Download VAWO Visie

VAWOVISIE
Va kbond vo o r d e weten s c hap
4 6 e j a a r g a n g n r . 1 – j a n u a r i 2014
VAWO-beleidsnotitie ‘Duurzaam wetenschapsbeleid’ 5
Essay Klaas Landsman ‘Wetenschap en welvaart’
8
De Algemene Ledenvergadering van 14 januari 2014 16
Vierbondeninzet CAO Nederlandse Universiteiten
16
VAWO-bestuur presenteert toekomstvisie
op geslaagde jubileumbijeenkomst
Op 15 november jl. heeft de VAWO
haar 50-jarig bestaan gevierd met
een
geslaagde
bijeenkomst
in
Universiteitsbibliotheek Uithof in
Utrecht, die werd bijgewoond door vele
actieve leden en coryfeeën van vroeger.
Naast voordrachten van de hoogleraren
Holtslag, Van Mulken en Landsman was
er een presentatie van de toekomstvisie
van het VAWO-bestuur: Naar een duurzaam wetenschapsbeleid.
De beleidsnotitie is elders in dit nummer
opgenomen. Dat geldt ook voor een
essay dat prof. Landsman schreef over
het thema van zijn voordracht op de
jubileumbijeenkomst, te weten de subsidiesystemen waarmee de Nederlandse
en de Europese overheid de kwaliteit
en toepasbaarheid van wetenschappelijk
onderzoek denken te bevorderen.
De jubileumbijeenkomst was zowel
gezellig en vrolijk als serieus en leerzaam.
Oudgedienden zagen elkaar na soms
Oud-bestuurslid Emile de Heer maakt een gevatte opmerking over de beleidsnotitie van het VAWObestuur. (Tenzij anders vermeld zijn de foto’s in dit nummer van Ronald Huffener.)
vele jaren terug. Tot het tiental oudbestuursleden dat het jubileum bijwoonden, behoorden de voorzitters Henk
de Haan (1975-1980), Lammert
Leertouwer (1980-1984) en Roel
Zuidema (1998-2002).
Van vast naar tijdelijk
Herr Professor Müller-De Rijk
VAWO-voorzitter Helen de Hoop
wees in haar welkomstwoord op
de zorgwekkende verschuiving
van vaste naar tijdelijke functies
voor wetenschappelijk personeel aan de universiteiten. Medio
oktober stelde VAWO deze ontwikkeling al aan de orde in een
persbericht, dat tot diverse publicaties leidde (o.a. in Trouw, NRC,
NRC Next en verscheidene uni-
versiteitsbladen). Tegenwoordig hebben
de Nederlandse universiteiten samen
nog voor ongeveer 9.000 fte aan wetenschappelijk personeel in vaste dienst. In
1990 was dat nog zo’n 15.000 fte. Het
aantal studenten nam in dezelfde periode toe van 170.000 tot 250.000.
Twaalf van de dertien Nederlandse universiteiten (de Open Universiteit buiten beschouwing gelaten) stonden in de
jongste Times Higher Education Ranking
van alle universiteiten ter wereld in de
top-200. Dat was aanleiding tot de
nodige ronkende persberichten van de
universiteiten. Wat zij daarin niet vermeldden is dat de Nederlandse universiteiten in de afzonderlijke ranking
van de Times voor het wetenschappelijk
onderwijs juist heel vervolg op pagina 3
VAKBOND VOOR DE WETENSCHAP
De VAWO is de vakorganisatie voor personeel van universiteiten en onderzoekinstellingen en wetenschappers bij universitair medische centra. Naast het reguliere
vakbondswerk (collectieve belangenbehartiging, werken aan carrièreperspectieven, juridisch advies) houdt de VAWO zich bezig met kwaliteitsverbetering in het
wetenschappelijk onderzoek en onderwijs. Daartoe levert de VAWO gevraagd en
ongevraagd adviezen voor landelijk beleid.
De VAWO wordt bestuurd door mensen werkzaam in het wetenschapsveld. Het
VAWO-bureau heeft eigen juristen in dienst voor gratis individuele belangenbehartiging, voor het geval een VAWO-lid onverhoopt problemen met de werkgever
ondervindt.
Bestuur
- mw. dr. M.L.A. Jongsma (waarnemend voorzitter)
- dr. J.B.A. Kipp (vice-voorzitter, speciaal belast met de belangenbehartiging
bij de universitair medische centra)
- dr. ir. W.T. van Horssen (penningmeester)
- dr. B. Hollebrandse (waarnemend secretaris en vertegenwoordiger Landelijk
Postdoc- en Promovendiplatform)
- dr. G.J.C.G.M. Bosman
- drs. D.B.R. Kroeze
Bureau en ledenadministratie
Directeur mr. D.O. Pechler, [email protected]
Juridisch stafmedewerker mr. A. Charifi, [email protected]
Chef de bureau A. van Dalen, [email protected]
De Haag 9, 3993 AV Houten
(030) 231 6742; fax: (030) 234 1685; [email protected]; www.vawo.nl
girorekening NL91INGB0001310307 t.n.v. VAWO, Houten
2
Collectieve verzekeringen
OHRA: (026) 400 4040, met vermelding van CMHF/VAWO-relatienummer 756
Kröller/Meeùs en Zilveren Kruis: 070-3422400, [email protected],
www.kroller.nl (gebruikersnaam: VAWO, wachtwoord: Welkom)
Contributies
Het lidmaatschap kan ieder gewenst moment ingaan en eindigt per 31 december van het jaar waarin het wordt opgezegd. In het eerste jaar betaalt een
nieuw lid contributie naar rato van het aantal volle maanden van lidmaatschap.
De contributie is gerelateerd aan het bruto maandsalaris. Wie een incassomachtiging afgeeft, krijgt € 4,- korting op onderstaande jaarcontributies
(postactieven € 3,-).
Contributies 2014
bruto maandsalaris
tot € 1.800,-
tot € 2.500,-, bij vaste aanstelling
tot € 2.500,-, bij tijdelijke aanstelling
tot € 4.000,-, bij vaste aanstelling
tot € 4.000,-, bij tijdelijke aanstelling
boven € 4.000,-
Postactieve leden incl. VAWO Visie Postactieve leden excl. VAWO Visie
contributie
per jaar
€ 68,-
€ 133.-
€ 99,-
€ 187,-
€ 139-
€ 225,-
€ 41,€ 36,-
per maand (alleen bij
automatische incasso)
€ 5,50
€ 10,90
€ 8,00
€ 15,40
€ 11,40
€ 18,60
Postactieve leden zijn diegenen die door pensionering, FPU, werkloosheid of
arbeidsongeschiktheid niet meer in actieve dienst zijn.
Beëindiging of wijziging van het VAWO-lidmaatschap
Het VAWO-lidmaatschap loopt per kalenderjaar. Het dient voor het begin van
een nieuw jaar te worden opgezegd. Ook wijzigingen in de lidmaatschapsstatus en de hoogte van de contributie worden bij ingang van een nieuw jaar
doorgevoerd.
Contactpersonen afdelingen
Universitaire medische centra
- dr. J.B.A. Kipp
(035) 772 6272, [email protected]
Amsterdam
- dr. W.J. van der Laarse (VU/VUmc)
(020) 444 8115,
[email protected]
Delft
- dr. ir. W.T. van Horssen,
(015) 278 3524, [email protected]
Eindhoven
- mw. A. Neijzen
(040) 247 4093, [email protected]
Groningen
- drs. M. van Es, 06-23142928,
(050) 363 5809, [email protected]
Leiden
- vacature
Maastricht
- dr. C. Rausch,
(043) 388 5499,
[email protected]
Nijmegen
- dr. A. Lagendijk,
(024) 361 6204/361 1925
[email protected]
Rotterdam
- dr. R. Pieterman,
(010) 408 1620, [email protected]
Tilburg
- mw. drs. B. Kroon,
(013) 466 2486, [email protected]
- mw. dr. F. Mols,
(013) 466 3482, [email protected]
Twente
- dr. J.S. Svensson,
(053) 489 4551, [email protected]
Utrecht
- ing. R.C. Cox,
(030) 253 4257, [email protected]
- ing. J.B. van den Dikkenberg,
(06) 202 90 214,
[email protected]
Wageningen
- drs. P. den Besten,
(0317) 483 319, [email protected]
Open Universiteit
- mw. dr. M.E. Bitter,
(045) 576 2636, [email protected]
Protestants Theologische Universiteit
- (a.i.) mw. dr. L.A. Werkman,
(038) 337 1632, [email protected]
Landelijk Postdoc- en Promovendiplatform
- dr. B. Hollebrandse,
050-363 5631, [email protected]
VAWO Visie
Eindredactie, vormgeving Arie van Dalen
Druk Jubels BV, Amsterdam
© Vereniging VAWO en de auteurs
www.vawo.nl
tal promovendi deze eeuw
toenam van ongeveer 3200
naar ongeveer 8700, daalde het aantal vaste functies
voor universitair docenten
van 4036 naar 3273. Het
percentage tijdelijke aanstellingen voor ud’s steeg
van 12 naar 30.
Volgens
universiteitsbestuurders past de flexibilisering van hun wetenschappelijk-personeelsbestand
in de landelijke trend, maar
tegenover de 40% tijdelijk
WP (promovendi meegerekend zelfs ruim 60%) staat
een landelijk gemiddelde
van 19%. Opvallend is ook,
zo zei de VAWO-voorzitter,
dat de flexibilisering binnen
de universiteiten alleen voor
het WP geldt. Van het OBP Voorzitter Helen de Hoop licht de beleidsnotitie toe
heeft 13% een tijdelijk contract. En de toekomstvisie van de VAWO, later op de
universiteiten tellen tegenwoordig meer middag.
OBP dan WP (17.000 om 15.000 fte).
Nog een opvallend gegeven is dat van
Verkoeling
het mannelijk WP 35% een tijdelijke aan- Eerst was het echter de beurt aan
stelling heeft, en van het vrouwelijk WP enkele hoogleraren uit de VAWOliefst 53%.
gelederen om over hun onderzoek te
De verregaande flexibilisering van het vertellen. Meteoroloog Bert Holtslag
wetenschappelijk-personeelsbestaand (Wageningen Universiteit) en zijn team
brengt de kwaliteit en continuïteit van hebben – ondermeer met een daartoe
het wetenschappelijk onderwijs in gevaar uitgeruste bakfiets – op allerlei plekken
en belemmert een langetermijnvisie op in Wageningen temperatuurmetingen
het wetenschappelijk onderzoek, aldus gedaan. Op warme dagen werden zeer
Helen de Hoop, die met haar betoog een grote verschillen gemeten, oplopend tot
voorschot nam op de presentatie van de wel 7 graden. Dit komt doordat stenen,
foto Mirjam Huffener
SERVICEPAGINA
vervolg van pagina 1 slecht scoorden,
ver onder het Europese gemiddelde. De
goede posities in de overall ranking zijn
toe te schrijven aan de hoge onderzoeksproductiviteit van de wetenschappers en de kwaliteit (gemeten aan citatiescores) van hun werk. Dat de TU Delft
de enige universiteit is die ook op het
onderwijs redelijk goed scoorde is waarschijnlijk geen toeval, betoogde Helen
Klaas Landsman
de Hoop: die universiteit heeft met 30%
het minste tijdelijke WP, tegen een landelijk gemiddelde van 40% (promovendi
niet meegerekend).
Het perspectief op een loopbaan in de
wetenschap voor jongere wetenschappers is fors verslechterd. Terwijl het aan-
3
Naar een duurzaam wetenschapsbeleid
beton, asfalt, maar ook waterpartijen,
warmte absorberen en deze weer uitstralen, ook nog lang nadat de zon is
ondergegaan. Bovendien wordt warmte
door hoge bebouwing en luchtvervuiling vastgehouden. Daardoor kan het
op bepaalde plekken in de stad niet te
harden zijn (wat ook gezondheidsrisico’s
met zich meebrengt), terwijl om de hoek
verkoeling te vinden is.
De Wageningse onderzoeksgroep gaat in
2014 metingen verrichten in Amsterdam.
VAWO-beleidsnotitie
1. Inleiding
Op 15 maart 2013 bestond de VAWO vijftig jaar en dat leek ons een goed moment om de stand
van zaken op het gebied van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek in Nederland in
ogenschouw te nemen en na te denken over de rol die de VAWO daarin gespeeld heeft, speelt
en kan spelen. Toen de VAWO in 1963 werd opgericht als Vereniging van Academici bij het
Wetenschappelijk Onderwijs hadden de universiteiten 48.000 studenten; nu zijn dat er bijna
250.000.* Dit heeft een enorme groei van het wetenschappelijk personeel (WP) veroorzaakt, maar
ook van het ondersteunend en beheerspersoneel (OBP), dat zelfs twee keer zo hard groeide. Sinds
1980 is het lidmaatschap van de VAWO opengesteld voor ál het personeel aan universiteiten en
onderzoeksinstellingen.
In deze notitie schetsen we onze visie op ontwikkelingen in het personeelsbeleid in het WO, zoals
flexibilisering en internationalisering. Het grootste probleem dat we signaleren is de verregaande
flexibilisering van het wetenschappelijk-personeelsbestand, waardoor de kwaliteit en continuïteit
van het wetenschappelijk onderwijs in gevaar komt en een langetermijnvisie op wetenschappelijk
onderzoek wordt belemmerd. We eindigen de notitie met een aantal concrete voorstellen ter verbetering van het wetenschappelijk-personeelsbeleid in Nederland.
Knipoog
4
Margot van Mulken (hoogleraar Internationale bedrijfscommunicatie aan de
Radboud Universiteit Nijmegen) sprak
over het effect van (visuele) metaforen,
woordspelingen en ironie in persuasieve communicatie, waaronder reclame.
Tegenover de veelal droge en zakelijke
uitingen van de VAWO plaatste ze de
befaamde Esso-reclame Stop een tijger
in uw tank, die de suggestie wekte dat
auto’s met de Esso-benzine pittiger zouden rijden.
Van Mulken zette de verschillende
manieren uiteen waarop mensen informatie verwerken. Een met een knipoog
gebrachte boodschap is, mits aan zekere
voorwaarden wordt voldaan, effectiever
dan een droge mededeling. Een ironische boodschap wordt hoger gewaardeerd als iemand de ironie begrijpt,
het met het standpunt eens is en het
idee heeft dan weinig anderen de ironie
begrijpen. Wie het doelwit van de ironie
is, waardeert de boodschap lager.
Hoe ook de VAWO zich wat speelser
zou kunnen presenteren, liet Margot van
Mulken met enkele voorbeelden zien.
Intermezzo
Hierna sprak de stellvertretender voorzitter van de Duitse onderwijsvakbond
GEW, Prof. Dr. Jens Müller. Het motto
van zijn voordracht luidde Das Konzept ‘Wissenschaft als Beruf’ personengruppenspezifisch vertieft. De aanwezigen mochten zich warmen aan zinnen
als: Die Aufgaben der Hochschule in
den Bereichen von Forschung, Lehre
und wissenschaftsnaher Organisation
und Verwaltung werden zur Zeit von
Beschäftigten in vielfältigen Personalkategorien durchgeführt, bei denen oftmals die Wahrnehmung von auf Dauer
De oud-voorzitters Leertouwer (midden) en De Haan (rechts) in gesprek met een oud-bestuurslid met
vele dienstjaren, Nooteboom
2. Ontwikkelingen in het
personeelsbeleid aan universiteiten
angelegten Funktionen und die zeitliche Befristung nicht im Einklang stehen.
Gelukkig schakelde de professor op verzoek als snel over naar het Nederlands
– nu ja, een soort Nederduits – en sprak
hij verder vooral over de Duits-Nederlandse betrekkingen en zijn ervaringen
uit de periode dat hij in Nederland
woonde en werkte. Hij deed dat
met verrassend veel humor, voor
een Duitser.
Op een middag vol serieuze
voordrachten was het een zeer
geslaagd intermezzo van cabaretier Pieter de Rijk.
Hoewel het personeel aan de universiteiten in vijftig jaar enorm is gegroeid, ging
deze groei niet gelijk op met de groei
van het aantal studenten. Eind jaren
tachtig telden de universiteiten ongeveer 170.000 studenten, 20.000 fte aan
WP (exclusief promovendi) en 18.000
fte aan OBP. Op dit moment zijn er op
250.000 studenten nog maar 15.000 fte
aan WP (exclusief promovendi) en 17.000
fte aan OBP. Het aantal promovendi is
deze eeuw toegenomen van ongeveer
3200 naar ongeveer 8700, maar het
loopbaanperspectief voor deze beginnende wetenschappers is fors verslechterd. Het aantal vaste functies voor universitair docenten is sinds 1999 gedaald
van 4036 naar 3273 (in 2012). Binnen de
functie van universitair docent steeg het
aandeel tijdelijke aanstellingen (zonder
uitzicht op een vast dienstverband) van
12% in 1999 naar 30% in 2012.
Wanneer we de promovendi buiten
beschouwing laten, is minder dan de
helft van het personeel aan universiteiten wetenschappelijk personeel, d.w.z.
personeel dat zich direct bezighoudt
met de twee kerntaken van universiteiten, onderwijs en onderzoek. Sinds 1995
met de presentatie van de ook in dit nummer opgenomen VAWO-beleidsnotitie
Naar een duurzaam wetenschapsbeleid
door VAWO-bestuurslid Ronald Kroeze.
Bij een ‘aangeklede’ borrel werd ter
afsluiting van de bijeenkomst nog geanimeerd nagepraat. (AvD)
Subsidiesystemen
Na een pauze was het woord
aan Klaas Landsman, hoogleraar
Mathematische fysica aan de
Radboud Universiteit Nijmegen.
Hij sprak echter niet over zijn
onderzoek, maar over het z.i.
contraproductieve effect van het
Nederlandse en Europese subsidiesysteem voor wetenschappelijk onderzoek. Zijn nader uitgewerkte betoog staat zoals al vermeld elders in dit nummer.
Het inhoudelijk deel van de jubileumbijeenkomst werd afgesloten Van Mulken en Holtslag
* Alle cijfers in deze notitie zijn gebaseerd op
publicaties van het CBS, de VSNU en de VAWO.
is het percentage wetenschappers met op te voeren, maar telkens weer wordt
een tijdelijk contract bijna verdubbeld geprobeerd de kosten van dit succes op
van 23% naar 41% eind 2012. Als we de betrokkenen af te wentelen via beurzencategorie promovendi wel meetellen, systemen voor promovendi.
is het percentage WP in tijdelijke dienst De Wet Modernisering Universitair
ruim 60%. In het flexibiliseren van hun Bestuur (MUB) die in maart 1997 van
(wetenschappelijk-)personeelsbestand kracht werd, heeft op veel universiteilaten universiteitsbestuurders andere ten geleid tot de komst van ‘professiowerkgevers in Nederland dus mijlenver nele’ (en dure) bestuurders met weinig
achter zich. Van de landelijof geen affiniteit met
ke werknemers had in 2012
de wetenschap en tot
RANGLIJSTEN
niet meer dan 19% een
een bedrijfsmodel
tijdelijke aanstelling.
en managersculLIJKEN VAN GROTER
Deze extreme flexibituur, waarin ‘tarlisering binnen univergets’ worden
siteiten geldt echter
gesteld
en
BELANG DAN KWALITEIT
alleen voor het wetenwetenschapschappelijk personeel. Terwijl 41% van pelijke prestaties worden gemeten op
het WP (promovendi niet meegerekend) een wijze die geen recht doet aan verof 60% van het WP (promovendi wel schillen in bijvoorbeeld publicatiemomeegerekend) een tijdelijke aanstelling gelijkheden tussen disciplines. Door
heeft zonder uitzicht op een vast dienst- bestuurders worden wetenschappers
verband, heeft slechts 13% van het OBP vaak gezien als (inwisselbare) uitvoereen tijdelijk contract.
ders van onderwijs en onderzoek. De
Voor vrouwelijke wetenschappers is de plaats van een universiteit in internatiosituatie nog een stuk slechter: was van nale ranglijstjes, de aantallen studenten
het mannelijk WP 35% in 2012 in tijde- (hoe meer, hoe beter) en de toevallige
lijke dienst, van het vrouwelijk WP was Nobelprijswinnaars die ooit als (tijdedat maar liefst 53%, meer dan de helft lijk aangestelde) wetenschapper op een
dus (promovendi wederom niet meege- universiteit hebben rondgelopen, lijken
rekend).
in de ogen van veel bestuurders van
Sinds begin deze eeuw is met succes groter belang dan de werkelijke kwaliteit
getracht het aantal promoties drastisch van het wetenschappelijk onderwijs en
5
Bestuurslid Ronald Kroeze presenteert de beleidsnotitie op het jubileum
6
onderzoek. De pr-afdelingen van universiteiten draaien op volle
toeren, terwijl de onafhankelijke universiteitskranten zo goed als
verdwenen zijn.
Dat goed onderwijs en goed onderzoek staat of valt met de kwaliteit van het wetenschappelijk personeel, staat buiten kijf. Maar
behalve met onderwijs en onderzoek zijn wetenschappers tegenwoordig opgezadeld met omvangrijke administratieve taken, waar
vaak geen compensatie voor wordt gegeven. Er is bovendien een
groeiende spanning tussen onderwijs en onderzoek ontstaan. Het is
op de universiteiten usance geworden om bij stijgende studentenaantallen en een krimpende wetenschappelijke staf eenvoudigweg
de onderwijsnormering aan te passen (minder tijd per student),
terwijl aan de andere kant de publicatie-eisen steeds verder worden
opgeschroefd. Wetenschappers die zowel onderwijs- als onderzoekstaken hebben, laten weten dat ze in een onmogelijke spagaat
terecht zijn gekomen. Door het invoeren van aparte onderzoeks- en
onderwijsinstituten is de verwevenheid van onderzoek en onderwijs onder druk komen te staan. Bijna iedere wetenschappelijke
medewerker is tegenwoordig verantwoording schuldig aan twee
verschillende directeuren die verschillende belangen hebben en
verschillende doelen nastreven. Het resultaat is onder andere een
sterke stijging in de werkdruk van al het WP. Voor de wetenschappers in tijdelijke dienst komt daar nog de permanente onzekerheid
over het loopbaanperspectief bij en het gebrek aan continuïteit om
onderwijs- en onderzoeksprojecten voor de langere termijn op te
zetten en te ontwikkelen.
Het beleid van de universiteiten kenmerkt zich dus door kortetermijndenken. Universiteiten willen op jaarbasis hoge aantallen publicaties, een maximaal aantal promoties, zoveel mogelijk projectgelden en zo hoog mogelijke studentenaantallen. Tijdelijke managers
en directeuren (die doorgaans voor vijf jaar worden aangesteld)
streven gedurende hun zittingstermijn naar maximale productiviteit
en houden zich niet bezig met de middellange en lange termijn.
In het vijftigjarig bestaan van de VAWO heeft het ledental geschommeld tussen de 1800 en 2800 leden. Jaarlijks melden zich ongeveer
100 nieuwe leden aan, maar al enige tijd staat het ledental onder
druk, eerst door de ruime mogelijkheden tot vervroegde uittreding,
tegenwoordig vooral door de sterke toename van het percentage
leden met een tijdelijk contract, waardoor er van de nieuwe leden
velen ook weer vrij snel afhaken omdat zij hun carrière buiten de
wetenschap of buiten Nederland voortzetten.
Universiteiten maken ook in toenemende mate gebruik
van ‘uitzend’-constructies, ook voor personeel met
reguliere onderwijs- en onderzoekstaken. Deze uitdijende categorie van werknemers valt buiten de universitaire cao. Dat heeft vaak grote nadelen voor betrokkenen, zoals minder pensioenopbouw, geen eindejaarsuitkering en geen opbouw van bovenwettelijke werkloosheidsuitkeringsrechten. Vaak krijgen deze werknemers dit niet van tevoren te horen, maar wordt hun
gezegd dat hun arbeidsvoorwaarden cao-conform zijn.
De nabije toekomst ziet er niet hoopvol uit. Nieuwe
bezuinigingen dreigen, universiteiten lijken door te
willen gaan met het continu ‘verversen’ van hun wetenschappelijk personeel om te besparen op personele
kosten. De VAWO verleent individuele rechtsbijstand
aan haar leden en behartigt hun collectieve belangen
aan de cao-tafels en in de medezeggenschap en neemt
via de koepelorganisaties CMHF en MHP deel aan
het overleg over de sociaal-economische agenda van
Nederland. Uitbreiding van het ledental van de VAWO
is van groot belang om onze invloed als vakbond voor
de wetenschap zo groot mogelijk te maken.
3. Concrete doelstellingen van de VAWO voor de
komende jaren
De ontwikkelingen in het WO van de afgelopen jaren en
de visie van de VAWO hierop vertalen zich in een aantal
concrete doelstellingen.
3.1 Perspectief voor de wetenschap
In het bestuursbeleid van wetenschappelijke instellingen dienen wetenschappers leidend te zijn. Momenteel
zijn er te veel bestuurders zonder voldoende ervaring
in of affiniteit met de wetenschap. De managerscultuur moet plaatsmaken voor een wetenschapscultuur,
de bureaucratie moet worden teruggedrongen. Door
terugdringing van managerscultuur en bureaucratie
kan (financiële) ruimte worden gecreëerd voor het
behoud van vakgroepen met lage studentenaantallen
en voor onderwijsnormeringen en publicatie-eisen
die op elkaar zijn afgestemd. Onderwijsnormeringen
dienen realistisch te zijn en geen afgeleide van (wijzigingen in) de verhoudingen tussen de aantallen docenten en studenten. De tegenwoordig meest gangbare
manieren om publicatiescores te becijferen, houden
geen rekening met verschillen in publicatiecultuur en
-mogelijkheden tussen vakgebieden. Hierdoor is het
mogelijk dat een excellente wetenschapper in het
ene vakgebied lager scoort dan een middelmatige of
zwakke onderzoeker op een ander terrein. Dit kan
bestuurders en managers ertoe brengen uitstekende,
internationaal toonaangevende onderzoekslijnen op
te doeken, maar ook kan het mogelijk interessante
samenwerking tussen onderzoekers uit verschillende disciplines belemmeren, omdat onderzoekers de
onjuiste indruk krijgen dat potentiële samenwerkingspartners niet goed presteren.
3.2 Perspectief voor wetenschappers
De VAWO maakt zich sterk voor al het personeel van
wetenschappelijke instellingen, maar heeft altijd bijzondere aandacht gehad voor de belangen van wetenschappers met een tijdelijke aanstelling, zoals postdocs
en promovendi. Die bijzondere aandacht zal ook de
komende jaren hard nodig zijn, want de zogenaamde
flexibele schil rond een vaste kern van WP wordt
steeds dikker en die kern steeds kleiner. De VAWO wil
in cao-onderhandelingen een bovengrens
aan het aantal tijdelijke aanstellingen realiseMOET
ren, gekoppeld aan bepaalde functies in het
functiehuis. Vanaf de functie van ud zou een aanstelling in principe voor onbepaalde tijd, dan wel minimaal
tenure track moeten zijn.
De huidige flexregeling in de CAO Nederlandse
Universiteiten, die bepaalt dat na een onderbreking
van zes maanden opnieuw wordt begonnen met tellen
van het aantal of het aantal jaren van opeenvolgende
tijdelijke contracten alvorens het recht ontstaat op een
vaste aanstelling, moet worden herzien. Volgens de
VSNU en de collega-vakbonden zou deze lange termijn
voor de universiteiten een prikkel zijn om mensen een
vaste aanstelling te geven, maar dit blijkt in de praktijk
geenszins het geval. Inzet is de termijn terug te brengen naar een of drie maanden, dan wel de limiet op het
aantal of de duur van tijdelijke contracten bij een en
dezelfde werkgever geheel en al te schrappen. Dit laatste zou een aanzienlijke verbetering zijn voor personeel
dat is aangesteld op onderzoeksprojecten, waarvoor de
financiering per definitie voor bepaalde tijd is. Verder
moet er een einde komen aan het oneigenlijk gebruik
door universiteiten van uitzendconstructies.
3.3 Grensoverschrijdend perspectief
Dat wetenschap een sterk internationaal karakter heeft,
is niet nieuw. De internationalisering van de wetenschapsbeoefening wordt echter wel door verscheidene
ontwikkelingen versterkt. Zo wordt buitenlandervaring
voor wetenschappers in toenemende mate als een
pre beschouwd, werven instellingen voor functies van
promovendus tot hoogleraar steeds meer ook in het
buitenland (vooral in de bètadisciplines is deze tendens
heel sterk), wordt grensoverschrijdende samenwerking
in onderzoek gestimuleerd (o.a. met subsidies van de
European Research Council) en, last but not least, zoeken wetenschappers bij gebrek aan carrièreperspectief
in eigen land hun heil steeds vaker in het buitenland.
Deze tendens is ook zichtbaar in de ontwikkeling van
het ledenbestand van de VAWO. De VAWO telt momenteel circa 60 niet-Nederlandse leden. Tien jaar geleden
waren dat er nog geen 10. En de VAWO heeft, hoewel
velen hun lidmaatschap bij vertrek naar het buitenland
opzeggen, ongeveer 30 in het buitenland werkzame
leden. Dat is een verdubbeling ten opzichte van tien
jaar geleden.
Zowel Nederlandse wetenschappers die in het buiten-
land gaan werken (met daarbij als bijzondere categorie degenen
die dat op detacheringsbasis doen) als buitenlanders die naar
hier komen (met als aparte groep promovendi met een, veelal
buitenlandse, beurs), hebben te maken met een aantal specifieke
aandachtspunten en mogelijke problemen. Bij deze laatste groep
geldt nog een onderscheid tussen mensen van binnen en buiten de
EU. Voor allen kan het verschil uitmaken of het werk in een ander
land van tijdelijke of duurzame aard
FLEXREGELING
is. Voor zogenoemde ‘grenswerkers’
spelen nog weer bijzondere, en vaak
bijzonder gecompliceerde kwesties.
WORDEN HERZIEN
De VAWO stelt zich ten doel voor al
deze categorieën informatie paraat te hebben met betrekking tot
zaken als arbeidscontract, sociale zekerheid, ziektekostenverzekering, pensioenvoorziening, functionerings- en beoordelingsgesprekken en regelingen in geval van een arbeidsconflict. Bij instellingen zal erop worden aangedrongen in de communicatie (meer)
rekening te houden met niet-Nederlandstalige medewerkers en
in de loopbaanbegeleiding van promovendi en postdocs expliciet
aandacht te besteden aan carrièremogelijkheden in het buitenland.
4. Conclusie
In deze notitie hebben we een schets gegeven van ontwikkelingen
in het wetenschaps- en personeelsbeleid aan universiteiten en
onze visie daarop. We hebben een aantal concrete doelstellingen
geformuleerd die we in de komende jaren hopen te verwezenlijken.
Om een en ander voor elkaar te krijgen, is het van groot belang dat
de VAWO zichtbaarder wordt in de publieke sfeer, samenwerking
zoekt met andere organisaties in de sector en met de platforms die
vergelijkbare doelen hebben (en deze waar mogelijk faciliteert) en
haar standpunten actief uitdraagt tegenover instellingen, koepelorganisaties en politiek. Deze notitie is bedoeld als eerste aanzet
daartoe.
Aanbevelingen
• De managerscultuur en bureaucratie aan universiteiten terugdringen
• Het opstellen van realistische en uniforme onderwijsnormering
(niet gebaseerd op budget en/of studentenaantallen)
•
Onderwijs- en onderzoektaken en de bijbehorende eisen op
elkaar afstemmen
• Een bovengrens instellen aan het toegestane percentage WP in
tijdelijke dienst
• Ud- en hogere functies in principe voor onbepaalde tijd of tenure
track
•
Verplichte onderbreking (periode van werkloosheid) van zes
maanden tussen twee tijdelijke contracten (na zes jaar of bij de
derde verlenging van een contract) terugbrengen tot een of drie
maanden of helemaal afschaffen
• Verbieden van uitzendconstructies voor WP (uitgezonderd bij vervanging voor maximaal drie maanden of onbekende duur)
• Geen beurspromovendi, wél een evaluatie van het promotiestelsel
• Meer aandacht voor en een betere ondersteuning van Nederlandse
wetenschappers in het buitenland en buitenlandse wetenschappers in Nederland.
November 2013, het VAWO-bestuur
7
Wetenschap en welvaart: een paradoxaal krachtenveld
Op de jubileumbijeenkomst van de VAWO van 15
november jl. sprak Klaas Landsman, hoogleraar
Mathematische fysica aan de Radboud Universiteit
8
Louis XIV had in Versailles zo’n 5000
persoonlijke bedienden nodig om hem
een mate van gezondheid en comfort
te bieden die nu minstens een miljard
mensen genieten, met tv en internet
er bovenop. Wat heeft deze vooruitgang veroorzaakt? Wat zouden we uit
onze samenleving weg moeten nemen
om acuut eeuwen terug te vallen? Zelfs
de meeste politici begrijpen dat dit de
wetenschap is (in haar volle breedte,
inclusief bijvoorbeeld filosofie en andere
gebieden die niet zozeer onze gezondheid en technologische infrastructuur
als ons denken hebben veranderd).
Momenteel ligt de uitdaging ten minste
in het Westen weliswaar niet zozeer
meer in een nóg verdere vergroting van
onze welvaart maar eerder in het handhaven daarvan, inclusief het voorkomen
van de ondergang van mens en planeet,
maar ook daarbij wordt opnieuw veel, zo
niet alles van de wetenschap verwacht.
Hoe bevorder je de bijdrage van wetenschap aan welvaart? Dat kan door:
1. de kwaliteit van wetenschap per se te
bevorderen;
2. de toepassing van wetenschap op
welvaart te bevorderen.
In dit essay wil ik betogen dat beide
doelen momenteel door beleidsmakers
op een bezeten doch paradoxale wijze
worden nagestreefd, waardoor zij ook
niet worden bereikt.
Fenomenologie
van de
kwaliteitsbevordering
De rabiate pogingen van de Nederlandse
overheid (en navenant de Europese
Commissie) om de kwaliteit van de
wetenschap per se te verbeteren heeft
een landschap gecreëerd dat zich sinds
Nijmegen, over de subsidiesystemen waarmee
te verwerven. Recent tekenen zich binnen dit competitieve systeem dan nog
enige opmerkelijke trends af.
1. De slaagkans bij vrijwel alle competities is laag (1-15%). Dit betekent voor
zowel de indieners als de beoordelaars
dat een groot deel van hun inspanningen
voor niets blijkt te zijn geweest. Welk
bedrijf zou tolereren dat 85-99% van het
verrichte werk niet tot het eindproduct
de Nederlandse en de Europese overheid de
kwaliteit en toepasbaarheid van wetenschappelijk
onderzoek denken te bevorderen. In dit essay
werkt Landsman zijn betoog nader uit.
eind jaren ’80 onmiskenbaar begon af te
tekenen.
aantreft) voorspellen de evangelisten precies ons subsidiesysteem! Aan
het begin van bovenstaand citaat zie
De Top
ik Dagoberten Duck als neurowetenIn een recent interview in de Volkskrant schapper Peter Hagoort (RU), die sub(12-11-2013) wist staatssecretaris Sander sidies ontving als NWO-Groot (9.5M),
Dekker van OCW onder meer het vol- NWO-BIG (25M), Spinoza (2.5M), en
gende te melden: “Alles draait om de Zwaartekracht (27.6M), of de fysicus Leo
top, daar kun je geen concessies in doen. Kouwenhoven (TUD), die scoorde bij
De concurrentie is moordend. Maar als je FOM (10M), ERC (15M), Spinoza (2.5M),
slaagt, is het succes ook internationaal. Zwaartekracht (35.9M), en recent de
Nederlanders zijn gewend dat we kiezen topsectoren (4M, op Mattheaanse wijze
voor de top. Het begint met het indienen geflankeerd door 5M van de TUD).
van nog meer voorstellen.”
Om misverstanden te voorkomen:
Waar de meeste actieve wetenschapsbe- Hagoort is een bevriende collega met
oefenaren deze
wie ik ooit (toen hij daar nog
WIE HEEFT ZAL
laatste zin met
tijd voor had) nog in een diseen diepe zucht
cussieclubje over
zouden uitspreken
de Vrije Wil zat, en
NOG MEER KRIJGEN
(of als onderdeel van
ook het werk van
geestige causerie bij de kerstlunch van Kouwenhoven bewonder ik en volg ik
de vakgroep), bedoelde onze staatsse- op de voet. Zij verdienen deze subsidies.
cretaris hem met een onbevangen tjak- Aan het andere eind zie ik echter vele
ka-enthousiasme juist als aanmoediging! collega’s (ik laat ze hier anoniem) die
Toen God nog niet uit Jorwerd was minstens even getalenteerd en bevlogen
verdwenen lazen politici tenminste de zijn, maar almaar achter het net vissen,
bijbel nog:
of aan het “indienen van nog meer voorWant wie heeft zal nog meer krijgen, en stellen” niet eens toekomen omdat ze 24
wel in overvloed, maar wie niets heeft, uur per week college geven in een van
hem zal zelfs wat hij heeft nog worden de vele (bèta noch medische) gebieden
ontnomen (Mattheus 25:29 en analoog waar nauwelijks subsidies voor bestaan,
Marcus 4:25).
of zelfs dat niet kunnen doen omdat
Inderdaad: afgezien van de ietwat para- hun wetenschappelijke loopbaan na vele
doxale formulering (die men in het postdoc-jaren een vroegtijdige dood is
Nieuwe Testament trouwens wel vaker gestorven.
Newton, Darwin en Einstein daargelaten
(die kansloos zouden zijn in ons huidige
subsidiesysteem, zoals al vaak is opgemerkt), is het in deze discussie een misverstand dat de grootverdieners zo veel
meer geld krijgen omdat ze zo veel beter
zouden zijn dan de rest, zodat ons systeem nu eenmaal noodzakelijk zou zijn
om de kwaliteiten van de allerbesten tot
ontplooiing te brengen. Mijn voormalige
pianoleraar speelt nu in bejaardenhuizen
en met studentenorkesten, maar op het
conservatorium gold hij als technisch
even briljant als zijn jaargenoot Ronald
Brautigam, die later wereldpodia zou
bespelen. Minieme verschillen in aanpak,
charisma, trendgevoeligheid, handigheid, stijl, en vaak ook domweg geluk
kunnen leiden tot enorme discrepanties
in succes.
Ik kan me aan de andere kant eigenlijk niet anders voorstellen dan dat ook
Hagoort en Kouwenhoven e.a. al dat geld
intussen zat zijn. De beroemde wetenschapssocioloog Robert Merton (1968),
die de naam Matthew Effect invoerde
voor de opstapeling van succes en subsidies in de handen van slechts een kleine
groep, legde zijn vinger echter al op de
wonde: “What appears from below to be
the summit becomes only another way
station. The scientist’s peers and other
associates regard each of his scientific
achievements as only a prelude to new
and greater achievements. Such social
pressures do not often permit those who
have climbed the rugged mountain of
scientific achievement to remain content. It is not necessarily the fact that
their own Faustian aspirations are ever
escalating that keeps eminent scientists at work. More and more is expected of them, and this creates its own
measure of motivaTHE SKY
tion and stress. Less
often than expected
is there repose at the top.”
Een dieptepunt vormen in dit
opzicht de relatief nieuwe Zwaartekrachtsubsidies. Decanen en rectoren, die dergelijke voorstellen voorselecteren (en
officieel zelfs indienen), bleken totaal
niet geïnteresseerd in het idee achter
een bepaald voorstel, de wetenschappelijke kansen die de aanvraag zou bieden,
of het uitzonderlijke talent van sommige
nog jonge deelnemers: er werd weinig
anders gedaan dan het aantal Spinozaen ERC-winnaars in de coalities tellen.
Men vond dat zelf ook enigszins beschamend, maar “zo werd het spel hogerop
nu eenmaal gespeeld”.
De Competitie
Nu promotieplaatsen in de eerste geldstroom nagenoeg zijn verdwenen en
ook de meeste wetenschappelijke apparatuur te duur is geworden voor universiteiten, zijn onderzoekssubsidies nog
slechts via (inter)nationale competities
bijdraagt en de prullenbak of de papierversnipperaar in kan?
2. Subsidies per project hebben de neiging almaar groter te worden. De basiseenheid was ooit 200k bij een aanvraag
voor één promovendus of postdoc uit de
NWO Vrije Competitie. Dit ideale kwantum om een goed idee te realiseren is
inmiddels vervangen door subsidies met
namen als TOP (1M), IDEAS
IS
(2-3M), et cetera, bedoeld
voor coalities.
In Nederland
THE LIMIT
ligt het maximum momenteel bij de al genoemde
Zwaartekracht-subsidies van rond de
30M, waar grootscheepse, nationale
coalitievorming voor nodig is, zoals
gezegd opgezet rond een paar grootverdieners die de kar (moeten en/of willen) trekken.
3. The sky is the limit (tenminste op
Europees niveau). De ERC-Synergy grant
van 15M (waarvoor vreemd genoeg dan
weer twee of drie onderzoekers genoeg
zijn, uiteraard wel met plannen die gamechanging of ten minste ground-breaking
moeten zijn) is voor mietjes vergeleken
met de Flagships van de EU, ter waarde
van maar liefst een miljard euro (1000M).
Daarvan zijn er tot nu toe twee toegekend (aan onderzoek naar grafeen
en naar computationele neuroscience),
waarbij de winnende coalities bestaan
uit tientallen universiteiten, onderzoeksinstituten, bedrijven en ... pr-teams.
9
10
Om dit in perspectief te plaatsen: er
zijn gelukkig nog wel degelijk individuele subsidies. NWO organiseert de
Vernieuwingsimpuls, met de drie trappen Veni, Vidi, en Vici, bedoeld voor aanvragers die maximaal respectievelijk. 3, 8,
en 15 jaar na hun promotie zitten (en dan
heb je voor kersvers gepromoveerden
nog de de Rubicon-beurs om naar het
buitenland te gaan). Zoals de naamgeving
al suggereert zijn ook deze constructies allerminst bedoeld voor bescheiden onderzoekers met een klein maar
fijn idee; integendeel, er wordt gezocht
naar jonge veroveraars! Essentieel voor
succes in de Vernieuwingsimpuls is
bovendien dat de kandidaat niet alleen
uitsluitend de hoogste (A+) beoordelingen krijgt van vakinhoudelijk deskundige
referees, maar zich tevens in levenden
lijve goed kan verkopen aan een interdisciplinair beoordelingspanel. Handig voor
astronomen met schitterende plaatjes
en honderd papers, minder geschikt
voor kamergeleerden met een ongepubliceerd proefschrift.
De ERC stelt daar de wat behoedzamer
klinkende Starting Grant, Consolidator
Grant en Advanced Grant tegenover,
opnieuw bedoeld voor ‘excellente’
onderzoekers die in verschillende carrièrefases aan Big Questions werken (maar
zich deze keer niet ook nog eens waar
hoeven te maken in een interview, hetgeen een andere selectie geeft). Geheel
EEN CONTROLESYSTEEM
VAN JEWELSTE
volgens Matthaeus (en vol bewondering
voor de moedige jury’s die dit beslissen)
zien we daarbij in toenemende mate de
Double: Advanced Grant plus Spinoza.
The Winner Takes it All!
De onderliggende werkelijkheid is dat wij
onderzoekers allemaal in competitie met
elkaar worden geplaatst, waarbij insiders
weten dat zelfs de in toenemende mate
afgedwongen coalitievorming niet altijd
van harte gaat – ook daar is de vraag
wie straks de grootste greep in de pot
mogen doen (spontane coalitievorming,
waarvan het doel niet ligt in het samen
binnenhalen van een subsidie maar in
het samen willen begrijpen van een ver-
schijnsel, is een heel ander verhaal). Het
ironische is dat we deze competitie ook
nog eens zelf mogen uitvoeren: nadat
we de dag hebben doorgebracht met
het schrijven van een aanvraag, mogen
we de avond besteden aan de beoordeling van aanvragen van anderen.
De Audit
Een overlijdensadvertentie voor Veronica-pionier Rob Out vermeldde dat hij
het huidige Nederlandse medialandschap mede vorm had gegeven. Ten
minste één persoon heeft al die troep
dus expliciet gewild, dacht ik toen ik
dat tien jaar geleden las. Ter afsluiting van deze fenomenologie van de
kwaliteitsbevordering komen we nu
bij een landschap waarvan ik me sterk
afvraag wie het deze keer eigenlijk zo
heeft gewild: dat van de audit.
De traditionele kwaliteitscontrole van
de wetenschap bestond eeuwenlang uit
peer review van publicaties. Dat systeem
bestaat nog steeds, en al glipt er wel
eens iets door de mazen van het net,
het functioneert grotendeels naar wens.
Daar is sinds de jaren ’80 echter een
controlesysteem van jewelste bijgekomen, grotendeels overgewaaid uit het
Verenigd Koninkrijk onder Thatcher. In
Nederland bestaat dit systeem inmiddels uit:
1. Onderzoeksvisitaties, die in een zes-
jarige cyclus plaatsvinden, en omdat
we nog niet genoeg te doen hadden
meestal nog worden aangevuld met een
midterm-review. Het circus is welbekend. Het begint met het schrijven van
een Zelfstudie (tegenwoordig geheten
Kritische Reflectie), een anomalie binnen het neoliberale denken die eerder
doet denken aan de met de loop van
een geweer afgedwongen zelfkritieken
van de Grote Proletarische Culturele
Revolutie van Voorzitter Mao (en de arme
auteurs bovendien minstens een half jaar
van hun leven kost). Dan de visitatie zelf,
en de afwikkeling. Geheel in overeensteming met mijn bovenstaande paragraaf
De Top is het inmiddels al lang niet meer
goed genoeg om gewoon goed (=3) te
zijn: het excellentie-fetisjisme is inmiddels zo ver doorgeslagen dat een groep
die lager scoort dan het maximum van 5
ofwel in een sterfhuisconstructie wordt
geplaatst, ofwel direct van decaan of
CvB het genadeschot krijgt uit de loop
van het al genoemde geweer (sommige visitatiecommissies lijken daarom te
hebben besloten om iedereen dan maar
een 5 te geven, een opmerkelijke reductio ad absurdum). Grappig genoeg wordt
dit visitatiesysteem zelf ook weer gevisiteerd door middel van ‘meta-evaluaties’,
die helaas geen van alle tot het advies
hebben geleid het hele systeem maar af
te schaffen.
2. Strategische Plannen. In dit geval moeten het onderzoeksinstituut, de faculteit,
en de universiteit er apart aan geloven
(nu in een vijfjarige cyclus): maanden
worden besteed aan het schrijven van
plannen waarin het in feite maar om één
vraag gaat: hoe denken we met steeds
minder geld en steeds minder onderzoekstijd steeds relevanter, beter, excellenter, baanbrekender (...) onderzoek te
gaan doen?
Ook de zogenaamde sectorplannen, die
bij tijd en wijle op nationaal niveau worden aangeleverd, hebben geen ander
doel dan het beantwoorden van deze
vraag. Ik vraag me af wie al deze plannen eigenlijk leest en stel bij dezen voor
om ze, passend bij het glossy karakter
van de meeste, in de wachtkamer van de
psychiater te leggen.
3. Jaarverslagen. Nee, dit was nog niet
alles! Ieder jaar produceren opnieuw
apart het onderzoeksinstituut, de faculteiten en de universiteit ook nog eens
een jaarverslag. En nu het woord ‘jaar’
dan toch valt, mogen de jaargesprekken, uiteraard gevolgd door zorgvuldige
en wederzijds ondertekende verslaglegging, zeker niet ontbreken.
4. University Rankings (Shanghai, Times
Higher Education, ...). Ook deze moeten
tot het audit-systeem worden gerekend.
Ze worden deze keer niet uitgevoerd
door de slachtoffers zelf, maar universiteiten hebben tegenwoordig wel vaak
speciale medewerkers (of zelfs hele
afdelingen) in dienst met het doel door
puur cosmetische maatregelen hoger
in de rankings te komen. Ook Google
wordt door sommige Nederlandse universiteiten betaald om hoger in hun page
rankings te komen.
Dit artikel gaat primair over onderzoek.
Maar ook het universitaire onderwijs
is onderworpen aan een verstikkend
audit-systeem, opnieuw op basis van
een zesjarige cyclus van visitaties en
zelfstudies. Het spreekt vanzelf dat de
onderwijsaccreditatie wordt aangevuld
met een jaarlijks uitdijende administratieve rompslomp die alleen beroepsmanagers zo gewild kunnen hebben:
een Onderwijsinstituut (met, jawel, een
jaarverslag), Examencommissie (idem)
en Opleidingscommissie (idem), en de
nieuwste ziekte geheten Cursusdossiers
(inmiddels bestaande uit maar liefst
twaalf verplichte onderdelen, inclusief
een zogenoemde ‘toetsmatrijs’).
punt is dat het in de lucht houden van al
die subsidierondes net zo tijdrovend en
verstikkend is als de audits, en daarmee
de wetenschappers van hun werk houdt
en demotiveert. Ook dit werkt uiteraard
niet bepaald kwaliteitsbevorderend.
Nog belangrijker is echter dat de typische The Winner Takes It All-uitkomsten,
versterkt door de steeds grotere subWat heeft dit op Top, Competitie en Audits sidies, een gezonde competitie tussen
gebaseerde systeem van kwaliteitsbe- wetenschappers, in de vorm van een
vordering ons nu eigenlijk gebracht? sportief en collegiaal gevecht om de
Met de laatste zijn we snel klaar. Het beste ideeën, juist ondermijnt. Als een
oorspronkelijk doel van een audit was bepaalde persoon of coalitie binnen een
de detectie van fraude; pas later is het gegeven vakgebied vrijwel al het geld
(tenminste in het bedrijfsleven) tot een krijgt, is er namelijk geen level playing
systeem van kwaliteitscontrole gewor- field meer. Dan wordt er in Nederland
den. Maar in de wetenschap wordt het (of zelfs Europa) nog maar op slechts
kind met het badwater weggegooid. Het één manier naar een bepaalde discipline
is een vuistregel uit de accountancy dat gekeken, zoals in de Sovjet-Unie desde (menselijke en/of financiële) kosten tijds naar biologie. In het bedrijfsleven
van een audit niet meer mogen bedra- (waar de hele competitie-ideologie nota
gen dan 1% van het proces dat op die bene vandaan komt!) begrijpen de meer
manier wordt onderzocht,
verlichte ondernemers
en al helemaal niet meer
en hun lobbyisten bij de
EEN GEZONDE
dan hetgeen eventueel
overheid dat donwordt gewonnen dankders goed, zodat
COMPETITIE WORDT
zij de audit. Iedereen
kartelvorming en
die op een universiandere
vormen
JUIST ONDERMIJND
teit met dit boven
van concurrentieverin zijn volle breedvalsing worden tegente geschetste systeem te maken heeft gegaan. Juist dan wordt de consument
gehad, weet echter donders goed dat in staat gesteld het beste product voor
deze 1% minstens vertienvoudigd mag de laagste prijs te kopen.
worden, en dat bovendien ten opzich- Ik ben geen geitenwollensokkentype dat
te van het oude peer review systeem met uitzicht op zijn moestuintje zijn
helemaal niets is gewonnen. Het hui- eigen brood bakt en ben allerminst tegen
dige audit-systeem voor de wetenschap iedere vorm van competitie: ik ben tegen
bevordert deze dus niet, maar frustreert een vorm die het doel van de competitie
haar beoefenaren juist en ondermijnt ondermijnt. Kartelvorming in de wetendaarmee ook de wetenschap zelf.
schap wordt nu beloond.
Gezien het oorspronkelijke doel van het Ik sta niet alleen in deze mening. In
audit-systeem is het daarbij ironisch dat een interview met de Notices of the
Diederik Stapel niet dankzij dit systeem American Mathematica Society (49/3,
werd ontmaskerd; hij bekleedde tot kort 2002) zei de wereldberoemde informavoor zijn val zelfs de functie van decaan, ticus Donald Knuth in antwoord op de
een functionaris die het vermaledijde vraag “What are the five most important
systeem mede uitvoert. Stapels oplichte- problems in computer science?”:
rij werd ontdekt door de kleine jongens “I don’t like this ‘top ten business’. It’s
en meisjes op de kleine grants (toen die the bottom ten that I like. You’ve got to
nog bestonden): zijn dappere promo- go for the little things, the stones that
vendi. Pas daarna durfden de grote jon- make up the wall. (...) Computer science
gens die het systeem in de lucht houden is a tremendous collaboration of peoook wel een steen naar hem te gooien.
ple from all over the world adding little
Maar ook het voortdurende streven naar bricks to a massive wall. The individual
de top door middel van eindeloze com- bricks are what make it work, and not
petities is contraproductief. Het eerste the milestones. Next question?”
Paradoxen
van de
kwaliteitsbevordering
11
Fenomenologie
van de toepassingsbevordering
We gaan nu van de kwaliteitsbevordering
naar de toepassingsbevordering en zien
opnieuw dat recent overheidsbeleid een
onmiskenbaar landschap heeft gecreëerd.
Het heden
12
Het eerste kabinet-Rutte voerde in 2011
onder leiding van Kennis-Kunde-Kassakampioen Maxime Verhagen de topsectoren in, gebieden waarin Nederland
al zou uitblinken en die door innige
samenwerking tussen bedrijfsleven en
wetenschap tot nóg grotere bloei konden worden gebracht. De keuze viel
op de sectoren Tuinbouw, Agri&Food,
Water, Life Sciences & Health, Chemie,
High Tech, Energie, Logistiek, Creatieve
Industrie, en Hoofdkantoren.
Het is de bedoeling om gezamenlijke
onderzoeksprojecten van universitaire
en industriële partijen te financieren, in
de hoop dat de B.V. Nederland daar beter
van wordt.
Net als over ons medialandschap
heb ik eigenlijk nog nooit een
goed woord over de topsectoren gehoord. Ze staan onder leiding van uitgerangeerde captains
of industry, en aanvragers moeten een
afschrikwekkend bureaucratisch proces
doorlopen om überhaupt een kans op
subsidie te hebben. Academici die niettemin een poging waagden, geven te
kennen dat bedrijven door hun afdeling
marketing aanbevolen onderzoek dat ze
toch al van plan waren nu met gratis bijstand van een universiteit willen (laten)
uitvoeren. Er is nauwelijks belangstelling
voor de lange termijn, laat staan voor
fundamenteel onderzoek.
Niettemin is NWO gedwongen maar liefst
50% van haar budget aan de topsectoren
te besteden, geld dat linea recta afgaat
van het budget voor nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek (bovendien moet
zelfs bij iedere aanvraag voor het laatste vermeld worden wat de eventuele
relevantie voor de topsectoren is). Voor
bijvoorbeeld de geesteswetenschappen
(maar ook de wiskunde) betekent dit ook
letterlijk een korting van 50%, aangezien
deze in geen enkele topsector vertegenwoordigd zijn en de budgettaire overheveling dus niet kunnen compenseren.
In feite is het nog erger dan dat. De huidige universitaire financieringsmodellen
zijn voor een belangrijk deel gebaseerd
op aantallen promoties per onderzoeksinstituut. Als deze aantallen afnemen
vanwege teruglopende externe subsidies, wordt een instituut of discipline dus
dubbel gepakt. En dan heeft men nog
geluk, want een aantal Nederlandse universiteiten (zoals de VU en de UU, destijds
niet toevallig geleid door respectievelijk
een econoom en een voormalig politica) hebben het Hoofdlijnenakkoord van
2012 aangegrepen om hun onderzoek
af te stemmen op de topsectoren en de
nog te bespreken Grand Challenges van
de EU, of om meer in het algemeen voor
de wind te gaan zeilen door te kiezen
voor toepassingsgericht onderzoek (de
omstreden opheffing van de Utrechtse
Sterrenkunde is een voorbeeld van dit
beleid).
Ofschoon de Europese Commissie de
Nederlandse regering indertijd schriftelijk heeft gewaarschuwd voor de lange-
WAARHEID ZOEKEN IN
EINSAMKEIT UND FREIHEIT
termijngevolgen van de budgettaire verschuivingen bij NWO in verband met de
topsectoren, is het wetenschapsbeleid
van de EU niet minder top-down gericht.
Het achtste kaderprogramma Horizon
2020 draait zelfs voor 75% van het budget om de Grand Challenges; dit zijn
Climate action, resource efficiency, and
raw materials; Secure, clean and efficient
energy; Food security, sustainable agriculture, Marine and maritime research
and the bio-economy; Health, demographic change and wellbeing; Inclusive,
innovative and secure societies; Smart,
green and integrated transport.
Ofschoon deze thema’s een stuk sympathieker klinken dan onze topsectoren en
in plaats van het verdienen van geld ook
werkelijk bedoeld lijken om ten minste
Europa te redden van de ondergang,
wordt ook hier slechts 25% van het
budget overgelaten voor fundamenteel
onderzoek. En van die resterende 25%
wordt dan ook nog eens één of twee
miljard besteed aan de al genoemde
Flagships, waarvan de selectie ongetwijfeld is bepaald door hun economisch
potentieel: likkebaardend dromen onze
Europese Commissarissen al van een
oprolbare smartphone van grafeen die
de Amerikaans-Chinese iPhone naar een
paleontologisch museum verwijst, om
daarmee vervolgens te kunnen inloggen op de Europese supercomputer die
ons brein simuleert met het doel Japan
te kunnen verslaan in de race om de
beste robot die kan worden ingezet om
Alzheimer- en andere psychogeriatrische patiënten te verplegen.
universiteit dan wel loyaal was aan deze
staat, hetgeen tot in het Derde Rijk werd
volgehouden), en de eenzaamheid die
van de “innengeleiteter Mensch, der sich
durch persönliche Werthaltungen prinzipieller Art leiten läßt”.
Deze ideologie van de HumboldtUniversiteit staat op gespannen voet
met werkelijk alle aspecten van het
ten die later vooral buiten Duitsland op
Humboldiaanse grondslag werden (om)
gevormd, en zo aan de basis stonden van
de wetenschappelijke en technologische
vooruitgang in de 19e en 20e eeuw.
Wat Duitsland zelf betreft is de ironie
van de geschiedenis dat de eenheid van
onderzoek en onderwijs juist daar werd
ondergraven door eerst de oprichting
Het verleden
Op het eerste gezicht lijkt niets meer
voor de hand te liggen dan het bovengeschetste beleid: gewenste toepassingen van de wetenschap worden in kaart
gebracht en vervolgens wordt de laatste
zo bijgestuurd dat de eerste ook daadwerkelijk worden bereikt. Toch werd hier
vroeger ook op hoog niveau heel anders
over gedacht. Ik beperk me tot twee cruciale perioden.
In 1809 werd de Universität zu Berlin
opgericht (inmiddels Humboldt-Universität geheten). Dit was niet
zomaar een universiteit: zij stond
model voor vrijwel alle serieuze
Europese en Amerikaanse universiteiten sindsdien. De twee onderliggende principes van deze nieuwe Duitse universiteit werden met name geformuleerd
door de pedagoog en politicus Wilhelm
von Humboldt (broer van Alexander), de
filosoof Johann Gottlieb Fichte en de
theoloog Friedrich Schleiermacher.
Het eerste van hun uitgangspunten is
de Einheit von Forschung und Lehre,
volgens welke studenten (“mit der
gegen das Festgelegte opponierenden
Phantasie”) en hoogleraren (“mit ihrem
perfektionierten
wissenschaftlichen
Fachwissen”) samen in een academische
gemeenschap op zoek zijn naar de waarheid. En dit leidt direct tot het tweede
principe: die waarheid zoeken student
en hoogleraar in Einsamkeit und Freiheit.
Deze begrippen vormen de keerzijden
van dezelfde medaille: de vrijheid is die
van zowel toepassingen als bemoeienis door de staat (in ruil waarvoor de
van het wetenschapsbeleid een welhaast
bijbelse status toegedicht. Hoe groot zijn
invloed werkelijk was is omstreden, maar
vele opmerkingen van Bush zijn ook nu
nog hartverwarmend:
“... without scientific progress no
amount of achievement in other directions can insure our health, prosperity,
and security as a nation in the modern
world. (...) If the colleges, universities,
and research institutes are to meet the
rapidly increasing demands of industry and Government for new scientific
knowledge, their basic research should
be strengthened by use of public funds.
(...) Support of basic research in the
universities and research institutes must
leave the internal control of policy, personnel, and the method and scope of the
research to the institutions themselves.
This is of the utmost importance.”
Van wetenschap naar welvaart
Bij dit essay zijn enkele dia’s uit de presentatie van de auteur op de jubileumbijeenkomst van de VAWO
opgenomen
huidige onderzoeksbeleid zoals hierboven beschreven. Een hedendaags
beleidsmaker zou kunnen vragen hoe
Humboldt bijvoorbeeld het klimaatprobleem zou oplossen, of het wereldvoedselprobleem. Daar zou Humboldt dan
het volgende op antwoorden: “Dann
giesst die Wissenschaft oft ihren wohltätigen Segen auf das Leben aus, wenn sie
dasselbe gewissermassen zu vergessen
scheint (...) Ihr wahrer Wert [i.e. van de
Universität] zeigt sich darin, den menschlichen Geist so zu bilden, dass er
den schwer zu entdecken Punkt nicht
verfehlt, auf welchem Gedanke und
Wirklichkeit sich begegnen und freiwillig
in einander übergehen.”
Met andere woorden: die toepassingen
komen spontaan, als het ware ‘vrijwillig’:
de staat hoeft dat proces absoluut niet
te forceren. Het begint met eenzaamheid en vrijheid (van jong en oud), en een
onzichtbare hand doet de rest. Men kan
hier tegenwerpen dat Humboldt c.s. het
eigenlijk over de geesteswetenschappen
hadden: zo iets als een bèta-faculteit
hadden ze toen in Berlijn nog niet. Maar
dat gold wel voor de talloze universitei-
van de Kaiser-Wilhelm-Instituten (na
de Tweede Wereldoorlog omgedoopt
tot Max-Planck-Instituten) en later de
Fraunhofer- en Helmholtz-Instituten,
maar ook die gingen en gaan nog steeds
uit van het principe van Einsamkeit und
Freiheit. Dat geldt met name ook voor
de primair op toepassingen gerichte
Fraunhofer-Instituten! Er is een groot
verschil tussen de visionaire ingenieur die vanuit een diepe kennis van de
Fourier-transformatie en een passie voor
digitale muziek ongedwongen de MP3compressie bedenkt (zoals ook in betere
tijden op het Philips NatLab vanuit die
mentaliteit de cd-speler is uitgevonden),
en de permanent met ontslag bedreigde medewerker van de R&D-afdeling
van een bedrijf dat de aandelenkoers
wil opvoeren. Bovendien ging het in
de tweede periode die ik nu kort onder
de loep wil nemen zeer expliciet om
de bèta-wetenschappen (en de geneeskunde), met soortgelijke conclusies. Het
rapport Science, The Endless Frontier van
Vannevar Bush (geen familie van), in 1945
aangeboden aan president Roosevelt (en
geërfd door Truman), wordt in de wereld
Meer in het algemeen suggereren
Humboldt (zij het op een wat zweverige,
humanistische manier) en Bush (explicieter, tevens gebruik makend van zijn achtergrond als ingenieur, bestuurlijk ook
vormgegeven door zijn rol als decaan
aan MIT, en vervolgens zijn aanstelling
als politiek leider van het Manhattan
Project) de volgende route van wetenschap naar welvaart: ‘nieuwsgierigheidsgedreven geleerden verrichten vanuit
hun Einsamkeit und Freiheit fundamenteel onderzoek. ‘Toepassingsgerichte’
wetenschappers selecteren daaruit met
een apart talent de resultaten waar iets
mee gedaan kan worden dat het fundamentele ontstijgt, waarna ingenieurs er
een product van maken. De markt en/of
de overheid doen de rest. Dit wordt vaak
het lineaire model of het Science Pushmodel genoemd.
Het lijdt geen twijfel dat dit proces bijzonder verspillend is. Ten eerste leidt de
meeste fundamentele wetenschap al tot
niets. Van het kleine aandeel interessant
zuiver onderzoek is dan weer slechts
een fractie toepasbaar. En van die fractie van een fractie is ten slotte slechts
een klein deel ook echt welvaartsbevorderend. Maar dit derde-orde effect
van fundamenteel onderzoek is wel de
oorsprong van vrijwel al onze welvaart!
Daar komt bij dat de geschiedenis leert
dat niet alleen bij de atoombom, maar
13
14
bij vrijwel iedere echt maatschappelijk
belangrijke technologie, het pad van het
oorspronkelijke idee naar de uiteindelijke toepassing hoogst onvoorspelbaar
bleek, grotendeels zelfs toevallig. Van
dit mechanisme zijn talloze voorbeelden, van elektriciteit tot het World Wide
Web (dat zoals bekend is ontstaan vanuit
de zoektocht naar het Higgs-deeltje op
CERN), maar laat ik me beperken tot
twee ontwikkelingen die ik als bijzonder
frappant beschouw.
De moderne computer is niet uitgevonden door zakenmannen als Bill Gates
of Steve Jobs, maar door de wiskundigen Alan Turing en John von Neumann.
De essentiële eigenschap van zelfs een
iPhone is dat hij universeel is in de zin
dat in principe ieder programma kan
worden uitgevoerd. Dat blijkt mogelijk
te zijn omdat er geen principieel verschil
is tussen programma’s en de data die
ingelezen worden. Dit was een buitengewoon diep inzicht van Turing en Von
Neumann, die daar nooit op zouden
zijn gekomen zonder hun eerstehands
kennis van eerdere ontwikkelingen in de
grondslagen van de wiskunde, waarbij
David Hilbert en Kurt Gödel een hoofdrol
speelden. Om een lang verhaal kort te
maken: de computer is voortgekomen
uit vragen rond waarheid en bewijsbaarheid in de wiskunde.
Mochten er ooit werkende kwantumcomputers komen, dan is dat een gevolg
van het Bohr-Einstein debat van 19271949 over de grondslagen van de kwantummechanica. Dit was een van de grote
intellectuele discussies uit de geschiedenis, waar niets minder op het spel stond
dan de aard van de werkelijkheid en
de vraag of zuiver toeval bestaat (maar
ook niets meer dan dat, zoals de beste
manier om kwantummechanica toe te
passen op oorlogvoering of de gerelateerde vraag hoe Europa destijds haar
technologische voorsprong op de VS en
Japan zou kunnen handhaven). Vanuit
dat wereldvreemde debat (Einstein werd
er door Pauli en andere tijdgenoten zelfs
om uitgelachen) is er een directe, maar in
iedere stap weer bizarre en sensationele
lijn naar zogenaamde EPR-correlaties,
verstrengeling, Bell-ongelijkheden en uiteindelijk dan kwantumcomputers die Leo
Kouwenhoven c.s. willen gaan bouwen.
Let wel: niet alle welvaartsbevorderende
technologieën zijn op die manier tot
stand gekomen; airconditioning en de
stofzuiger zijn tegenvoorbeelden. Ook is
terecht (door Donals Stokes e.a.) gewezen op de rol van iemand als Pasteur,
die op fundamentele wijzen naar vooropgezette toegepaste (en zelfs commerciële) vragen keek, bijvoorbeeld rond
de wijnbouw. Zo ontketende hij een
uiterst vruchtbare kruisbestuiving tussen
microbiologie, geneeskunde en voedselveiligheid, die talloze levens heeft gered
en producten heeft verbeterd. Na (en
heel soms dus tijdens) de prille fase
van Science Push is vroeg of laat altijd
sprake van Application Pull, ook bij de
computer (die haar wortels niet alleen in
de zuiverste soort wiskunde heeft, maar
ook in de praktische problematiek rond
volkstellingen en weersvoorspellingen)
en de kwantumcomputer (waarvan de
ontwikkeling mede wordt aangewakkerd
door veiligheidsproblemen rond digitale
betalingen et cetera). De vraag is echter
of die Application Pull door grote programma’s kan worden afgedwongen, of
dat er beter in een goed geoutilleerde
en gemotiveerde werkvloer kan worden
geïnvesteerd.
Paradoxen
van de toepassingsbevordering
Zowel de Nederlandse regering als
de Europese Commissie hebben oog
voor de bepalende rol van wetenschap
voor onze toekomst (en die van onze
kinderen en flora en fauna). Dat is al
heel wat. Gegeven dit inzicht is het deel
van de begroting dat naar deze cruciale
sector gaat vervolgens lachwekkend,
maar als het geld goed besteed zou
worden mogelijk toch nog afdoende.
Het wordt echter niet goed besteed,
omdat deze overheden net als de
Zonnekoning de bepalende rol zelf in
handen hebben genomen (maar dan
in een hedendaagse marktvariant,
waarin de wetenschap een soort
Monopoly rond topsectoren en Grand
Challenges is geworden). Een dergelijke
top-down planning van toepassingen
brengt deze echter juist verder weg:
grootschalige
langetermijnplanning
onderdrukt creativiteit, fascinatie,
serendipiteit, en het speelse karakter
van wetenschap überhaupt. En laten
dat nu net de basiscomponenten van
succesvolle wetenschap zijn (en dat is
m.i. wetenschap die ‘het verschil maakt’).
De diepste toepassingen van de wetenschap zijn vrijwel zonder uitzondering
onverwacht, begonnen met het op
ogenschijnlijk irrationele wijze najagen
van een of andere droom of zelfs hallucinatie, die echter nog net in goede banen
kon worden geleid door een adequate
opleiding, een kritische omgeving van
collega’s en mentoren, en, het zij toegegeven, vaak ook realiteitszin bevorderende eerzucht. Het financieren van een
goede kweekvijver voor talent (inclusief
senioronderzoekers die de tijd kunnen
nemen voor onderwijs en begeleiding)
is daarmee honderd keer belangrijker
dan het almaar meer geld geven aan
degenen die hun hals al vol Olympische
medailles hebben hangen en het leren
zwemmen van kinderen aan zure badmeesters met een haak overlaten.
En nog los van dit opleidingsaspect: moeten er behalve Ranomi Kromowidjojo
niet nog meer enthousiaste zwemsters
kunnen trainen in het Pieter van den
Hoogeband Zwemstadion? Al worden ze
nooit kampioen (maar hun kinderen misschien wel)? Hoe kun je een Champions
League hebben zonder de onderliggende nationale competities? Zou een
eredivisie die uit twee teams bestaat
erg interessant zijn? Is het niet ook voor
Ajax verfrissend om af en toe tegen
NEC te spelen? Of zullen we het laatste soort club maar failliet laten gaan?
Waar moeten de duizenden kinderen die
in Nijmegen voetballen dan naar gaan
kijken? Mogen ze dan dromen van wedstrijden in een verre stad waar ze toch
nooit kaartjes voor zullen krijgen? Of
heffen we het hele jeugd- en amateurvoetbal dan ook meteen maar op?
Maar nog meer dat, is de fout van megaplanning en megasubsidies dat over het
hoofd wordt gezien dat grote ontwikkelingen vrijwel zonder uitzondering een
accumulatie zijn van vele kleine. Dat
geldt in de zakenwereld net zo goed als
in de wetenschap: “Succes is niet een
kwestie van één grote stap, maar van
heel veel kleine stapjes. Je moet niet
denken: ik wil vijftig winkels neerzetten.
Je moet eerst die ene winkel goed doen.
Je moet die ene bh goed kunnen maken”
(Marlies Dekkers).
Marlies Dekkers ging kortgeleden failliet,
omdat ze zich niet aan haar eigen raad
hield en te veel winkels in te dure locaties had neergezet. De wetenschap moet
zo langzamerhand ook oppassen, al is
haar dreigende bankroet eerder moreel
dan financieel.
Epiloog: Der Mensch
ist was er isst
Bij de bovenstaande analyse kom je
namelijk niet om de vraag heen hoe
het huidige financieringssysteem voor
wetenschap de inhoud en moraal van
deze zelfde wetenschap beïnvloedt. In
1850 gaf Ludwig Feuerbach op Kants
penetrante vraag “Was ist der Mensch?”
het (zeker voor een Duitser) niet ongeestige antwoord: “Der Mensch ist, was
er isst”. Karl Marx, deze keer bloedserieus, draaide tien jaar later op soortgelijke wijze het toen gangbare Duitse
Idealisme om met zijn opmerking dat
niet het bewustzijn van de mens het
materiële bestaan bepaalt, maar juist
omgekeerd; dit wordt in het marxisme
ook wel geformuleerd als het idee dat
“de basis de bovenbouw bepaalt”.
Met het financieringssysteem als de
materiële basis en de wetenschap zelf in
de rol van het bewustzijn c.q. de bovenbouw is het gevaar dus niet denkbeeldig
dat de vorm van de financiering en het
daarbij behorende audit-systeem door
de wetenschap geïnternaliseerd worden.
Inderdaad worden de numerieke performance indicators waar ons competitieve
financieringssysteem om draait (zoals
termijn ruimte in uw agenda vrij kunt
maken. Wij laten u nog per e-mail weten
wat de bijzondere gebeurtenis behelst.”
Daar was ik wel benieuwd naar! Zou de
paus op bezoek komen? Bestond het
Higgs-deeltje toch weer niet? Hadden
onze astronomen een nieuw zwart gat
gezien? Was een zeer bijzonder middeleeuws manuscript aan de universiteitsbibliotheek geschonken?
Nee hoor: het ging om de toekenning
van twee Zwaartekracht-subsidies aan
coalities waar groepen van de RU deel
uitmaakten (eentje zelfs als PI, u raadt
het al: Hagobert Duck!).
Ook hier had Marx in Das Kapital
een mooie uitdrukking voor: het
Warenfetischismus, waarin de sociale
relaties tussen personen worden vervangen door (financiële) relaties tussen
de handelswaar die zij produceren. Het
beschouwen van wetenschap als han-
15
zogenoemde h-indices en Funding Id’s)
niet alleen door beleidsmakers maar ook
door veel wetenschappers zelf steeds
vaker als criteria voor succes en reden
voor een feestje gezien. Zo kregen
(wetenschappelijke) medewerkers van
de RU op 14 november 2012 een mysterieuze mail van ons College van Bestuur,
met de inhoud: “Graag nodigen wij u uit
voor een bijzondere gebeurtenis voor
onze universiteit, die pas donderdag
bekend gemaakt mag worden. Samen
met u willen we deze mijlpaal vieren,
donderdag 15/11 om 16.00 uur in het
restaurant van het Huygensgebouw. Wij
stellen het op prijs als u op deze korte
delswaar is al treurig genoeg, maar de
huidige aanbidding van het Gouden Kalf
in de vorm van publicaties (hoe meer,
hoe beter) en subsidies (hoe groter, hoe
beter) leidt uiteindelijk tot een moreel
faillissement van wetenschap en universiteit waar dat van Lehman Brothers bij
verbleekt.
Klaas Landsman
De auteur is hoogleraar Mathematische fysica
aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Het
artikel is gebaseerd op een Ethos of Sciencelezing aan de RU op 8 mei 2013, en op de
voordracht op de jubileumbijeenkomst van
de VAWO op 15 november 2013. De tekst
wijkt op een aantal punten af van die welke
eerder op de website van de VAWO werd
gepubliceerd.
Marijtje Jongsma neemt VAWO-voorzitterschap waar
De Algemene Ledenvergadering van 14 januari 2014
Dr. Marijtje Jongsma is door de Algemene
Ledenvergadering, die op 14 januari jl. in
Houten werd gehouden, gekozen tot waarnemend voorzitter van de VAWO. Jongsma
is de opvolger van prof. dr. Helen de Hoop.
Het VAWO-bestuur verwacht op de volgende Algemene Ledenvergadering (waarschijnlijk 5 juni) een nieuwe voorzitter te
kunnen voordragen.
16
Marijtje Jongsma
Marijtje Jongsma is sinds november 2009 lid van het VAWObestuur. Ze werd toen tot secretaris gekozen. Ze is werkzaam als assistent professor Biologische Psychologie bij het
Nijmeegs Instituut voor Cognitie en Informatie (NICI) van
de Radboud Universiteit. Bart Hollebrandse (Rijksuniversiteit
Groningen) wordt nu waarnemend secretaris
De evenals Jongsma in Nijmegen werkzame Helen de Hoop
(hoogleraar Theoretische Taalwetenschap) bereikte het statutaire einde van haar voorzitterschap, dat in januari 2005 begon.
Ook vice-voorzitter Bart Kipp heeft de maximaal drie keer drie
jaar bestuurslidmaatschap volgemaakt, maar voor hem is een
beroep gedaan op een ontsnappingsclausule in de statuten.
Omdat Kipp de liaison van het bestuur is met onder andere de
koepelorganisaties MHP en CMHF (en de Sector Zorg daarin),
werd hij op voordracht van het bestuur herkozen.
Sluitende begroting
Penningmeester Wim van Horssen meldde dat 2013 voor de
VAWO financieel goed is verlopen. Voor 2014 legde hij een
sluitende begroting voor, die werd aangenomen. Toch is de
situatie van de VAWO niet zorgeloos. Het ledental staat onder
druk. De VAWO ondervindt repercussies van het personeels-
beleid van de universiteiten. Veel relatief jonge leden melden
zich af, omdat ze geen nieuw contract krijgen en buiten de
wetenschap belanden of hun wetenschappelijke loopbaan in
het buitenland voortzetten. Er wordt gewerkt aan een plan van
aanpak om de ledenwerving te versterken.
Cao-onderhandelingen
Mr. Donald Pechler, directeur en cao-onderhandelaar van de
VAWO, vertelde over de stand van zaken in de onderhandelingen voor nieuwe cao’s bij de universiteiten en onderzoekinstellingen. Het goede nieuws is dat de berichtgeving over het
bijzonder hoge percentage tijdelijke aanstellingen voor wetenschappelijk personeel, naar aanleiding van een persbericht van
de VAWO daarover, ook de andere werknemersorganisaties
heeft gealarmeerd. Het terugdringen van dat percentage is
opgenomen in de gezamenlijke inzet van de bonden voor
de onderhandelingen met de VSNU (zie ook elders op deze
pagina, red.).
Het slechte nieuws is dat er nauwelijks schot zit in de overleggen. Noch de VSNU, noch de wergeversorganisatie bij de
onderzoekinstellingen WVOI is vooralsnog met enig substantieel bod voor een nieuwe cao gekomen.
Bonden formuleren inzet voor nieuwe CAO-NU
De werknemersorganisaties waaronder de VAWO hebben hun gezamenlijke inzet geformuleerd voor de onderhandelingen voor een nieuwe CAO
Nederlandse Universiteiten. De huidige
cao is per 1 januari 2014 afgelopen.
De bonden vragen o.a. een salarisverhoging van 3% in 2014, een beperking van
tijdelijke aanstellingen voor WP, maatregelen die de werkdruk verminderen,
reparatie van het AOW-gat voor exwerknemers die nog onder de BWNU
2013 vallen, en een budget voor zowel
functiegerichte scholing als door de
werknemer zelf te bepalen ontwikkelingsactiviteiten. Verder willen de bonden het huidige aantal promovendiplaatsen ten minste handhaven en niet
laten verdringen door bursalen.
De in de VSNU verenigde werkgevers
hebben laten weten een ‘beleidsarme’
cao zonder loonparagraaf te wensen.
CAO UMC
Op 4 september 2013 sloten de werkgever- en werknemersorganisaties bij de
UMC’s een cao-akkoord. De nieuwe cao
is met terugwerkende kracht ingegaan
op 1 april 2013 en loopt tot 1 april 2015.
Zowel in 2013 als in 2014 zijn de salarissen structureel met 1% verhoogd. Op 1
juli 2014 krijgen de medewerkers een
eenmalige uitkering van € 300 bruto en
in januari 2015 een eenmalige uitkering
van € 200 bruto (naar rato bij een parttime dienstverband).
De teksten van de vierbonden-inzet voor de
CAO-NU en het akkoord over de CAO-UMC
staan op www.vawo.nl.