DE RIJKSOVERHEID FACILITEERT

Master Of Crisis and Public Order Management
2013
Hans Opsteen
Instituut voor Fysieke Veiligheid & Politieacademie
DE RIJKSOVERHEID FACILITEERT
EEN LANDELIJK PROCES RESOURCEMANAGEMENT
MASTERTHESIS
BEHORENDE BIJ KERNOPGAVE 5200510 EN KERNOPGAVE 5200511
RISICO-ASSESSMENT EN VOORBEREIDING BINNEN GEVAAR- EN CRISISBEHEERSING &
FUNCTIONEREN BINNEN GEVAAR- EN CRISISBEHEERSING
MASTER OF CRISIS AND PUBLIC ORDER MANAGEMENT
J.W.H. Opsteen
Kerkveld
5388 RH Nistelrode
[email protected]
06-13395034
Studentnummer: 219009
Examendatum: 12 december 2013
Begeleider:
Dr. M.J. van Duin, [email protected]
VOORWOORD
Deze Masterthesis markeert het einde van een interessante en enerverende periode. Interessant
vanwege de nieuwe wereld die voor me is opengegaan, enerverend door de veranderingen die het met
zich mee heeft gebracht.
Mijn dank gaat uit naar de medestudenten die niet alleen inzicht hebben gegeven in hun werkwerelden
maar waaruit ook steun en ondersteuning voort is gekomen voor het volbrengen van deze studie. Ook
toen zij al klaar waren. De decanen en docenten die met hun enthousiasme en prikkelende manier van
kijken naar de verschillende onderwerpen, reden gaven tot nadenken en bij hebben gedragen in het
opdoen van nieuwe inzichten, ideeën en doelen. Gonne Schras, voor haar feedback en kritische noten
en enthousiasme wat een bijdrage heeft geleverd in de zin om te schrijven. Ten slotte de mensen in mijn
omgeving die regelmatig “slachtoffer” werden van mijn verhalen over de scriptie in wording.
Bovenal dank ik mijn gezin, aangezien zij in de afgelopen drie jaren met regelmaat moesten bijspringen
als de studie voorrang kreeg. Mijn vrouw, Saskia, die met regelmaat de eerste redactionele stappen
verrichte om het stuk leesbaar en begrijpelijk te houden en mijn dochter, Sarah, die uit de studeerkamer
werd gezet of menig vakantie mee moest naar de speelboerderij zodat papa kon studeren en schrijven.
Het gaat om nuchterheid en veerkracht, nuchterheid over de mogelijkheden die je soms zelf niet ziet en
veerkracht bij de tegenslagen.
Hans Opsteen
Nistelrode, 11 november 2013
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
SAMENVATTING
AANLEIDING
Van 1952 tot en met 1985 kende Nederland één organisatie die was belast met het verrichten van steun
aan de bevolking onder bijzondere omstandigheden, de Bescherming Bevolking (BB). Eén organisatie die
verantwoordelijk was voor de leiding en coördinatie en inzet van capaciteiten bij rampen en crises.
Uitgangspunt van het hele BB-apparaat was decentralisatie: rampenbestrijding was een lokale
verantwoordelijkheid. Met de opheffing van de BB werd de operationele leiding voor de
rampenbestrijding bij de brandweer belegd. Dit paste ook bij het toenmalige beeld, dat de brandweer
en ambulancediensten - en voor wat betreft de grote gemeenten – ook de politie, gemeentelijk
georiënteerd en gefinancierd waren.
De toenemende complexiteit van de samenleving en de risico’s daarbinnen, leidde tot een andere kijk
op rampenbestrijding. De rampen die zich voordoen zijn steeds vaker gemeentegrens overschrijdend of
gaan de capaciteit van de kleinere gemeenten te boven. Ook treden er steeds vaker crises op, dreigende
ontwrichting van de samenleving, zonder dat er direct sprake is van een ramp. De toenemende risico’s
van grote industriële complexen, maar ook de afhankelijkheid van nutsvoorzieningen, zorgen ervoor dat
de rampenbestrijding geconfronteerd wordt met nieuwe risico’s en gevolgen van rampen. Maar ook het
aantal partners, dat een rol in de bestrijding van rampen en crises heeft, neemt toe. Enerzijds vanwege
betrokkenheid bij het incident of de gevolgen ervan, anderzijds vanwege een belang in het bestrijden
van het incident.
Dit was de aanzet tot een multidisciplinaire aanpak van de rampenbestrijding en crisisbeheersing,
binnen een nieuw bestuurlijk fenomeen, de veiligheidsregio. Op 1 oktober 2010 trad de Wet op de
Veiligheidsregio’s in werking. Deze wet stelt, dat de veiligheidsregio een actieve en coördinerende rol
vervult bij de bestrijding van rampen en de beheersing van crises. De Wet veiligheidsregio stelt eisen
aan de crisisorganisatie, zoals deze vorm moet krijgen in de veiligheidsregio’s. Naast de wet is er ook
een Besluit Veiligheidregio’s (BvR). Het BvR bevat kwaliteitseisen voor de processen die kritisch zijn voor
de bestrijding van rampen en grootschalige incidenten. De nadruk ligt op informatiemanagement en
netcentrisch werken als de oplossing voor de problemen in de rampenbestrijding en crisisbeheersing.
De Bijlmerramp (1992), de Herculesramp (1996), de vuurwerkramp in Enschede (2000) en de brand in
Volendam (2000) zijn aanleiding om bovenregionaal invulling te geven aan het coördineren van de inzet
van capaciteiten en het ondersteunen van veiligheidsregio’s met specialistische kennis en middelen.
Achtereenvolgens worden de Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding (LFR) in 2005, het Landelijk
Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC) in 2005 en de Landelijke Meldkamer Ambulancezorg (LMAZ)
in 2007 opgericht.
Uit de rapporten over recente incidenten als de Poldercrash (2009), de brand in Moerdijk (2011) en de
recente grote bos en heidebranden zoals de brand op de Strabrechtse Heide (2010), blijkt, dat ondanks
deze bovenregionale organisaties, er toch aanleiding is om de bovenregionale coördinatie en inzet van
capaciteiten te verbeteren. In 2012 komt het advies van de Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale
ii
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Samenwerking uit en in 2013 komt het rapport “Eenheid in Verscheidenheid, de uitwerking van het
advies van de Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale Samenwerking. De uitkomsten zijn: eenheid in
opschaling, leiding en coördinatie. Nadruk ligt op leiding en coördinatie, informatiemanagement,
crisiscommunicatie en advisering.
Wat ontbreekt, is het bundelen van de capaciteiten, die binnen de overheid en haar partners op zowel
regionaal als landelijk niveau voor handen zijn. In navolging van het ontwikkelen van het proces
ondersteuning voor de Veiligheidsregio’s, kan het inrichten van een RM proces op landelijk niveau van
meerwaarde zijn. Hierbij zouden de capaciteiten van alle Rijksoverheden en partners in kaart kunnen
worden gebracht en gekoppeld aan voorkomende risico’s uit de risicoprofielen op landelijk en regionaal
niveau. Deze gedachtegang leidt tot de centrale vraag:
PROBLEEMSTELLING
Heeft de invoering van een landelijk proces resourcemanagement meerwaarde voor de effectieve en
efficiënte bestrijding van rampen en crisis?
DEELVRAGEN
1. Hoe kan een landelijk proces resourcemanagement bestuurlijk georganiseerd worden, waarbij
het Rijk faciliteert binnen de wettelijke kaders?
2. Hoe kan de ondersteuning en coördinatie op landelijk niveau ingericht worden?
3. Welke bijdragen dienen de verschillende betrokken partners te leveren?
4. Hoe moeten de capaciteiten van de verschillende partners worden gekoppeld?
DOELSTELLINGEN
Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de mogelijkheden een landelijk proces
resourcemanagement in te voeren, ter ondersteuning van de veiligheidsregio’s.
Om te kunnen concluderen of een landelijk resource proces een meerwaarde heeft, heb ik allereerst
beschreven wat resourcemanagement binnen de rampenbestrijding en crisisbeheersing is en welke
randvoorwaarden moeten worden ingevuld. Vervolgens ben ik ingegaan op het wettelijke kader en de
omgeving waarin resourcemanagement moet worden vormgegeven en ben ik ingegaan op de laatste
ontwikkelingen. Vervolgens heb ik om een oordeel te kunnen geven over de meerwaarde van een
proces resourcemanagement op landelijk niveau en de samenwerking tussen het regionale en landelijke
niveau in de rampenbestrijding en crisisbeheersing, een referentiekader benoemt. Door drie cases af te
zetten tegen het referentiekader, op basis van relevante rapporten, kon er een oordeel worden gegeven
over de meerwaarde van een landelijk proces resourcemanagement. Door de uitkomsten van de
boordelingen van de drie cases met elkaar te vergelijken, ontdekte ik overeenkomsten die hebben
geleid tot conclusies en aanbevelingen over de meerwaarde van het inrichten van een landelijk proces
resourcemanagement. Bij de analyse is gebruik gemaakt van de PMI methode van De Bono.
iii
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
CONCLUSIES
Op basis van literatuuronderzoek en de analyse van de drie cases kom ik tot de conclusie dat de
hypothese wordt bevestigd.
De hypothese: Landelijke ondersteuning van de veiligheidsregio’s met bestuurlijk advies is niet voldoende
om de effectiviteit en efficiency van de rampenbestrijding en crisisbeheersing te verhogen.
Uit de analyse van drie cases, blijkt dat een resourcemanagement proces op landelijk niveau een
meerwaarde heeft in de bestrijding van rampen en crisis. Uit de analyse blijkt dat de veiligheidsregio’s
gebaad zijn bij ondersteuning vanuit het nationale niveau. Het betreft hier het uit handen nemen van de
organisatie en coördinatie van resources. Daarnaast blijkt uit de analyses dat het wenselijk is dat er op
landelijk niveau expertise aanwezig is die wordt aangewend om de regio’s te ondersteunen bij het
maken van keuzes ten aanzien van de inzet van middelen. De hypothese was dat landelijke
ondersteuning van de veiligheidsregio’s met bestuurlijk advies niet voldoende is om de effectiviteit en
efficiency van de rampenbestrijding en crisisbeheersing te verhogen. In mijn onderzoek wordt bevestigd
dat het concreet ondersteunen van de regio’s leidt tot een effectievere aanpak van een ramp of crisis.
De rol van het landelijke niveau is niet beperkt tot alleen adviseren. Het gat tussen de inzet van
regionale en landelijke capaciteiten wordt niet volledig gevuld met de implementatievoorstellen vanuit
het rapport ‘Eenheid in verscheidenheid’ als niet ingegaan wordt op de vraag hoe het landelijke niveau
kan faciliteren. Uit de rapporten komt naar voren dat de faciliterende rol van de Rijksoverheid ook moet
worden beschreven. De vraag daarbij is hoe het landelijke niveau kan ondersteunen, gericht op de
operationele processen.
Leiding en coördinatie, informatiemanagement en resourcemanagement zijn drie processen die
onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Leiding en coördinatie zijn ingevuld met de nieuwe GRIPregeling en informatiemanagement is landelijk ingevuld, ondersteund met een netcentrisch systeem. Nu
is het zaak een landelijk proces resourcemanagement in te voeren dat aansluit op het regionale proces
om zo een naadloze aansluiting tussen regionaal en landelijk niveau te waarborgen om zodoende de
effectiviteit en de efficiëntie van de bestrijding van de ramp of crisis te bevorderen.
Hoe kan een landelijk proces resourcemanagement bestuurlijk georganiseerd worden, waarbij het Rijk
faciliteert binnen de wettelijke kaders?
Eén Rijksloket voor crisisbeheersing en het instellen van een vraagregisseur op regionaal niveau is een
goed voorstel, echter regionaal en nationaal niveau moeten dan wel dezelfde taal spreken en dezelfde
processen hanteren. Als het landelijke niveau geen meerwaarde biedt voor de regio’s zal geen gebruik
worden gemaakt van de faciliterende rol van de Rijksoverheid. Duidelijkheid over taken, bevoegdheden
en verantwoordelijkheden binnen de samenwerking op het gebied van resourcemanagement zullen dan
ook eenduidig en concreet moeten worden beschreven.
iv
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Hoe kan de ondersteuning en coördinatie op landelijk niveau ingericht worden?
In de huidige werkwijze vindt ondersteuning en coördinatie van interregionale bijstand plaats op basis
van de vraag, echter een benadering vanuit het vragen naar de gewenste effecten biedt meer
mogelijkheden om te kijken naar alternatieven. Ondersteuning en coördinatie moeten gericht zijn op
het weghalen van knelpunten bij de regio zodat deze zich kan richten op het bestrijden van het incident.
De samenwerking van het nationale en regionale niveau binnen het proces resourcemanagement, is een
systematische serie van activiteiten (stappen) die tot het effectief en efficiënt ondersteunen van de
operationele processen moet leiden. Het proces resourcemanagement kent een preparatieve en een
repressieve fase. In de preparatieve fase moet op basis van risicoprofielen en crisisplannen een indeling
worden gemaakt naar capaciteiten per risicogebied, vastgesteld worden wie deze capaciteiten kan
leveren en contactinformatie worden geregistreerd.
In de repressieve fase ligt de nadruk op ondersteuning van de operationele processen teneinde het
incident zo effectief en efficiënt mogelijk te bestrijden. Op grond van het gedeelde beeld en de risicoinventarisatie uit de preparatieve fase kan het landelijke niveau een eigen analyse uitvoeren ter
ondersteuning van de regio’s en op grond van de beschikbare capaciteiten en lessons learned een advies
geven aan de regio.
Welke bijdragen dienen de verschillende betrokken partners te leveren?
Het gaat hierbij om de regierol, de adviesrol en coördinatie van interregionale bijstand. Op grond van de
taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden moeten afspraken worden gemaakt over de
samenwerking tussen het landelijke en regionale niveau. Rolvastheid is hierbij belangrijk en in het
proces moeten duidelijk afspraken worden gemaakt over de operationele processen versus de te
leveren ondersteuning en coördinatie van interregionale bijstand.
Hoe moeten de capaciteiten van de verschillende partners worden gekoppeld?
Om een landelijke capaciteitenmatrix te kunnen opstellen, moet er inzicht zijn in de beschikbare
capaciteiten bij de partners. Op basis van gemaakte afspraken over het leveren van gegarandeerde en
niet-gegarandeerde capaciteiten moeten de betrokken instanties informatie aanleveren over
mogelijkheden van de capaciteiten, leveringsvoorwaarden als levertijd, inzetduur en logistieke
zelfstandigheid. En vooral belangrijk is een 24/7 contactmogelijkheid voor het oproepen van
beschikbare capaciteiten.
AANBEVELINGEN

Netcentrisch werken is een voorwaarde voor een goede informatievoorziening. Draag zorg voor
het inventariseren van de informatiebehoefte van de veiligheidsregio’s vanuit het landelijk
operationeel beeld en maak afspraken over de landelijke ondersteuning bij het opstellen van
een actueel en gedeeld beeld van het incident.
v
11/11/2013






De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Eenduidige communicatielijnen zijn een voorwaarde om de druk op de meldkamer te
verminderen. Het instellen van een vraagregisseur op regionaal niveau vraagt om een
aanspreekpunt op landelijk niveau. Draag naast één loket voor crisisbeheersing, zorg voor een
ter zake kundig aanspreekpunt op het gebied van het proces resourcemanagement en
beschikbare capaciteiten.
Leg de afspraken over informatievoorziening en over taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de functionarissen in het werkveld van resourcemanagement vast in
het Besluit Veiligheidsregio’s.
Koppeling van regionale en landelijke ondersteuning vraagt om eenduidige processen. Draag
zorg voor een landelijk proces resourcemanagement dat aansluit op het regionale proces.
Resourcemanagement vraagt om een inventarisatie van beschikbare capaciteiten gekoppeld aan
risico’s. Draag zorg voor het instellen van een landelijke capaciteitenmatrix.
Een capaciteitenmatrix vraagt inzicht in beschikbare capaciteiten van betrokken partijen. Draag
zorg voor een beheersorganisatie waarbij de overzichten van beschikbare capaciteiten van de
betrokken partijen worden gekoppeld. Maak daarin onderscheid tussen gegarandeerde en nietgegarandeerde capaciteiten om de bedrijfsvoering van de betrokken instanties niet te
verstoren.
Inventariseer op landelijk niveau de lessons learned uit incidenten. Draag er zorg voor dat deze
ervaringen beschikbaar zijn voor de verschillende organisaties zodat er in oefeningen, trainingen
en de briefing ten tijde van het incident aandacht aan kan worden gegeven.
vi
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
INHOUD
Voorwoord .............................................................................................................................................................. i
Samenvatting ......................................................................................................................................................... ii
1 Inleiding .............................................................................................................................................................. 1
1.2 probleemstelling .......................................................................................................................................... 3
1.3 Hypothese.................................................................................................................................................... 4
1.4 Doelstellingen .............................................................................................................................................. 4
1.5 Te beschouwen cases ................................................................................................................................... 4
1.6 Deelvragen ................................................................................................................................................... 4
1.7 Onderzoeksmethode .................................................................................................................................... 4
1.8 Leeswijzer .................................................................................................................................................... 5
2 Theoretisch kader: Resourcemanagement ........................................................................................................... 6
2.1 Inleiding ....................................................................................................................................................... 6
2.2 Wat is resourcemanagement binnen rampenbestrijding en crisisbeheersing? ............................................... 6
2.3 Uitgangspunten en definitie van resourcemanagement ................................................................................ 7
2.4 Voorwaarden resourcemanagement .......................................................................................................... 10
Integrale benadering ................................................................................................................................... 10
Netwerk van betrokken organisaties............................................................................................................ 13
Netcentrisch werken ................................................................................................................................... 14
2.5 Afronding ................................................................................................................................................... 15
3 Achtergronden .................................................................................................................................................. 16
3.1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 16
3.2 Wettelijk kader........................................................................................................................................... 16
Regionaal niveau ......................................................................................................................................... 16
Landelijk niveau........................................................................................................................................... 18
3.2 Netwerk ..................................................................................................................................................... 19
3.3 Nieuwe ontwikkelingen .............................................................................................................................. 21
Bovenregionaal/landelijk GRIP ..................................................................................................................... 21
3.3 Uitleiding ................................................................................................................................................... 23
4 Operationalisatie ............................................................................................................................................... 24
4.1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 24
4.2 Operationalisatie........................................................................................................................................ 25
Beeldvorming en analyse ............................................................................................................................. 26
Inventariseren ............................................................................................................................................. 27
Organiseren en coördineren van de bijstand ................................................................................................ 28
Monitoren en bewaken ............................................................................................................................... 28
5 onderzoek ......................................................................................................................................................... 30
5.1 Poldercrash (2009) ..................................................................................................................................... 30
Beeldvorming en analyse ............................................................................................................................. 31
Inventariseren ............................................................................................................................................. 31
Organiseren en coördineren ........................................................................................................................ 31
vii
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Monitoren en bewaken ............................................................................................................................... 32
Samenvattend ............................................................................................................................................. 32
5.2 Brand Strabrechtse heide (2010) ................................................................................................................ 33
Beeldvorming en analyse ............................................................................................................................. 33
Inventariseren ............................................................................................................................................. 34
Organiseren en coördineren ........................................................................................................................ 35
Monitoren en bewaken ............................................................................................................................... 36
Samenvattend ............................................................................................................................................. 36
5.3 Brand Chemie-pack (2011) ......................................................................................................................... 37
Beeldvorming en analyse ............................................................................................................................. 37
Inventariseren ............................................................................................................................................. 38
Organiseren en coördineren ........................................................................................................................ 38
Monitoren en bewaken ............................................................................................................................... 39
Samenvattend ............................................................................................................................................. 39
5.4 Overeenkomsten........................................................................................................................................ 39
Beeldvorming en analyse ............................................................................................................................. 39
Inventariseren ............................................................................................................................................. 40
Organiseren en coordineren ........................................................................................................................ 41
Monitoren en bewaken ............................................................................................................................... 41
6 Conclusies en aanbevelingen ............................................................................................................................. 42
6.1 Inleiding ..................................................................................................................................................... 42
6.2 Conclusies .................................................................................................................................................. 42
6.3 Aanbevelingen ........................................................................................................................................... 45
Bijlage A: Literatuurlijst en geraadpleegde bronnen .............................................................................................. 47
Bronnen........................................................................................................................................................... 47
Rapporten........................................................................................................................................................ 48
Internet ........................................................................................................................................................... 48
Verantwoording foto’s en figuren .................................................................................................................... 48
Bijlage B: Afkortingenlijst ...................................................................................................................................... 49
Bijlage C: PMI-analyse Poldercrash (2009)............................................................................................................. 50
Bijlage D: PMI-analyse Strabrechtse heide (2010).................................................................................................. 56
Bijlage E: PMI-analyse Chemie-Pack (2011) ........................................................................................................... 67
Bijlage F: Regionaal proces resourcemanagement ................................................................................................. 75
Bijlage G: Schematische weergave regionaal proces resourcemanagement ........................................................... 79
viii
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
1 INLEIDING
In 1952 werd de wet op de Bescherming Bevolking afgekondigd. De Bescherming Bevolking (BB) was een
civiele beschermingsorganisatie, die tot taak had het verrichten van steun aan de bevolking onder
bijzondere omstandigheden zoals de gevolgen van oorlogshandelingen, maar ook grootschalige
rampenbestrijding. (Van der Boom, 2000, p. 87)
De BB had een kern van medewerkers in
overheidsdienst en verder bestond de organisatie uit
vrijwilligers. Het Rijk stelde materiaal beschikbaar om
het werk op een goede manier te kunnen doen. Overal
in Nederland werden depots aangelegd waar
reddingsgereedschappen, werkkleding en eerste
hulpartikelen werden opgeslagen. Hierdoor was er één
organisatie verantwoordelijk voor de leiding en
coördinatie en inzet van capaciteiten bij rampen en
crises. In 1985 werd de organisatie opgeheven, en de
vredestaken overgedragen aan de brandweer en het Rode Kruis.
Uitgangspunt van het hele BB-apparaat was decentralisatie: rampenbestrijding was een lokale
verantwoordelijkheid, dus diende de zeggenschap over de BB bij de gemeenten te liggen. Het
opperbevel voor de rampenbestrijding ligt volgens de gemeentewet bij de burgemeester.
(Gemeentewet, 1992, art. 173) Met het overnemen van de taken van de Bescherming Bevolking, werd
de operationele leiding voor de rampenbestrijding bij de brandweer belegd. (Brandweeerwet, 1985,
art.4) Dit past ook bij het toenmalige beeld, dat de brandweer en ambulancediensten - en voor wat
betreft de grote gemeenten – ook de politie, gemeentelijk georiënteerd en gefinancierd waren.
De toenemende complexiteit van de samenleving en de risico’s daarbinnen, leidt tot een andere kijk op
rampenbestrijding. De rampen die zich voordoen zijn steeds vaker gemeentegrens overschrijdend of
gaan de capaciteit van de kleinere gemeenten te boven. Ook treden er steeds vaker crises op, dreigende
ontwrichting van de samenleving, zonder dat er direct sprake is van een ramp. De toenemende risico’s
van grote industriële complexen, maar ook de afhankelijkheid van nutsvoorzieningen, zorgen ervoor dat
de rampenbestrijding geconfronteerd wordt met nieuwe risico’s en gevolgen van rampen. Zij hebben
een grotere impact op de samenleving. Er wordt gesproken van een verbreding van rampenbestrijding
naar crisisbeheersing. Maar ook het aantal partners, dat een rol in de bestrijding van rampen en crises
heeft, neemt toe. Enerzijds vanwege betrokkenheid bij het incident of de gevolgen ervan, anderzijds
vanwege een belang in het bestrijden van het incident.
In de tussenliggende jaren werd de politie gereorganiseerd en gingen de gemeentepolitie en rijkspolitie
op in een regionale politie. De ambulancediensten werden geprivatiseerd en eveneens regionaal
georganiseerd. Schaalvergroting was het devies. Betaalbaarheid de drijfveer.
1
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
In 2006 gaf de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken Mevr. Dr. G. ter
Horst aan dat de rampenbestrijding in Nederland niet op orde is. Ze wilde af
van de poldermentaliteit en gaf opdracht om de rampenbestrijding in 2009 van
een 6- naar een 7+ te brengen. Dit was de aanzet tot een multidisciplinaire
aanpak van de rampenbestrijding en crisisbeheersing, binnen een nieuw
bestuurlijk fenomeen, de Veiligheidsregio. Multidisciplinaire samenwerking is
belangrijker dan ooit tevoren, gezien de onvoorspelbaarheid van de omgeving
en de daaraan gekoppelde onvoorzienbaarheid van crises. (Referentiekader
Regionaal Crisisplan, 2009, p. 15)
Op 1 oktober 2010 trad uiteindelijk de Wet Veiligheidsregio’s (WvR) in werking. Deze wet stelt, dat de
veiligheidsregio een actieve en coördinerende rol vervult bij de bestrijding van rampen en de beheersing
van crises. (Referentiekader Regionaal Crisisplan, 2009, p. 6) De WvR stelt eisen aan de crisisorganisatie,
zoals die vorm moet krijgen in de veiligheidsregio’s. (Referentiekader Regionaal Crisisplan, 2009, p. 7)
Elke regio dient een risicoprofiel op te stellen en een crisisplan. Het risicoprofiel is “…een inventarisatie
en analyse van de in een veiligheidsregio aanwezige risico’s, inclusief relevante risico’s uit aangrenzende
gebieden.” (Handreiking Regionaal Risicoprofiel, 2009, p. 3) En het crisisplan heeft tot doel “… de
contouren van een eenduidig operationeel crisisnetwerk te schetsen.”
Naast de wet is er ook een Besluit Veiligheidregio’s (BvR). Het BvR bevat kwaliteitseisen voor de
processen die kritisch zijn voor de bestrijding van rampen en grootschalige incidenten. Belangrijke
aspecten daarbij zijn de tijdige opschaling, de waarschuwing en opkomst van de juiste personen en
goede informatieverstrekking aan alle betrokkenen. Het spreekt voor zich dat een goede uitvoering van
deze kritische processen een belangrijke bijdrage vormt aan een adequate bestrijding van een incident.
(Rapport Brand Strabrechtse Heide Deel 1, 2011, p. 18) Naast een sturend proces, uitvoerende
processen van de genoemde diensten, zijn er twee ondersteunende processen geïdentificeerd,
respectievelijk de processen Informatiemanagement en Ondersteuning. De nadruk ligt op
informatiemanagement en netcentrisch werken als de oplossing voor de problemen in de
rampenbestrijding en crisisbeheersing.
De Bijlmerramp (1992), de Herculesramp (1996), de
vuurwerkramp in Enschede (2000) en de brand in
Volendam (2000) zijn aanleiding om bovenregionaal
invulling te geven aan het coördineren van de inzet
van capaciteiten en het ondersteunen van
veiligheidsregio’s met specialistische kennis en
middelen. Achtereenvolgens worden de Landelijke
Faciliteit Rampenbestrijding (LFR) in 2005, het
Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum (LOCC)
in 2005 en de Landelijke Meldkamer
Ambulancezorg (LMAZ) in 2007 opgericht. Het doel van deze organisaties is respectievelijk: Het
ondersteunen bij het voorbereiden op en bij het bestrijden van grootschalige incidenten, rampen en
crisissituaties. Bij dreigende en acute crisis, grootschalige incidenten en evenementen te komen tot een
2
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
efficiënte en samenhangende inzet van mensen, middelen en expertise. Een bijdrage te leveren aan een
betere afstemming door middel van advisering en ondersteuning. Daarnaast gaat in 2006 het project
Intensivering Civiel-Militaire samenwerking van start, met als doel defensie van vangnet tot een
structureel partner in veiligheid te maken.
Uit de rapporten over recente incidenten als de Poldercrash (2009), de
brand in Moerdijk (2011) en de recente grote bos en heidebranden zoals
de brand op de Strabrechtse Heide (2010), blijkt, dat ondanks deze
bovenregionale organisaties, er toch aanleiding is om de bovenregionale
coördinatie en inzet van capaciteiten te verbeteren. In 2012 komt het
advies van de Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale Samenwerking
met een voorstel tot uitbreiding van de bestaande GRIP1 opschaling met
een bovenregionale (GRIP 5) en landelijke opschaling (GRIP Rijk). In 2013
komt het rapport “Eenheid in Verscheidenheid” uit, de uitwerking van
het advies van de Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale
Samenwerking. De uitkomsten zijn: eenheid in opschaling, leiding en
coördinatie. Nadruk ligt op leiding en coördinatie,
informatiemanagement, crisiscommunicatie en advisering.
Wat ontbreekt, is het bundelen van de capaciteiten, die binnen de overheid en haar partners op zowel
regionaal als landelijk niveau voor handen zijn. Een aanzet hiertoe is genomen met het project
Specialistisch Optreden op Maat (SOM) van de brandweer. Aanleiding tot dit project was het besluit van
het Rijk om al het rijksmaterieel voor de brandweer over te dragen aan de brandweerorganisaties
binnen de veiligheidsregio´s, in 2010. Het materieel is bestemd voor grootschalige en specialistische
optredens van de brandweer. In dit project werd niet alleen gekeken naar de overdracht, maar ook naar
de specialismen en de bijbehorende ondersteuning. Het doel is ervoor te zorgen dat door de
ontwikkeling en borging van het specialistisch optreden er een optimale dekking is van regionale
risicoprofielen. Maar deze aanpak heeft alleen betrekking op de brandweer.
In navolging van het ontwikkelen van het proces ondersteuning voor de Veiligheidsregio’s, kan het
inrichten van een RM proces op landelijk niveau van meerwaarde zijn. Hierbij worden de capaciteiten
van alle Rijksoverheden en partners in kaart gebracht en gekoppeld aan voorkomende risico’s uit de
risicoprofielen op landelijk en regionaal niveau. Dit leidt tot de centrale vraag:
1.2 PROBLEEMSTELLING
Heeft de invoering van een landelijk proces resourcemanagement meerwaarde voor de effectieve en
efficiënte bestrijding van rampen en crisis?
1
GRIP = Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure.
3
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
1.3 HYPOTHESE
Landelijke ondersteuning van de veiligheidsregio’s met bestuurlijk advies is niet voldoende om de
effectiviteit en efficiency van de rampenbestrijding en crisisbeheersing te verhogen.
1.4 DOELSTELLINGEN
Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de mogelijkheden een landelijk proces
resourcemanagement in te voeren, ter ondersteuning van de veiligheidsregio’s.
1.5 TE BESCHOUWEN CASES
Voor het onderzoek worden de volgende cases beschouwd. Als eerste de Poldercrash, één van de eerste
incidenten waar de multidisciplinaire samenwerking binnen een veiligheidsregio werd onderzocht en er
sprake was van ondersteuning vanuit meerdere regio’s en door het landelijke niveau. De brand op de
Strabrechtse Heide, door de omvang van deze brand is bijstand verleend door veel Veiligheidsregio’s en
daarnaast was een grote rol weggelegd voor defensie. De bestrijding heeft geleid tot een grote inzet van
mensen en middelen. Ten slotte de brand bij Chemie-Pack. Bij deze brand waren meerdere
veiligheidsregio’s betrokken als bron- en effectgebied en deze brand is aanleiding geweest tot het advies
van de bestuurlijke werkgroep bovenregionale samenwerking over het effectief organiseren van de
samenwerking tussen Rijk en gemeente/regio’s en de functionele ketens.
1.6 DEELVRAGEN
1. Hoe kan een landelijk proces resourcemanagement bestuurlijk georganiseerd worden, waarbij
het Rijk faciliteert binnen de wettelijke kaders?
2. Hoe kan de ondersteuning en coördinatie op landelijk niveau ingericht worden?
3. Welke bijdragen dienen de verschillende betrokken partners te leveren?
4. Hoe moeten de capaciteiten van de verschillende partners worden gekoppeld?
1.7 ONDERZOEKSMETHOD E
De deelvragen zullen worden beantwoord door literatuuronderzoek naar resourcemanagement binnen
de rampenbestrijding en crisisbeheersing, waarbij de huidige procesbeschrijving van
resourcemanagement op regionaal niveau als uitgangspunt zal dienen. Verder wordt onderzocht wat de
wettelijke kaders zijn voor het invoeren van een landelijk proces resourcemanagement. Met behulp van
het advies en de uitwerking van het advies van de bestuurlijke werkgroep bovenregionale
samenwerking wordt aan de hand van de drie genoemde cases gekeken, of een landelijk proces
resourcemanagement bijdraagt aan een effectiever een efficiëntere rampenbestrijding en
crisisbeheersing en wat de randvoorwaarden zijn voor het inrichten van een landelijk proces
resourcemanagement.
4
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
1.8 LEESWIJZER
Dit hoofdstuk is een inleiding naar het onderwerp de faciliterende Rijksoverheid binnen de
rampenbestrijding en crisisbeheersing, dat uitmondt in de doel- en de vraagstelling binnen het
onderzoek. Hoofdstuk 2 gaat in op de theorie achter resourcemanagement binnen de rampenbestrijding
en crisisbeheersing en de randvoorwaarden voor het goed kunnen uitvoeren van het proces. In
hoofdstuk 3 worden de achtergronden geschetst waarbinnen resourcemanagement plaats kan vinden.
Allereerst worden de wettelijke kaders, de omgeving en recente ontwikkelingen geschetst. In hoofdstuk
4 worden de belangrijkste elementen voor het onderzoek geoperationaliseerd en in hoofdstuk 5 heeft
het empirisch onderzoek plaats en worden deze bevindingen weergegeven. Uiteindelijk wordt in
hoofdstuk 6 afgesloten met conclusies en aanbevelingen.
5
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
2 THEORETISCH KADER: RESOURCEMANAGEMENT
2.1 INLEIDING
In dit hoofdstuk wordt de term resourcemanagement onderzocht en gedefinieerd aan de hand van
literatuur over resourcemanagement binnen andere disciplines en de definitie en beschrijving van het
proces resourcemanagement op regionaal niveau. Onderzoek naar literatuur over resourcemanagement
in rampenbestrijding en crisisbeheersing levert niet veel op. De enige focus die ik heb kunnen vinden ligt
op team resourcemanagement in crisismanagement teams. Het gaat dan om de samenwerking binnen
teams zoals medische teams in de operatiekamer of in complexe industrie. Het concept van Team
Resourcemanagement is oorspronkelijk voortgekomen uit de luchtvaartsector. (Salas, E., Wilson, K.A.,
Edens, E., 2009, p. 341) Uit onderzoek bleek dat een groot aantal incidenten en ongevallen te wijten
waren aan slechte teamprestaties waarbij onder andere cultuur, hiërarchie en communicatie in
stressvolle omstandigheden elementen waren die bijdroegen aan deze slechte teamprestatie.
2.2 WAT IS RESOURCEMANAGEMENT BINNEN RAMPENBESTRIJDING EN
CRISISBEHEERSING?
Resourcemanagement in het kader van rampenbestrijding en crisisbeheersing gaat naast samenwerking
in teams meer over het beheer en de inzet van hulpmiddelen, veel literatuur gaat over human
resourcemanagement (HRM) en enterprises resourcemanagement (ERM).
Het aantal definities over HRM is talrijk. Een definitie die gangbaar is binnen HRM is de definitie van
Ferris: ”HRM is the science and the practice that deals with the nature of the employment relationship
and all the decisions, actions, and issues that relate to that relationship. In practice, it involves an
organization’s acquisition, development, and utilization of employees, as well as the employees’
relationship to an organization and it s performance.” (Lievens, 2007, p. 23) Het gaat om alle
beslissingen, acties en activiteiten die relateren aan de inzet van personeel ten behoeve van de
activiteiten van een organisatie.’
Dijkstra omschrijft HRM als “… het zodanig effectief en efficiënt inrichten van de organisatie en
aanpassen van het personeelsbestand dat de beste resultaten bereikt kunnen worden tegen zo laag
mogelijke kosten en met een zo hoog mogelijke kwaliteit.” (Dijkstra, 2008, p. 3) Het gaat dus ook om het
effectief en efficiënt inzetten van personeel om de beste resultaten te halen met de hoogst mogelijke
kwaliteit.
Eenzelfde definiëring komen we bij ERM tegen over de inzet van middelen: “Beheersing van de
resources van de organisatie, zodat de gestelde strategische doelen worden bereikt.” (Van Heeswijk,
Dirkx, 1999, p. 8)
Een omschrijving van resourcemanagement vanuit bovenstaande definities komt neer op: Alle
activiteiten gericht op het effectief en efficiënt beheersen en inzetten van personeel en middelen
teneinde de doelstellingen van een organisatie te bereiken.
Onderzoek naar een definitie of omschrijving van resourcemanagement binnen de rampenbestrijding en
crisisbeheersing bij landelijke rampenbestrijding- en crisisbeheersingsorganisaties of gerelateerde
6
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
opleidingsinstanties leverde ook weinig op. Het Instituut Fysieke Veiligheid, de Akademie für
Krisenmanagement, Notfallplanung und Zivilschutz in Duitsland hanteren geen beschrijvingen van
resourcemanagement als functionaliteit binnen de rampenbestrijding en crisisbeheersing. Alleen de
Amerikaanse Federal Emergency Management Agency (FEMA), benoemt resourcemanagement als
functionaliteit.
De FEMA omschrijft resourcemanagement als: ”Emergency management and incident response
activities require carefully managed resources to meet incident needs. Utilization of the standardized
resourcemanagement concepts such as typing, inventorying, organizing and tracking will facilitate the
dispatch, deployment and recovery of resources before, during and after an incident.” (FEMA, 2013)
Het beheer van acute noodsituatie en activiteiten ten behoeve van een incident vereist een effectieve
en efficiënte inzet van resources, net als in de definities van HRM en ERM. Het vraagt om een
gestandaardiseerde procedure die op alle niveaus wordt gehanteerd, met de volgende aspecten:
typering, inventarisatie, bijstand en steunverlening, ondersteuning bij verplaatsing en afhandeling.
In de volgende paragraaf ga ik in op de rol die deze omschrijving heeft gespeeld bij de definiëring van
resourcemanagement binnen het regionale proces.
2.3 UITGANGSPUNTEN EN DEFINITIE VAN RESOURCEMANAGEMENT
Resourcemanagement gaat om het effectief en efficiënt beheren en inzetten van mensen, middelen. Dit
wordt aangevuld met kennis, want naast mensen en middelen gaat het steeds vaker ook om specifieke
en specialistische kennis om incidenten te bestrijden. Binnen het proces resourcemanagement worden
mensen, middelen en kennis aangeduid als capaciteiten. Resourcemanagement is meer dan logistiek en
ondersteuning, het omvat ook melding en alarmering, opschaling en bijstand.
In het Referentiekader Regionaal Crisisplan (RRCP) zijn de volgende uitgangspunten voor het proces
resourcemanagement gedefinieerd, het gaat daarbij om het vermogen om bepaalde prestaties te
behalen:



Binnen een bepaalde omgeving.
Binnen een bepaalde tijd.
Continueren over een bepaalde periode. (Referentiekader Regionaal Crisisplan, 2009)
Vanuit de omschrijving van de FEMA is gezocht naar overeenkomstige uitgangspunten in bestaande
resourcemanagement en logistieke processen in crisismanagement. Deze zijn gevonden bij defensie en
specifiek in de leidraad Operationele Materieellogistiek van de Koninklijke Landmacht. Om ze te kunnen
toepassen op de civiele omstandigheden van de crisismanagementorganisatie is de terminologie
aangepast en zijn specifieke elementen die van toepassing zijn op militaire operaties weggelaten en op
andere plaatsen zijn civiele elementen toegevoegd. De uitgangspunten voor operationele logistiek zijn:




Instandhouding ingezette eenheden.
Instandhouding noodzakelijk vermogen.
Centrale planning.
Decentrale uitvoering. (Leidraad Operationele Materieellogistiek, 2006)
7
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
De instandhouding van ingezette eenheden heeft volgens de leidraad Operationele Materieellogistiek
betrekking op vooraf, tijdens en na de inzet, in overeenstemming met de omschrijving van de FEMA ”…
will facilitate the dispatch, deployment and recovery of resources before, during and after an incident”
(FEMA, 2013). Het in stand houden van noodzakelijk vermogen is gericht op het behalen van de
operationele doelstellingen binnen de beoogde tijdsperiode. Bij de FEMA wordt dit omschreven als:
“Emergency management and incident response activities require carefully managed resources
(personnel, teams, facilities, equipment and/or supplies) to meet incident needs.” (FEMA, 2013) Centrale
planning is noodzakelijk voor effectiviteit en efficiency en decentrale uitvoering geeft invulling aan
snelheid en flexibiliteit. (Leidraad Operationele Materieellogistiek, 2006)
De omschrijving van de FEMA onderkent twee fases, de preperatieve en de repressieve fase. ”The
resourcemanagement process can be separated into two parts: resourcemanagement as an element of
preparedness and resourcemanagement during an incident. The preparedness activities (resource typing,
credentialing and inventorying) are conducted on a continual basis to help ensure that resources are
ready to be mobilized when called to an incident. Resourcemanagement during an incident is a finite
process, with a distinct beginning and ending specific to the needs of the particular incident.” (FEMA,
2013) Een inventarisatie van de risico’s en de benodigde capaciteiten om deze risico’s af te dekken
draagt bij aan het succesvol inzetten van capaciteiten. Het gaat om kennis over wat te doen en waarmee
versus de voorspelbaarheid van het risico. Wildavsky geeft aan dat als de voorspelbaarheid hoog is en
de kennis over wat te doen groot, er sprake is van anticipatie. Het vaststellen van een aanpak van het
incident en het afstemmen van de benodigde capaciteiten is hiermee betrekkelijk makkelijk te plannen.
De meerwaarde van dit proces zit echter bij incidenten waarbij de voorspelbaarheid laag is en de kennis
over wat te doen gering. Hierin wordt een beroep gedaan op veerkracht. Onder veerkracht in deze
context verstaan we het slim organiseren van de inzet van capaciteiten om het incident effectief en
efficiënt te bestrijden.
Wildavsky ziet veerkracht als de capaciteit om te gaan met onverwachte gevaren wanneer deze zich
manifesteren. (Wildavsky, 1988, p. 78) In zijn lectorale rede definieert Van Duin veerkracht breder als:
“de capaciteit van een sociaal systeem om zich aan te passen aan en te herstellen van niet-alledaagse,
bijzondere verstoringen die het sociale systeem waarneemt en treft.” ( Van Duin, 2011, p. 49)
Hoewel de definitie van Wildavsky beter past in de uitvoering van het proces resourcemanagement,
benoemt Van Duin drie aspecten van veerkracht die betrekking hebben op het uitvoeren van het proces
resourcemanagement, namelijk: flexibiliteit, slagkracht en variëteit.
“Slagkracht betekent dat vanwege het feit dat er rekening mee moet worden gehouden dat er iets mis
kan gaan. Dat betekent dat organisaties daar tegenover kracht moeten organiseren. Dat geldt bij alle
soorten van risico’s (kerncentrale, vliegverkeer, evenementen e.d.). Uiteraard dient er een relatie te
bestaan tussen omvang en het risico enerzijds en het vermogen hieraan weerstand te bieden anderzijds.“
( Van Duin, 2011, p. 52) Dit impliceert dat opschaling en alarmering van voldoende middelen een
afdoend middel is voor succes.
“Flexibiliteit is erop gericht om ten tijde van een eventuele verstoring of calamiteit niet geheel te zijn
aangewezen op één scenario of strategie.” ( Van Duin, 2011, p. 52) Het hebben van een overzicht van
8
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
beschikbare capaciteiten of organisatie die kunnen ondersteunen met specifieke capaciteiten biedt
meer handelingsperspectief.
“Variëteit is een variant van flexibiliteit. Het betekent dat soms tegelijk verschillende strategieën worden
bewandeld.” ( Van Duin, 2011, p. 52) Bij complexe of grote incidenten biedt het hebben van een palet
aan opties gebaseerd op kennis en met de vereiste mensen en middelen, een grotere kans op slagen.
Met deze drie aspecten in het achterhoofd zijn de uitgangspunten van het proces resourcemanagement
aangevuld en uitgebreid, waardoor de volgende omschrijving ontstaat:
“Het operationele proces resourcemanagement is gerelateerd aan het ondersteunen van ingezette
eenheden en richt zich op de instandhouding van eenheden, die vanuit alarmering of opschaling of
vanuit bijstand worden ingezet ten behoeve van de incidentbestrijding of ondersteuning daarvan,
voorafgaand, tijdens en na het incident. Het gaat om het handhaven van het noodzakelijke vermogen
binnen de beoogde tijd om de operationele doelstellingen te bereiken. Verdere uitgangspunten zijn
centrale planning en decentrale uitvoering”. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013)
Alarmering en opschaling zijn bedoeld om in een korte tijd voldoende potentieel te genereren om het
incident het hoofd te bieden. Door het slim inzetten van capaciteiten vanuit de eigen kolommen
gecombineerd met mogelijkheden van ketenpartners die beschikken over kennis, mensen en middelen
voor het bestrijden van specifiek risico’s of dezelfde capaciteiten voor het adequaat ondersteunen van
de bestrijding van het incident, levert slagkracht. Centrale planning draagt bij aan de efficiency en
effectiviteit van de inzet van capaciteiten, terwijl decentrale uitvoering ruimte geeft voor snelheid en
flexibiliteit. Het in kaart brengen van benodigde capaciteiten en waar deze vandaan moeten komen
biedt een vertrekpunt bij het opstarten van het proces. Het vooraf identificeren van alternatieven biedt
ruimte om te variëren in de benadering van het incident vanuit verschillende scenario’s.
Resourcemanagement betreft de ondersteuning van de operationele inzet in de ruimste betekenis en
biedt operationeel leidinggevenden en specialisten een uitgangspunt bij het plannen, voorbereiden,
uitvoeren en afronden van de ondersteuning van steeds weer andere operationele inzetten in allerlei
rampen, crisis en scenario’s.
Het doel van het resourcemanagement proces is het adviseren over en coördineren van de middelen en
maatregelen die nodig zijn om de crisisbeheersingsorganisatie in staat te stellen om op te treden langer
dan de periode van operationele en logistieke zelfredzaamheid. (Werkplaats Resourcemanagement,
2013)
Onder logistieke en operationele zelfstandigheid wordt verstaan: de hoeveelheid en aard van
(operationele en logistieke) middelen van een eenheid, die het mogelijk maken om gedurende een
vereiste tijdsduur een operationele taak zelfstandig uit te voeren. (Werkplaats Resourcemanagement,
2013) Het resourcemanagement proces kent vier stappen.



Beeldvorming en analyseren.
Inventariseren.
Organiseren en coördineren.
9
11/11/2013

De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Monitoren en bewaken. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013).
In de volgende paragraaf ga ik in de op de voorwaarden voor het goed functioneren van het proces
resourcemanagement.
2.4 VOORWAARDEN RESOURCEMANAGEMENT
Om het proces resourcemanagement goed te laten verlopen zijn een aantal voorwaarden van
toepassing. Allereerst kan het proces resourcemanagement niet alleenstaand worden benaderd. Zoals in
het RRCP beschreven zijn de sturende, uitvoerende en ondersteunende processen onderling met elkaar
verbonden en vormen een integrale benadering voor een crisismanagementorganisatie.
Naast de organisaties die in het RRCP worden geïdentificeerd als onderdeel van een
crisismanagementorganisatie, wordt ook aangegeven dat andere partnerorganisaties makkelijk moeten
kunnen aansluiten bij de staande crisismanagementorganisatie. Dit geeft aan dat er sprake is van een
netwerk van betrokken organisaties.
Om de informatievoorziening over het incident goed te laten verlopen en de verschillende processen
integraal te laten bijdragen aan het bestrijden van het incident is er een netcentrische werkwijze
noodzakelijk.
INTEGRALE BENADERING
Het operationele niveau is richtinggevend voor de ondersteuning hetgeen impliceert dat er sprake moet
zijn van een samenhang tussen operationele leiding, informatiemanagement en resourcemanagement.
Het gaat daarbij om de juiste operationele processen te activeren, en de aansturing en ondersteuning
daarop af te stemmen. De Bruijn e.a. beschrijven dit als: ’Het accent verschuift van de inhoud naar de
manier waarop deze tot stand komt, vooraf worden door de betrokken partijen afspraken gemaakt over
de manier waarop het besluitvormingsproces zal verlopen’. (De Bruin, Ten Heuvelhof, In 't Veld, 2008, p.
3) Dit is in principe in het RRCP beschreven en in de processen sturen, informatie- en
resourcemanagement uitgewerkt. Echter moeten deze procesafspraken voldoende ruimte bieden voor
de eigen belangen van de betrokken partijen. De kritische succesfactor is volgens het LBCB2 juist de
aansturing daarvan. (Landelijk Beraad Crisisbeheersing, 2006, p. 43)
Aan de hand van planvorming, situationeel beeld en scenario denken moet een inschatting worden
gemaakt van het verloop en de duur van het incident. Het verloop van een incident is weergegeven in
figuur 1. Per fase vraagt dit om een herdefiniëring van de opdracht op basis van het situationele beeld.
Dit wordt ook in de omschrijving van de FEMA benoemd: ”Efficient and effective deployment of
resources requires that resourcemanagement concepts and principles be used in all phases of emergency
management and incident response.” (FEMA, 2013) Elke fase kent zijn eigen dynamiek, speer- en
knelpunten, waarop de inzet van capaciteiten en de ondersteuning van ingezette eenheden dient te
2
LBCB = Landelijk Beraad Crisisbeheersing
10
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
worden afgestemd. De lengte van de ondersteuningspolsstok stelt grenzen aan de inzet. Dit vraagt om
analyse van de noodzakelijke ondersteuning en heeft invloed op de operationele besluitvorming. Het
inzetten van middelen van buiten de regio of van partners die niet standaard betrokken zijn bij de
incidentbestrijding vergt coördinatie vooraf. In de plannen moeten deze partners vooraf al worden
geïdentificeerd. Dit vraagt om een goed situationeel beeld.
Figuur1: Fasering van een incident
Voor een goed situationeel beeld is een goede informatievoorziening noodzakelijk. Het gaat hierbij niet
alleen om het delen maar ook om het veredelen van informatie. Informatie moet geduid worden en in
een context worden geplaatst. Het proces sturen is bepalend voor de context en bepaald de richting die
aan de bestrijding van het incident wordt gegeven. Het proces resourcemanagement is ondersteund aan
de crisismanagementorganisatie voor het organiseren van beschikbare capaciteiten en het in stand
houden van het voortzettingsvermogen.
Verder is het belangrijk om het proces resourcemanagement zelf ook te zien als een integraal proces.
Het garanderen en in stand houden van voortzettingsvermogen of continuïteit is een gezamenlijke
verantwoordelijkheid van de samenwerkende kolommen. Partners kunnen elkaar daarbij helpen, er
moet sprake zijn van een gezamenlijke inzetverantwoordelijkheid voor de incidentbestrijding en de
ondersteuning. Dit betekent dat de eenheden die worden ingezet een gegarandeerd niveau van
gereedheid, voortzettingsvermogen en mobiliteit moeten hebben. De ondersteuning van deze
eenheden moet op elkaar worden afgestemd en gericht op het te bestrijden incident. De zwakste
schakel bepaalt het succes van de inzet. De processen op het gebied van resourcemanagement op
multidisciplinair niveau en logistieke ondersteuning van de verschillende kolommen vormen daarmee
11
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
één geheel. De processen van de kolommen vormen de decentrale uitvoering van het proces. De
centrale planning geeft hier richting aan vanuit het oogpunt van efficiency en effectiviteit.
Hierbij moet ruimte zijn voor flexibiliteit, het aanpassen aan snel wijzigende omstandigheden, waarbij
vraag en aanbod (cyclisch van aard dan wel piekbehoeften) kunnen worden opgevangen, en eenvoud.
Samengestelde en moeilijk te begrijpen plannen en opdrachten vergroten de kans op verwarring en
daarmee een vermindering van de effectiviteit en efficiency. Voordelen van deze integrale aanpak zijn:




Toename effectiviteit en efficiëntie.
Hogere overdraagbaarheid.
Betere beheersbaarheid.
Groter lerend vermogen. (Referentiekader Regionaal Crisisplan, 2009, p. 29)
Zeker als er dermate veel extra middelen en maatregelen gevraagd worden en er sprake is van een
langdurige inzet moeten er multidisciplinaire afspraken gemaakt worden ten behoeve van de
effectiviteit. Inzicht in de voor het bestrijden van het incident benodigde middelen, voorraden en
ondersteuning, is voor de operationele leiding noodzakelijk om op de juiste wijze sturing te geven.
Alleen dan kan de operationele leiding opdrachten verstrekken die ook uitvoerbaar zijn en kan op het
juiste moment en de juiste plaats zwaartepunten worden gelegd. De capaciteitenmatrix is daarbij een
hulpmiddel. Netcentrisch werken is daarbij een essentiële voorwaarde. In dit systeem wordt informatie,
analyse en scenario gekoppeld tot een zogenaamd “shared situational awareness”.
Leiding
&
Coördinatie
Resource
management
Informatie
Management
Figuur2: Samenhangende processen
12
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
NETWERK VAN BETROKKEN ORGANISATIES
Een andere voorwaarde voor een goed proces resourcemanagement is een netwerk van partners die
vanuit hun expertise kunnen bijdragen met capaciteiten. Brianich von Brainich Felth beschrijft een crisis
als een situatie waarin een vitaal belang wordt bedreigd en waarin normale middelen ontoereikend zijn
om tegen deze bedreigingen op te treden. Het oplossen van een crisis vraagt desnoods gebruikmaking
van niet-normale middelen. (Brainich von Brainich Felth, 2004, p. 13) Traditionele
hulpverleningsdiensten moeten mogelijk gebruik maken van niet organieke middelen die bij ander
partners voor handen zijn.
Om een overzicht te krijgen van beschikbare capaciteiten wordt in het proces resourcemanagement
gebruik gemaakt van een capaciteitenmatrix. In een capaciteitenmatrix wordt informatie over de
mogelijkheden van ketenpartners en andere organisaties opgenomen met contactinformatie van de
betreffende organisatie. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013, p. 6) In de omschrijving van de FEMA
wordt dit onder de preparatieve activiteiten benoemd. 'The preparedness activities (resource typing,
credentialing and inventorying) are conducted on a continual basis to help ensure that resources are
ready to be mobilized when called to an incident.” (FEMA, 2013) Het gaat daarbij om het typeren van de
resources, het vaststellen van de bruikbaarheid voor de incidentbestrijding binnen de planvorming. Een
dergelijk systeem biedt op landelijk niveau een bredere inzetmogelijkheid om de capaciteiten van de
Rijksoverheid, regionale overheden, functionele organisaties en publieke en private partners vast te
leggen.
Voor de capaciteitenmatrix kan gebruik gemaakt worden van een systeem dat door Zuurmond e.a. de
kruispuntbank wordt genoemd. Hoewel ontwikkeld voor de Belgische Sociale Zekerheid, is het principe
goed toepasbaar op het vormen van een landelijke capaciteitenmatrix. De essentie is als volgt:



Het is een katalysator van samenwerking tussen Rijks-, regionale- en semi-overheden op een
niet vrijblijvende en niet vrijwillige basis, gericht op het effectief en efficiënt inzetten van
beschikbare capaciteiten voor rampenbestrijding en crisisbeheersing.
Het is een stelsel van authentieke registraties waarbij gegevens over capaciteiten bij de
organisatie blijven waar ze toe behoren en waarbij andere partijen op ieder gewenst moment
op ‘need-to-know’ basis gebruik kunnen maken.
Het is een technisch netwerk waarbij systemen van ketenpartners zo op elkaar zijn aangesloten,
dat snelle bevraging mogelijk is, waarmee zowel processen op landelijk als regionaal niveau
ondersteund kunnen worden. (Zuurmond, Kinkhorst, Stor, 2004, p. 4)
Resourcemanagement moet flexibel en schaalbaar zijn om ondersteunend te zijn ten tijde van een
incident. ’Resourcemanagement should be flexible and scalable in order to support any incident and be
adaptable to changes.’ (FEMA, 2013) Resources moeten aangepast kunnen worden aan veranderingen.
Met deze werkwijze kan door gebruik te maken van bestaande infrastructuren en deze te koppelen aan
een centrale database gewerkt worden aan een overzicht van beschikbare capaciteiten. Door het
gebruik van authentieke registraties blijft de moederorganisatie verantwoordelijk voor de
broninformatie en kunnen wijzigingen eenvoudig worden verwerkt, zonder diverse databases aan te
13
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
moeten passen. (Zuurmond, Kinkhorst, Stor, 2004, p. 8/9) Dit vraagt wel om een netcentrische
toepassing om de informatie actueel te houden voor de rampenbestrijding en crisisbeheersing.
NETCENTRISCH WERKEN
Netcentrisch werken is in essentie een technisch ondersteunde werkwijze voor informatievoorziening,
het gaat daarbij om een netwerk waarin de informatievoorziening is georganiseerd', waarbij informatie
gelijktijdig, uniform en actueel beschikbaar is. (Radboud Universiteit Nijmegen, 2011, p. 10)
De inhoudelijke veronderstelling bij netcentrisch werken is, dat er een netwerk beschikbaar is, waardoor
er betere informatie-uitwisseling mogelijk is. Dit moet leiden tot een gezamenlijk situatiebeeld, met
daaraan gekoppeld een gezamenlijk beter begrip van de situatie. Door de beschikbaarheid van
informatie kan er sneller en eenduidiger een gemeenschappelijk beeld ontstaan en worden
onderhouden. Door het betere, gedeelde beeld ontstaat ook de mogelijkheid om, zelfsturen, te
coördineren en op elkaars acties in te spelen. Dit maakt meer flexibele werkwijzen en integrale vormen
van inzet mogelijk. (Djurrema, 2010, p. 16)
Figuur 3: Netcentrisch werken in beeld
Vanuit de integrale benadering van de processtructuur van het RRCP, is netcentrisch werken
noodzakelijk voor het delen van veredelde informatie vanuit het proces informatiemanagement, het
14
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
richting geven van het processturen en de ondersteuning met capaciteiten vanuit het proces
resourcemanagement.
2.5 AFRONDING
In dit hoofdstuk heb ik omschreven wat resourcemanagement binnen de rampenbestrijding en
crisisbeheersing inhoud en welke voorwaarden er vervuld moeten worden om het proces
resourcemanagement goed te kunnen invullen. In het volgende hoofdstuk ga ik in op de achtergronden
van resourcemanagement, vanuit een wettelijk kader en vanuit het netwerk. Daarnaast ga ik in op
recente ontwikkelingen in de samenwerking tussen het landelijke en het regionale niveau.
15
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
3 ACHTERGRONDEN
3.1 INLEIDING
Bovens e.a. geven aan dat goed bestuur niet alleen afhankelijk is van verstandige politieke en
bestuurlijke keuzes, maar ook van professioneel opererende en soepel samenwerkende organisaties.
(Bovens, 't Hart,Van Twist, 2007, p. 19) De zorg voor veiligheid is een fundamentele opdracht voor de
overheid. Burgers hebben recht op een overheid die doet wat redelijkerwijs verlangd kan worden om
een veilige leefomgeving te scheppen. Tegelijkertijd stelt de burger zich kritisch op naar de overheid, als
het gaat om doeltreffend en doelmatig optreden van die overheid. Bovens e.a. noemen het doelmatig
en doeltreffend optreden van de overheid, het presterend bestuur. (Bovens, 't Hart,Van Twist, 2007, p.
29)
Om duidelijk te krijgen hoe de overheid samenwerkt op het gebied van veiligheid is het noodzakelijk om
eerst naar het wettelijke kader te kijken. Dit wettelijke kader heeft betrekking op het regionale en het
landelijke niveau. Vanuit de doeltreffendheid en doelmatigheid is het belangrijk in beeld te krijgen hoe
het netwerk van de rampenbestrijding en crisisbeheersing eruit ziet en hoe deze in het licht van
resourcemanagement gestalte zou moeten krijgen. Ten slotte wordt het advies van de bestuurlijke
werkgroep bovenregionale samenwerking en het rapport ‘Eenheid in verscheidenheid’ belicht. Dit
rapport gaat over nieuwe ontwikkelingen op het gebied van regionale, bovenregionale en landelijke
samenwerking op het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing.
3.2 WETTELIJK KADER
REGIONAAL NIVEAU
Binnen de rampenbestrijding en crisisbeheersing is er onder andere sprake van territoriale
decentralisatie. Het primaat voor rampenbestrijding en crisisbeheersing ligt op lokaal niveau, daarbij is
sprake van autonomie, Schrijvers en Smeets geven aan dat bij autonomie de wetgever een algemene
bevoegdheid over laat aan het regelend en bestuurlijk inzicht van een lager lichaam. (Schrijvers, Smeets,
2003, p. 203) Van oudsher is de overtuiging dat rampenbestrijding en crisisbeheersing een lokale
aangelegenheid is. (Van der Boom, 2000, p. 87)
In de huidige gemeentewet, wordt het opperbevel voor de rampenbestrijding en crisisbeheersing bij de
Burgemeester gelegd. (Gemeentewet, art. 173) Om deze bevoegdheid op regionaal te kunnen uitvoeren
stelt de wet op de veiligheidsregio in artikel 9 dat de colleges van burgemeester en wethouders van de
gemeenten die behoren tot een regio, een gemeenschappelijke regeling moeten treffen gebaseerd op
de Wet gemeenschappelijke regelingen, waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de
aanduiding: veiligheidsregio. (Wet veiligheidsregio's, 2010, art. 9) De reden hiervoor is de noodzakelijke
16
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
betrokkenheid van de gemeenten als vergunning verlener vanuit het bestemmingsplan en als beheerder
en financier van de brandweer en GHOR3.
Deze samenwerking tussen de gemeenten is gebaseerd op verlengd lokaal bestuur. Verlengd lokaal
bestuur is de aanduiding van samenwerking tussen decentrale overheidsorganen op basis van het
publiekrecht, met een institutionele en beleidsmatige basis bij samenwerkingspartners. Verlengd lokaal
bestuur impliceert dat er sprake is van een aanvulling op het lokale bestuur en niet van een zelfstandig
functionerend bestuur zonder binding met het lokale bestuur. De uitgangspunten van verlengd lokaal
bestuur zijn: vrijwilligheid van samenwerking, democratische en institutionele binding met de
deelnemers en een taakopdracht vanuit de deelnemers. (Maas, 2010)
In de Wet Veiligheidsregio’s is de samenwerking tussen gemeenten op het gebied van crisisbeheersing
formeel vastgelegd. Artikel 9 van deze wet stelt: “De colleges van burgemeester en wethouders van de
gemeenten die behoren tot een regio als bedoeld in artikel 8, treffen een gemeenschappelijke regeling,
waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld met de aanduiding: veiligheidsregio.” (Wet
Veiligheidsregio's, 2010, art. 9)
Artikel 15 van deze wet gaat over het risicoprofiel. Op basis van dit risicoprofiel stelt het bestuur van de
veiligheidsregio ten minste eenmaal in de vier jaar een beleidsplan vast, waarin het beleid is vastgelegd
ten aanzien van de taken van de veiligheidsregio. (Wet Veiligheidsregio's, 2010, art.14 lid 1) Dit
beleidsplan bevat een beschrijving van de beoogde operationele prestaties van de diensten en
organisaties van de veiligheidsregio, van de politie, en van de gemeenten in het kader van de
rampenbestrijding en de crisisbeheersing. Hierin zijn onder andere meegenomen landelijke
doelstellingen, een oefenbeleidsplan en de manier waarop de informatievoorziening binnen en tussen
de diensten en organisaties is geregeld.
Naast het beleidsplan stelt het bestuur van de veiligheidsregio ten minste eenmaal in de vier jaar een
crisisplan vast, waarin in ieder geval de organisatie, de verantwoordelijkheden, de taken en
bevoegdheden in het kader van de rampenbestrijding en de crisisbeheersing worden beschreven,
evenals van de afspraken die zijn gemaakt met andere bij mogelijke rampen en crises betrokken
partijen. Het crisisplan is in ieder geval afgestemd met crisisplannen, vastgesteld voor het gebied van
aangrenzende veiligheidsregio’s en van aangrenzende staten. (Wet Veiligheidsregio's, 2010, art. 16) Hier
ligt de relatie met het RRCP4 en de processen, zoals genoemd in het vorige hoofdstuk.
Naast de Wet Veiligheidsregio bestaat er het besluit veiligheidsregio’s, hierin worden wettelijke
voorgeschreven functionaliteiten en hun taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden beschreven.
De resourcemanager wordt daarin niet genoemd. Vandaar de aanduiding vergeten proces. Toch wordt
er op verschillende manieren gezocht naar invulling van deze functionaliteit. Maar daarover meer in de
paragraaf nieuwe ontwikkelingen.
3
4
GHOR = Geneeskundige Hulp bij Ongevallen en Rampen
RRCP = Referentiekader Regionaal Crisisplan
17
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
LANDELIJK NIVEAU
Analoog aan regionale wetgeving is de verwachting dat op landelijk niveau een soortgelijke opbouw van
planvorming heeft plaatsgevonden of plaats vindt. Nederland kent een nationaal risicoprofiel, maar in
tegenstelling tot de veiligheidsregio’s zijn crisisbeheersing in het algemeen en rampenbestrijding in het
bijzonder op nationaal niveau veel minder gereguleerd dan het geval is met rampenbestrijding op
decentraal niveau. (Brainich von Brainich Felth, 2004, p. 48)
Naast de territoriale decentralisatie is er namelijk ook sprake van een functionele decentralisatie. Dit
betreft publiekrechtelijke lichamen, wiens regelende en/of besturende taak is beperkt tot de belangen
waarvoor zij in het leven zijn geroepen, bijvoorbeeld de waterschappen en Rijkswaterstaat. Het doet er
hierbij niet toe of zij die aangewezen belangen voor het geheel of slechts voor een deel ervan moeten
behartigen. (Schrijvers, Smeets, 2003, p. 201) Door de opbouw van het binnenlandse bestuur kan het
landelijke niveau niet zondermeer ingrijpen op lokaal niveau en is er sprake van bevoegdheden die
sectoraal geregeld zijn. Verzelfstandiging, privatisering, introductie van marktwerking zijn alle drie
verschijnselen die van belang zijn voor bij de crisisbeheersing betrokken partijen, zoals nutsbedrijven,
waterscheppen en dergelijke. En wel omdat de zeggenschap verandert en daarmee de vraag opdoemt
of en hoe een minister organen van decentrale overheden nog invloed hebben op een sector,
organisatie of bedrijf in crisisomstandigheden.
Op enkele thema’s is door middel van wetgeving vastgelegd dat de verantwoordelijkheid bij de
landelijke overheid ligt. Voorbeelden hiervan zijn terrorisme, incidenten met nucleaire installaties en
transporten van nucleair materiaal. Volgens het nationaal handboek crisisbesluitvorming is ieder
ministerie verantwoordelijk voor de te nemen crisisbeheersingsmaatregelen op het eigen beleidsterrein
en de financiering hiervan. Een ministerie is eveneens verantwoordelijk voor het stellen van kaders voor
de crisisbeheersingsmaatregelen te nemen door de vitale bedrijven, instellingen en objecten, voor zover
die entiteiten onder zijn verantwoordelijkheden vallen. (Ministerie van Defensie, 2006, p. 3) Dit legt een
beperking op de inzet van overheidsmiddelen bij incidenten, zoals Brainich von Brainich Felth aangeeft,
er is niet één organisatie die het in crisisomstandigheden overneemt. (Brainich von Brainich Felth, 2004,
p. 25)
Ingeval er meerdere departementen betrokken zijn bij de crisis treedt de minister van Veiligheid en
Justitie op als coördinator. Voor de ondersteuning van dit proces beschikt het Ministerie van Veiligheid
en Justitie over het NCC5. Het NCC heeft de functie van interdepartementaal facilitair
communicatiecentrum en knooppunt van en voor de bestuurlijke informatievoorziening. (Ministerie van
Defensie, 2006, p. 11)
Daarnaast coördineert het LOCC6 de bovenregionale inzet en bijstand van politie- en veiligheidsregio’s,
en defensie in de voorbereidingsfase en in de responsfase. (Ministerie van Defensie, 2006, p. 12) In
5
6
NCC = Nationaal Crisiscentrum
LOCC = Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum
18
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
geval er sprake is van bedreiging van nationale en vitale belangen kan het LOCC uitgebreid worden naar
een landelijke operationele staf. Deze beschrijving impliceert een scheiding van bestuurlijke en
operationele taken op landelijk niveau, maar een mogelijkheid om door te pakken en op te schalen naar
een landelijk operationeel en uiteindelijke een landelijk bestuurlijk niveau zijn pas recentelijk
uitgewerkt.
3.2 NETWERK
Het huidige netwerk van rampenbestrijding en crisisbeheersing wordt bepaald door de risicoprofielen in
de veiligheidsregio’s en de nationale strategie veiligheid. Het is niet de bedoeling om het gehele netwerk
te benoemen, aangezien het netwerk zoals het nu bestaat niet uitputtend is en door ontwikkelingen in
de toekomst zullen mogelijk andere actoren moeten worden toegevoegd. Volgens Brainich von Brainich
Felth wordt het handelen tijdens rampen en crisis namelijk niet langer bepaald door bepaalde oorzaken,
maar gaat het om de behartiging van belangen. De eis van de burger stelt deze belangen aan de
overheid, maar ook aan de veroorzakers van de risico’s. (Brainich von Brainich Felth, 2004, p. 12)
Rampenbestrijding en crisisbeheersing zijn daarmee niet voorbehouden aan de traditionele
hulpverleningsdiensten, politie en gemeenten, maar vraagt om samenwerking van diverse betrokken
partijen.
Betrokken partijen, en deze opsomming is niet uitputtend, zijn de ministeries voor zover zij een
verantwoordelijkheid hebben op het gebied van veiligheid, rampenbestrijding en crisisbeheersing in
Nederland. Brainich von Brainich Felth constateert dat de achilleshiel van crisismanagement de relatie
tussen organisaties is, vooral wanneer deze organisaties zich bevinden in verschillende sectoren of
beleidsterreinen. De nadruk ligt dan op het zicht hebben op het relevante netwerk. Het in kaart brengen
van een netwerk kan door twee vragen te beantwoorden: Wie heeft welke rol? (wie is waarvoor
verantwoordelijk) en wie informeert wie? (Brainich von Brainich Felth, 2004, p. 21) Vanuit het oogpunt
van resourcemanagement komt hierbij: Wie kan wat leveren?
Doel daarbij is dat de overheid met bindende afspraken haar slagkracht kan vergroten en onnodige
duplicatie van capaciteiten kan vermijden. (Ministerie van Defensie, 2006, p. 2) De verschillende
organisaties op landelijk en regionaal niveau en de ketenpartners kunnen hierbij het beste worden
beschouwd als het netwerk van verschillende actoren die op grond van hun taakstelling7 of vanuit hun
functionele verantwoordelijkheid8 of vanwege hun capaciteiten9 een bijdrage kunnen leveren aan de
veiligheid van burgers in Nederland. Een multi-actornetwerk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing
gericht op het effectief en efficiënt inzetten van capaciteiten. Een netwerk van een aantal actoren
(organisaties of partijen) met verschillende belangen die voor de realisering van hun delen van elkaar
afhankelijk zijn. (De Bruijn, Ten Heuvelhof, 2007) Die afhankelijkheid komt voort uit een maatschappelijk
7
Zoals de politie, brandweer, GHOR, gemeenten.
Zoals de waterschappen, Rijkswaterstaat, nutsbedrijven
9
Zoals Defensie, Gezamenlijke Brandweer, ANWB
8
19
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
belang of vanwege een verantwoordelijkheid voor onder ander risico’s, maar heeft betrekking op het
gezamenlijk voorkomen en bestrijden van rampen en crises.
Aangezien we hier niet alleen te maken hebben met een regionaal niveau maar ook met een territoriale
en functionele decentralisatie van het binnenlandse bestuur spreken we over meerdere dimensies.
Strikwerda geeft in zijn boek: Van unitmanagement naar multidimensionele organisaties, een definitie
voor multi-dimensionele organisaties. Toegepast op de rampenbestrijding en crisisbeheersing zijn de
volgend kenmerken uit die definitie van toepassing:




De verantwoordelijkheid is tegelijk belegd op meerdere dimensies.
Informatie wordt simultaan over meerder dimensies gegenereerd.
Het eigendom van de voor informatievoorziening vereiste transactiedatabase ligt op landelijk en
niet op regionaal niveau of bij de verschillende ketenpartners.
En er is, in verschillende gradaties, sprake van een ontkoppeling van een brede
verantwoordelijkheid voor resultaten enerzijds en van zeggenschap over daarvoor vereiste
capaciteiten anderzijds. (Strikwerda, 2008, p. 98/99)
Daarmee komt naast de vraag wie waarvoor verantwoordelijk is, de vraag naar voren wie informeert
wie? Volgens het rapport ‘Eenheid in verscheidenheid’, ligt het initiatief bij het NCC om het netwerk
zichtbaar te krijgen en te realiseren, samen met de koepelorganisaties van de kolommen. Daarvoor
hebben ze schakels nodig, die de verbindingen leggen met en tussen de verschillende partners, de
vertegenwoordiging van politie, brandweer, GHOR10 en Defensie binnen het LOCC is hierbij een
vertrekpunt. De nadruk ligt daarbij op het opbouwen van kennis en informatie over betrokken
organisaties, hun capaciteiten en het aanleggen van een contactsysteem.
Zoals gezegd het netwerk is groot en zal met de lessen die getrokken worden uit toekomstige incidenten
nog kunnen worden aangevuld. Voorbeelden uit het verleden zijn de oprichting van de LMAZ11, het LFR12
en met de overheveling van Rijksmaterialen naar de veiligheidsregio’s, de opzet van het project SOM13,
nu Specialistisch optreden Brandweer Nederland. Waarbij acht primaire en drie ondersteunende
specialismen worden onderkend en via kenniscentra en specialistische teams beschikbaar worden
gesteld aan de veiligheidsregio’s.
Het gaat hierbij om het opzetten van een netwerk van gebruikers en leveranciers die via een single point
of contact kunnen worden benaderd voor het leveren van bijstand. Het gaat om een dynamisch netwerk
van betrokkenheid afhankelijk van het risico, ramptype of crisis. Iedere betrokken organisatie levert een
bijdrage, hetzij vanuit hun taak en verantwoordelijkheid, of vanuit hun specialisme of capaciteiten.
Daarnaast zijn deze organisaties ook gebruiker in het netwerk, afhankelijk van de situatie. Het
vastleggen van een overzicht van beschikbare capaciteiten, mensen, middelen en kennis past in de
10
GHOR = Geneeskundig Hulp bij Ongevallen en Rampen
LMAZ = Landelijke Meldkamer Ambulancezorg
12
LFR = Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding
13
SOM = Specialistisch Optreden op Maat
11
20
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
nieuwe ontwikkelingen die vanuit het advies van de bestuurlijke werkgroep bovenregionale
samenwerking zijn voorgesteld.
3.3 NIEUWE ONTWIKKELINGEN
Samen met het ontwikkelen van de veiligheidsregio’s is er ook een toenemende overtuiging dat de
veiligheidsregio’s het bij grote en zeker regio-overschrijdende rampen en crises niet alleen afkunnen.
Daarnaast rijst meer en meer de vraag of de vereiste middelen opwegen tegen de kosten en of de
overheid dit niet anders moet inrichten. De brandweer heeft hier een aanzet toe genomen met haar
strategische reis ‘de Brandweer over morgen’. De brandweer heeft de afgelopen jaren te maken
gekregen met veranderingen op vakinhoudelijk gebied, waaronder toenemende kwaliteitseisen,
ontwikkelingen in de crisisbeheersing, strengere en complexere regelgeving en toenemende gevaren
voor brandweermensen. Dat alles gaat gepaard met toenemende kosten. ( Projectteam Strategische reis
Brandweer, p. 7)
Tegelijkertijd besloot het Rijk om al het rijksmaterieel voor de brandweer over te dragen aan de
brandweerorganisaties binnen de veiligheidsregio's. Het materieel is bestemd voor grootschalige en
specialistische optredens van de brandweer. Om de overdracht in goede banen te leiden startte in 2011
het project SOM: specialistisch optreden op maat. In dit project werd niet alleen gekeken naar de
overdracht, maar ook naar de specialismen en de bijbehorende ondersteuning. Doel: het organiseren
van een optimale dekking van de regionale risicoprofielen. (Brandweer Nederland, 2013)
Niet alleen de brandweer ziet zich geconfronteerd met maatschappelijke veranderingen. Het vormen
van de Nationale politie moet leiden tot een politie die in staat is beter invulling te geven aan de eisen
die de maatschappij stelt. Het gaat daarbij om doelmatiger maar vooral ook doeltreffender te gaan
werken, waarbij schaarse middelen en menskracht optimaal worden ingezet. Hoewel de brandweer nog
regionaal verankerd blijft en alleen het materiaal voor grootschalig en specialistisch optreden landelijk
organiseert, kiest de politie voor een centralistische aanpak met de nadruk op informatie-uitwisseling
tussen de korpsen en het verbeteren van de ICT-structuur. (Ministerie van Veiligheid en Justitie
Directoraat-generaal Politie i.o., 2011, p. 3)
BOVENREGIONAAL/LANDELIJK GRIP
Ook multidisciplinair zijn er ontwikkelingen. In mei 2012 heeft het Veiligheidsberaad en in juni 2012 de
Ministerraad ingestemd met het advies van de bestuurlijke werkgroep Bovenregionale Samenwerking.
Deze adviesgroep had tot taak het verbeteren van de samenwerking tussen overheden te bestuderen en
daar een advies over uitbrengen. Dit advies richt zich op vier aspecten, te weten:
1.
2.
3.
4.
eenheid van doctrine met betrekking tot opschaling en bovenregionale samenwerking;
één aanspreekpunt op rijksniveau voor facilitering aan de regio door landelijke diensten;
helderheid over situaties die centrale aansturing behoeven;
eenduidigheid in (bovenregionale) crisiscommunicatie. (Rapport Eenheid in verscheidenheid, p.
4)
21
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Het resultaat is een aanvulling op de bestaande GRIP14-regeling, waarbij leiding en coördinatie in de
aansturing en bevelvoering bij rampen en crises, ten aanzien van zowel de samenwerking tussen regio’s
als tussen regio’s en de rijksoverheid wordt geregeld. En duidelijk wordt wanneer de rijksoverheid
faciliteert, richting geeft en onder welke omstandigheden het Rijk zelf stuurt. Naast de nieuwe GRIPregeling is het rapport “Eenheid in verscheidenheid” uitgekomen. Dit is de uitwerking van het advies van
de bestuurlijke werkgroep Bovenregionale Samenwerking.
Het rapport gaat ervan uit dat de veiligheidsregio’s door de betrokkenheid van veel Rijksdiensten de
eenduidigheid en overzichtelijkheid van optreden tijdens rampen en in crisissituaties verliezen. Dit komt
door onbekendheid met de inrichting van de rijksdiensten waardoor een hulpvraag tijdens rampen en
crises een zoektocht wordt langs de verschillende instanties van het Rijk. Ieder beleidsveld kent een
eigen functionele kolom met eigen loketten en eigen rijksdiensten of sturingslijnen in de richting van de
regionale diensten, waarbinnen de eigen kolom wordt aangestuurd.
Daarnaast komt vanuit de regio de hulpvraag vaak pas op een laat moment terwijl het verzoek wel
voorzienbaar was. Verzoeken kunnen niet tijdig worden ingeregeld als het Nationaal Crisiscentrum niet
weet dat die hulpvraag misschien volgt, terwijl daar al wel meer informatie over beschikbaar was. In de
verschillende regio’s moet het aanspreekpunt voor operationele afstemming enerzijds en bestuurlijke
afstemming anderzijds gelijkvormig zijn, zodat NCC en landelijke kennis- en adviesdiensten overal
dezelfde ingang hebben. (Rapport Eenheid in verscheidenheid, p. 14) In het rapport wordt dit
aanspreekpunt aangeduid als de vraagregisseur.
Binnen de huidige wettelijke kaders werd een oplossing gezocht voor het koppelen van de generieke en
de functionele kolommen. De oplossing zit volgens het rapport in een eenduidige interpretatie van
operationele en bestuurlijke opschaling. Om zo de verschillende bestuurlijke, operationele en
commerciële partijen op landelijk, veiligheidsregio en gemeentelijk niveau met elkaar te verbinden.
(Rapport Eenheid in verscheidenheid, p. 16) De implementatievoorstellen die in het rapport worden
gedaan hebben betrekking op:
1. Leiding en coördinatie: in de aansturing en bevelvoering bij rampen en crises, ten aanzien van
zowel de samenwerking tussen regio’s als tussen regio’s en de rijksoverheid.
2. Helderheid over de rol van de rijksoverheid: wanneer de rijksoverheid faciliteert, richting geeft
of zelf stuurt.
3. Het vormgeven van het NCC als rijksloket op het gebied van crisisbeheersing en
crisiscommunicatie voor de veiligheidsregio’s.
4. Het vereenvoudigen van de landelijke kennisinfrastructuur voor veiligheidsregio’s, onder andere
door het instellen van een vraagregisseur.
5. Eenduidigheid in crisiscommunicatie. (Rapport Eenheid in verscheidenheid, p. 5)
In dit onderzoek richt ik me op de invulling van de faciliterende rol van de rijksoverheid. In het rapport
‘Eenheid in Verscheidenheid’ wordt onder faciliteren verstaan:
14
GRIP = Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure
22
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
‘Ongeacht het GRIP-niveau kan het Rijk de verantwoordelijke autoriteiten in de algemene of functionele
keten ondersteunen. De ondersteuning kan geschieden op verzoek van de verantwoordelijke
autoriteiten, dan wel op eigen initiatief van het Rijk.”
Dit wordt vertaald in bestuurlijke of operationele expertise, advies of kennis (bijv. lessen uit eerdere
rampen en crises). Mogelijkheden tot afstemming en coördinatie tussen partijen (bijv.
Interdepartementale en internationale afstemming), facilitering voor operationele processen en het
beschikbaar stellen van middelen. (Rapport Eenheid in verscheidenheid, p. 10)
3.3 UITLEIDING
In dit hoofdstuk heb ik het wettelijke kader geschetst en het netwerk waarin een landelijk proces
resourcemanagement vorm zou kunnen krijgen. In de laatste paragraaf heb ik recente ontwikkelingen
beschreven in de samenwerking tussen het landelijke en regionale niveau. Na de schets van de
achtergronden waarbinnen resourcemanagement kan plaatsvinden worden in het volgende hoofdstuk
de belangrijkste elementen van het onderzoek geoperationaliseerd.
23
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
4 OPERATIONALISATIE
4.1 INLEIDING
Om een oordeel te kunnen geven over de meerwaarde van een proces resourcemanagement op
landelijk niveau en de samenwerking tussen het regionale en landelijke niveau in de rampenbestrijding
en crisisbeheersing, is het noodzakelijk een referentiekader te benoemen. Door de drie cases af te
zetten tegen het referentiekader kan er een oordeel worden gegeven over de meerwaarde van een
landelijk proces resourcemanagement. Door de uitkomsten van de boordelingen van de drie cases met
elkaar te vergelijken, verwacht ik overeenkomsten te ontdekken die kunnen leiden tot conclusies en
aanbevelingen over de meerwaarde van het inrichten van een landelijk proces resourcemanagement.
De drie cases beschouw ik aan de hand van de rapporten die zijn opgesteld door de inspectie voor
Openbare Orde en Veiligheid, de Onderzoeksraad voor Veiligheid. Kanttekening daarbij is dat het
onderzoek van de cases, met uitzondering van de brand bij Chemie-Pack, gebaseerd is op één rapport.
Onderzoek naar andere rapporten over de betreffende cases leverden geen informatie op met
betrekking tot de structuur en bestrijding van het incident. Bij de Poldercrash lag de focus van andere
onderzoeken op de nazorg van de slachtoffers en bij de brand op de Strabrechtse heide op de gevolgen
voor de natuur. Hoewel het officiële onderzoeken zijn op verzoek van de betreffende veiligheidsregio’s,
is het aannemelijk dat er sprak is van een bias in aandacht en accenten in de betreffende rapporten.
Toch heb ik gekozen voor deze drie cases omdat er bekend was dat er voor wat betreft de inzet van
interregionale bijstand en de samenwerking tussen het landelijke en regionale niveau kanttekeningen
werden geplaatst. Met name de brand bij Chemie-pack was aanleiding tot het instellen van de
Bestuurlijke Adviesgroep Bovenregionale Samenwerking.
Om de cases te kunnen beoordelen gebruik ik het PMI-model van De Bono (De Bono, 2005). Dit model is
een vorm van een verkorte SWOT-analyse en met dit model zal ik aan de hand van bevindingen en
conclusies uit de respectievelijke rapporten een oordeel geven over de uitvoering van de interregionale
bijstand en ondersteuning op het koppelvlak van landelijk en regionaal. De SWOT-analyse bestaat uit
een externe en interne analyse. Voor dit onderzoek heb ik gekozen voor een verkorte analyse die alleen
de interne organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersing beslaat. Onder de interne
organisatie beschouw ik de regionale crisismanagementorganisatie en op landelijk niveau en de
ondersteunende instanties die direct betrokken zijn bij de interregionale bijstand, mono of
multidisciplinair.
Door middel van de PMI-analyse wordt geanalyseerd of een resourcemanagement proces op landelijk
niveau een meerwaarde had kunnen hebben heeft voor de uitvoering. Daarnaast worden de
belangrijkste sterke en zwakke punten van het koppelvlak tussen het landelijke en regionale niveau
weergegeven. In het PMI-model worden onder 'plus' alle sterke punten benoemd. Onder de 'min' de
zwakke punten. Onder i worden de implicaties benoemd van die sterke en zwakke punten. De
elementen uit de stappen van het regionale proces resourcemanagement zijn de kritieke
24
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
succesfactoren. Door de kritieke succesfactoren te vergelijken met de werkelijke gebeurtenissen kan ik
de mogelijke meerwaarde van het proces resourcemanagement vaststellen. Dit doe ik in hoofdstuk 5.
Als eerste is het noodzakelijk om het begrip proces te definiëren. Er zijn verschillende definities, de
verschillen liggen in het feit dat andere aspecten worden benadrukt. Door verschillende definities naast
elkaar te leggen, kom ik tot een omschrijving van het begrip proces dat onder het referentiekader wordt
gelegd. Als eerste de definitie van Juran: “Een proces is een systematische serie van acties die erop
gericht is een bepaald doel te bereiken.” (Juran, 1997) Door het stelselmatige uitvoeren van acties kan
een bepaald doel bereikt worden. In dit geval is het proces resourcemanagement gericht op het
ondersteunen van de operationele processen met capaciteiten en ondersteuning. Om dit te bereiken
moeten de vier processtappen achtereenvolgens worden doorlopen.
Van den Berg en Pottjewijd definiëren een proces als: ‘… een verzameling procesactiviteiten die naar
aanleiding van een trigger tot een product of dienst leidt.” (Van den Berg, Pottjewijd, 1999, p. 21) Deze
aanleiding is in het proces resourcemanagement het incident en de opdracht vanuit de operationele
leiding.
Dutta en Manzoni geven in hun definitie aan voor wie deze activiteiten worden uitgevoerd: “A process is
a sequence of activities that fulfills the needs of an internal or external customer.” (Dutta, Manzoni, 1999,
p. 8) Binnen dit onderzoek gaat het om de samenwerking tussen het landelijke en het regionale niveau,
waarbij het landelijke niveau ondersteunend is aan het regionale niveau: De faciliterende rol van de
rijksoverheid.
Transformeren we deze definities naar de samenwerking tussen regionale en landelijke overheden op
het gebied van rampenbestrijding en crisisbeheersing dan leidt dit tot de volgende omschrijving. De
samenwerking van het landelijke en regionale niveau binnen het proces resourcemanagement, is een
systematische serie van activiteiten (stappen) die tot het effectief en efficiënt ondersteunen van de
operationele processen moet leiden. Deze systematische volgorde van activiteiten heeft consequenties
voor volgende stappen in het proces. Het niet of niet goed uitvoeren van voorgaande stappen leidt tot
een minder effectieve en efficiënte ondersteuning van de operationele processen.
In de volgende paragraaf ga ik in op de stappen van het proces resourcemanagement van de
veiligheidregio’s en de minimale inhoud van de diverse kritieke succesfactoren. In de beoordeling van de
cases wordt een plus toegekend indien is voldaan aan de minimale inhoud en een min indien niet wordt
beantwoord aan de minimale inhoud.
4.2 OPERATIONALISATIE
Om een referentiekader te kunnen opbouwen is het noodzakelijk het proces te beschrijven aan de hand
van de processtappen en de kritieke succesfactoren voor de samenwerking tussen het regionale en
landelijke niveau in deze stappen te benoemen. Het proces resourcemanagement kent de volgende
stappen:

Beeldvorming en analyse.
25
11/11/2013



De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Inventariseren.
Organiseren en coördineren.
Monitoren en bewaken.
BEELDVORMING EN ANALYSE
Voor een goede beeldvorming en analyse is het wezenlijk dat de operationele leiding richting geeft aan
het de uitvoerende en ondersteunende processen door duidelijke operationele doelstellingen te
formuleren in een opdracht. Deze opdracht geldt voor alle disciplines (horizontaal) en voor alle niveaus
(verticaal) en behelst het in onderlinge samenhang vaststellen van de wijze van bestrijden van het
incident (besluitvorming). (Rapport Brand Strabrechtse Heide Deel 1, 2011, p. 59) De minimale inhoud
van een opdracht volgens het proces resourcemanagement is:
-
Operationele doelstellingen.
Gewenste effecten.
Beleidsuitgangspunten.
Tolerantiegrenzen.
Gemaakte (multidisciplinaire) afspraken. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013, p. 10)
Voldoet de opdracht aan de minimale inhoud dan wordt deze beoordeeld met een +, voldoet de
opdracht niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel een -.
Beeldvorming omvat alle processen die nodig zijn om een beeld van een incident te creëren. Het gaat
om het opbouwen en actueel houden van het beeld. Het beeld van het incident moet op alle niveaus
hetzelfde zijn en moet in de juiste vorm en op het juiste moment beschikbaar zijn voor degenen die dit
nodig hebben. (Rapport Brand Strabrechtse Heide Deel 1, 2011, p. 77) Een voorwaarde hiervoor is het
gebruik van een netcentrisch systeem waarin de informatie over het incident op regionaal en landelijk
niveau gelijktijdig beschikbaar is. De minimale inhoud van het beeld op basis van beschikbare informatie
is:
-
De aard en omvang van het incident;
de betrokken objecten;
de actuele situatie met betrekking tot het incident;
de risico’s en de effecten van het incidenttype en de bestrijdingsmogelijkheden. (Besluit
Veiligheidsregio's, art 2.4.1.a)
Voldoet het beeld aan de minimale inhoud dan wordt deze beoordeeld met een +, voldoet het beeld
niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel een -.
Analyse is het inzichtelijk maken van de gevolgen van het incident en mogelijke alternatieven voor de
benodigde capaciteiten en de ondersteuning van de bestrijding van het incident. Op basis van de
plannen, scenario, prognose inclusief tijd- en ruimtefactoren, een analyse van het werkelijke
(totaalbeeld) en gewenste situatie (plannen) wordt een geanalyseerd beeld gemaakt met als minimale
inhoud:
26
11/11/2013
-
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Prioriteiten en zwaartepunten in de bestrijding.
De plannen van aanpak van de kolommen met betrekking tot de bestrijdingsmethode.
Eventuele uitstaande bijstandsaanvragen. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013, p. 11)
Voldoet de analyse aan de minimale inhoud dan wordt deze beoordeeld met een +, voldoet de analyse
niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel een -.
INVENTARISEREN
Een voorwaarde voor een goede inventarisatie van de behoefte aan capaciteiten en ondersteuning is
het vooraf opstellen van een capaciteitenmatrix. Dit gebeurt in de preparatieve fase op basis van de
risicoanalyse uit het regionale risicoprofiel. Door inzicht te hebben in beschikbare capaciteiten bij
andere regio’s, overheidinstanties en betrokken partners, kan snel een afgewogen advies worden
gegeven over beschikbare capaciteiten aan de betrokken regio’s. Dit verhoogt een effectieve en
efficiënte bestrijding van het incident en draagt bij aan een zorgvuldige inzet van vooral schaarse
capaciteiten.
Onder inventarisatie wordt verstaan de vertaling vanuit de analyse naar de juiste hulp- en
inzetbehoefte. (Rapport Brand Strabrechtse Heide Deel 1, 2011, p. 43) De minimale inhoud van de
inventarisatie heeft betrekking op:
-
De omvang van de ingezette bestrijdingsorganisatie;
de samenstelling van de ingezette eenheden;
de mogelijkheden en beperkingen van de ingezette eenheden;
en de daarbij behorende materiële middelen en logistieke capaciteiten in tijd en ruimte.
(Leidraad Commandovoering, Conceptversie 2009, p. 88)
Voldoet de inventarisatie aan de minimale inhoud dan wordt deze beoordeeld met een +, voldoet de
inventarisatie niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel een -.
Het advies is een beredeneerde aanbeveling op basis van beeldvorming, analyse en inventarisatie. De
minimale inhoud bestaat uit:
-
Kritieke punten ten aanzien van de operationele inzetbaarheid.
Mogelijke alternatieven.
Eventuele kansen; bedreigingen (schaarse middelen) en risico’s. (Werkplaats
Resourcemanagement, 2013, p. 12)
Voor het landelijke niveau komt hier bij:
-
Lessons learned uit eerdere incidenten.
Voldoet het advies aan de minimale inhoud dan wordt deze beoordeeld met een +, voldoet het advies
niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel een -.
27
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
ORGANISEREN EN COÖRDINEREN VAN DE BIJSTAND
Organiseren en coördineren gaat over het daadwerkelijk regelen van de benodigde capaciteiten en het
ondersteunen van de operationele processen. Dit moet gebeuren op basis van gemaakte afspraken over
de rolverdeling en ondersteuning vanuit het landelijke niveau.
Onder organiseren van bijstand wordt verstaan het regelen van de gevraagde of geadviseerde bijstand,
binnen de gewenste tijd en op de gewenste locatie. Afwijkingen van de gevraagde bijstand, levertijden
en locaties worden beoordeeld als onvoldoende.
Coördineren van de ondersteuning is het afstemmen van de benodigde ondersteuning voor het tijdig
leveren van bijstand op de gewenste locatie en voorzien van de benodigde informatie. Het gaat daarbij
om de mate van faciliteren, dit bepaald door de optredende problemen en de manier waarop de
problemen worden opgelost. Oplossen is voldoende, niet oplossen is onvoldoende.
MONITOREN EN BEWAKEN
De laatste stap uit het proces heeft betrekking op het verkrijgen van inzicht in de voortgang op de
uitgezette verzoeken voor bijstand en het registreren en informeren over afwijkingen in de gemaakte
afspraken en levering van bijstand.
Monitoren is het volgen van de voortgang van de aanvragen voor bijstand en deze toetsen aan de
vooraf gemaakte afspraken. Hierbij gaat het om te onderzoeken of het gestelde doel wordt gehaald
binnen de gestelde tijd en met de beschikbaar gestelde middelen, binnen het voorziene tijdschema.
(Leidraad Commandovoering, Conceptversie 2009, p. 61) Monitoren wordt als voldoende beoordeeld als
er processtappen zijn ingericht voor het volgen van de interregionale bijstand.
Het bewaken is het registreren van afwijkingen in de levering van de gevraagde capaciteiten. De
afwijkingsinformatie moet minimaal aan de volgende inhoud voldoen:
-
Beschrijving welke of welk deel van de prestaties niet gehaald worden.
Reden waarom prestaties niet gehaald kunnen worden c.q. reden waarom opdracht niet/deels
uitgevoerd kan worden.
Voorstel aanpassingen maatregel of condities. (Werkplaats Resourcemanagement, 2013, p. 23)
Voldoet de afwijkingsinformatie aan de minimale inhoud dan wordt deze als voldoende beoordeeld,
voldoet de afwijkingsinformatie niet aan de minimale inhoud dan is het oordeel onvoldoende.
Op de volgende pagina is de matrix van de PMI-analyse weergegeven, de daadwerkelijke analyses van
de drie cases staan in bijlage C, D en E.
28
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Beoordeling samenwerking regionaal en landelijk niveau bij rampenbestrijding en crisisbeheersing
Activiteiten
+
-
Beeldvorming
Analyse
Inventarisatie
Advies
Organiseren
Coördineren
Monitoren
Bewaken
29
i
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
5 ONDERZOEK
In dit hoofdstuk worden achtereenvolgens de Poldercrash, de brand op de Strabrechtse heide en de
brand bij Chemie-Pack in Moerdijk, beschouwd op de samenwerking op het koppelvlak tussen het
regionale en het landelijke niveau. Eerst volgt per casus een korte beschrijving van het incident. Daarna
wordt aan de hand van de uitkomsten van de PMI-analyse (bijlagen C, D en E) een beschouwing gegeven
over de mogelijk toegevoegde waarde van RM op nationaal niveau en samenwerking tussen de
verschillende niveaus. Aan de hand van de voorwaarden voor een goede samenwerking binnen het
proces resourcemanagement, zoals die in hoofdstuk vier zijn beschreven, en de uitkomsten van de PMIanalyses geef ik aan wat resourcemanagement op landelijk niveau in de verschillende cases had kunnen
bijdragen.
5.1 POLDERCRASH (2009)
Een Boeing 737-800 van Turkish Airlines vertrekt op de
ochtend van 25 februari 2009 uit Istanbul, Turkije, met
bestemming Schiphol. Het gaat om vlucht TK 1951, en
de verwachte aankomsttijd op Schiphol is 10.40 uur.
Aan boord bevinden zich 128 passagiers en 7
bemanningsleden. Kort voor de landing op de
Polderbaan verliest het toestel snel veel hoogte en
rond 10.30 uur stort het neer in een akker, op minder
dan twee kilometer afstand van de Polderbaan. Direct
na het neerstorten breekt het toestel in twee stukken.
Ook het staartstuk en de motoren breken af. Er breekt geen brand uit en kort na de crash slagen
passagiers erin een nooduitgang te openen. Een aantal passagiers verlaat daarna op eigen kracht het
toestel.
Later op de dag wordt duidelijk dat bij de crash negen personen zijn omgekomen. Tot deze slachtoffers
behoren de drie piloten en een stewardess. Van de andere inzittenden raken de meesten gewond.
Enkelen zijn er slecht aan toe en een maand na de crash liggen nog vijf personen in een ziekenhuis. De
media tonen direct na de crash en gedurende de eerste dagen daarna veel belangstelling. In de
berichtgeving overheerst de opvatting dat de hulpverlening snel op gang is gekomen. Volgens de
berichten zijn de eerste dag ongeveer 750 personen betrokken bij de hulpverlening. (Rapport
Poldercrash, 2009, p. 26/27)
Op landelijk niveau wordt het NCC15 geactiveerd en er vindt interdepartementaal enkele keren overleg
plaats. Het LOCC16 speelt op de dag van de ramp een ondersteunende rol op onder andere het terrein
15
16
NCC = Nationaal Crisiscentrum
LOCC = Landelijk Operationeel Coördinatie Centrum
30
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
van de informatievoorziening. (Rapport Poldercrash, 2009, p. 37) Een andere bovenregionale partij die
volgens het rapport bij het incident betrokken is, is de LMAZ17.
BEELDVORMING EN ANALYSE
Volgens de inspectie is er geen sprake van een actueel beeld op basis van de beperkte informatie. De
oorzaken hiervoor zijn het ontbreken van een gemeenschappelijk beeld, een onvolledig en vervormd
beeld door bilaterale contacten en het niet vastleggen van informatie. Dit wordt versterkt doordat er in
het begin van het incident onduidelijkheid bestaat over de locatie van het vliegtuig en welk plan van
toepassing is, het gevolg is dat dit niet bijdraagt aan het vormen van een actueel beeld over het
incident. Een actueel beeld vormt de basis van de analyse die binnen het proces resourcemanagement
moet worden uitgevoerd om inzicht te krijgen in de behoefte aan capaciteiten en ondersteuning.
Bovenstaande impliceert dat de beeldvorming en analyse vanuit het proces resourcemanagement als
onvoldoende moet worden beschouwd. Relevante informatie voor het opbouwen van een actueel beeld
en het niet delen van dit beeld via een netcentrisch systeem heeft de samenwerking gehinderd. In de
analyse is onbekendheid met de rol en de afspraken met de LMAZ oorzaak van het niet toepassen van
de afgesproken procedures en worden capaciteiten aangevraagd nadat ander regio’s dit opmerken of
worden capaciteiten helemaal niet meegenomen.
INVENTARISEREN
Onbekendheid met de procedures voor de aanvraag van ambulances in de regio heeft geleid tot een
vertraging in de aanvraag. Ook het niet gebruik maken van Octopus door de regio, leidt tot een
vertraging in de inventarisatie en alarmering van beschikbare ambulances.
De LMAZ heeft wel een snelle inventarisatie gemaakt van beschikbare ambulances en daarmee
ingespeeld op het verzoek van de regio Kennemerland. Kennemerland en de LMAZ hebben echter beide
geen inventarisatie gedaan naar alternatieve capaciteiten. Dit kan een inbreuk zijn op de effectiviteit en
efficiency van de incidentbestrijding, door alternatieven in kaart te brengen en daarover te adviseren
vanuit het landelijke niveau kan een incident sneller worden bedwongen met minder overlast voor de
omgeving. Vanuit het proces resourcemanagement bekeken kan de proactieve en aanbodgerichte
werkwijze van de LMAZ een meerwaarde bieden, voorwaarde is dan wel dat in de inventarisatie alle
alternatieven worden meergenomen, het maken van een overzicht van mogelijke capaciteiten in de
voorbereiding kan hierin ondersteunen.
ORGANISEREN EN COÖRDINEREN
De LMAZ heeft snel een overzicht van beschikbare ambulances en goed gehandeld door terug te
koppelen met Kennemerland. Hierdoor waren snel voldoende ambulances beschikbaar. Door het
17
LMAZ = Landelijke Meldkamer Ambulancezorg
31
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
terugkoppelen met Kennemerland behield de regio de regie op de inzet van benodigde capaciteiten.
Voor het aanvragen van andere capaciteiten had Kennemerland ook gebruik kunnen maken van de
ondersteuning van de LMAZ. De inzet van één aanspreekpunt voor de contacten met de LMAZ had
kunnen voorkomen dat de regio de werkwijze van de LMAZ als storend had ervaren. Onbekendheid met
afspraken tussen het regionale en landelijke niveau leiden tot vertraging in de organisatie en coördinatie
van capaciteiten.
De ondersteuning van uit het NCC is nauwelijks beschreven, maar de inzet op het rampterrein wordt
belemmerd door onderzoeksinstanties en vanwege bezoek van regeringsleden en de ambassadeur van
Turkije aan het rampterrein. Het ROT18 wordt in de bestrijdingsfase belast met VIP-management.
Daarnaast concludeert de regio zelf dat er onderzocht moet worden in hoeverre consulaten kunnen
ondersteunen bij de identificatie van slachtoffers. Dit zijn bij uitstek activiteiten die door het NCC
ondersteund hadden kunnen worden.
Het uit handen nemen van ondersteunende activiteiten door het landelijke niveau ontlast de regio bij de
bestrijding van het incident. Voorwaarde is wel dat de regie bij de operationele leiding blijft liggen. Voor
wat betreft de aangevraagde ambulances is dit goed verlopen, de LMAZ had echter proactiever kunnen
zijn in de ondersteuning met de aanvraag van andere capaciteiten. Het uitblijven van ondersteuning
vanuit het NCC om de regio te ontlasten heeft invloed gehad op het verloop van de incidentbestrijding.
Het optreden van de onderzoeksinstanties en VIP-management zijn geen primaire activiteiten in de
incidentbestrijding, en contact met consulaten is een landelijke aangelegenheid.
MONITOREN EN BEWAKEN
Hierover is in het rapport niets teruggevonden.
SAMENVATTEND
Vanaf de buitenkant beschouwd ging de afwikkeling van de poldercrash goed. Kijkend vanuit het proces
resourcemanagement kun je concluderen dat het effectiever en efficiënter had gekund. De rol van de
LMAZ was niet bekend bij de regio Kennemerland. Daarnaast had de LMAZ haar rol proactiever en meer
faciliterend kunnen invullen waarmee de effectiviteit had kunnen worden vergroot. De onbekendheid
op landelijk en regionaal niveau met alternatieve middelen heeft invloed gehad op de keuze van de
resources. Ook het ontbreken van een duidelijk aanspreekpunt voor capaciteiten en ondersteuning
binnen de veiligheidsregio heeft geleid tot ergernis tussen de LMAZ en de meldkamer.
18
ROT = Regionaal Operationeel Team
32
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
5.2 BRAND STRABRECHTSE HEIDE (2010)
De Strabrechtse Heide is een natuurgebied van ongeveer
1.500 ha. Het gebied bestaat voornamelijk uit heidevelden,
naald- en loofhoutbos en vennen. Staatsbosbeheer is
verantwoordelijk voor het beheer van het grootste
gedeelte van het terrein. Het natuurgebied ligt in de
gemeente Heeze-Leende en Someren. Aan de noordzijde
wordt de Strabrechtse Heide begrensd door de
autosnelweg A67. Deze snelweg scheidt de Strabrechtse
Heide van het bosgebied tussen Geldrop en Mierlo.
De periode eind juni-begin juli 2010 werd gekenmerkt door
uitzonderlijk warm en droog zomerweer. Op vrijdagmiddag 2 juli 2010 melden bewoners van een
flatgebouw aan de noordzijde van de A67 brand in het heidegebied. De meldkamer van de
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRZOB) ontvangt deze melding kort na 14.00 uur. Zij alarmeert vier
tankautospuiten die direct naar het natuurgebied rijden. Als de brandweer bij het natuurgebied
arriveert, blijkt dat de brand zich snel uitbreidt en kort daarna slaat het vuur over van de heide naar het
bos. De brand gaat richting A67, dreigt die snelweg over te slaan en vormt daarmee een bedreiging voor
een camping en een aantal woningen in Mierlo.
Omdat de regio zich vroegtijdig realiseert dat zij zelf onvoldoende mensen en middelen heeft om de
brand te bestrijden, vraagt zij om bijstand van andere regio’s. Bij de feitelijke bestrijding van deze brand
op de Strabrechtse Heide worden naast de meer dan 1.700 brandweerlieden ruim zevenhonderd
militairen ingezet. Ook organisaties als Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer spelen daarbij, samen met
de politie, een belangrijke rol. Ruim 3000 hulpverleners leverden een enorme prestatie door met man
en macht het vuur neer te slaan en daarna het dagenlange nablussen op zich te nemen. Ook de
logistieke coördinatie werd daarmee een omvangrijke opdracht. (Rapport Brand Strabrechtse Heide
Deel 1, 2011, p. 9)
BEELDVORMING EN ANALYSE
De operationele leiding gaf een duidelijke opdracht met prioriteiten, een voorwaarde om richting te
kunnen geven aan de onderliggende processen, waaronder het proces resourcemanagement.
Doordat niet alle beschikbare informatie wordt verwerkt ontstaat er een achterstand in de
beeldvorming. Dit wordt versterkt doordat er sprake is van een algemene beschrijving van de aard van
het incident, maar niet over de effecten en de risico’s. Verder is er onduidelijkheid over de actuele
bestrijdingorganisatie omdat de informatie niet tijdig of onvoldoende is verwerkt. Daarnaast ontbreekt
het aan regie over de informatievoorziening, hierdoor worden niet alle delen van de
bestrijdingsorganisatie voorzien van de juiste informatie.
33
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Verder is er sprake van verschillen in informatie en het beeld van het incident tussen de verschillende
onderdelen van de bestrijdingsorganisatie. Dit komt omdat informatie niet of niet volledig wordt
gedeeld, veel functionarissen verzamelen informatie buiten de eigen organisatiedelen om. Daarnaast is
er kans op het onvolledig of vervormd weergeven van de beschikbare informatie in alle schakels van de
keten, door de vele bilaterale contacten. Het netcentrische systeem wordt gebruikt als logboek, waarbij
oude informatie niet wordt geschoond en informatie niet altijd wordt verplaats naar de juiste
categorieën. waardoor er geen sprake is van een actueel en gedeeld beeld voor de verschillende
aangesloten gebruikers.
Het ontbreken van relevante informatie belemmert de analyse van de onderliggende processen. Vanuit
resourcemanagement kan geen volledige inschatting worden gemaakt over omvang en behoefte aan
capaciteiten en ondersteuning.
Het ontwikkelen van scenario’s op basis van de beschikbare informatie is belangrijk als onderdeel van de
analyse. Hiermee wordt een verloop van het incident geschetst wat bijdraagt aan het vaststellen van de
behoefte aan capaciteiten en ondersteuning. Het inzicht hebben in de taken en verantwoordelijkheden
van de verschillende onderdelen van de bestrijdingsorganisatie beïnvloed de analyse positief en draagt
bij aan het verhogen van de flexibiliteit door centrale planning en decentrale uitvoering. Dit komt ook
naar voren door het uitzetten van prioriteiten, heldere lijnen en duidelijke beslissingen. Dit zijn
voorwaarden voor een goed functionerend proces resourcemanagement en draagt bij aan het duiden
van het beeld en maakt de communicatie over het beeld tussen het landelijke en regionale niveau
makkelijker.
Het proces resourcemanagement vraagt om een duidelijk opdracht met randvoorwaarden om richting
te geven aan de uitvoering van het proces. De operationele leiding voorziet hier in eerste instantie in,
wel kan de doelstelling per fase inde bestrijding veranderen, wat gevolgen heeft voor de onderliggende
processen. Het ontbreken van een beeld gebaseerd op beschikbare informatie draagt niet bij aan een
goede analyse ten behoeve van het resourcemanagement proces. Onbekendheid met de
bestrijdingsorganisatie heeft invloed op het onderkennen van behoefte aan capaciteiten en
ondersteuning.
INVENTARISEREN
Het ontbreken van een goed inzicht in het aantal ingezette eenheden en de locatie van deze eenheden
belemmert een goede inventarisatie voor het bepalen van de benodigde behoefte aan bijstand en
ondersteuning. Dit is mogelijk mede de oorzaak dat er tijdens de eerste uren van inzet te weinig drinken
is. De logistiek komt te laat op gang en er wordt niet zorg gedragen voor beschermende maatregelen
voor andere hulpverleners dan brandweer. Eenheden worden te lang ingezet zonder aflossing, terwijl
Defensie wel rekening heeft gehouden met de zware omstandigheden waaronder het personeel werd
ingezet. Defensie heeft daarop ingespeeld door voldoende eten en drinken te regelen en te werken met
aangepaste roosters voor de inzet.
34
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Op regionaal niveau is gekeken naar uitrusting, ervaring en ligging van de regio’s die om bijstand werden
gevraagd. Op landelijk niveau werden bijstandseenheden geregeld die niet over de juiste uitrusting
beschikte. Het vragen naar effecten geeft een beter inzicht wat voor capaciteiten de regio nodig heeft
en voorkomt het regelen van capaciteiten die niet voldoen aan de omstandigheden waarin ze moeten
worden ingezet.
Informatie over de mogelijkheden en beperkingen van specifieke bijstandseenheden wordt niet tijdig
bekend gesteld. Een voorbeeld hiervan is de inzet van specifieke middelen als blusheli’s. Verschillende
verwachtingen over de inzetmogelijkheden hebben invloed op de inzetstrategie.
ORGANISEREN EN COÖRDINEREN
De noodzaak om de juiste procedures voor het aanvragen van bijstand te volgen, wordt in het begin van
het incident merkbaar. Het landelijke niveau heeft geen inzicht in aangevraagde bijstand en daarmee in
de overige beschikbare capaciteiten. Daarnaast leidt dit tot ergernis in de samenwerking omdat het
LOCC andere regio’s wil benaderen dan de VRZOB. In het verloop van het incident wordt wel de juiste
procedure doorlopen en ook de inspectie geeft hier aan dat dit bijdraagt aan een betere samenwerking
en bestrijding van het incident. Opvallend is dat voor de aanvraag van bijstand bij defensie dit vanaf het
begin van het incident wel goed verloopt.
De bevoorrading van brandstof met eigen capaciteiten was niet meer haalbaar, het inzetten van
bijstand van een brandstofdistributiemodule van Defensie en de externe bevoorrading is een goede
oplossing van een knelpunt gebleken. Daartegenover stond dat advies van gespecialiseerd personeel
werd genegeerd door het landelijk niveau en dit leidde tot het aanvragen van andere capaciteiten uit
andere regio’s.
De voorwaarden voor het inzetten van de blusheli werden door de regio niet meteen geregeld nadat de
aanvraag voor bijstand was ingediend. Het landelijk niveau heeft hierover ook geen informatie verstrekt
of geregeld dat de benodigde kennis op tijd bij de regio beschikbaar was. Verder worden er geen
afspraken gemaakt tussen het landelijke en regionale niveau over de opvang en ondersteuning van
bijstandseenheden. Bijstandseenheden uit Limburg-Noord die door de regio zelf zijn aangevraagd
kregen een uitgangsstelling toegewezen, bijstandseenheden die door het LOCC werden geregeld kregen
geen uitgangsstelling toegewezen, dit moest later rechtgetrokken worden. Ook het tijdstip van de
aflossing leidt ertoe dat eenheden in bluspak moeten overnachten bij de inzetvoertuigen. Defensie
daarentegen laat het personeel ter ondersteuning van deze bijstandseenheden wel de volgende morgen
ter plaatse komen.
Er is onduidelijkheid over de opdracht van de bijstandseenheden. Vooraf overleg is niet mogelijk omdat
de commandant van deze eenheid tevens verplaatsingsleider is. Dit knelpunt probeert men op te lossen
door contact via C200019, hetgeen mislukt door het ontbreken van de juiste gespreksgroep. Voor de
19
C2000 = multidisciplinair verbindingssysteem voor hulpverleningsdiensten en politie
35
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
blusheli zijn bepaalde randvoorwaarden van toepassing, zoals een waterinnamepunt, vertreklocatie etc.
Deze randvoorwaarden zijn laat onderkend door VRZOB. Het landelijke niveau had een bijdrage kunnen
leveren door de regio hierop attent te maken. Dit geldt ook voor het ontbereken van informatie over
uitgangsstelling/opvanglocaties voor bijstandeenheden en voor de benodigde inzetinformatie ten
behoeve van bijstandseenheden.
Ook het regievoeren op aflossing van bijstandseenheden kan ondersteund worden om te voorkomen
dat eenheden ’s nachts op de uitgangsstelling moeten overnachten terwijl ze pas ’s ochtends worden
ingezet. Eenheden die de nacht doorbrengen bij hun inzetvoertuigen zijn verminderd inzetbaar en
vormen daarmee een veiligheidsissue. De regio ziet de noodzaak van de regierol van het LOCC niet.
Achteraf accorderen van aangevraagde bijstand is wat de regio betreft voldoende. Echter advies vanuit
het landelijke niveau had bovengenoemde knelpunten kunnen voorkomen.
MONITOREN EN BEWAKEN
Hierover is in het rapport niets teruggevonden.
SAMENVATTEND
Vanuit het proces resourcemanagement zijn de problemen in de beeldvorming mede bepalend voor de
kwaliteit van de analyse en de inventarisatie. Een duidelijke opdracht met prioriteiten geeft richting aan
de onderliggende processen en draagt bij aan een gerichte inzet. Dit geldt ook voor het scenariodenken.
Geconstateerd is dat de inventarisatie minder goed verloopt door het gebrek aan overzicht van
ingezette eenheden. De focus ligt op de bestrijding van het incident en de restdekking en niet op de
continuïteit van de ingezette eenheden. Langdurige inzet, gebrek aan eten en drinken en het laten
overnachten op de uitgangsstelling getuigen niet van een doordacht plan voor ondersteuning.
De ondersteuning vanuit het landelijke niveau toont aan dat er geen goed overzicht is van landelijke
capaciteiten voor natuurbrandbestrijding en dat men teveel reactief optreedt, dit terwijl VRZOB wel in
staat was in de bijstandsaanvragen rekening te houden met beschikbare capaciteiten en ligging van de
regio’s. Zeker bij grote aantallen bijstand kan het landelijke niveau een meer prominente
ondersteunende rol vervullen bij het faciliteren van de regio’s door informatie te verstrekken over
inzetmogelijkheden en randvoorwaarden en door regie te voeren op de verplaatsing, opvang en het
informeren van bijstandseenheden. Hiermee wordt de getroffen regio ontlast.
36
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
5.3 BRAND CHEMIE-PACK (2011)
Woensdag 5 januari 2011 brak rond half drie ’s middags
brand uit tijdens pompwerkzaamheden bij Chemie-Pack
in Moerdijk. De brand bij de pomp greep snel om zich
heen op het middenterrein, waar kunststofcontainers
smolten en de inhoud vlam vatte. Zo ontstond in zeer
korte tijd een brand die zich snel uitbreidde en oversloeg
naar de opslaghallen. De brand veroorzaakte een grote
rookpluim die over het Hollands Diep trok in de richting
van de Hoeksche Waard en Dordrecht. Op enkele
plaatsen in dat gebied werd de bevolking gewaarschuwd
en geadviseerd om binnen te blijven en ramen en deuren te sluiten. De brandweer besloot de brand
gecontroleerd uit te laten branden. Rond elf uur ’s avonds werd de brand met schuim geblust. Kort na
middernacht gaf de brandweer het sein ‘brand meester’.
Bij de brandbestrijding en crisisbeheersing was een groot aantal bestuurders en overheidsdiensten
betrokken. Dit kwam onder meer doordat het brongebied van het incident, het industrieterrein van de
gemeente Moerdijk, in de Veiligheidsregio Midden en West Brabant (VRMWB) ligt, terwijl het
voornaamste effectgebied van de brand, Dordrecht en de Hoekse Waard, tot de Veiligheidsregio ZuidHolland-Zuid (VRZHZ) behoort. Tevens waren diverse landelijke overheidsorganisaties bij de
crisisbeheersing betrokken. (Onderzoeksraad voor Veiligheid, 2011, p. 6)
BEELDVORMING EN ANALYSE
De VRMWB komt tijdens het incident onvoldoende tot een compleet en actueel beeld en is niet in staat
om dit te delen met de verschillende coördinerende teams en andere veiligheidsregio’s. Dit leidt tot
verschillende beelden bij de betrokken teams op operationeel en bestuurlijk niveau. De oorzaak ligt
mede in het feit dat leidinggevenden onvoldoende met elkaar communiceren, waardoor er geen
gedeeld beeld is van de gekozen aanpak en de wijze waarop deze moet worden uitgevoerd. Ook duurt
het lang voordat het ROT een beeld opstelt dat gedeeld kan worden met andere veiligheidsregio’s.
Het LOCC pakt haar rol voor het opstellen van het landelijk operationeel beeld voor het ondersteunen
van de betrokken veiligheidsregio’s en het nationaal niveau op, maar slaagt hier maar ten dele in. Dit
wordt geweten aan het onvermogen van de VRMWB om in de informatiebehoefte te voorzien. Dit zorgt
ervoor dat betrokken veiligheidsregio’s en nationale instanties als NCC en LOCC veelvuldig telefonisch
contact opnemen met functionarissen van VRMWB, grotendeels via informele kanalen. Het uitsturen
van liaisons door het LOCC en Rotterdam-Riinmond levert geen verbetering op. Het gevolg is een extra
belasting van de VRMWB en dit draagt niet bij aan een effectieve bestrijding van het incident. Het door
het LOCC opgestelde landelijke beeld heeft nauwelijks toegevoegde waarde voor de betrokken regio’s.
37
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
De besluitvorming rondom de schuimblussing gebeurd na analyse van de eerdere bestrijdingsmethode.
Meteen wordt opgemerkt dat hiervoor afstemming moet plaatsvinden met VRZHZ en andere betrokken
partijen.
Ondanks berichten over besmetting met chemicaliën van het brongebied en het bluswater, is er geen
plan voor ontsmetting en ontbreekt het aan leiding en coördinatie op dit gebied. Het gevolg is dat
verschillende eenheden met verontreinigde voertuigen en uitrusting naar de kazerne zijn teruggekeerd.
Het landelijke niveau heeft hierop niet geadviseerd, ondanks beschikbare expertise vanuit defensie en
de Gezamenlijke Brandweer.
INVENTARISEREN
Mogelijk doordat er geen goed beeld was van het incident, is er geen inventarisatie gehouden van
capaciteiten die nodig waren om het incident te bestrijden. Er is noch op regionaal niveau noch op
landelijk niveau gekeken naar landelijke capaciteiten voor het bestrijden van het incident en het
voorkomen van uitbreiding van de besmetting. Rotterdam-Riinmond is bij uitstek een regio met veel
kennis over chemische branden en uitgerust met specialistisch materiaal. Het aanbod om NBC 20capaciteit in te zetten van Defensie of de inzet van de steunpuntregio’s is wel opgemerkt maar niet
geaccepteerd. Het landelijke niveau heeft niet geadviseerd over dergelijke middelen en heeft ook geen
specialistische kennis opgevraagd over het bestrijden van een dergelijk incident. Een gericht advies had
de bronregio kunnen ondersteunen. Eventueel had het landelijke niveau kunnen besluiten om een
aanwijzing te geven.
ORGANISEREN EN COÖRDINEREN
De VRMWB heeft gedurende het incident zelf alle bijstand aangevraagd. De rol van het LOCC was deze
aanvragen achteraf accorderen. Ook bijstand vanuit Defensie is door VRMWB zelf aangevraagd, ondanks
de landelijke afspraken.
Van het ondersteunen van de bron- en effectregio’s vanuit het landelijke niveau is eveneens weinig
sprake geweest. Het NCC heeft ondersteund bij de crisiscommunicatie door het openstellen van
websites en heeft zich verder gericht op het verzamelen van informatie voor het landelijke bestuurlijke
niveau. Geen van de betrokken veiligheidsregio’s had controle over het verzamelen van meetgegevens
of over de rapportage door het BOT-mi21. Dit terwijl diverse landelijke en specialistische instanties
metingen hebben gedaan. Hier had het landelijke niveau de informatie kunnen en wellicht wel moeten
coördineren ter ondersteuning van het regionale niveau.
20
21
NBC = Nucleair Bacteriologisch en Chemisch
BOT-mi = Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten
38
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
MONITOREN EN BEWAKEN
Ten aanzien van monitoren en bewaken is geen informatie gevonden in de bronnen.
SAMENVATTEND
Hoewel de bestrijding van het incident in Moerdijk primair een verantwoordelijkheid van de betrokken
veiligheidsregio’s was, kan geconstateerd worden dat het landelijke niveau onvoldoende ondersteuning
bood ten aanzien van het coördineren van landelijk opererende diensten of het bestrijden van het
incident.
De beeldvorming vanuit VRMWB was onvoldoende en de behoefte aan informatie leidde ertoe dat alle
betrokken regio’s en het landelijke niveau op eigen houtje contact gingen zoeken met VRMWB. Ook het
sturen van liaisons heeft niet bijgedragen aan een betere beeldvorming van het landelijke niveau.
Verder heeft het landelijke niveau zich meer gefocust op het informeren van de landelijke bestuurders
dan op het ondersteunen van de betrokken regio’s.
De kerntaak van het LOCC bestaat uit de regievoering op de interregionale en internationale bijstand- of
steunverlening. Het LOCC stelt hiervoor onder andere een totaaloverzicht op van de beschikbare
capaciteit voor de hulpdiensten (mensen, middelen en expertise). Tevens draagt het LOCC tijdens een
grootschalig incident of crisis zorg voor de landelijke operationele informatievoorziening. (Rapport
Brand Chemie-Pack, 2011, p. 114) Uit het rapport komt naar voren dat het LOCC haar taak niet heeft
uitgevoerd: omdat de regio zelf alle bijstand regelde is er geen sprake van regievoering. Ook een
overzicht van beschikbare capaciteiten bleef uit.
5.4 OVEREENKOMSTEN
In deze paragraaf vergelijk ik de conclusies uit de drie analyses om zodoende conclusies te kunnen
trekken over de meerwaarde van een landelijk resourceproces.
BEELDVORMING EN ANALYSE
Voor het landelijke operationele beeld is een goede informatievoorziening vanuit het regionale niveau
noodzakelijk. Niet alleen een gedeeld en actueel beeld maar ook overeenstemming over de duiding van
bepaalde elementen van het totaalbeeld zijn hierin belangrijk. Dit vormt de basis voor het nationale
niveau maar meer nog naar de betrokken regio’s die in het effectgebied liggen. Dit landelijke
operationele beeld moet daartoe beantwoorden aan de informatiebehoeftes van de regio’s en het
landelijke bestuurlijke niveau. Hier komt de onderlinge samenhang tussen de processen informatie- en
resourcemanagement naar voren.
Het proces sturen (leiding en coördinatie) moet voorzien in een goede opdracht met duidelijke
doelstellingen en randvoorwaarden voor het bepalen van de richting van de onderliggende processen.
Alleen bij de brand op de Strabrechtse heide is dit gebeurd. In alle drie de cases waren er problemen
met de beeldvorming, maar was de informatie wel voorhanden. De overvloed aan meldingen op de
39
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
meldkamer, bilaterale overlegstructuren en het niet goed gebruiken van het netcentrische systeem,
hinderden het goed opzetten van een actueel beeld dat op alle niveaus kon worden gedeeld. Hierdoor
kon het landelijke niveau niet bijdragen in een landelijk operationeel beeld ten behoeve van de overige
betrokken regio’s. Dit bemoeilijkte tevens het informeren van het nationale bestuurlijke niveau en het
ondersteunen van de bijstand leverende instanties.
Het ontbreken van een actueel en gedeeld beeld op basis van de beschikbare informatie beïnvloedde de
analyse op zowel het regionale als het nationale niveau. Het landelijke niveau heeft in twee van de drie
onderzochte cases een reactieve houding, denkt niet mee en er is geen sprake van ondersteuning van
het regionale niveau met kennis uit eerdere gelijksoortige incidenten en omstandigheden. Alleen bij de
Poldercrash was sprake van proactief handelen door de LMAZ, dit werd door Kennermerland echter
ervaren als storend omdat er geen aanspreekpunt was op regionaal niveau voor het organiseren en
coördineren van bijstand.
Binnen het proces moeten stappen worden ontwikkeld die bij ontbreken van informatie automatisch
leiden tot het vragen om de ontbrekende informatie. Dit zijn triggers om richting te geven aan het
proces informatiemanagement om de ontbrekende informatie te achterhalen voor zover deze
beschikbaar is en aan leiding en coördinatie om deze informatie daar waar nodig te duiden. Netcentrisch
werken is daarbij een voorwaarde om de informatie snel te delen en op de juiste plaats in de
bestrijdingsorganisatie neer te leggen.
Ook is er behoefte aan analysetools voor het stapsgewijs in kaart brengen van de actoren en factoren
van invloed en voor het het maken van prognoses ter ondersteuning van het scenariodenken. Het delen
van het actuele beeld, biedt ruimte om op beide niveaus, landelijk en regionaal een analyse te maken op
basis van dezelfde beschikbare informatie. Voor de regio ligt de nadruk op het ondersteunen van de
operationele processen en de inzet van capaciteiten. Voor het landelijk niveau ligt de nadruk op het
zoeken naar specialistische kennis en alternatieve capaciteiten. Planvorming in de preparatieve fase op
basis van risicoanalyses is hierbij een hulpmiddel.
INVENTARISEREN
Om het regionale niveau te kunnen ondersteunen op het gebied van beschikbare capaciteiten en
alternatieven is een goede inventarisatie nodig van de behoefte aan capaciteiten op basis van de
plannen en de werkelijke situatie. Er moet inzicht zijn in de al ingezette capaciteiten om te kunnen
onderkennen waar de gaten in de behoefte zitten. In de cases was het regionale niveau niet in staat een
overzicht te produceren van de ingezette eenheden en de beschikbare capaciteiten en ondersteuning.
Het landelijke niveau had geen inzicht in beschikbare capaciteiten en in alternatieven op landelijk
niveau. Het gevolg hiervan was een reactieve houding, terwijl het nationale niveau juist een waardevolle
bijdrage had kunnen leveren door te adviseren over capaciteiten, de inzetvoorwaarden, ondersteuning
en alternatieven.
40
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
ORGANISEREN EN COORDINEREN
Op basis van het beeld, de analyse en de inventarisatie kan het landelijk niveau adviseren over
beschikbare capaciteiten, ondersteuning en alternatieven. Na overeenstemming met de regio’s wordt
de benodigde bijstand geregeld binnen de juiste tijd en geleverd op de afgesproken locatie. Hier ligt een
regiefunctie voor het landelijke niveau en de mogelijkheid de regio’s te faciliteren.
Het organiseren van de gevraagde bijstand loopt in alle drie de cases redelijk goed. Wat opvalt, is dat de
regio’s dit in eerste aanleg zelf doen en het LOCC achteraf de aanvragen accordeert. Bij de Poldercrash
was de LMAZ ondersteunend bij het organiseren van ambulances, maar dit leidde tot een extra
belasting van de meldkamer Kennermerland. Bij de brand bij Chemie-Pack regelde de regio alle bijstand
zelf. Alleen bij de brand op de Strabrechtse heide was sprake van samenwerking tussen het landelijke en
regionale niveau voor het organiseren en coördineren van de bijstand. Deze kwam echter pas
gedurende het incident op gang en leidde in de eerste fase tot ergernis doordat de VRZOB in eerste
instantie buiten het LOCC om de bijstand regelde.
MONITOREN EN BEWAKEN
Over het monitoren van de voortgang van de levering van bijstand en het constateren en doorgeven van
afwijkingen, is in de rapporten over de drie cases geen informatie gevonden.
41
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
6.1 INLEIDING
Het doel van dit onderzoek is het onderzoeken van de meerwaarde van een landelijk proces
resourcemanagement, ter ondersteuning van de veiligheidsregio’s. Hierbij staat de vraag centraal: Hoe
kan resourcemanagement landelijk procesmatig ingericht worden, met als doel de effectiviteit en
efficiency te verhogen van de inzet van mensen, middelen en kennis?
Hiervoor heb ik allereerst beschreven wat resourcemanagement binnen de rampenbestrijding en
crisisbeheersing is en welke randvoorwaarden moeten worden ingevuld. Vervolgens ben ik ingegaan op
het wettelijke kader en de omgeving waarin resourcemanagement moet worden vormgegeven en ben ik
ingegaan op de laatste ontwikkelingen. In het vorige hoofdstuk heb ik drie cases onderzocht op de
meerwaarde van een landelijk resourceproces en de samenwerking tussen het landelijke en regionale
niveau. Dit laatste hoofdstuk gaat over de beantwoording van de centrale vraag aan de hand van de
deelvragen en ik sluit af met aanbevelingen.
6.2 CONCLUSIES
Op basis van literatuuronderzoek en de analyse van de drie cases kom ik tot de conclusie dat de
hypothese zoals geformuleerd in de inleiding wordt bevestigd.
Zoals ik heb geconstateerd in de analyse van de drie cases met behulp van de PMI-methode van De
Bono, blijkt dat een resourcemanagement proces op landelijk niveau een meerwaarde heeft in de
bestrijding van rampen en crisis. Uit de analyse blijkt dat de veiligheidsregio’s gebaad zijn bij
ondersteuning vanuit het nationale niveau. Het betreft hier het uit handen nemen van de organisatie en
coördinatie van resources. Daarnaast blijkt uit de analyses dat het wenselijk is dat er op landelijk niveau
expertise aanwezig is die wordt aangewend om de regio’s te ondersteunen bij het maken van keuzes ten
aanzien van de inzet van middelen. De hypothese was dat landelijke ondersteuning van de
veiligheidsregio’s met bestuurlijk advies niet voldoende is om de effectiviteit en efficiency van de
rampenbestrijding en crisisbeheersing te verhogen. In mijn onderzoek wordt bevestigd dat het concreet
ondersteunen van de regio’s leidt tot een effectievere aanpak van een ramp of crisis.
Hoewel de bestrijding van rampen en crisis primair een verantwoordelijkheid is van de betrokken
veiligheidsregio’s, is de rol van het landelijke niveau niet beperkt tot alleen adviseren. Dit wordt ook
bevestigd door het rapport ‘Eenheid in Verscheidenheid’, de uitwerking van het advies van de
Bestuurlijke Werkgroep Bovenregionale Samenwerking. De implementatievoorstellen hebben
betrekking op leiding en coördinatie en dan met name, welk niveau - regionaal of landelijk - heeft op
welk moment de verantwoordelijkheid bij bovenregionale incidenten? Dit geeft helderheid over
wanneer de Rijksoverheid richting geeft of zelf stuurt. Een ander voorstel is het vormgeven van het NCC
als Rijksloket op het gebied van crisisbeheersing en crisiscommunicatie voor de veiligheidsregio’s en
eenduidigheid in crisiscommunicatie. En ten slotte het vereenvoudigen van de landelijke
42
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
kennisinfrastructuur voor veiligheidsregio’s, onder andere door het instellen van een vraagregisseur.
(Rapport Eenheid in verscheidenheid, p. 5)
Het gat tussen de inzet van regionale en landelijke capaciteiten wordt niet volledig gevuld met de
implementatievoorstellen vanuit het rapport ‘Eenheid in verscheidenheid’ als niet ingegaan wordt op de
vraag hoe het landelijke niveau kan faciliteren. Uit de rapporten komt naar voren dat de faciliterende rol
van de Rijksoverheid ook moet worden beschreven. De vraag daarbij is hoe het landelijke niveau kan
ondersteunen, gericht op de operationele processen.
Leiding en coördinatie, informatiemanagement en resourcemanagement zijn drie processen die
onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Leiding en coördinatie is nodig om richting te geven aan het
bestrijden van het incident, maar de besluitvorming hierover vraagt om een goed en actueel beeld van
de situatie rondom het incident. Een inventarisatie van de ingezette en de beschikbare capaciteiten en
de mogelijke inzetduur is hiervoor onontbeerlijk. Om het landelijke niveau haar rol te kunnen laten
vervullen is het noodzakelijk dat de uitkomst van de besluitvorming maar ook het actuele beeld gedeeld
worden. Rolvastheid is hierbij van belang, het niveau dat de operationele leiding draagt, is
verantwoordelijk. Met de nieuwe GRIP-regeling is voorzien in het vastleggen van twee nieuwe niveaus
voor bovenregionale leiding en coördinatie, maar dit staat los van de ondersteuning. Door de invoering
van LCMS22 is voorzien in een landelijk systeem voor informatie-uitwisseling en het LOCC is belast met
het opstellen van een landelijk operationeel beeld ten behoeve van de ondersteuning van de
veiligheidsregio’s en het landelijke niveau. Nu is het zaak een landelijk proces resourcemanagement in
te voeren dat aansluit op het regionale proces om zo een naadloze aansluiting tussen regionaal en
landelijk niveau te waarborgen om zodoende de effectiviteit en de efficiëntie van de bestrijding van de
ramp of crisis te bevorderen.
Hoe kan een landelijk proces resourcemanagement bestuurlijk georganiseerd worden, waarbij het Rijk
faciliteert binnen de wettelijke kaders?
Vanuit de onderzochte cases komt naar voren dat het landelijke niveau meer gericht is op het
informeren van het landelijke bestuurlijke niveau. Een goede samenwerking tussen het landelijke en
regionale niveau vraagt om een actueel gedeeld beeld. Het LOCC heeft tot taak een landelijk
operationeel beeld samen te stellen. Dit landelijke operationele beeld is gericht op het bestuurlijke
niveau, maar vooral op de operationele processen, ter ondersteuning van alle betrokken regio’s en
partijen. De voorwaarde van netcentrisch werken is technisch ingevuld, de werkwijzen zijn echter nog
niet voldoende afgestemd.
Eén Rijksloket voor crisisbeheersing en het instellen van een vraagregisseur op regionaal niveau is een
goed voorstel, echter regionaal en nationaal niveau moeten dan wel dezelfde taal spreken en dezelfde
processen hanteren. Zoals in het rapport ‘Eenheid in verscheidenheid’ wordt benoemd, is eenheid van
doctrine een voorwaarde. Vanuit de cases komt naar voren dat afgeweken wordt van afgesproken
procedures en dat regio’s zelf de bijstand regelen en het LOCC achteraf accordeert. Afspraken over
22
LCMS = Landelijk Crisismanagement Systeem
43
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
samenwerking bestaan niet en als ze bestaan, zijn ze niet bekend. Als het landelijke niveau geen
meerwaarde biedt voor de regio’s zal geen gebruik worden gemaakt van de faciliterende rol van de
Rijksoverheid. Duidelijkheid over taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen de
samenwerking op het gebied van resourcemanagement zullen dan ook eenduidig en concreet moeten
worden beschreven.
Het landelijke niveau moet een proactieve houding aannemen voor het adviseren en ondersteunen van
de regio’s zonder over de grenzen van de verantwoordelijkheid voor de operationele leiding te gaan.
Het gaat niet om overnemen maar om ondersteunen. Het landelijke niveau kan een meerwaarde bieden
door een beter inzicht in capaciteiten en door te adviseren op basis van lessons learned over
inzetmogelijkheden en bestrijdingmethoden. Hiervoor moet inzicht komen in de beschikbare
capaciteiten bij de Rijksoverheid, regionale overheden en partners en moeten afspraken worden
gemaakt voor het beschikbaars stellen van deze capaciteiten. Dit levert een landelijk capaciteitenmatrix
op.
Tenslotte moet er ruimte worden geboden voor het inrichten van een organisatie die de
capaciteitenmatrix en benodigde ICT-ondersteuning gaat beheren en de lessons learned optekent.
Hoe kan de ondersteuning en coördinatie op landelijk niveau ingericht worden?
De samenwerking van het nationale en regionale niveau binnen het proces resourcemanagement, is een
systematische serie van activiteiten (stappen) die tot het effectief en efficiënt ondersteunen van de
operationele processen moet leiden. Zoals in de omschrijving van de FEMA is benoemd, kent het proces
resourcemanagement een preparatieve en een repressieve fase. In de preparatieve fase moet op basis
van risicoprofielen en crisisplannen een indeling worden gemaakt naar capaciteiten per risicogebied,
vastgesteld worden wie deze capaciteiten kan leveren en contactinformatie worden geregistreerd. Dit is
een continu proces en levert de capaciteitenmatrix op. Uit de cases komt naar voren dat er geen
overzicht is van beschikbare capaciteiten, het landelijke niveau reageert op aanvragen maar heeft geen
beeld van alternatieve capaciteiten.
In de repressieve fase ligt de nadruk op ondersteuning van de operationele processen teneinde het
incident zo effectief en efficiënt mogelijk te bestrijden. Vanuit de onderzochte cases komt echter naar
voren dat het landelijke niveau een afwachtende houding aanneemt en de regio’s zelf bijstand laten
regelen ondanks bestaande procedures. Op grond van het gedeelde beeld en de risico-inventarisatie uit
de preparatieve fase kan het landelijke niveau een eigen analyse uitvoeren ter ondersteuning van de
regio’s en op grond van de beschikbare capaciteiten en lessons learned een advies geven aan de regio.
Door de reactieve houding van het landelijk e niveau is er in de cases geen sprake van advies.
In de huidige werkwijze vindt ondersteuning en coördinatie van interregionale bijstand plaats op basis
van de vraag, echter een benadering vanuit het vragen naar de gewenste effecten biedt meer
mogelijkheden om te kijken naar alternatieven. Ondersteuning en coördinatie moeten gericht zijn op
het weghalen van knelpunten bij de regio zodat deze zich kan richten op het bestrijden van het incident.
44
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Welke bijdragen dienen de verschillende betrokken partners te leveren?
Het gaat hierbij om de regierol, de adviesrol en coördinatie van interregionale bijstand. Op grond van de
taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden moeten afspraken worden gemaakt over de
samenwerking tussen het landelijke en regionale niveau. Onbekendheid met afspraken en afwijken van
afgesproken procedures leidt tot ergernis. Rolvastheid is hierbij belangrijk en in het proces moeten
duidelijk afspraken worden gemaakt over de operationele processen versus de te leveren ondersteuning
en coördinatie van interregionale bijstand.
Hoe moeten de capaciteiten van de verschillende partners worden gekoppeld?
Om een landelijke capaciteitenmatrix te kunnen opstellen, moet er inzicht zijn in de beschikbare
capaciteiten bij de partners. Op basis van gemaakte afspraken over het leveren van gegarandeerde en
niet-gegarandeerde capaciteiten moeten de betrokken instanties informatie aanleveren over
mogelijkheden van de capaciteiten, leveringsvoorwaarden als levertijd, inzetduur en logistieke
zelfstandigheid. En vooral belangrijk is een 24/7 contactmogelijkheid voor het oproepen van
beschikbare capaciteiten.
6.3 AANBEVELINGEN






Netcentrisch werken is een voorwaarde voor een goede informatievoorziening. Draag zorg voor
het inventariseren van de informatiebehoefte van de veiligheidsregio’s vanuit het landelijk
operationeel beeld en maak afspraken over de landelijke ondersteuning bij het opstellen van
een actueel en gedeeld beeld van het incident.
Eenduidige communicatielijnen zijn een voorwaarde om de druk op de meldkamer te
verminderen. Het instellen van een vraagregisseur op regionaal niveau vraagt om een
aanspreekpunt op landelijk niveau. Draag naast één loket voor crisisbeheersing, zorg voor een
ter zake kundig aanspreekpunt op het gebied van het proces resourcemanagement en
beschikbare capaciteiten.
Leg de afspraken over informatievoorziening en over taken, bevoegdheden en
verantwoordelijkheden van de functionarissen in het werkveld van resourcemanagement vast in
het Besluit Veiligheidsregio’s.
Koppeling van regionale en landelijke ondersteuning vraagt om eenduidige processen. Draag
zorg voor een landelijk proces resourcemanagement dat aansluit op het regionale proces.
Resourcemanagement vraagt om een inventarisatie van beschikbare capaciteiten gekoppeld aan
risico’s. Draag zorg voor het instellen van een landelijke capaciteitenmatrix.
Een capaciteitenmatrix vraagt inzicht in beschikbare capaciteiten van betrokken partijen. Draag
zorg voor een beheersorganisatie waarbij de overzichten van beschikbare capaciteiten van de
betrokken partijen worden gekoppeld. Maak daarin onderscheid tussen gegarandeerde en nietgegarandeerde capaciteiten om de bedrijfsvoering van de betrokken instanties niet te
verstoren.
45
11/11/2013

De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Inventariseer op landelijk niveau de lessons learned uit incidenten. Draag er zorg voor dat deze
ervaringen beschikbaar zijn voor de verschillende organisaties zodat er in oefeningen, trainingen
en de briefing ten tijde van het incident aandacht aan kan worden gegeven.
46
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
BIJLAGE A: LITERATUURLIJST EN GERAADPLEEGDE BRONNEN
Berg, A. van den, Pottjewijd, P., Workflow, Academic Service, Schoonhoven, 1999.
Bono, E. de, De Bono's Thinking Course, Revised edition, Barnes & Noble Books, New York (USA), 2005.
Boom, B. v., Atoomgevaar? Dan zeker B.B: Sdu, Den Haag, 2000.
Bovens, M.A.P.; 't Hart, P.; Van Twist, M.J.W., Openbaar bestuur: beleid, organisatie en politiek, Zevende druk,
Wolters Kluwer, Alphen aan den Rijn, 2007.
Brainich von Brainich Felth, E.T, Het systeem van crisisbeheersing, Boom Juridische uitgevers, Den Haag, 2004.
Bruijn, H. de, Heuvelhof, E. ten, Management in Netwerken, Lemma, Den Haag, 2007.
Bruijn, H. de, Heuvelhof, E. ten, Veld, R. In 't, Procesmanagement, SDU Uitgevers bv, Den Haag, 2008.
Dijkstra, J., Handboek Human Resources Management, Koninklijke Van Gorcum bv, Assen, 2008.
Dirkx, T.K., Heeswijk, M.H.J.M. van, Enterprise Resource Management, Kluwer bv, Alphen aan den Rijn, 1999.
Duin, M.J. van, Veerkrachtige crisisbeheersing: nuchter over het bijzondere, NIFV/Politieacamedie, Arnhem,
2011.
Djurrema, D. I., Een MCDM scriptie naar Network Enabeled Capabilities (NEC, Infopuntveiligheid, Apeldoorn, 2010.
Dutta, S., Manzoni, J.F., Process re-engineering,Orgnizational changeand performance improvement, Mcgraw Hill
Book Co Ltd, Columbus OH (USA), 1999.
Juran, J., Kwaliteitsmanagement, Kluwer b.v., Alphen aan den Rijn, 1997.
Lievens, F., Handboek Human Resource Management, Lannoo nv & Academic Services, Den Haag, 2007.
Maas, F. Verlengd lokaal bestuur, Universiteit van Utrecht, Utrecht, 2010.
Salas, E, Wilson, K.A., Edens, E., Crew resource Management, Ashgate Publishing Group, Burlington (USA), 2009.
Schrijvers, Mr. P.M.B., Smeets, Mr. H.C.M, Staats- en bestuursrecht,Wolters-Noordhof, Groningen, 2003.
Strikwerda, J., Van unitmanagementnaar multidimensionel organisatie,Van Gorcum, Den Haag, 2008.
Wildavsky, A. Searching for safety, Transaction books, New Brunswick, 1988.
Zuurmond, A., Kinkhorst, O., Stor, R., De Nederlandse Kruispuntbank bestaat al, Zenc, Den Haag, 2004
BRONNEN
Directoraat-generaal Politie i.o, Uitvoeringsprogramma, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Den Haag, 2011.
Landelijk Beraad Crisisbeheersing, Basisvereisten cirisesbeheersing; de decentrale norm benoemt, Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2006.
Leidraad Commandovoering, Opleidings- en Trainingscommando Operatiën, Amersfoort, 2009
Leidraad Operationele Materieellogistiek, Staf OTCO, Afdeling Doctrine, Amersfoort, 2006.
Projectteam Referentiekader Regionaal Crisisplan, Referentiekader Regionaal Crisisplan, Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2009.
Projectteam Strategische Reis Brandweer, De brandweer over morgen, Brandweer Nederland, Arnhem, 2012.
Radboud Universiteit Nijmegen, Hyperdynamische crisisbesluitvorming, KPLPLUSV, Arnhem, 2011.
Rijksoverheid, Brandweerwet 1985
Rijksoverheid, Gemeentewet, 1992
Rijksoverheid, Wet veiligheidsregio',s 2010
Rijksoverheid, Besluit Veiligheidsregio's, 2010
47
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Veiligheidsberaad, Handreiking Regionaal Risicoprofiel, Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Den Haag, 2009.
Werkplaats Resourcemanagement, Crisisplan Veiligheidsregio "X" 2011-2014, Deel II, Multidisciplinair
Resourcemanagement proces, Arnhem, 2013.
RAPPORTEN
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, Poldercrash 25 februari 2009, Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties, Den Haag, 2009
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, Brand Strabrechtese heide Deel 1: De hoofdstructuur
van de rampenbestrijding, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Den Haag, 2011
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, Brand Strabrechtse Heide Deel 2: De feitelijke bestrijding van de
natuurbrand, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Den Haag, 2011
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid, Brand Chemie-Pack Moerdijk, Ministerie van Veiligheid en Justitie, Den
Haag, 2011.
Onderzoeksraad voor Veiligheid, Brand bij Chemie-Pack te Moerdijk, Den Haag, 2011.
RMC Zuid, Initiële beschouwing militaire bijstand brand Strabrechtse Heide, Koninklijke Landmacht, Vught, 2012.
Veiligheidsberaad, Eenheid in verscheidenheid, Uitwerking Advies Bestuurlijke Werkgroep
Bovenregionale Samenwerking, Nationaal Coordinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, Ministerie van
Veiligheid en Justitie, Den Haag, 2013
INTERNET
Brandweer Nederland, Specialistisch optreden Brandweer Nederland. Opgehaald op 9 september 2013 van
http://www.brandweernederland.nl/wat_doen_we/thema-optimale/specialistisch/
Federal Emergency Management Agency, Resource Management. Opgehaald op 22 november 2012 van
http://www.fema.gov/resource-management
Ministerie van Defensie Brief Ministers over Defensie als structurele veiligheidspartner. Opgehaald 13 maart 2013
van http://www.parlement.com?9353000/1/j9vvhy5i95k8zxl/vi3apba1f1zu?layout=print
VERANTWOORDING FOTO’S EN FIGUREN
Foto voorblad poldercrash:http://vorige.nrc.nl/binnenland/crash/article2278781.ece
Foto voorblad natuurbrand: http://www.flitsnieuws.nl/fnfoto/Img_3832.jpg
Foto voorblad chemiepack: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/1824220/2011/
01/13/Opstelten-onderzoek-brand-Moerdijk-kost-tijd.dhtml
Foto p. 5 Bescherming Bevolking: http://www.geheugenvannederland.nl/?/nl/items/ANP01:14160164
Foto p. 6 Mevr. Dr. G. ter Horst: http://www.vrijspreker.nl/wp/2009/03/open-brief-aan-guusje-ter-horst-bzk/
Foto p. 6 Vuurwerkramp: http://zaplog.nl/zaplog/article/ex_verdachte_vuurwerkramp_enschede_overleden
Foto p. 7 Rapport Eenheid in Verscheidenheid: http://www.veiligleefbaar.nl/publicatie/eenheid-verscheidenheid
Foto p. 33 Poldercrash: http://nl.wikipedia.org/wiki/Turkish_Airlines-vlucht_1951
Foto p. 36 Brand Strabrechtse heide: http://www.brandweerepe.nl/Nieuwsberichten%202010.html
Foto p. 39 Brand Chemie-Pack: http://www.zeeburgnieuws.nl/nieuws/wm_moerdijkbrand.html
Figuur 1: Rapport proces Informatiemanagement Veiligheidsregio Flevoland
Figuur 2: Rapport proces Informatiemanagement Veiligheidsregio Flevoland
Figuur 3: http://www.Crisisplein.nl/netcentrisch-werken
48
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
BIJLAGE B: AFKORTINGENLIJST
BB
BVR
BOT-Mi
Bescherming Bevolking
Besluit Veiligheidregio’s
Beleidsondersteunend Team milieu-incidenten
COPI
CTPI
Commando Plaats Incident
Coördinatie Team Plaats Incident
FEMA
Federal Emergency Management Agency
GHOR
GRIP
Geneeskundig Hulp bij Ongevallen en Rampen
Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure
HRM
Human Resourcemanagement
IOOV
Inspectie Openbare Orde en Veiligheid
LBCB
LCMS
LFR
LMAZ
LOCC
Landelijk Beraad Crisisbeheersing
Landelijk Crisismanagementsysteem
Landelijke Faciliteit Rampenbestrijding
Landelijke Meldkamer Ambulancezorg
Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum
MMT
Mobiel Medisch Team
NBC
NCC
Nucleair Bacteriologisch en Chemisch
Nationaal Crisiscentrum
RBT
ROT
RRCP
RRRP
Regionaal Beleidsteam
Regionaal Operationeel Team
Referentiekader Regionaal Crisisplan
Referentiekader Regionaal Risicoprofiel
SOM
Specialistisch Optreden op Maat
VRMWB
VRRR
VRZHZ
VRZOB
Veiligheidsregio Midden en West Brabant
Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond
Veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid
Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost
49
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
BIJLAGE C: PMI-ANALYSE POLDERCRASH (2009)
Beoordeling samenwerking regionaal en landelijk niveau bij rampenbestrijding en crisisbeheersing
Activiteiten
Beeldvorming
+
-
i
Tijdens het incident richtten de centralisten van
de drie disciplines zich vooral op de eigen
discipline en zij misten een gemeenschappelijk
beeld van het incident. (Inspectie Openbare Orde
en Veiligheid, 2009, p. 12)
Geen gemeenschappelijk beeld op de meldkamer
leidt tot een mogelijk vertekend gedeeld en
minder actueel beeld.
De tijdens de Poldercrash gehanteerde
werkwijze, waarbij informatie in bilaterale
contacten wordt uitgewisseld, heeft onder
andere het risico van het onvolledig of vervormd
weergeven van beschikbare informatie in alle
schakels van de keten. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 13)
Bilaterale contacten voor het uitwisselen van
informatie heeft als risico het onvolledig en
vervormd doorgeven van beschikbare informatie
en leidt tot een vertekend gedeeld en minder
actueel beeld.
Binnen het CoPI is, vooral in het begin, weinig
informatie vastgelegd. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 58)
Niet vastleggen van informatie leidt tot een
onvolledig beeld op andere coördinatieniveaus.
De OL geeft aan dat de eerste vijf kwartier het OT
en BT elk drie keer bijeenkomen. Deze
overleggen staan voornamelijk in het teken van
beeldvorming. In het eerste overleg wordt
bijvoorbeeld gesproken over waar het vliegtuig
ligt en daarmee welk plan – het
Onduidelijkheid over de locatie van het vliegtuig
en de benodigde plannen, leiden tot een
onvolledig beeld van het incident, de actoren en
factoren van invloed.
50
Netcentrisch werken is een voorwaarde voor een
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Analyse
Inventarisatie
De LMAZ gebruikt het systeem Octopus om een
overzicht te krijgen van de aantallen vrije
ambulances en hun posities.
Crisisbestrijdingsplan Luchtvaartongevallen of het
Crisisbestrijdingsplan Schiphol – van toepassing
is. (Rapport Poldercrash, 2009, p. 60)
De Inspectie OOV maakt een aantal
kanttekeningen bij de informatie-uitwisseling
tussen de teams van de hoofdstructuur. De
Inspectie OOV verwacht dat de invoering van
‘netcentrisch werken’ binnen de regio ten goede
zal komen aan de kwaliteit van het integrale
informatiemanagement. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 14)
Het hoofd MICK geeft aan dat (…) centralisten
niet in GMS gelezen hebben wat de juiste locatie
is. Indien zij de precieze locatie in GMS zouden
hebben gelezen, zou niet het CBP-S maar het
CBP-Luchtvaartongevallen in werking zijn gesteld.
De verwarring over de exacte incidentlocatie – en
daarmee het juiste crisisplan – speelt ook in het
operationeel team en in het beleidsteam.
(Rapport Poldercrash, 2009, p. 44)
10.26 uur vraagt de meldkamer ambulancezorg
(MKA) Kennemerland aan de MKA AmsterdamAmstelland (MKA-AA) 55 ambulances aan
bijstand te regelen. (…) In het
Ambulancebijstandsplan (25 oktober 2007) van
de VRK staat dat de MKA-centralist bij grote
ongevallen en rampen het verzoek voor het
organiseren van bijstand voor SMH dient uit te
zetten bij de Landelijke Meldkamer
Ambulancezorg (LMAZ). (Rapport Poldercrash,
2009, p. 87)
goed functionerend proces
resourcemanagement.
De MKA-Kennemerland (MKA-KEN) maakt geen
gebruik van het systeem Octopus. Dit is een
Geen gebruik maken van Octopus leidt tot een
vertraging in de inventarisatie van beschikbare
51
Onduidelijkheid over de locatie van het vliegtuig
en welk plan van toepassing is, levert mogelijk
een verkeerd beeld op voor de analyse.
Er wordt geen gebruik gemaakt van de LMAZ. De
LMAZ kan een snelle inventarisatie maken van
beschikbare ambulances en inspelen op het
verzoek van de regio Kennemerland.
Onbekendheid met de procedures leidt tot een
vertraging in de aanvraag van capaciteiten.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
systeem dat een actueel en dynamisch overzicht
geeft van de beschikbare ambulancecapaciteit en
dat als hulpinstrument kan worden gebruikt om
grotere aantallen bijstandsambulances
automatisch te alarmeren. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 87)
ambulances en een vertraging in het alarmeren
van beschikbare ambulances.
Er wordt geen helikopterinzet aangevraagd door
de MKA-KEN, de alarmering van de (vier) heliteams (Mobiele Medische Teams in een
helikopter) komt bij toeval tot stand door een
naburige meldkamer. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 97/98) Het calamiteitenhospitaal in
Utrecht stelt achteraf dat opvang van alle T-2 en
T-3 slachtoffers mogelijk was geweest in Utrecht.
Alle patiënten zijn nu verspreid over meer dan
tien ziekenhuizen van Den Helder tot Utrecht.
(Rapport Poldercrash, 2009, p. 96)
Kennemerland en de LMAZ hebben geen
inventarisatie gedaan naar alternatieve
capaciteiten.
De GNK-combinaties worden door de MKA-KEN
gealarmeerd. Het gaat om twee GNK-C’s van de
VRK (Noord en Zuid), een GNK-C van regio NoordHolland Noord en een van regio Midden-Holland.
(Rapport Poldercrash, 2009, p. 88)
De LMAZ heeft snel overzicht van beschikbare
ambulances en goed gehandeld door terug te
koppelen met Kennemerland. Hierdoor waren
snel ambulances beschikbaar. Door het
terugkoppelen naar Kennemerland behield
Kennemerland de regie op de benodigde
capaciteiten.
Advies
Organiseren
Om 10.31 uur belt de MKA-AA de LMAZ met het
verzoek de gevraagde ambulancebijstand te
regelen. De LMAZ neemt vervolgens contact op
met de MKA-KEN. Deze vraagt aan de LMAZ om
naar beschikbare ambulances voor bijstand te
informeren, maar die nog niet te laten aanrijden.
De LMAZ maakt een regiotest in het systeem
Octopus aan, om een overzicht te krijgen van de
aantallen vrije ambulances en hun posities. De
LMAZ belt vervolgens met de MKA’s van de
regio’s Utrecht, Haaglanden en Hollands-Midden
voor een inventarisatie. Om 10.45 uur koppelt de
LMAZ terug met MKA-KEN voor het
Voor ander capaciteiten had Kennemerland ook
gebruik kunnen maken van de ondersteuning van
de LMAZ.
52
11/11/2013
Coördineren
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
daadwerkelijk sturen van ambulances. (Rapport
Poldercrash, 2009, p. 88)
De MKA vraagt tijdens het incident 64
ambulances aan. Volgens het hoofd MICK vraagt
de MKA hiervoor interregionale bijstand bij de
veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland. De
meldkamer Amsterdam-Amstelland belt
vervolgens met de Landelijke Meldkamer
Ambulancezorg (LMAZ) en legt het verzoek daar
neer. De LMAZ neemt vervolgens contact op met
de meldkamer Kennemerland om het verzoek te
verifiëren. (Rapport Poldercrash, 2009, p. 45)
Meerdere malen benadert de LMAZ de
meldkamer met voorstellen om zaken te regelen.
Deze proactieve houding is volgens het hoofd
MICK tegen de afspraken en geeft alleen extra
drukte op de meldkamer. De LMAZ dient volgens
het hoofd MICK alleen datgene te regelen wat
wordt gevraagd. (Rapport Poldercrash, 2009, p.
45)
Er wordt geen gebruik gemaakt van de
regelcapaciteit van de LMAZ.
Als knelpunt wordt in het eerste COPI-overleg
verder de aanwezigheid van
onderzoeksinstanties op het rampterrein
genoemd. Tijdens het tweede CoPI overleg blijkt
dat medewerkers van de Onderzoeksraad voor
Veiligheid (OvV) zichzelf toegang hebben
verschaft tot het rampterrein en zijn gestart met
onderzoeksactiviteiten. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 56) De Inspectie OOV vindt het
opmerkelijk dat het CoPI zich heeft moeten
bezighouden met onderzoekers die het
rampterrein wilden betreden. (Rapport
Poldercrash, 2009, p. 58) … de afspraken met
betrekking tot toegang van ‘derden’ op het
rampterrein dienen voor alle partijen helder te
zijn. Om de (coördinatie van de) hulpverlening
niet te hinderen, ligt het in de rede dat partijen
die toegang willen, zich altijd bij de
leidinggevende van het CoPI melden. Het zou
goed zijn als hierover landelijke afspraken
worden gemaakt. (Rapport Poldercrash, 2009, p.
59)
Onderzoeksinstanties zijn van Rijkswege
ingesteld. Het landelijke niveau kan deze
activiteiten coördineren om te voorkomen dat de
onderzoeksinstanties het bestrijden van het
incident verstoren.
53
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Het OT moet VIP-management organiseren. De
minister-president, de staatssecretaris van
Justitie en de ambassadeur van Turkije zullen het
rampterrein bezoeken. (Rapport Poldercrash,
2009, p. 60)
In reactie op het concept-rapport van de
Inspectie OOV geeft de gemeente
Haarlemmermeer aan dat het van belang is dat er
goede afspraken worden gemaakt met
consulaten over de rol die zij kunnen spelen bij
de identificatie van slachtoffers. (Rapport
Poldercrash, 2009, p. 115)
De LMAZ verwijst naar samenwerkingsafspraken
die in december 2007 zijn gemaakt tussen de
veiligheidsregio Kennemerland en de LMAZ over
de ondersteuning van de MKA bij opschaling.
Deze afspraken zijn volgens de LMAZ vastgelegd
in een convenant. (Rapport Poldercrash, 2009, p.
45) ‘De afspraken houden onder meer in, dat bij
een grootschalig ongeval in de regio
Kennemerland een verzoek voor
ambulancebijstand via de LMAZ wordt gedaan.
Daarnaast is de LMAZ op basis van deze
afspraken beschikbaar voor alle overige vormen
van ondersteuning van de meldkamer in een
situatie van grootschalige hulpverlening.’
(Rapport Poldercrash, 2009, p. 46)
Volgens het MICK heeft de LMAZ de regierol van
het MICK sterk ondermijn door aanbodgericht in
plaats van vraaggericht te werken.
54
Het OT werd belast met VIP-management
waardoor de operationel coördinatie werd
verstoord. Dit is geen proces in de bestrijding van
incidenten.
Er zijn geen afspraken gemaakt met consulaten
voor het ondersteunen bij de indentificatie van
slachtoffers.
Onbekendheid met afspraken tussen het
regionale en landelijke niveau leidde tot
verkeerde procedures. Hierdoor ontstaathet
risico dat er vertraging optreedt in de organisatie
en coördinatie van capaciteiten.
De regierol moet bij het niveau blijven waar de
operationele leiding ligt. Aanbodgericht werken
heeft als meerwaarde dat het landelijke niveau
een beter overzicht heeft over beschikbare
capaciteiten, alternatieven en lessons learned.
Door hierover te adviseren kunnen incidenten
effectiever en efficiënter worden bestreden en
de consequenties voor slachtoffers en omgeving
worden beperkt.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Monitoren
Bewaken
55
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
BIJLAGE D: PMI-ANALYSE STRABRECHTSE HEIDE (2010)
Beoordeling samenwerking regionaal en landelijk niveau bij rampenbestrijding en crisisbeheersing
Activiteiten
Beeldvorming
+
-
In dit eerste overleg houdt het OT zich
voornamelijk bezig met het verkrijgen van een
scherper beeld van de ernst van de situatie.
Daarbij staat vooral het bepalen van het bron- en
effectgebied centraal. De OL benoemt in dit
overleg drie prioriteiten. Een van de prioriteiten
betreft de brandbestrijding aan de overzijde van
de snelweg. Een tweede prioriteit betreft de
evacuatie en ontruiming van de woningen in het
effectgebied. Als derde prioriteit benoemt de OL
het afzetten en autovrij maken van de snelweg
A67. (Brand Strabrechtese heide 1, p. 67) In korte
tijd worden in het OT tal van zaken georganiseerd
en afgestemd, waarbij de OL op basis van te
voren benoemde prioriteiten duidelijke lijnen
uitzet. (Brand Strabrechtese heide 1, p. 69)
De ontwikkeling van de brand en daarmee de
behoefte aan opschaling ging op enig moment
heel snel. Dit leidde vooral bij de
brandweerdiscipline op de GMK tot grote drukte.
De dienstdoende CMO op de meldkamer heeft
verklaard dat er te veel meldingen
binnenkwamen om die goed te kunnen
verwerken. (Brand Strabrechtese heide 1, p. 55)
Er is sprake van een duidelijke opdracht met
prioriteiten.
Aantal meldingen kan niet worden afgehandeld
op de meldkamer. Niet alle beschikbare
informatie wordt verwerkt.
De beelden die tijdens het incident binnen het
CoPI, het OT, de GBT’s en het RBT tot stand
komen, bevatten een algemene beschrijving van
de aard van het incident en van de betrokken
objecten. Deze beelden beschrijven echter niet
de effecten van het incident en de risico’s voor de
veiligheid van de hulpverleners en de personen in
het getroffen gebied. Ook bestaat er op de eerste
dag van de brand – vrijdag 2 juli – lange tijd een
onduidelijk beeld over de actuele
bestrijdingsorganisatie. De beschikbare
informatie is niet tijdig en niet of onvoldoende
verwerkt in het (start)beeld van de meldkamer en
de beelden die binnen de verschillende teams tot
stand komen. (Brand Strabrechtese heide 1, p.
25)
Er is sprake van een algemene beschrijving van de
aard van het incident, maar niet over de effecten
en de risico’s. Verder is er onduidelijkheid over de
actuele bestrijdingorganisatie omdat de
informatie niet tijdig of onvoldoende is verwerkt.
Daarmee is er geen gedeeld beeld op de
verschillende niveaus.
56
i
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
De regie op de informatievoorziening ontbreekt
tijdens dit incident vrijwel volledig. Noch de
meldkamer, noch daarna het CoPI heeft deze rol
tijdens dit incident waargemaakt. Voordat het OT
en het CoPI met de uitvoering van hun taken
begonnen, vervult het CTPI (te) lang de rol van
‘informatiemakelaar’ naar de verschillende
organisatieonderdelen. (Brand Strabrechtese
heide 1, p. 25)
De regie over de informatievoorziening
ontbreekt, hiermee worden niet alle delen van de
bestrijdingsorganisatie voorzien van de juiste
informatie.
Het CTPI is niet aangesloten op het netcentrische
systeem Cedric en het regionaal beleidsteam
(RBT) en de gemeenten kunnen in deze
veiligheidsregio pas vanaf januari 2011 actief
gebruik maken van dit systeem. (Brand
Strabrechtese heide 1, p. 19)
Alle niveaus en betrokken partijen binnen de
bestrijdingsorganisatie moeten aangesloten zijn
op het netcentrische systeem voor een goede
informatievoorziening.
Het OT maakt actief gebruik van Cedric. Er doet
zich evenwel een aantal knelpunten voor bij het
gebruik van Cedric. Zo blijken nog niet alle
gebruikers even bedreven om alleen de relevante
gegevens in Cedric in te voeren, waardoor men
het systeem meer als logboek gebruikt.
Informatie wordt tussentijds niet geschoond.
Achterhaalde berichten worden niet verwijderd
en ingebrachte informatie van (onder meer) de
meldkamer en het CoPI worden niet altijd
verplaatst naar de juiste categorie. (Brand
Strabrechtese heide 1, p. 83)
Op grond van artikel 2.4.1, derde lid, van het
Besluit veiligheidsregio’s moet het totaalbeeld
langs geautomatiseerde weg zo spoedig mogelijk
en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is
Het niet opschonen van het netcentrische
systeem leidt tot een niet actueel beeld voor de
verschillende aangesloten gebruikers.
57
Er is sprake van verschillen in informatie en het
beeld van het incident tussen de verschillende
onderdelen van de bestrijdingsorganisatie. Dit
komt omdat informatie niet of niet volledig wordt
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
geverifieerd, beschikbaar worden gesteld aan de
onderdelen van de hoofdstructuur van de
rampenbestrijdingsorganisatie en eventueel aan
andere partijen die bij de ramp of crisis zijn
betrokken. In het vierde lid van artikel 2.4.2, stelt
dit vereiste ook ten aanzien van het beschikbaar
stellen van het eigen beeld van de onderdelen
van de hoofdstructuur. (…) Omdat men elkaar
niet altijd even goed op de hoogte houdt,
bijvoorbeeld via sitraps, over de gang van zaken
zijn niet alle onderdelen even goed op de hoogte
van de ontwikkelingen met betrekking tot het
incident. Dit geldt vooral voor de eerste uren van
het incident. Veel functionarissen verzamelen zelf
binnen en buiten hun eigen
organisatieonderdelen informatie om zich een
goed beeld te vormen als deze niet via de
meldkamer of het CoPI beschikbaar komt. (…)
Tegelijkertijd ziet de Inspectie hierin een
afbreukrisico omdat – zeker in de eerste uren –
niet iedereen bleek te beschikken over dezelfde
informatie. Daarnaast bestaat door de vele
bilaterale contacten kans op het onvolledig of
vervormd weergeven van de beschikbare
informatie in alle schakels van de keten. (Brand
Strabrechtese heide 1, p. 90/91)
Analyse
Men ontwikkelt binnen het RBT enkele scenario’s
om vlot in te spelen op mogelijke ontwikkelingen.
Zo wordt, in samenspraak met het OT, inzet
achter de hand gehouden voor het geval de
brand overslaat naar de noordzijde van de A67.
Dit heeft gevolgen voor de aflossing van enkele
pelotons, die hierdoor langer in het veld moeten
blijven. (Brand Strabrechtese heide 1, p. 76)
gedeeld, veel functionarissen informatie
verzamelen buiten de eigen organisatiedelen om.
Daarnaast is er kans op het onvolledig of
vervormd weergeven van de beschikbare
informatie in alle schakels van de keten, door de
vele bilaterale contacten.
Het ontwikkelen van scenario’s op basis van de
beschikbare informatie is belangrijk als onderdeel
van de analyse. Hiermee wordt een verloop van
het incident geschetst wat bijdraagt aan het
vaststellen van de behoefte aan capaciteiten en
ondersteuning.
58
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Het RBT heeft inzicht in de taken en
verantwoordelijkheden van de andere
onderdelen en maakt een duidelijk onderscheid
tussen operationele en beleidsmatige
beslispunten. Men zet op basis van
voorafgestelde prioriteiten heldere lijnen uit en
neemt duidelijke beslissingen. (Brand
Strabrechtese heide 1, p. 76)
Inventarisatie
Voor de inschakeling van pelotons en
compagnieën uit andere regio’s zijn volgens de
eerste CC bewuste keuzes gemaakt. Er is gekeken
naar de uitrusting (4x4 materieel), de ervaring
van regio’s met bosbranden en de ligging van de
regio’s. (Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011,
p. 50)
Vanaf zaterdag 3 juli hebben honderden
militairen bijstand verleend. Bij hun inzet is
rekening gehouden met de zware
omstandigheden waaronder zij het incident
moesten bestrijden, zoals hitte, droogte en stof.
Hun roosters zijn daarop aangepast en er is
voldoende eten en drinken beschikbaar. Er is ook
stilgestaan bij de persoonlijke
beschermingsmiddelen voor het militaire
personeel. Belangrijk om te constateren is dat er
Het inzicht hebben in de taken en
verantwoordelijkheden van de verschillende
onderdelen van de bestrijdingsorganisatie
beïnvloed de analyse positief en draagt bij aan
het verhogen van de flexibiliteit door centrale
planning en decentrale uitvoering. Dit komt ook
naar voren door het uitzetten van prioriteiten,
heldere lijnen en duidelijk en beslissingen.
Na verloop van tijd noteert een centralist van de
meldkamer op een whiteboard de restdekking
van de brandweervoertuigen. Dit inzicht is nodig
omdat er veel voertuigen worden ingezet bij de
Strabrechtse Heidebrand maar er ook voertuigen
beschikbaar moeten zijn voor de rest van de
regio. Het blijkt dat de meeste ingezette
voertuigen hun status niet plotten waardoor de
GMK lange tijd geen overzicht heeft van de
ingezette voertuigen en de plaats waar ze worden
ingezet. (Brand Strabrechtese heide 1, p. 79)
Diverse brandweerfunctionarissen regelen buiten
de meldkamer om aanvullend materieel. Het
betreffende bosbrandbestrijdingsplan bevat
convenanten met loonwerkers, maar daaraan is
bij de bestrijding van deze brand voorbij gegaan.
Sommige ingezette voertuigen blijken niet
geschikt voor de inzet op de Strabrechtse Heide.
(Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 19)
Tijdens de eerste uren van de inzet is er voor de
manschappen weinig drinken beschikbaar. De
logistiek voor de verzorging komt traag op gang.
De roosters van de ingezette militairen zijn wel
aangepast aan de zware omstandigheden en voor
59
Er is in het begin geen inzicht in het aantal
ingezette voertuigen en de restdekking en de
locatie van de ingezette voertuigen.
Dat er bij het aanvragen naar bijstand door de
regio is gekken naar uitrusting, ervaring en
ligging van de regio’s is een goed invulling van de
inventarisatie van beschikbare capaciteiten en
ondersteuning. Dit komt ondermeer door het niet
plotten van de locatie door de eenheden maar
ook omdat capaciteiten buiten de meldkamer om
worden geregeld.
Er is tijdens de eerste uren van inzet te weinig
drinken. De logistiek komt te laat op gang. Verder
wordt er niet zorg gedragen voor beschermende
maatregelen voor andere hulpverleners dan
brandweer en worden eenheden te lang ingezet.
Defensie heeft wel rekening gehouden met de
zware omstandigheden waaronder het personeel
werd ingezet en heeft daarop ingespeeld met
voldoende eten en drinken en aangepaste
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
zich bij hen geen persoonlijke ongelukken hebben
voorgedaan. (Brand Strabrechtse Heide Deel 2,
2011, p. 70)
hen is voldoende eten en drinken beschikbaar.
(Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 20)
Verschillende eenheden gaan tijdens dit incident
op uiteenlopende wijze om met de risico’s van
het inademen van rook en koolmonoxide. (…)
Volgens de Inspectie OOV is bij dit incident het
gevaar van rook en koolmonoxide onderschat. De
aflossing van diverse eenheden en
functionarissen laat (te) lang op zich wachten
waardoor een aantal hulpverleners te lang
aaneen is ingezet. Volgens de Inspectie moet de
aflossing beter worden geregeld en is er meer
aandacht nodig voor de veiligheid van het
personeel. (Brand Strabrechtse Heide Deel 2,
2011, p. 20) Ingezet personeel kan uit praktische
overwegingen en uit overwegingen ten aanzien
van eigen veiligheid (vermoeidheid) niet zo lang
worden ingezet, en zal dus moeten worden
afgelost. Daarvoor zijn ook eenheden nodig. Het
is niet strikt noodzakelijk dat de eenheden zelf
beschikken over geschikt materieel (bijvoorbeeld
4x4 aandrijving). Het is ook mogelijk dat zij de
voertuigen van de af te lossen eenheden
gebruiken. Dit is echter niet structureel gebeurd.
In een enkel geval is wel voor deze optie gekozen.
(Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 55)
‘Het LOCC zou net als Defensie moeten vragen
naar het gewenste effect van de
bijstandsaanvragen in plaats van eenheden uit
een lijst aanbieden. Deze vragen zijn opportuun
omdat het LOCC een peloton uit de regio Utrecht
heeft gestuurd, dat is teruggestuurd omdat het
geen vierwielaangedreven blusvoertuigen had’
60
roosters.
Het vragen naar effecten geeft een beter inzicht
wat voor capaciteiten de regio nodig heeft en
voorkomt het regelen van capaciteiten die niet
voldoen aan de omstandigheden waarin ze
moeten worden ingezet.
11/11/2013
Advies
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
(Brand Strabrechtese heide 1, p. 69) De
Veiligheidsregio Twente (VRT) verleent op zondag
4 juli vanaf 16.00 uur bijstand. Naast een peloton
met specifiek natuurbrandbestrijdingsmaterieel
levert deze regio ook nog twee watertankwagens
(elk met een tankinhoud van 15 m3) die ook
geschikt zijn om in moeilijk terrein te rijden (6x6
aandrijving). De door Twente geleverde
pelotoncommandant beschikt over specifieke
natuurbrandbestrijdingskennis en -ervaring. Op
het moment dat het peloton uit Twente arriveert,
is er in feite geen sprake meer van echte
brandbestrijding, meer van
nabluswerkzaamheden. (Brand Strabrechtse
Heide Deel 2, 2011, p. 53)
Uit de interviews komt naar voren dat de
eenheden in het veld een andere verwachting
hadden van de inzetbaarheid van de
blushelikopter. Zo bestond bij verschillende
(leidinggevende) functionarissen van de
brandweer onduidelijkheid over de inzetstrategie
van de blushelikopter. In het veld leefde het idee
dat de blushelikopter vooral inzet op de
bestrijding van het kroonvuur, terwijl de
blushelikopter feitelijk vooral inzet op de randen
van het inzetgebied. De Inspectie OOV is van
oordeel dat deze informatie duidelijker had
moeten worden gecommuniceerd, aangezien een
en ander gevolgen heeft voor de te bepalen
inzetstrategie voor de brandbestrijding vanaf de
grond. (Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p.
57)
61
Informatie over de mogelijkheden en
beperkingen van specifieke bijstandseenheden
worden niet tijdig bekend gesteld.
11/11/2013
Organiseren
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Het op de juiste wijze volgen van de procedure is
daarbij van belang gebleken. Mede daardoor
heeft ook het LOCC zijn rol kunnen uitoefenen.
(Brand Strabrechtse Heide Deel 2, 2011)
Door het snel toenemende aantal ingezette TS’n
kon het CTPI de bevoorrading van brandstof met
de eigen capaciteit niet meer waarborgen. Op
advies van de Officier Veiligheidsregio in het CTPI
werd een brandstofdistributiemodule (BDM) met
aftankmogelijkheid aangevraagd bij defensie. De
BDM werd extern bevoorraad aan de rand van
het inzetgebeid door een civiel bedrijf uit de
omgeving. (…) Voordeel was dat de ingezette
voertuigen slechts kort hun inzet moesten
onderbreken in plaats van het inzetgebied
verlaten, voor het innemen van brandstof. (RMC
Zuid, 2012, p. 9/14)
De Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost vraagt voor
de bestrijding van deze brand om ‘burenhulp’ van
een buurregio en doet daarnaast een groot
beroep op bijstand. In eerste instantie werkt de
regio niet conform de procedure voor
interregionale bijstand door zelf rechtstreeks bij
een regio om bijstand te vragen, buiten het
Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum
(LOCC) om. Daardoor ontstaat er tussen de regio
Brabant-Zuidoost en het LOCC een misverstand
over de regio die de bijstand verleent. (Brand
Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 18) Dit zorgt
(…) voor verwarring en ergernis omdat het LOCC
een andere regio wil regelen dan BrabantZuidoost zelf al had gedaan. De door de regio, in
het kader van civiel-militaire samenwerking,
aangevraagde bijstand van Defensie verloopt
direct via het LOCC. (Brand Strabrechtse Heide
Deel 2, 2011, p. 51)
De VNOG raakt bij de brand betrokken doordat zij
vrijdagmiddag twee functionarissen levert als
‘heliteam’ voor de inzet van de blushelikopter van
Defensie. Eén persoon neemt als adviseur plaats
in de helikopter en een hoofdofficier van de
brandweer van die regio neemt als adviseur
plaats in het CoPI. De adviseur (van de VNOG) in
de blusheli neemt op die vrijdagmiddag
verschillende ‘blinde vlekken’ waar: gebieden
waarin de brand zich voortplant maar waar geen
eenheden aanwezig zijn. Hij adviseert via zijn
VNOG-collega in het CoPI om te vragen om
bijstand van een
natuurbrandbestrijdingscompagnie, bijvoorbeeld
62
De noodzaak om de juiste procedures voor het
aanvragen van bijstand te volgen, zijn in het
begin van het incident merkbaar. Het landelijke
niveau heeft geen inzicht in aangevraagde
bijstand en daarmee de overige beschikbare
capaciteiten. Daarnaast leidt dit to ergernis in de
samenwerking omdat het LOCC andere regio’s wil
benaderen dan de VRZOB al heeft geregeld. In et
verloop van het incident werd de samenwerking
verbeterd en kon het LOCC haar rol oppakken
voor het regelen van bijstand.
De bevoorrading van brandstof met eigen
capaciteiten was niet meer haalbaar, het inzetten
van bijstand van een BDM van defensie en de
externe bevoorrading is een goede oplossing van
een knelpunt.
Advies van gespecialiseerd personeel werd
genegeerd door het landelijk niveau en leidde tot
het aanvragen van andere capaciteiten.
11/11/2013
Coördineren
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
een compagnie van de VNOG. Deze compagnie is
specifiek geschikt voor natuurbrandbestrijding
omdat zij onder meer bestaat uit
natuurbrandbestrijdingsvoertuigen en specifiek
geschoold personeel op het gebied van
natuurbrandbestrijding. Wanneer het CoPI dit
advies na enige tijd overneemt, doet men de
aanvraag voor bijstand via het LOCC. Het LOCC
besluit echter om niet de VNOG maar een
peloton van Twente te alarmeren. Op aandringen
van de adviseur van de VNOG wordt de volgende
dag, zaterdag 3 juli, alsnog een compagnie van de
VNOG opgeroepen. (Brand Strabrechtse Heide
Deel 2, 2011, p. 51/52)
Ongeveer een half uur nadat de eerste eenheid
bij de brand aankomt, verzoekt de officier van
dienst-brandweer (OvD-B) om de inzet van een
blushelikopter van het ministerie van Defensie.
Ongeveer drie uur later komt deze helikopter ter
plaatse. Het duurt daarna nog bijna een uur
voordat het commando plaats incident (CoPI) de
Zuid-Willemsvaart aanwijst als waterinnamepunt
voor de helikopter en het scheepvaartverkeer stil
laat leggen zodat de helikopter daar zijn waterzak
kan vullen met bluswater. Dit kost naar het
oordeel van de Inspectie te veel tijd. (Brand
Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 19)
De eerste regio die komt assisteren, is de
buurregio Limburg-Noord. (…) Omdat het hier
gaat om zogenoemde ‘burenhulp’ hoeft deze
aanvraag niet via het LOCC te lopen. Vanaf een
vooraf gedefinieerde uitgangsstelling vertrekt het
peloton onder politiebegeleiding naar de
63
De voorwaarden voor het inzetten van de
blusheli werden door de regio niet meteen
geregeld nadat de aanvraag voor bijstand was
ingediend. Het landelijk niveau heeft hierover
ook geen informatie verstrekt of geregeld dat de
kennis op tijd bij de regio beschikbaar was door
een advies van de specialisten of het specialisten
ter plaatse te laten aansluiten bij het overleg in
de regio.
Er worden geen afspraken gemaakt tussen het
landelijke en regionale niveau over de opvang en
ondersteuning van bijstandseenheden.
Bijstandseenheden uit Limburg-Noord die door
de regio zelf zijn aangevraagd krijgen een
uitgangsstelling toegewezen, bijstandseenheden
die door het LOCC zijn geregeld hebbe in eerste
aanleg geen uitgangsstelling toegewezen, dit
moet later rechtgetrokken worden. Ook het
tijdstip van de aflossing leidt ertoe dat eenheden
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Strabrechtse Heide. Voor de eerste
pelotoncommandant is lange tijd onduidelijk wat
exact wordt verwacht van het peloton.
Uiteindelijk geeft de CC1 laat op de avond (rond
23.00 uur) de opdracht om het reeds ingezette
peloton van Brabant-Zuidoost af te lossen. (Brand
Strabrechtse Heide Deel 2, 2011, p. 51) Een
andere veiligheidsregio die op zaterdag 3 juli
bijstand verleent, is Gelderland-Zuid. (…) Er blijkt
geen verzamelplaats/uitgangsstelling te zijn
voorbereid. In overleg met de Veiligheidsregio
Brabant-Zuidoost wordt een verzamelplaats
aangewezen op een terrein van Rijkswaterstaat.
Zaterdagmiddag rond 12.00 uur komt de
compagnie van Gelderland-Zuid aan bij het
inzetgebied. De compagniecommandant krijgt
hier een inzetgebied toegewezen met de
opdracht ‘verkennen en nieuwe brandhaarden
blussen’. Rond 19.30 uur worden nieuwe
manschappen in Gelderland-Zuid gealarmeerd ter
aflossing van de manschappen van de eerste
compagnie. Het materieel wordt niet gewisseld.
De manschappen komen met touringcars naar
het terrein van Rijkswaterstaat. Daar arriveren ze
rond 21.30 uur. Het wisselen van de eenheden
kost dan nog ongeveer twee en een half uur.
Rond middernacht uur zijn alle eenheden
gewisseld. Vanwege de ingevallen duisternis
worden de gewisselde eenheden echter niet
direct ingezet. De manschappen krijgen het
dringende advies om in bluspak in de buurt van
hun voertuigen zoveel mogelijk rust te nemen om
de volgende ochtend, zondag 3 juli, te kunnen
worden ingezet. Zondagochtend vindt rond 05.00
64
in bluspak moeten overnachten bij de
inzetvoertuigen op de uitgangsstelling. Defensie
daarentegen laat het personeel ter
ondersteuning van deze bijstandseenheden wel
de volgende morgen ter plaatse komen.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
uur het eerste overleg plaats over de tactiek die
moet worden ingezet zodra de zon opkomt. Rond
05.30 uur arriveren twee touringcars van
Defensie met militairen. Deze worden aan de
brandweereenheden van Gelderland-Zuid
gekoppeld om kleine overgebleven brandhaarden
op te sporen en te blussen. (Brand Strabrechtse
Heide Deel 2, 2011, p. 52)
De Veiligheidsregio Utrecht levert ook bijstand op
zondag 4 juli. (…) Bij de
natuurbrandbestrijdingscompagnie van Utrecht
fungeert de compagniecommandant tevens als
verplaatsingsleider. Hierdoor kan hij niet alvast
vooruit rijden om overleg te voeren over de
opdracht van de compagnie. Pogingen om
hierover te communiceren door middel van
C2000 slagen niet wegens het ontbreken van de
juiste C2000-gespreksgroep. (Brand Strabrechtse
Heide Deel 2, 2011, p. 53)
Er is onduidelijkheid over de opdracht van de
bijstandseenheden. Vooraf overleg is niet
mogelijk omdat de commandant van deze
eenheid tevens verplaatsingsleider is. Dit
knelpunt probeert men op te lossen door contact
via C2000, hetgeen mislukt door het ontbreken
van de juiste gespreksgroep.
Na opschaling naar GRIP-2 overlegt het OT met
het LOCC over (interregionale)
bijstandsaanvragen. Men organiseert de
bijstandsaanvragen informeel en koppelt daarna
terug aan het LOCC. De AC-B en de OL beschrijven
de noodzaak en nut van samenwerking met het
LOCC als volgt: ‘Het actiecentrum brandweer kon
bijstandsaanvragen prima regelen. Het wordt als
prettig ervaren dat het LOCC monitort en
assisteert maar de behoefte aan landelijke regie
wordt niet ervaren’ . (Brand Strabrechtese heide
1, p. 68)
De regio ziet de noodzaak van de regierol van het
LOCC niet, monitoren en assisteren voldoen.
65
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Monitoren
Bewaken
66
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
BIJLAGE E: PMI-ANALYSE CHEMIE-PACK (2011)
Beoordeling samenwerking regionaal en landelijk niveau bij rampenbestrijding en crisisbeheersing
Activiteiten
Beeldvorming
+
Op 5 januari rond 15.00 uur stelt het NCC de
piketmedewerker van het LOCC in kennis van de
brand bij Chemie-Pack. Vrijwel direct vindt
overleg plaats met het NCC. Het LOCC besluit op
te schalen en stuurt om 18.02 uur een liaison
naar de veiligheidsregio Midden- en WestBrabant voor een inventarisatie van de behoefte
aan bijstand. Het LOCC zal, indien hier behoefte
aan is, deze bijstand coördineren. (Rapport Brand
Chemie-Pack, 2011, p. 114) Ondertussen is een
liaison uit de veiligheidsregio RotterdamRijnmond in Moerdijk aangekomen. Hij meldt na
het CoPI-overleg van 20.00 uur aan het ROT in
Rotterdam dat de brand in Moerdijk nog dermate
groot is, dat een zinvolle inzet met schuim op dat
moment volgens hem niet haalbaar is door een
gebrek aan middelen. (Rapport Brand ChemiePack, 2011, p. 81) Omdat de SGBO van de
regiopolitie Zuid-Holland Zuid voor het nemen
van maatregelen ten aanzien van het afzetten
van wegen mede afhankelijk is van de besluiten
-
i
Ten slotte communiceren de leidinggevenden
onvoldoende met elkaar en met de
brandweereenheden, waardoor er geen gedeeld
beeld is van de gekozen aanpak en de wijze
waarop deze moet worden uitgevoerd. (Rapport
Brand Chemie-Pack, 2011, p. 16)
Leidinggevenden communiceren onvoldoende
met elkaar, wardoor er geen gedeeld beeld is van
de gekozen aanpak en de wijze waarop deze
moet worden uitgevoerd.
Voor het goed functioneren van het
leidinggevend systeem is het essentieel om te
beschikken over de juiste actuele informatie van
de ontwikkelingen van een incident. De
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant komt
gedurende het incident in Moerdijk echter
onvoldoende tot een compleet en actueel beeld
van de situatie. (…) In de stabilisatie- en de
normalisatiefase blijkt de veiligheidsregio
Midden- en West-Brabant niet in staat om een
totaalbeeld van het incident op te stellen en dit
te delen met de verschillende coördinerende
teams en andere veiligheidsregio’s. (…) Als gevolg
hiervan komen de beelden die de verschillende
coördinerende teams op operationeel en
bestuurlijk niveau van het incident hebben op
De VRMWB komt tijdens het incident
onvoldoende tot een compleet en actueel beeld
en is niet in staat om dit te delen met de
verschillende coördinerende teams en andere
veiligheidsregio’s. Dit leidt tot verschillende
beelden bij de betrokken teams op operationeel
en bestuurlijk niveau.
67
Liaisons worden uitgezonden van respectievelijk
het LOCC en de regio Rotterdam-Rijnmond. Dit
kan de informatie-uitwisseling bevorderen.
Het LOCC pakt haar rol voor het opstellen van het
landelijk operationeel beeld voor het
ondersteunen van de betrokken veiligheidsregio’s
en het nationaal niveau op, maar slaagt daar
maar ten dele in.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
die genomen worden in de SGBO van de
regiopolitie Midden- en West-Brabant, sluit om
17.30 uur een liaison van de SGBO Zuid-Holla
Het LOCC richt zich tijdens het incident vooral op
het opstellen van een landelijk operationeel
beeld (…) Dit landelijk beeld is bestemd voor de
veiligheidsregio’s en de onderdelen van het Rijk
die zijn betrokken bij het incident. Door middel
van dit beeld worden zij op de hoogte gehouden
van de stand van zaken en de mogelijke gevolgen
voor de eigen organisatie. Het LOCC beoogt
hiermee de belasting van de direct betrokken
veiligheidsregio’s te beperken. (…) Daarnaast
vertaalt het LOCC de beschikbare operationele
informatie naar adviezen voor het nationale
niveau. Hiervoor is een medewerker van het
LOCC in de loop van de avond toegevoegd aan
het NCC. ‘De informatie wordt wel opgenomen in
LCMS, maar je moet een beeld ook kunnen
duiden. Het betreft een combinatie van
operationele duiding van de gebeurtenissen en
een advies aan het NCC en het ICCB hoe daarmee
om te gaan. Ik probeer het verschil tussen zin en
onzin duidelijk te maken,’ aldus de medewerker
van het LOCC. (Rapport Brand Chemie-Pack,
2011, p. 115)
meerdere momenten niet overeen met de
feitelijke situatie. (Rapport Brand Chemie-Pack,
2011, p. 16)
Het LOCC is daarnaast maar ten dele geslaagd in
het opstellen van een landelijk operationeel
beeld van het incident. (Rapport Brand ChemiePack, 2011, p. 18)
Omdat de veiligheidsregio Midden- en WestBrabant maar beperkt in staat is om informatie
via het netcentrisch systeem te delen en het NCC
in zijn situatierapporten niet kan voorzien in de
behoefte van de veiligheidsregio’s, werd veelal
geprobeerd telefonisch contact te leggen.
(Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p. 19)Ook het
LOCC, het NCC en de ICCB hebben gedurende het
incident behoefte aan informatie. Elk van hen
neemt veelvuldig contact op met de betrokken
veiligheidsregio’s en de gemeente Moerdijk. Dit
verloopt eveneens grotendeels via informele
kanalen. De behoefte aan informatie op het
nationale niveau is weliswaar begrijpelijk, maar
bij het vergaren ervan ontbreekt het aan regie.
Dit creëert onnodige bestuurlijke drukte, die niet
bijdraagt aan een effectieve bestrijding van een
incident. (Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p.
19)
Zoals later zal blijken hebben door de gebrekkige
informatiepositie van de veiligheidsregio Middenen West-Brabant ook de andere betrokken
veiligheidsregio’s moeite om zich een goed beeld
te vormen van het incident. Het duurt geruime
tijd voordat in het ROT een beeld wordt
opgesteld dat met andere veiligheidsregio’s kan
68
Het onvermogen van de VRMWB om in de
informatiebehoefte te voorzien, zorgt ervoor dat
betrokken veiligheidsregio’s en nationale
instanties als NCC en LOCC veelvuldig telfonisch
contact opnemen met functionarissen van
VRMWB. Grotendeels via informele kanalen. Dit
terwijl LOCC en Rotterdam-Riinmond liaisons
hebben uitgestuurd. Het gevolg is een extra
belasting van de VRMWB en draagt niet bij aan
een effectieve bestrijding van het incident.
Het duurt lang voordat het ROT een beeld opstelt
dat gedeeld kan worden met andere
veiligheidsregio’s.
Het door het LOCC opgestelde landelijke beeld
heeft nauwelijks toegevoegde waarde voor de
betrokken regio’s. Dit heeft te maken door de
beperkte vulling door VRMWB, ondanks de
aanwezige liaison en leidt niet tot een ontlasting
van VRMWB.
11/11/2013
Analyse
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
In het ROT-overleg van 19.10 uur komt het
voorstel van het CoPI aan de orde om rond 21.00
uur met een schuimblussing de brand te blussen.
Besloten wordt dat niet mag worden begonnen
met schuimblussing voordat dit goed is
gecommuniceerd en de noodzakelijke
maatregelen zijn getroffen, zoals de
aanwezigheid van voldoende schuimvormend
middel en voldoende materieel om het schuim op
worden gedeeld. Het feit dat het bij een incident
met dergelijk grote risico’s geruime tijd duurt
voordat een beeld kan worden gedeeld met
andere betrokken veiligheidsregio’s is naar het
oordeel van de inspectie een ernstig gebrek.
(Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p. 91) Het
opstellen van het landelijk beeld doet het LOCC in
de oefenomgeving van LCMS. Het is voor het
eerste dat het LOCC dit toepaste op een incident
waarbij het bron- en effectgebied niet in dezelfde
veiligheidsregio liggen. Voor de veiligheidsregio’s
die inzicht willen hebben in de gevolgen van het
incident, heeft het opgestelde landelijk beeld
nauwelijks toegevoegde waarde. Dit wordt mede
veroorzaakt door de beperkte vulling van LMCS
door de veiligheidsregio Midden- en WestBrabant. Ondanks de aanwezigheid van een
liaison in Tilburg blijft de vraag om informatie
bestaan en wordt de belasting van de
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant niet
beperkt. In dit opzicht biedt het landelijk beeld
niet wat ervan verwacht mag worden en draagt
het niet bij aan een effectievere aanpak van de
bestrijding van het incident. (Rapport Brand
Chemie-Pack, 2011, p. 119/120)
In de acute fase van het incident stellen de dan
aanwezige brandweerofficieren een inzettactiek
op. Besloten wordt om de vloeistofbrand
gecontroleerd te laten uitbranden. (…) De
gekozen inzettactiek is echter wel complex,
omdat ook opdracht wordt gegeven om te
voorkomen dat delen van het bedrijf die nog niet
in brand staan alsnog in brand raken. Dit
bemoeilijkt het succesvol uitvoeren van het
69
De complexiteit van de eerste gekozen
inzettactiek bemoeilijkt het succesvol uitvoeren.
De besluitvorming rondom de schuimblussing
gebeurd na analyse van de eerdere
bestrijdingsmethode. Meteen wordt opgemerkt
dat hiervoor afstemming moet plaatsvinden met
VRZHZ en andere betrokken partijen.
11/11/2013
Inventarisatie
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
te kunnen brengen. Ook moet worden afgestemd
met de betrokken instanties, waaronder
Rijkswaterstaat, ProRail en de veiligheidsregio
Zuid-Holland Zuid. (Rapport Brand Chemie-Pack,
2011, p. 80) In het eerste overleg van het RBT
gaat de voorzitter op verzoek van het ROT
akkoord met een inzet met schuim. De leden
bespreken wat de mogelijke effecten van de
schuimblussing voor de bevolking zijn en
besluiten dat dit vooraf goed gecommuniceerd
moet worden naar de burgers. Ook geeft het RBT
nadrukkelijk mee dat voordat het CoPI de
schuimblussing inzet, dit moet zijn afgestemd
met de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Het
gevolg van de schuimblussing is immers dat dikke
zwarte rook vrij komt, die door de te verwachten
regen laag zal worden gehouden. Dit zal in de
effectgemeenten naar verwachting leiden tot
klachten over overlast. (Rapport Brand ChemiePack, 2011, p. 81)
In het overleg van het ROT dat om 16.55 uur
plaatsvindt, vraagt de Officier veiligheidsregio
(OVR) van Defensie of NBC-capaciteit nodig is.
Het ROT besluit deze vraag bij het CoPI neer te
leggen. (…) In het ROT overleg van 17.55 uur
wordt aan de OVR meegedeeld dat het CoPI nog
geen NBC-capaciteit nodig heeft. (Rapport Brand
Chemie-Pack, 2011, p. 83)
uitbrandscenario. (Rapport Brand Chemie-Pack,
2011, p. 15)
Ook ten aanzien van het ontsmetten is geen
sprake van leiding en coördinatie. Ondanks dat
sprake is van een brand bij een BRZO-bedrijf dat
werkt met chemische stoffen en dat meermaals
wordt geconstateerd dat verontreinigd bluswater
over de plaats incident stroomt, heeft het ROT
ook in de normalisatiefase geen
ontsmettingsprocedure opgestart. De
ontsmetting van voertuigen en materiaal wordt
overgelaten aan het oordeel van de afzonderlijke
bevelvoerders. Verschillende
brandweereenheden keren met verontreinigde
voertuigen en kleding terug naar de kazerne.
Sommige rijden hierbij door verontreinigd
bluswater. (Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p.
97)
Ondanks berichten over besmetting met
chemicaliën van het brongebied en het
bluswater, is er geen plan voor ontsmetting en
ontbreekt het aan leiding en coördinatie op dit
gebied. Het gevolg is dat verschillende eenheden
met verontreinigde voertuigen en uitrusting naar
de kazerne zin teruggekeerd.
Al in de middag raakte ook de Rijksoverheid
steeds meer bij de zaak betrokken, alsof daar de
verantwoordelijkheid voor de crisisbestrijding lag.
Tevens was de Rijksoverheid betrokken vanuit de
verantwoordelijkheid voor specialistische
diensten (Onderzoeksraad voor Veiligheid, p. 14)
Ondanks dat de Rijksoverheid
verantwoordelijkheid is voor specialistische
diensten is hier geen regie op gezeten.
Het opmerken van de beschikbaarheid van NBCcapaciteit bij defensie is een goede inventarisatie
van alternatieven.
De Gezamenlijke Brandweer in de
veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond bereidt zich
al voor op een mogelijk bijstandsverzoek. Op
verzoek van de voorzitter van de veiligheidsregio
Rotterdam-Rijnmond wordt vervolgens actief
bijstand aangeboden aan de veiligheidsregio’s
Het initiatief van de Gezamenlijk Brandweer om
zich voor te bereiden op een bijstandsverzoek en
het aanbieden van deze capaciteiten had
mogelijk een bijdrage kunnen leveren in de
effectieve bestrijding van het incident. De
gezamenlijke brandweer is vanwege haar
70
11/11/2013
Advies
Organiseren
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Midden- en West-Brabant en Zuid-Holland Zuid.
Dit aanbod wordt om 17.28 uur via LCMS
verzonden. Enige tijd later lukt het de OL om
telefonisch contact te leggen met de voorzitter
van het ROT van de veiligheidsregio Zuid-Holland
Zuid. De voorzitter van het ROT geeft aan dat de
veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid op dat moment
geen behoefte heeft aan bijstand. Rond 18.45 uur
alarmeert de veiligheidsregio RotterdamRijnmond een schuimblusvoertuig en een
haakarmvoertuig met schuimvormend middel
van de Gezamenlijke Brandweer. Deze
combinatie vertrekt daarop naar de gemeente
Moerdijk. (Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p.
106)
Ook is het risico van het vervuilde bluswater voor
de gezondheid van de hulpverleners onvoldoende
onderkend. Er is geen ontsmettingsprocedure
opgestart. Ook is een aanbod van Defensie om
gebruik te maken van NBC-capaciteit afgeslagen
en is de NBC-steunpuntregio niet te hulp
geroepen. (Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p.
16)
verantwoordelijkheid voor de haven van
Rotterdam, bij uitstek gespecialiseerd in
chemische branden.
Het LOCC heeft bij grootschalige incidenten een
rol bij het coördineren van bijstand, bij het
opstellen van een landelijk beeld van het incident
en bij het duiden van de operationele aspecten
van het incident ten behoeve van de
besluitvorming op landelijk niveau. Het LOCC
heeft de eerste taak, het coördineren van de
bijstandsverlening, slechts gedeeltelijk
Dat de VRMWB zelf alle bijstand regelt inclusief
defensie, terwijl het LOCC, belast met de
coördinatie van bijstand, hier niet op ingrijpt en
haar rol oppakt, heeft bijgedragen aan het
ontbreken van regievoering op interregionale
bijstand. Het LOCC heeft zich beperkt to het
achteraf formaliseren van de bijstandsaanvragen.
71
Het niet benutten van landelijke specialistische
capaciteiten voor het ontsmetten van
hulpverleners en materiaal heeft een extra risico
voor de hulpverleners veroorzaakt.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
uitgevoerd. De veiligheidsregio Midden- en WestBrabant heeft geen gebruik gemaakt van het
LOCC voor het aanvragen van bijstand, maar veel
zelf geregeld. De door de veiligheidsregio
aangevraagde bijstand van Defensie bijvoorbeeld
wordt in onderling overleg georganiseerd. De rol
van het LOCC blijft hierdoor beperkt tot het
achteraf bekrachtigen van de aangevraagde en
ingezette bijstand. Er was geen sprake van
regievoering op de interregionale
bijstandverlening. (Rapport Brand Chemie-Pack,
2011, p. 119) Het regelen van bijstand is voor het
LOCC bij dit incident nauwelijks aan de orde. De
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant roept
op basis van eerder gemaakte afspraken buiten
het LOCC om de hulp van Defensie in. Het LOCC
formaliseert dit achteraf. De bijstand van de
veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond aan de
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant wordt
niet aangevraagd, maar aangeboden. Het LOCC
heeft zich hier niet mee bezig gehouden.
(Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p. 115)
Coördineren
Om 20.45 uur krijgt de veiligheidsregio
Haaglanden aanvullende informatie van de AGS
van de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.
Deze meldt dat de brandweer in Moerdijk om
21.00 uur overgaat tot een schuimblussing. De
wolk kan tot op tien kilometer van de locatie
neerslaan. Dit leidt mogelijk tot stankoverlast.
Inmiddels komen ook vanuit de gemeente
De Onderzoeksraad heeft in kaart gebracht welke
partijen tijdens en na de brand metingen hebben
verricht aan lucht, water en bodem. De
brandweer in de twee veiligheidsregio’s –
Midden- en West-Brabant en Zuid-Holland Zuid –
verrichtte tijdens de brand metingen aan de lucht
met ‘gasmeetbuisjes’ die direct uitslag geven. De
Milieuongevallendienst van het Rijksinstituut
72
Rotterdam-Riinmond geeft aanvullende
informatie aan VRZHZ over de schuimblussing in
VRMWB en de gevolgen daarvan.
Er heeft geen regie plaatsgevonden op de
metingen en het duiden van de resultaten van
deze metingen. Geen van de regio’s had controle
op de landelijke organisaties belast met deze
metingen, het aanleveren van de resultaten en
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Leiderdorp klachten over stankoverlast binnen.
De veiligheidsregio Haaglanden hoort om 21.18
uur van het LOCC dat het tijdstip van de
schuimblussing wordt verschoven naar 22.00 uur.
Het NCC heeft een kernboodschap voor de
website crisis.nl opgesteld. Deze is vooral gericht
op de veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid. Voor de
overige gebieden is vermeld dat geen metingen
bekend zijn. (Rapport Brand Chemie-Pack, 2011,
p. 108)
De veiligheidsregio Midden- en West-Brabant
heeft vrijwel direct de veiligheidsregio ZuidHolland Zuid geïnformeerd over het grootschalig
incident. De overige veiligheidsregio’s, die minder
direct bij het incident betrokken zijn geweest, zijn
echter niet actief door de veiligheidsregio
Midden- en West-Brabant geïnformeerd. Zij
hebben het incident uit de media vernomen. Het
NCC informeert de veiligheidsregio’s via
situatierapporten, maar deze voorzien gezien de
vele contacten niet in de informatiebehoefte van
de veiligheidsregio’s. Deze nemen vervolgens
voor meer informatie zelf contact op met de
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, de
veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid of de
veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De
veiligheidsregio Midden- en West-Brabant had
gezien de omvang en uitstraling van het incident
meer aandacht moeten hebben voor het actief
informeren van de overige veiligheidsregio’s.
(Rapport Brand Chemie-Pack, 2011, p. 110)
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) beschikt
over meer geavanceerde meetapparatuur
waarmee zij metingen verrichtte op de dag van
de brand en in de dagen erna aan de lucht en op
neergeslagen roetdeeltjes. Daarbij is onderscheid
te maken tussen metingen die direct uitslag
geven en metingen die nadere analyse vergen in
het laboratorium. Zo duurt het bepalen van
dioxineconcentraties ongeveer een week. De
Milieu-ongevallendienst van het RIVM heeft op
de dag van de brand en de dagen erna
grasmonsters genomen. De nieuwe Voedsel- en
Warenautoriteit (onder verantwoordelijkheid van
het ministerie van Economische Zaken, Landbouw
en Innovatie) heeft na de brand monsters
genomen van groenten en producten van
dierlijke oorsprong in het effectgebied tot tien
kilometer van de brandlocatie. Het waterschap
Brabantse Delta liet metingen uitvoeren aan het
oppervlaktewater rond de brandlocatie. De NOS
liet zelf ook enkele grondmonsters nemen in het
gebied ten noorden van Moerdijk. Tot slot namen
ook de drinkwaterbedrijven Evides en Waternet
monsters van het oppervlaktewater op de
brandlocatie en in drinkwaterbekkens. Geen van
beide veiligheidsregio’s had controle over het
verzamelen van de meetgegevens die nodig
waren voor de communicatie met de bevolking.
(Onderzoeksraad voor Veiligheid, p. 11/12) Geen
van beide veiligheidsregio’s had controle over het
rapportageproces van het BOT-mi. Ondanks de
samenwerkingsovereenkomsten tussen de regio’s
en het BOT-mi en de bevoegdheden volgend uit
de Wet veiligheidsregio’s werd de (operationele)
73
het duiden van de gevolgen. De oorzaak hiervan
was dat bevoegdheden werden op landelijk en
regionaal niveau anders geïnterpreteerd,
VRMWB houdt ZHZ goed op de hoogte van de
ontwikkelingen rondom de schuimblussing en in
overleg met ZHZ wordt gewacht met de inzet
totdat beide regio’s klaar zijn met de
voorbereidende activiteiten.
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
aansturing van het BOT-mi verschillend
geïnterpreteerd door de veiligheidsregio’s, de
landelijke partijen en het BOT-mi zelf. Daardoor
was het niet duidelijk aan wie het BOT-mi zou
rapporteren, wanneer meetresultaten zouden
worden opgeleverd en wie de meetgegevens
moest duiden. (Onderzoeksraad voor Veiligheid,
p. 13)
Monitoren
Bewaken
74
BIJLAGE F: REGIONAAL PROCES RESOURCEMANAGEMENT
Het doel van het resourcemanagementproces is het adviseren over en coördineren van de middelen en
maatregelen die nodig zijn om de crisisbeheersingsorganisatie in staat te stellen om op te treden langer
dan de periode van operationele en logistieke zelfredzaamheid.
Onder logistieke en operationele zelfstandigheid wordt verstaan: de hoeveelheid en aard van
(operationele en logistieke) middelen van een eenheid, die het mogelijk maken om gedurende een
vereiste tijdsduur een operationele taak zelfstandig uit te voeren.
Het resourcemanagementproces kent vier stappen:
-
Beeldvormen en analyseren
Inventariseren
Organiseren en coördineren
Monitoren en bewaken
De vier stappen en de hierbij horende informatieproducten worden in dit hoofdstuk toegelicht.
Beeldvormen en analyseren
De resourcemanager ontvangt een opdracht en vormt zich een beeld van het incident.
De Operationeel leider geeft een opdracht aan de resourcemanager. In deze opdracht zijn de
beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen verwoord die van toepassingen zijn en welke effecten er
bereikt moeten worden.
De resourcemanager vormt zich een beeld van de aard en omvang van het incident op basis van het
totaalbeeld. Vervolgens analyseert hij op basis van de bestaande plannen welke factoren van invloed
zijn op de ontwikkeling van de crisis. Hierna maakt de resourcemanager een geanalyseerd RM beeld .
Hierin wordt de analyse van de feitelijke en de gewenste situatie weergegeven met hierin aandacht
voor de prioritering, de plannen van aanpak van de kolommen en de eventuele bijstandsaanvragen en
verzoeken aan derden die al door de kolommen zijn gedaan.
Hulpmiddelen
-
LCMS
Sjabloon geanalyseerd RM beeld
Informatieproducten:
-
Opdracht (inclusief doel)
Plannen
Totaalbeeld
Geanalyseerd RM beeld
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
Inventariseren
De resourcemanager inventariseert de mogelijkheden, adviseert de Operationeel leider en start met het
maken van het resourceplan.
De resourcemanager stelt de behoefte aan faciliteiten en middelen vast en inventariseert de eigen
mogelijkheden. Hierbij gebruikt hij een capaciteitenmatrix waarin hij informatie over de mogelijkheden
van ketenpartners en andere organisaties kan vinden en een overzicht van de operationele inzetbaarheid
van de ketenpartners dat hij ontvangt van de HON ‘s van de verschillende kolommen.
Na validatie van de eigen mogelijkheden van de ketenpartners stelt hij een resourceadvies op voor de
Operationeel leider. In dit advies worden de kritieke punten ten aanzien van de operationele
inzetbaarheid verwoord en de mogelijke alternatieven. De risico’s en mogelijke schaarste van middelen
worden benoemd.
Wanneer hij een akkoord resourceadvies ontvangt van de Operationeel leider, werkt hij het voorlopig
resourceplan uit.
Hulpmiddelen
-
LCMS
Sjabloon resourceadvies
Sjabloon resourceplan
Informatieproducten:
-
Geanalyseerd RM beeld
Capaciteitenmatrix
Operationele inzetbaarheid
Resourceadvies
Akkoord resourceadvies
Voorlopig resourceplan
Organiseren en coördineren
De resourcemanager werkt het resourceplan uit en vraagt versterking aan.
De resourcemanager vraagt waar nodig bijstand aan bij andere veiligheidsregio’s op basis van
76
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
convenanten of via het LOCC. Daarnaast vraagt hij waar nodig capaciteiten (mensen en middelen) aan
derden. Dit kunnen overheidsorganisaties zijn maar ook particuliere organisaties. Hierbij wordt van de
resourcemanager gevraagd om buiten de gangbare paden te zoeken naar extra capaciteiten. Wanneer er
sprake is van een bijstandsaanvraag bij het LOCC of derden zal het bevoegd gezag of de gemandateerde
goedkeuring moeten geven aan de capaciteitenaanvraag.
Wanneer de verschillende organisaties hebben aangegeven of ze de gewenste ondersteuning kunnen
leveren en voor hoe lang, maakt de resourcemanager het resourceplan verder af. Dit plan wordt ter
informatie verstrekt aan de Operationeel leider, maar ook aan de HON ’s van de kolommen zodat het
overallbeeld van alle aangevraagde mensen en middelen voor hen beschikbaar is.
Hulpmiddelen
-
LCMS
Formulier externe bijstand
Formulier verzoek aan derden
Sjabloon resourceplan
Informatieproducten:
-
Verzoek aan derden
Aanvraag
Bijstandsaanvraag
Akkoord verzoek aan derden
Akkoord bijstandsaanvraag
Resourceplan
Monitoren en bewaken
De resourcemanager bewaakt de uitvoering en stuurt zo nodig bij.
De resourcemanager monitort de uitgezette opdrachten. Zo nodig doet hij een verzoek aanvullende
informatie aan de HON ’s van de kolommen. Wanneer er via de HON ’s en het totaalbeeld nieuwe
informatie beschikbaar komt over de voortgang van de ramp of crisis weegt de resourcemanager de
informatie en geeft wanneer er bijstelling gewenst is afwijkingsinformatie aan de Operationeel leider . De
afwijkingsinformatie is voorzien van een voorstel om de maatregelen of condities aan te passen. Na het
akkoord van de Operationeel leider past de resourcemanager het resourceplan aan en vraagt opnieuw
(of andere) mensen en middelen aan bij de buurregio’s en andere organisaties.
Wanneer de uitvoering volgens plan loopt wordt voortgangsinformatie verstrekt aan de HON ’s, de
Operationeel leider en de leveranciers van mensen en/of middelen. Deze voortgangsinformatie heeft
77
11/11/2013
De Rijksoverheid Faciliteert
Een landelijk proces resourcemanagement
geen bijstelling van het resourceplan tot gevolg.
Wanneer de crisis of ramp bijna of geheel is afgelopen maakt de resourcemanager een inzetrapportage
voor de Operationeel leider waarin de inzet van de mensen en middelen, de duur van de inzet en de
afspraken over verrekening zijn vastgelegd.
Hulpmiddelen
-
LCMS
Sjabloon inzetrapportage
Informatieproducten:
-
Resourceplan
Verzoek aanvullende informatie
Afwijkingsinformatie
Akkoord afwijkingsinformatie
Voortgangsinformatie
Inzetrapportage
78
BIJLAGE G: SCHEMATISCHE WEERGAVE REGIONAAL PROCES RESOURCEMANAGEMENT
Processchema "Multidisciplinair Resource Proces ”
STUREN
STUREN
LOCC
KETENPARTNERS
OPDRACHT
(INCL. DOEL)
AKKOORD
RESOURCEADVIES
AKKOORD
BIJSTANDSAANVRAAG
AKKOORD
VERZOEK
AAN DERDEN
STUREN
Procesdoel:
Het doel van het resourceproces is het adviseren over en
coördineren van de middelen en maatregelen die nodig zijn
om de crisisbeheersingsorganisatie in staat te stellen om op
te treden langer dan de periode van operationele en
logistieke zelfredzaamheid.
AKKOORD
AFWIJKINGSINFORMATIE
PREPARATIE/
PLANVORMING
PLANNEN
TOTAALBEELD
BEELDVORMEN
EN
ANALYSEREN
GEANALYSEERD
RM BEELD
INFORMATIE
PROCES
STUREN
PREPARATIE/
PLANVORMING
MONO
RESOURCE
PROCES
RESOURCEADVIES
CAPACITEITENMATRIX
INVENTARISEREN
(VOORLOPIG)
RESOURCEPLAN
VERZOEK AAN DERDEN
LEVERENDE
INSTANTIE
AANVRAAG KOLOMMEN
KOLOMMEN
OPERATIONELE INZETBAARHEID
LOCC
ORGANISEREN
EN
COÖRDINEREN
BIJSTANDSAANVRAAG
STUREN/
MONO RESOURCE
PROCES
RESOURCE PLAN
(VERZOEK)
AANVULLENDE INFORMATIE
INFORMATIE
PROCES
TOTAALBEELD
MONO
RESOURCE
PROCES
STUREN/
MONO RESOURCE
PROCES
MONITOREN EN
BEWAKEN
VOORTGANGSINFORMATIE
AFWIJKINGSINFORMATIE
LEVERANCIERS
INZETRAPPORTAGE
STUREN