Internationaal privaatrecht

Internationaal privaatrecht
Internationaal privaatrecht
D. Kokkini-Iatridou
Jurisprudentie
Verdragenrecht, Forum non conveniens
Hof Leeuwarden 23 november 1988, S&S 1989,
88; NIPR 1989 nr. 465.
In casu hebben beide vennootschappen hun
zetel in Zwitserland en op het vervoerscontract
is het verdrag 'betreffende de overeenkomst tot
internationaal vervoer van goederen over de
weg' (CMR) van toepassing. De goederen
moesten blijkens de vrachtbrief te Sneek worden afgeleverd. De vervoerder betwist de bevoegdheid van Rb. Leeuwarden omdat geen
der partijen in Nederland gevestigd is. De Rb.
(14-5-1987, NIPR 1987 nr. 465) verklaart zich
bevoegd. Het Hof vernietigt het vonnis en verklaart de Rb. onbevoegd.
In het midden staat artikel 31 lid 1 van het
1528 KATERN 35
Internationaal privaatrecht
verdrag. Deze bepaling verleent rechtsmacht
aan de gerechten van 1 het land van de gewone
verblijfplaats/hoofdzetel/filiaal of agentschap
van de gedaagde en 2 het land van de verzending en dat van de bestemming van de goederen. Voor het eerste geval voorziet de Nederlandse wet in de relatieve bevoegdheid.(artikel
126 lid 1 Rv juncto artikel 14 BW). Voor het
tweede geval is er geen relatieve-bevoegdheidsregel in artikel 126 Rv of elders te vinden. De
Rb. meent dat de Nederlandse rechter op grond
van artikel 31 lid 1 van het verdrag bevoegd is
nu de plaats van bestemming binnen Nederland is gelegen. Volgens haar is de Nederlandse
rechter alleen dan niet bevoegd indien de onderhavige zaak onvoldoende aanknoping met
de Nederlandse rechtssfeer heeft (analoge toepassing van artikel 429c lid 2 Rv). Maar in dit
geval kan daarvan geen sprake zijn 'nu het verdrag — waarbij Nederland partij is — dit aanknopingspunt biedt'. Relatief bevoegd is dan
de rechter binnen wiens ressort de plaats van
bestemming is gelegen, aldus de Rb, die teneinde haar argumentatie te versterken ook een beroep op het — hier overigens niet toepasselijke
— artikel 5 lid 1 EEX doet. Het Hof denkt anders hierover. Het Hof stelt dat aangezien uit
de tekst van artikel 31 lid 1 'niet zonder meer'
de conclusie kan worden getrokken dat in gevallen als het onderhavige een Nederlands gerecht bevoegd is
'en er ook overigens in de rechtspraak van de verschillende verdragsstaten geen sprake is van een uniforme trend, welke wijst in de richting van een bevoegde Nederlandse rechter voor een geval als het
onderhavige, moet aan artikel 31 lid 1 CMR een bevoegdheid beperkende werking worden toegeschre-
De consequentie van deze redenering is dat gelet op artikel 126 Rv geen Nederlandse rechter
bevoegd is om van de vordering kennis te nemen, immers geen der partijen is in Nederland
gevestigd.
Het is zeker juist dat de gerechten van de
verdragsstaten de bevoegdheidsregels zo uniform mogelijk dienen toe te passen. Dit houdt
voor de geadieerde rechter van een verdragsstaat de plicht in om rekening te houden met de
wijze van toepassing van de concrete bevoegdheidsregels in de andere verdragsstaten. Dit zal
ongetwijfeld geen gemakkelijke opgave zijn, in
het bijzonder wanneer een verdrag, zoals het
CMR, in meer dan twintig landen geldt. Ik vind
het jammer dat het Hof in zulke algemene termen spreekt ('de rechtspraak van de verschillende verdragsstaten'). Aan de andere kant
vindt de opinie van de Rb wel steun in de doctrine. Wanneer nergens een relatieve-bevoegdheidsregel is te halen, is er een lacune in de wet
en de nationale wetgever heeft de volkenrechtelijke plicht deze op te vullen. 'Zolang dat niet is
gebeurd moet de rechter deze taak zolang
waarnemen en eenvoudig de rechter van de
plaats van verzending of bestemming relatief
bevoegd achten', aldus Verheul/Feteris, met
verdere literatuurverwijzingen (zie Rechtsmacht
in het Nederlandse IPR, Deel 2, 1986, p. 27).
Met andere woorden, het aanknopingspunt dat
door het verdrag voor de rechtsmacht is gebruikt, is ook geschikt voor de relatieve bevoegdheid.
Een blik in het buitenland
De Finse ipr-regeling inzake overeenkomsten De
Finse wet nr. 466 van 27 mei 1988 inzake het
toepasselijke recht op de overeenkomsten is op
1 juli van hetzelfde jaar in werking getreden.
Hoewel de Finse opstellers als basis het EEGOvereenkomstenverdrag van 1980 hebben genomen, vertoont de wet enkele belangrijke verschillen met dit verdrag. Wat de structuur betreft, merkt men allereerst op dat de ipr-regels
betreffende de arbeidsovereenkomsten niet in
bovengenoemde wet zijn opgenomen maar zij
zijn als een afzonderlijk hoofdstuk aan de materiële wet inzake de arbeidsovereenkomsten
toegevoegd; deze nieuwe ipr-regeling (wet nr.
467) is eveneens op 1 juli 1988 in werking getreden. Ten tweede, zijn een paar bepalingen
van het verdrag in de wet nr. 466 niet opgenomen hetzij omdat men deze als 'overbodig' acht
(zoals artikel 10 van het verdrag betrekking
hebbend op de onderwerpen die het toepasselijke recht beheerst) hetzij omdat deze voor Finland niet van een grote praktische betekenis
zijn (zoals artikel 13 van het verdrag betrekking
hebbend op de subrogatie). Voorts zijn er verschillen met betrekking tot het materiële toepassingsgebied. De Finse wet nr. 466 is van toepassing op alle verzekeringsovereenkomsten.
Daarentegen vallen buiten haar werkingsterrein alle vervoersovereenkomsten; men vreesde
namelijk een verwarring tussen de op dat gebied bestaande verdragsregels en de nationale
ipr-regels. Aan de andere kant, schrijft de Finse
KATERN 35
1529
Volkenrecht
wetgever voor dat de bepalingen inzake de contracten 'wanneer passend' op de eenzijdige verbintenissen van toepassing zijn.
Interessant is dat de wetgever zich verplicht
voelde definities over het al of niet internationale karakter van het contract te geven. Zo zegt
artikel 1 lid 2 dat een contract van internationaal karakter is indien het met meer dan één
land aangeknoopt is. Het enkele feit dat partijen de toepassing van een buitenlands recht zijn
overeengekomen of een buitenlands forum als
bevoegd voor hun geschillen hebben aangewezen of de geschillen aan een arbitrage in het
buitenland hebben onderworpen, is niet voldoende om het internationale karakter aan hun
contract toe te kennen.
Op het niveau van de inhoud constateert
men een paar belangrijke verschillen. De Finse
wetgever aanvaardt bijvoorbeeld de rechtskeuze met betrekking tot de consumentenovereenkomsten niet. Artikel 10 lid 1 bepaalt het volgende: indien een partij bij een met een
koopman gesloten overeenkomst door de wet
van zijn gewone verblijfplaats als consument
wordt beschermd en indien de sluiting van het
contract het gevolg is van de publiciteit die de
koopman of zijn vertegenwoordiger in datzelfde land gaf aan hetproduct, dan wordt het contract door de wet van dat land beheerst. Het
toepasselijke recht kan niet door een rechtskeuzeclausule gewijzigd worden. Volgens artikel 10
lid 3 is deze regeling niet van toepassing op een
contract betrekking hebbend op verstrekking
van diensten (of het recht op gebruik) wanneer
de diensten (of het recht op gebruik) uitsluitend
in een andere staat dan die van de gewone verblijfplaats van de consument, zullen worden
verleend. Een ander voorbeeld vormen de arbeidsovereenkomsten: de keuze van het toepasselijke recht is beperkt tot dat van de landen die
in artikel 51a van de wet nr. 467 zijn genoemd.
Wat het 'beroemde' artikel 7 lid 1 van het
verdrag (bepalingen van bijzonder dwingend
recht) betreft, luidt de corresponderende versie
van de Finse wet nr. 466 (artikel 12) als volgt:
ongeacht het feit dat het recht van een buitenlandse
staat het contract zal beheersen, kunnen niettemin de
dwingende bepalingen van het Finse recht toegepast
worden wanneer deze aanspraak op toepassing maken vanwege hun publiekrechtelijke karakter of vanwege een aanzienlijk openbaar belang dat zij dienen.
Anders dan het verdrag voorziet de Finse wet
niet in de mogelijkheid van toepassing van
1530 KATERN 35
dwingende bepalingen van een derde land. Echter, de memorie van toelichting bij de wet zegt
dat met deze bepalingen rekening kan worden
gehouden, maar dan als 'local data' (bijvoorbeeld lokale bepalingen betreffende publieke
feestdagen, openingstijd van kantoren en bepaalde methoden inzake de inspectie van goederen).
Zie de Engelse tekst van beide wetten in
IPRax 1989, pp. 407-409 met een korte inleiding van K. Buure-Hagglund (p. 407), aan wie
bovengenoemde gegevens zijn ontleend.