didachè - Den Brugsen Protestant

1
2
INHOUDSOPGAVE
WAT IS DE DIDACHÈ OF DE LEER VAN DE TWAALF APOSTELEN ..................................... 4
TEKSTOVERLEVERING .......................................................................................................................... 5
HET WOORD ‘DIDACHÈ' ....................................................................................................................... 6
DE TITEL ...................................................................................................................................................... 7
SCHRIJVER, TIJD EN PLAATS VAN ONTSTAAN ........................................................................ 8
INHOUD VAN DE DIDACHÈ. ................................................................................................................ 9
HET BELANG VAN DE DIDACHÈ .................................................................................................... 10
DE APOSTOLISCHE VADERS. .......................................................................................................... 11
RELATIE JODEN EN CHRISTENEN IN HET VROEGE CHRISTENDOM ............................. 12
DE LEER VAN DE TWEE WEGEN ................................................................................................... 13
DE DOOP .................................................................................................................................................. 16
VASTEN EN GEBED ............................................................................................................................. 17
HET AVONDMAAL ............................................................................................................................... 19
PROFETEN, APOSTELEN, LERAARS, BISSCHOPPEN EN DIAKENEN ............................. 21
GASTVRIJHEID, LEVENSONDERHOUD EN TUCHT ................................................................. 24
ESCHATOLOGIE ..................................................................................................................................... 26
KAN ONZE KERKORDE VERGELEKEN WORDEN MET DE DIDACHÈ? ........................... 28
GERAADPLEEGDE LITERATUUR..................................................................................................... 30
EINDNOTEN ............................................................................................................................................ 31
3
WAT IS DE DIDACHÈ OF DE LEER VAN DE TWAALF APOSTELEN?
De Didachè (naar het eerste woord in de Griekse titel) of Leer van de twaalf apostelen is de
oudste ons bekende kerkorde. We moeten overigens niet denken dat deze te vergelijken is
met een kerkorde van vandaag de dag, omdat daarvoor de nodige systematische interesse
ontbreekt.1 De Didachè wordt bovendien gezien als een dooponderricht, en als zodanig “ge-
bruikt door reizende apostelen en leraars als handboek bij missionering en in de kerken als
catechese aan doopleerlingen”.2
Ook al was de naam van het 'Onderwijs van de twaalf apostelen' uit allerlei oudchristelijke
handschriften bekend, toch werd het document pas in 1873 ontdekt door de metropoliet
van Seres, de latere aartsbisschop van Nicomedië, Philotheos Bryennios. Hij vond het in de
bibliotheek van het heilig grafklooster te Constantinopel, samen met de volledig Griekse tekst
van I en II Clemens.
De gevonden Griekse tekst is door notarius (kopiist) Leo overgeschreven en hij was daarmee
gereed op 11 juni 1056. Het manuscript werd in 1883 voor het eerst uitgegeven en kon in
de vakwereld rekenen op een brede belangstelling. Er volgde een stroom van literatuur rond
dit onderwerp. In Amerika brachten een zekere Hitchcock en Brown een uitgave van de
Didachè, waarvan in enkele maanden tijd meer dan 8000 exemplaren werden verkocht. Ook
de pers had de nodige interesse. Al deze aandacht deed iemand ironisch opmerken, dat de
Didachè “het verwende kind van de kritiek” was.3
In 1887 werd de codex naar de bibliotheek van het
Grieks-Orthodox Patriarchaat in Jeruzalem gebracht en draagt het kenmerk Hierosolymitanus 54
(H54), telt 120 bladen en omvat een aantal kleine
geschriften, waaronder de Barnabasbrief, I en II
Clemens en de Didachè (fol. 76b-80b). Het manuscript is geschreven op perkament (19 x 15,5 cm.)
in mooi regelmatig Grieks handschrift.
4
TEKSTOVERLEVERING
4
We staan hier nog even stil bij de vraag naar de authenticiteit van de gevonden tekst van de
Didachè, H (H54). Een vergelijking van H met allerlei onvolledige teksten levert daarvoor
geen zekerheid op. In 1922 werden twee fragmenten bekend, de z.g. Papyrus Oxyrhynchus
1782 (P) uit de 4de eeuw, die 64 woorden met de passages Didachè I,3b-4a en 2,7b-3,2a
bevatten, met duidelijke afwijkingen van tekst H. Er is ook een koptisch fragment © uit de 4de
of 5de eeuw, een Ethiopische vertaling (E) en een Georgische vertaling (G). De apostolische
constituties (CA) —een belangrijke kerkrechtelijke en liturgische verzameling van verordeningen en voorschriften van de vroege kerk uit de 4de eeuw— zijn in tegenstelling tot de voorgaande tekstgetuigen een indirecte overlevering.
De conclusie is: de sterke afwijkingen van de directe overlevering (c.q. de voorgestelde
tekstgetuigen) maken waarschijnlijk dat er in de 4de/5de eeuw meerdere onderscheidbare
tekstrecensies van de Didachè waren. Een afsluitend oordeel over de kwaliteit van de in H
geboden tekst van de Didachè laat zich op grond van het geringe vergelijkingsmateriaal van
handschriften niet geven. H heeft gemeen met G, dat deze volledig is overgeleverd, daar
waar alle andere door kleine brokstukken worden gerepresenteerd (P, C en E). Er zijn evenwel zoveel afwijkingen, dat het praktisch onmogelijk is door vergelijk te bepalen, welke de
oudste tekst is.5
Na de vondst van de Qumranteksten wordt waarschijnlijk geacht, dat alle versies afkomstig
zijn van een oud-joodse tekst die verloren is gegaan.
5
HET WOORD 'DIDACHÈ'
Het woord Didachè kan vertaald worden met: leer, onderricht of belering. Bij de synoptici is
het onderricht van Jezus “..... sein ganzes didaskein, seine Verkündigung des göttlichen Willens nach der inhaltlichen wie nach der formalen Seite.” Waar het Nieuwe Testament dit
meestal zo verstaat, daar zijn Hebreeën 6,2 en 13,9 uitzonderingen. Didachè is daar meer
“eine feste, formulierte Lehre.” In die betekenis mag het ook verstaan worden in de Didachè
(11,1;VI,1 en XI,2) en gaat het woord meer in de richting van didaskalia, ofwel: leer, leerinhoud (Zusammenfassung des Lehrinhalts).6
We laten hier graag de dichter–theoloog Willem Barnard aan het woord, die op zijn bloemrijke manier het volgende schrijft over het woord didachè: “...Dat is immers "lering", maar in
de zin van toe-eigening van iets dat men al doende leert...didachè komt van didaskoo, een
werkwoord met de betekenis leren, maar ook aan de andere kant, ervaren worden. Ja, zelfs
betekent het instuderen van een stuk, van een spel, een dramatische vorm, in spraak en
samenspraak, koorzang en enkele stemmen ... Het woordenboek zegt, dat didachè en didaskoo te maken hebben met een taalstem dek- (b.v. in dechomai) en de zin daarvan is ontvangen, aannemen, geloven. Dat zegt de taalkunde. Het zou niet voor het eerst zijn dat de aandacht voor de taalgeheimen de theologie, die de bediening van "het Woord" op het oog heeft,
de weg kon wijzen".7
6
DE TITEL
Hoewel de schrijver zich beroept op apostolische autoriteit, is de titel ten onrechte toegeschreven aan de apostelen8, maar de schrijver wilde wellicht het werk een apostolische oorsprong geven (cfr. de datering van de apostolische geloofsbelijdenis).
Er zijn twee titels en er is een hele discussie, welke de meest oorspronkelijke is. Waarschijnlijk is de korte en vermoedelijk oudste titel “Didachè tôn apostolôn”9 (= Leer van de
apostelen) en deze wijst op een geschrift, dat gebruikt werd door verspreiders van het
joodse geloof. Na de christelijke of evangelische invoeging (Didachè I,3-II,1) in de ‘twee–
wegen’ catechese is de langere titel ontstaan: “ Didachè kuriou dia tôn dôdeka apostolôn
tois ethnesin” (= Leer van de Heer door de twaalf apostelen aan de heidenen ).”10 Deze
geeft volgens Bryennios, de ontdekker van de Didachè, beter de bedoeling van het geschrift weer.
In Handelingen 2:42 lezen we dat de christenen bleven volharden bij de leer (het onderwijs)
der apostelen. In die woelige bezettingstijd lukte dat niet zozeer omdat ze zo gelovig en sterk
waren, maar omdat ze zich staande lieten houden door de werking van de Geest.
7
SCHRIJVER, TIJD EN PLAATS VAN ONTSTAAN
De schrijver is niet bekend.11 Vanwege de heterogene inhoud wordt verondersteld dat het
geschrift niet van één auteur is. Het is overigens ook onbekend, wie de afzonderlijke delen
hebben geschreven.
Hoewel de precieze datering (nog?) niet gegeven kan worden, nemen de meeste geleerden
aan dat de Didachè aan het einde van de 1ste of aan het begin van de 2de eeuw is ontstaan.12
De oudste delen van de Didachè zijn geschreven voordat de laatste boeken van het Nieuwe
Testament gereed waren. Het sluit dicht aan bij de Bijbel, wat onder meer blijkt uit het spreken over: de op andere wijze van vasten dan de joden; de liturgie van het avondmaal, die nog
geen vaste vorm heeft; de betiteling “Knecht” voor Jezus (cfr. Jesaja 53); de profeten en
apostelen, die nog belangrijker zijn dan opzieners en diakenen en de geschriften van het
Nieuwe Testament, die nog geen gezaghebbende rol spelen. Woorden van Christus worden
ingeleid met: “De Heer heeft gesproken” of “De Heer heeft bevolen.” Paulus wordt nergens
genoemd of geciteerd.
De landen Palestina, Egypte en Ethiopië worden genoemd. De meeste geleerden nemen aan
dat de Didachè ontstaan is in westelijk Syrië, rond Antiochië, waar veel joden woonden en
waar Grieks werd gesproken.
8
INHOUD VAN DE DIDACHÈ
De Didachè bevat zestien hoofdstukken en telt precies honderd verzen. Al met al een klein
boekje, qua verzen zoiets als het Bijbelboek Filippenzen, waarmee het overigens inhoudelijk
geen enkele overeenkomst heeft!
We geven hieronder een nadere indeling:13
1. Catechetisch deel (I-VI – 42 verzen).
We komen hier de zogenaamde ‘Twee–wegen–leer’ tegen, een soort zedenleer met praktische aanwijzingen, die sterk doen denken aan de Bergrede en vermaningen uit de brieven
van Paulus. Naast onderwerpen als: de weg naar het leven en de dood, geboden, wijze onderrichtingen, het geven van aalmoezen en plichten tegenover kinderen en slaven, komen we
de zogenaamde evangelische invoeging tegen (I,3-II,1) die veel overeenkomsten heeft met
Matteüs.
2. Liturgisch deel (VII-X – 19 verzen).
Dit gedeelte kan gezien worden als een doopcatechese, getuige de woorden in Didachè VII,1
“... na onderwezen te hebben al wat voorafgaat ..”14 en gaat over de doop, het vasten, het
bidden, het avondmaal (c.q. de eucharistie) en de (tafel)gebeden.
3. Disciplinair deel (XI-XV – 31 verzen).
Hier komen we voorschriften tegen over de kerkorde of disciplinaire hoofdstukken betreffende de leer, de apostelen, profeten, leraren, diakenen en bisschoppen, de gastvrijheid, het
levensonderhoud van profeten, het gemeenteleven en de tucht.
4. Eschatologische deel (XVI – 8 verzen). Men dient waakzaam te zijn, want de laatste dagen
zijn aangebroken en dan zal het oordeel uitgesproken worden.
9
HET BELANG VAN DE DIDACHÈ
Hoewel de Didachè na enkele eeuwen verdwenen is, heeft het boekje toch veel invloed gehad, zowel in het toenmalige oosten als westen. Het werd door Clemens van Alexandrië eind
2de eeuw tot de Heilige Schrift gerekend en door Eusebius (4de eeuw) tot de apocriefe boeken,
maar na de 5de/6de eeuw verdwijnt het, omdat het door de tijd achterhaald was en “het ideeengoed van het boekje werd overgenomen in de nieuwere kerkorden”.15 Maar alleszins is de
inhoud van de Didachè opgenomen in kerkorden die in later tijd, vooral in de kerk van het
oosten, werden samengesteld. Het grote belang is, dat men daarin “rijke informatie ... over
de interne organisatie” van de eerste christelijke gemeenten (waarschijnlijk) in Syrië vindt.16
De schrijver van de Didachè wil laten zien hoe de twaalf apostelen de onderwijzing van Jezus
hebben doorgegeven (cfr. Matteüs 28,19) en hoe de gemeente zich in de praktijk diende te
gedragen. De gemeentes van die tijd hadden daar behoefte aan, ook al wisselde dit verlangen naar gelang de aard en samenstelling van de gemeente. De Didachè geeft “slechts op-
drachten die voor een bepaalde gemeente in een bepaalde situatie van betekenis waren. Dit
leidt er toe dat voor ons besef sommige onderwerpen een grote aandacht krijgen”.17
Ook heeft de Didachè belang voor de kennis van de liturgie, zodat “...wij gewaar worden hoe
men in die eerste tijd de dienst hield, hoe men doopte en samen was met de Schriften, zich
daarin verdiepend, en hoe men het Pascha van de Heer vierde. Het ging in de eerste tijd om
de vraag, hoe men de heidenen c.q. de Messiasgelovigen uit de gojim, die de tempel en de
synagoge niet kenden, moest leren om te gaan met elkaar in Zijn Tegenwoordigheid....Wij
heden, zetten ons niet tegen het Jodendom af, wij pionieren niet in de wereld buiten de synagoge. Integendeel, na zoveel eeuwen Christendom zijn het veeleer verschraalde kerkelijke
vormen (of vormeloosheid) waarvan wij ons verwijderen. Wanneer de omgangsvormen weer
levend moeten worden voor ons en anderen, voor nu en straks, wanneer wij de stilering van
de dankbaarheid weer opnieuw willen aanleren, dan is dat met recht didachè. Het is lering,
maar niet bij wijze van toespraak; bij wijze van ademen en eten, veel meer lichamelijk! Het
brein niet alleen, maar het middenrif ook, moet meedoen!... De didachè zoals wij die hier willen vieren zal dus op Vrijdagavond zijn. Dat is de ingang van de Sabbat en het is de avond van
de zesde dag, toen de menswording was voltooid en God ter ruste ging... Voor ons is het een
uitverkoren uur om de klassieke omgangsvormen aan te leren in een nieuwe stijl, waardoor
wij in gemeenschap zijn met de aarts-christenen van tien en met de pioniers van thans. Wij
kunnen daarmee een bijdrage leveren tot de groei van liturgische vormen in onze moedertaal, in onze Moeder de Kerk, en dit wijd uitgemeten!”18
10
DE APOSTOLISCHE VADERS
De Didachè wordt gerekend tot de z.g. ‘Patres Apostolici’ (Apostolische Vaders), waartoe
ook behoren: de eerste en tweede brief van Clemens, de brief van Barnabas, de brieven van
Ignatius (zeven), de brief van Polycarpus, de ‘Pastor’ (Herder) van Hermas, de vijf boeken
‘logiôn Kuriakôn exègèseis' van Papias.19 Het zijn oudchristelijke geschriften uit de 1ste en 2de
eeuw en staan wat de tijd betreft dicht bij het Nieuwe Testament. De (mogelijke) schrijvers
kunnen nog in aanraking geweest zijn met de apostelen. Deze geschriften vormen de belangrijkste bronnen voor onze kennis van het vroege christendom.
Er zijn veel overkomsten tussen de Didachè en de brief van Barnabas, een in het Grieks geschreven traktaat en gedateerd tussen 95 en 135 en ten onrechte aan Barnabas 20 toegeschreven, zodat wel gesproken wordt over pseudo-Barnabas.
Is de Didachè dan misschien afhankelijk van de brief van Barnabas? Of omgekeerd? Het is
waarschijnlijker, dat beide geschriften uit een derde bron putten, mogelijk een verloren gegane oud-joodse tekst.21
11
RELATIE JODEN EN CHRISTENEN IN HET VROEGE CHRISTENDOM
“Zo geeft de Didachè ons een idee van de grote invloed die de joodse tradities op het einde
van de 1ste eeuw nog op de christelijke gemeenten uitoefenden. Toch gaven deze laatste
reeds uitdrukking aan hun verlangen er zich van los te maken”.22
Christendom en jodendom hebben in het begin heel veel gemeen: men gaat naar de tempel
en de synagoge en viert dezelfde feesten (Handelingen 2,46v;3,1.13;5,21) en houdt aanvankelijk ook de sabbat. De eerste christenen zijn joden–christenen. Het christendom wordt in
het begin door (met name) de tegenstanders daarvan als een joodse sekte gezien. Het
Griekse ‘hairesis’ komt 9 keer in het Nieuwe Testament voor en kan vertaald worden met:
-
‘partij’.
‘sekte’ in Handelingen 24,5.14 en 28,22.
‘scheuringen’ in 1 Korintiërs 11,19.
‘partijschappen'’ in Galaten 5,20.
‘ketterijen’ in 2 Petrus 2,1.
‘Sadduceeën’ in Handelingen 5,17
‘Farizeeën’ in Handelingen15,5 en 26,5.23
Daarna groeit de afstand tussen joden en christenen, die op een breuk uitloopt. Onder meer
door het zendingswerk van de zich geleidelijk aan organiserende kerk (de eindtijdverwachting
vermindert) en zeker na de val van Jeruzalem, als het verbindingsteken bij uitstek —de tempel— wegvalt. In de Bijbel komen we het uit elkaar groeien al tegen. We denken aan de discussie over de besnijdenis. En in het Evangelie naar Johannes is er herhaaldelijk sprake van
tegenstellingen tussen Jezus en de joden. Het woord jood (joden) komt bij Johannes 71 keer
voor, bij Matteüs 5 keer, bij Markus 6 keer en bij Lukas 5 keer.24
De Didachè ademt een joodse sfeer; dat blijkt onder meer uit de zogenaamde ‘Leer van de
twee wegen’, maar ook vinden we dat terug bij de rubrieken over de doop, het vasten, het
gebed, het avondmaal, de profeten enz.
In de tijd dat de Didachè in Syrië is ontstaan was Antiochië een tweetalige stad. Waarschijnlijk vormden de joden in de diaspora een derde deel van de bevolking en ze hadden ze zich
daar (met name rond het oostelijk deel van de Middellandse Zee) als handelaren gevestigd. 25
In Antiochië hebben Barnabas en Paulus ruim een jaar het woord gericht tot (Griekstalige)
joden en niet-joden. Hier werden de leerlingen van Jezus voor het eerst christenen genoemd
(Handelingen 11,26).
12
DE LEER VAN DE TWEE WEGEN
26
“Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade: Ik neem
heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht (....) Welzalig de man
die niet wandelt in de raad der goddelozen, die niet staat op de weg der zondaars want de
Heer
kent
de
weg
der
rechtvaardigen,
maar
de
weg
der
goddelozen vergaat (....) En tot dit volk zult gij zeggen: Zo zegt de Here: Zie; Ik stel u de weg
des levens en de weg des doods voor”.27
Met deze teksten uit de Bijbel geven we al duidelijk het centrale thema van de zogenaamde
‘twee–wegen–leer’ aan. Er zijn niet alleen twee wegen, maar de mens moet ook kiezen tussen de twee wegen. We denken in dit verband aan de woorden bij de verbondsvernieuwing
te Sichem, waar Jozua tot het volk zegt: “...kiest dan heden, wie gij dienen zult, maar ik en
mijn huis, wij zullen de HERE dienen.” (24,15). De ‘twee–wegen–leer’ wil —als dooponderricht— dat de juiste weg wordt gekozen door de aanstaande, gedoopte christenen, zodat zij
worden als mensen “die van die weg waren” (Handelingen 9,2) en God liefhebben en de
naaste als zichzelf. Ook bij de Essenen komt het thema van de twee wegen voor. Zij beschouwden zichzelf als mensen van de juiste weg, die door hun geloof en leer ware wegbereiders van de Heer waren (cfr. Jesaja 40,3).
We gaan de `twee-wegen-leer' wat nader bekijken:
HOOFDSTUK I begint met de woorden: “Er zijn twee wegen, de ene weg is de weg naar het
leven, de andere weg is de weg naar de dood, maar het verschil tussen beide wegen is
groot”. Hier klinkt Psalm 1 door, waarin de tegenstelling tussen de rechtvaardige en goddeloze wordt beschreven en dat loopt uit op de zwart–wit tekening in vers 6. De “weg naar het
leven” is “voor alles God, die u heeft gemaakt,28 liefhebben, vervolgens uw naaste als uzelf”
(I,2). We horen hier het grote gebod.29 “... en al wat ge niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook
een ander niet.” De negatieve vorm was bij de Joden bekend. Rabbi Hillel heeft eens een nietJood die hem vroeg op staande voet te zeggen wat de inhoud was van de Joodse godsdienst, geantwoord: “Wat gij haat, doet dat uw naaste niet aan, dat is de gehele Thora, de
rest is louter commentaar, ga en leer”. In Matteüs 7,12 staat de ‘gulden regel’ in positieve
vorm. “Het is moeilijk uit te maken welke regel hoger staat. De negatieve is duidelijker, omdat
een mens meestal beter weet wat hem niet, dan wat hem wel moet overkomen. De positieve regel doet een beroep op de fantasie, maar kan egoïstisch klinken ”.30 In vers 3 begint de
zogenaamde ‘Evangelische invoeging’, die loopt tot II,1 en is een toevoeging van de schrijver
van de Didachè aan zijn bron. De reden waarom dit gedeelte is ingevoegd kan zijn dat de
schrijver het dubbelgebod en de gulden regel wilde verklaren.
13
HOOFDSTUK II handelt over de geboden. Mogelijk is het eerste vers “Tweede gebod van de
leer” een verbinding tussen I,2 en II,2. We horen hier duidelijk een deel van de ‘tien woorden’
(geboden) terug. Doden, stelen, echtbreken, vals getuigen of iets van de naaste begeren zijn
verboden (Exodus 20,13-17; Deuteronomium 5,17-21). Daarnaast komen we geboden op
seksueel en magisch terrein tegen, die we weliswaar niet in de decaloog terugvinden, maar
wel elders in de Bijbel.
Opvallend zijn de woorden “Ge zult u niet schuldig maken aan pederastie”. In 1 Korintiërs
6,9 en 1 Timotheüs 1,10 worden we gewaarschuwd tegen knapenschenders. De waarschuwing tegen allerlei vormen van waarzeggerij en magie komen we ook tegen in Deuteronomium 18,10-11 en Handelingen 13,6-12. “Bij de joden was abortus streng verbo-
den. Bij niet-joden kwam abortus vaak voor, terwijl ook ongewenste kinderen dikwijls op onherbergzame plaatsen werden neergelegd, zodat zij van de honger stierven”.31
“Gij zult geen meineed uitspreken”. Hierbij wordt wel verwezen naar Exodus 20,16. Wij mogen geen mensen zijn, die als leugenachtige getuige optreden. Wat betreft het vervloeken:
hier wordt wellicht niet alleen gedoeld op het vervloeken van de ouders (Exodus 21,17),
maar ook op de vervloeking van mensen in het algemeen.32
Het “niet dubbelhartig noch dubbel van tong zijn” waarschuwt om niet met twee monden
spreken of vals te zijn, want dat is een “dodelijke strik”. De christen dient niet alleen het
Woord Gods te horen, maar er ook naar te leven (cfr. Jacobus 1,22-24). En tevens niet de
ander te haten, maar lief te hebben en bovendien voor elkaar te bidden en —indien nodig—
de ander te vermanen.
HOOFDSTUK III lijkt veel op hoofdstuk II. Het begint met het persoonlijke: “Teknon mou” (=
“mijn kind”), wat doet denken aan de (joodse) wijsheidsleraar die met deze woorden zijn leerling aanspreekt.33 In de verzen 2-6 wordt gewaarschuwd tegen ondeugden als drift, jaloezie,
twist, hartstocht, zinnelijke begeerten, vuile taal, naar vrouwen gluren, waarzeggerij, allerlei
vormen van magie, liegen, gierigheid, zucht naar roem en opstandigheid, want daar komt
allerlei narigheid van zoals moord, doodslag, ontucht, overspel, afgodendienst, diefstal, oneerlijke praktijken en godslastering. Een gewaarschuwd mens telt voor twee! Dergelijke
waarschuwingen komen we ook in de Bijbel tegen. Na alle negatieve zaken met bijbehorende waarschuwingen, wordt de toon in de verzen 7vv positiever. Er wordt raad gegeven:
wees zachtmoedig, geduldig, barmhartig, argeloos, vreedzaam. Een uitzondering vormt vers
9, waar het woord “niet” drie keer voorkomt en waar de tegenstelling overmoed–
nederigheid aan de orde komt (cfr. Romeinen 12,16). Het slotvers “Aanvaard wat u overkomt als een weldaad in de wetenschap dat niets buiten God om gebeurt” doet denken aan
Matteüs 10,29, waar het overigens niet gaat over fatalisme, maar over de Heer die de zijnen niet loslaat. Als we spreken over Gods wil, dan denken we evenzeer aan woorden als:
verzoening, rechtvaardigheid, vergevingsgezindheid, genade, vrijheid, hoop en liefde.
14
HOOFDSTUK IV begint —net als hoofdstuk III,1— met het vertrouwelijke “Mijn kind”, waarna
aangeraden wordt respect te betuigen voor degene die Gods woord verkondigt en er
wordt opgeroepen de erediensten mee te vieren. Daarna wordt er gewaarschuwd voor
onenigheid. De betekenis van vers 4 “Ge zult u niet ongerust maken of iets zal gebeuren of
niet” is onzeker.34
In de verzen 5-8 volgt een duidelijke oproep om aalmoezen te geven. (cfr. hoofdstuk I,4-6,
waar meer het misbruik aan de orde kwam).
In de verzen 9-11 gaat het over de omgang met kinderen en slaven. De kinderen behoren
in de vreze Gods —met ontzag voor God— opgevoed te worden en ook voor de slaven moet
de heer des huizes als christen een voorbeeld zijn (cfr. Efeziërs 6,5-9).
Tenslotte wordt gewaarschuwd voor hypocrisie en aangedrongen Gods geboden te bewaren. In vers 14 gaat het om openbare schuldbelijdenis (cfr. Jacobus 5,16) ‘en ekklèsia’ (=
in de gemeente).
HOOFDSTUK V begint met “Dit is de weg naar de dood ...” en dan volgen allerlei ondeugden,
die we ook in II,1-7 tegenkwamen en degenen die deze weg bewandelen zijn door en door
verdorven. Vandaar de oproep in V,2: “Mijn kinderen, houdt u ver van dit alles.”
HOOFDSTUK VI roept op niet af te dwalen, maar “het juk van de Heer geheel en al” te dragen. Dat juk is overigens te dragen, zo lezen we in Matteüs 11,28-30.
Over het verbod om “vlees geofferd aan de afgoden” te eten horen we ook op de apostelvergadering te Jeruzalem in het jaar 48 (Handelingen 15,29, cfr. Openbaring 2,14.20).
15
DE DOOP
“Wat betreft het Doopsel, doopt aldus: na onderwezen te hebben al wat voorafgaat, doopt in
de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in stromend water.” (VII,1). Aan de doop
gaat een catechetische vorming vooraf en de inhoud daarvan kwamen we tegen in Didachè
I-VI. Een groot deel van de Didachè is dus dooponderricht. De doopformule is zeer oud en
gelijk aan die in Matteüs 28,19. Er dient in stromend water (‘levend water’) gedoopt te
worden. Joodse theologen onderscheidden zes verschillende ‘waterkwaliteiten’, gaande van
brak water uit regenputten, grachten en onderaardse gangen tot levend water uit bronnen,
beken en rivieren.35 Mogelijk is deze doop een voortzetting van de proselietendoop, de doop
aan sympathisanten van het joodse geloof.36 Hoewel het regel is te dopen in stromend water, wordt rekening gehouden met eventuele afwijkende omstandigheden. Zo mag het bij
gebrek aan stromend water ook put– of stilstaand water zijn; er mag zelfs warm water
worden gebruikt, bijvoorbeeld in het winterseizoen of bij ziekte. Er wordt zelfs rekening gehouden met watergebrek, wat kan wijzen op een gebied waar niet altijd water voorhanden
was. In dat geval mag er driemaal water over het hoofd gegoten worden “in de Naam van
de Vader, de Zoon en de Heilige Geest” (VII,3).
We horen niets over doop door besprenkeling. Kinderdoop komt niet aan de orde, omdat in
de Didachè doop en geloof bij elkaar horen. Om tot de doop toegelaten te worden, eiste
men het geloof. Elke christen moest belijden dat hij Jezus als Heer erkende, door God opgewekt uit de dood. Vandaar stamt de gewoonte —al in het apostolisch tijdperk vastgesteld— aan de catechumenen een geloofsbelijdenis te vragen. Dat alles werd geleerd tijdens
de periode van het catechumenaat. De onderrichtingen hadden aanvankelijk plaats onder
de vasten.
Men moest dopen “In de naam van de Vader, de Zoon en de H. Geest (Mattheüs 28,19),
bij voorkeur in stromend water, of als dat er niet was moest men driemaal water gieten
over het hoofd van de dopeling. Wie zich liet dopen —het betrof toen meestal volwassenen— moest zich op het doopsel voorbereiden door twee dagen te vasten. Na de ceremonie trokken de nieuw gedoopten een wit kleed aan, symbool van de nieuw verworven onschuld. Een nieuwe levenswijze volgens de normen van het evangelie begon ”.37
Het vasten voor de doop is een oudchristelijk gegeven en dit vers is de oudste bewijsplaats.
Wie de doop bediende is onzeker. Uit de tekst wordt niet duidelijk of bisschoppen, diakenen,
leraars of gemeenteleden de doop toedienden.38
16
VASTEN EN GEBED
“Laten uw vastendagen niet samenvallen met die van de huichelaars. Zij vasten immers op
de tweede en de vijfde dag van de week, u moet dus vasten op de vierde dag en de dag van
de voorbereiding.” (VIII,1).
Misschien is dit de oudste tekst waar we een christelijke indeling van de week tegenkomen.
We horen in dit vers over de dag van de voorbereiding (vrijdag, de dag voor de sabbat: de
zaterdag), de tweede dag (maandag), de vierde dag (woensdag) en de vijfde dag (donderdag). En in Didachè XIV,1 komen we “de dag van de Heer” (zondag) tegen. “De heidenen
noemden de dagen naar de namen der planeten; eerst na het midden der 3 eeuw kwam die
benaming ook bij de Christenen in gebruik.”39
Wie zijn de huichelaars? Waarschijnlijk worden hier niet zozeer de joden in het algemeen
bedoeld, maar eerder de Farizeeën40 of de judaïzerende christenen41,te meer daar dit de
enige plaats zou zijn waar de schrijver van de Didachè zich duidelijk tegen de joden zou afzetten! Het is mogelijk dat de woensdag en de vrijdag een joodse oorsprong hebben en dat
de christenen stilzwijgend Esseense liturgische dagen overgenomen hebben, zonder dat te
beseffen. We zouden kunnen spreken van een 'verchristelijken' van bepaalde joodse vastendagen om zich zo van het jodendom te onderscheiden. Of de vastendagen als een bindende
verplichting voor alle christenen werden gezien, is onzeker.
Protestanten zijn gewoonlijk niet vertrouwd met vasten in de zin van zich geheel of gedeeltelijk onthouden van (met name) voedsel en drank. De rooms-katholieke kerk kent dit wel (o.a.
de vastentijd c.q. de veertigdagentijd), hoewel de praktijk nogal afwijkt van de theorie. Moest
men vroeger enige tijd voor de eucharistieviering vasten, sinds Vaticanum II is dit afgeschaft.42 Wel wordt hier en daar aangeraden om zich enige tijd voor de communie te ‘matigen’. In onze tijd van grote (materiële) overvloed in het rijke westen krijgt het vasten bij een
aantal gelovigen meer de betekenis van soberheid betrachten. In de vastentijd eet en drinkt
men minder en ontzegt men zich bepaalde genotmiddelen en het daarmee uitgespaarde
geld wordt dan aan een goed doel besteed.43 Het traditionele religieuze aspect van vasten
als ‘hongeren en dorsten naar God’ is daarmee naar de achtergrond verdwenen en veranderd in: “God vraagt een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom”.
“Bidt ook niet zoals de huichelaars, maar bidt .... op de volgende wijze: Onze Vader.... ” (VIII,2).
Een vergelijking met de Griekse tekst van de Didachè en die van Matteüs 6:9b-13a laat zien
dat de teksten bijna gelijk zijn,44 alleen komt in de (Griekse) grondtekst van het Nieuwe Testament de doxologie “Want van u is de kracht en de heerlijkheid in eeuwigheid ” niet voor,
want die gaat terug op I Kronieken 29:11-13 en heeft in het tekstkritisch apparaat een
aantal getuigen.45
17
“Bidt op deze wijze driemaal daags” (VIII,3). Dit doet denken aan de joden die ook drie keer
per dag baden. In Daniël 6,11b lezen we: “.. en driemaal daags boog hij (Daniël) zich neder
op zijn knieën en bad en loofde God, juist zoals hij dat tevoren placht te doen .” Het jodendom kent drie dagelijkse gebeden: het ochtendgebed, het gebed als vervanging van namiddag offer en het avondgebed. Bij alle gebeden wordt de kern gevormd door het hoofdgebed, het gebed van de achttien lofzeggingen, het Sjemoné Esré. Bij het ochtend– en avondgebed spreekt men het ‘Sjema Jisrael’, de geloofsbelijdenis van Israël uit. 46 Bij het bidden in
de Didachè is —net als bij het vasten— sprake van een verchristelijken van een joodse praktijk.
De woorden vasten en bidden komen we onder meer tegen in Matteüs 17,21 waar het gaat
“om de uitdrijving van dit geslacht, namelijk dit soort demonen dat epilepsie veroorzaakt (....)
Ook het jodendom van die tijd kende het gebed en het vasten als bijzonder effectief tegen de
demonen
als
afweermiddel
tegen
boze
geesten
en
als
een
47
effectieve ondersteuning van het gebed”.
18
HET AVONDMAAL
48
In de hoofdstukken IX en X van de Didachè gaat het waarschijnlijk meer over een agapè–
maaltijd dan over een sacramentele maaltijd, het avondmaal. Maar daarnaast is er ook “...
zeker sprake van een Eucharistieviering. De bede 'Want aan ons hebt Ge de genade geschonken van geestelijk voedsel en geestelijke drank en een eeuwig leven door Jezus uw
dienaar' is een voldoende bewijs.”49
Enkele opmerkingen bij Didachè IX:
- ‘Eucharistia’, de naam gaat terug op het dankgebed dat bij het breken van het brood
werd uitgesproken.
- Opvallend is, dat eerst de beker wordt genoemd. We komen dat ook in het Nieuwe
Testament tegen.50
- Onzeker is, wat of wie de heilige wijnstok is in IX,2. Gaat het om de kerk of om Jezus?
- De benaming “David uw dienaar”51 slaat op Jezus en doet denken aan de knecht des
Heren in Jesaja 53. In Handelingen spreekt Petrus over de “knecht Jezus”.
- In vers 3 wordt gesproken over brood breken. De eerste christenen bleven volharden bij het onderwijs der apostelen, het breken van het brood en de gebeden (Handelingen 2:46). Brood breken deed de joodse huisvader, die zo de maaltijd begon. We
horen in de evangeliën spreken over maaltijden met zondaars en tollenaars. Er is een
(langzame) ontwikkeling van een echte maaltijd naar een vieren van het avondmaal.
- “Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen
deel aan het ene brood” lezen we in 1 Korintiërs 10,17. In Didachè IX,4 wordt ook
over eenheid gesproken. “Zoals het gebroken brood, dat uitgestrooid is over de bergen,52 weer verzameld zal worden, zo zal God zijn kerk verzamelen ”. Een mooi oecumenisch ‘beeld’ voor onze tijd.
- De voorwaarde om “in de Naam van de Heer” deel te nemen is, dat men gedoopt én
heilig is. Een ongedoopte behoort nog niet aan de Heer toe en is bijgevolg niet heilig,
in de betekenis van ‘toegewijd aan de Heer’. De gedoopte is evenwel niet automatisch
heilig; hij kan de deelname aan de maaltijd van de Heer onwaardig zijn geworden
door een verkeerde levenswijze!
Enkele opmerkingen bij Didachè X:
- De woorden “nadat gij u verzadigd hebt” in vers 1 wijzen op het maaltijdkarakter.
Misschien is daarna het avondmaal gevierd, getuige de woorden in vers 3: “Maar
aan ons hebt Gij de genade geschonken van geestelijk voedsel en geestelijke drank
en een eeuwig leven door Jezus uw Dienaar”.53
19
-
Er wordt een scheiding gemaakt tussen degenen die wel en degenen die niet waardig
zijn om deel te nemen, getuige de woorden: “Indien iemand heilig is, laat hij komen!
Indien iemand niet heilig is, laat hij tot berouw komen”.54
Enkele opmerkingen bij Didachè XIV:
- Het gaat in dit gedeelte niet om een algemene regeling van de eucharistie, maar om
een openbare en collectieve belijdenis van de zonden in de eredienst en om verzoening: “wie in onmin leeft met zijn naaste” (XIV,2) is uitgesloten tot de verzoening
plaatsvindt. Zowel voor de openbare schuldbelijdenis als voor de verzoening wordt als
reden gegeven “opdat uw offer niet ontwijd wordt” (XIV,2). Ook al worden er verschillende mogelijkheden gegeven, zoals: a) het woord is juist gebruikt om zich af te zetten
tegen het joodse, bloedige offer, b) het gaat om de eucharistieviering of c) het gaat
alleen om brood en wijn, het is onduidelijk wat hier precies bedoeld wordt.55
- In Handelingen 20,7 lezen we, dat het brood gebroken wordt op de eerste dag der
week. Cfr. XIV,1.56 In vers 3 komen we het woord “offer” tegen en dat woord staat
ook in het geciteerde Maleachi 1,11.14 dat veelvuldig in de oudchristelijke literatuur
in verband met het avondmaal wordt gebruikt. Het offer als aanduiding van het
avondmaal ligt voor de hand als men bedenkt dat ook de gebeden als offers kunnen
worden beschouwd.
Bij een vergelijking tussen Matteüs 26:26-28, Markus 14:22-25, Lukas 22:17-20, 1 Korintiërs 11:23b-25 en Didachè IX,1-3 valt op dat:
a) Er in de Didachè geen instellingswoorden worden genoemd, vermoedelijk omdat die van
het joodse paasmaal zijn.
b) Er een overeenkomst van de Didachè met Lukas is, wat betreft de eerste beker voor de
broodbreking.
c) De gebeden in de Didachè vertonen een overeenkomst met de joodse maaltijdgebeden.
De aanvangswoorden van het eucharistisch gebed zijn de woorden waarmee een joods gebed begint: “Gezegend zijt Gij”. De opbouw van de gebeden is naar het joods model van de
tafelgebeden. Velen plaatsen het ontstaan van de gebeden uit hoofdstuk IX en X voor de val
van Jeruzalem in 70. Het brood wordt gebroken, zoals Jezus dat brak bij de wonderbare
spijziging, bij het avondmaal en de maaltijd met de Emmaüsgangers. Het laatste deel van
het openingsgebed doet denken aan het joodse achttiengebed.
Centraal stond het vieren van de eucharistie, het samen breken van het brood, als een
“gedachtenis” aan het offer van Christus. “Als we de Handelingen van de Apostelen buiten
beschouwing laten, komt de eerste tekst betreffende de eucharistieviering voor in de
Didachè.... maar we moeten wachten op Justinus (ca. 150) om een beschrijving te vinden
waarin we in grote trekken de structuur van het huidige misoffer kunnen terugvinden .”57
20
PROFETEN, APOSTELEN, LERAARS, BISSCHOPPEN EN DIAKENEN
“En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede pro-
feten, ten derde leraars (....) En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw
van het lichaam van Christus (....) Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten
en leraars...”58
In Didachè XI-XV komen we de zogenaamde disciplinaire hoofdstukken tegen. In dit deel
komt de orde van het gemeenteleven aan bod. Centraal staan de 'ambten': apostelen, profeten en leraars.
In het Nieuwe Testament is een apostel in de evangeliën één van de twaalf, maar bij Lukas
in Handelingen en bij Paulus heeft het woord ‘apostolos’ een ruimere zin; het is niet zozeer
een ambtstitel als wel de aanduiding van een functie bij Paulus. Niet alleen in het Oude–,
maar ook in het Nieuwe Testament horen we spreken over profeten. In de Didachè spelen
ze een grote rol.59 “Zij zijn uw hogepriesters”. Ze hadden een geestesgave; God sprak door
hen en zo raakten ze buiten zichzelf. Ze hebben zoveel aanzien, dat in Didachè XV,2 gezegd
wordt niet op de opzieners en diakenen neer te kijken, want “zij behoren immers met de
profeten en de leraars tot de voornaamsten onder u”.
De profeten zijn in het Nieuwe Testament de verkondigers en verklaarders van de goddelijke openbaring en zij prediken soms wat nog voor anderen verborgen is, namelijk de toekomst. De leraars zijn naast de profeten leidende persoonlijkheden in enkele vroegchristelijke gemeenten, misschien onderscheiden van de profeten, die charismatische gaven hadden.
Onder de verspreiders van het evangelie zijn er, getuige Didachè XI, helaas ook bedriegers.
De ware profeet spreekt Gods woord en niet wat de mensen graag willen horen; hij lijdt als
het ware onder zijn boodschap (denk aan Jeremia). Maar ook als die leer in orde is, bestaat
het gevaar voor bedrog. Men kan op winstbejag uit zijn of misbruik maken van de geboden
gastvrijheid. Er wordt hier blijkbaar uit de ervaring van alledag gesproken.
Het mag dan moeilijk zijn om een profeet te oordelen (dat oordeel staat aan God), toch
geeft de schrijver van de Didachè een aantal waarschuwingen; men kan de valse profeet
aan zijn levenswijze herkennen; niet alleen woorden, maar ook daden worden gevraagd:
“Nur derjenige Prophet, der die ‘tropoi kuriou’, das heiszt denselben Lebenswandel wie der
Herr hat, darf von der Gemeinde als solcher anerkannt werden.”60 Het kan toch geen toeval
zijn, dat humanisten vaak de christenen er op moeten wijzen, dat zij juist niet leven naar hun
voorbeeld Jezus!
21
In de Didachè komt er geleidelijk aan een overgang van reizende apostelen, profeten en leraars naar meer gevestigde ambtsdragers. In hoofdstuk XV horen we iets over een zich
stilletjes aan organiserende gemeente, want er wordt gesproken over het kiezen van bisschoppen en diakenen, die de plaats zullen gaan innemen van de apostelen en leraars. Centraal staat hier dat ze geschikt moeten zijn en als criteria gelden: zachtmoedige vriendelijkheid (cfr. 2 Timotheüs 2,25 en Titus 3,2), niet geldgierig zijn (slaat waarschijnlijk op het beheer van de financiën), betrouwbaarheid en beproefd zijn, dat wil zeggen: geschikt zijn voor
het ambt. Achtergrond voor deze regel zijn de negatieve ervaringen; er zullen onwaardige
kandidaten gekozen zijn, die het aanzien van het ambt naar beneden hebben gehaald.
Didachè XV,1 stelt dat de bisschoppen en diakenen —in tegenstelling tot de leraars, apostelen en profeten— uit de rangen van de plaatselijke gemeente werden gekozen. Over hun
opdracht wordt niets gezegd, wel over de keuze-criteria. Deze ambtsdragers hadden in de
breedste zin van het woord een leidende functie in de gemeente en hebben de ‘gemeentekas’ beheerd. Het werk van apostelen en profeten was hen (nog) niet toevertrouwd. We
merken op dat de ambtsdragers als profeten en apostelen (ondanks alle wantoestanden)
nog alle respect krijgen.
Er wordt niet over presbyters (ouderlingen) gesproken. Van een hechte kerkorganisatie is
nog geen sprake. Dit kan te maken hebben met het feit dat er geen grote problemen waren
bij de gelovigen tot wie de Didachè zich richt, zodat een centraal gezag zich niet opdrong.
Komt men in de brieven van Ignatius een hechte kerkorganisatie tegen met bisschoppen,
oudsten en diakenen, in de Didachè is dit niet het geval. Dit heeft te maken met de afwijkende verschillen tussen een stad als Antiochië en het platteland. Pas later horen we over een
bisschop die aan het hoofd van een kerk staat, gesteund door de presbyters en de diakenen. We hebben hier dus nog de toestand die we bijvoorbeeld tegenkomen in de aanhef van
Paulus' brief aan de Filippenzen, die gericht is “aan al de heiligen in Christus Jezus, die te
Filippi zijn, tezamen met hun opzieners en diakenen”.61
Opmerkingen:
- In het Nieuwe Testament kunnen we twee vormen van gemeentestructuur onderscheiden: een charismatische in de Paulinische gemeenten en een organisatie met
oudsten in Jeruzalem (Handelingen 21,18) en in de gemeenten waar de brief van
Jacobus (5,14) en de eerste Petrusbrief (5,1-2) aan gericht waren. Het bestuur
door oudsten gaat waarschijnlijk op joodse voorbeelden terug, terwijl de charismatische leiding van de gemeenten op het bewustzijn van de christenen berust dat zij
allemaal tot de vrijheid van de Geest van God geroepen zijn en allen één lichaam
vormen waarin iedereen een bepaalde taak heeft, die voor het algemeen welzijn
nodig is.
22
-
Een Grieks equivalent voor ‘ambt’ komt in strikte zin niet voor in het Nieuwe Testament, althans niet voor degenen die een leidinggevende taak hebben in de christelijke
gemeente. Ambt is een genadegave Gods en bedoeld als een dienst van mensen aan
mensen. Het is zeker geen heersersambt!
-
Over het “kosmisch gebeuren van de Kerk” (XI,11) is er onduidelijkheid. Gaat het om
de een of andere buitengewone prestatie waarover de gemeente niet mag oordelen
en die ze zelf niet behoeft te doen? Of wordt er misschien gedacht “aan symbolische
handelingen van een profeet die hem door God zijn opgedragen om het heil te verkondigen of om te waarschuwen dat God het kwaad zal straffen. Het is ook mogelijk
dat hier gedoeld wordt op het celibaat omwille van het Rijk der hemelen, vgl. Matteüs
19,12”.62
-
Dit laatste is volgens mij een stuk ‘hinein-interpretieren’.
23
GASTVRIJHEID, LEVENSONDERHOUD EN TUCHT
GASTVRIJHEID
“Iedereen die tot u komt in de Naam van de Heer, moet u ontvangen. Wanneer u hem op de
proef gesteld hebt, zult u weten (wat u aan hem hebt), want u zult rechts van links kunnen
onderscheiden.”
Didachè XIII,1 begint met de plicht tot gastvrijheid als iemand in de Naam van Heer komt,
maar geeft tevens aan dit kritisch te onderzoeken. De gastvrijheid heeft duidelijk zijn grenzen
en de waarschuwingen die gegeven worden, doen veronderstellen, dat men in die tijd helaas
al ervaring had met profiteurs en oplichters. De wantoestanden moeten zo frequent zijn geweest, dat zelfs de heidense satiricus Lucianos van Samosathé dit opvalt. Hij laat in een satire de bedrieger Peregrinus over de christenen zeggen, dat als bij hen een zwendelaar of een
leugenachtig mens langs komt “der wen, wie's gemacht wird, so ist er, ehe man sich's versieht, in kurzer Zeit reich geworden und lacht die einfaltigen Leute aus.”63
De christelijke gastvrijheid, die bij de vroegchristelijke gemeente hoog in het vaandel stond,
vroeg regels om te voorkomen dat de mensen werden bedrogen. Opvallend is bijvoorbeeld,
dat er harde taal gesproken wordt aangaande rondtrekkende apostelen. Het is denkbaar
dat er onder deze mensen heel wat bedriegers waren. De hun toegestane verblijfsduur is
zelfs korter dan die van de reizigers! (cfr. Didachè XII,2).
Volgens Didachè XI,6 mag hij “slechts zoveel brood meekrijgen dat hij voldoende heeft tot de
volgende plaats waar hij zal verblijven.” En als hij om geld (voor zichzelf) vraagt, is hij een valse profeet. Bij de profeten wordt glashelder gesteld dat leer en leven in overeenstemming
moeten zijn: “Maar niet ieder die door de Geest geïnspireerd spreekt, is een profeet. Slechts
hij die de levenswijze van de Heer volgt. Dus kan men aan de levenswijze de valse van de ware profeet onderscheiden.” (Didachè XI,8).
Wat betreft de doortrekkende reiziger (de gewone christen) wordt geboden in de mate van
het mogelijke te helpen; zij moeten niet langer dan twee, hooguit drie dagen 64 logeren en willen ze langer blijven dan moeten ze een ambacht kennen of iets voor de kost doen. Er behoort gewerkt te worden en de gemeente dient daarbij te helpen, getuige de woorden in
vers 4: “Maar als hij geen ambacht kent, zorgt er dan toch voor dat geen christen werkeloos
onder u verblijft”. Voor het niet willen werken is weinig begrip, hoewel men hieruit geen algemene arbeidsplicht voor alle christenen moet uit halen; het gaat alleen om de bescherming van de gastvrijheid tegen oneerlijke vreemden. 65
24
LEVENSONDERHOUD
“Maar elke ware profeet die zich onder u wil vestigen, is zijn levensonderhoud waard. Zo is
ook de ware leraar als een arbeider zijn voedsel waard”. Met deze woorden begint Didachè
XIII en ze doen denken aan Jezus, die de apostelen voorhoudt geen geld of (extra) bagage
mee te nemen, want de arbeider is zijn voedsel waard (Mattheüs 10,9v.). Ook de profeet is
in deze agrarische samenleving zijn levensonderhoud waard. Hij heeft recht op geld 66 en
goederen in natura, zoals de eerste (en waarschijnlijk ook de beste) landbouwproducten, de
eerste worp van het vee,67 het eerste brood, olie, wijn en kleding.68 Het kwam ook voor, dat
er in een bepaalde gemeente geen profeet was. In dat geval diende men de eerstelingen
aan de armen te geven (XII1,5).
TUCHT
Didachè XV,3 en 4 handelen over de onderlinge relatie in de gemeente. Getuige de waarschuwingen, zal het er niet altijd even harmonieus zijn toegegaan. Vandaar dat (een zekere)
tucht, een ‘correctio fraterna’ 69 ten opzichte van zondige broeders van belang was bij misstanden, maar dat moest niet agressief gebeuren. Als men elkaar vermaant, dan moet dat
niet in toorn, maar in vrede gebeuren. Als tuchtmaatregel geldt hier: men spreekt niet tot
de degene die faalt in liefde tegenover zijn naaste, totdat diegene berouw heeft getoond. En
volgens Didachè XIV,2 is men dan ook niet toegelaten om de maaltijd.
(....)
Enige tijd geleden beluisterde ik een radioprogramma over Amerikaanse televisiedominees,
die na hun vroegere ‘massa-succes’ in de nabije toekomst vrijwel zeker ‘uitgespeeld’ zullen
zijn, omdat de schandalen over hun werkwijze steeds duidelijker doordringen. 70 Zo heeft ene
ds. Robertson zich al teruggetrokken en zit ds. Baker al enige tijd in de gevangenis. Tegen
een zekere ds. Thilton loopt een justitieel onderzoek. Deze ‘predikant’ haalt op zijn televisiezender (hij opent deze met de woorden “Welcome to real christianity”) wekelijks tienduizenden goedgelovige en/of wanhopige mensen over om hem brieven te sturen met gebeden
voor zaken, die nog niet verhoord zijn ... èn geld. Want, zegt deze 'predikant': “Stuur geld en
er zal een wonder gebeuren”. Hij ondersteunt dit door Psalm 76:12 aan te halen: “Doet
geloften en betaalt ze de Here, uw God ...”. Na een onderzoek tegen hem vond de politie op
een vuilnisplaats de talloze brieven met gebeden. Het geld was er uiteraard reeds uitgenomen.
Getuige dit verhaal kunnen we zeggen, dat de bovengenoemde tuchtmaatregelen uit de
Didachè nog altijd actueel zijn. Zo ook de volgende waarschuwingen: “Maar niet ieder die
door de Geest geïnspireerd spreekt, is een profeet. Slechts die de levenswijze van de Heer
volgt” en “Indien een profeet gedreven door de geest zegt: ‘Geef mij geld’ of iets anders
vraagt, moet u niet luisteren”.71
25
ESCHATOLOGIE
Didachè XVI roept op om bereid te zijn voor de ontmoeting met de Heer. We kunnen heel
wat teksten in de Bijbel vinden die hier doorklinken.72 Het is ‘tijd’. In het Grieks staat ‘kairos’,
een woord dat meer dan 80 keer in het Nieuwe Testament voorkomt en betekent: “gunstige
tijd” en “kritiek ogenblik”.
De verwachting van de eindtijd komen we niet alleen in hoofdstuk XVI tegen, maar ook in de
taakbeschrijving van de apostelen en leraars en in het woord Maranatha (= onze Heer kom).
Aangezien de christenen in de verwachting leven van de zeer spoedige wederkomst van de
Heer, is het mogelijk dat daarom een apostel niet langer dan drie dagen in één kerk mag
blijven, hij moet haast maken met de verkondiging. Het geloof in de spoedige wederkomst
beheerste het leven van de vroegchristelijke kerk.
In de liturgische samenkomsten was er (soms overdreven) enthousiasme met genezingen
en tongentaal, maar “... duurzame betekenis voor de opbouw der kerk had het niet. Het enthousiasme verminderde en verwilderde snel ...”.73 Hoe langer het wachten duurde, des te
meer moest de gemeente zich gaan instellen op een kerkorganisatie, waarvan de Didachè
hier en daar al blijk geeft. In XVI,1v. komen we een eschatologische vermaning tegen en in
XVI,3-8 een kleine apokalyps, die de gebeurtenissen van de laatste dagen tekent.
ESCHATOLOGISCHE VERMANING
Hier is een vermaning tot waakzaamheid voor de naderende wederkomst van de Heer. Met
twee beelden (cfr. Lukas 12,35) wordt blijvende gereedheid geëist. Heel wat vertolkers menen, dat hoofdstuk 16 oorspronkelijk het slot van de twee–wegen–catechese heeft gevormd. Al het begin van vers 1 “Waakt over uw leven” zou kunnen slaan op de oproep op de
“weg des levens” te blijven. De eschatologische epiloog is bijgevolg geen uitdrukking van “das
Handeln bestimmender Naherwartung, sondern ein Topos der Moralparänese im Kampf
gegen die sich zunehmend breitmachende Trägheit in den Gemeinden”.74 Dit bewijst ook het
concrete verzoek, dat de schrijver in vers 2 aanhaalt: “Komt dikwijls samen om datgene na
te streven wat het heil van uw ziel bevordert.”
26
APOCALYPS
De gebeurtenissen uit de eindtijd zijn in vijf fasen opgebouwd, telkens beginnend met het
woord ‘tote’ (of ‘kai tote’). Eerst is het deel over de toename van de valse profeten en verleiders aan de orde, daarna het optreden van de antichrist, die zich zal voordoen als Gods
Zoon, maar “hij zal wandaden begaan zoals nog niet zijn voorgekomen sinds het begin van de
tijden”, in de derde fase voltrekt zich de vuurproef van de christen: een grote groep zal afvallen en te gronde gaan, de andere groep blijft ondanks alle aanvechtingen trouw. In de vierde
fase komen drie tekenen van de Waarheid aan de orde. Wat betreft “het teken van de uitspanning” (c.q. uitbreiding) zijn er verschillende uitleggingen; waarschijnlijk gaat het hier over
de verschijning van het kruis aan de hemel die aan de eigenlijke parousie (c.q. komst) voorafgaat.
Bij het tweede teken van trompetgeschal wordt het instrument van de eindtijd genoemd, dat
een theofanie aankondigt. Het derde voorteken van de wederkomst van de Heer is de opstanding der doden. De schrijver van de Didachè voegt er aan toe, dat dit alleen voor de heiligen geldt! Dit zijn waarschijnlijk de christenen, die volgens hun geloof hebben geleefd (hoewel dit vaag is). De laatste fase van de gebeurtenissen uit de eindtijd is de wederkomst van
de Heer op de wolken van de hemel, een motief dat in de apocalyptische literatuur veel parallellen heeft.
Aangezien verondersteld wordt, dat we niet in het bezit zijn van het volledige handschrift van
de Didachè, zou mogelijk onderstaande tekst het slot kunnen zijn: “En dan zullen de Heer en
al zijn heiligen met Hem komen op de wolken vergezeld van het heirleger der engelen, zittend
op de troon van het Koninkrijk, om de aartsverleider, de duivel te oordelen en aan ieder te
geven naar zijn werken. Dan zullen de bozen gaan naar hun eeuwige straf, maar de rechtvaardigen zullen komen tot het eeuwige leven en datgene beërven wat geen oog heeft gezien
en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid
voor hen die Hem liefhebben, en in het Koninkrijk Gods zullen zij zich verblijden in Jezus
Christus”.75
27
KAN ONZE KERKORDE VERGELEKEN WORDEN MET DE DIDACHÈ?
76
Een kerkorde omvat diverse regels, waarvan we in de kerk zijn overeengekomen, ons er —zo
goed en zo kwaad mogelijk— aan te zullen houden.
Uiteraard is de “Constitutie en kerkorde en andere reglementen ” van onze Verenigde Protestantse Kerk in België heel anders dan de Didachè.
In de eerste komen aan bod: de algemene beginselen (art.1-10), dan het geloof, de roeping,
de opbouw, samenstelling, de ambten en het financiële leven van de kerk, de plaatselijke gemeenten en de wijkgemeenten (art.11-18), de districtsvergaderingen (art.19-24) de synodevergaderingen (art.25-30), de algemene kerkvergadering (art.31-33), de betrekkingen
van de Verenigde Protestantse Kerk in België met de burgerlijke overheid (art.34-36) en
bijzondere bepalingen (art.37-41).
In de Didachè is er geen sprake van een synodevergadering, districtsvergaderingen (art.1)
of proponenten, zelfs niet van de ons protestanten zo bekende ambten als dienaar des
Woords of dominee (art.4.1) en de oudste (een woord dat meer in vrij–evangelische kringen
gebruikt wordt) of ouderling (art.4.2). Ook predikantenrollen, gemeentevergaderingen, mandaten, centrale- en districtsklassen zijn volkomen onbekend aan het begin van de 2de eeuw.
Kan onze kerkorde vergeleken worden met de Didachè? We doen een bescheiden poging en
kijken wat we nog zouden kunnen herkennen in onze kerkorde, 77 dat de geest ademt van de
Didachè.
Art.1 - Het geloof van de Kerk. Misschien de woorden “Binnen deze opdracht is er vrijheid
om uitdrukking te geven aan eigen tradities en geestelijk leven.”
Art.4 - De ambten in de Kerk. Hier komen we de dienaar des Woords, de ouderling en de
diaken tegen (ook de proponent, maar niet als ambtsdrager). Afgezien van het feit, of we al
kunnen spreken over "ambten" eind eerste eeuw, in de Didachè komen we leraars, apostelen, profeten, bisschoppen en diakenen tegen.78 Profeten duidelijk het meest!
Art.10 - De vrijgevigheid en het financiële leven van de Kerk. Het woord gastvrijheid valt weliswaar niet, maar de solidariteit waarover de kerkorde spreekt heeft iets te maken met wat
we lezen in Didachè XI,12: “... Zou hij echter iets voor anderen die in nood zijn vragen, dan
mag niemand over hem oordelen.” En wat betreft de arbeider, die zijn loon waard is —ook al
gaat het daar vooral over goederen in natura— kunnen doen denken aan de predikantswedde (art.10.4).
28
En hoewel er in de Didachè geen sprake is van sociale waarborgen en verworven rechten
sprake is, toch heeft men in de vroegchristelijke gemeente solidariteit betoond met de minderbedeelden, zoals dat blijkt uit teksten als: “Geef aan ieder die u iets vraagt en eis het niet
terug (....) laat uw aalmoes zweten in uw handen, totdat ge weet aan wie ge geeft (....) Wat
betreft uw gebeden, uw aalmoezen en al uw daden, handelt zoals u dat hebt (staan) in het
Evangelie van onze Heer”.79
Art.11-18 - de plaatselijke gemeenten en de wijkgemeenten. Wat betreft de verkiezing van
de ambtsdragers doen de woorden “Overeenkomstig het Woord van God heeft de plaatselijke gemeente de plicht als leden van de kerkenraad te kiezen broeders en zusters die het
vertrouwen waard zijn vanwege hun geloof, hun christelijke oprechtheid, hun ervaring en
het inzicht dat zij hebben ten aanzien van het welzijn van de Kerk ”80 denken aan “Kiest dus
bisschoppen en diakens de Heer waardig, zachtmoedige, niet geldzuchtige, betrouwbare
mannen, want ook zij verrichten bij u het heilig dienstwerk van de profeten en leraars ”.81
Bij art.16 - De lidmaten van de plaatselijke gemeente, zouden we kunnen denken aan: “Laten slechts zij die gedoopt zijn in de Naam van de Heer eten en drinken van uw Eucharistie”.82 De discussie ‘kinderen aan het avondmaal’ is niet aan de orde.
De art.19-41 die handelen over de districtsvergaderingen, de synodevergadering de algemene kerkvergadering, de betrekkingen met de burgerlijke overheid en de bijzondere artikelen, zijn hier niet van toepassing.
Wel is opvallend dat er in de Didachè veel aandacht is voor het zedelijke ( de Twee Wegen
Catechese) en de eschatologie, iets dat weliswaar ontbreekt in onze kerkorde, maar volgens
mij niet in het leven van heel wat gelovigen.83
Over de liturgie spreekt onze kerkorde niet, de Constitutie zijdelings.84 Bij de afdeling ‘Instructies van de commissies’ komen we de liturgische commissie tegen (C.II.2) en bij de ‘Gewoonteregels’ wordt gesproken over een verklaring voor de interkerkelijke erkenning van de doop
en vinden we een model voor het doopbewijs. Over het Heilig Avondmaal lezen we verder
niets.
Het is duidelijk, dat ruim 1900 jaar later de kerk nogal veranderd is. De vragen van deze tijd
zijn andere dan die van destijds. De kerk is een (stevige) organisatie geworden en helaas—
behoorlijk verdeeld in de loop der eeuwen.
We kunnen best nog wat leren van een oude en verloren gegane kerkorde als de Didachè.
Anne-Marie Lucy Caproni.
Scriptie voor het diploma kandidatuur in de Godsdienstwetenschappen, juli 1992.
29
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
 AUDET, J., La Didachè - Instructions des apôtres, Paris, 1958.
 BAKHUIZEN VAN DEN BRINK, J.N. en LINDEBOOM, J., Handboek der kerkgeschiedenis, deel
1, ’s-Gravenhage, 1943.
 BARNARD, W., Huis, tuin en keuken - Over de dubbele bediening: die des Woords en die der
woorden, Haarlem, Antwerpen, 1966.
 BENEDICTINESSEN van Bonheiden, De Didachè, Leer van de twaalf apostelen, Kerkvader-
teksten met commentaar 3, Bonheiden, 1982.
 BERKHOF, H. en DE JONG, 0.J., Geschiedenis der Kerk, Nijkerk, 1967.
 BOUDENS, R., Het doopsel in de eerste eeuwen, Kerkgeschiedenis 10 , artikel in parochie-
blad 'Kerk en Leven', augustus 1984.
 CONSTITUTIE en kerkorde en andere reglementen van de Verenigde Protestantse Kerk in
België, Brussel.
 GOUDOEVER, J. van - RIJK, C.A., (later: Th. de Kruijff) - PRAAG, H. van (redactie), Phoenix
bijbelpockets, tweede reeks: Het Nieuwe Testament, Hilversum-Antwerpen, 1966-1969,
deel 21: Zoals er gezegd is over de Bergrede en deel 27: Zoals er gezegd is over het Evan-
gelie in de westelijke wereld.
 KITTEL, G., Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, Band 2, Stuttgart, 1935.
 KLIJN, A.F.J., Apostolische Vaders, I en II Clemens, Onderwijs van de twaalf apostelen , deel
2, Baarn, 1967.
 MALINGREY, A.M., FONTAINE, J., De oud-christelijke literatuur, Aula pocket 476, Utrecht–
Antwerpen, 1972.
 SCHÖLLGEN, G., Didachè Zwölf–Apostel–Lehre, in: Fontes Christiani, Zweisprachige Neu-
ausgabe christlicher Quellentexte aus Altertum und Mittelalter, hrg. Brox, N., Geerlings, W.
u.a., Band I, Freiburg–Basel–Wien–Barcelona–Rom–New York, 1991.
 NIELSEN, A., Christenen in de antieke wereld, Kampen, 1953.
 SOETENDORP, J., Symboliek der joodse religie - beschrijving en verklaring der gebruiken in
het joodse leven, Hilversum-Antwerpen, 1966.
 VAN MALCOT, L., HAVEN, E., DE BEUN, J.C., Cursus kerkgeschiedenis voor het secundair
protestants godsdienstonderwijs, deel 1, Brussel, 1987.
30
SCHÖLLGEN, G., Didachè Zwölf-Apostel-Lehre, in: Fontes Christiani, Zweisprachige Neuausgabe christlicher
Quellentexte aus Altertum und Mittelalter, hrg. Brox, N., Geerlings, W. u.a., Band I, Freiburg–Basel–Wien–
Barcelona–Rom–New York, 1991, p. 13. Naast de Didachè worden nog drie andere kerkorden genoemd,
waarschijnlijk uit de 3de eeuw: a) die Traditio apostolica des Hyppolyt, b) die Syrische Didaskalie, c) die Aposto1
lische Kirchenordnung.”
BENEDICTINESSEN van Bonheiden, De Didachè, Leer van de twaalf apostelen, Kerkvaderteksten met commentaar 3, Bonheiden, 1982, p. 9.
AUDET, J., La Didachè - Instructions des apôtres, Paris, 1958, p. 1v.
2
3
Voor deze rubriek maakte ik voornamelijk gebruik van SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 86-94. Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 26-29 en AUDET, J.P., o.c., p. 24-78. Deze laatste geeft “Le fragment d'Oxyrhynque” aan met de
letter 0, daar waar SCHÖLLGEN, o.c., p. 87 “Die Fragmente aus Oxyrhynchus” met de letter P aanduidt.
5
De conclusie van AUDET, J.P., o.c., p. 53 is: “Sans doute, le ms. de Bryennios demeure-t-il, en toute hypo4
thèse, notre principal témoin pour le texte complet de la Didachè, et, à ce titre, il a droit à une très sérieuse
considération. Mais cela dit, la question de sa valeur continue évidemment à se poser. II est seulement requis
de la traiter avec toutes les précautions désirables.”
RENGSTORF, H., in: Theologisches Wörterbuch zum Neuen Testament, (G. Kittel), Band II, Stuttgart, 1935,
6
p. 166v.
7
BARNARD, W., Huis, tuin en keuken - Over de dubbele bediening: die des Woords en die der woorden, Haarlem–Antwerpen, 1966, p. 204 en 206.
8
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 18: “Unbestritten is heute, dasz keine Kirchenordnung diesen Anspruch zu Recht
erhebt”.
9
AUDET, J.P., o.c., p. 102: “Ainsi, la conclusion demeure de tous côtés fermement établie, que le titre original
de la Didachè doit être lu: Didachai tôn apostolôn...”. De ondertitel van zijn werk is niet voor niets “Instructions
des apôtres”! SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 25 heeft als korte titel: “Didachè tôn dôdeka apostolôn”.
10
KLIJN, A.F.J., Apostolische Vaders, I en II Clemens, Onderwijs van de twaalf apostelen, deel 2, Baarn, 1967,
p. 106: Vertaling: “Het onderwijs van de Heer zoals door de twaalf apostelen aan de volken is overgeleverd ”.
Hij wijst op Matteüs 28,19, Handelingen 2,43 en 5,12 waar de apostelen doen wat Jezus hen heeft opgedragen. Cfr. AUDET, J.P., o.c., p. 4.
11
AUDET, J.P., o.c., p. 119v: “L'auteur est un apótre. II part de l'église-mère visiter les communautés de son
expansion et de son influence. s' Inspirant de la vie et des usages de son église, il a redigé un petit recueil
d'instructions (D1): il l'emporte avec lui.” Na enige tijd, misschien een jaar later, vertrekt hij opnieuw en door
de geleerde ervaring voegt hij nieuwe instructies toe (D2). Er is evenwel nog een “ interpolateur” geweest,
waarschijnlijk ook een apostel, die vermoedelijk van dezelfde kerk als de auteur was. “Mais il avait des goûts
et ses idées. II les a fait passer dans son propre exemplaire des Instructions, et il l'a répandu. ” Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 18.
12
AUDET, J.P., o.c., p. 199, komt zelfs tot de jaren 50-70: “.. nous sommes dans Ia première génération chré-
tienne née de la mission aux gentils, à peu de distance, semble-t-il, dans le temps, sinon dans l'espace, de I
Cor.,8-10; Rom.,14; CoL,2:16,20-23 et I Tim.,4:3, quelque part entre 50 et 70, compte tenu d'une certaine
marge d'erreur possible à la limite inférieure.” Maar deze vroege datering kan alleen gelden voor de eerste
acht hoofdstukken. Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 24v.
13
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 17v.
14
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 27: “... und weist ihr die Aufgabe einer prabaptismalen Katechese zu”.
15
GOUDOEVER, J. van - RIJK, C.A., (later: Th. de Kruijff) - PRAAG, H. van (redactie), Phoenix bijbelpockets;
tweede reeks: Het Nieuwe Testament, Hilversum-Antwerpen, 1966-1969, deel 27: Zoals er gezegd is over
het Evangelie in de westelijke wereld, p. 47.
16
MALINGREY, A.M., FONTAINE, J., De oud-christelijke literatuur, Aula pocket 476, Utrecht–Antwerpen,
1972, p. 15. De “rijke informatie” betreft ook het inzicht in de problematiek rond de christelijke gastvrijheid.
Cfr. SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 55-68 en de rubriek "Gastvrijheid, levensonderhoud en tucht".
17
KLIJN, A.F.J., o.c., p. 93v
31
BARNARD, W., Huis, tuin en keuken - Over de dubbele bediening: die des Woords en die der woorden, Haarlem, Antwerpen, 1966, p. 204v.
19
BAKHUIZEN VAN DEN BRINK, J.N. en LINDEBOOM, J., Handboek der kerkgeschiedenis, deel 1, ’sGravenhage, 1943, p. 52-55.
20
Barnabas was de Leviet Jozef, die een akker verkocht ten bate van de gemeente. Hij maakte met Paulus de
eerste zendingsreis en verdedigde met hem op de apostelvergadering te Jeruzalem de belangen van de heidenchristenen. Later kwam er een tijdelijke verwijdering tussen hen. Volgens de overlevering zou Barnabas
de kerk te Milaan hebben gesticht.
21
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 27v. en KLIJN, A.F.J., o.c., p. 97v.
22
MALINGREY, A.M., o.c., p. 16.
23
VAN MALCOT, L., HAVEN, E., DE BEUN, J.C., Cursus kerkgeschiedenis voor het secundair protestants godsdienstonderwijs, deel 1, Brussel, 1987, p. 26-27.
24
Deze gegevens komen uit de CURSUS KERKGESCHIEDENIS, o.c., p. 16. Vermeld wordt daarin: VAN DUYNE,
H.M.J., Van tekst tot uitleg, 's-Gravenhage, 1982, p. 83-99.
25
BERKHOF, H. en DE JONG, 0.J., Geschiedenis der Kerk, Nijkerk, 1967, p. 13.
26
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 36-40. Er wordt ook gesproken over de ‘twee–wegen–catechese’ en de catechismus van de twee wegen. Parallellen van de twee wegen leer zijn in een aantal oud kerkelijke geschriften terug
te vinden, zoals in de brief van Barnabas.
27
Deze teksten komen uit Deuteronomium 30,15.19; Psalm 1,1.6 en Jeremia 21:8. We kiezen hier en elders
voor de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (1951).
28
Deze woorden komen uit het apocriefe boek Wijsheid van Jezus Sirach 7,30a: “Heb uw maker lief met heel
uw hart”.
29
Zie Matteüs 22,37v. en Markus 12:30v. Ook Leviticus 19,18 en Deuteronomium 6,4v. (deze komen in het
jodendom niet samen voor).
30
GOUDOEVER, J. van - RIJK, C.A., (later Th. de Kruijff) - PRAAG, H. van (redactie), o.c., p. 60.
31
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 68.
32
AUDET, J.P., o.c., p. 291 is van mening dat het hier niet alleen gaat om het vervloeken van de ouders, maar
ook om de vervloeking van mensen in het algemeen. Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 68.
33
SCHÖLLGEN, G., o.c., 28. Zie ook: Markus 2,5;10,25 en Lukas 16,25. De (geestelijke) vader leert de (geestelijke) zoon levenswijsheid.
34
Gaat het om gebedsverhoring en wordt er bedoeld: “Maakt u niet ongerust of de profetieën al of niet vervuld
worden en/of uw gebeden verhoord worden” of is het zoals bij AUDET, J.P., o.c., p. 328, die vers 4 aan vers 3
koppelt: “Tu ne t'arrêteras pas à te demander ce qui en adviendra ou non pour toi” (= “Maakt u niet ongerust
wat hiervan (van de broederlijke vermaning) de gevolgen zijn”. Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 70.
35
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 43. Cfr. p. 118v. “ .. en hudati dzônti = in lebendigem Wasser".
36
VAN GOUDOEVER, J., o.c., deel 27, p. 48; KLIJN, A.F.J., o.c., p. 114; BENEDICTINESSEN, o.c., p. 34. In Handelingen 16,13 lezen we over een rivier, waar men een gebedsplaats verwacht.
37
BOUDENS, R., Het doopsel in de eerste eeuwen, Kerkgeschiedenis 10, artikel in parochieblad 'Kerk en Leven', augustus 1984.
38
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 46. BENEDICTINESSEN, o.c., o. 34: “Ignatius van Antiochië (ca. 110) duidt in de brief
aan de Kerk van Smyrna (VIII,2) de bisschop aan als bedienaar van het Doopsel.”
39
SIZOO, A., Christenen in de antieke wereld, Kampen, 1953, p. 27.
40
GOUDOEVER, J. van, o.c., deel 27, p. 48 en SIZOO, A., o.c., p. 27.
41
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 34 "Galaten 2,13; judaïzerende christenen hielden zich aan de joodse Wet." Vgl.
NIELSEN, J.T., Het evangelie naar Mattheüs lll, Nijkerk, 1974, p. 15 en 23.
18
32
Was het vasten niet verplicht? Of slaat het alleen op het vasten op bepaalde dagen? Bij SCHÖLLGEN, G.,
o.c., p. 48 lezen we: “Die Kirche des Westen hat es ihren GlaCibigen nicht als Verpflichtung auferlegt; dem42
gegenUber gibt es seit dem 3. Jahrhundert im Osten zunehmend Belege für den verbindlichen Charakter des
Wochenfastens.”
Met name collega's rooms-katholieke godsdienst —zowel in het vrij onderwijs, het gemeentelijk onderwijs als
in het gemeenschapsonderwijs— wijzen in de 'vastentijd' hun leerlingen op allerlei vormen van onrecht ('Honger is onrecht!').
44
Het tekstkritisch apparaat in Novum Testamentum Graece (NTG), van NESTLE, E. & ALAND, K. vermeldt
enkele kleine verschillen: Didachè: ‘in de hemel’ en ‘onze schuld’ en in de NBG ‘in de hemelen’ en ‘onze schulden’ en een verschillende werkwoordsvorm van ‘hij vergaf’. Cfr voor de Griekse tekst van de Didachè:
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 120v. NIELSEN, J.T., Het evangelie naar Mattheüs, deel 1, Nijkerk, 1971, p. 131 en
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 72.
45
NIELSEN, J.T., o.c. (deel I), p. 128 en BENEDICTINESSEN, o.c., p. 58 vertalen: “Want van U is de macht en de
heerlijkheid tot in de eeuwen der eeuwen”.
46
SOETENDORP, J., Symboliek der joodse religie - beschrijving en verklaring der gebruiken in het joodse leven,
Hilversum-Antwerpen, 19662, p. 126. NIELSEN, J.T., o.c. (deel I), p. 128v. Voor het 'Sjema' zie Deuteronomium 6,4-9.13-21 en Numeri 15,37-41.
47
NIELSEN, J.T., Het Evangelie naar Matteüs (deel II), Nijkerk, 1973, p. 106.
48
We kiezen hier voor de benaming avondmaal. Er wordt ook gesproken over het Heilig Avondmaal, de maaltijd van de Heer en de eucharistie (naar het Griekse “eucharistia”, wat letterlijk “goede gave” betekent).
49
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 42. Volgens SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 50 behoren de hoofdstukken IX en X tot de
moeilijkste passages en is vooral de kwestie of de drie ‘eucharistische gebeden’ “zu einem meist Agape gen43
annten religiösen Sättigungsmahl der Gemeinde oder zu einer eucharistischen Mahlfeier im engeren Sinn
gehören.” En als er dan al sprake zou zijn van een avondmaal in engere zin, dan zou het om een alternatieve
vorm gaan (p. 53v.).
50
KLIJN, A.F.J., o.c., p. 115 wijst op 1 Korintiërs 10,16.21 en Lukas 22,17, hoewel in Matteüs 26,26 (parallellen) het brood breken voor de beker genoemd wordt.
51
In Didachè IX,2 wordt het woord ‘paidos’ gebruikt. Volgens GOUDOEVER, J. van, o.c. (deel 27, p. 49) is de
vertaling hier niet “kind”, maar “slaaf of dienaar”, een vertaling van het Hebreeuwse ‘èbèd’, wat verwijst naar
de knecht–gestalte zoals die in de Joodse traditie heeft geleefd. Cfr. Handelingen 3,13.26 en 4,27.30.
52
KLIJN, A.F.J., o.c., p. 115 meent dat er hier gewezen zou kunnen worden op het bergachtige gebied van
Syrië, de mogelijk plaats waar de Didachè is ontstaan.
53
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 73.
54
Cfr. 1 Korintiërs 11,17w. en Didachè XIV,2.
55
Waar BENEDICTINESSEN, o.c., p. 63 als titel bij Didachè XIV,1-3 hebben “De zondagse eucharistieviering”,
daar spreekt SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 68 over “Sündenbekenntnis und Versöhnung”.
56
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 132v. stelt, dat het “kuriakè kuriou” (“Herrentag”) eigenlijk met “Herrentag des
Herrn” vertaald moet worden en dat deze formulering zich tegen joden-christenen richt, die de sabbat als
dag van de Heer vierden. Cfr. BENEDICTINESSEN, o.c., p. 75v.
57
BOUDENS, R., o.c. N.B. In een schrijven (7 september 1992) betreffende de beoordeling van deze scriptie,
schreef prof. J.T. NIELSEN: “...het misoffer bij Justinus terugvinden, dat zou de RK Boudens, R. wel willen! De
Patristiek of Patrologie is vrijwel de gehele tijd in handen geweest van de RK kerk (en wetenschap), die de
periode na het NT beschouwde als een bevestiging van wat de Kerk der eeuwen altijd al gezegd en gedacht
heeft. Immers, de RK kerk is gebaseerd op 2 pijlers: de Schrift en de Traditie en de Traditie zegt (en ook de
Schrift!) wat de RK kerk vindt dat de Traditie moet zeggen (en de Schrift!). De laatste jaren is er van Protestantse zijde belangstelling voor de periode na het NT.”
Bovenstaande teksten vinden we in: 1 Korintiërs 12,28; Efeziërs 4,11 en Handelingen 13,1.
Didachè X,7 - XI,7-12 - XIII,1-7 en XV,1-2.
60
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 62.
61
SIZOO, A., o.c., p. 31v.
58
59
33
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 74
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 56.
64
Didachè XI,5 stelt dat de profeet niet langer dan één dag mag blijven en “als het noodzakelijk is, nog een
dag. Wanneer hij drie dagen blijft, is het een valse profeet.”
65
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 64v. Cfr. Didachè XI,5. Zie: 2 Thessalonicenzen 3,10. Bij de BENEDICTINESSEN, o.c.,
p. 75 lezen we dat in de Griekse tekst het niet bekende woord “christemporos” voorkomt, dat letterlijk vertaald wordt met “handelaar in Christus”. Het winst maken uit het christen-zijn wordt veroordeeld
66
Didachè XIII,7 stelt “Neem van uw geld, uw kleding, van al uw goederen het eerste naar het u toeschijnt en
geef dat (aan de profeten) volgens het gebod.” Het geven van geld is niet in tegenspraak met de waarschuwing in XI,12 om niet naar een profeet te luisteren die zegt: “Geef mij geld”, omdat de profeet dit niet nodig
heeft, tenzij hij geld vraagt voor mensen in nood, “dan mag niemand over hem oordelen.” Zie ook de afdeling
TUCHT.
67
Dit doet denken aan de inkomsten van priesters in Numeri 18,12w. Cfr. Deuteronomium 18,3 en 26,1w.
68
Het is volgens KLIJN, A.F.J, o.c., p. 120 en de BENEDICTINESSEN, o.c., p. 75 niet duidelijk wat de woorden
“volgens het gebod” in Didachè XIII,5 en 7 betekenen. Gaat het om een oudtestamentisch gebod of een gebod van de Heer?
69
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 74. Onzeker is of de gemeente of de bisschop bepaalde wie er werd uitgesloten.
70
N.C.R.V. radioprogramma ‘Hier en nu’, Nederland 1, uitzending op 15 juni 1992. De schrijfwijze Thilton is
onzeker. Een fictief verhaal over een oneerlijke en duidelijk dubbel–moralistische televisiepredikant, komen we
tegen in het interessante en ironische boek van Peter USTINOV, De oude man en meneer Smith, 'sGravenhage, 1992, p. 72-85. De schrijver laat God (de oude man) en de duivel (meneer Smith) een werkbezoek aan de aarde brengen. Op een enkeling na, gelooft niemand dat zij zijn, wie ze zeggen dat ze zijn. Ze worden achternagezeten door de FBI, die hen aanziet als Russische agenten of ze worden als gekken versleten.
De confrontatie met de "overvloedig transpirerende predikant, dominee Henchman" behoort ons inziens tot
het beste deel van het boek.
71
Didachè XI,8 en XI,12
72
De volgende teksten komen we tegen bij KLIJN, A.F.J, o.c., p. 122v. en de BENEDICTINESSEN, o.c., p. 76v.:
Joël 2,2 - Zacharia 13,8 - Matteüs 7,15. 24,9vv.20.24vv.42.44. 25,8 - Lukas 12,35.43 - 1 Korintiërs
15,51v. - 1 Thessalonicenzen 4,16 - 2 Thessalonicenzen 20,29v. - 1 Petrus 4,12 - Openbaring 13,14.
73
BERKHOF, H., o.c., p. 16.
74
SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 76v.
75
BENEDICTINESSEN, o.c., p. 19 en 77.
76
Hoewel we in de rubriek “Wat is de Didachè of de leer van de twaalf apostelen? ’” konden lezen dat de
nodige systematiek ontbreekt in de Didachè, toch doen we een ‘speelse’(?) poging deze te vergelijken
met onze Kerkorde.
77
Als de artikelen van de Constitutie worden bedoeld, wordt dit apart vermeld.
78
Cfr. Didachè XI,1-2; XIII,2; XV,1-2 / Didachè XI,3.4.6 / Didachè X,7; XI,7-12; XIII,1.3-4.6-7; XV,1-2 /
Didachè XV,I
79
Cfr. Didachè XII,1-5 / Didachè XIII,1-7/ Didachè I,5 -I,6 en IV,5-8. Cfr. SCHÖLLGEN, G., o.c., p. 55-68.
80
Art.12.2/1. De “zusters” worden hier genoemd.
81
Didachè XV,1. Hier is slechts sprake van “mannen”.
82
Didachè IX,5.
83
Bij heel wat fundamentalistisch ingestelde gelovigen en bij sektariërs vieren streng moralisme en eindtijdverwachting (einde 2e millennium) een grote rol.
84
Constitutie artikel 2 stelt, dat de Kerk geroepen is “haar ambt uit te oefenen in lofprijzing ” ... “te luisteren naar God” ... en “de doop te bedienen en de maaltijd des Heren te vieren ”.
62
63
34