frankrijk - Det Kongelige Bibliotek

Digitaliseret af / Digitised by
D E T K O N G E L I G E BIBLIOTEK
THE ROYAL LIBRARY
København / Copenhagen
For oplysninger om ophavsret og brugerrettigheder, se venligst www.kb.dk
For information on copyright and user rights, please consultwww.kb.dk
f
FRANKRIJK
DOOR
KRISTOFFER NYROP
Hoogleeraar aan de Universiteit te Kopenhagen.
VERTAALD UIT HET DEENSCII
MET EEN VOORBERICHT
VAN
PROF. DR. J. J. SALVERDA DE GRAVE.
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERS-MIJ. — LEIDEN
J
DET KONGELIGE BIBLIOTEK
130019383890
<^lf£
FRANKRIJK
DOOR
KRISTOFFER NYROP
Hoogleeraar aan de Universiteit te Kopenhagen.
VERTAALD UIT HET DEENSCH
MET EEN VOORBERICHT
VAN
PROF. DR. J. J. SALVERDA DE GRAVE.
A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERS-MIJ. — LEIDEN
S
Ik beschouw het als een voorrecht, deze vertaling van
Prof. Nyrop's FRANKRIG bij mijn landgenoten
in te leiden en daardoor de gelegenheid te hebben mijn
Sympathie te betuigen met dit werk en met de schrijver.
Prof. Nyrop is zonder twijfel een der bekendste
romanisten van onze dagen. Zijn historiese spraakkunst
van de Franse taal, waarvan reeds vier delen zijn ver­
sehenen, is het ,,livre de chevet" van talloze studenten.
A an een uitgebreidheid van kennis die des te bewonderenswaardiger is omdat gezichtszwakte hem dwingt
bij zijn werk van vreemde hulp gebruik te maken,
paart Prof. Nyrop een groot talent om de feiten te
groeperen. Het is alsof in zijn geest alle biezonderheden zieh vanzelf, zonder moeite, schikken en ordenen,
zodat de lezer de indruk krijgt dat alle op hun
natuurlike plaats staan en zodat al wat hij schrijfl
glashelder is. In de talrijke geleerde werken van
Prof. Nyrop vindt men deze gave om ingewikkelde
kwesties als het ware open te vouwen weer: inzijngeschiedenis van het heldendicht zowel als in zijn voortreffe~
like klankleer van het gesproken Frans, en niet minder in
zijn studie crver het leven der woorden dan in zijn, reeds
genoemd. hoofdwerk aver de geschiedenis der Franse
taal. Ik sprak van zijn uitgebreide kennis, en inderdaad, ontzagwekkend is het aantal feiten, grote en
kleine, die hij met geduld en volharding heefl bijeengegaard : hij weet uit oude gedenkschriften, weinig bekende
verhalen, vergeten verhandelingen, het detail, de anekdote
te kiezen die tekenen. Is het wonder dat zijn werken
II
boeiend zijn als een spannende roman, dat men ze van
het begin tot het eind leest met onverflauwde belangstelling ? Telkens als de materie wat zwaar dreigt te wor­
den, weet hi] ons door een fi]ne trek of een treffende
herinnering op te wekken. Zulk een gave van mede­
delen, in dienst gesteld van een zo grondige geleerdheid,
ziedaar wel een vereniging die men zelden aantreft,
en die men de meeste kans heeft bij Fransen te vinden.
Het is dan ook natuurlik dat Prof. Nyrop zieh tot
Frankrijk's letter kunde en Frankrijk's taal voelt aangetrokken ; zijn geest is nauw met de Franse geest verwant. Niemand was beter dan hij geschikt om, in korte
trekken, voor een pabliek van belangstellenden, een
beeld van het Franse volk te sehetsen dat sprekend gelijkt,
zodat het schient te leven. Hij kent het door en door ;
hi] kent het zo als het is en zo als het was, van de eerste
ti]den van zi]n bestaan af. Voor hem begint de geschiedenis van Frankrijk niet met de XVIle eeuw; de
taal en letter kunde der Middeleeuwen zijn hem gemeenzaam als aan weinig anderen, zonder dat hij zieh, zoals
de meeste medievisten, tot dat tijdperk heeft bepaald.
Ook onze Van Hamel wist belangstelling voor filologiese studies te verbinden met lief de voor de meest moder­
ne letterkunde.
En zo hebben wi] dan hier voor ons een met innige
Sympathie gesehreven lofrede op de heerlike eigenschappeii w aar door de Franse natie ons zo lief is.
Ere het volk dat een hoogstaande vreemdeling zulk een
geestdrift weet in te boezemen, een geestdrift die weerklank vindt over de gehele wereld. Nu door de oorlog
allen die denken en voelen onweerstaanbaar naar ein
der beide kampen worden getrokken, heeft een onderdaan
van een neutraal land aan de vrienden van vrijheid, van
edclmoedigheid en van verfi]nde beschaving in zijn
F RANKRIG een geloofsbelijdenis gegeven, welke hen
die in Frankrijks toekomst vertrouwen en op Frankrijk
hopen, samenbindt. Het is geen ,,oorlogsboek" inde
eigenli]ke zin dat Prof. Nyrop ons geeft, maar wél was
de oorlog de aanleiding tot het schrijven ervan, en wel
toont het, door enkele zinnen die scherp zijn als een mes,
III
hoe diep ook zijn zachtzinnig gemoed gekwetst werd door
de vreselike dingen die wij beleven ; zijn woorden aver
,,de giftige theorieen die in andere landen werden
bedacht en uitgewerkt, terwijl de Fransen zieh overgayen aan dromen van vrijheid en reehtvaardigheid"
zijn de uitdrukking van een diepe verontwaardiging;
een verontwaardiging die ik deel, en velen met mij.
Het is wel merkwaardig, en het toont hoe diep de
oorlog de gehele mensheid heeft geschokt, dat zovele
geleerden, in Frankrijk en daarbuiten, zieh met
hun pen in de strijd hebben gemengd. Naast namen
als die van Lavisse, Dürkheim en Bédier zal, in de
geschiedenis van die strijd, aan de naam van Prof. Nyrop
een ereplaats blijven ingeruimd.
J. J. SALVERDA DE GRAVE.
INHOUD.
I. Roland's Strijd
II. Ridderlijke Idealen
III. De ,,Panache"
i
3
6
IV. Door de Nederlaag naar de Overwinning. 13
V. Gloria Victis
VI. Lette ren en Wetenschap
VII. Schoonheid en Vreugd
VIII. De Taal
IX. Het Land der Vrijheid
jg
25
35
43
56
I.
ROLAND'S STRIJD.
Om te beginnen verzoeken wij den lezer terug te
willen gaan tot de achtste en negende eeuw en te
willen luisteren naar wat toen de trouvéres over
Frankrijk zongen.
De trouvéres waren rondtrekkende zangers. Zij
zongen in kasteelen voor de machtige baronnen en
op de pie inen, de markten en de kermissen voor de
burgers en de volksklassen. Overal waren zij welkome
gasten. Wanneer zij gereed om te zingen hun vie lie
stemden, kwam er een stilte van begeerige afwachting,
want zij zouden zingen van de roemrijke daden der
voor vaders. En de legende omtrent den heldendood
van Roland te Roncevaux was een van de meest
geliefde onderwerpen, die de zangers be/ongen endie
de toehoorders steeds met de wärmste geestdrift
begroetten.
Roland is de Fransche nationale held. Hij is een
historische figuur en was een van de pairs van Karel
den Groote. De oude kroniekschrijver Eginhard
vertelt dat hij graaf van Bretagne was en dat hij
tegelijk met den seneschalk Eggihard, den palsgraaf
Anshelm en verscheidene andere dappere Franschen,
in 778 in de Pyreneeén gedood werd, toen Karel de
Groote op den terugweg was van een expeditie,
tegen de Sairacenen in het Noorden van Spanje
ondernomen.
De geschiedenis weet weinig omtrent Roland te
verteilen, maar daarentegen zijn de legenden om­
trent hem in omloop zooveel te talrijker. De wanFrankrijk.
1
2
ROLAND'S STRIJD.
hopige strijd bij Roncevaux vormde het uitgangspunt van een rijke epische literatuur, waarvan Roland
het schitterend middelpunt was. Volgens het L i e d
van Roland was hij een neef van den keizer zelf
en de eerste onder zijn twaalf pairs. Om deze reden
werd hij uitgekozen om den veiligen terugtocht van
het leger door de nauwe passen der Pyreneeén te
dekken. Karel de Groote had zijn leger in twee afdeelingen gesplitst. Hij zelf voerde de hoofdmacht aan,
die de voorhoede vormde, terwijl de achterhoede
met Roland aan het hoofd hem langzaam volgde. Bij
Roncevaux op de noordelijke helling der Pyreneeen
werden Rolands troepen door een ontzaglijk leger
van heidenen omringd. Weerstand scheen onmogelijk
en Olivier,' Roland's wapenbroeder, bezwoer hem
tot drie keeren toe op zijn hoorn te blazen om
den keizer te hulp te roe pen. Maar Roland weigerde
telkens met onbedwingbaren trots : ,,De hemel verhoede, dat mijn geslacht ooit het verwijt treft, dat
ik om hulp heb geroepen tegen de heidenen. Ik zou
een dwaas zijn. Deze schände wil ik den mijnen niet
aandoen en de eer van Schoon Frankrijk zal door
mij niet bezoedeld worden."
De strijd begint. Roland en zijn leger verrichten
wonderen van dapperheid ; maar de vijand is te
talrijk. Weldra zijn de meeste Franschen gedood en
op het laatste oogenblik brengt Roland den hoorn
aan den mond en blaast. Karel de Groote, die reeds
lang de passen achter den rug heeft, hoort het geschal
van den hoorn, dat roept en steunt om hulp en hij
keert terug met zijn geheele leger. Maar hij komt te
laat. Aangegrepen door smart en toorn, vervolgt
de keizer zijn marsch naar het zuiden, stoot tegen het
heidenen-heir en jaagt het op de vlucht.
Dit is in weinig woorden de inhoud van het Lied
van Roland, het oudste en beroemdste helden­
dicht van Frankrijk. Het is ontstaan in een tijdperk,
toen elk verband met de kultuur der Oudheid reeds
geheel had opgehouden te bestaan. Het is een oorspronkelijk gedieht en een oorspronkelijke kunst.
ROLAND'S STRIJD.
3
Het jonge Fransche volk vindt zijn eerste schilderingen in het Lied van Roland, dat den
dageraad inleidt van een letterkunde, die buitengewoon rijk heeft gebloeid. Uit een aesthetisch zoowel
als uit een kultuur-historisch oogpunt is het gedieht
van onschatbare waarde ; het geeft ons in de karakters,
die daarin voorkomen, en in de ontwikkeling der
handeling den eersten volledigen indruk van den
Franschen geest.
II.
RIDDERLIJKE IDEALEN.
Frankrijk kan beschouwd worden als de oudste
Staat van het moderne Europa. Het is ook de staat,
die het eerst tot het bewustzijn van zijn nationale
eenheid is gekomen. De Gallische, Romeinsche en
Germaansche elementen zijn snel en volkomen in
elkaar versmolten. De sterke tegensteHingen, die
tusschen de rassen bestonden, maakten hun samensmelting des te inniger en krachtiger. Uit die samensmelting werd een nieuw volk geboren, rijk aan deugden, met een warmvoelend hart, met liefde voor
ware schoonheid en ware vrijheid, de Fransche natie.
In tegenstelling met wat wij overal elders in de
middeleeuwen zien, was het jonge Fransche volk zieh
reeds vroegtijdig bewust van zijn eenheid. Allen die
,,la délitable parleüre franchise" Spraken, waren
samen gebonden door de liefde voor het gemeenschappelijk vaderland. Deze geest vond zijn eerste uitdrukking in het Lied van Roland. Wordt
de liefde der Fransche ridders voor hun schoon land
niet op roerend teedere wijze weergegeven in dezen
enkelen versregel:
„Terre de France, mult estes dulz pals" ?
(„Frankrijk, gij zijt zulk een schoon land !").
4
RIDDERLIJKE IDEALEN.
Frankrijk is de gemeenschappelijke moeder, aan
wie zieh allen met de innigste teederheid hechten.
Haar eer is hun kostbaarste kleinood. Haar roep van
dapperheid bezielt haar zonen en vuurt hen aan in
den strijd ; en na een goed toegebrachten slagroepen
zij u i t :
,,Hoi n'en perdrat France dulce son los !"
(„Schoon Frankrijk zal zijn roem niet verliezen
vandaag !")
Wanneer de ridders door vreemde landen trekken,
voelen zij steeds het innig verlangen naar het vaderland ; en de dood is hun een dubbele smart bij de
gedachte, dat zij ,,le riche empereur" of ,,la terre
majour" (,,het groote land", een andere naam voor
,,la douce France") nooit meer zullen terugzien. Zij
hebben hun land lief en zij zijn er trotsch op zonen
van Frankrijk te zijn. Zij voelen, dat zij behooren tot
een uitverkoren volk. ,,Onze krijgers zijn dapper",
zegt aartsbisschop Turpin, „geen koning ter wereld
heeft betere mannen."
De dichter zingt den lof der Franschen :
„Franceis sont bon, si ferront vassalment"
(,,De Franschen zijn fiksch.enzij zullen dapperslaan.")
Behalve vaderlandsliefde en bewondering voor
dapperheid vinden wij in het L i e d v a n R o l a n d
de na'ieve uitdrukking van een diep religieus gevoel.
De Fransche helden der middeleeuwen zijn bezield
met een vurig geloof. Zij strijden niet alleen voor hun
land en hun koning, maar ook voor de glorie van het
rijk Gods. De aureool van het martelaarschap speelt
om hun schitterenden helm.
Volgens een oude legende had God op aarde honderd koninkrijken geschapen. Frankrijk was daaronder het schoonste. God zelf koos den eersten koning
en de engelen zetten hem de kroon op het hoofd.
Vandaar dat van de vroegste tijden af Frankrijk
RIDDERLIJKE IDEALEN.
5
beschouwd werd als de eerste verdediger van ae
katholieke kerk, en het was het inderdaad 00k.
Clovis, de sticht er van het Fransche koninkrijk,
redde de eenheid der katholieke kerk door het
Christendom volgens de geloofsbelijdenis van Athana­
sius (496) aan te nemen en gaf daarmede den genadeslag aan het Arianisme, dat toen reeds veel aanhangers
had gewonnen.
Charles Martel redde het Christendom van een
zekeren ondergang door den zegevierenden opmarsch
der Mohammedanen te stuiten in den zevendaagschen
slag bij Poitiers in 732.
Ook Karel de Groote bewees groote diensten aan
Rome. In Roland's lied wordt hij bezongen als de
van God uitverkoren ridder, de machtige verdediger
van den Christelijken godsdienst. Daarom houdt God
hem de beschermende hand boven het hoofd en
zendt hij hem visioenen om hem den weg te wijzen
in moeielijke oogenblikken. Een engel houdt over Karel
den Groote de wacht gedurende zijn slaap en er gebeuren mirakels om hem te redden uit de gevaren, die
hem dreigen. De avond komt, als hij de Sarracenen
achtervolgt om den dood van Roland te wreken ;
maar God herhaalt het mirakel van het dal van Gibeon,
toen Jozua tegen den koning der Amorieten vocht,
en stuit de zon in haar loop, opdat de duisternis hem
niet kan belemmeren bij de vervolging en kastijding
van zijn vijand.
Het was Frankrijk, dat in de Xlde eeuw zieh aan
het hoofd Steide van de machtige beweging der kruistochten en aller aandacht richtte op het Heilige Land
en de bevrijding daarvan. Dit godsdienstig enthousiasme heeft, zooals vanzelf spreekt, diepe sporen achtergelaten in de Fransche cultuur. Het was mede de
impuls tot den bouw van de statig ten hemel rijzende
Gothische kerken, gaf het ontstaan aan tallooze legen­
den van heiligen en aan de mysterién en bezielde de
geheele epische poézie.
Wegens de bijzondere positie, welke Frankrijs
tegenover de katholieke kerk innam, vergeleek Pauk
6
RIDDERLIJKE IDEALEN.
Gregorius IX in een beroemde bul het Fransche
volk met het volk van Juda, aen uitverkoren stam
der Israélieten, en duidde hij Frankrijk aan als een
land boven alle andere landen door God begunstigd.
Zoo was het Frankrijk der middeleeuwen. Men kan
licht begrijpen, dat een land, waar zulke gevoelens
overheerschten en dat in zulk een bijzondere positie
geplaatst was, een vruchtbaren bodem leverde voor
de ontwikkeling van ridderlijkheid.
De eigenschappen en deugden, welke men bij de
geharnaste helden in het C h a n s o n d e R o l a n d
vindt, zijn dezelfde eigenschappen en deugden, welke
geéischt werden van hen, die in de ridderschap wer­
den opgenomen en de gelofte van ridderlijkheid
aflegden. Het was hun plicht de Kerk en haar leer
te verdedige.i, trouw te zijn aan de waarheid en het
recht, de weduwen en weezen te steunen en te sterven aan de zijde van hun koning. Zoo waren de
verhevenste menschelijke idealen in die dagen, de
idealen waarover Frankrijk waakte : G es t a D e i
per Francos.
III.
DE „PANACHE".
De nationale held van Frankrijk is Roland, het
schitterend ideaal van ridderlijkheid. Hij bezit alle
mannelijke deugden en schoone eigenschappen. Hij
is tegelijk dapper en edel, grootmoedig, trouw, gehard en stoutmoedig. Hij is niet alleen stoutmoed'g,
hij is vermetel. Hij is niet alleen dapper, hij is
overmoedig. Zijn jeugdige overmoed geeft hem een
blind vertrouwen in eigen kracht en kunnen. Hij
acht zieh in Staat tot het verrichten van het
onmogelijke. Daarom ook staat zijn opvatting van
eer boven de gewoon-menschelijke. Te Roncevaux
had hij tijdig hulp kunnen inroepen om gered te
worden, maar hij was daarvoor te trotsch. Hij wilde
DE „PANACHE".
7
niet, dat men ooit aan zijn geslacht zou kunnen verwijten, dat hij, Roland, om hulp had gevraagd. In
werkelijkheid bezit Roland, wat de Franschen noemen
la folie héro'ique, dat is heldenmoed op de
spits gedreven, zooals bij de Berserker *). We zien
iets dergelijks bij de helden van Oud-Griekenland,
vvanneer zij door hybris werden aangegrepen.
Het valt niet te ontkennen, dat Roland inderdaad
een indrukwekkende heldenfiguur is. Er is een aangrijpende schoonheid in zijn wanhopige worsteling
tegen de zooveel talrijker Sarracenen. Hij wordt al
strijdende gedood, met het gelaat naar den vijand
gekeerd ; en de zekerheid, dat niets hem ook maar
één schrede heeft kunnen doen terugwijken, brengt
zijn lippen in een plooi van trotschen glimlach.
Wanneer hij op het punt staat te sterven, strekt hij zijn
handschoen naar God uit. God is de groote, opperste
souverein, aan wien hij zieh nederig overgeeft.
Zeker, Roland is tegelijk indrukwekkend en §choon.
Maar men moet niet vergeten, dat zijn roelcelooze
trots hem het leven kost evengoed als al zijn goeden
Franschen krijgslieden. Met een weinig minder vertrouwen in zieh zelf en een weinig meer nadenken
zoude hij zieh zelf en zijn vaderland meer gebaat
hebben, zelfs indien hij daarbij iets van zijn roem zou
hebben moet en inboeten. Roland miste de deugd der
voorzichtigheid. Hierin ligt het verschil tusschen hem
en zijn wapenbroeder Olivier. Dikwijls ontmoet men
in het gedieht versregels als :
„Rollanz est pruz, e Oliviers est sages".
(„Roland is koen, en Olivier is wijs").
Maar niemand luistert, terwijl het nog niet te laat
is, naar den voorzichtigen raad van Olivier. Roland's
*) Berserker heetten, in Noorwegen in de middeleeuwen,
krijgers van wie gedurende den strijd een wilde furie zieh
meester maakte. De naam kwam van him kleeding van berenhuid,
ber, beer; serk, kleeding, hemd. Later meende men, dat zij
het vermögen hadden zieh in een beer te veranderen.
8
DE „PANACHE".
blind en vast vertrouwen in zieh zelf is op het kritieke
oogenblik de beslissende factor.
Het heroisch ideaal van het Chanson de Ro1 and heeft zieh in den loop der volgende eeuwen
gewijzigd; het heeft zieh ontwikkeld in overeenstemming met de verschillende kultuur-elementen ontleend
aan de romantische dichtwerken van den Cyclus
van koning Arthur en de ridders der Ronde Tafel.
Daar strijdt men niet ter verdediging van land en
koning tegen vreemde in vallen; de ridders gaan elk
op eigen gelegenheid uit op avonturen om draken
en andere bovennatuurlijke monsters te dooden en
om de schoone jonge maagd te verlossen, die hun
gevangene was. Bij de folie héroique komt
zieh een nieuw element voegen, de hoffelijke, ridderlijke eerbied voor de vrouw en de soms al te zeer
overdreven eerbied jegens den tegenstander.
Het is deze mengeling van dapperheid en van trots,
van hoffelijkheid en van grootmoedigheid, die de
Franschen de panache noemen.
De p a n a c h e is oorspronkelijk de benaming van
den vederbos, die op den helm wuift en, als het ware,
een poetische voltooiing geeft aan de uitrusting van
den ridder. Gaandeweg is het woord de symbolische
uitdrukking geworden voor de deugden en den geest,
die den volmaakten ridder bezielen : l e c h e v a l i e r
sans peur et sans reproche.
Men vindt de panache niet alleen in de literatuur terug ; in werkelijkheid ziet men ze als een rooden
draad loopen door het grootste gedeelte der Fransche
historie. We zullen daarvan enkele voorbeelden
geven.
In het begin van de XlVde eeuw zond Philips de
Schoone een groot leger uit om den Vlamingen slag
te leveren. Dit leger gevoimd door de bloem der
Fransche ridders werd aangevoerd door Robert
d'Artois en Jacques de Chåtillon, beiden mannen van
erkende dapperheid en in het bezit van alle ridderlijke deugden ; maar vermetel en overmoeaig als
zij waren, waren zij niet bijzonder geschikt om den
DE „PANACHE".
9
vijand, dien zij vöör zieh hadden, met succes te bevechten. De legers ontmoetten elkaar te Kortrijk, n Juli
1302. De Fransche infanterie opende den aanval en
de Viamingen weken terug. Robert d'Artois beschouwae den slag reeds als gewonnen ; hij gaf aan de infanterie bevel om terug te trekken. Hij zelf wilde met
zijn ridders den eindstrijd beslissen. De Viamingen
wachtten krachtig aaneengesloten de charge af en
de Fransche ridders wierpen zieh op hen zonder te
voren 00k maar den minsten voorzorgsmaatregel
te hebben genomen. Het gevolg was, dat zij in de
kuilen vielen, die de Viamingen gegraven en met
boomtakken bedekt hadden. Zoo ging op droevige
wijze de bloem der Fransche ridderschap ten onder
in een heroischen maar dwazen strijd tegen Vlaamsche
burgers met gezond verstand, die geen gevangenen
maakten, maar allen doodden, die hun in handen vielen,
mannen en paarden, en vervolgens han slachtoffers
leegplunderden.
De geschiedenis vertelt, dat de aanvoerder der
ruiterij, Robert de Nesle, vöör den slag aanbeval om
voorzichtig op te rukken. De graaf van Artois vroeg
hem toen, of het vrees was, die hem dien raad ingaL
„Heer," antwoordüe graaf Robert, „indien gij mij
volgt, zult ge een heel eind ver komen." Hierop gaf
hij zijn paard de sporen en rende vooruit. Op het
beslissende oogenblik vergat 00k hij zelf de bezonnenheid en de voorzichtigheia van Olivier. De panache
sleepte hem mee.
Dezelfde ontembare vermetelheid en dezelfde nietsvoorziende lichtvaardigheid, welke de ridders op dien
dag ten toon spreidden, zien wij weer bij Mansoerah
(1250), bij Crécy (1346), bij Poitiers (1356), bij Azincourt (1415).
De p a n a c h e is niet met de middeleeuwen verdwenen. Het is dezelfde panache, die Bayard,
le chevalier sans peur et sans reproc h e, steeds bezielde, waar hij ook voor Frankrijk
streed. Te Napels verdedigde hij geheel alleen een
brug tegen 200 Spanjaarden ; te Milaan achtervolgde
10
DE „PANACHE".
hij den vijand met zulk een onstuimigheid, dat hij
tegelijk met hem de vijandelijke vesting binnen
rende en meteen gevangen werd genomen. Men
vindt de panache weer in de woorden en daden
van Hendrik IV in den slag bij Ivry (1590). Het
vijandelijke leger was talrijker dan het zijne en men
gaf hem in overweging maatregelen te nemen om den
aftocht te verzekeren, ingeval de krijgskans hem niet
gunstig mocht zijn. Maar de koning wilde niets hooren
van een mogelijken terugtocht en hij zeide: „Makkers,
verdedigt u goea; wanneer uwe vaandrigs en uwé
standaarddragers gevallen zijn, volgt dan deze witte
panache op mijn helm; ge zult ze steeds vinden op
den weg van de eer en den roem."
De p a n a c h e heeft 00k de Renaissance overleefd.
We willen ten bewijze een enkel voorbeeld uit de
XVIIIde eeuw vermelden. Het is de slag bij Fontenoy
( I 745)> toen de soldaten van Lodewijk XV onder
aanvoering van den maarschalk de Saxe tegen de
Engeischen en Oostenrijkers streden. Toen een
Engelsch garde-regiment tegenover een Fransch
regiment stond, dat niet het minste teeken van leven
gaf, vroeg de Engeische aanvoerder, Lord Hay, aan
de Franschen, waarom zij niet schoten. De graaf
d Auteroche reed naar voren, salueerde hoffelijk den
vijand en riep uit, dat Franschen nooit het eerst
vuur gaven; dat lieten zij over aan hun tegenstan­
d e r s: „ M e s s i e u r s l e s A n g l a i s , t i r e z l e s
premier s." Deze ridderlijke beleefdheid kwam den
Franschen duur te staan. De Engeischen openden
het vuur en het eerste salvo kostte hun vij anden
een groot aantal dooden en gewonden. De Franschen
wonnen wel is waar den slag, maar d e p a n a c h e
was 00k hier weer oorzaak, dat de overwinning duurder gekocht werd dan noodig was.
D e p a n a c h e leeft nog, zij is een onafscheidelijk
element van het Fransche karakter; zij is blijven
voortleven ondanks de veranderingen en de wisselingen der historie, ondanks de bittere ervaringen
der laatste tijden. De bewonderenswaardige „poilus"
DE „PANACHE".
li
van onze dagen rukken ten aanval op met denzelfden
toomeloo7en moed als de ridders van Philips den
Schoone.
Toen de oorlog uitbrak, kwamen de leerlmgen van
Saint-Cyr bijeen en zwoeren, dat zij in het vuur
zouden gaan met witte handschoenen aan en de pluim
op hun shako en dat zij nooit naar een schuilplaats
zouden omzien. Zij wilden naar den strijd gaan als
naar een feest. Zij hielden woord en zij werden voor het
meerendeel gedood. Het was ridderlijk romantisme
tot het uiterste gedreven, het was „le beau geste"
tot het buitensporige opgevoerd. In de middeleeuwen
zou men het heroisch hebben genoemd; in onze
dagen is het heroisch en krankzinnig tevens.
In het Fransche communiqué over het groote offensief van einde September 1915 lezen wij : „Ten Westen
van de boerderij van Navarin rukten eenige van onze
troepenafdeelingen over de Duitsche linies op, maar
deze vooruitgang kon niet worden gehandhaafd
wegens het sper- en het flank-vuur." In het Duitsche
communiqué lezen wij: „Een der vijandelijke brigades
heeft de eerste loopgraven-linie doorbroken, doch
stootte tegen onze reserves, die in een tegenaanval
800 gevangenen maakten en de rest vernietigden."
Een Deensch officier zegt in een commentaar op
deze twee documenten : „Tusschen de regels van de
dorre communiqué's door bespeurt men een heldhaftig uitgevoerden aanval, die uit eigen aandrang
was ondernomen, zonder dat daarbij rekening werd.
gehouden noch met de daaraan verbonden gevaren,
noch met den vijand, noch met de eischen, die de voorzichtigheid voorschreef, en die in elkaar zakte in
den dood of in een volkomen uitputting. De Spartanen, die de onsterfelijkheid aan de Thermopylen
verwierven, legden geen grooter doodsverachting
aan den dag dan de soldaten zonder naam, die op
dien dag gevallen zijn op den krijtachtigen bodem
van Champagne."
D e p a n a c h e sluimert in de ziel van iederen
Franschman en, wanneer zij zieh in haar volheid
12
DE „PANACHE".
openbaart, wekt ze steeds ontroering en geestdrift.
In de literatuur wordt zij in onze dagen verpersoonlijkt door Cyrano de Bergerac. De geheele figuur
van dezen romantischen held is een hymne aan de
panache. Getrouw tot het laatst aan zijn ridderlijk
ideaal onderwerpt hij zieh aan al de kwellingen der
afgunst met een heldenmoed, Don Quichotte waardig.
In het laatste tooneel van het stuk, wanneer hij,
half-bewusteloos ten gevolge van zijn wond, wild, naar
alle kanten het wapen kruist met denkbeeidige tegenstanders, zegt hij:
„Que dites-vous ? . . C'est inutile ? . . Je le sais !
„Mais on ne se^ bat pas dans l'espoir du succés !
„Non ! Non ! C'est bien plus beau lorsque c'est
inutile !"
(„Wat zegt gij ? . . . Het is nutteloos ? . . Ja, dat weet
ik {
„Maar men vecht niet op hoop van succes !
„Neen ! Neen ! Het is zooveel schooner, omdat het
nutteloos is !")
Inderdaad schijnt Cyrano de Bergerac zieh nutteloos
op te of feren voor Christian de Neu villette. Zonder
nut ? Och, dat hangt geheel af van de wijze, waarop
wij het leven begrijpen. Hem, die zieh niet weet te
verheffen boven het alledaagsche proza, moet Cyrano
wel als een dwaas voorkomen. Maar al diegenen, die
oogen en ooren open hebben voor iets anders dan het
strikt nuttige in het leven en die gelooven aan een
ideaal en naar de verwezenlijking daarvan streven,
begrijpen Cyrano en bewonderen hem.
Het ridderlijke woord van Cyrano is zijn ridderlijke eer. Lie ver wil hij doodsangsten doorstaan,
liever wil hij sterven dan te kort doen aan zijn woord
en aan zijn vrienden. Voor Cyrano is eer een begrip,
^at hoog gehouden moet worden, zij schittert voor
hem als een glinsterende ster boven alle andere
overwegingen uit. Eer is voor hem het hoogste levensdoel, het eenige doel, waarvoor hij alles opoffert, zelfs
DE „PANACHE",
13
zijn liefde en zijn roem, opdat de panache tot
het laatst toe in onbevlekte reinheid kan blijven
wuiven. Luister naar wat hij zegt op het oogenblik van zijn sterven :
„Oui, vous m'arrachez tout, le laurier et la rose !
„Arrachez ! Il y a malgré vous quelque chose
„Que j'empörte, et ce soir quand j'entrerai chez
Dieu,
„Mon salut balayera largement le seuil bleu,
„Quelque chose que sans un pli, sans une tache,
„J'emporte malgré vous, et c'est. . — C'est ? . . Mon
panache."
(„Ja, gij ontrukt mij alles, mijn lauwertak en mijn
roos !
„Neem alles weg ! U ten spijt is er iets,
„Dat ik meeneem, en wanneer ik van avond vöör
God verschijn
„En diep neerbuigend breed den hemeldrempel veeg,
„Is er iets, dat zonder één kreuk, zonder één smet
„Ik meeneem, u ten spijt, en het is. . . 't Is ? . . Mijn
panache.")
IV.
DOOR
DE NEDERLAAG NAAR DE OVERWINNING.
Het lied van Roland vertelt, hoede Fransche ridders
met Roland aan het hoofd, na wonderen van dapperheid te hebben verricht, ten slotte door de heidenen
worden overweldigd en tot den laatsten man gedood.
Het oude nationale gedieht van Frankrijk bezingt
aldus een . . . nederlaag, niet een onteerende en roemlooze nederlaag, maar een nederlaag even roemvol
en schoon als een overwinning.
Deze nederlaag is niet beslissend geweest. Nadat
Roland en de andere pairs gevallen zijn, valt Karel
14
DOOR DE NEDERLAAG
de Groote het heidenleger aan en jaagt het op de
vlucht. Zoo wordt de nederlaag gevolgd door een
overwinning. Dit is een kenschetsende trek in de
geheele Fransche geschiedenis, die ons in zoo ruime
mate de wisselingen der fortuin te zien geeft : nu
eens be vindt Frankrijk zieh op het toppunt van
succes en geluk, schitterend in den glans van roem,
dan weer is het onder de slagen van een ramp in de
somberste diepten neergesmakt.
Deze hevige lotsveranderingen worden gesymboliseerd in het wapen der stad Parijs: onder lelién, de
oude heraldieke bloemen van Frankrijk, wordt een
heftig bewogen zee voorgesteld, waarop een hecht en
stevig schip drijft met een kop op den voorsteven,
drie wapperende wimpels en volle zeilen. Het motto
is: Fluctuat nec mergitur, het schip van
Frankrijk wordt door de golven heen en weer geslingerd, maar het gaat niet ten onder.
Roland s strijd is geéindigd in een nederlaag, doch
een nederlaag die naar de overwinning voert. De
geheele geschiedenis van Frankrijk wordt hierdoor
gekenschetst. Ontzettende rampen hebben dit land
bezocht, het is het tooneel geweest van tal van oorlogen, en binnenlandsche zoowel als buitenlandsche
vijanden hebben den Franschen bodem verwoest.
Fransche koningen en keizers zijn als gevangenen naar
vreemde landen weggevoerd: Lodewijk de Heilige
door de Turken na den slag bij Mansoerah in 1250;
Jan de Goede door de Engeischen in 1356 ; Frans I
door de Spanjaarden in 1525; Napoleon Steide zieh in
handen van de Engeischen, die hem naar Sint-Helena
overbrachten; een halve eeuw later gaf Napoleon III
zieh aan de Duitschers over, die hem Wilhelmshöhe
als verblijf aanwezen.
Maar na elke nederlaag heeft Frankrijk zieh weer
weten te herstellen en op te heffcen, schooner, fierder
en meer zelfbewust dan te voren. Een nederlaag heeft
steeds als een louterend vuur vermögen te werken,
en de wedergeboorte heeft naar gelang van de tijden
verschilfende vormen aangenomen. Nu eens is het
NAAR DE OVERWINNING.
15
de verheven heldenmoed van een Jeanne d'Arc, die
de krijgskans deed keeren en daarmede de orde, het
vertrouwen en de rust herstelde ; dan weer is het
het geheele volk, dat saamvereenigd en verjongd
met verdubbelde krachtsinspanning zieh aan de
werken des vredes heeft gezet.
Vreemde zegswijzen geven dikwijls in pittigen
epigram-vorm een juiste karakteriseering der naties.
De Italianen zeggen: Gl' I t a l i a n i s a g g i
innanzi il fatto, i Tedeschi nel
fatto, i Francesi dopo il fatto. Dat
wil zeggen : De Italianen bezinnen wél, eer ze een
zaak beginnen ; het zijn handige en berekenende
diplomaten. De Duitschers wijden al hun aandacht
aan een zaak, wanneer ze eenmaal daarmee begonnen
zijn, zij zijn practisch en weten, hoe te handelen om
te slagen. De Franschen daarentegen denken, wanneer
alles afgeloopen is.
Allen herinneren zieh de ramp van 1871. Neergeslagen door een machtigen vijand, moest I^rankrijk
de eene vernedering na de andere verdragen. De
koning van Pruisen liet zieh tot keizer kronen den
i8den Januari 1871, in het Versailles van Lodewijk XIV; een week later capituleerde Parijs en
trokken de Duitsche troepen in triomf de gebombardeerde stad binnen. Het verdrag van Frankfort werd
geteekend, waarbij Frankrijk afstand deed van ElzasLotharingen en 5 milliard oorlogsschatting betaalde.
Toen volgde de Commune.
In den beroemden roman, waarin hij karakteristieke
trekken van het moderne Frankrijk schetst, is
Romain Rolland lang stil blijven staan bij den
opbloei van Frankrijk na den oorlog. Wij halen
een passage aan uit een dialoog tusschen Olivier en
den held, den Duitschen musicus Jean Christophe,
voorkomend in het deel, dat getiteld is ,,Dans la
Maison."
Olivier doet opmerken, dat in 1870—71 Duitschland aan Frankrijk groot leed heeft berokkend. Wan­
neer Jean Christophe tracht te verklärenden te ver-
i6
DOOR DE NEDERLAAG
mitschuldigen wat gebeurd is, valt Olivier hem met
e'en glimlach in de rede en zegt : „Geen zorg daarover.
Tegen zijn bedoeling heeft Duitschland ons meer
goed dan kwaad gedaan. Gij zijt het, die in ons het
idealisme weer hebt gewekt; gij hebt onze liefde
voor wetenschap en geloof verjongd ; gij zijt oorzaak
geweest, dat over heel Frankrijk Scholen zijn verrezen.
Gij alweer hebt aan de scheppende krachten van
Pasteur een ruimer veld geschonken ; zijn ontdekkingen alleen zijn voldoende geweest om de vijf
milliard goed te maken, die wij moesten betalen.
Gij hebt een nieuwe renaissance in onze dichtkunst,
in onze schilderkunst en in onze muziek gebracht.
Wij hebben het aan u te danken, dat wij ontwaakt zijn
tot een nieuwe zelf-bewustheid. Terwijl de wereld
in onverschilligheid rondom ons stond, hebben we
zulk een zedelijke kracht gevoeld, dat wij geen twijfel
meer kennen, zelfs niet ten aanzien van de overwinning. Weinig talrijk als wij zijn, en zwak als
wij mögen lijken — een druppel in den oceaan van
Duitsche macht —, zijn wij toch overtuigd, dat
deze druppel voorbestemd is om de heele zee te
kleuren. .
Christophe keek naar de slanke gestalte van Olivier,
wiens oogen van vertrouwen schitterden. ,,Arme,
kleine, zwakke Franschen", zeide hii ; ,,eii zijt sterker dan wij."
,,Onze nederlaag is tot een zegen voor ons verkeerd,"
antwoordde Olivier, ,,gezegend zij de ramp! Wijloochenen de nederlaag niet ; wij zijn haar kinderen." . .
Irderdaad de wederopleving liet niet lang op zieh
wachten. In een ongeloofelijk korten tijd herkreeg
Frankrijk door zijn energie zijn ouden voorspoed. Op
elk gebied nam men de grootste activiteit enden krachtigsten ondernemingsgeest waar. Aan alle eischen der
nieuwe behoeften werd voldaan ; nieuwe vraagstukken
kwamen aan de orde en vonden hun oplossing. Kunst,
wetenschap, letteren, industrie, landbouw, alles werd
opnieuw vöor de verbaasde oogen der geheele wereld
in eere hersteld. En toen enkele jaren na den oorlog,
NAAR DE OVERWINNING.
in 1878, een herboren Frankrijk de volken der wereld
uitnoodigde tot deelneming aan een groote wereldtentoonstelling te Parijs, kwamen de exposanten en
bezoekers uit alle oorden der wereld, en vierden de
Fransche vindingrijkheid en zin voor het schoone
schitterende triomfen.
Zien wij 00k niet heden ten dage hetzelfde verschijnsel zieh herhalen ? In den tijd, die onmiddellijk aan
Augustus 1914 voorafging, was Frankrijk ten prooi
aan binnenlandsche twisten. Gewetenlooze politici,
intrigeerende journalisten schenen het land te regeeren en men sprak luid van demoralisatie, decadentie en bederf overal. Maar toen de dag der beproeving gekomen was en toen de wereld trilde en beefde
in angstige spanning, toen kwam een Frankrijk te
voorschijn geheel verschillend van dat, wat men uit
de kranten en op de boulevards, in de theaters en
uit de schandaal-processen had leeren kennen,
een Frankrijk, dat de hoogste moreele deugden te
zien gaf, een Frankrijk, dat ädernde onder een u n i o n
s a c r é e en dat aller volken bewondering wist af
te dwingen. Alle politieke, maatschappelijke en economische verschillen waren weggewischt. De natie
vond zieh zelf weer terug, zooals Zamacois in zijn
nieuw Volkslied zoo treffend zegt:
„Plus de fortune et de naissance,
,,Mais tous unis pour le succes !
,,Le jour de venger notre offense,
„Nous n'étions plus que des Frangais !"
{„Niet meer scheiden ons rijkdom en geboorte,
„We zijn alien vereenigd voor de overwinning !
,,Op den dag dei wraak voor het beleedigde vaderland,
„Waren wij niets anders dan zonen van Frankrijk!").
Het oprukken van den vijand op Parijs werd plotseling tot staan gebracht door de schitterende overwinning aan de Mame en drie jaar lang heeft het
Fransche leger het Duitsche leger het hoofd geboden.
Frankrijk.
2
i8
DOOR DE NEDERLAAG
Het heeft al zijn grootsche plannen in duigen doen
vallen. Wat de soldaten hebben volbracht onder de
leiding van Joffre, is eenvoudig verbazingwekkend.
Rudyard Kipling heeft na een bezoek aan het front
de algemeene bewondering op teekenende wijze
uitgedrukt in zijn woorden : „Wat ik gezien heb,
is een ware openbaring ; ik zou mij wel voor iederen
Franschman, dien ik tegenkom, in het stof willen
buigen."
Achter het leger van het front leeft een burgerbe volking bezield door slechts één gedachte, door één
hoop en door één geloof. Allen arbeiden aan de bereiking van slechts één doel. De kalmte en de waardigheid, die het land op 2 Augustus 1914 te zien gaf,
zijn dezelfde gebleven. Berusting in het onvermijdelijke,
een onwrikbaar geloof in de eindelijke overwinning,
geduld, stand vast ighe id en de wil tot het dragen van
grenzelooze opofferingen in deze tijden van zware
beproeving, dat is het beeld van het Frankrijk van
heden.
En dit Frankrijk heeft niet alleen bewondering,
doch tevens 00k verrassing gewekt. Er is gezegd,
dat het land plotseling was veranderd, dat het een
geheel ander land was geworden. Natuurlijk dient
hierbij het noodige voorbehoud in acht genomen te
worden : een geheel volk verändert niet als met een
tooverslag in één dag. Maar het helder besef, dat in
dezen monsterachtigen oorlog de onafhankelijkheid
van het land zelf op het spel stond, het bewustzijn,
dat het ging om zijn bestaan, bracht terstond alle
goede Fransche deugden naar voren, die deugden
namelijk, welke de vreemdeling zoo weinig kent of
waarvan hij het bestaan zelfs niet vermoedt.
De meeste vreemdelingen zijn reeds na een kort
verblijf te Parijs gereed zieh een definitief oordeel
te vormen, te Parijs, waar zij vooral leeren kennen het
Parijs, dat zieh vermaakt, het Parijs, dat bestemd is
voor de vreemdelingen en dat aan echte Parijzenaars
nauwelijks bekend is. Zij hebben zieh laten bedriegen
door den schijn van wat ze aan de oppervlakte heb-
NAAR DE OVERWINNING.
19
ben opgemerkt, van wat druk is en leven maakt,
van wat in duizend wisselende en schoone, maar gif­
tige kleuren schittert. Onder deze oppervlakte ligt
een Frankrijk verborgen, geheel verschilfend van
dat wat men meent te kennen, een Frankrijk, dat
arbeidzaam is en matig en volhardend ; een spaarzaam en gezond denkend Frankrijk ; een Frank­
rijk, dat geheel en al leeft buiten het geschitter en
gewirwar, dat rüstig zijn leven vol plichten leeft,
steeds be zig is voor het wel van huis en haard te
zorgen en zijn beroep, hetzij verheven, hetzij nederig,
met de uiterste nauwgezetheid uit te oefenen ; een
bescheiden, verständig Frankrijk, dat elken dagaan
de ernstige eischen van het dagelijksch leven voldoet,
zonder daarbij zijn idealen uit het 00g te verliezen.
Dit Frankrijk was het, dat de stormklok op 2 Augus­
tus 1914 opriep, in de Steden en op het land. Op hetzelfde oogenblik verdween de lichte, de schitterende,
de verbündende oppervlakte, die zooveel menschen
zoolang een waandenkbeeld had gegeven. Men
zag toen l a f o r c e q u i s e t a i t e t q u i d u r e
te voorschijn komen, dezelfde stille kracht, die tot
nu toe Frankrijk door alle beproevingen heen heeft
geholpen, de kracht, die 00k het Frankrijk van de
toekomst zal verdedigen en opbouwen.
V.
GLORIA VICTIS.
Door de nederlaagnaar de overwinning. Een geschiedenis, waarin een zelfde verschijnsel zoo dikwijls zieh
herhaalt, moet wel een bijzonder karakter hebben :
grootmoedigheid en ridderlijkheid spreken er uit.
Daarom heeft Frankrijk het overblijfsel uit den
barbaarschen tijd, het Vae vi c tis (Wee den
overwonnenen !) der oudheid vervangen door zijn
schoon en edel Gloria victis (Eere aan de
overwonnenen !)
20
GLORIA VICTIS.
Het Lied van Roland is reeds een lofzang
op den man, die ondanks verraad, geweld en de
numerieke meerderheid van den vijand, tot den
laatsten ademtocht voor de zaak strijdt, die hem lief
is als zijn leven, voor zijn vaderland, zijn koning
en zijn geloof. Eere aan den man, die valt in den
strijd voor zijn overtuiging !
Een Gloria Victis klinkt ons zelfs tegemoet
uit de Marseillaise. In deze schoone hymne
der vrijheid, die den lof zingt van de heilige liefde
voor het vaderland en die tot haat bezielt tegen
geweld en dwingelandij, komt een strofe voor die
men maar al te dikwijls over het hoofd ziet :
„Francis, en guerriers magnanimes,
,,Portez ou retenez vos coups ;
„Epargnez ces tristes victimes,
,,A regret s'armant contre nous."
(,,Franschen, als edelmoedige krijgers,
„Slaat krachtig toe of spaart;
„Genade voor die ongelukkige slachtoffers,
„Die met tegenzin zieh wapenen tegen ons.")
Tegenover deze vreemde soldaten, die de grenzen
van het land hebben overschreden en de Republiek
den oorlog hebben aangedaan, moet men dus goedertieren zijn ; ze zijn slechts slachtoffers van tyrannen,
en tegen hun wil hebben ze tegen Frankrijk de wapens
opgenomen. Dit is een typeerende Fransche gedachte ;
en hier weer zien we iets van de panache terug.
In welk ander Volkslied is er een dergelijk beroep op
edelmoedigheid tegenover den vijand te vinden ?
In de oorlogen van de Revolutie vindt men tal
van momenten, die ons duidelijk doen zien, dat deze
regels van de Marseillaise niet alleen het ideaal
van den dichter uitdrukten, maar dat ze ook de getrouwe weerklank waren van het innerlijk voelen van
geheel het volk. We zullen twee gevallen aanhalen,
die daarom van des te grooter waarde zijn, omdat
ze ontleend zijn aan een Duitsche bron. De jonge
GLORIA VICTIS.
21
Magister Frederik Christiaan Lankhardt heeft zeer
belangwekkende Mémoires (1792—1802) over zijn
veelbewogen leven nagelaten. Hij bezocht verscheidene hoogescholen, leidde een los leven, maakte
schulden en werd overal onmogelijk. Toen eindelijk
zijn vader hem aan zijn lot had overgelaten, liet
hij zieh te Halle als soldaat inschrijven en maakte
hij den veldtocht tegen Frankrijk van 1792—1793
mee. Herhaalde malen gewaagt hij met lof van de
Fransche troepen. Gedurende den terugtocht was
het Duitsche leger ten prooi aan de grootste ontberingen, en de gewone soldaten hadden daarvan
het meest te lijden. Lankhardt zegt daaromtrent :
„Zelfs in het koninklijk hoofdkwartier ontbrak het
aan alles. Er was geen brood, en suikerwerk in welken
vorm ook was er evenmin. Den Franschen generaal
kwam dit ter oore, en onmiddellijk zond hij versehe
vruchten naar het Duitsche hoofdkwartier, opdat
de koning van Pruisen, ofschoon zijn vijand, en de
generale staf geen honger zouden lijden. Deze edelmoedige daad verhoogde de goede opinie, die onze
soldaten zieh van de Franschen reeds hadden leeren
vormen sedert den laatsten artillerie-strijd. Van dat
tijdstip af zijn zij bijna geheel opgehouden met de
Franschen voor schurken, schelmen, idioten enz.
uit te scheiden."
Wanneer Lankhardt spreekt over het bestuur van
de Rijnprovincies door generaal Custine, die niet al
te gemakkelijk was, en over de oorlogsschattingen,
die hij hief, moet hij ronduit toegeven, dat, terwijl
prins Weilburg een zware oorlogsbelasting moest
betalen, de boeren en de burgers daarvan werden
vrijgesteld en dat „deze edelmoedige houding maakte,
dat deze lieden vonden dat de Franschen zoo siecht
niet waren."
Nadat Custine zieh van Frankfort had meester
gemaakt, hief hij een oorlogsschatting, die als vergoeding moest dienen voor den Duitschen in val in Frank­
rijk. In verband hiermede merkt Lankhardt op,
dat, indien de geéischte som niet zoo hoog geweest
22
GLORIA VICTIS.
was, Frankfort zeer gebaat zou zijn geweest door de
Fransche bezetting, want, zoolang als ze geduurd heeft,
hebben noch de stad noch de inwoners reden tot
klagen gevonden.
In de volgende passage beschrijft Lankhardt de
uitstekende eigenschappen der Franschen, die hen
zelfs bijna geliefd maakten bij hun vijanden. „De
opgewekte en tevreden natuur der Fransche soldaten
is verbazend. Buiten dienst zijn zij bijna altijd in
goed humeur. Zij verkeeren broederlijk met elkaar,
en de talrijke vrijwilligers uit goeden huize helpen
de minder rijk bedeelden op alle mogelijke manieren.
Waar zes of acht hunner ingekwartierd zijn, kan de
huisheer gerust zijn omtrent zijn huishouden. Hun
rantsoenen brengen ze in de gemeenschappelijke
keuken ; zij zijn over het algemeen matig aan tafel,
en wat overblijft, is voor den gastheer, of wel hij en
zijn gezin spijzen met hen mee en helpen hen het
maal op te eten. Dat alleen al maakt, dat de gemiddelde burger overal de Franschen verkiest boven
de Duitschers, die verbazend veel eten."
Dit zijn welsprekende getuigenissen. Kornende
van een vijandelijken soldaat kunnen ze moeielijk
in twijfel worden getrokken : regel is toch zijn vijanden
zoo veel mogelijk neer te halen en te belasteren. De
wilde soldaten vande Republiek, l e s s o l d a t s d e
1 'a n II, waren echter ware zonen van l a d o u c e
France en verloochenden hun ridderlijke eigen­
schappen, de erfenis hunner vaderen, niet.
De gemoedstoestand, die op zoo treffende wijze
tot uiting komt in de vijfde strofe van de M a r ­
seillaise, en die volgens Magister Lankhardt
zieh weerspiegelt in het gedrag der Fransche solda­
ten in den Revolutie-oorlog, blijkt ook weer uit
het verhaal van Alphonse Daudet, ,,le S i e g e d e
Berlin." Het is geschreven kort na de ramp van
1870. De held is een oude Fransche generaal, die in
de illusie leeft, dat het 't Fransche leger is, dat
Duitschland is binnengevallen en Berlijn bedreigt.
De generaal verbeeldt zieh, dat zijn zoon, die officier
GLORIA VICTIS.
23
is, deel neemt aan den Franschen inval, en hij zendt
hem den eenen brief na den anderen om hem op het
hart te drukken tegenover de o ve rwonnenen ridderlijke
edelmoedigheid te betrachten. ,,Vergeet nooit, dat
je Franschman bent. Wees edelmoedig tegenover
deze ongelukkige lieden. Zorg, dat het leed hun niet
te zwaar wordt. .
Verschillende andere wenken
gee ft hij aan zijn zoon, zooals het eerbiedigen van het
particulier eigendom van den vijand, het ridderlijk
zijn tegenover de vrouwen ; kortom, hij schrijft een
volledig handboek over soldateneer ten gebruike
van de overwinnaars. Nu en dan treedt hij in politieke
beschouwingen en bespreekt hij de vredesvoorwaarden. In dit opzicht is hij niet veeleischend ; hij vraagt
niets anders dan schadeloosstelling : „Waartoe zouden
wij hun gebied on'tnemen ? . . We kunnen van een
stuk van Duitschland toch geen Frankrijk maken ?"
Zoo kent ook de kunst haar Gloria victis!
Brengen wij ons voor den geest het beroemde schilderij
van Edouard Detaille, „ S a l u t a u x b l e s s é s . "
Een troep gewonde Duitsche soldaten trekt voorbij
over een doorweekten weg. Aan weerszijden staan
Fransche soldaten : officieren van verschillende ran­
gen en gewone soldaten.Allensalueerende gevangenen,
die voorbij trekken ; twee hoofdofficieren treden naar
voren en salueeren door het hoofd te ontblooten.
Welk ander land kan in zijn kunstproducten zulk
een treffende uitdrukking van ridderlijk medegevoel
voor den overwonnen vijand toonen ?
Wij willen dit hoofdstuk eindigen met een gedeelte
uit het zeer schoone gedieht van Victor Hugo :
Apr és l a b at a i 11e aan te halen, waarin
de dichter in een loflied zijn vader bezingt, die een
daad van zeldzame edelmoedigheid jegens een over­
wonnen vijand verricht :
„Mon pére, ce heros au sourire si doux,
„Suivi d'un seul housard qu'il aimait entre tous
„Pour sa grande bravoure et pour sa haute taille,
„Parcourait ä che val, le soir d'une bataille,
24
GLORIA VICTIS.
„Le champ couvert de morts sur qui tombait la nuit.
,,U lui semble dans l'ombre entendre un faible bruit.
„C'était un Espagnol de l'armée en déroute,
„Qui se trainait sanglant sur le bord de la route,
„Rålant, brisé, livide, et mort plus qu'å moitié,
„Et qui disait : ,,A boire, ä boire par pitié \"
„Mon pére, ému, tendit å son housard fidele
„Une gourde de rhum qui pendait å sa seile,
„Et dit : „Tiens, donne å boire å ce pauvre blessé."
„Tout ä coup, au moment ou le housard baissé
„Se penchait vers lui, l'homme, une espéce de Maure,
„Saisit un pistolet qu'il étreignait encore,
„Et vise au front mon pére en criant : „Caramba \"
„Le coup passa si pres que le chapeau tomba
„Et que le cheval fit un écart en arriére.
„Donne lui tout de méme ä boire !" dit mon pére.
(„Mijn vader, die held met vriendelijken glimlach, reed,
„Gevolgd door één enkelen huzaar, dien hij boven
allen lief had
„Om zijn groote dapperheid en om zijn hooge gestalte,
„Den avond na den slag
„Over het slagveld, met dooden bedekt, waarover
de nacht viel.
„In de duisternis meende hij eenzwakgeluidtehooren.
„Het was een Spanjaard van het verslagen leger,
„Die bloedend, gebroken, lijkbleek en rochelend,
bijna stervend,
„Zieh langs den kant van den weg voortsleepte,
„En zeide : „Geef mij te drinken ! Heb meélij ; geef
mij te drinken !"
„Bewogen, reikte mijn vader aan zijn trouwen huzaar
„De flesch met rhum over, die aan zijn zadel hing,
„En zeide : „Hier, geef die arme ziel te drinken."
„Plotseling, op het oogenblik dat de huzaar, neergeknield,
„Zieh naar hem boog, greep de man — een Moor —
„Het pistool vast, dat hij nog in de hand had,
„En mikte op mijn vader's hoofd, uitroepende :
„Caramba!"
GLORIA VICTIS.
25
„De kogel vloog zoo rakelings voorbij, dat zijn hoed
getroffen werd en viel,
„En dat zijn paard achterwaarts sprong.
',Geef hem töch te drinken," zeide mijn vader.")
Het Gloria victis der Franschen beteekent
het voorgoed verlaten van de tradities van het barbaarsche verleden, het volledig breken met den geest
van Attila en Djenghis-Khan, een breken met de
militaristische leer, die zegt, dat een oorlog naarmate hij wreeder is inderdaad ook humaner is, omdat
hij dan korter duurt. Het G l o r i a v i c t i s is
niet slechts een uitvloeisel van aangeboren ridderlijkheid, het is ook een uiting van verheven moralite it.
V a e v i c t i s is een strijdkreet der barbaren.
Gloria victis voert naar hoogere sferen van
licht en geluk.
VI.
LETTEREN
EN
WETENSCHAP.
Het Lied van Roland kan beschouwd wor­
den als het eerste voortbrengsel der Fransche literatuur. Zijn verschijning werd met groote^ geestdrift
begroet en het heeft gedurende eeuwen zijn populariteit we ten te behouden.
De faam van dit gedieht verbreidde zieh ver over
de Fransche grenzen. Het werd vertaald en nagevolgd
in verscheidene Europeesche talen, en overal waar
het bekend was, genoot het dezelfde warme ontvangst
als in Frankrijk zelf. Het was de openbaring van een
nieuwe wereld, een ridderlijke wereld, die door haar
heldenavonturen, door haar cultus van de dapperheid en de trouw, door haar lichtend ideaal de gemoederen kon betooveren en ontroeren.
Reeds in de XIIlde eeuw waren Roland en de
andere nationale helden van Frankrijk wélbekend
26
LETTEREN EN WETENSCHAP.
en geliefd over heel Europa, van IJsland af tot Sicilié
van Engeland tot Klein-Azié. Italiaansche, Spaansche,'
^°^*^?eesche' -^n§e^sc^e» Duitsche, Nederlandsche,
Oud-Noorsche, Zweedsche en Deensche kronieken
roemden hun wapenfeiten, en kunstenaars hieuwen
hen uit in steen, sneden hen in hout, brandden hen
m glas of beeldden hen uit in mozai'ek.
Hetzelfde gold voor de geheele Fransche oude
literatuur. De cyclus van Koning Arthur en de
Ronde Tafel, die in Frankrijk zijn eersten artistieken
vorm kreeg, doorkruiste heel Europa, en Yvain,
Perceval, Lancelot, Tristan en Isolde werden met
dezelfde bewondering ontvangen als Roland,Renaud
de Montauban, Amis en Amiles, Ogier le Danois,
Octavian,
Evenzoo werd de rijke lyrische poézie van Provence
en van Noord-Frankrijk in den vreemde nagebootst.
De liederen der troubadours en trouvéres werden het
uitgangspunt van een nieuwe lyrische kunst in Duitschland, in Italié, Spanje en Portugal. Dante was tot op
zekere hoogte een discipel der troubadours evenals
de oude Duitsche m i n n e s i n g e r .
Het Frankrijk van de middeleeuwen heeft ook
een be1angrijke dramatische literatuur voortgebracht,
welke in de XVde eeuw haar hoogtepunt bereikte
in de groote mystéres, die met buitengewone
pracht door dramatische gezelschappen in alle Steden
werden opgevoerd. Ze duurden verscheidene dagen
en werden met hartstochtelijke belangstelling gevolgd.
Het was of men de bladen omsloeg van een reusachtigen bijbel met gekleurde illustraties of van een verzameling vrome legenden. De verdrijving van Adam en
E\ a uit het Paradijs, de dood van Abel, Abraham's
offer, het lijden van Christus en zijn dood ; de vervolging der heiligen door de Romeinsche keizers,
hun martelaarschap en him wonderen, alles werd in
levende beeiden voor de oogen der toeschouwers
gebracht. Zij konden zelfs God, den Vader, aanschouwen, tronend in Zijn hemel en omringd door
al Zijn engelen en aartsengelen, die Hem ter eere
LETTEREN EN WETENSCHAP,
27
Latijnsche psalmen zongen. Op dit middeleeuwsche
tooneel verscheen 00k Satan gevolgd door een stoet
van duivels, die vuur bliezen door den neus en het
publiek een heilzamen schrik inboezemden.
Berichten over deze merkwaardige voorstellingen,
waarin godsdienstijver hand aan hand ging met
het streven naar het schoone, werden overal verspreid. Verscheidene van deze mysterién werden in
vreemde talen vertaald, en Italié, Engeland, Duitschland en Holland hebben nit Frankrijk op het gebied
van dramatische kunst en techniek een krachtigen
impuls ontvangen.
Doch het was niet alleen op het gebied van de
belles-lettres, dat het Frankrijk van de
middeleeuwen een overheerschende plaats innam, 00k
op wetenschappelijk gebied was het baanbrekend.
Parijs was niet alleen de hoofdstad van het land, het
was 00k het wetenschappelijk centrum, waarheen
de leergierige jeugd werd aangetrokken. Uit de pro­
vindes en uit het buitenland togen de studenten
naar de beroemde Universiteit, de oudste en gedurende
langen tijd de belangrijkste in heel Europa. Er was
een algemeen verbreid Latijnsch gezegde, dat luidde :
„Filii nobilium, cum sunt majores,
mittuntur in Franciam fieri doctores", dat is: ,,Wanneer de zonen van de edelen
groot zijn, worden ze naar Parijs gezonden om doctor
te worden." Wij Denen, herinneren ons, dat een
der bekendste figuren uit onze middeleeuwen, bisschop Absalon, die Kopenhagen stichtte, zijn geestelijke opvoeding te Parijs. heeft ontvangen, waar
hij onder den invloed van de groote ideeén-beweging
kwam, die uitging van den abt Bernard de Clairvaux. Het was in Frankrijk, dat in hen de kiemen
werden gelegd, die later gedurende zijn episcopaat
in Denemarken zulke schoone vruchten hebben
voortge bracht.
Een Duitsch schrijver, Cesar von Heisterbach,
noemde Parijs f o n s t o t i u s s c i e n t i a e , de
bron van alle wetenschap, en in tal van gezegden
28
LETTEREN EN WETENSCHAP.
wordt het geprezen als de stad der Steden. Er was
een Latijnsch gezegde, „ E s t P a r i s a b s q u e
pari", waarmede de lof verkondigd werd van den
Griekschen held Paris, die Helena ontvoerde ; maar
in de middeleeuwen heeft men het op Parijs toegepast in den vorm Paris sans pair, Parijs zonder
weerga. Hetzelfde wordt uitgedrukt in een ander
gezegde ,,11 n ' e s t c i t é q u e P a r i s . "
Frankrijk was dus in de middeleeuwen het belangrijkste beschavingscentrum in Europa. Niet alleen
zijn wetenschap en lette ren, maar ook zijn schoone
kunsten hebben grooten invloed op de andere landen
geoefend. De Gothische stijl, die de nieuwe statig
ten hemel rijzende kerken heeft voortgebracht, de
belichaming als het ware van het godsdienstig
enthousiasme, dat de kruisvaarders bezielde, en van
het ridderlijk ideaal, kwam uit Frankrijk, waar hij
omstreeks noo tot uitmg kwam. Het beteekende de
toepassing van geheel nieuwe principes in de bouwkunst. In de Romaansche kerken waren de hoofdlijnen horizontaal, in de Gothische zijn ze verticaal ;
zij wijzen opwaarts en heffen den blik en de gedachten
van den mensch naar den hemel op. In de volgende
eeuw werd de nieuwe kunst tot volmaaktheid gebracht;
de slanke zuilen en de spitsboog, de hooge gewelven
en het schitterende gebrand glas bekoren het hart.
De kathedralen van Reims, Chartres, Atrecht, Parijs
zijn de be wondering van Europa geworden. In de
XIIlde eeuw begonnen Duitschland en andere aan­
grenzende landen den Gothischen stijl na te volgen.
Dåår kreeg hij nieuwe pracht en vond hij nieuwe
toepassingen, maar hij werd dor en vormelijk. De
schoonste producten van Gothische kunst worden
in Noord-Frankrijk gevonden.
Zooals we dus zien, was het Frankrijk, dat
in de middeleeuwen op velerlei gebied de leiding
in Europa had. En die rol speelt het heden ten
dage nog. Frankrijk heeft steeds aangevoerd. Indien
de dagen van Lodewijk den Heilige al een groot
tijdperk van de Fransche beschaving waren, de
LETTEREN EN WETENSCHAP.
29
eeuw van Lodewijk XIV was het in nog grootere
mate. In le grand siécle werd geheel Europa
verblind door den schitte renden glans, die uitging
van het hof van den Roi Soleil; en de Fransche literatuur was bekend en werd bewonderd en nagevolgd
overal. Fransche herdersromans, dierenfabels, treurspelen, blijspelen verspreidden zieh over heel Europa,
hetzij in de oorspronkelijke taal, hetzij in vertalingen ;
de Fransche geest was al-overheerschend. En inderdaad behooren Corneille en Racine, Moliére en La
Fontaine, Pascal, Boileau, La Rochefoucauld en La
Bruyére niet aan één, maar aan alle volken. Wat men
in de klassieke literatuur van Frankrijk zocht en
vond, was de helderheid van gedachte, de volle rijkdom van stemming, de schoonheid van vorm en de
fijnheid van uitdrukking. Deze hoedanigheden hebben
in werkelijkheid van de vroegste tijden af tot op
onze dagen de Fransche literatuur steeds gekenmerkt.
Het is van belang op te merken, hoe Duitschland
den invloed heeft ondergaan van de Fransche beschaving, en welke pogingen het gedaan heeft om ze zieh
eigen te maken. Als voorbeeld willen wij wijzenopde
geestdriftige be wondering, die de Astrée, de herdersroman van Honoré d'Urfé, in de beste Duitsche kringen heeft gevonden. In 1624 stichtten een groep
Duitsche dames en heeren de ,,Académie des vrais
amans". Zij gaven elkaar de namen van de helden en
heldinnen in het boek, en zij traden in briefwisseling
met d'Urfé, dien zij tot voorzitter kozen en wien zij
verzochten den naam Céladon aan te nemen, een
naam, dien geen hunner waardig was te dragen. Tevens
verzochten zij hem zoo spoedig mogelijk het vierde
deel van de Astrée te doen verschijnen, daar zij
de eerste drie deelen reeds geheel van buiten kenden.
Zoo kunnen wij begrijpen, waarom de Duitsche dich­
ter en philoloog Martin Opitz, die zijn taal van vreemde
dementen wilde zuiveren, met een zucht moest
verklaren, dat Parijs de eigenlijke hoofdstad van
Duitschland was. We moeten intusschen niet voorbijzien, d a t Opitz zelf i n zijn hoofdwerk V o n d e r
30
LETTEREN EN WETENSCHAP.
d e u t s c h e n Poe t e r e y (1624), waarin hij o p
het gebruik der moedortaal in de poezie aandringt
sterk onder den invloed gestaan heeft van den Fran­
schen Renaissance-dichter Ronsard.
Hetzelfde verschijnsel ziet men in de XVIIlde
eeuw. De nieuwe literatuur, de nieuwe politieke en
juridische beginselen, de nieuwe opvattingen omtrent
de maatschappelijke orde, die door Voltaire, Montes­
quieu, Diderot, Condillac, Condorcet en andere
encyclopaedisten werden verkondigd, drongen diep
in het buitenland door en werden met ijver bestudeerd. Zelfs de machtigsten der aarde brachten hun
hulde aan de Fransche schrijvers. Voltaire onderhield
een drukke briefwisseling met Frederik den Groote,
een briefwisseling, die uit den tijd dateerde, toen hij
nog kroonprins was. Na zijn troonsbestijging was
Voltaire dikwijls zijn gast te Potsdam en te Berlijn,
waar hij het schitterend middelpunt was van een
uitgelezen kring, die bijeenkwam bij den ,,philosoof
op den troon. Toen Diderot, in geldverlegenheid
verkeerende, van plan was zijn kostbare bibliotheek
te verkoopen, kwam Catharina II hem op de meest
edelmoedige wijze te hulp, en enkele jaren later
ondernam Diderot de lange en moeielijke reis naar
St. Petersburg, waar ieder wedijverde om hem eer
en hulde te bewijzen, terwijl de keizerin zeit in lange
gesprekken zieh door hem liet onderrichten.
De beschavingsinvloed, dien Frankrijk in het klassieke tijdperk op Duitschland heeft geoefend, wordt
in onze dagen door Seiler op zijn juiste waarde geschat :
,,Evenals bij het begin der XVIde eeuw de studie der
oudheid een geheelen ommekeer in ons intellectueel
leven te weeggebracht en aan een stroom van nieuwe
idee én het ontstaan heeft gegeven, evenzoo heeft
de opvoedende kracht van deze Fransche beschaving
— een beschaving ouder en veel hooger dan de onze —
welke bijna twee eeuwen heeft ingewerkt, niet alleen
aan ons uiterlijk leven een beschaafder vorm meegedeeld, maar 00k veel bijgedragen tot de verhooging
van het peil van ons zedelijk en geestelijk leven, tot
LETTEREN EN WETENSCHAP.
31
de verfijning van onzen geest en ons verstand beide.
Het is aan dezen zoo veel gesmaden Franschen invloed
te danken, dat wij onze grofheid en ruwheid hebben
afgelegd. Alleen door zieh toegankelijk te maken voor
deze schitterende, eenige, en in haar soort klassieke
beschaving, kon het Duitsche volk gered worden
nit den staat van ruwheid en van droevige middelmatigheid, waarin het door zijn schuld ot ondanks
zieh zelf in den loop van zijn geschiedenis was komen
te verkeeren. Zonder deze lessen zou het voor langen tijd
bij ons onmogelijk zijn geweest om van een fijne geestelijke beschaving en van een tijdperk der klassieke
letterkunde te droomen. Indien wij in de gedachte
plotseling alle toen door ons aan het Fransch ontleende termen afschaften, zouden wij gewaar worden,
dat het onmogelijk zou zijn, zoowel in het gewone
maatschappelijk verkeer en in het huiselijk leven als
op het gebied van wetenschap, handel en industrie
ons verstaanbaar te maken."
In de XIXde eeuw is Frankrijk nog het centrum der
Europeesche beschaving. Ten tijde van het roman­
tisme vooral viel er een ongekende opbloei van de
Fransche letteren waar te nemen. Nieuwe krachten
ontwikkelden zieh overal, nieuwe idealen van schoonheid bloeiden op, nieuwe vormen van kunst werden
geschapen, nieuwe harmonieén van woord, toon,
lijn en kleur — een rijke en schitterende renaissance
op allerlei gebied. Namen als Victor Hugo, de Lamar­
tine, Alfred de Musset, Alfred de Vigny, Stendhal,
Prosper Mérimée, Théophile Gautier, George Sand
wijzen op een geheel nieuwe aera der b e l l e s lettres, den roman, de novelle, het drama, de poézie.
De schilderkunst en de muziek bevonden zieh 00k
op nieuwe banen. De stoute pogingen van geniale
meesters wierpen de oude systemen omver, gaven
uitdrukking aan tot dusver onbekende stemmingen
en openden den weg voor nieuwe opvattingen van
schoonheid. Hier ontmoeten wij de schitterende figu­
ren van Horace Vernet, Eugene Delacroix, Hector
Berlioz en vele anderen.
32
LETTEREN EN WETENSCHAP.
Een herleving van de groote dramatische kunst
voltrok zieh op het Fransche tooneel, dank zij
Samson, den even onweerstaanbaren als veelzijdigen
tooneelspeler, en aan Rachel, die door haar nieuwe
creatie van Racine's vrouwenfiguren op de tragedie
een verhoogden glans heeft geworpen. Marie Malibran
en Pauline Viardot brachten door haar zang niet alleen
Frankrijk, maar de geheele wereld aan haar voeten.
Het was, alsof tusschen 1830 en 1850 Parijs en
alwat van Frankrijk kwam, een onweeistaanbare
bekoring had.
Werkelijk heeft Frankrijk tot op heden niet opgehouden op allerlei gebied van kunst een eerste en
leidende rol te vervullen. Indien men een lijst opmaakte
van de beroemdste namen onder de romanschrijvers,
critici, tooneelschrijvers, schilders, beeldhouwers,
bouwmeesters, componisten, zou men daaronder
voor het meerendeel Fransche namen ontmoeten.
De geheele wereld volgt met ongeveinsde, waarachtige belangstelling de nieuwe scheppingen der
Fransche kunst. Zij boeien steeds de aandacht, of
men ze bewondert of niet, en in den regel worden
ze overal nagevolgd. Geen boek maakt zöö sneleen
reis om de wereld als een Fransch boek, hetzij in de
oorspronkelijke taal, hetzij in vertaling. Nemen wij
als voorbeeld een philosophisch verhaal van Anatole
France of een van de reisverhalen van Pierre Loti.
Zoo laat zieh ook verklaren, waarom de Fransche
invloed op het den ken, op het ge voelsleven, op de
opvattingen van schoonheid der overige wereld zoo
groot is, en waarom in onze dagen de beschaafde
wereld zieh ten volle kan aansluiten bij de dichterlijke
hulde, die George Buchanan, de Schotsche humanist
ten tijde van de Renaissance, aan Frankrijk bracht
voor alwat hij aan dat land te danken had :
,,At tu, b e a t a Gallia, salve, bon arum
blanda nutrix artium,
„ S e r m o n e comis, patria gentium ojnnium communis."
LETTEREN EN WETENSCHAP.
33
(Heil u, gezegend Frankiijk, lieve voedster derschoone
kunsten,
Gij beschaafd in uw taal, gij het gemeenschappelijk
vaderland aller volken.)
Wat de wetenschap betreft, 00k hier ontmoeten
wij denzelfden rijkdom en dezelfde veelzijdige voortreffelijkheid.Blaise Pascal, de godsdienstige denker,
was een mathematicus van den allereersten rang. De
wijsgeer Descartes heeft de analytische meetkunde
gegrondvest. Lavoisiei (1734—1794) was de schepper van de moderne scheikunde, en zijn tijdgenoot
Lamarck (1744—1829)
met zijn vergelijkende
morphologie en zijn evolutietheorie de groote voorganger van Darwin geweest. Cuvier (1773—1838),
de vader der palaeontologie, heeft met buitengemeen
genialen durf den bouw der voorwereldlijke diesen
gereconstrueerd. Laplace (1749—1827) ontdekt nieuwe
wetten betreffende de beweging der hemellichamen,
en met de gebroeders Montgolfier begint de geschiedenis der luchtscheepvaart. Champollion (1790—1832)
ontcijfert het raadsel der Egyptische hiéroglyphen
en geeft ons daarmee den sleutel tot een belangrijk
hoofdstuk in de geschiedenis der menschelijke ontwikkeling. Door zijn berekeningen van de baan van
Uranus heeft Leverrier (1811—1877) met geniale
nauwkeurigheid het bestaan en de plaats van een
te voren niet bekende planeet vastgesteld ; en op
denzelfden dag, dat hij zijn werk publiceerde, vond
Galle bedoelde planeet, die Neptunus genoemd werd,
op de aangeduide plaats. Marcellin Berthelot (1827—
1907) was de grondlegger van de thermochemie,
en André-Marie Ampere (1775—1836) vond, gebruik
makende van de uitvinding van örsted '), de electrische telegraaf uit.
Deze enkele voorbeelden, die op goed geluk uit
') H. C. Örsted, 1777—1851, was een Deensch natunrkundige.
In 1820 ontdekte hij het electromagnet isme; hij deed verder
onderzoekingen over de samendrukbaarheid van water.
Frankrijk,
3
34
LETTEREN EN WETENSCHAP.
zooveel andere zijn gegrepen, bewijzen voldoende,
dat de Fransche wetenschap op velerlei gebied groote
Overwinningen heeft behaald. Laten wij met de
medische wetenschap, waarin het Fransche genie
en de Fransche durf buitengewone praestaties te zien
hebben gegeven, een weinig nader kennis maken.
In de middeleeuwen werd in Frankrijk de studie
der geneeskunde zeer gewaardeerd. De Universiteit
van Montpellier was het centrum der geheele medische
wetenschap. Verscheidene beroemde doctoren, zooals
Henri de Monde ville (1266—1320), de lijfarts van
Philips den Schoone, hebben medische studieboeken
geschreven. Ten tijde van de Renaissance moeten
wij vooral noemen Ambroise Paré (1510—1590),
den vader der moderne Chirurgie. Hij bracht weer
opnieuw in toepassing het afbinden der bloedvaten
gedurende een operatie, iets dat in de oudheid reeds
bekend was, maar sedert weer verge ten. In de XVIIde
eeuw verrichtte Jean-Baptiste Denis voor het eerst
een transfusie van het bloed van een diér op een
mensch. Philippe Pinel (1745—1826) Schafte het
gebruik af om dwangmethodes en pijnigingen op
krankzinnigen toe te passen ; hij behandelde ze als
zieken. De Abbé de l'Epée (1712—1789) bedacht ten
behoeve van de doofstommen het vinger-alphabet,
en Louis Braille leerde in 1829 de blinden lezen
met behulp van letters in relief. René Laénnec (1781—
1826) vond den stethoscoop en de methode van auscultatie uit. Claude Bernard (1813—1878) was de
grondlegger der experimenteele physiologie. JeanMartin Charcot (1825—1893) was de pionier op het
terrein van de neuropathologie, en Jean-Antoine
Villemin (1827—1892) stelde in 1868 in zijn beroemd
werk C a u s e e t n a t u r e d e l a t u b e r c u 1 o s e vast, dat tuberculose besmettelijk is.
Eindelijk komen wij aan den grootste van allen,
Pasteur (1822—1895), die de wetenschap der bacteriologie grondvestte. Hij bestudeerde de vorming en
de levensvoorwaarden der micro-organismen en leerde
de rol kennen, die zij bij het gistingsproces van bier,
LETTEREN EN WETENSCHAP.
wijn, bij het rottings proces, bij de plantenziekten, bij
de ziekten van menschen en die ren speien. Dit bracht
hem op het denkbeeld om bier, wijn en andere voedingsmiddelen te steriliseeren, om te immuniseeren
tegen verschilfende ziekten, als kanker, hondsdolheid
enz. Zijn wetenschappelijke uitvinding was van zeer
beslissenden en verregaanden invloed op allerlei
gebied, op den landbouw, den wijnbouw, de brouwerij,
de geneeskunde. Het Institut Pasteur werd in 1888
met groote plechtigheid te Parijs geopend ; het is
gewijd aan bacteriologische studies en onderzoekingen
en aan de behandeling van hondsdolheid. Het labo­
ratorium is toegankelijk voor onderzoekers en patien­
ten van alle nationaliteiten en het is opgericht uit
de bijdragen van edelmoedige bewonderaars en van
dankbare patienten uit alle oorden der beschaafde
were ld.
In de oudheid was Griekenland het centrum der
Europeesche beschaving. Met het ontstaan van het
Romeinsche rijk werd dit centrum verplaatst naar
Italié. Sedert de middeleeuwen is Frankrijk het land
geworden, dat de leidende rol vervult.
Het heilige licht, dat voor de menschelijke geslachten op hun weg door de eeuwen straalde, werd ontstoken te Athene en te Rome, maar het werd door
de barbaren gebluscht, toen ze in Europa vielen.
Na eeuwen van duisternis werd het opnieuw ontstoken
te Parijs, en van uit de Ville Lumiére straalt het
over de geheele wereld, verwarmend, verkwikkend
en aantrekkend.
VII.
SCHOONHEID EN VREUGD.
Frankrijk is het land der schoonheid. Zijn volk
bezit van nature den zin voor harmonie in lijn, kleur
en vorm, en op elk gebied van kunst ontmoeten wij
dezelfde hoofdeigenschappen, helderheid, nauwkeurig-
36
SCHOONHEID EN VREUGD.
he id, en vööral maatgevoel zoowel in het grootsche
en forsche als in het lichte en sierlijke.
De be wondering voor het kolossale, het vorm- en
stijllooze, die zoo kenschetsend is voor de kultuur
van andere volken, is in Frankrijk onbekend. De
overdrijving, de herhaling, het zware, het in de
breedte gerekte bijvoorbeeld zijn hoofdelementen
in de Oostersche literatuur en kunst. Het kolossale
hebben de Grieken ver vangen door het groote, het
gemaakte en het gestileerdedoorhetnatuurlijke.enhet
zijn de Latijnsche Volkeren, die de erfenis der klassieke
oudheid hebben bewaard.
De liefde der Franschen voor het schoone heeft
niet alleen in de groote kunst haar uitdrukking
gevonden, zij heeft ook haar stempl gedrukt op elk
voorwerp in het dagelijksch leven in gebruik, van het
gebedenboek der middeleeuwen tot de postzegels,
briefkaarten, munten, bankbiljetten enz. uit onze
dagen.
Dit is dan ook de verklaring, waarom Frankrijk
zulk een rijk ontwikkelde en geheel aparte kunstindustrie bezit. Velerlei is het gebied, waarop het
Fransche vernuft en de Fransche smaak zieh richten.
* We zullen er een kiezen : de ceramiek. In den tijd van
de Renaissance schittert met verbündenden glans de
was
naam van Bernard Palissy (i5xo—1590)niet alleen een vermetel kunstenaar en een geleerde,
hij was ook een held, die den spot en de verdachtmakingen van de wereld durfde trotseeren, een martelaar,
die de grootste ontberingen verdroeg en eindigde met
de meubels van zijn huis op te offeren om het vuur
van den oven gaande te houden, waarin hij zijn
faience bakte. Het heilige kunstvuur brandde in hem,
en na jaren van de pijnlijkste inspanning slaagde hij
er in het Italiaansche glazuur voort te brengen en
werd hij de schepper eener nieuwe kunst.
In de volgende eeuwen vervaardigde men veel
fai'ence te Nevers, Sinceny, Rijssel, Parijs, SaintCloud en in tal van andere Steden. In 1690 werd aangekondigd, dat ,,le sieur de Saint-Etienne", meester
SCHOONHEID EN VREUGD.
37
der faience-fabriek te Rouaan, het geheim had
ontdekt om in Frankrijk porcelein-werken voort
te brengen, en spoedig daarop ontstonden over
het geheele land porcelein-fabrieken. Die van Sevres
vooral bereikte zulk een technische en artistieke
volmaaktheid, dat ze over de geheele wereld beroemd
werd. We moeten ook Limoges noemen als centrum
van een ontzaglijke porcelein-fabricatie. Naast deze
fabrieken werken in Frankrijk een groot aantal
ceramisten uitsluitend voor zuiver artistieke doeleinden. Hun producten worden tot de schoonste voortbrengselen der ceramiek gerekend. We noemen
de namen Th. Deck, Ernest Chaplet, Delaherche,
Bigot, Lachenal, Dalpayrat, Dammouse, maar boven
allen Jean Carries, een der fijnste en oorspronkelijkste
Fransche kunstenaars, wien men den bijnaam van
„le divin" heeft gegeven.
De zin voor schoonheid der Franschen openbaart
zieh ook in hun eerbied voor uiterlijke vormen in
het gewone maatschappelijk verkeer. Ziedaar een
element van schoonheid in het dagelijksch leven,
dat andere volken, de Germaansche volken in het
bijzonder, niet begrijpen en dat zij zieh slechts met
moeite eigen kunnen maken.
Van het begin der middeleeuwen afwerd Frankrijk
beschouwd als het land van hoffelijkheid, beleefdheid
en sierlijkheid. In de XHIde eeuw nam een Engeische
koning tot huiskapelaan een Franschen godgeleerde,
niet omdat hij in de theologie geleerder was dan
anderen, maar omdat hij de Fransche gratie zoo
goed kende, q u i a f r a n c i c a m e l e g a n t i a m
n o ve r at. Het is ook wel teekenend, dat een der
eerste woorden, die de Duitschers van de Franschen
hebben overgenomen, het adjectief f in was, dat den
vorm fein kreeg.
Onder courtoisie verstaan de Franschen de
ridderlijke beleefdheid, de aangename omgangs\orm.
Een daarmee gelijkwaardige uitdrukking bestaat in
de Germaansche talen niet. Zoo is het Fransche woord
overgenomen door de Noren, en het bestaat nog in
38
SCHOONHEID EN VREUGD.
IJsland in den vorm kurteis i. Hoe nauw de
begrippen „courtois" en „frangais" met elkaar verbonden zijn, leeren wij uit het gezegde : Q u i d i t
Fran 9 a i s dit courtois. En dat de roep van
beleefdheid, dien de Franschen hebben, ook ver in
het buitenland erkend wordt, leert ons de Amerikaansche zegswijze : As p o l i t e a s a F r e n c h m a n .
De Fransche courtoisie heeft verschillende
ontwikkelingsphasen doorloopen. In een literair gewaad
ontmoeten wij ze voor heteerst bij Chretien de Troyes.
De ridderlijke en kuische helden van zijn romantische
werken waren de ideaal-types van de hoogere klassen
der toenmalige samenleving, en in Lance lot in het
bijzonder vinden wij de eerste uitingen van de vereering voor vrouwen, die zoo karakteriseerend is voor
een aanzienlijk deel der literatuur, die daarop volgde.
In Frankrijk heeft men vroeger dan in andere landen
den verfijnenden en veredelenden invloed van de
vrouw op de maatschappelijke verhoudingen gevoeld
en begrepen, en men bracht haar ridderlijke hulde,
omdat men voelde, dat de liefde eener vrouw niet
alleen het grootste geluk in het leven is, maar ook
zijn meest verheven poezie.- Hoe treffend schoon
wordt dit uitgedrukt in het oude Volkslied :
,,En paradis va
,,Qui belle amie a ;
„Nul autre n'y va."
(„Die de liefde bezit van een mooi meisje
„Komt in het paradijs.
„Anderen komen er niet.")
De glimlach van een vrouw was de schoonste
belooning voor een ridder.
We zullen hier iets aanhalen uit het militaire leven
in de middeleeuwen, dat te vens een merkwaardig
voorbeeld is van wat men de panache noemt in
den besten zin van het woord.
In 1250 streden een troep kruisvaarders in Egypte
tegen een overmacht van Turken. De afloop is bekend-
SCHOONHEID EN VREUGD.
39
het Fransche leger leed een beslissende nederlaag,
en de koning van Frankrijk, Lodewijk de Heilige,
werd gevangen genomen. De slag werd in bijzonderheden beschreven door Join ville. In het heetst van
den strijd, terwijl Joinville en de zijnen een brug
tegen de Turken verdedigden, die onder wild krijgsgeschreeuw vooruitdrongen, riep plotseling de graaf
de Soissons hem schertsenderwijs toe : „Seneschau,
lessons huer ceste chiennaille ; que, pai la quoife
Dieu ! (ainsi comme il juroit) encore en parleronsnous, entre vous et moi, de ceste journéees chambres
des dames". (,,Seneschalk, laat dat tuig schreeuwen
zooveel het wil, want bij God's kap ! (zoo zwoer hij)
gij en ik, wij zullen eens van dezen dag verteilen
in de kamers der dames." We zien hier, hoe zelfs in
het heetst van het gevecht, toen de veiligheid van
het geheele leger op het spel stond, de Fransche
ridder zijn goedgeluimdheid geen oogenblik verloor ;
hij lachte om het gevaar en dacht aan de schoonen,
aan wie hij eens, wanneer hij teruggekeerd zou zijn
in Frankrijk, van zijn dåden zou verteilen en die met
schitterende oogen zijndapperheidzoudenbewonderen.
Reeds zeer vroeg schreef men in Frankrijk didactische gedichten over goede opvoeding en goede manie­
ren. Men bracht ze over in proza, en sommige daarvan, zooals d e M i r o i r o u c i v i l i t é p u e r i l e
de la jeunesse van Mathurin Cordier genoten
een bijzondere bekendheid. Dit boek verscheen te
Poitiers in het midden der XVIde eeuw en werd
dadelijk na zijn verschijnen in het Duitsch vertaald
onder den titel J u g e n d s p i e g e l . D e D e ci v ilitate morum puerilium van Erasmus te
Rotterdam werd dus niet als voldoende beschouwd;
Fransche opvoeding en leefvvijze, Fransche regels der
wellevendheid" wilde men leeren kennen, daaraan had
men behæfte. Men wilde leeren loopen en staan, aan
tafel zitten en eten, een gesprek voeren en het
hof maken aan de dames, zooals men het deed in
Frankrijk.
Men stelde zieh niet tevreden met het bestu-
40
SCH00NHEID EN VREUGD.
deeren van de Fransche beleefdheidsvormen uit de
boeken, men zond zijn zonen naar Frankrijk om
daar met eigen oogen te zien en te leeren. „Wanneer
deze jonge menschen uit hun land vertrekken," zegt
de l'Hermine in zijn M é m o i r e s d e d e u x
voyages, „lijken ze wel standbeeiden, zij schijnen geen houding te kunnen aannemen en geen
raad te weten met hun han den. Maar wanneer ze
vier of vijf jaar in Frankrijk hebben doorgebracht,
waar zij gewoonlijk heengaan om te leeren, keeren
zij naar hun land te rug, volmaakt in houding en
manieren, en hebben zij leeren schermen, dansen,
paardrijden en is hun geest verrijkt met de kennis
van talen . . . .; ze zijn dan gevormde menschen ge­
worden."
De Italiaansche diplomaat Balthasar Castiglione
heeft in zijn werk II Cortegiano (Venetié 1528)
voor het eerst de vraag besproken, aan welke eischen
iemand, die op de hoogste geestelijke en maatschappelijke beschaving aanspraak wil maken, moet
voldoen. Het onderwerp wordt behandeld in den
vorm van gesprekken tusschen mannen van smaak,
geleerden en dames aan het hof van den hertog van
Urbin. Het boek maakte geweldigen opgang en werd
in het Fransch vertaald. De Fransche ,,beaux-esprits"
zetten de besprekingen over dit moeielijke onderwerp
voort. Verscheidene oplossingen werden voorgesteld.
De beste schijnt geweest te zijn die van Vaugelas,
den hervormer van de Fransche taal ten tijde van
Lodewijk XIII. Hij zegt, dat de essentieele eigenschap
van een galant homme is ,,un composé oü il
entroit du je ne s^ay quoi, ou de la bonne grace,
de l'air de la cour, de l'esprit, du jugement, de la
civilité, de la courtoisie et de la gayeté, le tout sans
contrainte, sans affectation et sans vice." Zoo was
de Fransche g a l a n t h o m m e of h o n n é t e
homme, die tot aan de Revolutie de verpersoonlijking was van de hoogste sociale beschaving in
Europa.
In de groote eeuw werd de courtoisie bestu-
SCHOONHEID EN VREUGD.
41
deerd als een kunst en uitte ze zieh in den hoogsten
vorm van galanterie. Ver bovenaan schitterde le Roi Soleil zelf, die een nauwkeurig uitgewerkte etiquette tot in de kleinste bijzonderheden
in acht nam en wiens vormen en manieren voor
een ieder een model waren. Saint-Simon vertelt op
interessante wijze, hoe hij de menschen groette.
Wanneer hij een heer ontmoette, achtte hij het over
het algemeen voldoende de hand aan den hoed te
brengen ; hij ontblootte het hoofd alleen voor prinsen
van den bloede. Daarentegen nam hij steeds den hoed
af voor dames, diep of minder diep, naar gelang van
stand en rang. Was het een dame van hooge geboorte,
dan ontblootte hij gedurende enkele oogenblikken
het hoofd. Sprak hij met een dame, dan zette hij den
hoed niet eerder op, dan nadat hij van haar afscheid
had genomen.
De Fransche courtoisie is zieh verder blijven
ontwikkelen gedurende de geheele XVIIIde eeuw, en
heeft toen een graad van volmaaktheid bereikt, die
nooit te voren noch daarna overtroffen werd. In dit
tijdperk is zij minder vormelijk geworden, zij is vrijer,
meer spontaan en minder gewild geworden. De persoonlijkheid kwam daarbij een grootere rol te spelen,
en dientengevolge was zij rijker en fijner genuanceerd.
Een enkel verhaal möge voldoende zijn om een denkbeeld te geven van wat deze ongeschreven wetten
eischten, en van de hooge gratie, waarmede de g r a n d s
seigneurs zieh daaraan onderwierpen.
Een Russisch edelman, die zieh te Parijs bevond,
wilde een re vue der Fransche garde regimenten bijwonen. Maarschalk de Biron leende hem voor dit doel
een paard, en de Rus zeide na de revue onder dankbetuigingen, dat hij nooit zulk een paard had bereden.
Toen hij te St. Petersburg terugkeerde, vond hij bij
zieh thuis dit paard en drie stalknechten in de livrei
van den maarschalk ; de eerste met ontbloot hoofd
hield de teugels vast ; de tweede met een knie
op den grond bood hem den stijgbeugel; de derde had
een brief in de hand.
42
SCHOONHEID EN VREUGD.
Het was natuurlijk tegenover vrouwen, dat de
courtoisie in haar schoonste vormen tot uiting
kwam. Nooit, in welke eeuw ook, werd de vtouw
zoo diep vereerd als in de eeuw van Madame de
Pompadour. Zij was de heerscheres in de groote
wereld ; koningen, ministers, generaals lagen aan
haar voeten. Haar geringste wenschen werden vervuld, haar grillen waren wet. Zij drukte op alles
haar stempel: kunst, politiek, meubels, het salonleven, de conversatie enz. De volgende anecdote geeft
een illustratie van de Fransche vereering voor de
vrouw. Een Parijsche adellijke dame had vicomte
de S. gevraagd haar zijn rijtuig te leenen voor de
wedrennen, die den volgenden dag zouden plaats
hebben. Ongelukkigerwijs had de Vicomte het reeds
aan een ander uitgeleend, maar, daar het hem toch
niet mogelijk was op het verzoek van een vrouw met
een weigeringte antwoorden, bestelde hij bij zijn rijtuigfabrikant een rijtuig van het allerlaatste en fraaiste
model om het voor een paar luttele uren aan de dame
te kunnen leenen. Deze handelwijze van den vicomte
werd als bijzonder beminnelijk en galant gewaardeerd,
maar ze verbaasde niemand. Het was een natuurlijk
uitvloeisel van de vereering en den eerbied, die een
welopgevoede man aan een vrouw verschuldigd was.
De c o u r t o i s i e -van de XVIIIde eeuw is de
panache in een anderen vorm. Zij is met de
Revolutie verdwenen en zou niet meer terugkeeren.
In de democratic is daarvoor geen plaats meer en
slechts weinigen kunnen die verdwijning betreuren.
Toch had ze haar eigen beteekenis als de uiting van
een ridderlijken geest, die op haar manier heeft
bijgedragen tot vermooiing van het leven.
De Fransche zin voor elegance en voor verfijning
komt op duidelijke wijze aan den dag in de kleeding
en in de keuken, twee terreinen, waarop de superioriteit der Franschen gedurende langen tijd onbetwistbaar is gebleven.
De nieuwe modes kwamen uit Frankrijk en zij vonden bewonderaars en navolgers in andere landen.
SCHOONHEID EN VREUGD.
43
In een oud gedieht geldt het als een bijzondere lof
voor een ridder, dat hij op Fr ansehe wijze is gekleed.
En in versehillende moderne talen komen uitdrukkingen voor, die bewijzen hoe algemeen verbreid de
roep is, dien de Franschen hebben op het punt van
smaak en sierlijkheid in de kleeding. In Litauen
zegt men : „gekleed en getooid als een Franschman";
in Bulgarije beteekent ,,gekleed zijn op zijn Fransch"
elegant ; in Sicilie wordt iemand, die goed gekleed
is, een Francisinu of een P a r i g i n u genoemd.
Wat de heerenmode betreft, zijn in de XIXde
eeuw de Franschen door de Engeischen voorbijgestreefd. Dassen, boorden, vesten moeten Engelsch
zijn en overal draagt men smokings. Ten aanzien der
damesmodes is echter niets veranderd, ijverigen
pogingen tot een nieuwen ommekeer ten spijt. Zelfs
gedurende dezen oorlog handhaaft Frankrijk gemakkelijk zijn superioriteit op dit punt.
In een brief uit Parijs aan de Daily Express
van September 1915 lezen wij, dat ,,wat de invloed
van den oorlog op het economische en sociale leven
00k möge zijn, Parijs nog steeds het centrum der
wereldmode blijft. De pogingen, die Amerika heeft
gedaan om zijn eigen modes te scheppen, zijn blijkbaar op niets uitgeloopen, want zij die hun kleeren
te Parijs hadden gekocht, zijn er allen weer teruggekomen als gewoonlijk."
Gedurende langen tijd nog zullen de zin voor schoonheid, de vindingrijkheid der Fransche mode-ontwerpers, het fijne gevoel der kleermakers voor harmonie
van kleuren en voor snit, het grade use vernuft der
naaisters om nieuwe modes te scheppen, zekere fac­
toren blijven voor het succes der Fransche modes
over de geheele wereld. De Fransche modes bekoren
en veroveren de wereld, omdat haar eenvoud of wel
haar rijke sierlijkheid zooveel bijdraagt om de schoonheid van de vtouw te verhoogen.
Naast de luchtige kirnst der mode heeft de meer
materieele culinaire kunst en wat daarmee verband
SCHOONHEID EN VREUGD.
houdt, eveneens een groot ontwikkelingsproces doorgemaakt. En ook daar weer is het de Fransche smaak,
die het succes verzekert. De Fransche keuken heeft
voor langen tijd gegolden en geldt nog steeds als
een model voor alle landen, en de spijskaarten der
restaurants zijn in verreweg de meeste landen in het
Fransch opgesteld.
Hoe hoog in aanzien de kookkunst in Frankrijk
staat, kan blijken uit het feit dat beroemde per­
sonen, ja zelfs koningen, tot de ontwikkeling daarvan
hebben bijgedragen. Colbert vond een saus uit, die
nu nog zijn naam draagt, en Lodewijk XVIII voerde
een nieuwen schotel in, d e t r u f f e s å l a p u r é e
d ' O r t a 1.
Een knappe kok, die zijn kirnst volkomen meester
is, wordt dadelijk bekend. Hij weet wat hij waard
is en wil gewaardeerd worden naar zijn Verdienste.
En in Frankrijk meer dan elders wordt een goede
kok naar waarde geschat. De eerste families vechten
om hem en hij wordt betaald als een minister. Toen
Napoleon het Congres van Aken hield, liet hij het
gastmaal, dat hij den diplomaten aanbood, door een
der beroemdste keukenmeesters van toen bereiden,
Marie-Antoine Caréme (1784—1833), die daar voor
speciaal uit Parijs ontboden was. Napoleon kende den
invloed van een uitstekend diner op den meest gesloten diplomaat. Voltaire heeft blijkbaar geen ongelijk
met een kok een ,,mortel divin" te noemen.
In Frankrijk verstaat men de kirnst om door de
fijnste combinaties en de zorgvuldigste bereiding
der schoteis den moeielijksten en meest eischenden
smaak te bevredigen. Daarbij komt nog, dat alles
wat verband houdt met het maal zelf, met de uiterste
zorg wordt bedacht en uitgevoerd :> de tafel, de
bediening, de volgorde der schoteis enz. Een maal
moet niet alleen een genot zijn, het moet ook een feest
zijn, een lust voor de oogen.
Men heeft uit hetgeen reeds meegedeeldis, kunnen
zien, dat Frankrijk het land van vreugde is. Schoonheid en vreugd worden gewoonlijk samengevonden,
SCHOONHEID EN VREUGD.
45
en alles in Frankrijk werkt er toe mee om den geest
in een gelukkige stemming te brengen en te houden.
De bodem is vruchtbaar, rijk en schoon. De zon is
warm en schijnt lang, en dat maakt de menschen
tevreden en goed. Bovendien bezit Frankrijk een
hoofdstad, die in de wereld eenig is als middelpunt
van schoonheid en van vreugde. Parijs is met alleen
schoon het is ook verleidelijk, betooverend, bekorend ,
de vreugde, de jeugd en de geest vinden daar de
schoonste en vrijste uitingen. Men kan van andere
Steden houden, op Parijs is men verzot. Parijs maakt
iemand jong en blij ; het draagt ook daarom onder
alle Steden den welverdienden bijnaam van ,,Ie
sourire de l'Europe".
Reeds van ouds is Frankrijk bekend geweest als
het land van den humor, van het spei, den dans,
de vroolijkheid en den lach. Rabelais heeft gezeg 1 .
,,le r i r e e s t l e p r o p r e d e l h o m m e ,
de lach is de kenmerkende eigenschap van den mensch.
Is dit waar, dan moeten de Franschen wel beschouwd
worden als een der zachtmoedigste en humaanste
volken.
,
. , ,
Literatuur en kunst beide leveren de volste bewijzen
van de liefde der Franschen voor scherts, hun neiging
om zieh over alles vroolijk te maken en van hun zin
voor ironie. De esprit gaulois is een der meest
treffende nationale eigenschappen. Een hartehjke
en gulle lach klinkt ons tegemoet uit de talnjke
fabliaux en de contes drolatiques,
waarvan het motief gewoonlijk een zinnehjk zyic^~
lijk karakter draagt. Geheel verschillend is de lach,
die opklinkt uit de Roman du renard, uit
de Farce de maitre Pierre Pathelin,
uit de blijspelen van Moliére en van Regnard, uit
de satiren van Boileau, Voltaire, Daudet, Anatole
France ; nu eens is hij helder en hartelijk, dan
weer is hij ingehouden en onderdrukt, of ironisch
en hooghartig, zelden bitter, doch steeds be
vrijdend.
De lach heeft in Frankrijk waarlijk een beschavende
46
SCHOONHEID EN VREUGD.
roeping vervuld. Hoeveel oude misbruiken, hoeveel
mgeroeste vooroordeelen, hoeveel dwaasheden heeft
hij met helpen uitroeien ? Beaumarchais gaf een voorproef van het werk der Revolutie, toen ziin Figaro
den dwazen en veilen rechters, den trotschen edellieden zijn uitdaging in het gezicht slingerde en ze
aan den meedoogenloozen spot van het groote 1publiek
pnjsgaf.
Er is een punt waaromtrent alle Franschen het
v o l k o m e n e e n s z i j n , e n d a t i s , d a t „ 1e r i d i c u l e
t u e."
De Franschen lachen en zingen. Het geheele volk
zingt, dat heeft het gedaan sedert het begin der mid­
deleeu wen. In zijn liederen heeft het zijn gevoelens
en stemmingen weergegeven. Er is een oud gezegde,
dat luidt : de Italianen slapen hun zorgen weg, de'
Spanjaarden verdrinken ze in tranen, de Duitschers
drmken ze weg, en de Franschen zingen ze weg.
Flfet lied is in Franknjk buitengewoon rijk en veelzijdig ontwikkeld. De volksliederen, de drinkliederen,
de spotliederen, de straatliederen, a.lle genres zijn
\ ertegenwoordigd en men vindt ze in de meest uiteenloopende perioden met hun vroolijke en opgewekte
re f reinen. In onzen tijd is de chanson opnieuw
gaan bloeien. Xanrof, Bruant, Mac-Nab hebben tot
onderwerp genomen de arme, ellendige straattypen,
het proletariaat. Deze c h a n s o n s p r o l é t a i r e s
roeren en schokken tegelijk en brengen het gemoed in
opstand tegen de maatschappelijke misstanden. Ze
hebben, naast artistieke waarde, een bepaalde tendenz.
De zang is onafscheidelijk verbonden met den dans.
Alle middeleeuwsche Meiliederen zijn tevens dansliederen. De lyrische poézie is begonnen met een
groet aan de lente, de wedergeboorte van de natuur.
Jonge vrouwen zingen van frissche, groene boschjes
en van lentebloemen, en op het rhythme van deze
me lod ie én maken zij rondedansen op de lachende wei­
den. De middeleeuwsche c ar o le leeft onder verschillende vormen nog voort in de Fransche provincies. In Auvergne dansen jonge mannen en jonge
SCHOONHEID EN VREUGD.
47
meisjes de bourrée; zij houden daarbij elkaar
bij de handen vast, en de lange keten buigt zieh vporen achterwaarts op de maat van de melodie. Op
andere plaatsen is de oude branle nog in eere,
waarbij een paar de andere paren leidt en de melodie
zingt; in de C a r m a g n o 1 e van de Revolutie ging
eveneens de zang gepaard met dans.
De volksdansen hebben invloed gehad op de artistieke dansen die, uit Italié afkomstig, in Frankrijk
een hoogen graad van volmaaktheid hebben bereikt.
Het is vooral Frankrijk geweest, dat aan het overige
Europa den dans als kunst heeft geleerd. De me n u e t,
die zulke hooge eischen stelt aan bevalligheid van houding en beweging, werd uitgevonden voor het hof
van Lodewijk XIV en was weldra de geliefkoosde
dans der beschaafde wereld. Na de menuet zijn tal
van andere dansen uit Frankrijk en andere landen
overgenomen.
Overal, in de verschillende uitingen van de Fransche
beschaving, vindt men steeds de gratie weer. Dit is een
element voor nieuwe overwinningen van het land
der schoonheid, dat vele harten verovert. De bekoring,
die er van uitgaat, is zoo innemend en zoo aangrijpend,
dat wij La Fontaine's geestdriftige hulde begrijpen,
wanneer hij tot lof van een gracieuse vrouw zegt :
,,Rien ne manque ä Venus, ni les lis, ni les roses,
,,Ni le mélange exquis des plus aimables choses,
,,Ni ce charme secret dont l'æil est enchanté,
,,Ni la gråce, plus belle encore que la beauté."
(,,Niets ontbreekt aan Venus, noch lelién, noch rozen,
„Noch de zeldzaamste schoonheden,
,,Noch de geheime bekoring, die de oogen boeit,
„Noch de gratie, schooner nog dan de schoonheid.")
Wij hebben hier reeds de woorden van bewondering
gehoord, die de Schotsche humanist Buchanan voor
Frankrijk, dat zijn tweede vaderland is geworden,
heeft uitgeroepen. Deze uitroep is door vele anderen
48
SCHOONHEID EN VREUGD.
in proza- en in poézie vorm herhaald. Die be wondering
heeft in spreekwoorden in verschillende landen haar
uitdrukking ge vonden. De Spanjaarden zeggen:
Italia para nacer,Francia para vivir,
Espana para morir. In deze weinige woorden heeft de Spaansche volksgeest de drie groote
Romaansche volken geteekend. Men moet geboren
worden in Italié, omdat het klimaat er gezond is;
sterven moet men in Spanje, omdat daar zoovele'
kloosters zijn, waar men zijn laatste dagen in vrome
rust en overpeinzing kan doorbrengen. Maar om te
leven moet men in Frankrijk zijn, want het is het
beloofde land van vreugd en van schoonheid.
VIII.
DE TAAL.
iegelijk met de oude Fransche literatuur heeft
de Fransche taal haar weg in alle richtingen over heel
Europa gevonden ; zij werd bestudeerd en gesproken,
bewonderd en geliefd ver over de grenzen van het
eigen land.
Na de verovering van Engeland door Willem van
Normandié in 1066, werd het Fransch gedurende
enkele eeuwen de overheerschende taal in dat land.
Fransch was de officieele taal van de regeering,
Fransch was de taal der gerechtshoven, en schrijvers
schreven in het Fransch. Fransch was de taal der
heerschende klassen, en volgens de woorden van een
oude Engeische rijmkroniek werd iemand, die geen
Fransch kende, geminacht. De volksklassen daarentegen zijn trouw gebleven aan het Engelsch, dat gaandeweg terrein won en eindigde met in de XIVde eeuw
het Fransch te verdringen, doch niet zonder daarbij
een buitengewoon groot aantal Fransche woorden
over te nemen, of liever, te behouden.
De overheerschende rol, die de Fransche taal in de
middeleeuwen in Engeland heeft gespeeld, is onge-
DE TAAL.
49
twijfeld eenig in haar soort. In geen ander land van
Europa is een dergelijk verschijnsel waargenomen.
Er zijn evenwel treffende bewijzen in overvloed, die
ons leeren, dat ook in andere landen de kennis van
het Fransch algemeen verbreid was, en dat deze taal
in eere werd gehouden niet alleen om de hoogere
beschaving, waarvan zij het kenmerk was, maar
ook om het schoone en welluidende van de taal zelf.
Een zeer belangwekkende verklaring omtrent
de plaats, die het Fransch sinds de middeleeuwen
in het internationaal verkeer heeft ingenomen,
geeft ons de M i r o i r des R o i s, een boek samengesteld in de XII Ide eeuw in het noorden van Noorwegen. Het is een soort handboek voor goede vormen
en manieren ten dienste van kooplieden, hovelingen
en koningen en bestaat uit een reeks gesprekken
tusschen een vader en een zoon. Ergens zegt de vader
tot den zoon : ,,Als ge u een volmaakte ontwikkeling
wilt eigen maken, moet ge alle talen leeren, maar
voör al Latijn en ,,vaelsk", d. i. Fransch, want door
de kennis van deze talen kan men het verst
vooruitkomen."
Van de middeleeuwen af is het steeds mode en een
eisch van goede opvoeding geweest om Fransch
te kennen. We weten bijvoorbeeld, dat in Duitschland
vele aristocratische families Fransche leermeesters
voor hun kinderen namen.
Indien de -Fransche taal zoo ruim verbreid was,
dan kwam het niet alleen, doordat ze de sleutel was
tot een hoogere beschaving en tot een hoog ontwikkeld geestelijk leven, maar ook hiervan dat ze door
haar welluidendheid, haar schoonheid en sierlijkheid zoo bekoorde. Ze vond door het oor de weg tot
het hart.
Typeerende voorbeelden daarvan geven ons de
vreemde schrijvers, die het Fransch verkozen boven
htm eigen taal. Zelfs de Italianen, die zelf een schoone
taal bezitten, vonden het Fransch nog schooner.
Brunetto Latini, Dante's meester, Steide in 1265
een groote encyclopaedic samen onder den titel
Frankrijk.
4
50
DE TAAL.
Li Tresors. In de voorrede zegt hij dat, indien hij
het werk in het Fransch en niet in het Italiaansch heeft
geschreven, wat velen zou kunnen verbazen, een
der redenen daarvoor is, dat „la parle üre frangoise
est plus délitable et plus commune å toutes gens."
De bevoorrechte plaats, die sedert de middeleeuwen
het Fransch heeft ingenomen, heeft ze ten volle
behouden tot in onze dagen.
In de XVIde eeuw schreef de grammaticus Pillot
in zijn G a11i c ae l i n g u a e I n s t i t u t i o
(r550) •' „Men ontmoet tegenwoordig niet alleen in
Duitschland, maar ook in het overige Europaslechts
heel weinig menschen, die hun kinderen geen Fransch
willen laten leeren. Zij die van adel zijn, begrijpen
dat niets meer de algemeene achting kan verhoogen ;
zij die bemiddeld zijn, zien daarin een middel om
tot een positie en een ambt te geraken ; zij die arm
zijn, hopen daarmee hun bestaan te verbeteren."
De VI am in g Mellema zegt in de inleiding op zijn
V l a a m s c h - F r a n s c h w o o r d e n b o e k (1592), d a t l a t r e s
noble et tres parfaite langue fran9 a i s e is de meest verbreide taal in de geheele
Christenheid.
Men bestudeerde het Fransch zelfs in de centra
van geleerdheid. In 1572 werd Guillaume Rabot
de Salene, afkomstig uit Dauphiné, belast met het
doceeren van Fransch aan de universiteit van Witten­
berg. Dit was, voor zoo ver wij we ten, de oudste
leerstoel voor Fransch, die ooit in het buitenland is
ingesteld.
In de XV Ilde eeuw nam het Fransch een nog overheerschender plaats in Europa in, en in de XVIIIde
eeuw bereikte het t hoogtepunt van zijn verbreiding
en van zijn gezag.
Het werd de internationale wetenschappelijke
taal, aldus het Latijn ver vangende. Buitenlandsche
academies publiceerden haar verslagen en haar mededeelingen in het Fransch, en de Duitsche wijsgeer
Leubnitz heeft zieh evenals de Engelsche historicus
Gibbon in eenige zijner werken van deze taal bediend.
DE TAAL.
51
Het Fransch is 00k geworden de internationale
taal der diplomatic. De bij uitstek belangrijke rol,
die Frankrijk bij de politieke ontwikkeling van Europa
speelde zoowel als de fabelachtige luister, dien het
hof van Lodewijk XIV verspreidde, waren van zelf
oorzaak, dat de vreemde regeeringen er toe overgingen
haar nota's en documenten in het Fransch op te
stellen. De groote voordeelen van het gebniik van het
Fransch, die algemeen en overal werden erkend,
waren de nauwkeurigheid en de duidelijkheid van
uitdrukking, twee bijzonder kostbare eigenschappen,
die noodig zijn in diplomatieke stukken. En indien
het eens mocht voorkomen, dat twijfel ontstond om­
trent de juiste beteekenis van een woord, dan loste
men dien op door de Dictionnaire de l'Académie
fran?aise te raadplegen, waarvan het gezag in dergelijke kwesties door een ieder werd erkend.
Tegelijkertijd werd het Fransch algemeen erkend
als de sierlijkste en meest aristocratische taal van
Europa. Friedrich von Logau (1604—1655) schreef
in een epigram :
„Wer nicht Französisch kann
„Ist kein gerühmter Mann"
(„Die geen Fransch kent,
„Is geen man van naam".)
Duitsche grammatici gewagen met lof van de
schoonheid en de helderheid der Fransche taal. Zij
begrijpen, dat de edele taal van de Fransche klassieken, zooals die klinkt in de gedichten van Rotrou,
Corneille, Racine, het resultaat is geweest van lange
artistieke en critische pogingen en dat zij de waardige
en harmonieuse uitdrukking is van de gedachten
en de gevoelens van een hoogbeschaafde maatschappij.
Haar schoonheid is zoo verleidelijk, dat een Duitsch
grammaticus heeft kunnen schrijven, dat men Fransch
moet spreken vooral tegen dames en zieh slechts
dan van het Duitsch moet bedienen, wanneer men
boos is en beleedigen wil ( c u m m u l i e r i b u s
52
DE TAAL.
loquendum est gallice, cum hostibus germanice).
Warmeer in Duitschland nieuwe ridderorden wer­
den ingesteld, gaf men daaraan bij voorkeur Fransche
namen. In 1660 ontstond de O r d r e d e l a Con­
c o r d e , sedert opgeheven ; in 1667 de O r d r e
d e l a G é n é r o s i t é , enin 1705 de O r d r e d e
la Sincérité. Deze laatste heet nu de „Orde
van den Zwarten Adelaar", terwijl de O r d r e d e
l a G é n é r o s i t é is geworden de „ O r d r e
pour le Mérite". Zoo draagt nog heden ten
dage de hoogste Duitsche onderscheiding een Fran­
schen naam.
Ten slotte is Fransch algemeen de hoftaal geworden
in Europa. Men sprak Fransch te Stockholm in de omgeving van Gustaal III, aan het hof van Catharina II
van Rusland, aan het hof van Stanislaus Poniatowski te Warschau. Koning Frederik II van Pruisen
Steide zieh niet tevreden met zijn redevoeringen en
mémoires in het Fransch te kunnen schrijven ; hij
was de taal zoo volkomen meester, dat hij zelfs in
staat was Fransche gedichten te schrijven. Voltaire,
die de proza- en poetische voortbrengselen van zijn
beschermer moest nalezen, kon slechts weinig te
verbeteren vinden.
Ook buiten de hofomgeving van Potsdam vond het
Fransch ijverige beoefenaars. De philosoof Moses
Mendelssohn deelt ons mee (1764), dat het Fransch
zulk een algeireene belangstelling en beoefening
vond, dat het te Berlijn het Duitsch bijna verdrong.
In i784schreef de Berlijnsche Universiteit de volgende
prijsvraag uit : „Waaraan dankt de Fransche taal
haar algemeene verbreiding ? Waarom verdient zij
dit voorrecht ? Is het te verwachten, dat zij haar
plaats behoudt ?"
De prijs werd toegekend aan Rivarol voor zijn spoedig broemd geworden beantwoording „ D i s c o u r s
s u r l'universalité de l a langue f r an9 a i s e", waarin hij de volgende Stelling formuleerde :
,,De Fransche taal is van alle talen de eenige, die een
DE TAAL.
53
volkomen zuiver ,en helder karakter bezit. Juist,
geschikt voor den omgang en voor de redeneering,
is het niet meer de taal van Frankrijk, maar de
gemeenschappelijke taal der menschheid.
Bij den aanvang der XIXde eeuw stond de ster
van de taal nog op haar hoogste punt, maar zij begon
daarna te dalen. Met de ontwikkeling van het roman­
tisme kwamen verschillende landen tot een nieuw
en verhoogd nationaal bewustzijn, en dit ontwaken
ging gepaard met het ontstaan van nienwe nationale
eischen en idealen. Overal kwam een reactie tegen
de al-overheerschende plaats, die de Fransche taal
innam ten koste van de eigen landstaal. Bovendien
kwamen verschillende andere volken naast Frankrijk
op de eerste rij te staan, en machtige mededmgers
betwistten dit land de Suprematie der taal. Door
oorzaken van verschillenden aard, nationale, politieke,
commercieele en militaire, verloor het Fransch in
de tweede helft der XIXde eeuw langzamerhand het
terrein, waar ze zoo laug absoluut geheerscht had.
Maar zelfs indien het intern at ion aal gebruik van
de Fransche taal aanmerkelijk beperkt is geworden,
zelfs indien haar practische waarde kleiner is gewor­
den, toch is niets veranderd aan de gevoelens, die
men tegenover haar koestert. Men beschouwt het
Fransch nog steeds als de schoonste, de fijnste
en de sierlijkste taal der geheele wereld. Zij blijft
nog steeds be wondering en liefde wekken. Yoor velen
is zij nog altijd na de eigen moedertaal het naast
aan het hart.
Tal van dichtere hebben den lof der Fransche taal
gezongen, tal van geleerden hebben haar schoonen
vorm en haar helderheid hoog geprezen. Maar waarschijnlijk heeft niemand haar schooner hulde gebracht
dan Alfred de Musset in de volgende regels gedaan
heeft :
Céleste, harmonieux langage,
,,Idiome de l'amour, si doux qu'a le parler
^
,,Les femmes sur la levre en gardent un sour ire.
(
54
DE TAAL.
. . .Goddelijke, welluidende taal,
,,Taal der liefde, zoo zacht, dat na het spreken
"Een vrouw er nog een glimlach van bewaart op de
i
lippen.")
De bij uitstek eenige rol, die sinds de middeleeuwen
de Fransche beschaving en daarmede ook de Fransche
taal in Europa hebben gespeeld, heeft onder meer
geleid tot het overnemen en het gebruiken in verschillende Europeesche talen van een groot aantal Fran­
sche woorden. Ontleende woorden zijn in 't algemeen
een bewijs van beschavingsinvloeden, die zieh heb­
ben doen gelden, en elk leenwoord dient gewoonlijk
om een leernte aan te vullen in den woordenschat
van de taal, die het woord overneemt. Fransche
woorden wemelen sinds de middeleeuwen in de
„Minnesinger" en in de Duitsche epische gedichten,
in Nederlandsche documenten, in de IJslandsche
„sagas , inde Italiaansche kronieken en ,,canzoni",'
zij zijn zelfs terug te vinden in oude Grieksche en
Cyprische teksten als onmiskenbare bewijzen van
den geestelijken invloed, dien de Franschen reeds inde
vroegste tijden in het Oosten hebben geoefend. Het
Latijnsche rijk van Constantinop>el werd gesticht door
Fransche kruisvaarders, en Fransche vorsten hebben
gedurende ongeveer drie eeuwen in Cyprus geregeerd.
. De oude leenwoorden betreffen hoofdzakelijk het
ridderwezen en alwat daarmee in verband Staat, middellijk of onmiddellijk: toernooien, wapens, costuums, modestoffen, kookkunst, goede manieren
en liefde.
Van de middeleeuwen af zijn de aan het Fransch
ontleende woorden in aantal gestadig toegenomen
en geven zij een getrouwe weerspiegeling van de
verschillende phasen van den Franschen invloed.
Deze woorden leeren ons Frankrijk kennen als een
land, waarvan de kunst, de letterkunde, de wetenschap, de militaire organisatie, de politieke en sociale
instellingen algemeen bewondering vonden en
algemeen nagevolgd werden. In verschillende landen
DE TAAL.
55
vormen Fransche woorden het hoofdbestanddeel van
de taal van het tooneel en van de militaire en
administrative terminologie. De overgenomen woor­
den leeren ons ook, dat Frankrijk het land is van
goede, beschaafde vormen, van élégance en van alle
soorten van verfijningen. Modeartikelen, modestoffen,
snuisterijen, reukwerken, wijnen, fijne schotels dragen
Fransche namen over de geheele wereld. Opgemerkt
moet ook worden, dat Fransche woorden en uitdrukkingen, als c h a r m a n t , é l é g a n t , g a l a n t ,
galanterie, délicat, délicatesse, coquet,
coquetterie, fin, chic, grand seigneur,
grande dame enz. met niet noemenswaard kleine
wijzigingen in verschillende moderne talen zijn over­
genomen en het burgerrecht hebben gekregen.
Eindelijk leeren ons de ontleende woorden, dat
Frankrijk in verscheidene takken van industrie en
techniek inderdaad de leiding heeft. We bepalen ons
tot den automobiel en de vliegmachine, waarvan de
terminologie op duidelijke wijze getuigenis aflegt
van de macht van het Fransche initiatief in onze
dagen. De woorden c h a u f f e u r , a u t o m o b i e l ,
biplan, hangar enz., die nu intern at ion aal
zijn geworden, komen van Frankrijk, ten minste in
hun technische toepassing.
Bijna alle overgenomen woorden kondigen zieh
dadelijk door hun vorm als vreemde woorden aan.
Maar aan den anderen kant zijn er woorden, die in
zulk een vroeg stadium zijn overgenomen en in den
loop van tijd zulke vormveranderingen hebben
ondergaan, dat alleen philologen hun Fransche her­
komst kunnen herkennen.
Men treft aan het Fransch ontleende woorden in
tal van landen, van Engeland en IJsland af tot KleinAzié toe. Deze woorden geven ons een denkbeeld van
de ruime invloedsfeer der Fransche beschaving in ver­
schillende tijdperken der geschiedenis. Laten wij nog
een laatste voorbeeld noemen. In IJsland plaatst men
als teeken van eerbied het woord S i r a vöör den
naam van een geestelijke, bijv. ,,Sira Ketill" ; nu
56
DE TAAL.
dit woord is niets anders dan het Fransche
„sire".
Men zou inderdaad een belangrijk hoofdstuk van
de geschiedenis der Europeesche beschaving met
behulp van de geschiedenis der aan het Fransch ontleende woorden kunnen schrijven.
IX.
HET LAND DER VRIJHEID.
Ten slotte is Frankrijk het land der vrijheid. Sommige volken heeft men slaafsch genoemd. Zoo heeft
men de Franschen nooit kunnen noemen, die keer
op keer de ondubbelzinnigste bewijzen hebben gegeven van hun liefde voor de vrijheid. Zij zijn wel
overwonnen geweest, zwaar beproefd door rampen,
maar nooit hebben ze er aan gedacht den rug te
krommen, nooit hebben ze zieh laten bevelen met
een korporaalstokje, of het moest zijn in de handen
van Napoleon.
Om deze reden hebben de Franschen zieh nooit
gemakkelijk kunnen onderwerpen aan discipline,
tenzij in kritieke tijden, wanneer het bestaan der
natie op het spel stond.
Van de vroegste tijden af heeft het volk zieh onderscheiden door een sterk ontwikkeld individualisme,
leder wil zijn persoonlijkheid ten voile doen gelden,
wil iets zijn door zich-zelf, en slechts met moeite
schikt hij zieh naar een ander. Wij hebben reeds
gezien, hoe Roland alles op het spel zet, omdat hij
niets anders dan zijn eigen persoonlijke ingeving
verkiest te volgen, omdat hij slechts dat gene wil
doen, wat volgens zijn inzicht de eer eischt, zonder
daarbij te letten op het welzijn van anderen.
Wij bezitten nog een uitdrukking, die het fiere
en onafhaakelijke individualisme der Franschen
karakteriseert, in het oude devies van een adellijk
geslacht :
HET LAND DER VRIJHEID.
57
„Je ne suis roy, ne prince aussy,
„Je suis le sire de Coucy."
(„Ik ben noch koning, noch vorst,
„Ik ben Heer van Coucy.")
Heer van Coucy — iets anders begeert hij niet
te zijn. Geen titel, geen waardigheid zou iets kunnen
toevoegen aan zijn faam of aan zijn gevoel van eigenwaarde. Er is niets trotschers, gelukkigers dan om
heer van Coucy te zijn.
Het is zeer kenmerkend, dat men in Frankrijk
in een aanspraak tot een persoon zijn titels niet
noemt, zooals men dat in Germaansche landen in
zoo overvloedige mate pleegt te doen. Men zegt
eenvoudigweg m o n s i e u r en m a d a m e . De
aanspraak „Monsieur le comte" past slechts in den
mond van dienaren, en zelfs de koningin had
geen recht op een andere aanspraak dan op die van
Madame.
De liefde voor de vrijheid openbaart zieh door
de geheele geschiedenis van het Fransche volk heen.
Geen volk heeft met grooter energie zieh gewijd aan
de idealen van vrijheid dan het Fransche, geen volk
heeft daarom 00k grooter aanspraak op de dankbaarheid van de tegenwoordige geslachten.
In de achttiende eeuw heeft het absolutisme in
Frankrijk zulke afmetingen aangenomen, dat het daardoor in een toestand van verarming en verwoesting
geraakte en het volk onder ondragelijk zwaren druk
werd gehouden. Maar juist, toen de druk en de daarmee
gepaard gaande spanning het hoogst waren, toen
kvvam een golf van vrijheid over het land, die in
korten tijd het ancien regime met zijn aankleef van misbruiken wegvaagde. Het volk richtte
zieh op. De koninklijke macht werd vernietigd, de
adel en de geestelijkheid werden van hun eeuwenoude
voorrechten beroofd, den ambtenaren werden hun
gekochte posities ontnomen. De T i e r s E t a t
kwam op het eerste plan. De groote revolutie, later
58
HET LAND DER VRIJHEID.
nagevolgd door andere landen, opende den weg voor
een nieuwen constitutioneelen regeeringsvorm en
schiep een nieuwen, irisschen democratischen geest,
een geest, die zijn schoonste uitingen vond in de
eerste phasen der revolutie.
Den 4den Augustus 1789 heeft de Nationale Vergadering hare D e c l a r a t i o n d e s D r o i t s
de l'h o m m e opgesteld. Zij was bedoeld ora voor
de menschheid een nieuwe aera te openen, en dat
heeft ze inderdaad 00k gedaan. De erkenning der
rechten van den mensch heeft een beslissenden en
overwegenden invloed geoefend op de vaststelling
van de grondslagen van het recht in de moderne
samenleving.
Deze verklaring is gebaseerd op het principe,
waarvan de algemeene erkenning te danken was
aan denkers als Montesquieu, Voltaire, Rousseau en
Turgot, dat alle menschen gelijk zijn. Zij worden
als gelijken en vrijen geboren, en zoo moeten ze blijve ?' P e mensc h heeft het natuurlijk recht om in
vrijheid te leven, om eigendom te verwerven, om beschermd te worden en zieh te verzetten tegen onderdrukking. De Staat is voor het volk en niet het volk
voor den Staat. Alle ambten moeten voor iedereen
open zijn, en elke burger moet de positie kunnen
bekleeden, waarvoor hij geschikt is. Niemand mag
veroordeeld worden om zijn persoonlijke meeningen,
zoolang en voor zoover ze de algemeen maatschappelijke orde niet verstoren. Godsdienstvrijheid, vrij­
heid van meening, vrijhéid van het woord, van de
pers en vrijheid van vergadering moeten ieder burger
verzekerd worden. De druk der belastingen moet
gelijkelijk over allen worden verdeeld; niemand
mag er aan ontkomen en ieder moet betalen overeenkomstig zijn middelen.
Dit zijn de grondbeginselen, waarop de verklaring
is gebaseerd. Ze zijn de grondslagen geworden van
de nieuwe maatschappij door de Revolutie in het
leven geroepen, en zij zijn het grondbeginsel gebleven van het publiek recht in Frankrijk. Zij komen
HET LAND DER VRIJHEID.
59
ons nu zo6 natuurlijk en van zelf sprekend voor,
dat we ons moeielijk kunnen voorstellen, dat een
algeheele omverwerping der bestaande maatschappij
noodig was om ze te doen erkennen.
Deze nieuwe geest heeft zijn formule gevonden
in de drie woorden L i b e r t é, E g a l i t é , F r a ­
ter n i t é. Deze woorden, die recht vragen voor het
individu zoowel als voor de naties, hebben hun vlucht
over de geheele wereld genomen, en daar waar ze
in toepassing zijn gebracht, hebben ze bijgedragen
tot verbetering van het lot en tot verhooging van
het geluk van millioenen menschelijke wezens.
De Fransche liefde voor de vrijheid is zuiver en
belange loos. Dit blijkt uit niets zoo duidelijk als
uit het feit, dat ze ook de vrijheid van andere
volken eerbiedigt. Frankrijk eischt voor zieh en zijn
beschaving geen wereldinacht. Integendeel, het
werpt ver van zieh de gedachte, dat één enkel
volk zieh aan het hoofd van andere volken meent
te moeten stellen en door zijn stempel op andere volken
te drukken den vooruitgang der menschheid wil
be vorde ren.
• Een jong Fransch geleerde schreef kort geleden :
,,Onze fout ligt misschien hierin, dat wij willen dat
men ons neemt zooals we zijn, met onze gebrekkige kennis van andere landen. Maar men moet
niet verge ten, dat deze fout ook in zieh sluit dat
wij anderen wenschen te laten zooals zij zijn ; wij
preeken niet tegen hen, en wij wenschen ook niet
dat zij zijn zooals wij. Zij hebben het recht te zijn,
wat ze zijn."
Deze enkele regels drukken het algemeene Fransche
gevoelen uit. Het vindt overal, niet het minst onder
de kleine naties, onverdeelde Sympathie.
De Franschen van het tegenwoordige geslacht
erkennen nog als steeds, dat de vrije, onbelemmerde
ontwikkeling van de eigen persoonlijkheid zoowel
in elk volk afzonderlijk als in de gemeenschap der
Volkeren een eerste voorwaarde van vooruitgang is.
De eerbied voor het recht van het individu maakt
6o
HET LAND DER VRIJHEID.
een deel uit van de harmonie in de we re Id, zij is
noodig voor het welzijn van alien.
Hoe oprecht en belangeloos de liefde voor de
vrijheid bij de Franschen is, blijkt niet alleen uit hun
eerbied voor de vrijheid van andere volken, maar ook
en vooral hieruit, dat zij ook steeds bereid zijn geweest
zieh het zwaard aan te gorden ter verdediging van de
bedreigde aangerande vrijheid van andere" naties.
Toen tegen het einde der XVIIIde eeuw Amerika
vocht voor zijn onafhankelijkheid, wekte zijn rechtvaardige zaak de levendigste Sympathie van hen,
die het ancien regime hartelijk verfoeiden ;
en in Februari 1777 vertrok een officier van twintig
jaar, de markies de La Fayette, naar de nieuwe wereld,
waar hij gedurende twee jaar een werkzaam aandeel
nam aan den onafhankelijkheidsoorlog en daarmee
de genegenheid en de dankbaarheid van het Amerikaansche volk wist te winnen.
Later nog heeft Frankrijk gestreden voor andere
volken, die zieh vrij wilden maken van geweld en
onderdrukking. De Fransche dichters hebben den
heroischen strijd van Griekenland en van Polen
bezongen. Het Fransche legeren de Fransche politiek
hebben een aandeel gehad aan de bevrijding van
Belgié. Fransche staatslieden en Fransche geleerden
hebben gearbeid aan de bevrijding van Italié van het
Oostenrijksche juk. Fransche soldaten hebben te
Navarino, te Antwerpen, te Magenta, te Solferino in
den dienst der vrijheid van andere naties hun bloed
gestört.
En terwijl in andere landen giftige theorieén
werden bedacht en uitgewerkt, volgens welke de
macht de eenige ware bron van het recht is, gaven
de Franschen zieh over aan schoone droomen van
vrijheid en rechtvaardigheid en trachtten zij deze
droomen om te zetten in levende werkelijkheid.
Frankrijk is trouw gebleven aan zijn verleden. In
de ure der beproeving verloochent Frankrijk zijn
verheven ideaal niet. Zamacols zegt in 1a F r a n 9 a is e :
HET LAND DER VRIJHEID.
61
,,Quand on parlera d'une cause
„Méritant im noble secours,
,,D'un ideal qui soit grandiose,
,,Les Fran^ais marcheront toujours !"
(,,Wan,neer ge spreekt van een edele zaak,
,'fcen z a a k , d i e s t e u n b e h o e f t ,
„Van een verheven ideaal,
,,Dan zijn de Franschen steeds bereid.")
Frankrijk is steeds gereed toe te Snellen, wanneer
het een grootsche zaak geldt, een zaak, die vrijheid
en vooruitgang beteekent. De panache van Hen­
drik IV schittert nog steeds in de verte ; de
witte veeren wuiven en wenken nog steeds
voorwaarts, daar waar toekomstverwachtingen kiemen, daar waar voor de lijdende en strijdende
menschheid de dageraad gloort van een nieuwen
en beteren dag !