Feministische mystiek. Een reflectie op lijdensmystiek en

Feministische mystiek. Een reflectie op lijdensmystiek en
bruidsmystiek. Sensible Ecstasy (Amy Hollywood) en
Hadewijch
Plaatsbepaling
Allereerst wil ik Mevr. van Dijk hartelijk danken voor de uitnodiging hier een
lezing te verzorgen rond feministische mystiek.
Omdat het de eerste keer is dat mij expliciet gevraagd is vanuit feministisch
perspectief een lezing te geven over de mystiek van Hadewijch vond ik het van
belang allereerst mijn eigen verhouding ten opzichte van feministische theologie
onder woorden te brengen. Omdat de meeste van u mij niet kennen en ik de
meeste van u niet ken, leek het me een goed idee om met een stukje van deze
overpeinzing te beginnen vandaag.
Mijn inhoudelijke kennismaking met feministische theologie en genderstudies is
nog slechts van korte duur, om precies te zijn, sinds de kennismaking met het
IWFT Vrouwennetwerk Theologie in oktober vorig jaar.
Tijdens mijn studie theologie en ook nog tijdens mijn onderzoek naar de
betekenis van de Triniteit in de geschriften van Hadewijch is mijn eerste interesse
niet uitgegaan naar het leesperspectief van de feministische theologie c.q.
vrouwenstudies. Het stoorde mij zelfs dat, toen ik ervoor koos om als onderwerp
van mijn afstudeerscriptie de fierheid in de geschriften van Hadewijch te
onderzoeken, medestudenten en docenten in die tijd er automatisch van uit
gingen dat ik dit thema zou onderzoeken vanuit het perspectief van de
feministische theologie. Mijn bedoeling was het de inhoudelijke betekenis van het
thema te achterhalen, de mystieke implicaties ervan aan de oppervlakte te
brengen. Beide perspectieven stonden toen voor mij nog in strijd met elkaar.
Gaandeweg ben ik mij gaan verdiepen in de aandachtsvelden van de
feministische theologie. Zo ontdekte ik dat de aandacht van de feministische
theologie verschoven is van de vrouw als slachtoffer naar de vrouw als subject,
dit is: als zelfstandig opererend persoon binnen een maatschappelijke context.
Voelde ik mij bij het eerste aandachtsveld beslist niet thuis, het tweede heeft mijn
volle enthousiasme. Deze verschuiving in de feministische theologie biedt mijn
inziens beter ruimte aan het zoeken naar betekenissen en inhouden van
vrouwzijn in haar relatie tot godsdienstigheid.
De verdere verbreding die ingetreden is door het begrip gender in de
feministische theologie binnen te brengen biedt mijns inziens de mogelijkheid de
studie naar de vrouw als subject in het bredere perspectief van de seksen te
plaatsen en de krachtvelden te onderzoeken die de oorzaak zijn van de steeds
veranderende verhoudingen tussen man en vrouw.
De studie naar middeleeuwse vrouwen, te weten: begijnen, en hun zelfstandige
wijze van opereren heeft mijn belangstelling naar feministische theologie en
genderstudies nog doen groeien. Wat u in het vervolg van deze lezing gaat horen
is een eerste poging het werk van Hadewijch te lezen vanuit deze nieuwe
inzichten.
Inleiding
In de omschrijving van deze studiedag werd het doel als volgt geformuleerd: ‘de
bruikbaarheid’ van middeleeuwse vrouwelijke mystici te onderzoeken voor de
vormgeving van feministische theologie en spiritualiteit vandaag de dag. In
hoeverre zijn zij geschikt als model? Wat zijn de mogelijkheden en beperkingen?
In reactie op deze doelstelling zou ik op grond van mijn studie naar Hadewijch
een paar punten aan de orde willen brengen.
In het eerste deel van deze lezing besteed ik aandacht aan de bredere beweging
van religieuze vrouwen in de Middeleeuwen. Hadewijch maakte deel uit van deze
beweging. Hierbij stel ik de vraag centraal of gesproken kan worden van een
beweging met wij-bewustzijn.
In een tweede deel zal ik aan de hand van enkele Hadewijch-teksten het
lichamelijke aspect van haar mystieke verlangen voor u op de voorgrond
plaatsen
In een derde deel zal met behulp van de termen ‘minne’ en ‘rede’ het verband
tussen lichaam en geest in de geschriften van Hadewijch aan gegeven worden
In een vierde en laatste beweging zal ik op grond van het voorgaande trachten
de vraag te beantwoorden naar de mogelijke betekenis van Hadewijch voor
vrouwen vandaag de dag. Kan Hadewijch als model dienen. En zo ja, wat zijn de
mogelijkheden en de beperkingen?
1) De religieuze vrouwenbeweging ten tijde van Hadewijch
Kennismaking met de religieuze vrouwen van de middeleeuwen roept bij velen
vaak verbazing op naar de omvang en veelzijdigheid van deze beweging. Vanaf
de grondige en gedegen studie van H. Grundmann, Religiöse Bewegungen im
Mittelalter wordt in dit kader inderdaad gesproken over een ‘Frauenbewegung’,
een religieuze vrouwenbeweging.
De levensvormen van de vrouwen die tot deze beweging behoorden waren
veelzijdig. Zo waren er ongebonden zwervende vrouwen, kloosterzusters,
kluizenaressen, inclusen en begijnen (alleenwonend of - later - in hofjes
samenwonend).
Om u een indruk te geven van de omvang en de spreiding van deze beweging
laat ik een aantal kaartjes van Europa zien, waarop aangegeven is hoe de
spreiding van de ons bekende vrouwen zich ontwikkelde in de 12e, de 13e, de 14e
en de 15e eeuw.
Kaartjes
In de onderzoeksliteratuur kom je regelmatig de uitspraak tegen dat het hier gaat
om een vrouwenbeweging zonder wij-bewustzijn1. Naar mijn idee dient de
uitspraak dat deze vrouwen geen wij-bewustzijn gehad hebben genuanceerd te
worden. De leefsituatie van deze vrouwen, was juist door de levensvormen die zij
kozen – meestal een religieus leven buiten een klooster - ten zeerste getekend
én beperkt door hun sociale rol. Zij moeten zichzelf nadrukkelijk bewust geweest
zijn van het feit dat hen juist omdat zij vrouw waren minder mogelijkheden ter
beschikking stonden dan mannen.
De beginnende religieuze vrouwenbeweging kende veel rondzwervende
vrouwen. Juist omdat zij vrouw waren werden zij direct verdacht van
losbandigheid en ketterij. Ook het feit dat zij voor een zelfstandig religieus leven
kozen buiten de traditionele kloosters maakte hen in de ogen van de door
mannen gedomineerde kerk verdacht. In gemeenschappelijke werksessies,
voornamelijk binnen de textielateliers, ontmoetten deze vrouwen elkaar en baden
zij samen. Deze situatie zal er ongetwijfeld toe geleidt hebben dat zij elkaar ook
hun mystieke inzichten vertelden en elkaar ondersteunden op hun spirituele weg.
Bovendien was hun gemeenschapsvorming gebaseerd op wederzijdse
ondersteuning in hun maatschappelijke situatie. Zij hebben hun precaire situatie
onderkend en naar wegen gezocht om de voor hen negatieve gevolgen van hun
sociale rol te beperken. Bijvoorbeeld door samen te gaan wonen in hofjes. Zo
trachtten zij zichzelf te beschermen tegen mannelijke indringers. Het kwam
regelmatig voor dat een man aanspraak deed op een huwelijk. Ook vergrepen
mannen zich regelmatig aan een vrouw. Zij meenden op manier een welgestelde
vrouw aan zich te kunnen binden. Vrouwen die door deze vergrijpen zwanger
raakten werden opgevangen door de begijnengemeenschap. Hierdoor werd aan
deze vrouwen de kans geboden hun kind zelfstandig op te voeden binnen de
begijnengemeenschap.
Gaandeweg ontwikkelden deze gemeenschappen hun eigen leefregels
(statuten), waarin de regels voor de leden van deze gemeenschappen waren
1
Dinzelbacher, Scheepsma
vastgelegd. Het bestaan van deze leefregels vormt een uiterlijk kenmerk van de
gegroeide gemeenschappelijkheid binnen de hofjes.
Naar dit aspect van de religieuze vrouwengemeenschap dient echter nog veel
onderzoek verricht te worden. Walter Simons heeft met zijn boek ‘Cities of
Ladies’ een interressante aanzet tot dit onderzoek gegeven.
Met het voorgaande hoop ik de uitspraak dat het in de religieuze
vrouwenbeweging van de Middeleeuwen gaat om een beweging zonder wijbewustzijn enigszins genuanceerd te hebben. Ik vind dit van belang om deze
vrouwen binnen de traditie het gezicht te geven dat hen toekomt, niet alleen als
afzonderlijke vrouwen, maar ook als gemeenschap van elkaar bevestigende
vrouwen.
2) Lichamelijkheid en erotiek bij Hadewijch
Het Westerse denken wordt met name sinds Augustinus beheerst door een
uitermate negatieve houding ten opzichte van het lichaam. Deze negatieve
houding ten opzichte van het lichaam is in de gangbare theologie door de
eeuwen heen met name verbonden met het vrouwelijk lichaam als bron van
perversiteit en zondigheid. Op zoek naar bronnen in de geschiedenis waaruit een
andere houding ten opzichte van het lichaam spreekt zijn vooral vrouwelijke
theologen en historici gestuit op de teksten van de mystieke vrouwen uit de
Middeleeuwen. Hadewijch is één van deze vrouwen.
Hadewijch heeft vier genres geschriften nagelaten: Brieven (31), Visioenen (14),
Strophische Gedichten (45) en Mengeldichten (17) (combinatie tussen gedicht en
brief). In al haar geschriften speelt het verlangen naar eenheid met haar Geliefde
(meestal aangeduid als Minne) een vooraanstaande rol. In haar geschriften komt
haar verhouding tot en met deze Minne op allerlei manieren ter sprake. Zo wordt
deze verhouding naast een sterk geestelijk aspect ook gekenmerkt door een
duidelijk lichamelijke component. In de wijze waarop Hadewijch dit lichamelijke
aspect ter sprake brengt wordt duidelijk dat het lichaam voor haar mee betrokken
is in het mystieke verlangen en er een wezenlijk onderdeel van uitmaakt.
Mystieke vervulling drukt zich voor Hadewijch daarom zowel op het lichamelijke
als op het geestelijke vlak uit.
In het artikel van Vekeman, Erotiek en huwelijksliefde, dat ik als leestip heb
opgegeven, maakt Vekeman duidelijk dat Hadewijch hierin niet origineel is.
Gefundeerd op het Johannesevangelie en gevoed door het Bijbelse Hooglied en
de Hoogliedcommentaren van met name Bernardus en Willem van St. Thierry,
heeft Hadewijch het erotische taalspel gemoduleerd om uitdrukking te geven aan
de overweldigende ervaringen die zij in haar relatie met Minne opdoet. Vekeman
merkt op dat niet in haar vrouwzijn de oorsprong van deze taalsfeer ligt, maar in
de traditie. Ligt de oorsprong ervan dan in de traditie, toch vind ik het opmerkelijk
te noemen dat het met name vrouwen geweest zijn die dit taalspel verder
ontwikkeld hebben in hun leven en leer. Naast de overwegend door mannen
vormgegeven speculatieve mystiek vormt deze overwegend door vrouwen
belichaamde mystiek een eigen genre, dat van de ervaringsmystiek, en meer
specifiek: de bruidsmystiek. In de bruidsmystiek vindt een integratie van het
heilige en het erotische plaats.
Reeds Origenes en Gregorius van Nazianze hebben de beeldwereld van het
Bijbelse Hooglied betrokken op de individuele ziel in zijn relatie tot God. In de 12e
eeuw wordt dit verder ontwikkeld door Bernardus van Clairvaux en Willem van
St.Thierry. De hoogste mystieke beleving (de Unio mystica) wordt door hen
beschreven als een geestelijke bruiloft. Deze geestelijke bruiloft omhelst niet
slechts literaire metaforiek maar ook daadwerkelijke erotisch gekleurde
godsontmoeting. Bij een aantal van deze vrouwen wordt deze erotische
godsontmoeting zelfs zozeer geïncorporeerd dat zij resulteert in de voorstelling
zwanger te zijn van Christus, waar o.a. melding van wordt gemaakt bij Brigita van
Zweden, Dorothea van Montau, Ida van Leuven, Margarete en Christine Ebner,
Gertrud van het Oosten, Ludgard van Oberweimar en Agnes Blannbekin.
Hadewijch is van deze bruidsmystiek een voorbeeld.
Naast de bruidsmystiek wordt bij zeer veel van deze vrouwen lijdensmystiek
aangetroffen. Wederom onder invloed van Bernardus van Clairvaux kreeg het
menszijn van Jezus in de 12e eeuw steeds meer aandacht. Hierdoor kwam ook
zijn lijden centraler te staan. Niet langer stond God als machtige Koning centraal
maar God in de lijdende gestalte van de Mensenzoon. De religieuze vrouwen
zagen deelname aan, vereenzelviging met, het lijden van Jezus als een middel
om tot vereniging met God te komen. Hierdoor vloeien bruidsmystiek en
lijdensmystiek bij deze vrouwen vaak inéén. Door middel van deelname aan het
lijden van Jezus wordt zij bruid van Christus. Alhoewel minder dan de
bruidsmystiek is ook deze vorm van mystiek bij Hadewijch te vinden. Opvallend is
echter dat lijden voor Hadewijch bijna nooit het lijden aan concrete situaties is,
maar meestal het mentale lijden aan de afwezigheid van de Geliefde.
Wanneer ik Amy Hollywood goed begrepen heb, legt zij in haar boek ‘Sensible
Ecstasy’ met name de nadruk op de betekenis van de lijdensmystiek voor
hedendaagse auteurs (Bataille, Simone de Beauvoir, Jacques Lacan en Luce
Irigaray). Zij merkt op pagina 19 op dat deze auteurs een idee van mystiek
opdelven waarin mystiek een ontmoeting vormt met het menselijke lijden, ziekte,
dood en sterfelijkheid. De ontmoeting met menselijk lijden, ziekte, dood en
sterfelijkheid vormt voor hen in zichzelf reeds een ontmoeting met het heilige of
het goddelijke.
Zelf zou ik in deze lezing méér de nadruk willen leggen op de pool van de
bruidsmystiek. Deze vorm van mystiek is in onze postmoderne cultuur misschien
minder herkenbaar dan de lijdensmystiek, ik denk echter dat zij wel een aantal
mogelijkheden biedt om de negatieve verhouding tot het vrouwelijk lichaam te
ontkrachten. Van groot belang is het hierbij op te merken dat deze negatieve
verhouding niet alleen de christelijke traditie tekent maar ook diep in onszelf, in
mij als vrouw, verborgen zit. Hadewijch biedt een mogelijkheid tot bevrijding van
deze negatieve verhouding tot het eigen lichaam. Kernwoord hierbij is voor haar
‘fierheid’. Hierin wordt de mogelijkheid geboden het lichaam als
ontmoetingsplaats met het goddelijke te herontdekken. Het lichaam, ook het
vrouwelijk lichaam, niet langer zien als element van vervreemding van het
goddelijke, maar als ontmoetingsplaats met het goddelijke opent een heel
andere, een heel nieuwe verhouding tot het eigen lichaam. Het kan niet anders
dan dat deze nieuwe verhouding tot het eigen lichaam en tot de lichamelijkheid
van anderen, zijn bevrijdende doorwerking vindt in ons theologiseren.
Zoals gezegd noemt Hadewijch deze nieuwe verhouding tot het eigen lichaam
‘fierheid’. Met deze term drukt zij het fundamentele besef uit ‘naar het beeld van
God geschapen te zijn’. In dit kader spreekt zij van de mens als ‘schepsel en edel
beeld’. Heel Hadewijchs mystiek is gefundeerd op en innerlijk bepaald door het
besef naar het beeld van God geschapen te zijn – in een gelijkwaardige relatie
met Hem te staan. In tegenstelling tot de traditie vertrekt Hadewijch niet vanuit
het wezenlijke verschil tussen God en mens (de erfzondeleer) maar vanuit de
wezensgelijkheid van God en mens (Imago Dei-gedachte, scheppingsleer). Op
grond van het besef ‘beeld van God’ te zijn ziet Hadewijch zichzelf, en daarmee
de mens in het algemeen, in staat om in een werkelijke, gelijkwaardige, relatie
met God te treden. Het verschillende uitgangspunt, scheppingsleer i.p.v.
erfzondeleer, bepaalt fundamenteel het perspectief van haar mystiek.
Deze gelijkwaardige relatie is voor Hadewijch een relatie die getekend is door
intens verlangen. Het verlangen van de één gaat voortdurend uit naar de ander.
Beiden willen elkaar overtroefen in tekenen van liefde. Dit heftige verlangen
(orewoet) naar de ander vindt slechts af en toe vervulling. Deze vervulling (in
Hadewijchs woorden ‘ghebruken’ = genieten) werkt zich volgens Hadewijch,
zoals reeds opgemerkt, ook uit op het lichamelijke niveau. Zij ervaart áán en ín
haar lichamelijkheid dat God haar verlangen naar Hem beantwoord.
Deze positieve houding ten opzichte van het lichaam als plaats van
godsontmoeting treedt in een aantal teksten zeer expliciet op de voorgrond.
Twee van de meest karakteristieke teksten wil ik u nu bij wijze van voorbeeld
voorlezen:
Brief 9
(…) Hij verzwelge u in Zich: waar de diepte is van zijn kennis, daar zal Hij u leren wat
Hij is en hoe wonderlijk zoet de ene geliefde in de ander woont en de ander zo door en
door bewoont dat geen van beiden zichzelf nog onderkent. Maar onderling genieten zij
elkaar – mond in mond en hart in hart en lichaam in lichaam en ziel in ziel – terwijl Gods
éne zoete natuur hen beiden doorvloeit, en in elkaar zijnde zijn zij beiden één en zij
blijven helemaal één, ja dat blijven ze.
Visioen 7
Op een pinksterdag – het was bij dageraad, men zong de metten in de kerk en ik was daar
aanwezig – kreeg ik een verschijning. Mijn hart en mijn aderen en al mijn leden schokten
en beefden van begeerte. Het verging me zoals zo vaak: zó verwoed en vreselijk was het
me te moede dat ik meende dat, als ik mijn Geliefde geen voldoening kon schenken en
mijn Geliefde mijn begeerte niet vervulde, ik dan van verwoedheid sterven zou en
stervende nog zou woeden. Ik was toen door de vurige minne zo angstig te moede en zo
ellendig, - het leek wel alsof al mijn leden zonder uitzondering braken en al mijn aderen
een voor een gespannen werden. (…)
Dit kan ik er wel over zeggen: ik verlangde mijn Geliefde ten volle te bezitten en te
kennen en volop te smaken, volledig! Ik verlangde dat zijn mensheid ondervindelijk één
zou zijn met de mijne en dat de mijne dan op die manier – door het één-zijn – stand zou
kunnen houden en sterk genoeg zijn om niet te bezwijken als alles van zijn mens-zijn haar
te beurt zou vallen. Zonder tekortkoming zou ik Hem genoeg zijn, en wel in dit opzicht:
ik zou in het duldend dragen van elke deugd Hem zuiver en uitsluitend en helemaal
voldoening schenken. En daartoe wilde ik dat Hij mij, één geest met Hem, innerlijk met
zijn godheid voldoening zou schenken en dat Hij voor mij zou zijn al wat Hij is, zonder
me iets te onthouden. (…)
Daarna kwam Hijzelf tot mij. Hij nam mij nu geheel en al in zijn armen en drukte me
tegen zich aan, en al mijn leden voelden de zijne, zoveel het hun lustte en gelijk mijn hart
en mijn mens-zijn begeerden. Zo kreeg ik van buiten voldoening, tot de volledige
verzadiging toe. Ik was zelfs in staat dat een tijdje te dragen.
Bovenstaande voorbeelden tonen het lichamelijke en het erotische element in de
mystiek van Hadewijch aan. Duidelijk wordt dat het lichaam een fundamenteel
onderdeel uitmaakt van het verlangen naar de Geliefde. Dit blijkt vooral in de
volgende passages: ‘Ik verlangde dat zijn mensheid ondervindelijk één zou zijn
met de mijne’. Dat op dit lichamelijke niveau volledige verzadiging verkregen
wordt blijkt uit: ‘Daarna kwam Hijzelf tot mij. Hij nam mij nu geheel en al in zijn
armen en drukte me tegen zich aan, en al mijn leden voelden de zijne, zoveel het
hun lustte en gelijk mijn hart en mijn menszijn begeerden. Zo kreeg ik van buiten
voldoening, tot de volledige verzadiging toe. Ik was zelfs in staat dat een tijdje te
dragen’.
Het lichaam vormt voor Hadewijch een plaats van Godsontmoeting. In haar
lichaam wordt zij haar Geliefde gewaar en wordt zij met hem verenigd. Dat zich
deze vereniging niet alléén op het lichamelijk, maar ook op het geestelijk niveau
voltrekt, staat voor Hadewijch niet met elkaar in strijd.
Na eerst de bredere vrouwenbeweging besproken te hebben waar Hadewijch
deel van uit maakt, en vervolgens het lichamelijke en erotische aspect van het
verlangen bij Hadewijch wil ik in de volgende paragraaf het verband tussen
lichaam en rede bij Hadewijch aangeven om ten slotte de vraag te stellen naar
de betekenis van Hadewijch vandaag de dag.
3) Lichaam en Geest; Minne en Rede bij Hadewijch
De ervaring van het lichaam, het lichamelijke en het erotische is voor Hadewijch
sterk verbonden met Minne. Deze term Minne heeft voor Hadewijch vele
betekenissen. Eén daarvan is: de naam van de Geliefde. Een andere is: haar
eigen liefdesverlangen naar de Geliefde. Nog een andere: het liefdesverlangen
van de Geliefde naar haar. Met andere woorden; Hadewijchs verhouding tot het
lichaam, het lichamelijke en het erotische mag in verband gebracht worden met
de term Minne.
Naast de Minne vormt de Rede voor Hadewijch een instrument om één te
worden met God. Dat deze twee met elkaar in relatie staan maakt zij duidelijk in
haar achttiende brief. Het gaat hier om een passage uit een tekst van Willem van
St.Thierry die door Hadewijch is overgenomen om de verhouding tussen Minne
en Rede duidelijk te maken:
Toch helpen deze twee (rede en minne) elkaar onderling in de hoogste mate, want de rede
onderricht de minne en de minne verlicht de rede. Wanneer dan de rede zich overgeeft
aan de begeerte van de minne en de minne zich laat dwingen en binden binnen het bestek
van de rede, dan zijn ze in staat iets buitengewoon groots te doen, en dit vermag niemand
te leren tenzij door het te gevoelen. Want het verstand mengt zich daar niet in, namelijk
in het doorgronden van die wonderlijke en grondeloze drift. Dat doet enkel het genieten
van de minne. (Br. 18, 80-105).
Hadewijch heeft wat dit inzicht betreft inspiratie opgedaan bij Willem van St.
Thierry. Dat zij zich deze gedacht geheel heeft eigen gemaakt en verweven
heeft in haar eigen taalspel wordt duidelijk in haar overige werk. Een volledige
integratie van minne en rede wordt aangetroffen in Hadewijchs ‘verlichte rede’.
Deze ‘verlichte rede’ vormt een sleutelbegrip in Hadewijchs mystieke beleving.
Zo blijkt bijvoorbeeld uit de volgende tekstpassage:
(…) de verlichte rede, onze regel die ons leert wat wij voor de minne rechtens te doen
hebben, als we haar voldoening willen geven. Want de verlichte rede werpt haar licht op
al de wegen die wij, (…) in haar dienst gaan, en klaar toont zij ons al de dingen die de
minne voldoening geven. (Br. 12, 111-117)
Ook wanneer er geen vereniging ervaren wordt, maar gemis (het gebreken), de
afwezigheid van de Geliefde, is het lichamelijke niveau in het geding. Ook het
gemis tekent zich, evenals de vervulling (het ghebruken), af op het lichamelijke
niveau. Dit blijkt uit de volgende passage:
‘Maar toen voor het eerst de blik van mijn verlichte rede ontwaakte (…) toen heeft zij mij
de plaats getoond en mij erheen geleid, waar ik mijn Geliefde in één-zijn genieten zou in
de mate dat mijn doorgaan dat verdient. (…) Het niet te vervullen verlangen om de
Godheid te genieten, dat de minne steeds gegeven heeft, dat heeft mij gekwetst en
gewond in de borst en in het hart: in armariolo en in antisma. Armariolo betekent het
binnenste van de aderen in het hart waarmee men bemint. Antisma betekent het binnenste
van de geest waardoor men leeft en dat zo gevoelig is wanneer de liefdedrang het sterkst
is.’ (Br. 29, 38-60)
In het begrip ‘verlichte rede’ ligt het verband tussen lichaam en geest besloten.
Hett lichaam vervult dus bij Hadewijch een wezenlijke rol in de mystieke opgang.
Het lichaam is als het ware het instrument waaraan voelbaar, ervaarbaar, wordt
dat de Geliefde zichzelf schenkt of zichzelf terughoudt.
Een dergelijke betrokkenheid van het lichaam in de mystieke opgang zou
pertinent onmogelijk zijn binnen een theologie die gebaseerd is op de
erfzondeleer, zoals bijvoorbeeld die van Augustinus. Hadewijchs theologie en
mystiek zijn ten diepste gebaseerd op een scheppingstheologie waarin de
schepping in zijn geheel – dus ook het (vrouwelijk) lichaam – als goed ervaren
wordt. Hierin weerspiegelt zij Gods eigen waarneming van de schepping, In Gen.
1, 31) staat immers dat Hij zag dat het zeer goed was. Dit besef ligt vervat in het
fierheidsbegrip van Hadewijch, dat het mogelijk maakt het lichaam op een
nieuwe, positieve, manier te waarderen.
4) Betekenis van Hadewijch vandaag de dag
Voor zoekende vrouwen vandaag de dag zou ik naar aanleiding van het
gepasseerde drie mogelijke aanzetten willen noemen:
1. Allereerst biedt de introductie van de term ‘fierheid’ de mogelijkheid het
eigen leven opnieuw te ijken op het goddelijke. Het gaat hier om een
ingrijpende verandering van het zelfbewustzijn. Fierheid vraagt om een
innerlijke koerswijziging. Uiterlijk een fier leven leiden, zonder innerlijk
overtuigd te zijn van de eigen gelijkwaardigheid in de relatie met God en
de ander, leidt uiteindelijk tot een loos bestaan. Fier kun je niet zomaar
worden, dat is iets wat Hadewijch duidelijk maakt. Je groeit in fierheid.
Deze groei vormt een voortdurende strijd. Enerzijds dienen vrouwen zich
ervan bewust te worden dat zij bij voorbaat vaak al een ondergeschikte
houding aannemen en ook vanuit deze houding handelen. Een grote
opgave is het zich van dit automatisme bewust te worden en het juist
daardoor te ontkrachten. Een tweede opgave is het vanuit dit nieuwe
bewustzijn te gaan leven en handelen. Hadewijchs mystieke fundering
van deze ervaring in het begrip fierheid kan hierbij ondersteuning bieden.
2. De wijze waarop bij Hadewijch het lichaam méé betrokken is in de
mystieke opgang biedt nieuwe perspectieven op het lichaam,
lichamelijkheid en erotiek in de christelijke religieuze traditie. Daarnaast
biedt het tevens de mogelijkheid het eigen lichaam op een nieuwe manier
te herontdekken. Het eigen lichaam - en dat van de ander - niet langer
ervaren als vervreemdend element maar als ontmoetingsplek met het
goddelijke schept ruimte voor een bevrijdende ontdekking van het eigen
lichaam en dat van de ander. De regels van de liefde vormen de grenzen
waarbinnen zich deze bevrijding voltrekt.
3. In de verschuiving van vervreemding naar ontmoetingsplaats zie ik over
de grenzen van de werken van Hadewijch heen, ook een betekenis voor
de feministische theologie gelegen. In deze verschuiving komt mijns
inziens de verschuiving van slachtoffer naar subject tot uitdrukking.
Hadewijch roept op tot een fier bestaan waarin het eigen lichaam als
ontmoetingsplaats met het goddelijke ervaren wordt. Aan deze fierheid ligt
een zelfbewustzijn ten grondslag waarin gelijkwaardigheid in de relatie
met God en de ander het uitgangspunt vormt. Niet langer is de vrouw hier
slachtoffer maar subject, gelijkwaardig persoon, in deze relaties.
Feministische theologie zou zich mijns inziens voortdurend de vraag
moeten stellen in hoeverre zij fierheid bevordert. Het begrip fierheid zou
als zodanig een kritische factor kunnen betekenen in ons feministisch
theologiseren. Met name wat dit punt betreft zou ik graag wat reacties van
u horen. Misschien zou dit een punt zijn voor de discussie die vandaag
nog gaat volgen.
Hartelijk dank voor uw aandacht.