De zendeling van de Hottentotten Deze keer wil ik jullie iets

De zendeling van de Hottentotten
Deze keer wil ik jullie iets vertellen over een dokter, die het Evangelie predikte in ZuidAfrika. Hij was al vijftig jaar, toen hij door het zendingsgenootschap in Londen werd
uitgezonden.
Dit zendingsgenootschap was in 1795 in de Engelse hoofdstad opgericht en had een oproep
gedaan aan mannen die de blijde boodschap onder de heidense Hottentotten wilden
verkondigen.
Zijn levensloop
Wie was die dokter eigenlijk? Wel, het was Johannes Theodorus van der Kemp, die in 1748
geboren werd in de pastorie van een predikant in Rotterdam. Dominee Van der Kemp en zijn
vrouw waren eigenlijk maar wat trots op hun zoon, die zo goed kon leren. Toen hij oud
genoeg was, stuurden ze hem naar de universiteit in Leiden, waar hij zou gaan studeren voor
arts.
Maar van studeren kwam niet veel terecht, want Johannes ging daar helemaal het verkeerde
pad op. Hij leefde volop in de zonde. Je kunt begrijpen dat zijn vader en moeder daar heel
veel verdriet van hadden.
Na enige tijd gaf hij zijn studie eraan en trad hij vrijwillig in militaire dienst. Het
soldatenleven was in die dagen losbandig en goddeloos. Maar dat deerde hem niet; Van der
Kemp deed daar naar hartenlust aan mee. Zestien jaar bleef hij beroepsmilitair. In die tijd
bracht hij het tot de rang van kapitein.
Toen hij trouwde, zei hij het soldatenleven vaarwel. Zijn leven werd nu heel anders. Hij kreeg
weer lust in de medicijnenstudie, die hij vroeger helemaal verwaarloosd had. In Edinburg, de
hoofdstad van Schotland, pakte hij de studie voor arts weer op. Na enige tijd slaagde hij en
mocht hij zich doctor in de medicijnen noemen.
Maar van het geloof van zijn ouders moest hij niets hebben. Hij geloofde zelfs niet meer in de
Heere Jezus, al ging hij nu door voor een fatsoenlijk burger. Zo was zijn leven als dokter in
Middelburg, waar hij een praktijk begonnen was.
Maar in die roerige tijden van patriotten en prinsgezinden brak er op zekere dag een geweldig
oproer los in de Zeeuwse hoofdstad.
Wat de oorzaak was weten we niet, maar de tierende mensenmassa deed ook een aanval op de
woning van de alom geachte dokter Van der Kemp. De ruiten van het doktershuis werden
ingegooid, de deur opengetrapt en even later was het gepeupel bezig de boel kort en klein te
slaan en begon men het huis te plunderen. Men ontzag zich zelfs niet de dokter te
mishandelen. Verschrikkelijk!
Naar Zwijndrecht
Daar in Middelburg wilde Van der Kemp niet meer wonen. Hij verhuisde zo gauw mogelijk
en begon in Zwijndrecht opnieuw met zijn werk. Maar daar trof hem een veel erger slag dan
in Zeeland.
Op een mooie zomerdag ging hij met zijn vrouw en dochtertje zeilen op de Merwede. Daar
werden ze verrast door een plotseling opkomende onweersbui en windhoos, die het zeiljacht
greep en vol water deed lopen, zodat het bootje zonk. Alle drie kwamen ze in het water
terecht. De dokter kon uitstekend zwemmen, maar zijn vrouw en kind niet. Hij zag hen voor
zijn ogen verdrinken. Eenmaal had hij zijn vrouw nog beet, maar door het geweld van de
golven werd ze weer uit zijn hand gerukt en daarna kwam ze niet meer boven.
Zelf kon hij zich nog vastklemmen aan de omgeslagen boot. Toen de plotseling opgestoken
wind even snel weer was gaan liggen, roeiden een paar schippers naar hem toe en brachten
hem in veiligheid.
Zo was in een moment zijn levensgeluk vernietigd.
Een andere levenskoers
Deze vreselijke gebeurtenis geeft een heel andere wending aan zijn leven.
Dokter Van der Kemp komt daardoor tot bekering. Hij smeekt God om vergeving en bidt hoe
het verder moet in zijn leven. Het antwoord vindt hij als hij de oproep leest van het Engelse
zendingsgenootschap. Hij steekt over naar Engeland en in Londen wordt hij uitgezonden naar
Zuid-Afrika.
Zo komt het dat hij in de kerstnacht van het jaar 1798 ergens op de Atlantische Oceaan is aan
boord van een Engels schip, dat een paar honderd misdadigers moet vervoeren naar Australië,
destijds een Engelse strafkolonie. Die boeven werden heel slecht behandeld. Zij zijn slecht
gekleed. Voldoende eten en drinken krijgen ze niet. Een groot aantal is ziek en frisse lucht
komt er niet in de ruimen.
Velen sterven onderweg van ellende. Maar wat geeft dat? Het zijn immers toch maar
misdadigers?
Is het een wonder dat er een oproer uitbreekt onder die arme stakkerds?
De scheepsbemanning is bang dat zij de overhand zullen krijgen, en wat dan?
Toch vraagt Van der Kemp aan de kapitein toestemming om in het ruim af te dalen, om die
arme mannen te helpen. Zullen ze hem niet verscheuren?
De dokter valt bijna flauw van de vreselijke stank die hem tegemoetkomt. De boeven dringen
dadelijk om hem heen, maar hij vertelt hun rustig dat hij gekomen is om hen te helpen.
Dan gaat hij meteen aan de slag. Hij deelt medicijnen uit en verbindt hun wonden, die
ontstaan zijn door hun zware boeien. Ook zorgt hij voor toevoer van verse lucht en goed eten
en drinken.
Maar hij doet meer, hij verkondigt aan die verschoppelingen het Evangelie. Als hij bij Kaap
de Goede Hoop het schip verlaat, vaart dat met zijn droeve last door naar Australië. Dat was
dus het begin van zijn zendingsarbeid.
Zendeling onder de Hottentotten
‘Wat, wilt u aan die zwarten het Evangelie prediken? Maar dat is helemaal niet nodig; die
mensen hebben immers niet eens een ziel?’
Zo wordt zendeling Van der Kemp ontvangen door de blanke Boeren. Ze lachen hem hartelijk
uit.
Nee, die slaven van de blanke mensen hebben die prediking echt niet nodig. Toch begint hij
aan zijn zendingswerk onder de Hottentotten.
Die wonen een heel eind verderop. In hun eigen land heeft Van der Kemp tenminste geen last
van de blanken. In een paar ossenwagens maakt hij de moeilijke en gevaarlijke tocht, steeds
verder de wildernis in. Eindelijk, na een tocht van vier maanden, is hij er.
Aan hun koning vraagt hij verlof of hij daar mag wonen. De zwarten kunnen bijna niet
geloven dat hij voor hun bestwil daar is. Ze blijven erg wantrouwig en vaak is zijn leven in
gevaar.
Bethelsdorp
Na veel tegenwerking en bedreigingen van de blanken en van de zwarten trekt de zendeling
nog verder en sticht daar een dorpje, dat hij Bethelsdorp noemt. Het is een verlaten streek, te
midden van wolven en leeuwen. Ook daar dreigen vele gevaren, maar de Heere bewaart hem,
dikwijls op een heel wonderlijke wijze.
Toch groeit Bethelsdorp; na een aantal jaren wonen er al meer dan duizend mensen, die
duizenden stuks vee bezitten en zich ook bezighouden met allerlei handwerk. De blanken
blijven echter heel vijandig. Zelfs de regering in Kaapstad, die hem verbiedt scholen te
stichten, want dan zouden de zwarten te wijs worden.
Eens gebeurt het dat twee zwarte zendelingen, die Van der Kemp uitgezonden heeft om te
prediken in de Kaapkolonie, door de Boeren aan een boom worden gebonden en mishandeld.
Daarna worden ze allebei in een kooi opgesloten en in de hete zon gezet, alsof het wilde
dieren zijn. Ze vertellen aan Van der Kemp dat ze uitgescholden zijn voor zwijnen en ossen.
Maar de zendeling weet hen te troosten. Hij wijst hen op de grote Meester, de Heere Jezus
Christus, Die ook gehaat en bespot werd.
Zijn einde
In het jaar 1811 wordt de zendeling ziek. Het wordt sterven; zijn krachten zijn uitgeput.
Van alle kanten komen de Hottentotten om afscheid te nemen van hun geliefde Jinkhanna,
zoals hij genoemd wordt. Een oude man zegt: ‘U bent een man Gods; u kwam van God en u
gaat nu terug naar uw God.’ De zieke fluistert zwakjes: ‘Ja, zo is het.’
Een van de inboorlingen vraagt: ‘Vader, is het licht?’ Hij antwoordt: ‘Het is licht’, en dat is
het laatste wat ze van hun geliefde meester horen.
Onder de zwarten is grote droefheid. Zij begraven hem in zijn eigen dorp, in Bethelsdorp, ver
van zijn vaderland, dat hij verlaten had om de heidenen het Evangelie te brengen.
Barnold Tubant
(StandVastig september 1995, p. 14, 15)