Charlotte Dematons - Ga je mee?

ir
ra
te
li
Schrijver in de klas
Charlotte Dematons
- Ga je mee?
Colofon
Dit is een uitgave van:
Kunst Centraal
Postbus 160
3980 CD Bunnik
tel:
030 - 659 55 20
fax:
030 - 659 05 10
e-mail: [email protected]
internet: www.kunstcentraal.nl
Ontwikkeling:
Jos Bol
Eindredactie:
Discipline literair
Vormgeving:
BMD, Bunnik
Layout:
Rianne van Es
Colofon
Inhoudsopgave
Inleiding ................................................................................................................................ 4
Informatie over de schrijver en haar boeken . ........................................................................ 5
Het boek ‘Ga je mee?’ ........................................................................................................... 7
Les 1 Ga je mee... kijken? ...................................................................................................... 8
Les 2 Wij maken ook een tocht ............................................................................................. 12
Inhoudsopgave
Inleiding
Schrijver in de klas
Dit is het lesmateriaal dat hoort bij het bezoek van de schrijfster Charlotte Dematons. Zij komt binnenkort op bezoek in uw klas. Om dit bezoek zo optimaal mogelijk te laten verlopen is het van belang het
bezoek goed voor te bereiden. Hoe u dat kunt doen, vindt u in dit lesmateriaal.
Het boek
In samenspraak met Charlotte Dematons hebben wij haar boek ‘Ga je mee’ als uitgangspunt genomen
voor het bezoek. U krijgt het boek bij het lespakket, zodat u zo snel mogelijk kunt beginnen met het
voorlezen van het boek in de klas.
Les 1 gebruikt u als voorbereiding op het bezoek van Charlotte.
De andere lessen kunt u gebruiken als verwerking.
U vertelt voor het bezoek met eigen woorden aan de kinderen:
- Wie er op bezoek komt.
- Wat een schrijver/illustrator is.
- Wat Charlotte allemaal doet.
- U kunt een tentoonstelling maken met het werk van Charlotte.
Belangrijk voor een goed verloop van het bezoek van Charlotte is, dat u zorgdraagt voor het volgende:
- De schrijver heeft een lange reis achter de rug, dus ontvang haar op een plezierige manier.
- Charlotte wil de kinderen niet in een kring maar in een groepje/kluitje dicht bij elkaar hebben.
- De kinderen moeten voor een schoolbord/verfbord of flapover zitten. Charlotte gaat ter plekke voor
de kinderen tekenen. Ze neemt zelf tekenpapier mee.
- U blijft er zelf de hele presentatie bij.
- Kinderen gaan van tevoren naar de wc.
- De presentatie is alleen bedoeld voor de leerkracht en de klas en dus niet voor ouders en andere
belangstellenden.
Ik wens u alvast veel plezier met het lezen, het lesmateriaal en het klassenbezoek.
Jos Bol, consulent literair
4
Inleiding
Informatie over de schrijver en haar boeken
Charlotte Dematons
Charlotte Dematons werd in 1957 geboren in Evreux, Normandië. Haar moeder was afkomstig uit
Nederland en Charlotte werd tweetalig opgevoed. In Nederland volgde ze vanaf 1976 de lerarenopleiding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, met de vakken tekenen en textiel. Dit beviel niet en ze ging
naar de Rietveld Academie. Daar volgde ze de afdeling illustratie. Ze zat in de klas met Alex de Wolf en
Juliette de Wit en kreeg les van beroemde illustrators als Lidia Postma en The Tjong Khing. Ze leerde op
de academie haar echtgenoot, medisch tekenaar Bas Blankevoort, kennen. In 1990 kregen ze een dochter:
Julie.
Tijdens haar studie kwam Charlotte Dematons door een stage bij uitgeverij Meulenhoff Educatief
terecht. Ze werkte er drie jaar parttime. In 1985 maakte ze voor uitgeverij Lemniscaat haar eerste prentenboek, ‘Dido’. Het boek verscheen in vijf landen. Ze illustreerde onder andere heruitgaven van ‘Heksen
en zo’ (tekst: Annie M.G. Schmidt), ‘Verhalen uit duizend-en-één-nacht’ en de ‘Saskia en Jeroen’-serie
(Jaap ter Haar). Verder werkte ze mee aan de uitgaven ‘Sprookjes en verhalen’ van Andersen en ‘Volksverhalen uit kleurrijk Nederland: Dieren’.
Ze illustreerde ook boeken die ze zelf heeft geschreven: ‘Dido’ (1985), ‘Roosje’ (1996), ‘Ga je mee?’
(2000, Pluim van de Maand maart 2001), ‘Tobber’ (verschijnt 2001) en Sinterklaas (2007, Gouden
penseel 2008). Verder illustreerde ze een groot aantal kinderboeken van anderen, onder meer: Leonie
Kooiker, Valentine Kalwij,
Rita Törnqvist.
Behalve illustraties voor boeken, maakte Charlotte Dematons ook illustraties voor een website
(www.leesfeest.nl), boekenleggers en posters plus illustraties voor kinderbladen als ‘Taptoe’ en ‘Bobo’,
jeugdbladen als ‘Tina’ en ‘Hello you’ en informatieve boeken en schoolmethodes.
Het werk van Charlotte Dematons is realistisch, precies en rijk aan details. Recensenten noemen haar
werk vakbekwaam, zorgvuldig en sfeerrijk.
Enkele andere titels
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Oplossing-losgeld-verlost (tekst: Leonie Kooiker, Leopold, 1985)
De temponauten (science fiction, tekst: Leonie Kooiker, Leopold 1987) – vanaf 10 jaar
Neem nu een paardebloem (poëzie, tekst: Valentine Kalwij, Holland, 1986) – vanaf 10 jaar
De bombardon en andere verhalen (verhalenbundel, tekst: Rita Törnqvist, Querido, 1988) – vanaf 11
jaar
Een lolletje (verhalenbundel, tekst: Valentine Kalwij, Holland, 1989) – vanaf 12 jaar
Jij ziet er raar uit (tekst: Geertje Gort, Zwijsen, 1989) – vanaf 6 jaar
De nachtclown (tekst: Diet Verschoor, Holland, 1990) – vanaf 10 jaar
De grote Leonidas (tekst: Geertje Gort, Leopold, 1991) – vanaf 10 jaar
De blauwe koning (sprookje, tekst: Diet Verschoor, Holland, 1991) – vanaf 5 jaar
Andersen (sprookjes, tekst: Hans Christiaan Andersen, Lemniscaat, 1992) – vanaf 10 jaar
Een kleine engerd (tekst: Gerry Lautenschlager, La Rivière & Voorhoeve, 1992) - vanaf 8 jaar
Sterre en Hille van het Grote Huis (tekst: Henk Hokke, La Rivière & Voorhoeve,1993) – vanaf 8 jaar
Ik ben mijn moeder kwijt (prentenboek, Averroès, 1995) - vanaf 4 jaar
Een verboden kind (tekst: Trude de Jong, De Harmonie, 1995) – vanaf 10 jaar
Hanna, een zusje voor zes maanden (tekst: Leny van Grootel, Holland, 1995) - vanaf 10 jaar
Waar is Assepoester? (sprookjesachtig boek/prentenboek, Lemniscaat, 1996) - vanaf 4 jaar
Roosje (sprookjesachtig boek/prentenboek, Lemniscaat 1996) - vanaf 4 jaar
Informatie over de schrijver en haar boeken
5
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
Een verboden kind (tekst: Trude de Jong, De Harmonie, 1996) - vanaf 10 jaar
De kinderen Joesoepof (tekst: Simone Schell, Holland, 1997) - vanaf 10 jaar
Door een gat in de wolken (tekst: Anne Takens, Holland, 1997) - vanaf 8 jaar
Op reis naar Betlehem (prentenboek, tekst: Tineke Schraa-Verburg, nzv, 1998) - vanaf 4 jaar
Nina Regenboog (tekst: Leny van Grootel, Holland, 1998) - vanaf 10 jaar
Ga je mee? (prentenboek, Lemniscaat, 2000) - vanaf 4 jaar
Een geluk bij een ongeluk (tekst: Christine Kliphuis, Meander, 2000) - 7 jaar
Tobber (prentenboek, Lemniscaat, 2001) – vanaf 3 jaar
De toverstad (tekst: Edith Nesbit, Westeinde, 2002) - vanaf 10 jaar
Robbie en Ronnie (tekst: Christine Kliphuis, De Vier Windstreken, 2002)
De gele ballon (2003)
Sinterklaas (2007)
6
Informatie over de schrijver en haar boeken
Het boek ‘Ga je mee?’
Deze lessen horen bij het boek ‘Ga je mee?’ geschreven en geïllustreerd door Charlotte Dematons.
Het jongetje met de rode trui (de ik-figuur) moet voor zijn moeder appels gaan halen bij de groenteboer.
Onderweg er naar toe (door zijn eigen tuin) maakt hij van alles mee (in zijn fantasie).
In het boek zien we illustraties van groot naar klein: van overzicht van het geheel naar details. De illus­
traties zitten vol met details die aardig zijn om goed te bekijken. Het is een extra als de kinderen zelf
ontdekken hoe de details uit de grote overzichtsplaten ook weer in de volgende platen terug komen.
Om dit te stimuleren staan we in deze lessen uitgebreid stil bij het grote dorpsoverzicht en de verschillen
met het (bijna) zelfde tweede dorpsoverzicht achterin het boek. De verschillen tussen de twee illustraties
leveren eigenlijk weer nieuwe verhaaltjes op. Wat zijn die verschillen? Wat is er gebeurd en waarom is er
iets veranderd? Dit zijn de vragen die we bij al die kleine veranderingen kunnen stellen. Niet alleen de
tekst vertelt het verhaal, maar in de illustraties zitten ook kleine verhaaltjes.
Samengevat: eerst wordt het eerste dorpsoverzicht voorin globaal bekeken, daarna worden verschillen
en veranderingen in details onderzocht tussen de twee platen waarbij de leerlingen zich afvragen wat er
gebeurd is of waarom er iets veranderd is.
Vertel de leerlingen dat er heel veel op de platen te zien en te ontdekken is. Om alles te vinden moet je
wel goed kijken, soms zelfs een beetje zoeken en speuren!
7
Het boek ‘Ga je mee?’
Les 1
Ga je mee…. kijken!
Korte inhoud
In het prentenboek zien we zowel voorin als achterin het boek een illustratie van een overzicht van het
dorp. In heel veel details zijn allerlei verschillen en veranderingen te ontdekken tussen de twee ogenschijnlijk identieke platen. De leerlingen bekijken en vergelijken in kleine groepjes de twee illustraties
van het dorpsoverzicht aan de hand van vragen en opmerkingen van de leerkracht volgens de ‘kijklijst’.
Hierdoor zullen ze veel leuke details ontdekken.
Lesduur: Benodigdheden:
Voorbereiding:
15 à 30 minuten per subgroepje
Het prentenboek ‘Ga je mee?’.
De extra print van het tweede dorpsoverzicht achterin het boek
(zo kunnen de plaat voorin met de plaat achterin het boek naast elkaar
bekeken en vergeleken worden!).
Lees alle punten uit de kijklijst goed van tevoren door en bekijk de
genoemde details eerst zelf. Ontdek eerst zelf alle verschillen in de
details.
Daarna gaan de kinderen aan het werk. U kunt dan zelf steeds een subgroep nemen waarmee u de volgende opdrachten uitvoert.
Opdracht 1
Het dorpsoverzicht voor in het boek goed bekijken. Eerst de grote dingen, daarna kleinere of hele kleine
dingen.
Stel de volgende vragen waardoor de leerlingen goed gaan kijken:
- “Dit is ons dorp” staat er onderaan de bladzijde. Er is van alles te zien. Wanneer zie je het dorp zo?
Als je op de grond staat, als je uit een raam kijkt of als je uit een hoge toren kijkt? In het hele boek
bekijken we alle scènes consequent van schuin boven, hoger dan de bomen.
- Kun je vertellen wat je ziet?
- We kijken van groot naar klein: Wat zijn de grootste dingen die je ziet? Waar zie je die? Wijs eens
aan? Huizen, wegen, een sloot of beek, bomen.
- De meeste huizen die je ziet zijn om in te wonen. Zie je nog een ander gebouw? Een school, een torentje, een winkel: groenteboer.
- Welke kleuren hebben de huizen? Blauw, paars, roze, bruin, oranje, gestreept, geel, rood, blauwgroen,
grijs). Zie je wel vaker dat soort gekleurde huizen?
- Welk huis heeft de grootste tuin? Welke tuinen zijn netjes en welke rommelig?
- In welk huis zou jij willen wonen?
- Waar loopt de beek? Waar kun je over de beek en waar nog meer?
- Is het dag of nacht, zomer of winter, wat voor weer is het, schijnt de zon, regent het, sneeuwt het? etc.
- Welke dieren zie je? Waar? Wijs eens aan? Schapen, poezen, honden.
- Hoeveel auto’s en fietsen zie je en waar zie je ze?
- Wie kan de voetbal vinden?
Opdracht 2
Achter in het boek zien we het dorp nog een keer. Zoek samen naar de kleine verschillen met de plaat
van het dorp voor in het boek. Er is van alles veranderd; Wat is er allemaal gebeurd, denk je?
Les 1 Ga je mee... kijken!
8
Aandachtspunten
We vergelijken in twee kolommen de situatie op de eerste en laatste plaat uit het boek. In deze ronde
gebruikt u dus vooral de eerste kolom. Het is uiteraard niet nodig dat de leerlingen alles herkennen
en benoemen. De lijst is bedoeld als hulpmiddel voor u om goed thuis te raken in de wereld van ‘ons
dorp’. Hier en daar zijn ze als vragen opgenomen (cursief gedrukt), maar u kunt wellicht zelf meer of
andere vragen stellen of juist de leerlingen vragen laten stellen!
We beschrijven van boven naar beneden en van links naar rechts.
Bovenaan de bladzijde. Een wei met 10 schapen en een
boom. Twee mensen zijn bezig met een trekzaag de
boom om te zagen. Het hek staat open.
De boom ligt in stukken, de mannen zijn weg, het hek
is dicht.
Daaronder een paars-roze huis met blauwe kozijnen.
Er gebeurt niets, het lijkt onbewoond.
Bij het huis staat een verhuiswagen, een man in blauwe
overall draagt een grote kist, de piano staat op de laadklep om uitgeladen te worden. Uit het raam hangt iets
wits, De deur staat nu open.
Twee kinderen staan op het torentje.
De kinderen zijn weg.
Onderaan het torentje bij de beek zit iemand te v­ issen.
De visser is er bij gaan liggen.
Daaronder op het schoolplein, een zwarte en een rode
kat die tegenover elkaar staan. Op het schoolplein ligt
een bal, van wie is die bal?
Een jongetje klimt over het hek: om de bal te pakken?
De zwarte kat zit nu op het dak van de school, de brui­ne staat nog steeds op het schoolplein. Waarom rent het
jongetje weg? Er is een ruit kapot, heeft hij met zijn bal
de ruit per ongeluk ingeschopt?
Onder de school rijdt een boer op zijn trekker het veld
op. Hij heeft het hek open laten staan.
Het veld is geploegd, de boer is weg, hek dicht.
Wat is het verschil tussen de twee velden?
Naast het veld is een breder stuk van de beek.
Vijf kinderen zijn aan het spartelen in het water.
Eén springt er net in.
Dan het huis met de grootste tuin. Hoe moet je binnenkomen in dat huis? (Eerst door het blauwe hek in
de muur de tuin in, dan door de deur).
Huis heeft een blauw dak, blauwe luiken, veel bomen,
een vijver, moestuin… De rest van de tuin wordt
belangrijk in het vervolg van het verhaal.
Er zit een jongetje in het uitkijktorentje van het zeeroversnest achter in de tuin, (zie verhaal).
Buiten tegen de tuinmuur, staat een fiets.
De fiets is weg, er lopen nu twee meisjes. Er fietst wel
iemand ergens anders heel hard weg; waar?
Bovenaan de rechter bladzijde. Een hoog blauw huis
met drie verdiepingen. Op de zijkant van het huis een
afbeelding van een kind met een potje Jam? Honing?
Hoe kijkt het kind? Kind kijkt een beetje verbaasd.
Uit het bovenste raam hangt nu was. Hoe kijkt het
kind op het reclame bord nu? Het lijkt nu te schreeuwen, hoewel hartgrondig gapen ook zou kunnen. Een
mevrouw staat op het balkon.
Rechts ernaast op de afbeelding een huis met een half­rond dak. Rolluiken zijn dicht. In de tuinmuur een
deur die openstaat. Wat doen die jongens daar in die
appelboom? Twee jongens zijn bezig appels te plukken
van de boom. De appels komen in een mandje.
Wat is er veranderd aan de appelboom? De appelboom
is leeg, de jongens brengen de ladder door de open tuinmuur naar binnen. De rolluiken zijn nu open.
9
Les 1 Ga je mee... kijken!
Daaronder, blok huizen direct achter de tuin, drie
huizen, heel verschillend. Eén met een uitkijktorentje,
twee met een dakterras.
Wat doet die mevrouw op het dak? Op het hoogste
huis, van de groenteboer, ligt een mevrouw te zonnen
en te lezen, onder een rood en gele parasol.
Hoeveel mensen kun je ontdekken in dit huizenblok?
Er staat nu iemand te kijken vanuit het torentje.
De mevrouw is weg, parasol dichtgeklapt, matrasje over
het hek.
Uit het raam met het uitkijktorentje hangt beddengoed.
Achter het raam van het middelste huis zit iemand te
breien.
Beddengoed is weg. Waarom zou het weg zijn?
De groenteboer op de hoek heeft gestreepte markiezen,
een rij kratten staat buiten, een bord met een peer
naast de deur.
Een markies is opgetrokken, door mevrouw in rode
jurk, iemand brengt kratten naar binnen, bord met peer
is weg. Waarom doen ze dat?
In het lichtblauwe huis naast de groenteboer staat
iemand voor het raam.
Vrouw met meisje aan de hand lopen vlak voor het huis.
Bij het gestreepte huis daarnaast hangt iemand uit het
raam, een touw hangt naar beneden tot op de stoep.
Wat wil zij met dat touw?
Het meisje staat nu bij het achterste, rode huis aan de
deur. Is ze uit het raam geklommen? Het touw hangt
nog uit het raam, waar iemand naar buiten leunt en in
haar richting kijkt. Moeder? Wat zou er gebeurd zijn?
De onderste vier huizen langs de beek. Links een klein
wit/grijs huisje met een zwart dak. In de tuin een geel
autootje, portier open. Ernaast een autowiel, een fiets,
een driewieler, bij de beek staat een roze leunstoel.
Aan een hondenhok zitten een bruine en een witte
hond vast. Wat ligt daar onder die auto? Onder de
auto steken twee blauwe benen uit.
Wat is er veranderd aan de auto? Waarom is ie uit
elkaar gehaald? De wielen en portieren, uitlaat liggen op
de grond, iemand zit op een bankje te kijken. (De man
met de blauwe broek!). De roze leunstoel is gedraaid.
Een kind rijdt op de driewieler vlak bij het water. De
witte hond staat te blaffen. Iemand zit in het wijdopen
raam.
Iemand kijkt over de schutting naar de schilder in de
witte overall die de muren van het huis ernaast rozerood aan het schilderen is.
Op de roze muren staat een wit poppetje geschilderd.
Ook de tuindeur is roze geworden. Wie zou dat poppetje erop geschilderd hebben? Wat is er nog meer
geschilderd? (De achterkant is ook roze geworden).
Het breiwerk is nu heel lang. Wat denk je dat ze breit?
In de tuin van het huis dat geschilderd wordt staat een
kinderwagen.
De kinderwagen is weg. Waar is de kinderwagen? Rijdt
nu links van het huis met de grootste tuin op de stoep.
In de tuin van het groene huis is iemand bezig de was
op te hangen. Voor de ramen hangen gordijnen.
Nu hangen alle waslijnen vol, zelfs aan de schutting
hangt een wasrek. Ook de gordijnen zijn verdwenen.
Waar zijn de gordijnen? (hangen vast ook te drogen).
Daarnaast, bij het huis met rood dak en roze muren
gebeurt wel iets speciaals: wat gebeurt daar? (Er wordt
verhuisd). Wat zie je in de verhuisauto staan? Een
grote man in blauwe overall draagt een doos, naar de
auto waar al een piano in staat. Nog iemand komt met
een doos naar buiten, en achter het raam is iemand
bezig met de gordijnen.
Het huis is helemaal leeg. Hoe komt dat?
Les 1 Ga je mee... kijken!
10
Nu komt nog een parkje met een perk in het midden
en een groen bankje.
Wat is er veranderd in het parkje? Twee mensen zitten
knus op het bankje.
Helemaal onderaan, aan de andere kant van de beek
is een héél klein huisje met een rieten dak. Wat zie
je daar in het tuintje? Een krom oud vrouwtje met
mandje en stok gaat naar de deur toe. Wat is dat voor
een vrouwtje, denk je?
Het oude vrouwtje fietst nu helemaal bovenaan de
bladzijde het beeld uit. Bij het huisje met het rieten
dak, komen net 7 kabouters(?) met witte baardjes thuis
na een dag hard werken. Waar is het zwarte kromme
vrouwtje gebleven? (rijdt zij weg op de fiets helemaal
bovenaan de bladzijde?)
Afsluiting
Na de gesprekjes en kijkvragen in de subgroepen is het wellicht leuk en goed om nog een aantal dingen
centraal in de groep terug te herhalen, te herinneren en uit te wisselen.
Nu leest u het prentenboek in zijn geheel aan de klas voor.
Kort kringgesprek in de hele groep n.a.v. de volgende vragen: (met de illustratie erbij)
- In welk huis woont het jongetje met de rode trui?
- Wat gebeurt er veel in de huizen, de tuinen, op straat en op het dak! Weet je nog een paar dingen?
11
Les 1 Ga je mee... kijken!
Les 2
Wij maken ook een tocht
Korte inhoud van de les
De leerlingen worden door de leerkracht vertellend meegenomen in een zelfde (of variant) tocht als het
jongetje uit het boek. De leerlingen verbeelden de omgeving van de tocht (het bos, de rotsen, de zee en
het strand) in een groepswerk met verf, zand, gekleurd papier en andere (beeldende) materialen.
Lesduur:
Benodigdheden:
Voorbereiding:
(in volgorde van de opdrachten):
4 x 30 minuten (per onderdeel gaat een subgroep aan de slag)
Grote tekenvellen of papier aan de rol (ongeveer 2 à 3 m.)
Plakkaatverf: donkergroen, bruin, oker en zwart, geel, wit, rood; kleine
stukjes spons om te tamponneren; kwasten; behangersplaksel; wc rolletjes; diverse kleuren groen papier; sterke lijm; grijs en bruinpapier;
klei; diverse kleuren blauw papier; blauw vlieger papier; aluminiumfolie
plastic- of huishoudfolie; walnootdoppen; viltstiften; zand.
Verzamel de verschillende materialen (zie benodigdheden). Maak eventueel van tevoren een keuze uit de opdrachten als u niet alle onderdelen van de tocht wilt laten maken. U kunt een keuze maken dat per
subgroepen telkens één onderdeel (dus één van de opdrachten 2 t/m 6)
uitgevoerd wordt. Bedenk dan van tevoren welk onderdeel het meest
geschikt is voor welke kinderen (leeftijd of vaardigheid).
De opdrachten
Opdracht 1 - Wij maken ook een tocht
Vertel aan en fantaseer met de kinderen dat wij net zoals het jongetje met de rode trui een tocht gaan
maken.
Vertel, vraag en fantaseer naar eigen inzicht over dezelfde elementen als in het boek, maar eventueel ook
over andere zaken die bijvoorbeeld net in dit jaargetijde spelen of om andere redenen aan de orde zijn.
Zorg in elk geval dat enkele van de hieronder genoemde 4 ‘typen’ landschap / natuur aan de orde komen.
Praat vooral over hoe het er uitziet.
- We komen door een bos
- Over de rotsen
- Over de zee of een meer
- Op het strand
Deze verschillende locaties zijn voor de meeste kinderen herkenbaar of tenminste voorstelbaar.
Tijdens de verbeelding of fantasieoefening kan het zijn dat nieuwe locaties verzonnen worden.
Want misschien wordt onze tocht wel heel anders dan die van het jongetje! (Voor de jongste kinderen is
de vertaling van lopen door een tuin waar we doen alsof we in een reuzenbos zitten, draken tegenkomen
etc. waarschijnlijk nog niet voor te stellen of heel eng). Daarom geven we er de voorkeur aan om gewoon
‘een tocht’ te maken door het bos, over de rotsen, over de zee en op het strand.
De volgende opdrachten kunnen óf uitgevoerd worden met één lange strook papier van de rol of een
aantal vellen tekenpapier achter elkaar aan of aan elkaar vastgeplakt. Op de tocht van het jongetje
komen we in het boek per dubbele bladzijde in een nieuwe situatie terecht. Deze aparte scènes achter
elkaar aan vormen de tocht naar de groenteboer.
Les 2 Wij maken ook een tocht
12
Opdracht 2 - We maken het bos
Begin bij het bos. We lopen door het bos (neem de kinderen maar mee, lopend, stappend, sluipend door
een bos.) Wat zien we voor bomen? Grote bomen, hoog boven ons, kleine dennenbomen, bomen met
blaadjes, gras en mos op de grond, zand, dennenappels, dorre bladeren, een veertje van een vogel. Is het
er donker? Licht? Waar ruikt het naar?
Begrens een stuk van het grote papier of een los vel voor de ruimte van ons bos.
De bosgrond
Geef enkele kinderen (subgroepen) een stukje spons en schoteltjes met verf met verschillende kleuren:
donkergroen, bruin, oker en zwart. Laat zien hoe je kunt tamponneren en schilderen met de sponsjes.
Doop de sponsjes na elkaar in verschillende bosgrondkleuren en tamponeer verschillende kleuren
over elkaar heen. Laat de leerlingen nu zelf lekker experimenteren. De leerlingen kunnen ook nog een
­bosgrondmengsel maken van behangersplaksel, zand en aarde (eventueel een beetje verf toevoegen) en
tamponnerend toevoegen aan de bosgrond met het sponsje of een dikke kwast.
De bomen
Van lege wc-rolletjes maken we dikke boomstammetjes. Beschilderen met bruinen, mosgroenen (groen
met een klein beetje rood of bruin en wat wit), maak verschillende bruin/groene stamkleuren aan.
De stammetjes mogen met verschillende tinten beschilderd worden (hoeven niet in één effen kleur).
De leerlingen scheuren van verschillende kleuren groen papier (of al een beetje herfstkleuren?) stukken:
grote en kleine stukken in allerlei vrije vormen. De grote stukken plak je eerst boven aan de stam
(als grote delen loof). Sommige stukken krullen een beetje om, maar dat kan geen kwaad. De kleinere
stukken kunnen daar weer op geplakt worden. Het gaat dus niet om losse blaadjes, maar meer om
­‘bladerpartijen’. Zo ontstaat langzamerhand een boomkruin. Je kunt er ook echte (herfst)blaadjes bij
plakken (met sterke lijm).
Daarna geeft u ze lichtgroene plakkaatverf en laat de bomen begroeien met lichtgroene bladeren: hier en
daar stippen verf op de stukken papier met een kleine kwast. Lichtgroen: groen met veel geel en/of wit.
Maak een paar verschillende lichtgroenen aan, dat werkt zeer levendig.
Zet alle bomen bij elkaar op de bos grond. Zorg voor een echt paadje dwars door het bos.
(Eventueel nog bij laten schilderen of tamponneren met de sponsjes)
Vergelijk tot slot het zelfgemaakte bos met het bos uit de illustratie in het boek. Is dit net zo’n soort bos
als in het verhaal of is het heel anders geworden?
Opdracht 3 - We maken de rotsen en de keien
Na het bos komt het jongetje tussen de rotsen en keien terecht. Verder gaat ook onze tocht. We klimmen
tussen en over de rotsen. Wie heeft er wel eens grote rotsen gezien. Hoe zagen ze eruit, waren ze rond of
scherp, wat voor kleuren herinner je je?
De rotsen en keien
- Manier 1: Rotsen en keien scheuren uit papier en steenkleuren kleuren.
Breng een paar rivierkeien mee naar school. Of haal ergens een emmertje met grof grint uit het tuinpad.
Bekijk samen de vormen en kleuren van de afgesleten grintsteentjes.
De kinderen scheuren van bruin en grijs papier mooie ‘stenen’. Met gele, oranje, rode, zwarte en witte
wasco of oliepastel worden de papieren stenen verlevendigd. Kijk nog eens naar de stenen in het boek.
Nu kan er een grote steenberg op deel twee van het papier geplakt worden. Stenen naast elkaar en
gedeeltelijk over elkaar heen plakken.
- Manier 2: Rotsen en keien maken van papier-maché of papierpulp.
Laat iedere leerling een krant in kleine snippers scheuren. Doe alle snippers in een diepe emmer met heet
water. Doe een garde van de mixer of een verfmenger in de boormachine en maak met flink veel water in
Les 2 Wij maken ook een tocht
13
de emmer, (dus nog geen stijve prut maken in dit stadium) een mooie fijngeslagen pulp van de krant.
Giet de prut in een oude sloop en knijp er zoveel mogelijk overtollig water uit. Als de pulp behoorlijk
droog geknepen is (beter iets te droog dan iets te nat), strooit u er droge behangersplak doorheen.
Lekker doorkneden tot de pulp smeuïg is geworden: eventueel iets water toevoegen. Het lijkt nu op
papier-klei.
Van de pulp maken de leerlingen nu mooie stenen. Liever iedere leerling een aantal kleine stenen dan
enorme ballen die heel langzaam drogen. Laat de stenen drogen op de verwarming op stukken vuilniszak.
U kunt ook de ‘natte’ stenen meteen op het grote vel leggen en op elkaar: door de behangersplak hechten
ze vanzelf. Als de rotspartijen aan de buitenkant droog zijn kunnen de kinderen ze schilderen.
Maak verschillende paletjes klaar met rotskleuren. Roodbruin, oranjebruin, grijzig. Laat u inspireren
door de kleuren in het grint.
- Manier 3: Rotsen en keien maken van klei
Van gewone Hollandse rivierklei vormen we kleinere en grotere bolletjes klei: bolletjes rollen, vervolgens
eventueel in andere vormen drukken of zachtjes slaan met de handpalm. Klei in verschillende kleuren
kan ook.
Als iedere leerling een paar keien heeft gemaakt kunnen ze bij, naast en gedeeltelijk op elkaar gelegd
worden en eventueel een beetje aan elkaar vastgedrukt. (Langzaam laten drogen door er telkens na
schooltijd een plastic vuilniszak luchtig overheen te leggen.)
Opdracht 4 - We maken water: het meer of de zee
Water schilderen en/of een collage scheuren en plakken van transparant vlieger papier en andere glimmende en dekkende papieren in ‘waterige’ kleuren.
Na de rotsen komen we bij het water….
Praten over water, zwemmen, golven, zwembaden, de zee, een meer, kleuren van water, bootjes, vissen,
etc.
Op een volgend gedeelte van het grote papier, grenzend aan de rotsen, tekent u een meertje of een stuk
zee, slechts de grenzen, de oever.
De leerlingen scheuren golven van transparant vliegerpapier en andere soorten papier in verschillende
tinten lichte, donkere, felle en zachte kleuren blauw. Het werkt (letterlijk) schitterend als ze hier en daar
onder het vliegerpapier stukjes aluminiumfolie plakken of weer vliegerpapier over andere kleuren dekkend papier heen plakken. Eventueel kunnen er ook nog transparante golfjes van verdunde plakkaatverf
over de collage geschilderd worden. Als je tot slot hier en daar dun plastic folie (huishoudfolie) over de
collage plakt, expres in plooitjes getrokken wordt het water helemaal mooi en echt!
14
Opdracht 5 - We maken bootjes
Halve walnoot-dop; Beschilder de walnoten met plakkaatverf in felle afstekende kleuren t.o.v. het blau­
wi­ge water. Maak van afgebrande lucifers kleine roeispaantjes. (met viltstift kunnen ze de roeispanen ook
nog kleuren).
Opdracht 6 - We maken een zandstrandje
En weer gaat de tocht verder: Nu lopen we langs het strandje. Zand tussen onze tenen. Vlakbij de zee of
het meer, met golven en schuim. Misschien liggen er wel mooie schelpen. Wie heeft er wel eens een mooie
schelp gevonden langs de zee? En wie maakte er wel eens een zandkasteel?
Rondom de zee of het meertje maken we een strandje. Laat met zand, behangersplak en verf een lekker
papje maken. Okergeel, wit, en in een apart bakje wat bruin met behangersplak. Schilderen met de
­vingers, soms even indopen in het bruin (of weer tamponneren met de sponsjes). Net als aan het strand
kun je mooie sporen maken in het zand-verfpapje. Plak tot slot met sterke lijm echte schelpen in het
strandtafereel.
Les 2 Wij maken ook een tocht
Opdracht 7 - De groenteboer
Uiteindelijk komen we bij de groenteboer! Op deze plaats leggen de kinderen ‘s morgens gedurende de
kinderboekenweek (of de dagen nadat u aan deze lessuggestie hebt gewerkt) telkens hun fruithapje of
ander tussendoortje neer. Elke dag kunnen de kinderen dan weer, als het hapjes tijd is, de tocht maken
door het bos, over de rotsen door het water met hun eigen bootje, over het strand naar de groenteboer.
15
Les 2 Wij maken ook een tocht