bewerkte versie - Elizabeth Kooy

foto’s Regnerus Steensma
Elizabeth Kooy
1 ’t Zandt, engel met s-vormige trompet, 1510-1520, detail van
figurenreeks in koorsluiting
2 ’t Zandt, engel met rechte trompet, 1510-1520, detail van figurenreeks
in de koorsluiting
Muziekinstrumenten op middeleeuwse muur- en gewelfschilderingen in Groningse kerken
Hemelse lofprijzing en hels lawaai
In twaalf Groninger kerken zijn middeleeuwse muuren gewelfschilderingen of ‘fresco’s’ met muziek­
instrumenten te zien. Veel van deze instrumenten
worden bespeeld door engelen, maar er zijn ook
mensen en zelfs duivels met instrumenten in de
handen. In dit artikel is de aandacht gericht op
de betekenis van de instrumenten en hun plaats in
de middeleeuwse muziektheorie en -praktijk.
Muziektheorie en -praktijk in de
middeleeuwen
In de middeleeuwen heerste de idee dat muziek de godde­
lijke orde weerspiegelt. Door de theorie van muziek te bestuderen kon de mens kennis van Gods schepping ver­
krijgen. Het uitvoeren van muziek werd daarentegen gezien
als een lagere vorm van muziek. Doordat muziek de men­se­
lijke ziel kan beïnvloeden, werd het uitvoeren van muziek
bovendien als potentieel gevaarlijk beschouwd. Er werd gediscussieerd over wat ‘slechte’ muziek was en welke muziek geschikt was voor de misviering. Koorzang werd
toegestaan tijdens de mis, maar instrumentale muziek
niet, vooral vanwege de associatie met heidense rituelen.1
Alleen voor het orgel werd op sommige plaatsen een uitzondering gemaakt. Middeleeuwse orgels bleven in Groningen bewaard in Krewerd (1531) en Scheemda (1536, nu in het Rijksmuseum in Amsterdam), en in een
aantal andere kerken zijn de sporen van verdwenen orgels
nog te traceren.2
Naast het onderscheid tussen instrumentale en koor­
muziek werden ook verschillende soorten musici uiteen­
lopend beoordeeld. Kerkmusici stonden in hoog aanzien,
maar instrumentalisten werden negatief bekeken, met als laagste ‘klasse’: de rondtrekkende muzikanten.3 Instrumentale muziek werd weliswaar beschouwd als een lagere vorm van muziek, maar er werden wel gradaties
aangebracht. In de late middeleeuwen werden instrumen­
1 Winfried Kurzschenkel, Die theologische Bestimmung der Musik. Neuere Beiträge zur Deutung und Wertung des Musizierens im christlichen Leben,
Trier 1971, pp. 17-21, 116-145.
2 Regnerus Steensma en Harry G. de Olde, ‘De plaats van het orgel in het middeleeuwse kerkgebouw, in het bijzonder in de provincie
Groningen’, Groninger kerken 1 (1984), pp. 85-91.
3 Achim Diehr, Literatur und Musik im Mittelalter. Eine Einführung, Berlijn 2004, pp. 24-28.
( 6 Groningen, Martinikerk, Laatste Oordeel, engel met s-vormige
trompet, ca. 1535
ten vooral ingedeeld op basis van het volume van het in­
strument, een onderscheid dat deels samenging met een
verschil in ‘aanzien’. Instrumenten werden geclassificeerd
als ‘hard’ (haut) of ‘zacht’ (bas). Onder zachte instrumen­
ten werden snaarinstrumenten en verschillende soorten orgels verstaan. Deze instrumenten, zachter van klank en
lastiger te bespelen, hoorden bij de hogere klasse. De harde
instrumenten waren de grotere blaasinstrumenten, zoals
de hoorn, doedelzak en trom. Deze instrumenten, die minder subtiel klinken en minder scholing vergen, werden
geassocieerd met de lagere bevolkingsgroepen. De trom
werd, samen met de fluit, vooral gebruikt in de dans­
muziek. Trompetten, die een harde klank hebben, werden
gezien als symbool van de machthebbers.4
foto’s Regnerus Steensma
Van trompetten tot doedelzakken
Voor we de vraag kunnen stellen naar de betekenis van muziekinstrumenten in fresco’s is het van belang om de
verschillende instrumentvormen te kunnen herkennen.
Naast onze onbekendheid met oude, verdwenen instru­
mentvormen zijn er nog twee hindernissen. De eerste is de kwaliteit van de fresco’s: sommige schilderingen zijn
erg beschadigd of zijn niet altijd getrouw gerestaureerd.
Het tweede probleem is dat in de middeleeuwen de vorm en
terminologie van instrumenten nog geen vaste standaard
kende, zoals dat tegenwoordig wel het geval is. In verschil­
lende streken werden verschillende termen gebruikt, één
bepaalde term kon op een verscheidenheid aan vormen betrekking hebben en sommige termen zijn later iets anders gaan betekenen.5
3 Loppersum, engel met j-vormige trompet, ca. 1500, zuidelijk vak van de
westelijke koortravee
)
Trompetten en hoorns
7 Groningen, Martinikerk, muzikant met s-vormige trompet, ca. 1480
8 Noordbroek, Laatste Oordeel, Christus als rechter omgeven door
drie engelen met trompetten, ca 1480
4 Middelstum, Laatste Oordeel, een engel met een u-vormige trompet
en een engel met een rechte trompet, ca. 1535
5 Middelstum, Laatste Oordeel, duivel met hoorn en duivel met f luit en trom
in de hel, ca. 1535
In alle Groninger kerken met geschilderde instrumenten
vinden we blaasinstrumenten die als trompet of hoorn betiteld kunnen worden. Het grootste uiterlijke verschil
tussen een hoorn en een trompet betreft de vorm van de
buis. Blaasinstrumenten met een grotendeels cilindrische
buis en slechts een kegelvormig uiteinde (de beker) worden
trompetten genoemd. Is de buis grotendeels kegelvormig,
dan wordt de term hoorn gebruikt. Beide instrumenten komen voor in verschillende vormen.
De oudste trompetvorm is de lange, rechte trompet. In de veertiende eeuw werd de techniek ontwikkeld om de
buis te buigen, waarmee de s-vormige trompet ontstond. In
’t Zandt zijn deze twee varianten naast elkaar afgebeeld in
de koorsluiting (afb. 1 en 2).6 Ook kon alleen het onderste
deel gebogen zijn, zodat er een j-vorm ontstond. In de kerk
van Loppersum zijn twee van zulke j-vormige trompetten
afgebeeld, één op het noordelijke en één op het zuidelijke
vak van het westelijke koorgewelf (afb. 3). Deze trompetten
horen bij het Laatste Oordeel dat afgebeeld is op de belen­
dende noordmuur. Vanuit de s-vorm ontstonden ook an­
dere varianten met een gebogen buis. Zo kon de buis ook in een lus of gesloten u-vorm worden gebogen. In deze
vorm lijkt de trompet al meer op onze huidige trompet. In Middelstum is in het transept een voorstelling van het
Laatste Oordeel te zien met verschillende trompetten,
waaronder één u-vormige trompet (afb. 4).
Hoorns, oorspronkelijk gemaakt van een dierenhoren of een schelp, ontwikkelden zich geleidelijk tot langere instrumenten van metaal. In de middeleeuwen had de buis
doorgaans een flauwe kromming. Later werd deze vaak in
meerdere cirkels gebogen. Hoorns zijn onder meer te zien
in het Laatste Oordeel van Middelstum (af b. 5) en ’t Zandt
(tweede helft vijftiende eeuw, deels ca. 1570), respectievelijk
in de hel en aan weerszijden van Christus. Het fresco in ’t Zandt bevat een korte trompet en een ronde hoorn. In
Garmerwolde zijn twee korte hoorns afgebeeld in de zwikken van het transeptgewelf (ca. 1500). De muzikanten
zijn decoratieve elementen die haast ‘vergroeid’ lijken te
zijn met de omringende plantmotieven.
Naast bovengenoemde plaatsen zijn er nog enkele kerken met fresco’s van trompetten en hoorns. In de Martinikerk te Groningen zijn een rechte en een s-vormige
trompet afgebeeld in het Laatste Oordeel (af b. 6). Dit zwaar
beschadigde fresco bevindt zich op de westmuur van het
koor. Op het tweede gewelf vanuit het westen in het midden­
schip zijn drie soorten trompetten afgebeeld, bespeeld
door menselijke muzikanten: een rechte, een j-vormige en
een s-vormige (afb. 7). Een andere verzameling blaas­
instrumenten is te zien in het deels verdwenen Laatste Oordeel op de noordmuur van het schip in Westeremden
(ca. 1500). Hier zijn twee hoorns en twee trompetten afge­
beeld. In het Laatste Oordeel in Usquert, op de noordmuur
van het koor, is een rechte trompet afgebeeld. In Huizinge
bevat het Laatste Oordeel in het tweede schipgewelf vanuit
het westen twee rechte trompetten (ca. 1490). In Noord­
laren is op de muur een engel met een s-vormige trompet
afgebeeld (begin zestiende eeuw). Wellicht is de trompet­
spelende engel onderdeel van een voor de rest verloren gegaan Laatste Oordeel.
Overige instrumenten
Van sommige instrumenten is moeilijk te bepalen welk
blaasinstrument er precies is afgebeeld. In het Laatste Oordeel in het koorgewelf van Noordbroek zijn de vier s-vormige trompetten duidelijk herkenbaar (af b. 8), maar
in de hemel zijn de instrumenten niet duidelijk te herken­
4 Diehr, Literatur und Musik, pp. 36-39.
5 Valentijn Denis, De muziekinstrumenten in de Nederlanden en in Italië naar hun af beeldingen in de 15e-eeuwsche kunst. Hun vorm en ontwikkeling,
Antwerpen en Utrecht 1944, en Friedrich Blume (red.), Die Musik in Geschichte und Gegenwart. Allgemeine Enzyklopädie der Musik, 17 dln.
(vernieuwde uitgave onder red. van Ludwig Finscher), Kassel en Stuttgart 1994-2007.
6 Dateringen zijn af komstig uit: Rolf-Jürgen Grote en Kees van der Ploeg (red.), Muurschilderkunst in Nedersaksen, Bremen en Groningen:
Vensters op het verleden, catalogus, Groningen en Hannover 2001.
( )
Muziekinstrumenten en het
Laatste Oordeel
In acht (misschien negen) Groninger kerken zijn muziek­
instrumenten onderdeel van een schildering van het Laatste Oordeel. Dit thema was veel voorkomend in de late middeleeuwen en was grotendeels ontleend aan Bijbel­
teksten, vooral aan de Openbaring van Johannes. Dit geldt
ook voor de engelen met trompetten en hoorns. Deze omringen vaak Christus, zoals we kunnen zien op het Laatste Oordeel van Middelstum en Noordbroek. In ver­
schillende bijbelteksten wordt gesproken over engelen met bazuinen.8 Deze ‘bazuinen’ zijn op de fresco’s weer­
gegeven als trompetten en hoorns zoals men die kende in late middeleeuwen.
7
8
9
10
Niet alle elementen zijn te herleiden tot de bijbeltekst.
Dit geldt bijvoorbeeld voor de musicerende engelen op het hemelgebouw in Noordbroek (afb. 9). De musicerende engelen kijken neer op de gelukzaligen die de hemel binnen­
gaan en lijken hen toe te spelen. Het tafereel roept asso­
ciaties op met een Blijde Inkomst, de intocht van een volk,
vorst of leger in een stad. Het op feestelijke wijze ontvangen
van groepen of personen is terug te vinden in de bijbel,
maar het was ook een gebruik in de middeleeuwen.9
Uit de afbeeldingen van instrumenten in de hemel en de hel blijkt ook iets van het onderscheid in instrument­
groepen in de middeleeuwen. Bij het Laatste Oordeel van
Middelstum contrasteren de instrumenten in de hel duide­
lijk met die van de engelen (afb. 4 en 5). De engelen spelen
op trompetten, terwijl in de hel een duivel op een dikke,
lompe hoorn speelt. Het is geen toeval dat we trommel en fluit ook in de handen van een duivel aantreffen, gezien
hun associatie met dansmuziek.
Menselijke muzikanten
Het Laatste Oordeel in Middelstum toont het duidelijkste
contrast tussen hemelse en helse muziek, doordat hier bij uitzondering echte duivelse muzikanten te zien zijn. In andere kerken zijn het menselijke muzikanten die de
middeleeuwse negatieve opvattingen over muziekinstru­
menten verbeelden. De vier muzikanten in de Martinikerk
te Groningen, in het tweede gewelf uit het westen van het
middenschip, maken deel uit van een Vastelavond-voorstel­
ling.10 Deze feestdag ging gepaard met wilde braspartijen
en parodiemissen opgevoerd door als bisschop verklede
kinderen; de viering ervan werd door de kerkelijke autori­
teiten dan ook verboden. In de Martinikerk is de kind-
bisschop met een varkenspootje te zien het westelijke gewelfvak. Op de noordkant is een nar te zien die speelt op een trommel en een fluit (afb. 10); de nar werd gerekend
tot de laagste klasse van muzikanten. De andere muzi­
kanten hebben attributen die verwijzen naar verschillende
dwaasheden. Twee muziekinstrumenten hebben een vaan,
een term die een tweede betekenis had van een bepaalde
hoeveelheid bier. De trompetspeler op de noordzijde van
het gewelf houdt een zwaard vast met zijn linkerhand (afb. 7). Het feit dat dit de verkeerde hand is, is een teken
van onbetrouwbaarheid. Ook het woord trompet zelf had
negatieve connotatie, aangezien ‘tromper’ ‘bedrieger’ betekent.
Wellicht zijn op de trompetspelers in Stedum dezelfde
betekenissen van toepassing als op die in de Martinikerk.
Ook hier zijn trompetten afgebeeld met vaandels en ook
hier draagt één van de muzikanten het zwaard aan de verkeerde kant. De in de Martinikerk aanwezige kind-
bisschop ontbreekt echter in Stedum. De muzikanten Grote en Van der Ploeg, Muurschilderkunst, catalogus, p. 214.
Bijvoorbeeld in Openbaring 8:2, Matteüs 24:31 en 1 Tessalonicenzen 4:1.
Edmund A. Bowles, Musikleben im 15. Jahrhundert [Musikgeschichte in Bildern III-1], Leipzig, herdruk 1977, pp. 32-43.
Jan Schoneveld, ‘Een vastelavond in de Martini’, Groninger kerken 1 (1988), pp. 5-12.
foto’s Regnerus Steensma
nen (af b. 9). In de hel te Middelstum zijn de fluit en de trom
wel duidelijk herkenbaar (af b. 5). Dit was in de middel­
eeuwen een veel voorkomende combinatie, die ook wordt
aangetroffen in de Martinikerk te Groningen, in het twee­
de gewelf vanuit het westen in het middenschip (afb. 10).
Als gevolg van restauraties bevatten sommige fresco’s
instrumentvormen die erg lastig te determineren zijn. In
Stedum is een knots te zien en een soort s-vormige trompet
die aan het voorhoofd van de speler bevestigd is (afb. 11).
Volgens Rolf-Jürgen Grote en Kees van der Ploeg zijn veel
schilderingen in Stedum in de jaren 1877-1878 ‘veeleer
krachtdadig vernieuwd dan gerestaureerd’.7 Waarschijnlijk
geldt dit ook voor deze fresco’s en zijn hier oorspronkelijk
een s-vormige en een rechte trompet afgebeeld.
Naast deze menselijke muzikanten zijn er in Stedum ook
vier musicerende engelen afgebeeld. Eén van hen speelt op
een s-vormige trompet, de andere drie spelen op nog niet
besproken instrumenten. Eén engel speelt op een schalmei,
de voorloper van de tegenwoordige hobo (afb. 12). De an­
dere twee instrumenten zijn snaarinstrumenten. De meest
herkenbare is de luit, die lijkt op onze huidige gitaar. Deze
is ook te zien in Loppersum, bij de sluitsteen in de derde
koortravee vanuit het westen (af b. 13). Het andere snaar­
instrument in Stedum is de lier, een soort harp uit de klassieke oudheid (af b. 14). In de late middeleeuwen werd
een andere vorm gebruikt bij het musiceren, namelijk een harp met een driehoekige vorm. Deze is te zien in de reeks van musicerende engelen in Uithuizen (afb. 15) en
die in ’t Zandt; bij beide groepen is ook een luit afgebeeld.
In ’t Zandt is vermoedelijk ook een viool te zien.
Het laatste soort instrument dat in Groninger muur- en gewelfschilderingen te vinden is, is de doedelzak. In de Martinikerk te Groningen is deze afgebeeld in het koor,
op de achtergrond bij de geboortescène in het triforium van het koor (af b. 16). De tweede doedelzak bevindt zich in
Stedum, in het noordelijk gewelf van het transept.
12 Stedum, engel met schalmei, ca. 1478
9 Noordbroek, Laatste Oordeel, hemelgebouw met musicerende
engelen, ca. 1480
13 Loppersum, engel met luit op het koorgewelf, ca. 1500
10 Groningen, Martinikerk, nar met trom en f luit, ca. 1480
11 Stedum, westelijk schipgewelf, muzikant met trompet, ca. 1478
14 Stedum, engel met lier, ca. 1478
( Musicerende engelen
)
Naast de bazuinblazende engelen in het Laatste Oordeel
zijn er ook musicerende engelen die geen deel uitmaken
van het Laatste Oordeel. Deze engelen zijn doorgaans afgebeeld in het koor, de plaats waar de hoogmis werd ge­
vierd. Voorbeelden daarvan zijn te vinden in Loppersum,
Uithuizen en ’t Zandt. Deze engelen spelen vooral op trompetten en zachte instrumenten. De meeste musice­
rende engelen dragen liturgische gewaden, vaak die van
een diaken of subdiaken.11 Hun liturgische uitdossing doet
veronderstellen dat er in Groningen tijdens de misviering
muziekinstrumenten werden gebruikt. Uit verschillende
bronnen blijkt echter dat dit doorgaans niet het geval was
en dat enkel zang was toegestaan. Vermoedelijk moet hun
betekenis dan ook vooral worden gezocht in de middel­
eeuwse opvatting dat de aardse liturgie een afspiegeling
van de hemelse vormde. Het verschil was vooral gelegen in de schoonheid van het ritueel, en in het gebruik van muziekinstrumenten overtrof de hemelse de aardse mis­
viering.12 Door hun kleding leggen de engelen, de verte­
genwoordigers van de hemelse liturgie, een duidelijke verbinding met het aardse ritueel.
Conclusie
Muziekinstrumenten in Groninger muur- en gewelfschil­
deringen laten zien zien dat de instrumentale muziek over het algemeen als een lagere vorm van muziek werd beschouwd. Duivelse, maar ook menselijke muzikanten
symboliseren met hun harde en ritmische muziekinstru­
menten de slechte menselijke eigenschappen. Ze tonen de gevaarlijke kant van de muziek die samengaat met en
aanzet tot slecht gedrag. Echter, ook engelen zijn afgebeeld
met instrumenten en zo zijn instrumenten ook onderdeel
van het goede. Hun trompetten wijzen de gelovige op het
naderend Laatste Oordeel en met hun zachte instrumenten
tonen ze de schoonheid van de hemelse liturgie. Daarmee
vormen de Groningse fresco’s een spiegel van de complexe
middeleeuwse opvattingen over muziek en muziek­
instrumenten.
Elizabeth Kooy MA ([email protected]) studeerde
godsdienstwetenschap aan de Rijksuniversiteit Groningen
en schreef een afstudeerscriptie over het onderwerp van dit
artikel.
11 Maurice B. McNamee, Vested Angels. Eucharistic Allusions in Early Netherlandish Paintings, Leuven 1998.
12 Reinhold Hammerstein, Die Musik der Engel. Untersuchungen zur Musikanschauung des Mittelalters, München 1962, pp. 30-34.
15 Uithuizen, engel met harp, ca. 1530 onderdeel van figurenreeks
in koorsluiting
Onder krijsende roeken langs vervallen stenen
Dwalen over het kerkhof van
Wittewierum
Groningen mag zich verheugen in een rijke
kerkhofcultuur. Op veel hoven zijn de oude graf­
stenen goed onderhouden en de opschriften
duidelijk leesbaar. Op een aantal gebeurt dat niet
en laat men de natuur zijn gang gaan. Dit verval
heeft een eigen charme. Moslagen, onkruid en
kapotte scheve stenen roepen een beeld van
vergankelijkheid op. Een mooi voorbeeld is het
kerkhof in Wittewierum waar de hese roep van
roeken de geheimzinnige sfeer versterkt.
1 De lijst is aanwezig op het buro van de Stichting Oude
Groninger Kerken.
2 Bericht in Groninger kerken 14 (1997), p. 47.
Groot kerkhof met veel stenen
In Wittewierum is de kerk niet omgeven door het kerkhof,
zoals meestal het geval is, maar bevindt het hof zich geheel
ten noorden van de kerk. De oorzaak hiervan is dat vroeger
ten zuiden van de kerk het klooster stond. Opvallend is de
forse omvang. De begraafplaats diende namelijk niet alleen
voor de inwoners van Wittewierum, maar ook voor die van
Ten Post. Sinds 1992 is het eigendom van de Stichting Oude
Groninger Kerken.
Op het hof bleven tamelijk veel oude grafstenen be­
waard. Dat betreft nu 61 liggende stenen en 41 staande. Dit
aantal had groter kunnen zijn, maar in de jaren zeventig
heeft een boer uit de omgeving een aantal kapot geslagen
om het puin te gebruiken voor verharding van zijn erf. In
1998 werden de stenen geïnventariseerd door de kerkhof­
commissie van de Stichting Oude Groninger Kerken die
een complete lijst van namen opstelde.1 Hieruit blijkt dat de oudste steen die is voor Egge Jan Groeneveld uit 1669. De meeste stenen dateren uit de negentiende en het begin
van de twintigste eeuw. De laatste begraving vond plaats in 1919.
( 1 Bijschrift
16 Groningen, Martinikerk, herder met doedelzak, ca. 1535,
detail van de geboortescène
foto Regnerus Steensma
verbeelden waarschijnlijk slechte menselijke eigenschap­
pen. Daarmee vormen ze een contrast met de symbolen van
de vier evangelisten bij de sluitsteen van hetzelfde gewelf.
De Groninger Martinikerk bevat een doedelzakspeler,
namelijk één van de herders die van de engelen het bericht
over de geboorte van Jezus had gehoord (af b. 16). Terwijl de herders als zodanig beschreven worden in het bijbel­
verhaal, geldt dat niet voor de doedelzak. Tegenwoordig
wordt de doedelzak vooral geassocieerd met Schotland,
maar in de middeleeuwen was het een veelgebruikt instru­
ment in heel Europa. De doedelzak werd beschouwd als een ‘boers’ instrument en wordt in de beeldende kunst vaak bespeeld door boeren of herders.
foto’s Regnerus Steensma
Regnerus Steensma en Reint Wobbes