelijk kader de compensatieopgave is uitgewerkt.
Hoofdstuk 10 bevat een samenvattende tabel waarin de kwantitatieve compensatie
(oppervlak) in de vorm van saldi vernietiging en compensatie uiteengezet wordt.
Het rapport wordt afgesloten met gebruikte referenties en de bijlagen.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
7/7
2
Korte beschrijving van het projectgebied N33
2.1
Rijksweg N33
De N33 is de rijksweg die loopt van Assen naar de Eemshaven. Deze weg is in de
jaren '60 van de vorige eeuw aangelegd ter verbetering van de bereikbaarheid van
Noordoost Nederland. De N33 verbindt Noordoost Groningen (Delfzijl, Winschoten,
Veendam) direct met Assen, waar de weg aansluit op de A28 Groningen Hoogeveen. Via de A7 verbindt de N33 het landelijk wegennet met Noord-Duitsland
en Scandinavië.
Daarnaast heeft de N33 een ontsluitende functie voor de regio zelf; kernen als
Stadskanaal en Rolde, en in mindere mate ook Gieten, zijn voor hun aansluiting op
het hoofdwegennet afhankelijk van de N33.
De N33 is in de huidige situatie een tweebaansweg met gelijkvloerse kruisingen.
Met name op het traject Assen - Veendam - Zuidbroek (zie figuur 1.1) is sprake van
een verkeersveiligheidsprobleem. Al jaren wordt gesproken over maatregelen om
deze onveilige situatie te verbeteren.
Naast veiligheid speelt voor de regionale overheden het probleem van
bereikbaarheid. De N33 wordt veel gebruikt door vrachtverkeer van en naar de
Eemshaven. Problemen met de doorstroming van het vrachtverkeer doen zich voor
bij de aansluitingen met de A7 en de A28 en het onderliggend wegennet. De
gebrekkige doorstroming trekt bovendien sluipverkeer op het onderliggend
wegennet aan.
De regionale overheden (provincie Drenthe, provincie Groningen en de omliggende
gemeenten) hebben de wens de N33 op het traject Assen -Veendam - Zuidbroek te
verdubbelen tot een 2x2 autoweg (vierbaans), wat een sterke impuls betekent voor
de regio op het gebied van regionale economie en bereikbaarheid.
2.2
Gebiedsbeschrijving
De N33 ligt tussen Assen en Zuidbroek in een groene en natuurlijke omgeving
(figuur 1). In deze omgeving zijn het stroomdal van de Drentsche Aa (een fraai en
ook historisch belangrijk Nationale Landschap), de Hondsrug en het stroomdal van
de Hunze de meest in het oog springende elementen. Ook het strak verkavelde
veenkoloniale landschap zit vol cultuurhistorische verwijzingen naar een
belangwekkend verleden. Op dit landschap liggen belangrijke beleidsdoelstellingen
met betrekking tot handhaving en versterking van de Ecologische Hoofdstructuur en
nationaal natuurbeleid (Natura 2000) en is ook zonder nader onderzoek al duidelijk
dat in het gebied sprake kan zijn van een grote diversiteit in flora en fauna (Nota
Landschap, Oranjewoud 2012). Mede door de ontstaansgeschiedenis van het gebied
is er een grote samenhang tussen de aspecten Ecologie, Archeologie, Bodem en
Water. Voor een uitgebreide beschrijving van het projectgebied N33 wordt
verwezen naar de Nota Landschap (Oranjewoud, 2012).
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
8/8
Figuur 1: Projectgebied N33 op de Natuur- en Milieukaart (Nota Landschap, Oranjewoud
2012)
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
9/9
3
Toetsing aan wet- en regelgeving
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk gaat in op de wet- en regelgeving en beleidskaders die leidend zijn bij
de voorgenomen compensatie in het kader van de Rijksweg N33.
Compensatie is een belangrijk instrument om ervoor te zorgen dat negatieve effecten
van ruimtelijke ingrepen in beschermde gebieden (per saldo) geen verlies aan
natuurkenmerken en -waarden opleveren. De juridische verankering van het
compensatiebeginsel is voor de te onderscheiden typen gebieden verschillend. Voor
de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geldt de Structuurvisie Infrastructuur en
Ruimte (inclusief Spelregels EHS) en/of de compensatieverordening van de
betreffende provincie. Voor de Natura 2000-gebieden en Beschermde
Natuurmonumenten geldt de herziene Natuurbeschermingswet 1998. Compensatie
kan ook geboden zijn vanwege de Flora- en faunawet, indien er sprake is van
aantasting van leefgebieden van beschermde soorten en mitigatie niet mogelijk is.
Hierbij geldt dat (per saldo) de functionaliteit van een leefgebied minimaal hetzelfde
moet blijven als hetgeen verloren gaat. Omwille van de Boswet dienen (grotere)
houtige beplantingen gecompenseerd te worden.
3.2
Wetgeving en beleid aangaande compensatie
In de Nederlandse natuurwetgeving wordt uitgegaan van gebiedsbescherming en
soortbescherming. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming
van de Ecologische Hoofdstructuur is vastgelegd in de Nota Ruimte. Aan dit beleid
wordt op provinciaal niveau nadere uitwerking gegeven. De planologische
bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur vindt plaats op basis van de Wet
ruimtelijke ordening (Wro) en wordt vastgesteld in de provinciale
omgevingsverordening.
De Natuurbeschermingswet 1998 implementeert de gebiedsbescherming voor wat
betreft Natura-2000-gebieden en Beschermde Natuurmonumenten.
In de Flora- en faunawet is de soortbescherming opgenomen. Deze wet omvat tevens
de bescherming van Habitatrichtlijnsoorten buiten de aangewezen Natura 2000gebieden, welke staan vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Compensatie uitgaande van gebiedsbescherming
Sinds de inwerkingtreding per 1 oktober 2005 van een wijziging van de
Natuurbeschermingswet 1998 zijn de verplichtingen uit de Vogel- en
Habitatrichtlijn, voor zover die zijn op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in
het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de
instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de (ontwerp-)
aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De Nota Ecologie
(Oranjewoud, 2012) en vooral de Toetsing Natuurbeschermingswet (Oranjewoud,
2012) gaan hier uitgebreid op in.
3.2.1.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
10/10
Voor een nadere en meer uitgebreide toelichting op het toetsingskader van de
Natuurbeschermingswet 1998, wordt verwezen naar de ‘Algemene handreiking
Natuurbeschermingswet’ (Ministerie van LNV, 2005).
Vanuit de Natuurbeschermingswet, voortkomend uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, is
men verplicht negatieve effecten te voorkomen dan wel weg te nemen. Het betreft in
een dergelijk geval 'mitigatie'. Compensatie vindt pas plaats zodra er kans is op
significant negatieve effecten en men een ADC-toets (Alternatieven, Dwingende
reden, Compensatie) dient te doorlopen. Vanuit de Toetsing Natuurbeschermingswet
wordt geconcludeerd dat er geen kans op significant negatieve effecten is en vindt er
ten behoeve van de verbreding van de N33 in het kader van de
Natuurbeschermingswet 1998 dan ook geen compensatie plaats.
Compensatie uitgaande van soortenbescherming
Onder de werking van de Flora- en faunawet vallen circa 1000 dier- en
plantensoorten. Volgens de Flora- en faunawet mogen beschermde dier- en
plantensoorten niet worden verwond, gevangen, opzettelijk worden verontrust of
gedood. Voortplantings- of vaste rust of verblijfplaatsen mogen niet worden
beschadigd, vernield of verstoord. Beschermde planten mogen op geen enkele wijze
van hun groeiplaats worden verwijderd of vernield.
3.2.2.
Verbodsbepalingen:
Verboden handelingen met betrekking tot beschermde planten:
 Artikel 8: Het plukken, verzamelen, afsnijden, vernielen, beschadigen,
ontwortelen of om een andere manier van de groeiplaats verwijderen van
planten.
 Artikel 13: Het vervoeren en onder zich hebben (in verband met verplaatsen)
van planten.
Verboden handelingen met betrekking tot beschermde dieren:
 Artikel 9: Het doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren. Het
met het oog op bovenstaande doelen opsporen van dieren.
 Artikel 10: Het opzettelijk verontrusten van dieren.
 Artikel 11: Het beschadigen, vernielen, uithalen wegnemen, verstoren van
nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van
dieren.
 Artikel 12: Het zoeken, rapen, uit nesten nemen, beschadigen of vernielen
van eieren.
 Artikel 13: Het vervoeren en onder zich hebben (in verband met verplaatsen)
van dieren. De werkingssfeer van de Flora- en faunawet is niet beperkt tot of
gerelateerd aan speciaal aangewezen gebieden, maar geeft soorten overal in
Nederland bescherming. In artikel 75 van de Flora- en faunawet worden de
ontheffingsmogelijkheden weergegeven. Op 23 februari 2005 is de
Algemene Maatregel van Bestuur m.b.t. artikel 75 van de Flora- en
faunawet in werking getreden. Middels deze AMvB wordt onder bepaalde
voorwaarden een algemene vrijstelling geregeld van de ontheffingsplicht
van de Flora- en faunawet. Deze vrijstelling geldt voor ruimtelijke
ontwikkeling en inrichting, bestendig gebruik en bestendig beheer en
onderhoud en voor bepaalde (algemeen voorkomende) soorten. Welke
voorwaarden verbonden zijn aan de vrijstelling hangt af van de dier- of
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
11/11
plantensoorten die voorkomen in het plangebied. In de AMvB worden
hiertoe verschillende beschermingsregimes onderscheiden. De beschermde
soorten zijn in drie groepen ingedeeld. De soorten van tabel 1 betreffen
algemeen voorkomende soorten en hebben het lichtste beschermingsregime.
De soorten van tabel 2 betreffen soorten die niet zeer algemeen zijn maar
tevens niet zeldzaam, en hebben een streng beschermingsregime. De soorten
van tabel 3 betreffen zeldzame soorten met een strikt beschermingsregime.
Vogels zijn niet opgenomen in tabel 1 t/m 3; deze zijn in hun broedperiode
beschermd. Een aantal vogelsoorten heeft jaarrond beschermde nesten.
Nesten van vogels kunnen gezien worden als strikt beschermd.
Voor de verbreding van de N33 geldt dat er voor de levendbarende hagedis (tabel 2
van de Flora- en faunawet) en de gewone dwergvleermuis (tabel 3 van de Flora- en
faunawet) compensatie zal moeten plaatsvinden.
3.2.3.
a.
b.
c.
Compensatie volgens de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Ecologische Hoofdstructuur (Spelregels EHS, LNV et al., 2007), in dit
geval alleen die van de provincie Groningen;
Gerealiseerde natuurontwikkelingsgebieden;
Kleinere gebieden buiten de EHS, waaronder leefgebieden van beschermde
soorten, die als compensatieplichtig zijn aangewezen in een provinciale
structuurvisie of bestemmingsplan;
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
12/12
Compensatie (VHR, NB-wet en EHS)
Bron: Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHSsaldobenadering en herbegrenzen EHS (Ministerie van LNV et al., 2007)
Wanneer een ingreep onvermijdelijk blijkt, dan is in dat geval de initiatiefnemer
van het plan, project of de handeling verantwoordelijk voor realisatie van
mitigerende maatregelen om de nadelige effecten weg te nemen of te
ondervangen en waar dit niet volstaat, de resterende effecten te compenseren. Het
bevoegd gezag dat verantwoordelijk is voor het opleggen van
compensatieverplichtingen ziet er op toe dat de initiatiefnemer daadwerkelijk
compenseert. Aan compensatie worden de volgende voorwaarden gesteld:
- geen nettoverlies aan waarden, voor wat betreft areaal, kwaliteit en
samenhang;
- compensatie aansluitend of nabij het gebied, onder de voorwaarde dat een
duurzame situatie ontstaat. Bij fysieke compensatie kan onteigening aan de
orde zijn;
- indien fysieke compensatie aansluitend of nabij het gebied onmogelijk is,
door compensatie door de realisering van kwalitatief gelijkwaardige
waarden, dan wel door fysieke compensatie verder weg van het aangetaste
gebied;
- indien zowel fysieke compensatie als compensatie door kwalitatief
gelijkwaardige waarden redelijkerwijs onmogelijk is, wordt financiële
compensatie geboden. Deze wordt in het door rijk en provincies beheerde
Nationaal groenfonds gestort, maar blijft gelabeld aan de betrokken ingreep;
- het tijdstip van het besluit over de ingreep is ook het tijdstip waarop wordt
besloten over aard, wijze en het tijdstip van mitigatie en compensatie;
- voor die gebieden in en buiten de EHS die zijn aangemeld c.q. aangewezen
als gebieden in de zin van de Vogel- en Habitatrichtlijn, gelden enkele
scherpere eisen conform de bepalingen uit de richtlijnen.
Voor Vogel- en Habitatrichtlijngebieden is financiële compensatie niet mogelijk.
Als een ingreep significant effect heeft op deze gebieden is men verplicht vooraf
en tijdig vervangende natuur aan te leggen op een zodanige wijze dat de
samenhang van Natura 2000 (de Europese Ecologische Hoofdstructuur) niet in
gevaar komt.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
13/13
Kosten voor ontwikkelingsbeheer ('compensatie van het kwaliteitsverlies')
 Gedurende de ontwikkelingsperiode van het vervangende gebied is er sprake
van verlies aan natuurkwaliteit. Om dit zo snel mogelijk te herstellen is
gericht ontwikkelingsbeheer in het vervangend gebied nodig. De extra
beheerskosten tijdens de periode van het ontwikkelingsbeheer worden
(gekapitaliseerd) door de initiatiefnemer vergoed.
 Een vergoeding voor de extra kosten voor ontwikkelingsbeheer is maatwerk
en wordt vastgesteld in overleg met de beoogde terreinbeheerder. De
gekapitaliseerde beheerskosten worden als budget vastgelegd, bijvoorbeeld
als gelabeld budget in het Groenfonds.
 Als algemene vuistregel kan worden uitgegaan van extra beheerskosten van
minimaal 1 à 2 keer de normkosten voor het betreffende natuurdoeltype
gedurende de eerste vijf jaar na inrichting van de grond. Voor het
ontwikkelen van typen bos lopen deze kosten over een langere tijd en kan
beter worden uitgegaan van extra beheerskosten van minimaal 1 keer de
normkosten voor de eerste tien jaar na inrichting van de grond.
 De initiatiefnemer zorgt er tevens voor dat vergoeding van de reguliere
beheerskosten voor een periode van 25 jaar gewaarborgd is, bijvoorbeeld
door er voor te zorgen dat het compensatiegebied in aanmerking komt voor
beheerssubsidie.
Compensatie volgens de Compensatieverordening Bos, Natuur, Landschap en
Archeologie - Provincie Drenthe:
Kerngebieden van de EHS;
Gerealiseerde reservaat- en natuurgebieden;
Kleinere natuurgebieden buiten de EHS, die als zodanig zijn aangeduid in het
POP II (nu de Omgevingsvisie Drenthe), onder de werking van de
Natuurbeschermingswet 1998 vallen of zijn vastgelegd in een bestemmingsplan;
Agrarische gronden met natuurwaarden (zone IV in het POP II);
Biotopen van aandachtssoorten die op indicatie van de
soortbeschermingsplannen van het Rijk in omgevingsplannen en/of
bestemmingsplannen zijn opgenomen;
Bossen en landschappelijke beplantingen die onder de werking van de Boswet
vallen.
3.2.4.
a)
b)
c)
d)
e)
f)
Uitgangspunt bij de toepassing van compensatie is dat in beginsel geen nettoverlies
aan waarden mag optreden.
Compensatie volgens de Boswet (VenW en LNV, 2000):
a. Compensatieplichtig zijn die bossen en landschappelijke beplantingen die onder
de Boswet vallen;
b. Wat de vrijstelling Boswet betreft, heeft Rijkswaterstaat een overeenkomst met
het ministerie van EL&I (voorheen LNV) gesloten inzake de uitvoering van
Boswetcompensatie. In de Samenwerkingsovereenkomst Uitvoering Boswet
hebben de ministeries van V&W en LNV in 2000 afgesproken dat alle bomen en
houtopstanden bij infrastructurele ingrepen gecompenseerd dienen te worden. In
artikel 6, lid 2 van de Boswet is daarnaast bepaald dat de minister van EL&I al
3.2.5.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
14/14
dan niet onder voorwaarden ontheffing kan verlenen van de meldingsplicht en
de herbeplantingsplicht binnen drie jaar, afkomstig uit artikelen 2 en 3 van de
Boswet.
De Boswet heeft tot doel om bossen te beschermen. In het kort zegt de Boswet: wat
bos is, moet bos blijven. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet
op dezelfde plaats kan, dan elders (compensatie). Alleen bij een groot
maatschappelijk belang wijkt de Boswet onder voorwaarden.
Onder de Boswet vallen alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are of,
als het een rijbeplanting betreft, uit meer dan 20 bomen bestaan. In voorliggende
studie is in plaats van 20 bomen de stelregel aangehouden dat een rijbeplanting van
meer dan 140 meter (20 bomen maal 7 meter doorsnee kroon) compensatieplichtig
zijn. Alleen bos welke buiten de bebouwde kom ligt valt onder de Boswet. Een
aantal boomsoorten valt niet onder de Boswet. Dit zijn linde, paardenkastanje,
Italiaanse populier en treurwilg. Ook éénrijige beplantingen van populier en wilg
langs landbouwgronden vallen niet onder de Boswet, net als boomgaarden en
kwekerijen van kerstbomen of van bosplantsoen.
3.3
Overige kaders
Nota Landschap & Nota Landschappelijke Inpassing
In het kader van de verdubbeling N33 Assen – Veendam – Zuidbroek - is een Nota
Landschap opgesteld als bijlage van het MER (Oranjewoud, 2012). De Nota
Landschap geeft naast de effecten op het landschap, eveneens aan hoe moet worden
omgegaan met de inpassing van de Rijksweg. Deze nota bevat schetsen waarop
aangegeven is waar de nieuw aan te planten bomen gesitueerd zijn. Deze locaties
met bomen zijn als compensatielocaties opgenomen in dit compensatieplan.
3.3.1.
Daarnaast is er in het kader van de verdubbeling N33 Assen – Veendam – Zuidbroek
- de Nota Landschappelijke Inpassing (Oranjewoud, 2012) opgesteld als bijlage van
de Toelichting op het TB. Deze nota geeft aan op welke wijze de inpassing van het
tracé in het landschap zal plaatsvinden en welke compenserende maatregelen
worden getroffen.
3.3.2. Overige ontwikkelingen in de omgeving
In de nabijheid van de Rijksweg N33 zijn diverse ruimtelijke ontwikkelingen
gaande. Dit betreft uitbreidingen van dorpskernen, industrieterreinen etc. In deze
paragraaf worden deze ontwikkelingen weergegeven, aangezien er voor deze
ontwikkelingen mogelijk ook een compensatieplicht ligt. De compensatieopgave ten
behoeve van de verdubbeling van de N33 heeft geen relatie met deze ruimtelijke
ontwikkelingen (zie ook figuur 2). Deze ruimtelijke ontwikkelingen zijn
gecontroleerd op actualiteit.
1. Toeristische voorziening bij het TT circuit ('TT World'). Het gaat hierbij om de
uitbreiding van het TT terrein en een evenemententerrein met een (inter-)
nationale uitstraling;
2. Station Assen-Zuid + hoogwaardig bedrijventerrein;
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
15/15
3. Woningbouw Van Boeyenoord;
4. Woningbouw + kleinschalige bedrijvigheid Rolde;
5. Openbaar Vervoer knooppunt Gieten;
6. Uitbreiding industrieterrein Bloemakker;
7. Woningbouw Wildervank-Oost;
8. Industrieterrein Dallen II;
9. Woningbouw Langebosch;
10. Woningbouw Woellust;
11. Woningbouw Buitenwoellaan Golfbaan;
12. Woningbouw Tolweg-Muntendam;
13. Bedrijventerrein Veenwolde;
14. Tweede fase bedrijventerrein Gouden Driehoek.
Figuur 2: Ruimtelijke ontwikkelingen rond N33 (SNN et al., 2005)
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
16/16
4
Spelregels compensatie N33
De negatieve effecten als gevolg van het Tracébesluit N33 op beschermde gebieden
dienen zoveel mogelijk beperkt te worden door landschappelijke inpassing en
mitigerende maatregelen. Als mitigatie niet mogelijk is, of niet in voldoende mate de
effecten wegneemt, moet het verlies aan areaal en kwaliteit van de in deze gebieden
elders worden gecompenseerd.
Compensatie kan in verschillende vormen plaatsvinden. Daarbij geldt het principe
dat in, of direct nabij het gebied dat effecten ondervindt, moet worden
gecompenseerd. Een vorm van compenseren is het creëren van
kwaliteitsverbetering. Dit betekent dat het mogelijk is te compenseren in een
bestaand natuurgebied. Door extra (inrichtings)maatregelen in een natuurgebied
krijgen de waarden een kwalitatieve impuls. In alle compensatievormen is het van
belang het compensatiegebied te laten aansluiten op bestaande natuurgebieden.
Pas wanneer fysieke compensatie niet of slechts ten dele mogelijk is, is financiële
compensatie aan de orde. Indien fysieke compensatie moet plaatsvinden vanwege
vernietiging van een Natura-2000-gebied is financiële compensatie niet mogelijk
(Spelregels EHS, LNV et al., 2007).
4.1
Uitgangspunten compensatieopgave N33
Bij de berekening van het ruimtebeslag in hectares is uitgegaan van de grenzen van
het Tracébesluit. Hierbij is uitgegaan van ruimtebeslag welke optreedt bij de
voorgestelde wegontwerpen. Niet elke bosopstand binnen de tracégrenzen hoeft dus
te worden verwijderd, indien hier geen maatregelen in het wegontwerp zijn
voorzien. Met behulp van GIS-berekeningen zijn de mogelijk te verwijderen
oppervlaktes bepaald.
Voor wat betreft de bepaling van de compensatieopgave voor de levendbarende
hagedis is gebruik gemaakt van veldwerkinventarisatie, uitgevoerd door Stichting
RAVON (2010) volgens de methode die door Henk Strijbosch wordt beschreven
(zie bijlage 1). Met behulp van een omrekenmethode is de (populatiegerichte)
compensatieopgave geconcretiseerd.
Van sommige aangewezen compensatiegebieden (zoals Oostermoersche Vaart) is
een concreet aantal hectares bekend. Voor Zoersche Landen is een indicatief
oppervlak bepaald met behulp van een GIS-berekening.
In bijlage 2 (tabel compensatieopgave) staan de compensatiefactoren per te
compenseren beleidskader uiteengezet. In deze tabel is tevens inzichtelijk gemaakt
wat het verschil in compensatieopgave was, zoals berekend in het OTB en welke nu
is berekend in het TB.
Indien er sprake is van een overlap tussen beleidskaders in een te verwijderen
natuurgebied, is uitgegaan van het beleid met de hoogste compensatiefactor. Met
behulp van de historische atlas zijn de leeftijden van de bosopstanden geschat voor
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
17/17
het gehele N33 traject. Hierbij is voor het bepalen van de leeftijdsgrens van 25 jaar,
de topografische kaart van 1991 (Kadaster) gehanteerd en voor de leeftijdsgrens van
100 jaar de topografische militaire kaart van 1907 (Kadaster).
Indirecte compensatie (vernietiging ten gevolge van voorgestelde
compensatiemaatregelen) en het compensatieoppervlak ten behoeve van de
levendbarende hagedis zijn niet in de tabel (bijlage 2) opgenomen, maar wel in de
tabel van hoofdstuk 10.
Andere uitgangspunten
Compenserende en/of mitigerende maatregelen voor (ontwikkeling van) akkervogels
in de kerngebieden in de provincie Groningen ten gevolge van de verdubbeling van
de N33 zijn niet nodig, aangezien geconcludeerd is dat de verdubbeling van de N33
geen noemenswaardig effect heeft (Nota Ecologie, 2012).
Door het verwijderen van beplanting ontstaat er meer openheid in het landschap op
het traject tussen Zuidbroek en Meeden. Voor akkervogels betekent dit mogelijk een
verbetering; zij houden van een meer open landschap (zie bijlage 3: Memo Provincie
Groningen, dd. 18 maart 2010).
Voor de EHS compensatieopgave wordt verwezen naar de Spelregels EHS (LNV et
al., 2007) in het Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 / POP III van de provincie
Groningen (prov. Groningen, 2009).
4.1.1.
Om het ruimtebeslag van het project op Natura 2000-gebieden te bepalen is in GIS
de overlap van het projectgebied (het gebied binnen de tracégrenzen) met de
begrenzing van de Natura 2000-gebieden gemeten. Uit deze meting blijkt dat er geen
ruimtebeslag plaatsvindt op Natura 2000-gebieden. Er zijn daarom geen effecten
door ruimtebeslag op Natura 2000-gebieden voor het project verbreding N33.
Op een aantal locaties langs de N33, o.a. in knooppunt Assen en nabij de rotonde
van Gieten, kunnen ondanks de verbreding enkele hectares bomen gehandhaafd
blijven binnen de TB-grens (Nota Landschap en Nota Landschappelijke Inpassing,
Oranjewoud 2012). Dit betekent dat deze bomen niet als compensatieopgave gezien
worden. Wanneer blijkt dat deze bomen voor aanvang van de werkzaamheden wel
verwijdert moeten worden (ten behoeve van werkdepots en dergelijke), wordt dat
een compensatieplicht voor de uitvoerende partij welke de verdubbeling van de N33
zal bewerkstelligen.
Voor het aanvragen van kapvergunningen (fase na TB) dient een
bomeninventarisatie uitgevoerd te zijn. In bijlage Bomeninventarisatie zijn de
resultaten van de bomeninventarisatie weergegeven. Eisen die vanuit de
kapvergunningen worden gesteld zijn niet meegenomen in het compensatieplan. Aan
deze eisen dient wel voldaan te worden door de uitvoerende partij.
Wanneer blijkt dat middels een voorgestelde compensatiemaatregel ruimtebeslag
(vernietiging) plaatsvindt van bestaande natuurwaarden, dienen deze waarden
eveneens gecompenseerd te worden volgens het geldende beleidskader.
Landschappelijke inpassing
Voor de landschappelijke inpassing van de wegverbreding worden (gelet op artikel
11, tweede lid onder b. van de Tracéwet) maatregelen gerealiseerd. Deze
4.1.2.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
18/18
maatregelen staan vermeld in de Nota Landschap (Oranjewoud, 2012) en de Nota
Landschappelijke Inpassing (Oranjewoud, 2012) en zijn opgenomen in het TB.
4.1.3. Mitigatie
Om de negatieve effecten van de wegverbreding op natuur te verminderen worden
(gelet op artikel 11, tweede lid, onder b, van de Tracéwet) mitigerende maatregelen
gerealiseerd. Deze zijn in de TB verdubbeling N33 - Nota Ecologie (Oranjewoud,
2012) genoemd en zijn opgenomen in het TB.
4.2
Compensatie vanuit de Flora- en faunawet
Het is mogelijk om een bestaand leefgebied te verbeteren en in kwaliteit te
optimaliseren ter compensatie. Om tot optimalisatie te kunnen komen dienen de
volgende punten bekend zijn:
 De functie van het te vernietigen leefgebied;
 de voorkomende soorten;
 het reeds voorkomende aantal exemplaren;
 het belang van het leefgebied voor een populatie/deelpopulatie, etc.
Door de verdubbeling van de N33 verdwijnt op de reserveringsstrook leefgebied van
de levendbarende hagedis. Daarnaast verdwijnt er leefgebied van de gewone
dwergvleermuis door de sloop van enkele woningen langs de N33. Vanuit de Floraen faunawet bestaat de verplichting negatieve effecten op beschermde soorten
zoveel mogelijk te beperken (mitigatie) en waar nodig te compenseren. De
levendbarende hagedis betreft een streng beschermde soort (tabel 2 van de Flora- en
faunawet) en de gewone dwergvleermuis een strikt beschermde soort (tabel 3 van de
Flora- en faunawet).
Omdat de reserveringsstrook tussen Assen en Gieten (N33) zal verdwijnen en als
weg zal worden ingericht, is mitigatie niet mogelijk. Het leefgebied van de
levendbarende hagedis dient daarom gecompenseerd te worden.
Ook op de locatie waar woningen gesloopt worden zullen niet opnieuw woningen
worden gebouwd. Daarom zal elders, maar zo dicht mogelijk in de buurt van de te
slopen woningen, compensatie ten behoeve van de gewone dwergvleermuis moeten
plaatsvinden.
Leefgebied levendbarende hagedis
Op basis van een overleg met het ministerie van ELI in de voorfase van het
compensatieplan is indertijd gekozen om hectaregericht te compenseren. Dit
betekent voor deze soort compensatie van het leefgebied, ofwel de
reserveringsstrook, van ca. 24 ha.
4.2.1.
Wanneer hectaregericht wordt gecompenseerd zal het compensatiegebied pas na
minimaal tien jaar geschikt zijn als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Gelet
op de gestelde eisen in de Flora- en faunawet en in overeenstemming met het
ministerie van ElI, is daarom besloten om uit te gaan van populatiegericht
compenseren. Dit betekent dat het uitgangspunt voor het uitvoeren van de
compensatieopgave is het zoeken naar reeds bestaande natuurgebieden. Deze
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
19/19
natuurgebieden zullen al grotendeels geschikt moeten zijn als leefgebied voor de
betreffende soort. In de gebieden zal door middel van het treffen van
inrichtingsmaatregelen een kwaliteitsimpuls moeten worden gegeven. Daarnaast zal
het leefgebied van de levendbarende hagedis uitgebreid worden.
De kwaliteitsimpuls houdt in dat het leefgebied van de te compenseren soort wordt
verbeterd en tevens een vergroting van de ecologische waarde voor het betreffende
compensatiegebied, rekening houdend met de aanwezige (beschermde) flora en
fauna. Met het treffen van deze compensatiemaatregel is het essentieel om aan te
tonen dat de leefgebieden, ten behoeve van de te verplaatsen populatie op de
reserveringsstrook, voldoende ruimte bieden en er voldaan wordt aan de gestelde
eisen voor een geschikte biotoop. Hierbij moet worden rekening gehouden met de
uitwisselbaarheid van populaties en het risico dat de te verplaatsen populatie
nadelige gevolgen met zich meebrengt voor de mogelijk reeds aanwezige populatie
in het compensatiegebied.
Foto 1: Reserveringsstrook ter hoogte van het tankstation tussen Assen en Rolde (T. Seip,
Movares)
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
20/20
Foto 2: Reserveringsstrook ter hoogte van de verzorgingsplaats tussen Rolde en Gieten (T.
Seip, Movares)
Door de geplande verbreding van de N33 zal de reserveringsstrook tussen Assen en
Gieten verdwijnen. Op de reserveringsstrook zijn exemplaren van de levendbarende
hagedis waargenomen. Aangezien de reserveringsstrook geen aansluiting heeft op
andere leefgebieden van de levendbarende hagedis is de reserveringsstrook een
leefgebied van drie sterk geïsoleerde deelpopulaties.
Het leefgebied betreft (delen van) de reserveringsstrook met afwisselende
heidebiotoop met enten, bramen, brem, struik- en dophei. Deze reserveringsstrook is
‘aangelegd’ in de jaren ‘70 ten behoeve van de verbreding van de N33, maar is
‘spontaan’ vergroeid tot een leefgebied voor de soort. Er zijn geen mitigerende
maatregelen mogelijk om het biotoop in stand te houden. Vanuit de Flora- en
faunawet is compensatie verplicht om de duurzame staat van instandhouding van de
populatie te garanderen.
De insteek van de Flora- en faunawet is behoud van de functionaliteit van vaste rusten verblijfplaatsen. De soort (het individu/populatie) zal zich moeten kunnen
handhaven op het huidige niveau en een plek moeten hebben om te kunnen rusten,
voortplanten etc. Daarom wordt voor dit compensatieplan uitgegaan van de
biotoopbehoefte van de huidige populatie van de levendbarende hagedis, zoals is
afgestemd met Rijkswaterstaat en het ministerie van ELI. Dit betekent dat gezocht is
naar een reeds bestaand natuurgebied waar deze soort al voorkomt.
In dit gebied zal extra leefruimte gecreëerd worden voor de populatie van de
reserveringsstrook, zodat deze hier naar toe kan worden verplaatst. Nieuwe
leefruimte kan worden gecreëerd door middel van kwaliteitsverbetering en/of
uitbreiding van het bestaande gebied.
Een extra veldinventarisatie op de reserveringsstrook van de N33 is uitgevoerd om
een inschatting te maken van de populatie van de levendbarende hagedis (zie bijlage
1, Ravon 2010).
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
21/21
Verblijfplaats gewone dwergvleermuis
Ten behoeve van de uitvoer van het project verdubbeling N33 worden een aantal
gebouwen gesloopt. Dit betreft opstallen in Meeden, Bareveld en Veendam. Deze
gebouwen zijn op aanwezigheid van paarverblijven van vleermuizen onderzocht
(Van der Hout, 2010). Onderzoek naar de aanwezigheid van andere typen verblijven
(zomer-, winter- en kraamverblijven) worden in 2012 uitgevoerd. De resultaten
afkomstig uit deze nog uit te voeren inventarisatie worden niet meergenomen in dit
rapport, maar zullen worden verwerkt in het activiteitenplan en zo nodig in het
ecologische werkprotocol ten behoeve van de ontheffingsaanvraag Flora- en
faunawet.
4.2.2.
In het najaar van 2010 is een inventarisatie uitgevoerd naar paarverblijfplaatsen van
vleermuizen. Er zijn wel waarnemingen van vleermuizen gedaan rond de gebouwen
van Duurkenakker 24, maar er is geen baltsactiviteit waargenomen en er zijn geen
paarverblijven geconstateerd. Er zijn wel paarverblijfplaatsen aangetroffen in de
woningen K.J. de Vriezestraat 21 en 22 en in de woning Ommelanderwijk 1. Dit
betreft de paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
Er is ontheffing van de Flora- en faunawet nodig om deze verblijfplaatsen te mogen
verwijderen. Ontheffing wordt verleend indien er voldoende mitigerende en
compenserende maatregelen worden genomen. Deze verplichte maatregelen vallen
onder de inpassingsmaatregelen die in het kader van de Flora- en faunawet in het
tracébesluit worden genomen. De compensatie is afhankelijk van het precieze
gebruik.
Voor de gewone dwergvleermuis kan gedacht worden aan het plaatsen van
vleermuiskasten, welke dezelfde functie hebben als hun huidige verblijfplaatsen. Uit
het onderzoek dat in 2012 wordt uitgevoerd, zal moeten blijken welke functie deze
kasten, en dus de compensatieopgave, daadwerkelijk moeten hebben.
4.3
Compensatie EHS provincie Groningen
Het areaal bos en grasland dat verloren zal gaan binnen de Ecologische
Hoofdstructuur (EHS) moet kwalitatief (opwaardering van bestaande
natuurgebieden) en kwantitatief (netto geen verlies aan areaal) worden
gecompenseerd (Spelregels EHS, LNV et al., 2007). De provinciale verordening
geeft aan dat schade aan areaal, kwaliteit en samenhang moet worden voorkomen of
volledig (netto) moet worden gecompenseerd. Dit komt overeen met de spelregels
EHS.
Het te compenseren oppervlak betreft het EHS-gebied binnen de TB-grens en onder
het ruimtebeslag van de geplande inrichtingsmaatregelen ten gevolge van de
verdubbeling van de N33. Dit oppervlak dient te worden vermenigvuldigd met een
compensatiefactor, die afhankelijk is van het biotoop welke aanwezig is in het EHSgebied en de leeftijd van de eventuele beplanting aldaar.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
22/22
De provincie Groningen gaat uit van de Spelregels EHS (LNV et al., 2007). De
provincie Drenthe kent haar eigen spelregels (zie paragraaf 4.4). In de volgende
tabel is aangegeven welke compensatiefactoren gehanteerd worden.
EHS (geldend voor provincie Groningen)
Grasland en beplanting tot 5 jaar
Beplanting van 5 tot 25 jaar
Beplanting van 25 tot 100 jaar
Beplanting ouder dan 100 jaar
Compensatiefactor
100%
133%
166%
300%
Tabel 2: Compensatiefactoren EHS-gebied provincie Groningen
4.4
Compensatie EHS en bos provincie Drenthe
Conform de compensatieverordening Bos, Natuur, Landschap en Archeologie van
de provincie Drenthe, dienen alle te verwijderen natuurgebieden binnen de EHS (als
zodanig zijn aangeduid in de Omgevingsvisie 2010) te worden gecompenseerd. Ook
hier gelden compensatiefactoren afhankelijk van het biotoop en de leeftijd van de
natuur. Ook bosopstanden buiten de EHS-begrenzing dienen conform deze
compensatiefactoren te worden gecompenseerd. Zie Tabel 3 voor de
compensatiefactoren uit de verordening.
In het kort betreffen de spelregels voor de zoekopgave compensatie EHS:
- compensatie dicht bij de ingreep;
- er dient vergelijkbare natuurkwaliteit voor terug te komen of er zullen
vergelijkbare haalbare doelen voor het betreffende compensatiegebied moeten
gelden;
- compensatie dient buiten EHS-begrenzing plaats te vinden.
Er kan van bovengenoemde spelregels alleen afgeweken worden als hier
zwaarwegende argumenten voor zijn.
Provincie Drenthe (POP II)
Grasland
Beplanting tot 25 jaar
Beplanting van 25 tot 100 jaar
Beplanting ouder dan 100 jaar
Compensatiefactor
100%
150%
200%
300%
Tabel 3: Compensatiefactoren EHS-gebied en bosgebied provincie Drenthe
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
23/23
4.5
Compensatie vanuit Boswet
Daar waar het beleid van de provincies niet overlapt, is compensatie vereist voor
bosgebieden en houtopstanden die vallen onder de Boswet en de
samenwerkingsovereenkomst tussen de ministeries V&W en LNV (Min LNV &
DLG, 2000).
In onderstaande tabel is aangegeven welke compensatiefactoren gehanteerd worden.
Boswet
Beplanting kleiner dan 10 are of rijbeplanting kleiner dan
140 meter
Beplanting groter dan 10 are of rijbeplanting groter dan
140 meter
Compensatiefactor
0%
100%
Tabel 4: Compensatiefactoren Boswet
4.6
Vernietiging bosgebieden en houtopstanden
Ten behoeve van de verdubbeling N33 zal langs het gehele tracé beplanting worden
verwijderd ten behoeve van een (in de ontwerpnormen voorgeschreven)
obstakelvrije zone van 8 meter en de aanpassingen van aansluitingen op
aangrenzende wegen.
De te vernietigen EHS-gebieden en opstanden zijn met een GIS-berekening bepaald
(zoals vermeld staat in paragraaf 4.1). In bijlage 5 (kaarten te kappen bos) staan
kaarten weergegeven met de te verwijderen gebieden/opstanden en het beleidskader
en hun compensatiefactor waar zij onder vallen. Per deeltraject is een kaart
opgesteld. Voor exacte aantallen te verwijderen bomen en hun locaties wordt
verwezen naar bijlage 4 (bomeninventarisatie).
Na realisatie van de verdubbeling wordt de wegbeplanting op enkele plaatsen
opnieuw aangebracht. Deze compensatie binnen de TB-grens is weergegeven in de
Nota Landschap (Oranjewoud, 2012). Op basis van de hierin opgenomen
landschapsontwerpen is middels een GIS-berekening bepaald om welke
oppervlakten/lengtes compensatie het gaat. Deze oppervlaktes (en de lengtes die
hiernaar zijn omgerekend) zijn opgenomen in bijlage 2.
Alle in dit compensatieplan aangegeven oppervlaktes worden in overleg met de
Dienst Landelijk Gebied, Staatsbosbeheer, Stichting Het Drents Landschap, de
provincies Drenthe en Groningen en de gemeenten Assen, Aa en Hunze en
Menterwolde conform bovenstaande uitgangspunten gecompenseerd.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
24/24
5
Aanpak compensatieopgave N33
5.1
De aanpak
Realisatie van de compensatietaakstelling dient bij voorkeur via een samenhangende
en gebiedsgerichte aanpak plaats te vinden. Getracht wordt aan te sluiten bij lopende
inrichtingsprojecten in de omgeving, welke een eigen organisatiestructuur en
communicatietraject hebben. Bij het samengaan met dergelijke gebiedsgerichte
processen kan compensatie, wanneer dit steunt op lokaal bestuurlijk draagvlak,
efficiënter worden uitgevoerd en een meerwaarde hebben voor de ruimtelijke
structuur.
5.1.1. Samenwerking met lokale overheden
De compensatie zal worden gerealiseerd in samenwerking met de provincies
Drenthe en Groningen, de gemeenten Assen, Aa en Hunze, Menterwolde en met
Stichting Het Drents Landschap en Staatsbosbeheer (de beheerders van enkele
natuurgebieden).
Planologische bescherming
Om een compensatiegebied duurzaam, planologische te kunnen beschermen is het
vastleggen daarvan in een bestemmingsplan en provinciale structuurvisie een
voorwaarde.
Het voorliggend Natuurcompensatieplan verbreding N33 is een bijlage bij de
Toelichting van het Tracébesluit. Het Tracébesluit geldt, voor zover het niet in
overeenstemming is met een bestemmingsplan of een beheersverordening, als
projectbesluit zoals bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, van de Wet ruimtelijke
ordening en is geïntegreerd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
(WABO), waarmee het onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunning.
5.1.2.
Het Tracébesluit werkt daardoor rechtstreeks door in het ruimtelijke beleid van de
betrokken gemeenten. De gemeenteraden van de betrokken gemeenten zijn verplicht
om binnen één jaar nadat het Tracébesluit onherroepelijk is geworden, het
bestemmingsplan overeenkomstig het Tracébesluit vast te stellen. Zolang het
bestemmingsplan niet is aangepast aan het Tracébesluit, is het gemeentebestuur
verplicht aan diegenen die inzage in het bestemmingsplan wensen, tevens inzage te
verlenen in het Tracébesluit.
5.2
Gestelde eisen aan compensatie
In de Nota Ecologie (Oranjewoud, 2012) is geanalyseerd hoeveel areaal EHS
(kwalitatief en kwantitatief) en welk leefgebied van beschermde soorten
gecompenseerd dient te worden. In voorliggend rapport is geanalyseerd welke areaal
aan bos gecompenseerd dient te worden.
De initiatiefnemer (Rijkswaterstaat Dienst Noord-Nederland) dient met
belanghebbenden (onder andere gemeenten) overeen te komen op welke locaties
compensatie uitgevoerd kan worden. De criteria worden in de volgende subparagraaf
aangegeven. Met behulp van dit compensatieplan en gedurende het proces van het
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
25/25
uitwerken van dit plan wordt door middel van uitvoeringsovereenkomsten de
compensatie daadwerkelijk geregeld.
Criteria compenseren
Onderstaand zijn de criteria die aan de compensatiegebieden gesteld worden
opgesomd. Voor wat betreft compensatie wordt het volgende omschreven:
 aard, omschrijving, beoogde compensatiegrootte (areaal);
 realisatie compensatie (begrenzing van compensatiegebieden);
 eigendomssituatie (plus grondverwerving);
 type compensatie;
 planologische bescherming;
 daadwerkelijke compensatie (realisatietermijn);
 ecologische waarde;
 landschappelijke inpassing (in omgeving);
 handreiking beheer en onderhoud;
 aanpak/methodiek evaluatie en monitoring;
 globale kostenraming inrichtingsposten;
 status.
5.2.1.
Bovenstaande aspecten zullen in algemene zin worden geborgd in de uitvoeringsovereenkomsten die Rijkswaterstaat Dienst Noord-Nederland zal sluiten met lokale
partners. De bovenstaande criteria worden ofwel vastgelegd als eisen in een
overeenkomst met lokale partners, ofwel als procesafspraken meegenomen in de
overeenkomsten.
Inrichtings- en beheerplan
Aansluitend op het compensatieplan voor het TB zal voor elk aangewezen
compensatiegebied door DLG een inrichtings- en beheerplan opgesteld worden.
Hiervoor wordt in elke uitvoeringsovereenkomst procesafspraken opgenomen. Dit
plan geeft aan hoe de inrichting en het beheer van de compensatiegebieden zal
worden uitgevoerd, waarbij wordt ingegaan op de onderdelen; grondwerk,
hydrologische maatregelen, ontsluiting, inrichting en de praktische voorbereiding.
Tevens bevat het inrichtings- en beheerplan een paragraaf evaluatie en monitoring
(‘monitoringsplan’). Ook worden de exacte (absolute) getallen van de te
compenseren hectaren hierin opgenomen.
5.2.2.
Na de aanleg zijn beheermaatregelen nodig, ten einde de (natuur)ontwikkeling op de
compensatiegebieden naar het gewenste eindbeeld te sturen (zoals beschreven in het
compensatieplan).
Evaluatie en monitoring
In elke uitvoeringsovereenkomst staan procesafspraken opgenomen over de wijze
waarop de geplande compensatie geëvalueerd gaat worden. Dat is afhankelijk van de
doelstellingen van de compensatiegebieden. De monitoring kan vrij eenvoudig zijn.
Specifieke natuurdoelen zijn niet geformuleerd, daarom hoeven geen causale
verbanden tussen ingreep en effect gemonitoord te worden. De monitoring bestaat
uit het op verschillende tijdstippen in kaart brengen van de staat van realisatie en de
voorgenomen beheermaatregelen van de compensatiegebieden.
5.2.3.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
26/26
6
Onderzoek compensatiegebieden voor de N33
Ten behoeve van de TB verdubbeling N33 is er een inspanningsverplichting voor te
compenseren natuurwaarden opgenomen.
Na vaststelling van het TB, zodra de grond verworven is en het inrichting-, beheeren onderhoudsplan in overeenstemming met de betrokken partijen is opgesteld, kan
de compensatie van de natuurwaarden gerealiseerd worden.
Rijkswaterstaat Dienst Noord Nederland (RWS DNN) heeft de Dienst Landelijk
Gebied (DLG) opdracht gegeven om vereiste compensatiegebieden buiten de TBgrens te zoeken. Tussen RWS DNN en DLG is de afspraak gemaakt dat in 2014 de
compensatieopgave daadwerkelijk gerealiseerd moet zijn. RWS heeft zichzelf een
resultaatsverplichting opgelegd om alle vereiste compensatie-opgaves daadwerkelijk
te realiseren, waarbij DLG een inspanningsverplichting heeft om dit te verzorgen.
Dit is door het bevoegd gezag akkoord bevonden.
In hoofdstuk 10 is een samenvattende tabel opgenomen met de totalen te
compenseren hectares en de bijbehorende natuurwaarden. Daarnaast zijn de
voorziene compensatiegebieden inclusief oppervlak aangegeven en de
natuurwaarden die hier, naar verwachting, zullen worden gecompenseerd.
6.1
Verkenning compensatiegebieden levendbarende hagedis
In aansluiting op het Natuurcompensatieplan uit het OTB (Movares, 2010), zijn voor
de levendbarende hagedis drie compensatiegebieden onderzocht. De gebieden zijn in
2011 geïnventariseerd op vegetatiestructuur en het voorkomen van levendbarende
hagedissen.
Gasselterheide
De Gasselterheide (ca. 21 ha.) betreft een bos- en heidegebied. Een onderdeel
hiervan, circa 5 hectare, kan aangemerkt worden als kwaliteitsverbetering /
vergroting leefgebied voor de levendbarende hagedis. Dit is te realiseren door het
kappen van bos tussen de Gasselterheide en het aangrenzende Drouwenerzand,
waardoor een aaneengesloten leefgebied ontstaat (Movares, 2010).
De Gasselterheide (in eigendom van de gemeente Aa en Hunze) wordt momenteel
(intensief) begraasd door een schaapskudde, waardoor de heide niet structuurrijk is
en suboptimaal leefgebied voor de levendbarende hagedis vormt. Op zowel de
Gasselterheide als het Drouwenerzand (in eigendom bij Stichting het Drentse
Landschap) komen reeds levendbarende hagedissen voor. Op de Gasselterheide
betreft het een lage dichtheid (van Uchelen, 2011).
6.1.1.
Landgoed Heidehof
Landgoed Heidehof (ca. 6.6 ha) is in eigendom van Stichting Heidehof en betreft
(voormalige) agrarische grond. Het gaat hier met name om voedselrijk grasland,
welke momenteel nauwelijks geschikt is voor de levendbarende hagedis. Dit gebied
kan (op lange termijn) geschikt gemaakt worden door ontgronding, waarbij gestreefd
6.1.2.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
27/27
wordt naar een heideachtige vegetatie welke geschikt is voor de levendbarende
hagedis. Het oppervlak is te klein voor een zelfstandige populatie levendbarende
hagedissen. Aansluiting met andere voor deze soort geschikte terreinen is dus op
termijn noodzakelijk. In het huidige terrein zijn geen levendbarende hagedissen
aangetroffen.
Landgoed het Westersche Veld
Landgoed het Westersche Veld (ca. 37 ha) is in bezit van BV Landgoed het
Westersche Veld van Rolde. Het betreft een gebied met verschillende typen natuur,
waaronder bos en grote heidevelden.
Het gebied is (zeer) geschikt voor de levendbarende hagedis: er is voldoende
structuurrijke (oude) heide met verspreide opslag aanwezig en het terrein is groot
genoeg voor een zelfstandige populatie. Eventuele maatregelen om verdroging van
het heideterrein te voorkomen zijn gunstig voor de levendbarende hagedis, zolang er
geen (nieuwe) terreindelen onder water komen te staan. Bij een veldbezoek in 2011
zijn enkele exemplaren van de levendbarende hagedis aangetroffen. De soort komt
er in lage dichtheden voor.
6.1.3.
6.1.4. Conclusie
Landgoed het Westersche Veld is momenteel het beste compensatiegebied voor de
levendbarende hagedis, vanwege zijn grote oppervlak en goede vegetatiestructuur.
De Gasselterheide is ook geschikt, mits de begrazingsdruk wordt verminderd en het
gebied wordt verbonden met het Drouwenerzand. Landgoed Heidehof vormt
vanwege de ruige, voedselrijke vegetatie en het geringe oppervlakte momenteel geen
geschikt leefgebied en is in de verdere uitwerking van het compensatieplan buiten
beschouwing gelaten.
6.2
Verkenning compensatiegebieden voor bos en grasland
Voor de compensatie-opgaves zijn kansrijke gebieden geanalyseerd (Movares,
2010). De gebieden die in deze analyse als meest kansrijk zijn aangemerkt zijn nader
verkend. DLG heeft vervolgens de inspanningsverplichting op zich genomen om de
juiste compensatiegebieden bij de compensatie-opgave te zoeken en de vereiste
natuurcompensatie te realiseren. Vanwege nog lopende onderhandelingen over
gronden, kunnen compensatiegebieden op dit moment nog niet benoemd worden.
Er kan al wel gesteld dat compensatie van schraal grasland ter grootte van 3,96
hectare kan plaats vinden op percelen nabij Oostmoersche Vaart (Hunze). Ook is
bekend dat er boscompensatie ter grootte van 2,18 hectare kan plaats vinden op het
Hollandscheveld. Zie voor verdere beschrijving paragraaf 8.2 en 8.3.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
28/28
7
Compensatie in kader van de Flora- en faunawet
7.1
Compensatieopgave Levendbarende hagedis
Door de verbreding van de N33 gaat biotoop van de levendbarende hagedis verloren
(zie 7.1.1), welke zich in de huidige situatie op delen van de reserveringsstrook van
de N33 bevindt. Ten behoeve van de compensatie van hun leefgebied is een
compensatieplan opgesteld door het bureau Wildernistrek. In deze paragraaf zijn een
aantal belangrijke punten uit dit compensatieplan opgenomen. Voor meer informatie
wordt verwezen naar het betreffende compensatieplan: Compensatieplan
levendbarende hagedis N33 (van Uchelen, 2011).
7.1.1. Ecologische randvoorwaarden
Voor een duurzaam compensatieplan, waarbij een gunstige staat van instandhouding
van de populatie gegarandeerd is, zijn de volgende ecologische randvoorwaarden
van belang:
- Het compensatiegebied moet gereed zijn en functioneren op het moment dat de
hagedissen erin worden geplaatst. Dit is een van de meest voorkomende punten
op basis waarvan compensatieplannen mislukken (Bosman, et. al. 2011).
- Nieuw te realiseren leefgebied is, uitgaande van landbouwgrond of bos, pas op
(lange) termijn geschikt voor de levendbarende hagedis, tenzij specifieke
maatregelen worden genomen zoals het aanleggen van takkenen plaggenrillen
en/of deponeren van flinke hoeveelheden dood hout op daarvoor geschikte
plekken.
- Toekomstig beheer moet zijn afgestemd op de populatie levendbarende
hagedissen.
- Voor een zelfstandige populatie levendbarende hagedissen is een minimum
(geschikt) leefgebied nodig van tenminste 10 hectare aaneengesloten leefgebied
(Van Uchelen, 2006).
- Compensatiegebieden moeten zo dicht mogelijk bij het verloren gegane
leefgebied liggen.
- Het compensatiegebied moet zo goed mogelijk aansluiten op bestaande, voor de
levendbarende hagedis geschikte natuurgebieden.
- Risicospreiding is wenselijk: het is beter om niet alle hagedissen op één terrein
terug te plaatsen. In geval van onvoorziene calamiteiten (heidebrand,
overstroming etc.) gaan niet alle teruggeplaatste dieren verloren indien deze
over meerdere compensatiegebieden zijn verdeeld.
-
Voorstel is om tot de volgende verdeling te komen:
3/5 deel van de populatie wordt overgeplaatst naar het Westersche Veld en
2/5 wordt overgeplaatst naar de Gasselterheide. Indien op het moment van
overplaatsing een of meerdere terreinen naar mening van een deskundige
ecoloog niet geschikt zijn, dan wordt naar zijn inzicht afgeweken van deze
verdeelsleutel.
Compensatie voor leefgebied van de levendbarende hagedis kan plaatsvinden in
geschikt bestaand natuurgebied, onder de volgende drie voorwaarden:
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
29/29
1. Als in het beoogde compensatiegebied reeds een populatie levendbarende
hagedissen voorkomt, dan moet de dichtheid van deze populatie duidelijk
onder de maximale dichtheid / draagkracht van het gebied liggen.
2. Een kwaliteitsverbetering van het bestaande natuurgebied voor de
levendbarende hagedis wordt doorgevoerd. Dat kan door bijvoorbeeld het
tegengaan verdroging, handhaven / beschermen en vergroten van het areaal
oude heidestruiken, terugdringen van begrazing, voorkomen of tegengaan
van intensieve recreatie en/of het uitbreiden van heideterrein ten kosten van
bos- of landbouwgebied.
3. Het totale oppervlakte van voor de levendbarende hagedis geschikt
leefgebied moet tenminste overeenkomen met het verloren gegane
leefgebied.
Populatiegericht compenseren
Op basis van een overleg met het ministerie van EL&I in de voorfase van het
compensatieplan is indertijd gekozen om hectaregericht te compenseren, dit
betekende compensatie van de gehele reserveringsstrook (= potentieel leefgebied) ,
ca. 24 ha. Dat zou betekenen, dat een aan te wijzen, nog te ontwikkelen
compensatiegebied moet worden ingericht, waarvan de ontwikkeling tot voor de
levendbarende hagedis geschikt (heide)leefgebied zo’n 10 jaar in beslag neemt.
Gelet op de gestelde eisen in de Flora- en faunawet en in overeenstemming met het
ministerie van EL&I, is echter besloten om populatiegericht te compenseren. Dit
houdt in dat voor de compensatieopgave gezocht wordt naar bestaand natuurgebied
dat al (grotendeels) geschikt is voor de levendbarende hagedis en waar door middel
van inrichtingsmaatregelen een kwaliteitsimpuls aan het gebied wordt gegeven. Op
die manier wordt extra leefruimte voor de levendbarende hagedis gecreëerd.
7.1.2.
7.1.3. Populatiegrootte obv veldonderzoek Stichting Ravon
Door Stichting Ravon is in juni – juli 2010, in samenwerking met Movares, een
onderzoek uitgevoerd naar de populatiegrootte van de hagedis op de
reserveringsstrook langs de N33 waar de te compenseren populaties voorkomen.
Hiervoor is meerdere dagen een veldinventarisatie uitgevoerd. De inschatting van
het aantal is gebaseerd op de methode van Henk Strijbosch (zie bijlage 1:
Rapportage RAVON). Ravon heeft tijdens haar veldonderzoek 38 hagedissen
waargenomen op de reserveringsstrook.
In haar rapportage omschrijft RAVON het volgende: Uit de aantallen waargenomen
hagedissen, tijdstippen waarop deze zijn waargenomen en zoektijd binnen de
verschillende trajecten is met behulp van de omrekenfactoren van Strijbosch het
aantal levendbarende hagedissen per hectare berekend voor de verschillende
deeltrajecten tijdens de verschillende bezoeken. Vervolgens is het gemiddelde van de
4 bezoeken genomen en is dit vermenigvuldigd met de grootte van de deeltrajecten
om tot een totale populatieschatting per deeltraject te komen. De populatieschatting
voor de levendbarende hagedis voor het hele traject komt op 349 dieren.
Inrichtingsplan beoogde compensatiegebieden
In verband met populatiegericht compenseren is het noodzakelijk dat bestaand
leefgebied voor de levendbarende hagedis wordt verbeterd / geoptimaliseerd en zo
mogelijk wordt vergroot en/of verbonden met aangrenzend leefgebied. Dat is nodig
7.1.4.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
30/30
omdat in het bestaande leefgebied immers al hagedissen voorkomen en deze door de
nieuwkomers niet mogen worden ‘verdrongen’ naar minder geschikte terreindelen.
Omdat ervoor gekozen is te compenseren in bestaand leefgebied is het daarom van
belang te weten wat de draagkracht is van een leefgebied. Die informatie is nodig
om te bepalen of geen sprake is van ‘overbevolking’. In dat geval treedt stress op en
zullen dieren wegtrekken naar ongeschikt gebied, wat onwenselijk is.
Uit de literatuur is een maximale dichtheid van 130 hagedissen per hectare bekend,
in optimaal leefgebied bestaande uit oude en gevarieerde heide, met pijpenstro en
verspreide opslag van struiken (Stumpel, 2004).
Uit veldonderzoek in 2011 is gebleken dat in geen van de compensatiegebieden deze
dichtheid wordt gehaald. De bestaande dichtheden liggen vele malen lager, waarbij
het gaat om hooguit enkele tientallen dieren per hectare.
Aangezien de dichtheid aan levendbarende hagedissen op landgoed het Westersche
Veld zeer ruim onder de maximale draagkracht ligt en de terreingesteldheid voor
levendbarende hagedissen goed is, mag worden aangenomen dat het bijplaatsen van
hagedissen niet voor overbevolking zorgt. Voor de Gasselterheide geldt dat de
dichtheden ook ruim onder de maximale draagkracht liggen, maar hier zijn ingrepen
noodzakelijk aangezien de terreingesteldheid nog niet goed is (zie paragraaf 6.1.1).
Het inrichtingsplan geeft invulling aan de gewenste kwaliteitsverbetering, waarbij
bestaande leefgebieden (Gasselterheide en Westersche Veld) kunnen worden
verbeterd door:
- Terugdringen of stoppen van begrazing
- Tegengaan van verdroging
- Creëren van een geleidelijke overgang van heide naar bos
- Verbeteren van de vegetatiestructuur
- Leefgebieden onderling verbinden en/of vergroten
- Voorkomen en/of tegengaan van intensieve recreatie
Gasselterheide
De Gasselterheide ligt ten zuiden van het dorp Gasselte en grenst aan de zuidkant
aan het natuurgebied Drouwenerzand. Het terrein ligt enkele kilometers ten zuiden
van de N33. De Gasselterheide bestaat uit lage heide met een grazige begroeiing van
kruiden en verschillende grassen. Het vlakke deel betreft een oude akker, die tot
voor enkele tientallen jaren nog als landbouwgrond in gebruik was. De oude akker is
begroeid met een schrale, lage en structuurarme vegetatie welke ongeschikt is als
leefgebied voor de levendbarende hagedis. In het terrein is een (gegraven) ven
aanwezig. De Gasselterheide wordt omsloten door bos. In het zuidelijk deel, richting
het Drouwenerzand, bevindt zich een diepe zandkuil met daaromheen naaldbos. De
structuur van het bos is plaatselijk vrij open. De Gasselterheide is maar (zeer)
gedeeltelijk geschikt voor de levendbarende hagedis.
Er zijn een aantal knelpunten:
- De meeste terreindelen zijn overbegraasd; de heide is te laag en structuurarm.
Met name langs de randen van het terrein bevinden zich voor de levendbarende
hagedis geschikte terreingedeeltes.
- Het terrein heeft een hoge recreatiedruk, met loslopende honden.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
31/31
-
-
Het open deel van het terrein is te klein voor een duurzame populatie
levendbarende hagedissen, zeker gezien het feit dat een groot deel van het
terrein nu niet geschikt is voor deze soort.
De Gasselterheide wordt van het veel grotere Drouwenerzand gescheiden door
bos.
Kwaliteitsverbetering kan bereikt worden door:
- Terugdringen van de begrazingsdruk en/of delen van het terrein (bijv.
bosranden) niet meer begrazen (uit rasteren).
- Vergroten van het oppervlak door kappen van een deel van de grote bomen die
in het terrein aanwezig zijn.
- Reguleren van de recreatiedruk door paadjes over de heide af te sluiten en het
instellen van een verbod op loslopende honden en crossfietsers.
- Kappen van bos aan de zuidrand, waardoor de Gasselterheide wordt verbonden
met het Drouwenerzand. De open ruimte dient minimaal 40 meter breed te zijn.
De stoppen mogen niet worden verwijderd / uitgevreesd (zonneplekken voor
hagedissen en toekomstige overwinteringsplaatsen). De strooissellaag moet
vervolgens verwijderd worden tot op de zaadbank, zodat de aanwezige
heidezaden kunnen kiemen. Extra aandacht moet worden besteed aan de nieuwe
bosranden, omdat deze het belangrijkste leefgebied zijn van de levendbarende
hagedis. De nieuwe bosrand moet inhammen krijgen en geleidelijk zijn.
Begrazing van de bosrand moet vermeden worden. Dood hout dient in de rand te
worden achtergelaten. Een uitgewerkt plan met werkprotocol en tekeningen is
noodzakelijk. De kapwerkzaamheden moeten in het veld worden begeleidt door een
deskundige ecoloog, zodat bijv. accuraat gereageerd kan worden op onverwachte
kansen die zich tijdens de werkzaamheden voordoen.
Landgoed het Westersche Veld
Landgoed het Westerse Veld is een bos- en natuurterrein met heidevelden, meteen
ten zuiden van de N33, bij Rolde. Het zuidelijk deel van het gebied bestaat uit
flinke, aaneengesloten heidevelden, die (vanwege het nagenoeg ontbreken van
begrazing) vrij structuurrijk zijn. In dit gebied komen (in lage dichtheid)
levendbarende hagedissen voor. Het heideterrein is momenteel zondermeer geschikt
voor de levendbarende hagedis, wel is het vreemd dat de soort er weinig talrijk is.
Mogelijk is een deel van de heide nog te jong en/of spelen in het verleden
uitgevoerde grootschalige beheersmaatregelen een rol.
Opties om de kwaliteit van het terrein te optimaliseren zijn:
- Tegengaan van verdroging door het dempen van greppels die zorgen voor
ontwatering. Hierbij dient te worden voorkomen dat terreindelen onder water
komen te staan (leefgebied gaat verloren / hagedissen verdrinken).
- Realiseren van een geleidelijke bosrand door lokaal kappen van de helft van het
bos in op het zuiden gelegen bosranden, waarbij de stobben niet worden
verwijderd / uitgevreesd (zonneplekken voor hagedissen en toekomstige
overwinteringsplaatsen). Het hout dient op flinke stapels in de randen van het
terrein te worden gedeponeerd en de takken op rillen of hopen. Op deze manier
is vrijwel meteen schuilgelegenheid voor hagedissen aanwezig.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
32/32
Zie voor verdere inrichtingsmaatregelen het rapport 'Vergroten leefgebied
levendbarende hagedis en verbetering natuur op Landgoed Het Westersche veld van
Rolde' (Duintjer, 2011).
Vegetatiestructuur beoogde compensatiegebieden
De kwaliteit van het leefgebied van de levendbarende hagedis wordt bepaald door de
vegetatiestructuur. Het optimale leefgebied bestaat uit oude, hoge heidestruiken
afgewisseld met pijpenstro en verspreide (lage) opslag van struiken en boompjes
(Stumpel, 2004, Creemers & van Delft, 2009). Hierbij geldt: hoe minder beheer hoe
beter.
De soort heeft baat bij hoge, oude heidestruiken, bosopslag en vergrassing; dit is het
heidestadium waarbij de meeste beheerders juist uitgaan van een beheerachterstand.
Juist dit type heide is betrekkelijk schaars aanwezig in natuurterreinen (van Uchelen,
2006). Begrazing is ongunstig voor de levendbarende hagedis, omdat de
strooissellag daardoor grotendeels verdwijnt en de hoogte van de vegetatie afneemt
(Stumpel, 2004; van Uchelen, 2006; Creemers & van Delft, 2009).
7.1.5.
Wegvangen en verplaatsen van levendbarende hagedissen
In 2012 zal de populatie levendbarende hagedissen in één seizoen (grotendeels)
worden weggevangen en worden verplaatst naar de compensatiegebieden. Daarvoor
zijn velddagen beschikbaar; dat zijn dagen met zo gunstig mogelijke
weersomstandigheden om hagedissen te vangen. Op deze velddagen wordt de
reserveringsstrook rustig afgezocht op hagedissen. De meeste zoektijd wordt besteed
in voor hagedissen gunstig, structuurrijk leefgebied. Op een velddag worden zoveel
mogelijk dieren gevangen en later op de dag overgeplaatst naar een van de
compensatiegebieden.
7.1.6.
Monitoring beoogde compensatiegebieden
Omdat de levendbarende hagedissen naar nieuwe leefgebieden worden verplaatst is
het aan te bevelen om minimaal eenmalig een monitoring uit te voeren naar het
effect van de verplaatsing. Twee jaar na de verplaatsing dient door een of twee
veldbezoeken te worden aangetoond dat de compensatiegebieden inderdaad als
actueel leefgebied van de levendbarende hagedis kunnen worden aangemerkt. Het
maximaal aantal waargenomen dieren kan dienen als richtgetal voor de
minimumgrootte van de populatie in het gebied.
7.1.7.
Beheer beoogde compensatiegebieden
Het beheer van heideterreinen ten gunste van de levendbarende hagedis moet gericht
zijn op het creëren en handhaven van een stuctuurrijke vegetatie. Terreinen met een
hoge structuurvariatie zijn aantrekkelijk voor hagedissen en andere reptielen, omdat
ze gunstig zijn voor de thermoregulatie, dekking geven tegen predatoren en omdat
deze vegetaties rijk zijn aan voedseldieren.
7.1.8.
De volgende maatregelen verhogen de structuurvariatie van leefgebieden van de
herpetofauna:
- altijd kleinschalig én gefaseerd werken
- bij begrazing structuurrijke vegetaties uitrasteren
- handhaven van een deel van de struikjes en boompjes in een open terrein (niet
alle opslag verwijderen)
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
33/33
-
tenminste een gedeelte van het dode hout na kappen in stapels achterlaten op het
terrein
takkenhopen en takkenrillen maken
ruigtes met distels en bramen lokaal handhaven
na het kappen van bos de stobben niet allemaal frezen of afvoeren, maar
tenminste een deel op hopen of richels langs het pad neerleggen
enkele hopen plagsel en maaisel achterlaten op vaste daarvoor bestemde
plaatsen
poelen en vennen graven
greppels (die geen drainagefunctie hebben) handhaven
bosrandbeheer met mantels en zomen nastreven
Reptielen bereiken hun hoogste dichtheden in reliëfrijke heideterreinen in de buurt
van bos of houtwallen met een goede strooisellaag en een mozaïekstructuur van
oude en hoge heidestruiken, zandige open plekjes, braamstruikjes, graspollen en wat
opslag van kleine bomen en struiken.
Terreindelen met een oude overjarige vegetatie van pitrus- of pijpenstro zijn gunstig.
Dergelijke vegetaties zijn vaak structuurrijk, er heerst een gunstig microklimaat, er
is dekking en voedsel te vinden en er zijn geschikte overwinteringsplaatsen. Voor de
beheerder is het dus belangrijk om te constateren dat reptielen heideterreinen
prefereren die al in een wat verder gevorderd stadium van successie verkeren én dat
oude pitrus- en pijpenstrovegetaties waardevol kunnen zijn.
Voor een uitgebreide beschrijving van reptielvriendelijk-beheer wordt verwezen
naar de hiervoor beschikbare literatuur (Stumpel, 2004, van Uchelen, 2006, Cremers
& van Delft, 2009, van Uchelen, 2010).
Planologie en eigendomssituatie
Gasselterheide / Drouwenerzand
De bestemming Gasselterheide is ‘groen’, in het bestemmingsplan weergegeven als
G, W2. Dit betreft de bestemming 'natuur'.
Voor het kappen van de bosopstand dient door de uitvoerende instantie (fase na TB)
een vergunning aangevraagd te worden bij de gemeenten, Aa en Hunze en BorgerOdoorn.
7.1.9.
De Gasselterheide is in eigendom van gemeente Aa en Hunze. Aangezien het
onderhouden en beheren van een dergelijk gebied niet tot de primaire taken van de
gemeente behoort, wil zij dit gebied graag overdragen aan Stichting Het Drents
Landschap, mits dat in goede afstemming met de vereniging ‘De Schaapskudde van
Gasselte en omstreken’ gebeurt. Goedkeuring door college en gemeenteraad zijn
daarbij essentieel. Stichting Het Drents Landschap wil dit gebied graag verbinden
met het Drouwenerzand en is bereid in goede overeenstemming over de inrichting,
het beheer en onderhoud dit gebied over te nemen. Daarbij gaat het om het vergroten
van de ecologische waarde, voor zowel de levendbarende hagedis als voor andere
voorkomende soorten.
Het terrein heeft een zodanige waarde dat het wenselijk is dit onder te brengen bij
een natuurbeschermingsorganisatie, zodat het een geheel kan vormen met het
Drouwenerzand. Het onderbrengen van het terrein in eigendom bij een
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
34/34
terreinbeheerder lijkt ook voor de toekomst de beste garantie dat het gebied geschikt
is en blijft als biotoop voor onder andere de levendbarende hagedis. Dit garandeert
een duurzame instandhouding van het leefgebied van de hagedissensoort.
Landgoed het Westersche Veld
Landgoed het Westersche Veld is in bezit van BV Landgoed het Westersche Veld
van Rolde. Het betreft grotendeels een natuurgebied. Het landgoed zal in eigendom
blijven van dezelfde eigenaar.
De eigenaar zal, conform het inrichtingsplan tbv de levendbarende hagedis
(Duintjes, 2011), de inrichtingsmaatregelen treffen ter optimalisatie van het gebied
voor de levendbarende hagedis.
7.2
Compensatieopgave voor de gewone dwergvleermuis
Er zijn paarverblijven van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in te slopen
woningen (van der Hout, 2010). Het betreft de woningen K.J. de Vriezestraat 21 en
22 te Bareveld en in de woningen Ommelanderwijk 1 en 3 te Veendam. Vaststelling
van het precieze gebruik van deze verblijfplaatsen is mogelijk middels onderzoek
naar kraam- en zomerverblijfplaatsen in 2012. Er is ontheffing van de Flora- en
faunawet nodig om deze verblijfplaatsen te mogen verwijderen. Ontheffing wordt
verleend indien er voldoende mitigerende en compenserende maatregelen worden
genomen. Deze verplichte maatregelen vallen onder de inpassingsmaatregelen die in
het kader van de Flora- en faunawet onder het Tracébesluit worden genomen. De
compensatie is afhankelijk van het precieze gebruik.
Voor de gewone dwergvleermuizen zullen onder leiding van een ecoloog,
voorafgaand aan de sloop van de woningen, vervangende kasten geplaatst worden
op korte afstand van de huidige verblijfplaatsen en op een geschikte locatie. Deze
kasten zullen zo ontworpen zijn dat zij dezelfde functie zullen vertegenwoordigen
als welke de gebouwen hadden voor de gewonen dwergvleermuis. Dit betreft in elk
geval de functie van paarverblijf. Uit het onderzoek dat in 2012 wordt uitgevoerd zal
moeten blijken of deze kasten ook voor andere functies geschikt moeten zijn
(bijvoorbeeld als kraamkolonie).
De ontheffingsaanvraag ten behoeve van de sloop van de woningen loopt apart van
de ontheffingsaanvraag voor de rest van het tracé van de N33. Ten behoeve van de
sloop, en de vereiste mitigerende maatregelen in verband met (mogelijk) aanwezige
beschermde diersoorten, wordt dan ook een apart activiteitenplan en ecologisch
werkprotocol opgesteld.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
35/35
De gewone dwergvleermuis (vleermuis.net, 2010)
De gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus) is een kleine vleermuis,
met een gewicht van 3,5 – 8 gram en naar verhouding vrij lange, smalle vleugels,
met een spanwijdte van 18 tot 24 cm. De gewone dwergvleermuis is in
Nederland de meest algemene soort. Hij kan vrijwel overal in Nederland worden
aangetroffen.
Gewone dwergvleermuizen jagen in gesloten tot half open landschap. Ze jagen
relatief snel en wendbaar in een grillige vlucht met veel bochten en lussen en
vliegen daarbij op enige afstand (1 tot 8 m) langs de vegetatie. Ze vliegen op een
hoogte van gemiddeld 2 tot 5 meter. Gewone dwergvleermuizen jagen in de
beschutting van opgaande elementen in groene bebouwde omgeving, langs
kanalen, vaarten, in tuinen en parken met vijvers, in lanen, tussen boomkruinen,
boven open plekken in bos, langs de bosrand (vooral oude voedselrijke
loofbossen), straatlantaarns, bomenrijen, singels, houtwallen en holle wegen.
Waterpartijen en beschutte oevers zijn favoriet als jachtgebied. Ze vangen een
breed spectrum aan veelal kleinere prooien uit de lucht en pakken dat wat
voorhanden is.
(Kraam)kolonies zijn in Nederland vooral in gebouwen, in spouwmuren, achter
betimmering en daklijsten, of onder dakpannen gevonden. De groepsgroottes
lopen uiteen van enkele tientallen tot meer dan tweehonderd dieren. Gewone
dwergvleermuizen zijn plaatstrouw, maar gebruiken meerdere verblijfplaatsen en
verhuizen relatief vaak. Ze jagen hoofdzakelijk binnen en straal van 2-5 km van
de verblijfplaats. Gebouwen worden ook als winterverblijf gebruikt, waarbij
vergelijkbare plaatsen als in de zomer benut worden. Systematisch zoeken naar
winterslapende dieren is daardoor moeilijk. Overwinterende gewone
dwergvleermuizen worden vooral bij toeval gevonden. Ze worden als solitaire
overwinteraar, maar vaak ook in grote groepen waargenomen. Er is geen
duidelijke winterslaapperiode aan te geven. Het zijn, in de relatief milde
Nederlandse winters, geen stabiele slapers. Bij mild weer zijn ze vaak wakker en
gaan regelmatig op jacht.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
36/36
8
Compensatie in kader van de EHS
8.1
Berekening compensatieopgave
Door de verdubbeling van de N33 zal er circa 37,32 ha aan bosopstanden
verdwijnen. Hiervan ligt 20,60 ha in de provincie Drenthe en 16,72 ha in de
provincie Groningen.
Van dit te verwijderen bos ligt circa 5,16 ha binnen de begrenzing van de EHS (1,31
ha in de provincie Drenthe en 3,85 ha in de provincie Groningen). In het kader van
de geldende provinciale verordeningen zal voor opstanden welke binnen EHSgebied vallen 9,01 ha bos gecompenseerd worden (zie voor resterende
compensatieopgave bos hoofdstuk 9).
Daarnaast zijn er bepaalde oppervlakten grond als EHS begrensd, maar welke geen
bosopstanden betreffen. Hierbij gaat het grotendeels om graslanden welke nu of in
de toekomst natuurwaarden zouden moeten krijgen. In totaal gaat het om 8,66 ha
EHS-begrenst grasland, waarvan 7,94 ha in de provincie Drenthe en 0,72 ha in de
provincie Groningen 1. In het kader van de geldende provinciale verordeningen dient
dezelfde oppervlakte gecompenseerd te worden. Het huidige grasland (bermen) is
vaak schraal en soortenarm.
Er blijven nog kleine oppervlaktes EHS-begrenst gebied over, betreffende
wateroppervlak of infrastructuur. Water wordt gecompenseerd in het kader van de
Watervergunning en daar waar nu al infrastructuur ligt is compensatie van EHS niet
aan de orde. Deze EHS-arealen zijn dus niet meegenomen in de compensatieopgave.
In het kader van een berekende toename van geluidsbelasting op EHS-gebieden in
de provincie Drenthe, is er tevens compensatie aan de orde. Het gaat hierbij om
compensatie van leefgebied welke in kwaliteit achteruitgaat. De extra
geluidsbelasting vindt plaats op circa 12,87 ha bos en 3,27 ha open terrein (grasland,
akker en water). Zie de Nota Ecologie (Oranjewoud, 2012) voor meer informatie. In
overleg met de provincie Drenthe wordt 35% van het areaal waar een extra
geluidsbelasting optreedt gecompenseerd, oftewel 4,50 ha bos en 1,16 ha open
terrein. Compensatie van extra geluidsbelasting op Groningse EHS-gebieden is niet
aan de orde (zie Nota ecologie, Oranjewoud 2012).
Compensatie van EHS dient zowel in kwaliteit als kwantiteit plaats te vinden. Hoe
deze compensatie wordt vormgegeven is in de volgende paragrafen te lezen (zie
tevens bijlage 6: kaarten aangewezen compensatiegebieden).
1
Hierbij kan het gaan om zowel akkers als graslanden (ook bermen). Aangezien het om slechts zeer kleine
oppervlaktes akker gaat, zijn deze bij het areaal grasland opgeteld.
De oppervlaktes van de biotopen binnen de EHS is bepaald op basis van de geïnventariseerde opstanden (zie bijlage
4) en de topografische kaart van Nederland, schaalniveau 1:10.000 (Top10NL, Kadaster 2011). Hierbij zijn de
geïnventariseerde bosopstanden als EHS-bos benoemt. Daar waar het in de Top10NL om bos gaat, maar dit niet
overlapt met de bosinventarisatie, is dit tot EHS-grasland gerekend. Verder valt binnen EHS-grasland het biotoop
grasland en een zeer klein oppervlak aan biotoop akker. Biotoop water wordt in kader van de Watervergunning
gecompenseerd en is niet als EHS-compensatie meegerekend. Daar waar de EHS het type 'overig' uit de Top10NL
betrof is dit als niet te compenseren meegerekend ('overig' betreffen over het algemeen erven).
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
37/37
8.2
Compensatieopgave EHS-grasland
Het areaal grasland dat verloren zal gaan binnen de Ecologische Hoofdstructuur
moet kwalitatief en kwantitatief worden gecompenseerd. Het te compenseren
oppervlak betreft het ruimtebeslag binnen de EHS ten gevolge van de verdubbeling
van de N33 vermenigvuldigd met de compensatiefactor 100% (zowel voor provincie
Drenthe als Groningen).
Oostermoersche Vaart (Hunze)
Aan de overzijde van de Hunze, ten zuiden van de N33 liggen twee percelen waar in
het kader van EHS graslandcompensatie mogelijk is (bijlage 6: kaarten aangewezen
compensatiegebieden). De grond bestaat nu uit grasland en betreft arme agrarische
grond. Deze percelen liggen momenteel braak en worden beweid met schapen. Door
op deze locatie grasland te compenseren wordt de EHS vergroot en de
landschappelijke waarde van het Hunzedal verder versterkt.
8.2.1.
Recent zijn delen van de Hunze als meanderende, levende beek weer hersteld. Op
initiatief van Stichting Het Drentse Landschap zijn op verschillende plekken delen
van de oorspronkelijke meanders uitgegraven en maken ze weer onderdeel uit van
de Hunze als afvoerende waterloop. Rondom deze meanders is in een smalle zone
ook de grondwaterstand verhoogd. Deze gebieden zijn van de landbouwgebieden
gescheiden door kaden. De natuurgebieden die zo zijn ontstaan hebben al een
belangrijke rol in verandering van de afvoerdynamiek van de Hunze. Water kan
langer worden vastgehouden en langzamer worden afgevoerd. Tevens spelen de
gebieden waar meanders zijn hersteld een rol in berging van water in tijden van veel
neerslag (Watersysteemplan Hunze, Waterschap Hunze en Aa 2008).
Deze percelen sluiten aan op het Hunzedal waar Stichting Het Drents Landschap al
percelen in eigendom en beheer heeft. Het eerste perceel (nummer 7) is 2,29 hectare
groot. Het tweede perceel is 1,78 hectare groot. Van deze percelen is voor
wegaanleg respectievelijk ongeveer 0,09 hectare en 0,02 hectare benodigd. Voor
compensatie blijft ca. 3,96 hectare over. De benodigde kwantitatieve EHS
compensatie van grasland betreft 8,66 hectare, dus er zal nog 4,70 ha elders
gecompenseerd moeten worden.
Deze twee percelen waren in particulier eigendom en zijn inmiddels aangekocht.
De ecologische waarde van de twee percelen is momenteel laag, maar ze bevatten
wel potentie. Beide percelen grenzen aan de EHS, zijn eigendomspercelen van
Stichting Het Drents Landschap en met de arme bodem kan relatief goed schraal
grasland worden ontwikkeld.
Gezien het open karakter van het landschap (Hunzedal) versterken graslanden de
landschappelijke structuur. De natuurlijke graslanden passen in een beekdalsysteem.
Afhankelijk van het bodemtype van deze agrarische gronden, kan gekozen worden
voor:
a) niets doen (ontwikkelen ruigte en maaien/afvoeren):
b) bovenlaag afgraven/afvoeren en verschralen ten behoeve van ontwikkeling
natuurlijk grasland.
Dit zal met de toekomstige beheerder nader worden bepaald in een beheer- en
onderhoudsplan.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
38/38
8.2.2. Knooppunt Assen-zuid
In knooppunt Assen-zuid wordt een plas-drassituatie gerealiseerd met vochtige
graslanden en enkele bosjes. Dit grasland kwalificeert zich als mogelijke
compensatielocatie, maar ligt wel binnen de TB-grens. Het betreft circa 3,8 hectare
grasland. Naar verwachting zal het bevoegd gezag en de Provincie dit niet als
acceptabele compensatiemaatregel accepteren. Deze hectares zijn dan ook niet
meegerekend als compensatielocatie.
Overige compensatiegebieden EHS-grasland
DLG heeft de inspanningsverplichting op zich genomen om de juiste
compensatiegebieden bij de compensatie-opgave voor EHS-grasland te zoeken en de
vereiste natuurcompensatie te realiseren. Vanwege nog lopende onderhandelingen
over gronden, kunnen compensatiegebieden op dit moment nog niet verder benoemd
worden.
8.2.3.
8.3
Compensatieopgave EHS-bos
De compensatie van bomen binnen de TB grenzen, zoals omschreven in de Nota
Landschap (Oranjewoud, 2012), wordt nader afgestemd. De voorstellen die in de
Nota Landschap gedaan worden omtrent versterking van lijnbeplanting / versterking
van het beekdallandschap vragen om meer afstemming met de landschapsvisie en de
partijen die daarbij betrokken zijn.
De gemeente Aa en Hunze geeft aan dat verdere beplanting in de beekdalen van o.a.
de Hunze niet wenselijk is. De landschapsvisie omschrijft dat het gebied een open
karakter moet hebben, door verdere beplanting kan het gebied eerder gesloten raken
dan het open karakter behouden.
Zuidbroek (oostkant)
Grenzend aan de N33 ligt een bosgebied van Provincie Groningen dat officieel geen
onderdeel uitmaakt van de EHS, maar conform de provinciale
omgevingsverordening wel als zodanig moet worden behandeld (bijlage 6: kaarten
aangewezen compensatiegebieden).
8.3.1.
Door de verbreding van de N33 wordt hiervan een bosstrook aangetast. De
compensatie van deze bosstrook kan gerealiseerd worden aan de zuidoostkant van
dit bosgebied, aan de andere zijde van het Winschoterdiep. Het te kappen bosgebied
wordt tegen de compensatiefactor van 166% gecompenseerd. Door deze locatie te
kiezen blijft het areaal jong loofbos minimaal intact en blijft de landschappelijke
structuur nagenoeg gehandhaafd.
Het te kappen oppervlak bedraagt 2,03 hectare, waarmee de omvang van de
compensatie op 3,37 hectare komt. Het perceel waarop de compensatie gerealiseerd
wordt is in eigendom van Provincie Groningen en heeft een agrarische bestemming
(www.kadaster.nl, 2010). Om hier natuur te kunnen realiseren zal ontheffing moeten
worden aangevraagd bij de Gedeputeerde Staten van provincie Groningen. Globale
grondprijzen in de gemeente Menterwolde liggen tussen € 3,- á € 4,- per m² (tussen
€ 30.000,- en € 40.000,- per ha).
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
39/39
Vanuit landschappelijk opzicht zou de laanbeplanting langs het Winschoterdiep,
onder het knooppunt Zuidbroek, versterkt kunnen worden. Aan de zuidzijde is al
laanbeplanting aanwezig, maar aan de noordzijde, langs de Trekweg, ontbreekt deze
nog. Gemeente Menterwolde heeft aangegeven hier de mogelijkheid te zien voor de
compensatie van enkele bomen, waarmee het landschappelijke kenmerk, de lijn van
het Winschoterdiep verder wordt versterkt.
Hoewel de openheid van dit landschap het belangrijkste kenmerk van dit gebied is
en in het provinciaal beleid staat opgenomen, heeft provincie Groningen aangegeven
in de gedachte van gemeente Menterwolde mee te kunnen gaan, mits er sprake is
van een goede landschappelijke inpassing.
Hollandscheveld
Het betreft hier twee landbouwpercelen, waarvan er een binnen de EHS ligt en de
andere binnen een EVZ. De percelen liggen in de gemeente Hoogeveen, ten
noordoosten van Zuideropgaande (zie bijlage 6: kaarten aangewezen
compensatiegebieden).
8.3.2.
Het perceel met de grootte van 1,06 ha is een perceel waarbij Stichting Het Drents
Landschap belang heeft om dit als fraai perceel grasland te behouden. Voor het
tweede perceel met een oppervlakte van 2,17 ha is geen aankooptitel. Dit perceel
leent zich uitstekend voor bebossing, omdat dit de landschappelijke structuur van dit
gebied kan versterken. Stichting Het Drents Landschap en Rijkswaterstaat zijn
overeengekomen dat door middel van een integrale aankoop van beide percelen deze
als boscompensatie gelden.
Deze percelen zijn inmiddels aangekocht.
8.3.3. Overige zoekgebieden
DLG heeft de inspanningsverplichting op zich genomen om de juiste
compensatiegebieden bij de compensatie-opgave voor EHS-bos te zoeken en de
vereiste natuurcompensatie te realiseren. Vanwege nog lopende onderhandelingen
over gronden, kunnen compensatiegebieden op dit moment nog niet verder benoemd
worden.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
40/40
9
Compensatiegebieden in het kader van de Boswet
9.1
Berekening compensatieopgave
Naast de te kappen opstanden en compenseren opstanden in het kader van de EHS,
is er nog circa 38,38 ha te kappen opstand (18,21 ha bosopstand en omgerekend 3,68
ha bomenrij in de provincie Drenthe en 12,34 ha aan bosopstand en omgerekend
4,15 ha bomenrij in de provincie Groningen) welke in het kader van de Boswet
gecompenseerd dienen te worden. In de provincie Drenthe geldt voor bosopstanden
onder de Boswet dezelfde compensatiefactor als voor EHS-bos. In de provincie
Groningen is de compensatie gelijk aan het te kappen oppervlak.
Het gaat hierbij in totaal om een compensatieopgave van 56,08 hectare beplanting
(39,59 ha in de provincie Drenthe en 16,49 ha in de provincie Groningen).
Een deel van het te compenseren bos, ongeveer 29,34 hectare, zal binnen de TBgrens gecompenseerd worden. Zie Nota Landschap (Oranjewoud, 2012). Daarnaast
is buiten de TB-grens een aantal locaties aangegeven waar de resterende hectares
gecompenseerd kunnen worden (zie bijlage 6: kaarten aangewezen
compensatiegebieden).
9.2
Beschrijving locaties en eventuele compensatie binnen TB-grens
Compensatie Aansluiting Assen Zuid (N33/A28)
In de directe omgeving van de aansluiting zal voor de aanleg van het knooppunt
relatief veel beplanting moeten worden verwijderd. Deze beplanting zal grotendeels
buiten de TB-grens worden gecompenseerd, aangezien het terrein in het knooppunt
geschikt wordt gemaakt voor een ecologische verbindingszone. Op enkele kleine
locaties is er nog ruimte voor kleine bosschages (totaal 4,33 ha). Op een viertal
locaties blijven bospercelen binnen de TB-grenzen behouden, aangezien hier geen
reden is om deze te verwijderen.
9.2.1.
Compensatie Traject Assen – Hemmenweg
Op dit traject ligt de verdubbeling aan de noordzijde geheel in de vrijgehouden
reserveringszone. Aan de zuidzijde zal ten behoeve van de verdubbeling (met name
de obstakelvrije zone), beplanting moeten worden verwijderd. Dit leidt voor wat
betreft de inpassing niet tot negatieve gevolgen, omdat door verwijdering van
begeleidende beplanting de N33 minder zal opvallen in dit open gebied. Om deze
reden wordt de verwijderde beplanting niet op deze plek gecompenseerd.
9.2.2.
Ten behoeve van de nieuwe oprit (aan de zuidzijde) voor bussen naar de N33, zal
tevens een deel van een bosperceel gekapt moeten worden. Het te kappen deel wordt
buiten de TB-grens gecompenseerd. Van het overblijvende deel wordt de nieuwe
bosrand omgevormd tot mantel-zoomvegetatie voor een natuurlijker beeld.
Ten behoeve van de nieuwe afrit (noordzijde N33) voor bussen zal tevens een bosje
worden gekapt, welke, weliswaar in iets kleinere vorm, op dezelfde locatie worden
terug geplant. Het resterend oppervlak wordt buiten de TB-grens gecompenseerd.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
41/41
Compensatie Traject Hemmenweg –Nijlande
Ook op dit traject ligt de verdubbeling aan de noordzijde in de vrijgehouden
reserveringszone. Aan de zuidzijde van de weg verdwijnt bosopstand, voornamelijk
door de obstakelvrije zone. Te verwijderen bosbeplanting op dit traject wordt niet op
deze plek, maar buiten de TB-grens gecompenseerd.
9.2.3.
Compensatie Traject Nijlande – Rolde
Op het eerste deel van dit traject ligt de verdubbeling aan de noordzijde in de
vrijgehouden reserveringszone. Aan de zuidzijde zal beplanting moeten worden
verwijderd. Ook zal de aansluiting Rolde worden aangepast. In de nieuwe situatie
zal opgaande beplanting rond de aansluiting daarom moeten worden verwijderd. Te
verwijderen bosbeplanting op dit traject wordt niet op deze plek, maar buiten de TBgrens gecompenseerd.
9.2.4.
9.2.5. Compensatie Traject Rolde – Nijend
De verdubbeling vindt ook hier plaats in de reserveringszone en dus zijn nadere
maatregelen niet noodzakelijk. Aan de zuidzijde zal beplanting verwijderd moeten
worden. Ook bij het Eexterveld wordt wegbeplanting aan de noordzijde van de weg
verwijderd. Te verwijderen bosbeplanting op dit traject wordt niet op deze plek,
maar buiten de TB-grens gecompenseerd.
Compensatie Traject Nijend-Schaepvolte
De verdubbeling vindt ook op dit traject plaats in de reserveringszone. Aan de
zuidzijde ligt de weg veelal tegen bosgebied aan, zodat sprake is van de
verwijdering van een smalle strook bos. Te verwijderen bosbeplanting op dit traject
wordt niet op deze plek, maar buiten de TB-grens gecompenseerd.
9.2.6.
Compensatie Traject Schaepvolte-Oude Groningerweg
De reserveringszone loopt tot aan het verkeersplein Gieten. Het verkeersplein Gieten
wordt heringericht. Doordat de N33 bij verkeersplein Gieten onder de N34
doorgeleid wordt, heeft dat een groot ruimtebeslag. De verdubbeling leidt tot een
verbreding van de doorsnijding in het bosgebied van het Zwanenmeer, ten oosten
van het knooppunt. Deze ruimere doorgang leidt er toe, dat de wand van opgaand
groen wordt doorbroken en dat een aanzienlijke oppervlakte aan bos zal verdwijnen.
Te verwijderen bosbeplanting op dit traject wordt niet op deze plek, maar buiten de
TB-grens gecompenseerd.
9.2.7.
Compensatie Traject Oude Groningerweg-Zandvoort
Vanaf het verkeersplein Gieten ligt de verdubbeling aan de noordzijde. Hiervoor zal
tussen de voet van de Hondsrug en de Hunze enige begeleidende beplanting moeten
worden verwijderd. Te verwijderen bosbeplanting op dit traject wordt niet op deze
plek, maar buiten de TB-grens gecompenseerd.
9.2.8.
9.2.9. Compensatie Traject Zandvoort-De Hilte
De verdubbeling van de N33 ligt ook in dit gedeelte aan de noordkant. Daardoor zal
ook hier beplanting moeten verdwijnen. Te verwijderen bosbeplanting op dit traject
wordt niet op deze plek, maar buiten de TB-grens gecompenseerd.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
42/42
Compensatie Traject de Hilte - K.J. de Vriezestraat
Het traject tussen de Hilte en de Meeden is in enkele delen opgesplitst, in
onderstaande paragraven staan deze toegelicht. Voor het gehele traject tussen de
Hilte (km 27.3) en Meeden (km 39.2), met uitzondering van km 36.4 - km 39.2 aan
de westzijde, worden ter weerszijden van de N33 bomenrijen aangeplant.
9.2.10.
Op het deeltraject tussen de Hunze en het Stadskanaal (Bareveld/Nieuwediep) wordt
een groot deel van de beplanting verwijderd. Het gaat hier voornamelijk om
bomenrijen van populieren. Hiervoor geldt geen compensatieplicht. In de nieuwe
situatie wordt de weg voorzien van nieuwe wegbegeleidende beplanting. Bij de
aansluiting de Hilte wordt ook beplanting van populier verwijderd. Na verdubbeling
wordt het aansluitpunt opnieuw ingeplant om zo de verwijderde beplanting te
compenseren, al dan niet vallend onder de compensatieplicht.
Traject Meeden-Bareveld
Langs het tracé van de N33 tussen Meeden en Bareveld vindt bomencompensatie plaats. Op
welke manier en wat voor type bomen zullen terugkomen, is nog niet bekend. De N33 ligt
tussen Bareveld en Meeden relatief correct ingepast in de kavelrichting. Ten behoeve van de
verdubbeling zal deze dubbele wegbeplanting moeten worden verwijderd. Deze beplanting
zou, passend in de karakteristieken van het Veenkoloniale landschap, na de verdubbeling
weer moeten worden aangeplant. In feite wordt dan de bestaande situatie hersteld.
Het traject Meeden/Bareveld ligt in het Groningse veenkoloniale landschap. Dit landschap
kenmerkt zich door grootschaligheid en grote open ruimtes. De groenstructuur in dit gebied
bestaat voornamelijk uit rafelranden van erfbeplantingen van de lintdorpen en wegbeplanting
langs doorgaande wegen. Deze beplantingen zorgen voor bekadering van het gebied en zijn
bepalend in het ervaren van de maat en schaal van dit gebied.
Uit de Nota Ecologie (Movares, 2010) blijkt dat de bomenrijen op het traject tussen Meeden
en de provinciegrens Drenthe-Groningen van belang zijn voor vleermuizen en roofvogels.
Het opvullen van gaten in de bestaande beplanting van het traject bevordert de vliegroute van
vleermuizen en roofvogels. Hierbij wordt specifiek gedacht aan het versterken van de
vliegroute van de vleermuis en roofvogel. Gewenst is om een type boom te herplanten dat
snel groeit, zodat de bestaande situatie snel hersteld wordt, en te kiezen voor een soort met
een grote plantmaat.
De aanwezige (en deels te verwijderen) populieren zijn echter niet compensatieplichtig. Dit
type compensatie dient daarom goedgekeurd te worden door de provincie Groningen.
Compensatie Traject K.J. de Vriezestraat – Wildervanksterdallen
Voor de verbreding van de weg op dit traject moet bestaande begeleidende
beplanting van populier worden verwijderd. Na aanleg wordt deze beplanting door
het aanbrengen van nieuwe begeleidende beplanting gecompenseerd. De nieuwe
aansluiting van de K.J. de Vriezestraat zal een veel groter ruimtebeslag innemen.
Daardoor zal beplanting moeten verdwijnen. Na de verdubbeling van de N33 en de
ombouw tot groter aansluitpunt, wordt de locatie opnieuw ingeplant en worden de
verwijderde bomen en het bos gecompenseerd.
9.2.11.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
43/43
Compensatie Traject Wildervanksterdallen - A.G. Wildervanckkanaal
Ten behoeve van de verdubbeling zal de dubbele wegbeplanting op dit traject
moeten worden verwijderd. Deze beplanting wordt na de verdubbeling weer
aangeplant. In feite wordt de bestaande situatie hersteld. Voor de aansluiting Dalweg
12 zal beplanting verdwijnen. Deze zal vooralsnog niet worden teruggeplant en zal
daarom buiten de TB-grens gecompenseerd worden.
9.2.12.
Compensatie Traject Wildervanckkanaal – Veendam
Op dit traject zal door de verbreding van de weg bestaande begeleidende beplanting
moeten worden verwijderd. Na aanleg zal nieuwe begeleidende beplanting worden
aangebracht aan beide zijden van de weg. Nieuwe beplanting zal hier tussen
obstakelvrije ruimte en sloot komen. Ter hoogte van de aansluiting op de N366 bij
Veendam buigt de N33 ter wille van de constructie van een geheel nieuwe
aansluiting af naar het oosten. Hierdoor zal veel beplanting verwijderd worden. Deze
beplanting wordt zoveel mogelijk gecompenseerd op dezelfde plek. De locatie en
vorm van de nieuwe beplanting zal moeten plaatsvinden in samenhang met het
stedenbouwkundig plan dat door gemeente Veendam voor het gebied rond de
aansluiting zal worden ontwikkeld. Aan de oostzijde komt geen nieuwe beplanting.
9.2.13.
Compensatie Traject Veendam - Duurkenakker/Meeden
Tussen Veendam (km. 36.4) en Meeden (km. 39.2) wordt aan de westzijde van de
N33 een geleiderail geplaatst, zodat de in dat traject aanwezige wegbeplanting kan
worden gespaard. Aan de oostzijde zal op dit deeltraject de wegbeplanting worden
verwijderd en worden herbeplant.
9.2.14.
Compensatie Traject Duurkenakker/Meeden – Winschoterdiep
Dit trajectdeel is onbeplant. Ter wille van de beleving van de grootschalige ruimte
van het Oldambt zal ook na verdubbeling over dit trajectdeel geen wegbeplanting
worden aangebracht. Tussen de kruising met de spoorlijn Groningen - Nieuweschans
en het Winschoterdiep zal de verdubbeling van de N33 ten koste gaan van een
strook bosgebied. Beplanting die hier verdwijnt, zal buiten de TB-grens worden
gecompenseerd.
9.2.15.
Compensatie Traject Winschoterdiep – Aansluiting N33/A7
De aansluiting op de A7 wordt gewijzigd in een klavervlad en krijgt hierdoor een
groter ruimtebeslag. In de zuidelijke 'ogen' van dit klaverblad kan op twee locaties
bos gecompenseerd worden, ter grootte van ongeveer 3,16 ha. De overige beplanting
die hier verdwijnt, zal buiten de TB-grens worden gecompenseerd.
9.2.16.
9.3
Compensatieopgave buiten TB-grens
9.3.1. Nolde
Het betreft een perceel van 0.86 ha aan de westzijde van de N48 nabij Nolde. Het
perceel ligt aan de Reest-vervangende watergang, ongeveer 1,5 km ten noorden van
de Reest. Aan de zuidwestzijde van het perceel loopt de Nolderweg, waar de
provincie Drenthe en Rijkswaterstaat een tunnel onder de N48 door zullen
realiseren.
Het betreft een voormalig landbouwperceel welke is aangekocht en zal worden
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
44/44
ingericht met bos welke past binnen de wijzigingsbevoegdheid van het
bestemmingsplan ('Buitengebied de Wolden') van de gemeente De Wolden.
De toekomstig eigenaar en beheerder wordt Stichting het Drentse Landschap.
Het bosperceel zal nog iets groter worden, aangezien er aan de noordkant nog een
stukje grond aan toegevoegd wordt. Dit stukje grond is van waterschap Reest en
Wieden, welke dit wil afstoten.
Overige compensatie buiten TB-grens
Buiten de TB-grens dient RWS nog een compensatieopgave van 25,88 hectare bos
in het kader van de Boswet te realiseren. DLG heeft de inspanningsverplichting op
zich genomen om de juiste compensatiegebieden bij de compensatie-opgave voor
bos te zoeken en de vereiste natuurcompensatie te realiseren. Vanwege nog lopende
onderhandelingen over gronden, kunnen compensatiegebieden op dit moment nog
niet verder benoemd worden.
9.3.2.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
45/45
10
Saldi te compenseren en voorziene compensatie
In de tabel op de volgende pagina is de compensatie in hectares zoals beschreven in
hoofdstuk 6 t/m 9 samengevat weergegeven. In de tabel is opgenomen hoeveel
hectare gecompenseerd moet worden vanuit de verschillende wettelijke kaders.
Tevens staat opgenomen waar deze compensatie kan plaatsvinden.
In geval van de levendbarende hagedis staan de oppervlaktes van de terreinen
genoemd welke een kwaliteitsimpuls zullen krijgen. Naar deze terreinen,
Gasselterheide/Drouwenerzand en landgoed het Westersche Veld, zal de populatie
hagedissen worden verplaatst.
De getallen in de tabel zijn grotendeels berekend door middel van een GIS-analyse.
In geval van de zoekgebieden zijn ze vaak grofschalig en nog niet absoluut. De nu
aanwezige en grotendeels te verwijderen bomen, bomenrijen en opstanden staan qua
locatie en soortgegeven specifiek uitgewerkt in bijlage 4: bomeninventarisatie. In
bijlage 6 (kaarten aangewezen compensatiegebieden) staan de compensatiegebieden
in detail weergegeven.
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
46/46
Te compenseren
Te verwijderen
(ha)
Wet- en
regelgeving
Betreft
Flora- en
faunawet
Levendbarende
hagedis
EHS Drenthe
Grasland
Bos
Grasland
(geluidsverstoring)
Bos
(geluidsverstoring)
EHS Groningen Grasland
Bos
Boswet
Drenthe
Bos
Rijbeplanting
Boswet
Groningen
Bos
24
(=leefgebied)
7.94
Te
compenseren
(ha)
Populatiegericht
7.94
Compensatiegebieden
Binnen of
buiten TBgrens
Gasselterheide /
Drouwenerzand
Buiten
Landgoed het
Westersche Veld
Oostermoersche
Vaart (Hunze)
Voorziene compensatie
Trajectnr.
Type
conform
compensatie
detailtabel
Compensatie- Opmerking
gebied (ha)
nvt
Levendbarende
hagedis
ca. 21
Buiten
nvt
Levendbarende
hagedis
ca. 37
Buiten
9
Grasland
3,96
1.31
2.62
Zuidbroek (oostkant) Buiten
15
Bos
2.57
3.27
1.16
Hollandscheveld
Buiten
nvt
Bos
2.17
12.87
4.50
Nolde
Buiten
nvt
Bos
0,86
0.72
0.72
3.85
6.39
Aansluiting A28
Binnen
1
Bos
4.33
Grasland
18.21
35.91
3.68
3.68
12.34
12.34
Binnen
1
De Hilte Duurkenakker/
Meeden
Binnen
2 t/m 15
Aansluiting A7
Binnen
16
Rijbeplanting /
bos
Bos /
rijbeplanting
Kwaliteitsverbetering
bestaand
natuurgebied
Kwaliteitsverbetering
bestaand
natuurgebied
Is gelijk aan
vernietiging EHS bos
traject 15
-
15.50
3.16
Zoekgebieden
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
47/1
Wet- en
regelgeving
Betreft
Te compenseren
Te verwijderen
(ha)
Rijbeplanting
Indirect te
compenseren
onder Boswet
Drenthe
(Gasselterheide) Bos
Totaal
Bos
Te
compenseren
(ha)
4.15
4.15
±5
Compensatiegebieden
Zoekgebied vanuit
Oostermoersche
Vaart (Hunze)
Nader te bepalen
zoekgebieden
± 10
(incl.
Gasselterheide)
(excl.
Gasselterheide)
Totaal bos
79.59
69.59
Totaal grasland
Grasland
Levendbarende
hagedis
Binnen of
buiten TBgrens
9.82
Populatiegericht
Totaal leefgebied
levendbarende
hagedis
(incl.
zoekgebieden)
(excl.
zoekgebieden)
(incl.
zoekgebieden)
(excl.
zoekgebieden)
Voorziene compensatie
Trajectnr.
Type
conform
compensatie
detailtabel
Compensatie- Opmerking
gebied (ha)
Bos
2.18
Grasland
5,86
Bos
48,82
Bos
79.59
Bos
28.59
Grasland
9,82
Grasland
3.96
Levendbarende
hagedis
ca. 58
Kwaliteitsverbetering
bestaand
natuurgebied
Tabel 5: Saldi te compenseren en voorziene compensatie
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
48/2
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
49/3
Referenties
Cremers, R., Delft, J. van, De amfibieën en reptielen van Nederland, 2009
Duintjer Natuurbeheer, Vergroten leefgebied levendbarende hagedis en verbetering
natuur op Landgoed Het Westersche veld van Rolde, 2011
Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte,
2012
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij & DLG, SO LNV-V&W
Uitvoering Boswet Rijkswaterstaat, 2000
Ministerie van LNV, Algemene handreiking Natuurbeschermingswet, 2005
Ministerie van LNV et al., Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel,
EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS, 2007
Movares Nederland B.V., OTB/MER verdubbeling N33 - Nota Ecologie, 2010
Movares Nederland B.V., OTB/MER verdubbeling N33 - Natuurcompensatieplan,
2010
Movares Nederland B.V., OTB/MER verdubbeling N33 Assen-Veendam-Zuidbroek
- Nota Landschap, 2010
Movares Nederland B.V., Nota Landschappelijke Inpassing, 2010
Oranjewoud B.V., TB verdubbeling N33 - Nota Ecologie, 2012
Oranjewoud B.V., TB verdubbeling N33 - Nota Landschap, 2012
Provincie Drenthe, Omgevingsvisie Drenthe, 2010
Provincie Drenthe, Concretisering EHS 2010, aangeleverd januari 2012
Provincie Groningen, Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013 (POP III), 2009
RAVON, Onderzoek populatie grootte levendbarende hagedis & aanwezigheid
heikikker langs de N33 tussen Assen & Gieten, 2010
Samenwerkingsverband Noord-Nederland, Maatschappelijke Kosten-Batenanalyse
Verdubbeling N33, 8 juli 2010, opgesteld door: Decisio BV en Bureau Louter, 2005
Schoppers J., Neergang en herstel van de Roek als broedvogel in Nederland in de
20e eeuw, 2004
Strijbosch, H., Ravon, Reptielen, amfibieën, vissen, jaargang 10 nummer 1, 2008
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
50/1
Uchelen, E. van., Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen, 2006
Uchelen, E. van., Atlas amfibieën en reptielen Drente, 2010
Uchelen, E. van, Compensatieplan levendbarende hagedis N33, 2011
VROM et al., Nota Ruimte, 2006
Waterschap Hunze en Aa, Watersysteemplan Hunze, 2008
Mondeling
Provincie Drenthe. A. Kooij, K. Folkertsma en M. Lumkes, 2012
Provincie Groningen. J. Oosterveld en P.R. van der Wal, 2012
Rijkswaterstaat DNN. D. Flikkema en M. Schippers, 2012
Internetbronnen
www.rijksoverheid.nl
www.gasselte.info
www.natuurkaart.nl
www.drentslandschap.nl
geoportaal.drenthe.nl
www.provinciegroningen.nl/loket/geoportaal
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
51/2
Colofon
Opdrachtgever
Uitgave
Rijkswaterstaat Dienst Noord-Nederland
I. Groen
Oranjewoud.B.V.
Tolhuisweg 57
8440 AA Heerenveen
Telefoon
Telefax
Auteur
Projectnummer
(0513) 63 45 67
(0513) 63 33 53
J.M. Kamerling en H.J. Riphagen
239586
Versie:
Auteur:
Autorisator:
C04
Naam:
J.M. Kamerling
H.J. Riphagen
N.H. Veenstra
Status:
Paraaf:
vrijgegeven
Datum:
4 mei 2012
4 mei 2012
20120502-239586-rap-Natuurcompensatieplan-D01-wijzigingen geaccepteerd.doc
52/3
Bijlagen
Bijlage 1: Rapportage RAVON
Onderzoek populatie grootte levendbarende
hagedis & aanwezigheid heikikker langs de N33
tussen Assen & Gieten
Een rapportage van RAVON
in opdracht van Movares Nederland B.V.
J.E. Herder
Juli 2010
STICHTING RAVON
POSTBUS 1413
6501 BK NIJMEGEN
www.ravon.nl
1
Colofon
© 2010 Stichting RAVON, Nijmegen
Rapportnummer: 2010-097
Tekst: Jelger Herder
Met medewerking van: Jöran Janse en Wim van den Heuvel
In opdracht van: Movares Nederland B.V.
Foto omslag: Jelger Herder, levendbarende hagedis
Wijze van citeren: Herder, J.E., 2010. Onderzoek populatie grootte levendbarende hagedis &
aanwezigheid heikikker langs de N33 tussen Assen & Gieten, rapportnummer 2010-097,
Stichting RAVON, Nijmegen.
2
1
INLEIDING
1.1
Achtergrond
In het kader van de geplande verbreding van de N33 zal de reserveringsstrook tussen Assen
en Gieten verdwijnen. Uit verspreidingsonderzoek is gebleken dat op deze
reserveringsstrook een populatie levendbarende hagedis aanwezig is. Voor het bepalen van
de compensatieopgave in het kader van de Flora en faunawet is het van belang om tot een
onderbouwde inschatting van de populatiegrootte van deze soort te komen. Daarnaast is
bekend dat de heikikker in de omgeving voorkomt.
Aangezien de aanwezigheid van geschikt biotoop valt te verwachten dat deze soort ook op
de reserveringsstrook voorkomt. De soort is echter tijdens de voorgaande veldinventarisaties
niet aangetroffen. Voor deze soort hoeft geen inschatting van de populatiegrootte te worden
gemaakt, wel is het van belang om te weten of deze soort op de reserveringsstrook aanwezig
is.
1.2
Begrenzing onderzoeksgebied
Het onderzoeksgebied bestaat uit de noordelijke wegberm langs de N33 op het traject tussen
Assen en Gieten. Het geschikte deel van de reserveringsstrook loopt globaal van oost
(x:234.565,781 y:554.113,116) naar west (x:246.331,361 y:559.028,214) wordt aan de
zuidzijde begrensd door de N33 en aan de noordzijde begrensd door bermsloten. Voor het
onderzoek naar de aanwezigheid van de heikikker zijn ook de bermsloten van belang. De
reserveringsstrook is op meerdere plaatsen te bereiken via het onderliggende wegennet.
1.3
Doel van het onderzoek
Het geven van een onderbouwde inschatting van de grootte van de populatie levendbarende
hagedissen op de reserveringsstrook. De inschatting moet nauwkeurig genoeg zijn om de
eisen voor de compensatie te kunnen bepalen en om als basis te kunnen dienen bij de
ontheffingsaanvraag in het kader van de Flora- en faunawet. Met oog op de projectplanning
moet de rapportage vóór 10 juli 2010 gereed zijn.
Het geven van een onderbouwde inschatting van de aan- of afwezigheid van de heikikker op
de reserveringsstrook en in de aangelegen bermsloten. Deze inschatting moet betrouwbaar
genoeg zijn om als basis te kunnen dienen voor de ontheffingsaanvraag in het kader
van de Flora- en faunawet.
3
2
METHODE
Aantalschattingen kunnen het best verkregen worden door herhaalde tellingen die op
identieke manier verkregen zijn. De schatting van de populatie grootte van de
levendbarende hagedis zal worden gedaan aan de hand van de methode die door Henk
Strijbosch wordt beschreven in RAVON 28 (zie literatuur). Bij deze methode wordt binnen
een beperkte hoeveelheid tijd naar levendbarende hagedissen gezocht waarna het aantal
gevonden dieren wordt omgerekend naar aantal hagedissen per manuur. Er is echter op elk
moment van de dag slechts een percentage van de populatie hagedissen zichtbaar. Deze
percentages zijn onderzocht in het onderzoek van Henk Strijbosch waaruit tabellen zijn
gekomen met per maand, per uur van de dag het zichtbare percentage van de populatie. Uit
deze percentages is per maand, per uur van de dag een omrekeningsfactor berekend om het
aantal waargenomen hagedissen per manuur om te rekenen naar de dichtheid aan hagedissen
per hectare. Tot slot kan dit aantal per hectare geëxtrapoleerd worden naar een totale
populatie grootte: dichtheid per hectare x aantal hectare. Voor een juiste berekening is tijdens
het eerste bezoek de geschiktheid van het traject beoordeeld. Hierna is het traject opgedeeld
in 9 deeltrajecten waarbinnen de geschiktheid ongeveer gelijk is. Deze deeltrajecten zijn
gebruikt in de berekeningen. Hiervoor is ook bijgehouden hoelang er op elk deeltraject
gezocht is.
Het hele traject is op 3 geschikte dagen geïnventariseerd door twee ervaren veldwerkers. Op
22 juni zijn de veldwerkers begonnen aan beide uiteinde van het traject. De een liep dus van
oost naar west terwijl de ander tegelijk van west naar oost liep. Op deze manier is het hele
traject twee keer geïnventariseerd op 22 juni binnen de periode 8 tot 14 uur (de uren
waarvoor omrekenfactoren beschikbaar zijn!). Op 25 juni en 5 juli hebben de twee
veldwerkers beide de helft van het traject geïnventariseerd zodat het traject per dag 1 keer in
totaal is geïnventariseerd. Deze inventarisaties vonden plaats tussen 08:00 en 11:30 voordat
het door de hitte ongeschikt werd om te zoeken en binnen de uren waarvoor
omrekenfactoren beschikbaar waren. Alle aangetroffen hagedissen zijn met de GPS
ingemeten en genoteerd op een veldformulier. Tevens is de tijd waarop de dieren worden
gevonden genoteerd worden (voor de juiste omrekeningsfactor).
Tijdens de inventarisaties is er ook gelet worden op de aanwezigheid van heikikkers langs het
traject en in de bermsloten. De middagen van 25 en 5 juli zijn besteed om de bermsloot te
inventariseren op het voorkomen van heikikkers, andere amfibieën en vissen. Alle
aangetroffen reptielen, amfibieën en vissen zijn gedetermineerd en op het veldformulier
genoteerd.
Tabel 1: veldbezoeken
22 juni
Persoon 1
Persoon 2
Jelger Herder
Wim van den Heuvel
25 juni
Jelger Herder
Wim van den Heuvel
5 juli
Jöran Janse
Wim van den Heuvel
4
3
RESULTATEN
3.1
Levendbarende hagedis
Het traject is qua geschiktheid opgedeeld in 9 deeltrajecten, zie tabel 2 voor deze indeling. In
totaal zijn er tijdens de bezoeken 38 levendbarende hagedissen aangetroffen. Op deeltraject 6
(rondom het viaduct bij Anderen) werden de meeste levendbarende hagedissen gevonden.
Verder werden op nagenoeg alle deeltrajecten levendbarende hagedissen gevonden, zij het
soms in lage dichtheden. Figuur 1 geeft een kaartje met daarop de waarnemingen van
levendbarende hagedissen gedaan tijdens de drie velddagen.
Tabel 2: Indeling deeltrajecten: kolom 1 geeft het nummer van het deeltraject, kolom 2 en 3 geven dee X
coördinaten waar een deeltraject start en eindigt, kolom 4 geeft de geschiktheid voor levendbarende hagedissen en
kolommen 5 t/m 9 geven het aantal aangetroffen levendbarende hagedissen per bezoek en in totaal.
Nr
Van X1
Tot X2
Geschiktheid
# aangetroffen levendbarende hagedissen
22 juni
22 juni
25 juni
5 juli
Totaal
1
234.565
235.395
Redelijk
0
0
1
0
1
2
0
0
0
0
0
Matig
0
1
0
0
1
241.772
Matig tot slecht
0
1
2
1
4
242.265
Matig
1
2
1
1
5
243.756
Goed tot redelijk
7
5
6
4
22
243.756
244.395
Matig
1
0
0
0
1
244.395
245.475
Redelijk
3
0
0
1
4
245.475
246.006
Ongeschikt
0
0
0
0
0
3
235.395
237.082
Matig tot slecht
237.082
239.433
4
239.433
241.772
242.265
5
6
7
8
9
Figuur 1: kaart van de waarnemingen van levendbarende hagedis (rood) en poelkikker (blauw)
5
Uit de aantallen waargenomen hagedissen, tijdstippen waarop deze zijn waargenomen en
zoektijd binnen de verschillende trajecten is met behulp van de omrekenfactoren van
Strijbosch (zie RAVON 28) het aantal levendbarende hagedissen per hectare berekend voor
de verschillende deeltrajecten tijdens de verschillende bezoeken. Vervolgens is het
gemiddelde van de 4 bezoeken genomen en is dit vermenigvuldigd met de grootte van de
deeltrajecten om tot een totale populatieschatting per deeltraject te komen. Deze staan
weergegeven in tabel 3. De populatieschatting voor de levendbarende hagedis voor het hele
traject komt op 349 dieren.
Tabel 3: schatting aantal levendbarende hagedissen: kolom 1 geeft het nummer van het deeltraject,
kolom 2 t/m 5 geven het aantal levendbarende hagedissen per hectare, deeltraject en datum, kolom 6 geeft het gemiddeld
aantal levendbarende hagedissen per hectare per deeltraject, kolom 7 geeft de lengte van de deeltrajecten, kolom 8 geeft de
oppervlaktes van de deeltrajecten in hectare en kolom 9 geeft het totale aantal hagedissen dat er per deeltraject voorkomt.
Nr
22 juni
22 juni
25 juni
5 juli
Gemiddeld
Lengte traject
Aantal
Totaal aantal
(meters)
hectare
hagedissen
1
0
0
9,5
0
2,4
831
1,66
4
2
0
0
0
0
0
1705
3,41
0
3
0
7,0
0
0
1,8
2380
4,76
8
4
0
6,3
17,8
14,9
9,7
2659
5,32
52
5
30,5
75,3
30,4
26,4
40,7
641
1,28
52
6
7
36,5
32,3
33,1
74,0
44,0
2156
4,31
190
20,6
0
0
0
5,2
689
1,38
7
8
38,7
0
0
23,6
15,6
1161
2,32
36
0
0
0
0
0
574
1,15
9
0
349
3.2
Amfibieën (heikikker en poelkikker)
Er is intensief gezocht naar heikikkers, zowel op de reserveringsstrook als in de bermsloot.
De bermsloot stond voor het grootste deel reeds droog. Dit lijkt een belemmering te zijn
voor succesvolle voortplanting. Een week voor het onderzoek vonden we in de omgeving
langs de Drentse Aa nog heikikker larven zonder pootjes, dit wijst erop dat de sloot niet
voldoende tijd biedt aan heikikker larve om de metamorfose te completeren voordat de sloot
opdroogt. Op een aantal plaatsen was de sloot nog waterhoudend, hier zijn geen heikikkers
of larven aangetroffen. Op veel plaatsen was ook veel tiendoornige stekelbaars aanwezig wat
een negatief effect heeft op het voortplantingssucces van heikikkers omdat deze soort
predeert op de larven van de heikikker. De bermsloot lijkt ongeschikt voor voortplanting van
de heikikker. De heikikker komt wel wijdverspreid voor in de omgeving en het is niet
onmogelijk dat de bermsloot, inclusief slootkanten, en delen van de reserveringsstrook
worden gebruikt door de heikikker om te fourageren. De soort is echter niet aangetroffen en
het belang van de reserveringsstrook en bermsloot voor de heikikker kan als gering worden
aangemerkt.
Wel is de poelkikker aangetroffen op 3 plaatsen (zie figuur 1). De poelkikker is een streng
beschermde soort die op de Flora- en faunawet tabel 3 staat. Daarnaast zijn in de sloten
larven gevonden van kleine watersalamander en bruine kikker en volwassen bruine kikkers
en bastaardkikkers.
6
LITERATUUR
Strijbosch, H., 2008. Aantallen schatten bij hagedissen. RAVON 28: pagina 1-11.
7
28 10(1) 2008
Aantallen schatten bij
­hagedissen
Henk Strijbosch
Over het schatten van de populatiegrootte van dieren zijn
boeken vol geschreven. Begon (1979) en Blower et al.
(1981) zijn enkele klassieke voorbeelden hiervan en op
specifiek herpetologisch gebied kunnen Scott (1982), Szaro
et al. (1988) en Heyer et al. (1994) genoemd worden. In het
boek van Scott (1982) geven Campbell & Christman
(1982) een goed overzicht van allerlei kwalitatieve en
kwantitatieve herpetologische veldmethoden en dit geldt
met name ook voor het hoofdstuk ‘Standard techniques
for inventory and monitoring’ in het boek van Heyer et al.
(1994).
In ons land wordt in de meeste gevallen, waarin men
absolute aantallen wil schatten, gebruik gemaakt van de
een of andere variant van de vangst-terugvangstmethode.
Aan al deze varianten worden echter randvoorwaarden
gesteld en het is vaak onmogelijk om geheel daaraan te
voldoen. Uit de inschatting van de mogelijke fout in het
geschatte aantal, wat bij meerdere varianten mogelijk is,
blijkt dan ook vaak, dat de schatting als zeer grof gezien
moet worden. Schattingen als ‘er zitten daar 120 ± 100
individuen’ zijn vaak het resultaat en het is duidelijk, dat
noch de onderzoeker noch de beheerder hier goed mee
verder kan.
Schattingsmethoden
Om verschillen in aantallen in ruimte (in verschillende
terreinen of habitats) of tijd (in verschillende perioden of
jaren) vast te stellen, valt men dan ook vaak terug op relatieve aantallen, d.w.z. op het resultaat van tellingen of op
andere manieren verkregen getallen, die telkens op één en
dezelfde manier verkregen zijn. Voorbeelden zijn transecttellingen of andere in ruimte en/of tijd beperkte tellingen
en val- of fuikopbrengsten. Met name in de vogel- en
zoogdierliteratuur zijn talloze voorbeelden hiervan te vinden, maar ook wel in een aantal veldherpetologische studies. Wel komt daarin vaak een verschil tussen amfibieën
en reptielen naar voren, doordat val- en fuikvangsten kennelijk betrouwbaarder zijn bij amfibieën dan bij reptielen
(bijv. Bury & Corn, 1988). Bij reptielen worden daarom
Mannetje
levendbarende hagedis
Vrouwtje zandhagedis
Foto’s: Henk Strijbosch
Bij dieren is het betrouwbaar schatten
van het aantal in een bepaald gebied
een van de grootste uitdagingen voor
veldonderzoekers en natuurbeheerders.
Door hun beweeglijkheid en het vermogen zich te verbergen of anderszins uit
het oog te blijven, plaatsen dieren de
zoölogisch actieve veldwerker voor aanzienlijk grotere problemen dan waar
hun botanische collega’s voor staan. Er
is dan ook een veelheid aan verschillende schattingsmethoden voor dieren
gepubliceerd. Wil men echter betrouwbare resultaten verkrijgen bij reptielen,
dan voldoen vele schattingsmethoden
niet of zijn er ingrijpende, langdurige
en daardoor kostbare studies voor
nodig. Hier wordt voor de levendbarende hagedis en de zandhagedis een
relatief eenvoudige methode voorgesteld, al kleven er nog wel enkele beperkingen aan.
Foto’s: Henk Strijbosch
28 10(1) 2008
beide hagedissoorten bekend geworden is.
Noch bij de opzet van dit onderzoek, noch bij het toepassen van de tcs-techniek is op voorhand rekening
gehouden met de mogelijkheid de resultaten te gebruiken
voor het hier gepresenteerde doel. Dit leidt tot enkele
beperkingen en voor een goed begrip daarvan, maar ook
om andere redenen, is het goed dat onderzoek nu eerst
kort te bespreken. Het doel van het oorspronkelijke
onderzoek was een aantal ecologische kenmerken van
deze twee hagedissoorten vast te leggen, hun demografie
te bestuderen en na te gaan of ze elkaar in het veld beconcurreren. Daartoe werd op het landgoed ‘De Hamert’, nu
onderdeel van het Nationaal Park Maasduinen, een proefterrein van 1,2 ha gekozen, waarop beide soorten volop
aanwezig waren. Het lag op een oud rivierduin, in de rand
van een grote, droge heide. Terzelfder tijd werd in het
natuurreservaat ‘Overasseltse en Hatertse Vennen’ (ohv)
nabij Nijmegen een proefterrein gekozen, waarbinnen een
drietal kleine, droge rivierduintjes met heide en heideachtige begroeiing, gelegen rondom een slenk met enkele
heidevennetjes, omringd door vochtige heidevegetaties
met veel pijpenstrootje. De betreffende rivierduinen zijn
een natuurlijke Gelderse voortzetting van de Limburgse
‘Maasduinen’, maar hier kwam en komt alleen de levendbarende hagedis voor, zowel op de duintjes als rondom de
vennen. De proefvlakgrootte hier was 1,04 ha voor de
droge duinkoppen en 0,75 ha voor de vochtige venoevers.
Droge heide
Detail droge heide
met veel bochtige smele
Vochtige heide met
veel pijpenstro
vaker zogenaamde ‘time-constrained searches’ (TCS, in
tijd begrensde zoektochten) gebruikt, waarbij men in een
beperkte periode naar reptielen zoekt en de resultaten
weergeeft als aantallen per manuur. Hiernaast kent men
ook ‘area-constrained searches’ (ACS, in ruimte begrensde
zoektochten), waarvan de zogenaamde ‘kwadraatmethode’
de meest extreme vorm is. Hierbij wordt een beperkt
stukje van een bepaald terrein totaal leeg gevangen, wat
weliswaar leidt tot het verkrijgen van absolute aantallen
per oppervlakte-eenheid, maar ook tot locale vernietiging
van de habitat. Voesenek & van Rooy (1984) en Voesenek
et al. (1987) maakten op succesvolle wijze gebruik van deze
methode bij herpetologisch veldonderzoek op Sardinië.
Inheemse hagedissen schatten
In dit artikel wordt een tcs-techniek gepresenteerd, die
het mogelijk maakt om onder een aantal voorwaarden tot
absolute aantalschattingen te komen bij de levendbarende
hagedis (Zootoca vivipara) en de zandhagedis (Lacerta agilis).
Hierbij worden dus relatieve aantallen omgezet in absolute
aantallen. Dit is mogelijk geworden, doordat de TCS-techniek een aantal malen nauwgezet toegepast is in een tweetal terreinen, waarvan achteraf de absolute dichtheid aan
In 1976 werd zowel op ‘De Hamert’ als in de ohv gestart
met een intensief veldonderzoek op deze proefvlakken.
Dit hield in, dat ze vanaf dat moment dagelijks (althans bij
‘hagedisvriendelijke’ weersomstandigheden) bezocht werden door minimaal twee studenten, die alle gevangen
dieren individueel merkten. Een van de onderzoeksvragen
was het simultaan vastleggen van de dagritmiek bij beide
soorten. Hiervoor werd de tcs-techniek toegepast, namelijk verspreid over de diverse maanden van het jaar werden
op dagen met voor hagedissen goede weersomstandigheden gedurende een gefixeerd aantal minuten tellingen
verricht in ieder uur van de dag. Op ‘De Hamert’ werd
daarbij ieder uur 2x20 minuten lang gezocht op twee verschillende trajecten binnen het proefterrein, in de OHV 20
min. op de droge duinkoppen en 20 min. in de oevervegetaties rondom de vennetjes. Tussen elke telling werd 10
min. gerust. Tijdens de tellingen werden slechts de opgemerkte hagedissen geteld, er mocht niet gevangen worden. Het zijn juist deze tellingen, die gebruikt kunnen
worden bij de nu voorgestelde schattingsmethode.
Het Hamert-onderzoek duurde in totaal 7 jaar, dat in de
OHV 6 jaar. Door de intensiteit van het onderzoek (10.362
gedocumenteerde vangsten!) kon aan het eind van deze
perioden het in ieder jaar aanwezige aantal hagedissen in
beide proefterreinen nauwkeurig bepaald worden (berekening minimale populatiegrootte, Lenders, 1985; Stommen,
1985; Creemers, 1986). Hierbij gaat het om alle adulte en
subadulte dieren na één overwintering, aanwezig in het
voorjaar van ieder jaar. Pasgeboren juveniele dieren vallen
dus buiten deze schattingen; hun aantal werd op een
andere manier geschat. De gevonden aantallen staan aangegeven in tabel 1 in aantal/hectare. Voor de zandhagedis
is dus één reeks van dichtheden bekend, voor de levendbarende zijn dat er drie, twee in een droge habitat en een
in een vochtige habitat.
Percentage zichtbaar
Door nu het tijdens de TCS-tellingen per manuur waargenomen aantal hagedissen te vergelijken met het op dat
moment daar levende totale aantal kan men afleiden, hoe-
28 10(1) 2008
veel procent van dat totale aantal zich laat tellen. Dit
wordt het ‘percentage zichtbaar’ genoemd. In totaal werden 798 betrouwbare TCS-tellingen uitgevoerd, waarvan
203 voor de zandhagedis en 595 voor de levendbarende
hagedis (409 in een droge habitat en 186 in een vochtige
habitat). De berekende percentages zichtbaar van al deze
tellingen staan per maand per uur weergegeven in appendix 1. Bij de tellingen, die de basis vormen voor deze
percentages zichtbaar, is telkens het eventueel aanwezige
aantal getelde pasgeboren juvenielen weggelaten. In deze
tabel valt al direct op, dat de reproduceerbaarheid van de
getallen niet overal even groot is. Zo zijn bijvoorbeeld de
onderlinge verschillen tussen de getallen in de vroege
ochtend- en avonduren vaak erg groot. De resultaten staan
hier per maand gegroepeerd, omdat verdere uitsplitsing,
bijvoorbeeld naar decade of week, nog sterker springende
getallen geeft. Voor nogal wat uren in de diverse maanden
worden nu getalreeksen verkregen, waarvan de betrouwbaarheid berekend kan worden. Hier wreekt zich het feit,
dat er niet op voorhand rekening is gehouden met de
mogelijkheid om de hier voorgestelde berekeningen erop
toe te passen, waardoor er meestal geen duplo-tellingen
e.d. verricht zijn.
Detail vochtige heide
Detail vochtig habitat
levendbarende hagedis
Omrekeningsfactor
De omrekeningsfactor is het getal, nodig om het percentage zichtbaar om te zetten naar 100% en daarom niets
meer dan 100/percentage zichtbaar. Na vermenigvuldiging
van de verkregen percentages zichtbaar met deze omrekeningsfactor komt men dus de locale dichtheid (n/ha) te
weten. Wil men het absolute aantal in een bepaalde
(sub)populatie kennen, dan volstaat het vermenigvuldigen
van de aldus verkregen dichtheid met het door deze
(sub)populatie bewoonde oppervlak, uitgedrukt in hectares.
Betrouwbaarheid van de methode
Bij het tellen van dieren in de vrije natuur kan een hele
reeks variabelen de uitkomst beïnvloeden. Die beïnvloeding speelt zeker ook bij het tellen van reptielen een grote
rol, ondanks dat al onze reptielen duidelijk dagdieren zijn.
Daarom is het absoluut noodzakelijk rekening te houden
met in ieder geval de volgende mogelijke foutenbronnen:
het jaargetijde: als ectotherme (‘koudbloedige’) dieren
vertonen al onze reptielen een uitgesproken jaarritmiek,
met perioden waarin ze onvindbaar (bijv. in winterslaap) zijn en perioden met geringe of juist grote activiteit (en vandaar zichtbaarheid!). Voor de jaarritmiek van
de hier besproken soorten zie van Nuland & Strijbosch
(1981). Hiermee is bij deze studie rekening gehouden
door alle resultaten apart per maand te bekijken. Zoals
reeds eerder aangegeven is ook geprobeerd de tellingen
per week of per decade te groeperen, maar daarbij bleek
hun betrouwbaarheid nauwelijks in te schatten.
het uur van de dag: omdat beide hier besproken hagedissoorten een zeer duidelijke, eigen dagritmiek vertonen, maakt het zeer veel uit op welk uur van de dag
geteld wordt. Deze dagritmiek varieert ook nog eens
sterk in de loop van het jaar, zodat in alle maanden de
afzonderlijke uren als aparte eenheden beschouwd
Droge heide met jeneverbesstruweel
•
•
moesten worden. In vrijwel alle gevallen bleek het
samenvatten van uren de gegevens juist onbetrouwbaarder te maken, te zien aan een forse toename van de
standaardafwijking.
het weertype: dat men hagedissen niet moet gaan zoeken bij regenachtig weer is algemeen bekend. Hun
afhankelijkheid van voor hen gunstige weersomstandigheden (zon, warmte, vochtigheid) is in ons land bijzonder groot. Verder blijkt, dat ze in de loop van het jaar
niet altijd even gevoelig zijn voor diverse weertypen en
dat kan zelfs ook op zeer korte termijn een rol spelen.
Zo zijn er in een periode met gunstig weer (met zon en
een redelijke temperatuur) na een periode met donker,
regenachtig of koud weer op de eerste en tweede dag na
het begin van het ‘goede’ weer altijd aanzienlijk meer
•
soort
terrein
habitat
1976
1977
1978
1979
1980
1981
1982
Lacerta agilis
Hamert
droog
114
94
83
90
99
108
97
Zootoca vivipara
Hamert
droog
118
69
71
84
116
94
103
OHV
droog
194
230
160
153
60
40
-
OHV
vochtig
80
145
160
88
63
31
-
Tabel 1: Dichtheid (zonder
pasgeborenen) in aantal
per hectare.
28 10(1) 2008
hagedissen actief dan op de dagen, die daar op volgen.
Verder blijken beide hier besproken soorten in de
vroege voorjaarsmaanden vaak bij lagere temperaturen
activiteit te vertonen dan in het najaar (dat voor hen
vaak al in eind augustus/aanvang september begint!).
Wat betreft directe zonneschijn, temperatuur en vochtigheid is er bovendien sprake van een optimumbereik,
d.w.z. het mag niet te weinig maar ook niet te veel van
het goede zijn. Zo neemt de activiteit ook bij zeer zonnig, warm en/of droog weer sterk af. Het goed kunnen
bepalen van wat een ‘hagedisvriendelijke’ dag of dagdeel is, vergt dan ook een grote mate van veldervaring.
Hierop zal verderop teruggekomen worden. Omdat wij
het weer op een bepaalde dag nog steeds niet in de
hand hebben, is het voor het toepassen van de hier
voorgestelde methode dan ook absoluut noodzakelijk
om slechts op ‘hagedisvriendelijke’ dagen en uren te
tellen. Op zeer veel dagen kan er dus domweg niet
betrouwbaar geteld worden. Alle hier gepresenteerde
getallen zijn ook slechts op ‘goede’ momenten verzameld en daarop stoelen de gegeven omrekeningsfactoren.
het habitattype: het waarnemen van hagedissen is niet
in alle habitattypen even gemakkelijk en ook kunnen ze
daarin een verschillende activiteitsritmiek bezitten. In
hoge en/of dichte vegetaties kan men ze meestal aanzienlijk moeilijker in het oog krijgen dan in open, korte
vegetaties. De hier voorgestelde methode is gestoeld op
tellingen, uitgevoerd in open, heideachtige vegetaties,
gedomineerd door struikheide en/of bochtige smele en
in hogere en vooral ook dichtere, met name door pijpenstrootje gedomineerde vegetaties. De zandhagedis
werd slechts geteld in zulke open heidevegetaties, de
levendbarende ook in vergraste heiden en in dichte
venoevervegetaties met vooral pijpenstrootje. Bij deze
laatste soort bleken de tellingen in heide en vergraste
heide redelijk gelijke scores op te leveren, maar die in de
vochtige pijpenstrootjesvegetatie weken daar in een
aantal opzichten duidelijk van af. Die van de drogere,
open vegetaties zijn hier daarom samengenomen. In de
hogere, dichtere vegetatie bleek al eerder in het jaar
activiteit te bespeuren en deze was daar in het vroege
voorjaar ook hoger. Ook in het ‘najaar’ was daar duidelijk een beter waarneembare activiteit. Om deze redenen
is er hier voor gekozen om bij de levendbarende hagedis
onderscheid te maken tussen deze twee habitattypen.
Dit door de gegevens uit droge heiden en door bochtige smele gedomineerde vegetaties (vergraste heiden en
bijvoorbeeld droge kapvlakten) als ‘droge’ habitat te
Foto: Arnold van Rijsewijk
•
Levendbarende hagedis
typeren en de over het algemeen wat vochtigere, meestal door pijpenstrootje gedomineerde terreindelen als
‘vochtige’ habitat. Ook delen met een hoogveenachtige
vegetatie worden tot dit laatste type gerekend.
de waarnemer: de ‘kwaliteit’ van de teller is waarschijnlijk de grootste potentiële foutenbron. Met ‘kwaliteit’
wordt hier niet alleen bedoeld het vermogen om hagedissen goed op te kunnen sporen en waar te nemen,
maar vooral ook om goed in te kunnen schatten waar
en wanneer men dat precies moet doen. Hij/zij moet
dus oog hebben voor alle andere hier genoemde variabelen. Bij het opstellen van deze methode is steeds uitgegaan van gegevens, verzameld door ervaren ‘hagedissenzoekers’. Ook deze zijn natuurlijk niet allemaal
precies hetzelfde en daarom is er, ook bij deze achteraf
bedachte en berekende methode, gebruik gemaakt van
gegevens van een zo groot mogelijk aantal verschillende
personen. In totaal zijn tellingen gebruikt van 23 verschillende studenten en uiteraard van de schrijver van
dit artikel. Al deze studenten werden intensief getraind
en daarna nog een tijdlang gecontroleerd, voordat hun
gegevens voor gebruik in aanmerking kwamen. Meestal
bleken de studenten na een training van 1 à 2 maanden
zeer goed in staat hagedissen op te merken, maar hierbij
moet wel vermeld worden, dat ze vrijwel allemaal al een
meer dan normale interesse in het werken met hagedissen hadden. De hier genoemde ‘kwaliteit’ van de observator is van zo’n basaal belang, dat de hier voorgestelde
methode ermee staat of valt. Er mag dus nooit sprake
zijn van overschatting van die ‘kwaliteit’, iets wat helaas
regelmatig voorkomt. Daarom wordt ten sterkste aanbevolen om die ‘kwaliteit’ nog vóór het in praktijk
brengen van deze telmethode te toetsen bij een ervaren
‘hagedissenzoeker’. Door samen met zo’n persoon een
terrein met hagedissen te bezoeken kan ervaren worden,
of het kunnen opmerken van de dieren wel voldoende
ontwikkeld is. Overigens, uit de ervaring van de schrijver dezes blijkt, dat werkelijk in deze dieren geïnteresseerde personen dat goed en vrij snel kunnen leren.
Ervaren ‘hagedissenzoekers’ zijn aanwezig binnen ravon
of er is via ravon wel mee in contact te komen.
•
Resultaten
De resultaten van het rekenwerk, d.w.z. het omzetten van
de verzamelde percentages zichtbaar in gemiddelden en
deze weer in omrekeningsfactoren, worden gepresenteerd
in de appendices 2-4. Bij het gemiddelde percentage zichtbaar wordt, waar mogelijk, de standaardafwijking bij dat
gemiddelde gegeven en bij de omrekeningsfactoren de
factor op basis van het bijbehorende gemiddelde percentage zichtbaar, maar ook de uitkomst bij gebruikmaking
van dat gemiddelde plus en min de standaardafwijking.
Dit geeft al meteen een indruk van de betrouwbaarheid
van de schattingen. In alledrie de appendices valt alleen al
hierdoor een groot aantal uren als totaal onbruikbaar door
de mand.
Evaluatie
In een poging de betrouwbaarheid/bruikbaarheid van de
verkregen getallen te toetsen, is een uitgebreid evaluatieprogramma uitgevoerd. Hiermee werd gestart in 1993
door de voorgestelde tcs-tellingen door een tweetal studenten te laten uitvoeren in alle (sub)populaties van de
levendbarende hagedis in de ohv, o.a. op de oude proefterreinen (Huisman & Oostrik, 1993). Ondergetekende
deed aan deze tellingen mee en besloot na dat jaar het
onderzoek persoonlijk tot een 10-jarige studie te verlengen
(Strijbosch, in druk). In 1994 werden ook op het stuwwalgebied bij Nijmegen zulke tcs-tellingen uitgevoerd in
28 10(1) 2008
luatiestudie, die deels uitgevoerd werd in hetzelfde terrein,
zeer frequent uitgetest en telkens leverden zij zeer bevredigende resultaten. Wat betreft de september-tellingen is
dit slechts één keer gebeurd en ook toen bleken de resultaten niet afwijkend. Daarom zijn ook deze metingen als
betrouwbaar gehandhaafd, ondanks hun enkelvoudige
karakter.
In tabel 2 worden de betrouwbaar geachte vermenigvuldigingsfactoren voor beide soorten aangegeven. In kleine
druk worden daarin ook die vermenigvuldigingsfactoren
gegeven, die niet al te ver buiten de gekozen betrouwbaarheidsdrempel vallen en daardoor wellicht tot een grove
indruk van populatiegroottes kunnen leiden.
Conclusies
Bruikbaar zijn correct uitgevoerde tcs-tellingen uit de
volgende uren (zie tabel 2):
Zandhagedis:
enkele uren in april (met name eind april), van 8 – 17 uur
in mei en verder enkele uren in de maanden juni t/m september.
Levendbarende hagedis:
in ‘droge’ habitats: van 11 – 15 uur in april, van 8 – 17 uur
in mei en van 8 – 12 uur in juni.
in ‘vochtige’ habitats: in goede jaren al enkele uren midden overdag in maart, verder van 10 – 16 uur in april, op
de meeste uren van mei, op een aantal vroege of juist wat
latere uren in juni en op enkele middaguren in augustus en
september.
Voor het verkrijgen van een grove indruk op een tijdstip, waarop geen betrouwbare bepaling mogelijk is,
komen de uren in aanmerking, waarin de getallen in tabel 2 in
kleine druk gegeven worden.
Bij dit alles behoort wel voldaan te worden aan de volgende condities:
•alleen maar tellen bij ‘hagedisvriendelijke’ weersomstandigheden
•slechts (laten) tellen door een getrainde observator
•rekening houden met het habitattype
•slechts tellen in inwendig homogene habitats en ook
daarin niet alleen maar zoeken op de beste plekjes en de
ogenschijnlijk minder goede plekken overslaan
•dubbeltellingen absoluut vermijden, dus tijdens één telling nooit tweemaal hetzelfde plekje bezoeken
•pasgeboren juvenielen (dieren in hun geboortejaar)
nooit meetellen
•alle gegevens per uur en per maand apart houden
•voor iedere dichtheidsbepaling minimaal driemaal tellen
Mannetje zandhagedis
Foto: Jelger Herder
een groot aantal (sub)populaties van de zandhagedis
(Veenvliet & Schoen, 1994). Verder werd de methode uitgebreid uitgetest tijdens een grootscheeps onderzoek aan
de levendbarende hagedis in oostelijk Noord-Brabant
(van Delft & Kuenen, 1998). Hierbij werden 198 tcs-tellingen verricht, waarmee veel ervaring opgedaan werd
over de mogelijke betrouwbaarheid van tellingen op allerlei tijden in verschillende maanden en in sterk verschillende terreinen.
Aan al deze evaluaties kleefde helaas wel een groot
probleem, namelijk ze werden uitgevoerd in populaties,
waarvan de werkelijk aanwezige aantallen niet bekend
waren. In enkele ervan zijn daartoe wel schattingen op
andere manieren verricht, maar in vrijwel alle gevallen zijn
de verkregen (= berekende) populatiegroottes beoordeeld
met ‘expert judgement’. Deze ervaring werd met name
opgedaan gedurende de jarenlange studies op ‘De Hamert’
en in de ohv. De auteur van dit artikel was het ‘vaste punt’
in deze studies en door hem en door studenten onder zijn
leiding zijn daarvóór, maar ook naderhand op meerdere
andere plaatsen aantalschattingen uitgevoerd met behulp
van vangst-terugvangsttechnieken. Bij de beoordeling van
de resultaten van de evaluatiestudies werd bekeken, of de
berekende aantallen absurd hoog of laag waren voor de
betreffende habitat, waarbij ‘expert judgement’ de doorslag gaf. Ook werden de tellingen nu wel regelmatig in
duplo verricht en vaak zelfs in drievoud.
Uit dit geheel kwam naar voren, dat de schattingen op
basis van percentages zichtbaar lager dan 10% vaak variabele uitkomsten gaven. Daarbij speelt een procent meer of
minder dan ook een veel grotere rol dan bij hogere percentages. Daarom werd besloten de vermenigvuldigingsfactoren van 10 en hoger te wantrouwen. Ook de schattingen,
waarbij
na
gebruikmaking
van
de
verme­nig­vuldigings­factor op basis van het gemiddelde
percentage zichtbaar plus eenmaal en min eenmaal de
standaardafwijking de ‘minimumschatting’ meer dan driemaal zo klein was dan de ‘maximumschatting’, werden als
grof/onbetrouwbaar verworpen. Dit betekent, dat er met
name vroeg en laat in het jaar en ook vroeg en laat op de
dag nogal wat uren wegvallen als onbetrouwbaar en verder, dat ook de warme zomermaanden als nogal ongeschikte telperioden naar voren komen, met name bij de
levendbarende hagedis.
De buiten deze restricties vallende, overgebleven schattingsmogelijkheden bleken tot acceptabele en zelfs reëel
geachte populatiegroottes te leiden. Gedurende de 10jarige studie in de ohv bleek zelfs, dat de meeste van de
door de jaren heen gemeten aantalschommelingen in de
verschillende subpopulaties (34 in getal) aardig gecorreleerd konden worden aan bepaalde externe omstandigheden. Verder bleken de aantalschommelingen in de afzonderlijke subpopulaties ook schommelingen in de totale
metapopulatie te veroorzaken, die op hun beurt ook weer
gecorreleerd bleken aan bepaalde klimaatsinvloeden op de
onderzochte soort (Strijbosch, in druk). Al deze correlaties
versterken dan ook de indruk, dat met de set van vermenigvuldigingsfactoren, dat na de restricties is overgebleven,
vrij betrouwbaar geschat kan worden.
Hierbij moet nog wel vermeld worden, dat in de minst
bemonsterde habitat (de ‘vochtige’ habitat bij de levendbarende hagedis, zie appendix 4) gedurende twee verschillende maanden slechts eenmaal per uur een telling verricht
is, namelijk in april en september. Deze tellingen, respectievelijk uitgevoerd op 25 april 1978 en 25 september 1977
door twee zeer ervaren studenten, samen met de auteur
van dit artikel, werden destijds zo bevredigend geacht (als
bepaling van de dagritmiek!), dat van een tweede telling
afgezien werd. Deze april-tellingen zijn gedurende de eva-
28 10(1) 2008
Voorbeelden
Omdat dit artikel bedoeld is voor mensen in het veld en
het helaas op meerdere plaatsen nogal theoretisch van aard
is, worden hieronder twee concrete voorbeelden gegeven,
waarin van de methode gebruik gemaakt wordt.
Het eerste voorbeeld betreft een klein overhoekje, het
restant van een rivierduinhelling in agrarisch gebied, maar
wel niet ver van een vennencomplex gesitueerd. Het was
langwerpig driehoekig en helde naar het zuiden en het
oosten. Aan de noordkant lag een hoge roggeakker, aan
Tabel 2: Bruikbare
omrekeningsfactoren
bij de zandhagedis
(Lacerta agilis) en de
levendbarende hagedis (Zootoca vivipara)
uren
8-9
9-10
10-11
11-12
de zuidkant een lager gelegen weiland en aan de westkant
een wat vochtiger grasland. Aan de oostkant eindigde het
in een smalle punt, doordat het weiland daar tot aan de
akker reikte. De grens met de akker was slechts 60 m lang,
die met het weiland zo’n 65 m en met het vochtige grasland 20 m. Het totale oppervlak bedroeg daardoor slechts
ongeveer 600 m2, d.i. 0,06 ha. De vegetatie bestond uit een
gesloten grasmat van bochtige smele, met hier en daar een
pol struikheide, wat opslag van jonge eik en vuilboom,
enkele braamstruikjes en een bremstruik. Het terreintje
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
Zandhagedis
april
f
+sd/-sd
mei
f
+sd/-sd
juni
f
+sd/-sd
juli
f
+sd/-sd
aug.
f
+sd/-sd
sept.
f
+sd/-sd
10,5
15,4
11,1
7,7
6,9
10 - 14,3 7,1 - 8,3 6,7 - 25 14,3 - 16,7 6,7 - 7,1 8,3 - 16,7
9,3
9,3
9,3
4,2
4,2
5,9
4,9
7,1 - 13,5 7,3 - 13 6,8 - 14,9 2,9 - 7,1 4,2 - 4,2 5,1 - 7 4,2 - 5,9
11
8,5
8,8
9,7
8,3
9,5
8
7,9
6,9 - 27 5,2 - 23,8 5,7 - 19,2 6,2 - 11,2 5,7 - 12,8 6,3 - 21,7 5,4 - 17,9 6,7 - 16,7
9,3
14,9
13,3
9,3
7,7
7,4
9,5
11,1 - 16,7 7,7 - 12,5
7,5 - 12,2 5,6 - 12 5,4 - 11,9 5,7 - 24,4 13,2 - 17,2
11,5
5,6
9,2
9,1
7,7
6,3
8,3 - 18,5 3,8 - 10,9 6,6 - 15,6
6,7 - 14,3 6,8 - 8,8 4,3 - 11,2
14,7
10,7
10,3
9,3
8,2
10,5 - 24,4 7,6 - 19,2 6,7 - 22,2 6,8 - 14,7 5,6 - 15,6
11,8
Levendbarende hagedis: ‘droge’ habitats
april
mei
juni
juli
11,1
8,5
6,3
6,7
8,8
6,1 - 27,8 6,4 - 13 4,6 - 9,7 5,5 - 8,4 6,8 - 12,7 7,9 - 18,7
+sd/-sd
m
4
4,8
4
6,6
7,4
6,5
5,7
8
8,8
+sd/-sd 2,9 - 6,3 3,4 - 8,1 2,8 - 7,4 5,1 - 9,3 5,1 - 13,2 4,9 - 9,9 4 - 9,8 5,6 - 14,3 7,4 - 11,1
6,9
11
f
7,1
5,5
5,6
5
+sd/-sd 4,8 - 14,3 4 - 8,6 4,1 - 9 3,5 - 8,5 4,6 - 14,1 6,2 - 47,6
f
f
+sd/-sd
aug.
f
+sd/-sd
10
11,9
13
12,5
-
11
9,3 - 16,7 10,4 - 17,2 7,6 - 20
10,5
11,5
11,2
7,7 - 16,7 9,2 - 18,9 7 - 27,8
Levendbarende hagedis: ‘vochtige’ habitats
maart
april
mei
f
14,3
+sd/-sd
12,5 - 16,7
f
6,7
4,3
4
+sd/-sd
-
-
-
f
+sd/-sd
juni
f = vermenigvuldigingsfactor op basis van het
gemiddelde percentage
zichtbaar
+sd/-sd = vermenigvuldigingsfactor op basis
van het gemiddelde +
1xsd, resp. gemiddelde
- 1xsd
f
+sd/-sd
juli
f
+sd/-sd
aug.
f
+sd/-sd
sept.
9,5
6,3
9,1 - 10 5 - 8,3
4,3
5
-
7,1
7,1
7,1
7,9
6,3 - 8,3 5,6 - 10 4,5 - 16,7 5,6 - 13
7,4
9,1
7,3
6,0 - 9,3 4,5 - 20 5,3 - 33,3
11,8
-
11,1
8,3 - 16,7
6,7
-
9,1
6,8
6,3
8,3 - 10 5,5 - 8,8 6,0 - 6,6
12,5
10,3
9,3
10 - 16,7 7,2 - 13.2 6,8 - 21,3
13
8,3 - 20 10,4 - 17,2
6,9
8
7,4
4,5 - 14,3 4,5 - 33,3 4,5 - 20
f
10
+sd/-sd
-
9,1
10,5
9,5
8,7
7,1 - 12,5 9,1 - 12,5 9,1 - 10 6,7 - 12,5
7,1
7,1
9,1
-
-
-
13,7
10,5
11,1 - 17,9 7,1 - 20
9,7
5,8 - 28,6
28 10(1) 2008
werd 5x bezocht in de maand mei, met opzet telkens tussen 10 en 11 uur in de ochtend en uiteraard telkens bij
‘goed hagedissenweer’. Omdat het terreintje zo klein en
overzichtelijk was, duurde zo’n bezoek slechts 5 min.,
omdat in die tijd het hele terreintje goed overzien kon
worden. Tijdens twee van deze bezoeken werden telkens
slechts 2 levendbarende hagedissen gezien, tijdens twee
andere telkens 3 exemplaren en tijdens een van de bezoeken 5 exemplaren. Het gemiddelde hiervan is 3 en het
gemiddelde aantal per manuur is dus 36 exemplaren.
Omdat het een zgn. ‘droog’ terrein betrof, is de vermenigvuldigingsfactor op die tijd in die maand voor deze soort
4. Dit houdt in, dat de locale dichtheid 4 x 36 = 144 exemplaren/ha bedroeg. Daar het echter slechts om 600 m2
gaat, bedroeg het daar levende aantal in werkelijkheid 144
x 0,06 = 8,64 , dus zo’n 9 exemplaren. Wanneer de mogelijke fout in deze schatting berekend wordt (d.w.z. op basis
van + 1x de standaardafwijking in het percentage zichtbaar
uren 6-7
7-8
8-9
9-10
10-11
en van – 1x de standaardafwijking), dan zou het om 6-16
dieren kunnen gaan.
Een meer gecompliceerd voorbeeld betreft een terrein
rondom een ven in een rivierduingebied. Het geheel
vormt een soort open enclave van 7,44 ha, alzijdig omgeven door dichte dennenbossen, met uitzondering van een
klein stukje aan de noordzijde, waar het ven met een
scherpe overgang direct aan een weiland grenst. Het ven
zelf is 1,00 ha groot. Op de grens met het weiland na is
rondom het ven een oevervegetatie aanwezig, gedomineerd door pijpenstrootje, met daarin wat opslag van berk
en her en der een vliegden. Deze oevervegetatie bedekt
een oppervlak van 0,87 ha. Aan de oostkant reikt het ven
vrijwel tot aan het omgevende dennenbos. Op de duinruggen west en oost van het ven is een droge grasmat van
bochtige smele aanwezig, met her en der een jonge berk
of eik en verder nogal wat braamstruiken. Aan de westkant
ligt daarin dicht bij het ven een wat hogere duinkop, die
11-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
Appendix 1: Berekende
percentages zichtbaar
tijdens alle TCS-tellingen
17-18
18-19
19-20
Zandhagedis - droge habitat
april
-
-
-
-
7-10
12-14
4-15
6-7
14-15
6-12
4
-
-
-
mei
-
-
-
7
7-10-15
7-7-10-12-13-15
5-13-14
14-34
24-24
13-19-19
17-24
2-39
5
-
juni
-
3-9
0-3-6-7-
3-4-6-7-
3-5-6-
3-3-5-9-11-
9-9-15-17
6-9-12-
3-11-17
3-9-17-19
6-15
3-6-17
-
-
9-12-21
11-14-19
14-19-23
11-14-17-19-21
7-9-9-9-
7-7-7-9-13-14-
7-7-8-15-
3-4-6-7-
6-6-8
3-3-12
6-9
8-13
3
2-6
-
15-17-18-21
9-18-18-21
4
7-15
11-13-15
6-21-21
-
-
-
3-6
0
3
-
-
0-4
-
-
-
-
juli
-
3-6
3-3-9
9-12-13-14
14-15-17-19-21
aug.
-
-
-
4
4-11-11
sept.
-
-
-
0-3
3-6-7-11
17-19
9-14-14-18-34 5-7-11-14-17
4-6-6-
3-4-5-6-11-
8-8-8-
4-11-11-
11-14-14
11-14-14-19
10-11-19
14-22
2-4
6-8
2-16
0-4
Levendbarende hagedis - droge habitat
maart -
-
0-0
0-0
0-0
april
-
0-0
0-2
0-8
5-6-19
6-14-15
11-13-24
12-13-15-20
8-9-11-17
4-10-13
4-7-7
0-4
0-0
-
mei
-
0-2
16-34
10-14-14-
14-16-20-
10-12-12-
6-10-10-
10-10-10-12-
8-10-12-
8-10-10-22
8-12-14
8-8-8
2-8-10
0-8
juni
3 0-0-6-8 0-6-16-
0-0-4-6-
0-0-4-4-
4-6-16
2-4-24
0-0
0-0
10-12-14-24
6-6-8-14
6-8-14-20
0-2-2-3-
0-0-0-
0-0-2-5
0-2-2-3
0-0-0-5
0-0-4-6
0-0-4-10
0-0-0
3-3-6-8-19
8-12-16
3-5-6-
2-3-4-6-7
0-2-3
0-0
0-0
0-0-0-0
0-0-0-0
0-0-0-0
-
-
18-24
juli
0
0-4
0-11
26-28-32
24-26-32-45
14-16-18-24
10-10-14-16-
8-10-14-14-
10-10-16-16- 0-6-12-16-16- 0-0-6-6-10-
20-20-26-30
20-24-26-26 20-20-24-28-38 16-16-24-24
5-6-6-7-7-8-8- 5-5-7-7-7-7-7-
5-5-6-7-
9-10-10-12-13 7-8-8-10-10-12 10-10-12-18
aug.
-
0-0
0-6
5-5-9-12-12-14
5-5-5-7-89-10-10-14
sept.
- 0-0-0-0 0-0-0-0
0-0-0-0
3-3-6-6-9-10
4-4-4-5-6-7-
10-14-22-23 14-16-20-22-24 16-20-28-28
0-0-4-4-4-5- 2-4-4-6-12-13 2-3-5-7-9-14
9-10-12-16-21 7-8-12-17-22
3-5-6-6-6-14
6-8-14
3-3-3-3-5-
3-3-3-4-
5-10-13-19
6-7-7-19
2-3-6-9-9
3-3-4-7-13 0-0-1-2-3
Levendbarende hagedis - vochtige habitat
febr.
-
-
-
0-0
0-0
0-3
0-3
3-5
5-11
0-3
0-0
-
maart -
-
0-0
0-0
0-10
6-6
6-8
10-11
12-20
6-12
0-0
0-0
-
-
april
-
0
5
10
15
23
25
23
20
15
8
5
3
0
mei
-
2-16
2-14
12-16
10-18
6-22
6-14-18
6-6
10-12
10-16-18
15-16-17
5-8-9
5-14
0-11
juni
0
0-13
2-18
10-14-17
5-22
3-19
0-3
0-3
6-10
8-9-15
3-11-15
5-6-20
3-3
0-6
juli
3
0-13
5-9
5-12
5-9-9
3-8
3-3
0-5
0-8-20
0-10-23
0-5-11-
0-14-
0-0
0-0
16-23
18-18
aug.
-
0-0
3-5
7-22
3-22
5-22
8-14
8-11
10-11
8-15
0-13
0-9-13
0-0-7
0-0
sept.
-
0
0
3
3
10
14
14
11
6
0
0
0
0
28 10(1) 2008
min. (9.55-10.40u.) op een morgen in mei met ‘goed hagedissenweer’. Gestart werd op het duinkopje met struikheide, waarop van 9.55-10.00u. slechts 1 exemplaar gezien
werd. Hierna werd van 10.00-10.10u. de oevervegetatie
bezocht, waarbij 4 exemplaren gezien werden. Vandaar
liep de zoektocht van 10.10-10.20u. over de oostelijke duinrug met bochtige smele en bramen, waarbij 3 exemplaren
geteld konden worden. De gekozen route zorgde ervoor,
dat meteen hierna (10.20-10.25u.) het slenkje met pijpenstrootje bezocht kon worden, waarin in die paar minuten
2 exemplaren gezien werden. Meteen aansluitend werd het
vochtige, open bosje onderzocht, dat door de diepe,
watervoerende sloten en de dichte ondergroei wat onoverzichtelijker was. Dit werd dan ook 15 min. onderzocht
(10.25-10.40u.) en er werden liefst 9 exemplaren gezien.
Op grond van deze resultaten kunnen de volgende per
manuur-waarden berekend worden: 12 op het duinkopje
met struikheide, 24 in de oevervegetatie, 18 op de droge
duinruggen met bochtige smele, 24 in het duinpannetje
met pijpenstrootje en 36 in het vochtige open bosje. De
telling op het heide-duinkopje vond plaats tussen 9 en 10
uur, de andere tellingen tussen 10 en 11 uur. De bijbehorende omrekeningsfactoren zijn daardoor resp. 4,8 – 7,1 –
4,0 – 7,1 – 7,1 , wat de volgende dichtheden (n/ha) oplevert: 58 – 170 – 72 – 170 – 256. Gecorrigeerd op oppervlak
gaat het dus om de volgende aantallen hagedissen: 13 –
in een recent verleden over een klein oppervlak (0,22 ha)
geplagd is en daarom nu begroeid met een lage, monotone
struikheidevegetatie. Aan de oostkant van het ven ligt ook
een wat hogere duinkop, waarop over een oppervlak van
0,7 ha nog een dicht dennenbosje zonder enige ondergroei
staat. Nog verder naar het oosten ligt weer een duinpan,
nu minder diep dan die, waarin het ven ligt. In een klein
deel (0,19 ha) van deze duinpan is echter toch ook een
vegetatie van pijpenstrootje aanwezig en op een nog wat
lager gelegen deel, waarin ook diepe, vaak waterhoudende
rabatsloten aanwezig zijn, groeit een zeer open bosje van
lariksen en eiken, waarin ook een weelderige ondergroei.
Dit vochtige, open bosje is 0,59 ha groot.
In deze enclave leeft een subpopulatie van de levendbarende hagedis, door de omgevende dichte dennenbossen
gescheiden van andere subpopulaties in het totale rivierduingebied. Om een schatting te kunnen maken van de
aantallen in deze subpopulatie werd eerst het terrein
onderverdeeld in vijf inwendig min of meer homogene
subterreinen, die als mogelijke habitat voor de levendbarende hagedis ingeschat werden: de oevervegetatie (0,87
ha), de daarvan geïsoleerde duinpan met pijpenstrootje
Appendix 2:
(0,19 ha), het open, vochtige bosje met rabatsloten (0,59
Zandhagedis:
gemiddelde percentages ha.), de droge vegetaties van bochtige smele op de omgevende duinruggen (3,87 ha.) en het duinkopje met struikzichtbaar en omrekeheide (0,22 ha). De schatting vond plaats gedurende 45
ningsfactoren
april
mei
juni
u
7-8
8-9
9-10
sept.
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
n
0
0
0
2
2
2
2
2
2
1
0
0
-
-
-
8,5 ± 1,5
13,0 ± 1,0
9,5 ± 5,5
6,5 ± 0,5
14,5 ± 0,5
9,0 ± 3,0
4
-
-
f
-
-
-
11,8
7,7
10,5
15,4
6,9
11,1
25
-
-
+sd/-sd
-
-
-
10,0 – 14,3
7,1 – 8,3
6,7 – 25
14,3 – 16,7
6,7 – 7,1
8,3 – 16,7
-
-
-
2
2
n
0
0
1
3
6
3
2
2
3
m ± sd
-
-
7
10,7 ± 3,3
10,7 ± 3,0
10,7 ± 4,0
24 ± 10
24 ± 0
17,0 ± 2,8
20,5 ± 3,5 20,5 ± 18,5
1
5
f
-
-
14,3
9,3
9,3
9,3
4,2
4,2
5,9
4,9
4,8
20
+sd/-sd
-
-
-
7,1 – 13,5
7,3 – 13,0
6,8 – 14,9
2,9 – 7,1
4,2 – 4,2
5,1 - 7
4,2 – 5,9
2,6 - 50
-
n
2
7
7
6
10
4
5
3
4
2
3
0
m ± sd
6,0 ± 3,0
8,3 ± 6,3
9,1 ± 5,4
11,7 ± 7,5
8,7 ± 6,0
-
f
16,7
12
11
8,5
8,8
8
7,9
9,7
8,3
9,5
11,5
-
11,3 ± 6,1 12,5 ± 3,6 12,6 ± 4,8
10,3 ± 5,7
12,0 ± 6,4 10,5 ± 4,5
6,8 – 50
6,9 - 27
5,2 - 23,8
5,7 - 19,2
6,2 - 11,2
5,7 - 12,8
6,3 - 21,7
5,4 – 17,9
6,7 – 16,7
6,8 – 37
-
n
2
3
8
11
8
8
3
3
2
2
1
2
m ± sd
4,5 ± 1,5
5,0 ± 2,8
10,8 ± 2,6
13,0 ± 4,7
13,5 ± 5,1
10,8 ± 6,7
6,7 ± 0,9
6,0 ± 4,2
7,5 ± 1,5
10,5 ± 2,5
3
4±2
f
22,2
20
9,3
7,7
7,4
9,3
14,9
16,7
13,3
9,5
33,3
25
+sd/-sd 16,7 – 33,3 12,8 – 45,5 7,5 – 12,2
aug.
11-12
m ± sd
+sd/-sd 11,1 – 33,3
juli
10-11
5,6 – 12,0
5,4 – 11,9
5,7 – 24,4
13,2 – 17,2
9,8 – 55,6
11,1 – 16,7
7,7 – 12,5
-
16,7 - 50
1
3
5
5
1
2
3
3
0
0
-
4
8,7 ± 3,3
17,8 ± 8,6
10,8 ± 4,4
4
11 ± 4
13,0 ± 1,6
16,0 ± 7,1
-
-
-
25
11,5
5,6
9,2
25
9,1
7,7
6,3
-
-
-
-
-
8,3 – 18,5
3,8 – 10,9
6,6 – 15,6
-
6,7 – 14,3
6,8 – 8,8
4,3 – 11,2
-
-
n
0
0
m ± sd
-
f
-
+sd/-sd
n
0
0
2
4
6
9
6
5
2
1
1
0
m ± sd
-
-
1,5 ± 1,5
6,8 ± 2,7
9,2 ± 4,0
9,7 ± 5,2
10,7 ± 3,9
12,2 ± 5,8
4,5 ± 1,5
0
3
-
f
-
-
66,7
14,7
10,7
+sd/-sd
-
-
33,3 - ∞
10,5 – 24,4 7,6 – 19,2
10,3
9,3
8,2
22,2
-
33,3
-
6,7 – 22,2
6,8 – 14,7
5,6 – 15,6
16,7 – 33,3
-
-
-
u = uren van de dag -- n = aantal tellingen gebruikt bij de bepaling van het gemiddelde percentage zichtbaar en de standaardafwijking daarbij
m ± sd = gemiddeld percentage zichtbaar met standaardafwijking -- f = vermenigvuldigingsfactor op basis van het gemiddelde percentage zichtbaar
+sd/-sd = vermenigvuldigingsfactor op basis van het gemiddelde + 1x sd, resp. gemiddelde - 1x sd
28 10(1) 2008
148 – 279 – 32 – 151, dus in totaal om 623 exemplaren.
Bij dit laatste voorbeeld is dus een schatting gemaakt van
het aantal hagedissen in een complex terrein, waarbij
slechts 45 min. pure onderzoekstijd gebruikt is. Om de
betrouwbaarheid van zo’n schatting te verhogen is het wel
noodzakelijk om zo’n meting enkele malen te herhalen,
vooral omdat ieder apart onderzocht habitattype zo kort
bemonsterd is.
Appendix 3: Levendbarende hagedis:
gemiddelde percentages zichtbaar en
omrekeningsfactoren
in droge habitats
maart
april
mei
juni
juli
aug.
sept.
u
6-7
7-8
8-9
9-10
10-11
11-12
12-13
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
19-20
n
0
0
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
0
0
m ± sd
-
-
0
0
0
3±1
7± 1
9±7
2±2
2±2
0
0
-
-
f
-
-
-
-
-
33,3
14,3
11,1
50
50
-
-
-
-
25 - ∞
25 - ∞
-
-
-
-
4
3
3
2
2
0
2±2
0
-
50
-
-
25 - ∞
-
-
+sd/-sd
-
-
-
-
-
n
0
2
2
2
3
m ± sd
-
0
1±1
4±4
f
-
-
100
+sd/-sd
-
-
50 - ∞
25
10
0
2
2
-
1±1
25 ± 9
f
-
100
4
4,8
4
+sd/-sd
-
50 - ∞
2,9 – 6,3
3,4 – 8,1
2,8 – 7,4
4
5
8
8
1
3
f
3
+sd/-sd
-
3
8,5
6,3
12,5 - ∞ 6,1 – 27,8 6,4 – 13,0 4,6 – 9,7
n
n
3
6
4
10 ± 6,4 11,7 ± 4,0 16,0 ± 5,7 15,0 ± 3,1 11,3 ± 3,4 9,0 ± 3,7 6,0 ± 1,4
m ± sd
m ± sd
25 - 50 12,5 – 16,7 6,3 - 50
7
7
7
6,7
8,8
11,1
16,7
5,5 – 8,4 6,8 – 12,7 7,9 – 18,7 13,5 - 21,7
9
7
4
3
20,7 ± 8,3 25,3 ± 9,8 15,1 ± 4,4 13,6 ± 6,0 15,3 ± 5,2 17,4 ± 7,6 12,5 ± 5,5 11,3 ± 2,3
6,6
7,4
6,5
5,1 – 9,3 5,1 – 13,2 4,9 – 9,9
9
9
9
5,7
8,0
8,8
4,0 – 9,8 5,6 – 14,3 7,4 – 11,1
8
8
3
3
3
2
8,0 ± 0
6,7 ± 3,4
4±4
14,9
25
12,5
3
3,5 ± 3,6 14,0 ± 7,0 18,3 ± 6,7 17,8 ± 6,7 20,2 ± 8,4 14,4 ± 7,3 9,1 ± 7,0 5,5 ± 4,2 7,0 ± 6,5 8,7 ± 5,2 10,0 ± 9,9
28,6
7,1
5,5
14,8 – ∞ 4,8 – 14,3 4,0 – 8,6
n
1
2
m ± sd
0
2±2
2
f
-
50
18,2
+sd/-sd
-
25 – ∞
9,1 – ∞
n
0
2
2
m ± sd
-
0
3±3
f
-
-
33,3
12
5,6
5,0
4,1 - 9,0
3,5 - 8,5
13
8
6,9
11,0
18,2
14,3
11,5
10,0
4,6 - 14,1 6,2 - 47,6 10,3 - 76,9 7,4 – 66,7 7,2 – 29,6 5 – 1000
9
6
4
4
4
4
9,9 – 30,3 12,5 - ∞
2
2
0
0
-
-
-
-
4
3
5,5 ± 5,5 8,4 ± 2,4 7,7 ± 1,9 9,1 ± 4,1 5,1 ± 5,4 5,7 ± 5,9 1,8 ± 2,0 1,8 ± 1,2 1,3 ± 1,2 2,5 ± 2,6 4,0 ± 3,5
11,9
13,0
11,0
9,3 – 16,7 10,4 – 17,2 7,6 – 20
6
9
11
19,6
17,5
9,5 – ∞
8,6 – ∞
11
6
55,6
55,6
76,9
26,3 – ∞ 34,5 – 142,9 40 – 1000
6
6
5
40
28,6
19,6 -∞
13,2 - ∞
-
3
2
2
0
0
-
-
9,5 ± 3,5 8,1 ± 2,8 8,9 ± 5,3 7,5 ± 6,6 6,8 ± 4,2 6,7 ± 4,0 7,0 ± 3,5 4,4 ± 1,9 1,7 ± 1,2
10,5
+sd/-sd
-
-
16,7 - ∞
n
0
4
4
4
m ± sd
-
0
0
0
f
-
-
-
-
+sd/-sd
-
-
-
-
11,5
11,2
13,3
14,7
14,9
14,3
22,7
58,8
7,7 – 16,7 9,2 – 18,9 7,0 – 27,8 7,1 – 111,1 9,1 – 38,5 9,3 – 37 9,5 – 28,6 15,9 – 40 34,5 - 200
6
6
9
8
5
5
5
6,2 ± 2,7 6,7 ± 3,4 7,1 ± 5,4 6,5 ± 5,0 5,8 ± 2,9 6,0 ± 3,8 1,2 ± 1,7
16,1
14,9
14,1
15,4
17,2
16,7
83,3
11,2 – 28,6 9,9 – 30,3 8,0 – 58,8 8,7 – 66,7 11,5 – 34,5 10,2 – 45,5 34,5 - ∞
0
-
-
-
4
4
4
0
0
0
-
-
-
-
-
10
febr.
maart
april
mei
juni
juli
aug.
sept.
28 10(1) 2008
u
6-7
7-8
8-9
9-10
10-11
11-12
12-13
2
2
n
0
0
0
2
2
m ± sd
-
-
-
0
0
f
-
-
-
-
-
66,7
13-14
14-15
15-16
16-17
17-18
18-19
19-20
2
2
2
2
0
0
0
4±1
8±3
1,5 ± 1,5
0
-
-
-
66,7
25
12,5
66,7
-
-
-
-
0
0
1,5 ± 1,5 1,5 ± 1,5
+sd/-sd
-
-
-
-
-
33,3 - ∞
33,3 - ∞
20 – 33,3
9,1 - 20
33,3 - ∞
n
0
0
2
2
2
2
2
2
2
2
2
2
m ± sd
-
-
0
0
5±5
6±0
7±1
10,5 ± 0,5
16 ± 4
9±3
0
0
-
-
f
-
-
-
-
20
16,7
14,3
9,5
6,3
11,1
-
-
-
-
+sd/-sd
-
-
-
-
10 - ∞
-
n
0
1
1
1
1
1
12,5 – 16,7 9,1 - 10
m ± sd
-
0
5
10
15
23
25
23
20
15
8
f
-
-
20
10
6,7
4,3
4,0
4,3
5,0
6,7
12,5
1
1
5,0 – 8,3 8,3 – 16,7
1
1
-
-
-
-
1
1
1
1
5
3
0
20
33,3
-
+sd/-sd
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
n
0
2
2
2
2
2
3
2
2
3
3
3
2
2
m ± sd
-
14 ± 2
14 ± 4
14 ± 8
12,7 ± 5,0
6±0
11 ± 1
f
-
9,5 ± 6,5 8,0 ± 6,0
10,5
12,5
7,1
7,1
7,1
7,9
16,7
9,1
6,8
+sd/-sd
-
5,9 - 50
7,1 – 50
6,3 – 8,3
5,6 – 10
4,5 – 16,7
5,6 – 13
-
8,3 – 10
5,5 – 8,8
3
2
2
2
n
1
2
2
m ± sd
0
6,5 ± 6,5
10 ± 8
13,7 ± 2,9 13,5 ± 8,5
f
-
15,4
10
7,3
7,4
+sd/-sd
-
7,7 – ∞
5,6 – 50
6,0 – 9,3
4,5 - 20
2
3
n
1
2
2
m ± sd
3
6,5 ± 6,5
7±2
f
3
15,4
14,3
+sd/-sd
-
7,7 – ∞
11,1 – 20
n
0
2
2
m ± sd
-
0
4±1
f
-
-
25
2
11 ± 8
9,1
13,0
2
18,2
8,3 – 20 10,4 – 17,2 12,5 – 33,3
2
2
2
14,5 ± 7,5 12,5 ± 9,5 13,5 ± 8,5
6,9
8
66,7
5,3 – 33,3 33,3 - ∞
8,5 ± 3,5 7,7 ± 1,9 5,5 ± 2,5
11,8
1,5 ± 1,5 1,5 ± 1,5
7,4
2
40
-
20 – ∞
2
9,1
2
13,7
3
3
10,7 ± 3,1 9,7 ± 5,0 10,3 ± 6,6
9,3
3
10,8
3
11 ± 9,4
9,1
10,3
9,7
5
4
11 ± 8,4 12,5 ± 7,4
9,1
8
5,7 – 90,9 4,9 – 62,5 5,2 – 34,5 5,0 – 19,6
2
2
10,5
6,0 – 6,6 11,1 – 17,9 7,1 – 20
10 - 16,7 7,2 – 13,2 6,8 – 21,3 5,8 – 28,6
2,5 ± 2,5 9,3 ± 8,2
33,3
11 ± 3
12,5
3
6,3
2
3
2
2
3±3
33,3
33,3
-
16,7 - ∞
2
2
0
0
-
-
-
-
3
2
43,5
0
9,5
8,7
15,4
9,1 – 10
6,7 – 12,5
7,7 – ∞
1
1
1
1
1
1
-
-
0
1
1
m ± sd
-
0
0
3
3
10
14
14
11
6
0
0
0
0
f
-
-
-
33,3
33,3
10
7,1
7,1
9,1
16,7
-
-
-
-
+sd/-sd
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1
1
1
1
7,8 – 52,6 17,6 - ∞
-
n
1
7,1 – 12,5 9,1 – 12,6
13,7
9,1 - ∞
3±0
9,5 ± 1,5 10,5 ± 0,5 11,5 ± 3,5 6,5 ± 6,5 7,3 ± 5,4 2,3 ± 3,3
10,5
18,2
+sd/-sd
Appendix 4: Levendbarende hagedis:
gemiddelde percentages zichtbaar en
omrekeningsfactoren
in vochtige habitats
20 – 33,3 4,5 – 14,3 4,5 – 33,3 4,5 – 20
2
3±0
66,7
33,3 - ∞
2
8±2
14,7 ± 3,4 16,0 ± 0,8 7,3 ± 1,7 9,5 ± 4,5 5,5 ± 5,5
-
u = uren van de dag -- n = aantal tellingen gebruikt bij de bepaling van het gemiddelde percentage zichtbaar en de standaardafwijking daarbij
m ± sd = gemiddeld percentage zichtbaar met standaardafwijking -- f = vermenigvuldigingsfactor op basis van het gemiddelde percentage zichtbaar
+sd/-sd = vermenigvuldigingsfactor op basis van het gemiddelde + 1x sd, resp. gemiddelde - 1x sd
Literatuur
Begon, M., 1979. Investigating animal abundance. Arnold, Londen.
Blower, J. G., L.M. Cook & J.A. Bishop, 1981. Estimating the size
of animal populations. Allen & Unwin, Londen.
Bury, R. B. & P. S. Corn, 1988. Douglas-fir forests in the Oregon
and Washington Cascades: relation of the herpetofauna to
stand age and moisture. In: Szaro, R.C., K.E. Severson & D.R.
Patton (eds.). Management of amphibians, reptiles, and small
mammals in North America. U.S.Dept. of Agriculture, Forest
Service, General Technical Report RM-166: 11-22.
Campbell, H. W. & S. P. Christman, 1988. Field techniques for
herpetofaunal community analysis. In: Scott, N. J. (ed.). Herpetological communities. U.S.Dept. of the Interior, Fish and
Wildlife Service, Wildlife Research Report 13: 193-200.
Creemers, R. C. M., 1986. Zeven jaar onderzoek aan Lacerta vivipara en aan Lacerta agilis op ‘De Hamert’: oecologische karakteristieken. Rapport 263, Afd. Dieroecol., K.U.Nijmegen.
Delft, J. J. C. W. van & F. J. A. Kuenen, 1998. Onderzoek naar de
effecten van landschapsversnippering op populaties van de
Levendbarende hagedis (Lacerta vivipara) in oostelijk NoordBrabant. Verslagen Milieukunde nr. 160a, K.U.Nijmegen.
Heyer, W. R., M. A. Donnelly, R. W. McDiarmid, L. A. C. Hayek
& M. S. Foster (eds.), 1994. Measuring and monitoring biological diversity – Standard methods for amphibians. Smithsonian
Instition Press, Washington/Londen.
Huisman, M. J. H. & P. J. B. Oostrik, 1993. Hagedissen in de
Overasseltse en Hatertse Vennen. Rapport 317, Werkgroep
Dieroecol., K.U.Nijmegen.
Lenders, H. J. R., 1985. De oecologie van Lacerta vivipara in de
Overasseltse & Hatertse Vennen: demografische karakteristieken. Rapport 245, Afd. Dieroecol. K.U.Nijmegen.
Nuland, G. J. van & H. Strijbosch, 1981. Annual rhythmics of
Lacerta vivipara Jacquin and Lacerta agilis agilis L. (Sauria, Lacertidae) in the Netherlands. Amphibia-Reptilia 2 : 83-95.
Scott, N. J. (ed.), 1982. Herpetological communities. U.S.Dept. of
the Interior, Fish and Wildlife Service, Wildlife Research
11
Report 13.
Stommen, P. L. A., 1985. Zes jaar oecologisch onderzoek aan
Lacerta vivipara rondom het Roelofsven in de Overasseltse en
Hatertse
vennen.
Rapport
264,
Afd.
Dieroecol.,
K.U.Nijmegen.
Strijbosch, H., in druk. Fluctuations in numbers in a Zootoca vivipara metapopulation. Mertensiella.
Szaro, R. C., K. E. Severson & D. R. Patton (eds.), 1988. Management of amphibians, reptiles, and small mammals in North
America. U.S.Dept. of Agriculture, Forest Service, General
Technical Report RM-166.
Veenvliet, P. H. & M. R. H. Schoen, 1994. De zandhagedis
(Lacerta agilis) bij Nijmegen : populatiestructuur en adviezen
voor biotoopbeheer. Rapport 322, Werkgroep Dieroecol.,
K.U.Nijmegen.
Voesenek, L. A. C. J. & P. T. J. C. van Rooy, 1984. Herpetological
research on Eastern Sardinia: Proposal for a biogenetic reserve.
Report seh-Conserv. Comm./Council of Europe/ R.I.N./C.
U.Nijmegen.
Voesenek, L. A. C. J., P. T. J. C. van Rooy & H. Strijbosch, 1987.
Some autecological data on the Urodeles of Sardinia. Amphibia-Reptilia 8: 307-314.
Summary
Detectability plays a major role in estimating lizard populations. Here a new method is presented, with which
estimations can be made on the numbers of common
lizards and sand lizards. It is based on the numbers seen
per man hour in a certain type of terrain, at a certain hour
of the day in a certain period of the year and of course in
a certain type of weather. With this method repeatable
figures can be obtained when carried out in certain hours
in the months of April, May and early June and in a part
of September, for the sand lizard even in some hours of
July and August.
Dankwoord
Tijdens de 7-jarige studie op ‘De Hamert’ waren we continu te gast bij Stichting Het Limburgs Landschap, die ons
niet alleen toestond op haar terreinen te werken, maar ons
ook op zeer prettige wijze onderdak verschafte en in veel
opzichten directe medewerking verleende. Hetzelfde geldt
voor Staatsbosbeheer in de ‘Overasseltse en Hatertse Vennen’, waar we nog langer verbleven. Verder was dit onderzoek nooit mogelijk geweest zonder de enthousiaste
medewerking van liefst 34 studenten, waarvan er 23 meewerkten in het veldwerk tijdens de populatiestudies, 5 bij
het bewerken van alle daarbij verkregen data en 6 bij de
evaluatie van de hier gepresenteerde schattingsmethode.
Om hun inzet te eren wil ik ze hier allemaal met naam
vermelden: Jeroen Allard, Wim Bremen, Dré Broen, Harrie van Buggenum, Marius Christiaans, Jan Couwenberg,
Raymond Creemers, Jeroen van Delft, Wim van Dijk,
Emiel Hagelen, Patrick van Heereveld, Menno Huisman,
Alex Janssen, Frans Kuenen, Rob Lenders, Paul Levels,
Nico Meessen, Pieter Meeuwissen, Rens Meyer, Koos
Middelburg, Guiljo van Nuland, Patrick Oostrik, Hay Peeters, Antoinette Reijnders-van de Rijdt, Gabri Rijsdijk,
Peter van Rooy, Marcel Schoen, Geer Schraven, Marjo
Schiffelers, Theo Stemkens, Peter Stommen, Paul Veenvliet, Rens Voesenek en Jan Wolters.
Tot slot dank aan het Beijerinck-Popping Fonds, dat onze
Hamert-studies jarenlang financieel ondersteunde.
Henk Strijbosch
email: [email protected]
Heilige stoel 52-50
6601 VH Wijchen
Vakmanschap voor veiligheid van mens en dier
28 10(1) 2008
Uw specialist in faunavoorzieningen,
ook voor amfibieën en reptielen!
z
z
z
z
Advies
Ontwerp
Realisatie
Inspectie en onderhoud
z
z
Enkele producten:
Arfman Geleidegoot
Geleidingswand
z
Arfman Hekwerk b.v.
Ondernemersweg 15
7451 PK Holten
Tel
0548 36 29 48
Fax
0548 36 50 42
Internet www.arfman.nl
E-mail [email protected]
Dealer van Aco Pro
amfibieëntunnels en geleidingswanden
Bijlage 2: Tabel compensatieopgave
Datum: 26-3-2012
Getallen in hectares tenzij anders vemeld
Te verwijderen solitaire bomen
Per beschreven element betreft de linkse kolom (grijze cijfers) de
getallen ten tijde van het OTB en de rechterkolom de getallen ten
tijde van het TB
Te verwijderen
solitairen
Te compenseren
Aantal
1 Aansluiting A28
(knppnt Assen-zuid, incl nieuwe afrit buslijn)
--> spoorlijn is aangehouden als oostelijke grens!
2 Traject Assen (spoorlijn) - Hemmenweg
(incl. nieuwe oprit buslijn)
3 Traject Hemmenweg - Nijlande
Te verwijderen rijbeplanting
Te verwijderen rijbeplanting
Meter
noord
zuid
9
Noord
Zuid
Noord
Zuid
Te verwijderen en te compenseren bosopstanden
Boswet
Overig
100%
geen
compensatie
Te verwijderen
bosopstanden
Boswet
100%
Oppervlak (ha)
105
327
0,17
0,51
0,17
0,11
Boscompensatie provincie Drenthe
Te verwijderen en te compenseren
EHS-grasland
Te verwijderen
EHS-grasland
EHS (bos) provincie Groningen
150%
200%
300%
100%
133%
166%
300%
tot 25 jaar
25-100 jaar
>100 jaar
<5 jaar
5-25 jaar
25-100 jaar
>100 jaar
EHS (grasland)
Geen EHS en
Boswet
100%
geen
compensatie
Totaal te compenseren
Bosopstand
Grasland
grasland
1,92
6,41
1,82
6,30
0,80
23
1
0,29
0,78
0,29
0,78
0,54
2
0,38
0,44
0,38
0,44
0,54
0,54
0,39
Overige
opstanden
0,80
Te realiseren binnen TB-grens
Aantal
0,10
0,11
3,64
12,99
0,80
0,00
0,54
0,58
1,56
0,54
0,00
0,54
0,54
0,76
0,88
0,54
0,54
Bosopstand
Solitaire bomen
Oppervlak (ha)
11
0,64
3,33
1
1
0,01
0,01
Bosopstand
Grasland
Oppervlak (ha)
428
0,00
0,31
0,00
3,00
9,30
0,80
0,00
0,52
0,54
0,00
0,00
0,05
1,02
0,54
0,00
0,00
0,00
0,31
0,00
0,00
0,76
0,57
0,54
0,54
0,02
0,02
0,07
4 Traject Nijlande - Rolde
Noord
Zuid
12
180
0,28
0,28
0,71
0,67
0,68
0,67
0,05
0,14
0,05
0,14
0,03
1,36
1,34
0,05
0,14
5 Traject Rolde - Nijend
Noord
Zuid
6
90
0,15
0,15
0,50
1,05
0,35
1,05
0,16
1,08
0,16
1,08
0,15
0,70
2,10
0,16
1,08
0,00
0,00
6 Traject Nijend - Schaepvolte
Noord
Zuid
1,17
0,73
1,17
0,51
0,01
0,29
0,01
0,29
2,34
1,02
0,01
0,29
0,00
0,00
0,63
0,00
0,00
1,71
1,02
0,01
0,29
7 Traject Schaepvolte - Oude Groningerweg
Noord
Zuid
0,45
0,23
0,45
0,23
0,02
0,02
0,90
0,46
0,02
0,00
0,01
0,01
0,31
0,00
0,04
0,59
0,42
0,02
0,00
0,04
0,04
1,90
1,28
1,71
1,05
0,37
0,37
0,19
0,23
3,42
2,10
0,37
0,00
0,00
0,00
0,10
0,00
0,00
3,32
2,10
0,37
0,00
0,00
0,20
0,67
0,19
0,50
0,95
2,45
0,01
2,70
1,09
0,95
2,45
0,00
0,00
11
0,17
0,95
2,45
0,01
0,00
2,69
1,09
0,95
2,45
0,64
0,18
0,19
0,14
0,42
0,03
0,03
0,01
1,44
0,82
0,00
0,00
0,00
0,00
2294
1837
1,61
1,29
-0,17
-0,47
0,00
0,00
0,07
0,08
1,40
0,58
0,00
0,00
0,00
0,00
3716
3636
2,61
2,55
-1,21
-1,97
0,00
0,00
0,23
0,15
0,00
0,00
0,00
0,00
1711
1692
1,20
1,19
-0,97
-1,04
0,00
0,00
0,03
0,10
1,97
2,84
0,61
0,00
0,00
0,00
2238
2422
1,57
1,70
0,39
0,97
0,61
0,00
0,16
0,78
0,22
0,08
0,00
0,00
0,00
3933
3026
2,76
2,13
-1,98
-1,91
0,08
0,00
0,88
1,71
0,00
0,03
0,00
0,00
143
0,00
0,11
0,88
1,60
0,00
0,03
5,79
6,33
0,00
0,00
0,00
0,00
0,60
0,00
3,85
5,11
0,00
0,00
4,50
0,00
1,16
0,00
4,50
0,00
1,16
0,00
69,58
9,82
40,24
9,82
8 Traject Oude Groningerweg - Zandvoort
Noord/West
Zuid/Oost
14
2
19
17
0,04
0,04
9 Traject Zandvoort - de Hilte
Noord/West
Zuid/Oost
2
1600
2,41
10 Traject de Hilte - K.J. de Vriezestraat
Noord/West
Zuid/Oost
59
26
1348
2076
11 Traject K.J. de Vriezestraat - Wildervanksterdallen
Noord/West
Zuid/Oost
12
3
1403
1965
2,12
2,96
2,12
2,96
1,47
0,66
1,40
0,58
971
962
1,47
1,46
1,47
1,46
0,23
0,15
0,23
0,15
0,51
1,45
1,37
1,68
0,39
1,57
0,95
0,61
0,61
2,53
2,89
0,71
0,38
0,61
0,22
0,10
0,08
0,08
0,40
0,88
1,20
0,88
0,43
0,08
0,12
2,99
5,00
2,91
2,96
12 Traject Wildervanksterdallen - A.G. Wildervanckkanaal
West
Oost
13 Traject A. G. Wildervanckkanaal - Veendam
West
Oost
14 Traject Veendam - Duurkenakker / Meeden
West
Oost
15 Traject Duurkenakker / Meeden - Winschoterdiep
16 Aansluiting A7
(knppnt Zuidbroek)
West
Oost
west
oost
15
13
2,04
3,13
329
1803
0,51
2,72
1676
1920
2,53
2,89
260
0,40
1964
68
2,96
0,12
2,41
0,31
0,55
1,72
2,57
1,27
11
4
2,88
0,77
0,03
0,22
0,03
0,08
0,01
2,03
EHS-geluidsverstoring
prov. Drenthe
prov. Groningen
TOTAAL
214
0,00
19083
28,92
7,83
21,09
opp bepaald door lengte * 15 + 15 * kwadraat(pi)
* Alle te verwijderen bomen, rijbeplanting en bosopstanden ten tijde van TB bepaald obv de boominventarisatie
2010
37,32
12,33
1,02
18,50
0,00
0,00
leeftijd bepaald obv historische topografische kaart 1926 en 1991
(watwaswaar.nl)
0,00
3,85
0,00
8,66
8,66
1,61
EHS-grasland = top10 grasland en top10 akker + overige restjes top10 bos (welke niet onder
opstandsinformatie vallen)
* blauwe getallen zijn gebasseerd op de Top10NL-vlakken
4
4
Grasland
Opgaande beplanting
Meter
0,00
0,06
Buiten TB-grens te compenseren
1
1
23
0,12
55
53
0,05
0,04
1,29
1,21
0,05
0,14
113
0,09
0,00
0,61
1,91
0,16
1,08
0,19
43
0,17
1,34
1,22
9,37
opp bepaald door aantal * 0,005
842
28193
19,86
0,00
opp bepaald door lengte * 7 + 7 *
kwadraat(pi)
* rode getallen zijn gebasseerd op een handmatige meting op basis van het landschappelijk ontwerp
Mogelijk EHS-graslandcompensatie in Assen-zuid!
Bijlage 3: Memo Provincie Groningen, d.d. 18 maart 2010
memo
aan:
RWS (Jelle Bouma en Hanneke Godthelp) en Movares (Ewout Fakkel en Jiska de Vries)
van:
Jeanet Oosterveld, tst. 4357
datum: 18 maart 2010
betreft: Effect van de verdubbeling N33 op akkervogels
De provincie Groningen heeft op 17 juni 2009 het
'Provinciaal Omgevingsplan 2009-2013' (POP)
vastgesteld. In het POP wordt aangegeven dat het van
belang is om de achteruitgang van de aantallen weideen akkervogels tot stilstand te brengen, vooral in
gebieden waar deze vogels veel voorkomen of in
gebieden die daarvoor potentieel geschikt zijn. In het
Natuurbeheerplan Groningen (22 september 2009) zijn
de kerngebieden voor weide- en akkervogels
begrensd. De N33 tussen Zuidbroek en de
provinciegrens met Drenthe ligt in een gebied dat
potentieel geschikt is voor akkervogels. Zie de grijze
vlakken op de afbeelding hiernaast. Op basis van deze
aanduiding is het voor landbouwers mogelijk om een
subsidie aan te vragen voor beheer dat akkervogels
ten goede komt.
Naast het ontwikkelen van maatregelen ter
bescherming van de weide- en akkervogels geldt op
basis van het POP dat bij nieuwe ontwikkelingen een
negatieve invloed op de stand van de weide- en
akkervogels voorkomen moet worden. In kerngebieden
voor weide- en akkervogels geldt dat er mitigerende en
compenserende maatregelen genomen worden.
Allereerst ligt de vraag voor of de verdubbeling van de N33 gezien wordt als een nieuwe ontwikkeling.
De verdubbeling van de weg betreft in feite een opwaardering van een bestaande situatie met een al
aanwezige invloedszone. Om het effect van de verdubbeling op de (ontwikkeling van) akkervogels in
de kerngebieden te kunnen bepalen is de invloedszone van de weg na de verdubbeling van de weg
van belang. Aangezien de N33 al een bestaande invloedszone kent geldt als uitgangspunt dat pas
van meer verstoring sprake kan zijn als de invloedszone als gevolg van de verdubbeling groter wordt.
Onderwerpen die van invloed zijn hebben betrekking op de te verwachten verkeersintensiteit, het
wegverkeerslawaai en de beplanting. Een kenmerk van akkervogels is dat zij opgaande beplanting in
hun directe omgeving vermijden.
Over de te verwachten verkeersintensiteit en het daarmee samenhangende wegverkeerslawaai blijkt
1
uit het MER dat de geluidbelasting afneemt (check Movares laatste stand van zaken deelrapporten).
Dit is het gevolg van de toepassing van een wegdekverharding met de akoestische kwaliteiten van
zeer open asfalt beton. De afname die hierdoor wordt bereikt is groter dan de toename als gevolg van
hogere verkeersintensiteiten die de verdubbeling met zich mee brengt. De verdubbelde weg ligt
akoestisch vrijwel op dezelfde plaats als de oude weg waardoor de afstand voor akkervogels
akoestisch gezien, nauwelijks verandert.
1
Bron: MER Verdubbeling N33 Assen-Zuidbroek, 20 augustus 2009
notitie akkervogels.doc
Op het traject tussen Zuidbroek en Meeden wordt de bestaande beplanting langs de weg bij de
verdubbeling verwijderd. Het verwijderen past in de landschapsvisie om de kenmerkende openheid
van de zeekleipolders te behouden. Ook zal door de verdubbeling 4 hectare loofbos gekapt worden bij
de spoorbrug. Voorgesteld wordt om dit loofbos te compenseren in de provincie Drenthe. Het
verwijderen van deze beplanting bevordert de openheid en daarmee eventuele potenties voor de
ontwikkeling van het gebied voor akkervogels. Op het traject tussen Meeden en de provinciegrens met
Drenthe wordt de weg bij de verdubbeling aan weerszijden voorzien van laanbeplanting, zoals in het
veenkoloniale gebied bij wegen en wijken gebruikelijk is. Op het overgrote deel van dit trajectgedeelte
is al sprake van wegbeplanting zodat hier voor akkervogels geen gewijzigde situatie ontstaat.
Geconcludeerd kan worden dat de verdubbeling van de N33 geen noemenswaardig effect heeft op de
(ontwikkeling van) akkervogels in de kerngebieden. De invloedszone van de verdubbeling blijft als
gevolg van de verkeersintensiteit en het wegverkeerslawaai gelijk met de bestaande situatie. Door het
verwijderen van beplanting ontstaat op het traject tussen Zuidbroek en Meeden naar verwachting een
lichte verbetering voor akkervogels. Dit betekent dat voor de verdubbeling van de N33 voor
akkervogels geen mitigerende en compenserende maatregelen genomen hoeven worden.
notitie akkervogels.doc
Bijlage 4: Bomeninventarisatie
Bomeninventarisatie N33 Juni 2010
Nummer Soort (wetenschappelijke naam) Soort (nederlandse naam) Diameter Percentage hoh
1
quercus robur
zomereik
60
fagus sylvatica
gewone beuk
80
alnus glutinosa
zwarte els
30
2
quercus robur
zomereik
20
80
betula pendula
ruwe berk
20
10
alnus glutinosa
zwarte els
10
3+4
quercus robur
zomereik
20
90
fraxinus excelsior
gewone es
20
10
5
betula pendula
ruwe berk
40
quercus robur
zomereik
40
6
quercus robur
zomereik
15
7
quercus robur
zomereik
30
betula pendula
ruwe berk
10
8
quercus robur
zomereik
30
9
quercus robur
zomereik
40
70
alnus glutinosa
zwarte els
30
20
betula pendula
ruwe berk
20
10
10
quercus robur
zomereik
15
80
betula pendula
ruwe berk
20
20
11
quercus robur
zomereik
20
12
quercus robur
zomereik
20
13
quercus robur
zomereik
20
90
alnus glutinosa
zwarte els
30
10
14
quercus robur
zomereik
30
15
quercus robur
zomereik
20
80
20
20
alnus glutinosa
zwarte els
16
quercus robur
zomereik
20
17
quercus robur
zomereik
20
betula pendula
ruwe berk
20
18
quercus robur
zomereik
30
19
quercus robur
zomereik
30
80
alnus glutinosa
zwarte els
30
20
20
quercus robur
zomereik
20
betula pendula
ruwe berk
30
21
quercus robur
zomereik
30
22
quercus robur
zomereik
60
23
quercus robur
zomereik
20
24
quercus robur
zomereik
20
25
quercus robur
zomereik
20
95
alnus glutinosa
zwarte els
30
5
26
quercus robur
zomereik
20
27
quercus robur
zomereik
20
28
quercus robur
zomereik
20
95
alnus glutinosa
zwarte els
30
5
29
quercus robur
zomereik
20
30
quercus robur
zomereik
20
31
alnus glutinosa
zwarte els
20
32
quercus robur
zomereik
20
33
quercus robur
zomereik
20
34
quercus robur
zomereik
30
60
quercus robur
zomereik
20
40
35
quercus robur
zomereik
20
36
quercus robur
zomereik
20
37
quercus robur
zomereik
20
38
quercus robur
zomereik
20
80
ruwe berk
20
10
betula pendula
quercus robur
zomereik
10
10
39
quercus robur
zomereik
30
40
quercus robur
zomereik
30
41
quercus robur
zomereik
20
75
quercus robur
zomereik
30
25
42
quercus robur
zomereik
20
50
quercus robur
zomereik
40
25
sorbus aucuparia
lijsterbes
20
6
betula pendula
ruwe berk
40
19
43
quercus robur
zomereik
20
80
quercus robur
zomereik
30
20
44+45+47+4 quercus robur
zomereik
40
70
quercus robur
zomereik
20
30
46
quercus robur
zomereik
30
80
betula pendula
ruwe berk
20
10
Aantal st/mOpmerkingen
9
1
3
20/100
15/100
5
20/100
8
4/30
8
10/100
15/100
20/100
20/101
15/100
15/100
15/100
20/100
15/100
10/100
8/100
6/100
20/100
15/100
15/100
15/100
15/100
20/100
15/100
15/100
10/100
20/100
20/100
15/100
20/100
20/100
20/100
20/100
12/100
12/100
12/100
8/100
10/100
salix alba
quercus robur
quercus robur
quercus robur
quercus robur
51+52+56+5 quercus robur
quercus robur
53
quercus robur
54
quercus robur
55
quercus robur
58+59+60 quercus robur
quercus robur
61+62+63 quercus robur
quercus robur
64
populus tremula
betula pendula
salix alba
65
alnus glutinosa
quercus robur
quercus robur
66
picea abies
67‐68 quercus robur
quercus robur
69+71 quercus robur
70
quercus robur
corylus avelana
72
quercus robur
quercus robur
betula pendula
73
quercus robur
quercus robur
74
quercus robur
betula pendula
75
acer pseudoplatanus
quercus robur
76+77 acer pseudoplatanus
quercus robur
78
quercus robur
betula pendula
fraxinus excelsior
79
quercus robur
betula pendula
80
quercus robur
crateagus monogyna
81
quercus robur
betula pendula
82
quercus robur
betula pendula
83
crateagus monogyna
quercus robur
populus alba
84
quercus robur
populus alba
85
quercus robur
quercus robur
86
alnus glutinosa
quercus robur
87+88 alnus glutinosa
quercus robur
89
alnus glutinosa
salix alba
90
quercus robur
90+93 fraxinus excelsior
92
quercus robur
crateagus monogyna
94
fraxinus excelsior
95
quercus robur
betula pendula
96
quercus robur
97
fraxinus excelsior
quercus robur
98
alnus glutinosa
alnus glutinosa
49
50
schietwilg
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
ratelpopulier
ruwe berk
schietwilg
zwarte els
zomereik
zomereik
fijnspar
zomereik
zomereik
zomereik
zomereik
hazelaar
zomereik
zomereik
ruwe berk
zomereik
zomereik
zomereik
ruwe berk
gewone esdoorn
zomereik
gewone esdoorn
zomereik
zomereik
ruwe berk
gewone es
zomereik
ruwe berk
zomereik
meidoorn
zomereik
zomereik
zomereik
ruwe berk
meidoorn
zomereik
witte abeel
zomereik
witte abeel
zomereik
zomereik
zwarte els
zomereik
zwarte els
zomereik
zwarte els
schietwilg
zomereik
gewone es
zomereik
meidoorn
gewone es
zomereik
ruwe berk
zomereik
gewone es
zomereik
zwarte els
zwarte els
10
30
40
30
20
20
30
15
10
10
20
40
20
30
20
20
10
15
20
30
30
15
30
50
40
10
30
50
30
40
20
30
20
30
30
20
30
40
20
40
40
40
10
10
50
30
40
40
10
20
20
20
20
30
20
20
30
20
20
40
10
50
30
40
10
20
20
20
20
30
20
20
10
10
8/100
12/100
20
30
50
80
20
15/100
15/100
15/100
20/100
20/100
75
25
75
25
30
60
10
10
80
10
15/100
15/100
12/100
15/100
15/100
80
20
5/100
5/100
80
20
55
40
5
40
60
95
5
90
10
25
75
70
10
20
90
10
20
80
60
40
90
10
60
30
20
80
20
40
30
90
10
40
60
8/100
10/100
2
2
5/100
10/100
10/100
5/100
10/100
8/100
5/100
10/100
12/100
15/100
15/100
10/100
0,3
6
3/m1
15/100
6m
2,5
20/100
75
25
80
20
40
30
20/100
20/100
20/100
alnus glutinosa
alnus glutinosa
alnus glutinosa
populus alba
100
fraxinus excelsior
alnus glutinosa
populus alba
fraxinus excelsior
101+103 quercus robur
populus alba
102+104 quercus robur
fraxinus excelsior
105
quercus robur
betula pendula
106
quercus robur
107
salix alba
108
quercus robur
corylus avelana
109
quercus robur
betula pendula
110
populus tremula
fraxinus excelsior
111
quercus robur
populus tremula
112
populus tremula
113
quercus robur
alnus glutinosa
114
quercus robur
quercus robur
betula pendula
115
quercus robur
quercus robur
fraxinus excelsior
116
prunus serotina
quercus robur
117
quercus robur
populus tremula
118
alnus glutinosa
betula pendula
fraxinus excelsior
fraxinus excelsior
betula pendula
betula pendula
acer pseudoplatanus
119
betula pendula
fraxinus excelsior
fraxinus excelsior
fraxinus excelsior
betula pendula
acer pseudoplatanus
betula pendula
alnus glutinosa
acer pseudoplatanus
acer rubrum
120
betula pendula
lage heesterbeplanting
121
quercus robur
quercus robur
quercus robur
fraxinus excelsior
122
populus tremula
populus tremula
populus tremula
acer pseudoplatanus
alnus glutinosa
123
fraxinus excelsior
quercus robur
124
ulmus glabra
quercus robur
acer campestre
125
corylus avelana
populus tremula
126
tilia europea
99
zwarte els
zwarte els
zwarte els
witte abeel
gewone es
zwarte els
witte abeel
gewone es
zomereik
witte abeel
zomereik
gewone es
zomereik
ruwe berk
zomereik
schietwilg
zomereik
hazelaar
zomereik
ruwe berk
ratelpopulier
gewone es
zomereik
ratelpopulier
ratelpopulier
zomereik
zwarte els
zomereik
zomereik
ruwe berk
zomereik
zomereik
gewone es
bospest
zomereik
zomereik
ratelpopulier
zwarte els
ruwe berk
gewone es
gewone es
ruwe berk
ruwe berk
gewone esdoorn
ruwe berk
gewone es
gewone es
gewone es
ruwe berk
gewone esdoorn
ruwe berk
zwarte els
gewone esdoorn
rode esdoorn
ruwe berk
30
30
20
60
30
30
60
40
15
20
15
20
20
10
40
20
10
10
40
30
60
40
40
20
90
40
20
20
40
30
20
40
30
20
20
15
20
30
20
40
30
40
30
40
30
20
30
40
40
20
30
30
30
40
zomereik
zomereik
zomereik
gewone es
ratelpopulier
ratelpopulier
ratelpopulier
gewone esdoorn
zwarte els
gewone es
zomereik
ruwe iep
zomereik
veldesdoorn
hazelaar
ratelpopulier
krimlinde
15
30
40
40
40
30
20
20
30
40
40
30
30
20
15
30
60
30
70
20
10
60
10
10
20
95
5
95
5
95
5
12/100
10/100
20/100
20/100
20/100
10/100
10/100
10/100
20
80
50
50
30
70
90
10
1/100
8/100
10/100
10
65
35
30
60
10
30
60
10
80
20
30
70
driehoeksverband
8/100
10/100
10/100
8/100 onderbeplanting
15/100 onderbeplanting
8
8
1
2
2
2
4
3
3
2
1
1
3
1
3
1
2
4
1
jong opschot
70
30
10
20
70
75
25
4
1
1
2
1
1
3
1
1
7/100
12/100 onderbeplanting
10/100
17
127
corylus avelana
populus tremula
128+129 acer campestre
robinia pseudoacacia
130
salix alba
betula pendula
131+132 populus tremula
133
fraxinus excelsior
acer pseudoplatanus
betula pendula
134
betula pendula
fraxinus excelsior
135
betula pendula
fraxinus excelsior
136
betula pendula
fraxinus excelsior
137
acer pseudoplatanus
betula pendula
138
quercus robur
betula pendula
139
ulmus glabra
acer pseudoplatanus
140
acer pseudoplatanus
141
acer pseudoplatanus
142+143 quercus robur
populus tremula
4+145+146+ salix alba
148+150 fraxinus excelsior
fraxinus excelsior
149+151 acer pseudoplatanus
acer campestre
corylus avelana
152+153 acer campestre
corylus avelana
salix alba
4+155+156+ fraxinus excelsior
acer campestre
158
salix alba
9+160+161+ fraxinus excelsior
acer campestre
fraxinus excelsior
162
acer campestre
164
fraxinus excelsior
alnus glutinosa
hazelaar
ratelpopulier
veldesdoorn
valse acacia
schietwilg
ruwe berk
ratelpopulier
gewone es
gewone esdoorn
ruwe berk
ruwe berk
gewone es
ruwe berk
gewone es
ruwe berk
gewone es
gewone esdoorn
ruwe berk
zomereik
ruwe berk
ruwe iep
gewone esdoorn
gewone esdoorn
gewone esdoorn
zomereik
ratelpopulier
schietwilg
gewone es
gewone es
gewone esdoorn
veldesdoorn
hazelaar
veldesdoorn
hazelaar
schietwilg
gewone es
veldesdoorn
schietwilg
gewone es
veldesdoorn
gewone es
veldesdoorn
gewone es
zwarte els
30
20
30
30
15
15
80
30
20
20
50
40
40
40
40
40
40
30
50
30
15
15
30
20
10
40
30
30
20
15
30
20
25
30
20
20
30
10
10
10
30
20
70
30
70
30
95
5
25/100
15/100
30/100
5
30
60
10
70
30
70
30
65
35
60
40
20
80
40
60
80
20
30
70
10
30
60
20
70
10
70
30
30
10
60
75
25
driehoeksverband
20/100
12/100
15/100
12/100
12/100
8/100
10/10
5/10
12/100
10/100
2/100
6/100
3/100
4/100
5/100
1/100
10/100
2/100
6/100
2/100
5/100
4/100
2/100
6/100
5/m1 haag
8/100
4/100
Afkortingen boomsoorten
A
Ac
B
C
Co
F
Fa
P
Pa
Pi
Q
R
S
T
U
Pn
Pc
alnus glutinzwarte els
acer pseud gewone esdoorn
betula pen ruwe berk
crateagus mgewone meidoorn
Corylus avehazelaar
fraxinus ex gewone es
fagus sylva gewone beuk
populus treratelpopulier
Populus albwitte abeel
pinus sylve gewone den
quercus ro zomereik
robinia psevalse acacia
salix alba schietwilg
tilia vulgari zwarte linde
ulmus glab ruwe iep
populus nigzwarte abeel
picea abiesfijnspar
Bijlage 5: Kaarten te kappen bos
ni
Semsli
nk
o lo
n ië
n
Sl
e
Ve
ee
Ba
re
N3
3
De
Hi
De
H
lte
Sc
h
ve
ld
ilt
e
Tjassenswijk
Ni
eu
Sl
we
Haren
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
Te verwijderen bomen
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Rolde
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0,05
0,1
0,2
0,3
Kilometer
0,4
Groot
0
a
Stadsk
Gieten
Assen
Te verwijderen bosopstanden
Nieuwe
en
ep
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Bareveld
di
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 10: de Hilte - K.J. de Vriezestraat
TB-grens
Veendam
sl
e
Go
Ve
e
ol
on
Semslinie
s
We
nk
Sl
ië
iep
d
r
te
n
Be
iep Iren
d
r
eh
ste
o
oe
O
ve
S
Sc
h
sl
To
stis
i
r
e
che
or w
o
p
P
at
rix
ho
e
ve
ar
ti
G
em
ci
eg
Sl
p
ns
e
r
de
pa
De
Bl
ok
ke
rw
oo
ee
nt
A
eg
W
ild
er
va
aa
dri
n
nk
nt
e
en
ve
Ve
e
rl
n
nd
aa
t
am
Dalweg
Haren
36
Sl
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 11: K.J. de Vriezestraat - Wildervanksterdallen
TB-grens
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Fr
an
Te verwijderen bomen
s
Vallend onder Boswet
GBKN
J
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0,3
W
il d
er
va
nk
er
E
da
er
st
m
0,2
Kilometer
0,4
l
Da
ka
l
Nu
m
Blijvend grasland (EHS)
a
na
tv
Vallend onder EHS-begrenzing
t
Blijvende bosopstanden
0 0,05 0,1
ac
h
Blijvende bomenrijen
ee
n
Rolde
Te verwijderen bosopstanden
slo
o
Stadskanaal
Groote Gat
Gieten
Assen
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Tripweg
fo
Tra
rr
sste
Cro
i on
stat
nk
Gd
r va
Adriaan
ein
N33
s
Sch
Jan Kokweg
Haren
TB-grens
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Rolde
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0
0,05
0,1
0,2
0,3
Kilometer
0,4
am
Gieten
Assen
Te verwijderen bosopstanden
nd
Vee
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 12: Wildervanksterdallen - A.G. Wildervanckkanaal
Po
Hu y
gen
id
m
aiko
Zwa
e
Vrijh
De
ert
Wa
d
st
gsin
u st
erin
tr
Jag
Zuiv
sl
ar a
Med
6
N3 6
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 13: A. G. Wildervanckkanaal - Veendam
TB-grens
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Gieten
Assen
Rolde
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0,1
0,2
0,3
Kilometer
0,4
W
e
Zuid
0,05
De
0
l
eve
Sch
Haren
De
Sl
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0,3
Kilometer
0,4
Vee
0,2
Po
0,1
te
ss
Vo
l
eve
d
tr
Jag
0,05
ed
Vallend onder Boswet
Ben
Blijvend grasland (EHS)
de
Vallend onder EHS-begrenzing
en
Blijvende bosopstanden
nig
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
0
Bov
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
rbe
Gieten
Vallend onder Boswet
GBKN
Ve
Rolde
Te verwijderen bomenrijen
EHS
ree
t
Assen
Bareveld
Te verwijderen bomen
rs
er
Wa
Veendam
TB-grens
k ke
r
gen
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 14: Veendam - Duurkenakker / Meeden
Ve
lde
te A
Kor
Po
Hu y
Haren
ente
n
laa
en
nd
Ho
ck
an
al
na
ka
AG
Go
ed
e
er
ns
po
lde
Wi
we
or
rva
ste
g
k
nck
ana
rla
nde
n
nne
Ve
e
nw
g
er
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0,2
0,3
Kilometer
0,4
g
Vallend onder EHS-begrenzing
r in
Blijvende bosopstanden
te
Wa
Niet compensatieplichtig
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
0 0,05 0,1
nte
al
akk
Gieten
Rolde
Mu
ken
Vallend onder Boswet
GBKN
Blijvende solitaire bomen
Assen
rv
lde
Wi
We
N33
r
Duu
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Bareveld
N33
de
n
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 15: Duurkenakker / Meeden - Winschoterdiep
TB-grens
Veendam
AG
Weg
l
rwo
am )
s
ne
Ven
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
Gd
te n d
M un
en
Mol
te
roo
Haren
Dijks
t er w
Roode
Klingensloot
Klingenweg
Ou
de
Mennoheem
Menterwolde
Gemeente
Aardgaslocati
(Gem huis te Muntendam)
Buitenweg
Drostenlaan
Nieuwe Weg
Uiterburen
Aardgaslocatie
Koetshuis
TB-grens
De Venn
en
Bareveld
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Zuidbroek
Gieten
Assen
Rolde
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
atering
nnenwgrasland
(EHS)
VTeeverwijderen
0 0,05 0,1
i
W
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
ch
o
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 16: Aansluiting A7 (knppnt Zuidbroek)
ns
Haren
te
rd
i ep
Galgeweg
0,2
0,3
Niet compensatieplichtig
Kilometer
0,4
Sch sl
De Vledder
hkamp
Boskamp
e
d i ep
r
e
p
An
re
NAM
rha
Ha
ar
w
tte
Wi
ar
Assen
eente
eg
Altied Drok
Graswijk
Verkeerspark
Haarbosch
kam
terveld
Graswij
k
hietterrein)
TT Circuit
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 1: Aansluiting A28 (knppnt Assen-zuid)
TB-grens
Ramshoek
Veendam
er
Bareveld
Gieten
Assen
Rolde
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Vallend onder Boswet
GBKN
De
Niet compensatieplichtig
Ossebroeken
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende solitaire bomen
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0
0,1
0,2
0,4
0,6
Sulbyhoeve
Witterdiep
Haren
Wes
Kilometer
0,8
Vennen
Johannahoeve
s
p
e
Di
jk
n
e
t
troe
Deu
N33
Wester
kamp
TB-grens
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Gieten
Assen
Rolde
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0
0,05
0,1
0,2
0,3
Kilometer
0,4
t
Veendam
slo
o
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 2: Assen (spoorlijn) - Hemmenweg
uim
Haren
De
Oosterloo
M
ar
se
n
Holtveld
Anreep
rze
N
De
u
Nijlanderveld
Baarveld
Deurzer
De Broekdie
broek
Eldersloo
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB-grens
we
Te verwijderen bosopstanden
g
Blijvende bomenrijen
Gieten
Assen
Rolde
rdiep
Ame
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0
0,05 0,1
Aa en
(Gemeente
Vallend onder Boswet
en
GBKN
Sl
Gemeente
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Ba
a
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Hemmen
Traject 3: Hemmenweg - Nijlande
m
m
He
Haren
rv
eg
w
eld
0,2
0,3
Kilometer
0,4
De
He
eth
ar
en
Nijlanderesch
Kikkertsveen
Nijlande
N33
Kla
De Broekdiek
Haren
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
as
ste
e
Te verwijderen bomen
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Gieten
Assen
Rolde
eg
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Bareveld
nw
Ve l d
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 4: Nijlande - Rolde
TB-grens
Veendam
Westersche
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0 0,035 0,07
0,14
0,21
Kilometer
0,28
Kooi
Zui
e
Zi
dij
k
oorn
s
Don
gelte
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Gieten
Assen
Rolde
nbu
rg
Noo
itge
d
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
ach
t
Te verwijderen grasland (EHS)
0 0,05 0,1
veld
rd
Hoo
rns
che
Bult
en
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
0,2
0,3
Veldweg
Niet compensatieplichtig
Kilometer
0,4
Hon
ger
Bu
lte
n
oga
a
De V
iersp
rong
de
n
n
(Inr enMblijvende
TB N33: Te verwijderen
voor ariëncbeplanting
Traject 5: Rolde - Nijend ge
este amp
TB-grens
Tes
verwijderen
zwa bomen
kken
Te verwijderen bomenrijen
EHS
)
ot
rla
R
slo
m
i
u
ste
h
We
veen
se
rn
oo
Veendam
Don
gelte
Don
gels
De B
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
Ach n Stuw
ter
N33
he
c
ls
e
ng
o
D
Haren
Br e
el
d
esc
Viad
Kleu uct
venv
een
Nijend
e
De H
D
Tolh
ek
Do
ng
e ls
Rold
r aat
bosc
h
H
ooije
Gi e t er
st
kkel
An
de
rs
ch
e
aduc
t
uven
Oos
't Rot
tevee
n
eg
W
e
vel
d
ns
e
r
de
n
A
ter
Hond
e
l
Eexte
rveld
Ande
ren
Glets
Scha
o
esch
RD
Kleu
Sl
Mane
ge
ven
vee
pvolt
e
Hune
b
n
ale Weg
i
c
n
i
v
o
r
P
Heide
Heide
veen
Haren
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 6: Nijend - Schaepvolte
TB-grens
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Vallend onder Boswet
GBKN
Gieten
Assen
Rolde
Kete
n
er
nvee
n
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0 0,05 0,1
Diepe
De
Sekm
e
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
hof
hoev
e
0,2
0,3
Kilometer
0,4
Glets
je
rkuil
e
s
d
te
Gie
r
straa
t
weg
Hondel
Molenveen
Hondelbosch
Gietsenveentje
Hondelveen
del
olte
akkers
Binnen
IJsbaan
Gletsjerkoel
Haren
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 7: Schaepvolte - Oude Groningerweg
TB-grens
Te verwijderen bomen
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Veendam
Vallend onder Boswet
GBKN
Niet compensatieplichtig
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Hunebed
Gieten
Assen
Rolde
Te verwijderen bosopstanden
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
Niet compensatieplichtig
0 0,0375
0,075
0,15
0,225
Kilometer
0,3
esch
Ou d e G
r
n
ele
s
ch
w eg
Nieuwe
ee
r
Vo
or
ste
rt
Hu
M
an
eg
e
l
Zu
iv
er
Gi
e
V
Haren
te
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
te
n
GBKN
Blijvende solitaire bomen
Bareveld
Blijvende bomenrijen
Blijvende bosopstanden
Gieten
Assen
Rolde
st
N3
3
H
Ko
eb
ro
ek
e
't K
n
Te verwijderen grasland (EHS)
0,2
0,3
lin
en
ve
ge
da
ld
lle
Sc
te
r
za
n
La
ng
e
Os
s
ev
Noordveense
en
en
No
or
dv
e
Dijk
Kw
ne
n
Os
O
ab
be
la
he
nd
id
vo
o
rt
La
ng
e
Os
onder Boswet
sVallend
e
v
Niet compensatieplichtig
e
Te verwijderen n
bosopstanden
en
Vallend onder EHS-begrenzing
Niet compensatieplichtig
iek
al
Gi
e
Sl
Te verwijderen bomen
Kilometer
0,4
rt
ht
La
nd
en
Vallend onder Boswet
No
K
Dijk
oo
de
n
Blijvend grasland (EHS)
0 0,05 0,1
dv
Te verwijderen bomenrijen
EHS
an
Ve
ldz
ic
Vo
or
ste
sin
er
z
Sl
ooen blijvende beplanting
TB N33: Te verwijderen
rs
Traject 8: Oude Groningerweg
- Zandvoort
TB-grens
Veendam
ing
de
n
D
weg
Gi
et
er
lan
gla
n
Ee
xt
Dal
Zw
a
Ou
de
we
met
Zw
an
em
Dijk
Oude
Vijzelweg
o
n
i
n g er
Vi
jz
wi
nd
Da
lle
en
n
M
Ou
de
M
ad
en
Ou
d
en
eL
ve
ld
t
aa
weg
te r
m
Bi
es
ijk
Dal
Sl
de
n
ed
ds
Oudel an
an
ze
El
Da
ll
Ou
d
e
La
n
en
de
n
N3
3
ing
Zan
Ti
Haren
Sappemeer Zuidbroek
Hoogezand
ee
ns
Blijvende bomenrijen
rd
v
Vallend onder Boswet
Te verwijderen grasland (EHS)
0,05
0,1
La
Vallend onder EHS-begrenzing
Blijvend grasland (EHS)
0
Ac
h
e
Niet compensatieplichtig
Te verwijderen bosopstanden
0,2
Niet compensatieplichtig
N
oo
Gieten
n
Vallend onder Boswet
GBKN
Blijvende bosopstanden
Rolde
le
Te verwijderen bomen
Blijvende solitaire bomen
Assen
al
0,3
He
t
ek
De
Te verwijderen bomenrijen
EHS
Bareveld
rt
o
o
v
d
TB N33: Te verwijderen en blijvende beplanting
Traject 9: Zandvoort - de Hilte
TB-grens
Veendam
pd
Br
o
D
ijk
Sc
he
id
Kilometer
0,4
nd
en
ter
ste
Sl
Bu
lt
De
e
Ve
en
D
Hi
lt
Bijlage 6: Kaarten aangewezen compensatiegebieden
Zuidhorn
GRONINGEN
Hoogkerk
Groningen
Groningen
Harkstede
Engelbert
Finsterwolde
Slochteren
Midwolda
Niesoord
Stootshorn Noordbroek
Froombosch
Peizermade
Westerbroek
Haren
Roderwolde
Onnen
Haren
Peize
Borgweg
Glimmen
Yde
Halfweg
Meeden
Beneden Veensloot
Winschoten
Winschoten
St Vitusholt
Winschoten
Gemeentegrens (2001)
Oudeschans
Blijham
Zuidlaren
Veendam
Wildervank
Veendam
Oud-Annerveen
Westlaren
Oude Pekela
Veendam
Zuidlaarderveen
Donderen
Tynaarlo
Westerlee
Zoersche Landen (Exloo)
Windeweer
De Groeve
Midlaren
Oostermoersche Vaart (Hunze)
Borgercompagnie
De Punt
Bunne
Tusschenklappen
Wolfsbarge
Noordlaren
Gasselterheide
Meerland
Reiderland Beerta
Heiligerlee
Kiel
Winde
N33
Kromme-Elleboog
Zuidbroek (oostkant)
Muntendam
Oosterbroek
Eelde
Altena
Boerelaan
Kolham
Hoogezand-Sappemeer
Kropswolde
Kalkwijk
Harenermolen
Paterswolde
De Pol
Scheemderzwaag
Scheemda
Scheemda
Scheemdermeer
Uiterburen
Achterdiep
Jagerswijk
Menterwolde Zuidbroek
Foxhol
Hoogezand Hoogezand-Sappemeer
Martenshoek
Kleinemeer
Tusschenloegen
Eelderwolde
Legenda
Oostwold
Scharmer
Peizerweg
Peizerwold
Noordenveld
Ganzedijk
Nw-Scheemda
Bronsveen
Morige
Bellingwedde
Wedderveer
Ommelanderwijk
Nieuwe Pekela
Vriescheloo
Tynaarlo
Vries
Schuilingsoord
Zeegse
Schipborg
Nw-Annerveen
Wildervanksterdallen
Alteveer
Eexterveen Bareveld
Oudemolen
Zeijen
Ubbena
Veele
Anloo
De Hilte
Gasteren
3
N3
Taarlo
Nieuwediep
Zuiderkolonie
Onstwedde
Vlagtwedde
Gieterveen
Bovenstreek
Ter Aard
Eext
Ellersinghuizen
Bonnerveen
Vlagtwedder-Veldhuis
Loon
Norgervaart
Assen
Veelerveen
Holte
Annen
Peest
Wedderheide
Wedde
Pekela
Kloosterveen
Aa en Hunze
Assen
Assen
Gieten
Balloo
Deurze
Kostvlies
Rolde
Bovensmilde
Harpel
Stadskanaal
Gasselternijveenschemond
Anderen
Stadskanaal
Stadskanaal
Gasselternijveen
Vledderveen
Drouwenermond
Drouwenerveen
Gasselte
Jipsingboertange
Nooit Gedacht
Nieuw-Buinen
Ekehaar
Mussel
Kopstukken
§
Drouwen
Rapenvoort
Sellingerbeetse
Eerste Exloe"rmond
Buinerveen
Grolloo
Vlagtwedde
Horsten
Bronneger
Amen
Musselkanaal
Buinen
Borger
Zandberg
Jipsingboermussel
Laaghalen
Hooghalen
Schoonlo
Borger-Odoorn
Westdorp
Ter Apelkanaal
Exloe rkijl
Eesergroen
Ter Apel
Valthermond
Zwiggelte
Brunsting
Exloo
Elp
Eursing
Holthe
IN190002
Aangewezen compensatiegebieden
(grenzen niet definitief)
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Datum
26-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 150000
Schaal
Geografische Informatie Systemen
Maten
Nieuw-Weerdinge
Beilen
Lieving
Agodorp
Zuidveld
De Kiel
Westerveld
Utrecht
030 265 4039
Tweede Exloe"rmond
Ees
Hijken
Midden-Drenthe
Postbus 2855
Westerbork
Orvelte
Coevorden
Schoonoord
Wezuperbrug
Odoornerveen
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_26072010 - QS Gebiedsanalyse N33
Odoorn
Barnflair
0
3,750
7,500
m
Munnekemoer
Emmen
Status
Valthe
Roswinkel
Doc.nr.
Vrijgave
Gasselte
Legenda
N33
Gasselterheide (grenzen niet definitief)
Gemeentegrens (2001)
Aa en Hunze
§
Postbus 2855
Utrecht
030 265 4039
Borger-Odoorn
IN190002
Compensatiegebied
Gasselterheide
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Geografische Informatie Systemen
0
Status
Doc.nr.
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_Gasselterheide - QS Gebiedsanalyse N33
150
Datum
14-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 5000
Schaal
300
m
Vrijgave
Legenda
N33
Oostermoersche Vaart (grenzen niet definitief)
Gemeentegrens (2001)
3
N3
Aa en Hunze
§
Postbus 2855
Utrecht
030 265 4039
IN190002
Compensatiegebied
Oostermoersche Vaart
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Geografische Informatie Systemen
0
Status
Doc.nr.
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_OM_Vaart - QS Gebiedsanalyse N33
150
Datum
14-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 5000
Schaal
300
m
Vrijgave
Legenda
N33
Zuidbroek (oostkant) (grenzen niet definitief)
Gemeentegrens (2001)
Scheemda
Menterwolde
N33
§
Postbus 2855
Utrecht
030 265 4039
IN190002
Compensatiegebied
Zuidbroek (oostkant)
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Geografische Informatie Systemen
0
Status
Doc.nr.
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_Z uidbroek - QS Gebiedsanalyse N33
150
Datum
14-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 5000
Schaal
300
m
Vrijgave
Legenda
N33
Zoersche Landen (Exloo) (grenzen niet definitief)
Gemeentegrens (2001)
Borger-Odoorn
§
Postbus 2855
Utrecht
030 265 4039
IN190002
Compensatiegebied
Zoersche Landen (Exloo)
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Geografische Informatie Systemen
0
Status
Doc.nr.
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_Z uidbroek - QS Gebiedsanalyse N33
150
Datum
14-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 5000
Schaal
300
m
Vrijgave
Legenda
N33
Hollandse Veld (grenzen niet definitief)
Gemeentegrens (2001)
Hoogeveen
§
Postbus 2855
Utrecht
030 265 4039
IN190002
Compensatiegebied
Hollandse Veld
Auteur
Ewout Fakkel
Bedrijfsonderdeel IN-BB-IW
Geografische Informatie Systemen
0
Status
Doc.nr.
P:\Projecten\IN190\IN190002\Algemeen\GIS\Opstellen compensatieplan - fase 1\Projects\Totaal_kaarten_ConceptCP_Z uidbroek - QS Gebiedsanalyse N33
150
Datum
14-07-2010
Formaat A3 liggend
1 : 5000
Schaal
300
m
Vrijgave