tf088 lo

RIJKSDIENST
IR DE IJSSELMEERPOLDERS
SMEDINGHUIS
L E L Y S T A D
BiBLIOTHEEK
RIJKSDIE.'-ST VOOR DE
IJSSEUMEERPOLD^RS
W E R K D O C U M E N T
RESULTATEN VAN EEN ONDERZOEK NAAR
DE IMPREGNATIE VAN ARCHEOLOGISCH
NATHOUT MET POLYETHYLEEN GLYCOL 4000
door
R
A . J . M . Wevers
1 9 7 6 - 1 4 5 Bbw
tf088
R I J .
WST
VOOR
DE
I J S
juni
S E L M E E R P O L D E R S
S M E D I N G H U I S
X -V
3710
lo
%
- 1-
INLEIDING
Regelmatig komt in het museum te Ketelhaven archeologisch nathout binnen, dat opgevist is uit de Noordzee, het IJsselmeer of opgegraven ergens
in Nederland. Dit hout is niet alleen verzadigd met water, maar vaak
ook van slechte kwaliteit.
De functie van het water in het hout is tweeledig (lit. 1)
a) het doet dienst als zwelmiddel
b) het is alsriipoolgebonden aan al dan niet afgebroken houtbestanddelen.
Gaat men dit hout zonder voorbehandeling drogen, dan geeft dit grote
problemen (lit. 1,2,3). Doordat het water verdwijnt, ontstaat celcollaps. Zelfs al wordt zeer langzaam, onder gecontroleerde omstandigheden
gedroogd, dan nog ontstaat deformatie van het hout (lit. 4).
Om schade door drogen tegen te gaan, wordt het hout voorlopig onder
water bewaard of regelmatig besproeid met water.
In dit zuurstofrijke milieu kunnen schimmels en andere micro-organismen
aanzienlijke schade veroorzaken. Boorzuur/Borax- mengsels (lit. 2) worden
gebruikt ter bestrijding van deze micro-organismen, maar bieden weinig
bescherming. Aan andere middelen zijn bezwaren verbonden i.v.m. latere
impregnatie of uit het oogpunt van milieuzorg. Het is dus belangrijk
een geschikte impregneringsmethode te vinden, die eenvoudig uit te voeren is en zo mogelijk reversibel. Het impregneringsmiddel moet bestand
zijn tegen de klimatologische omstandigheden in het museum (lit. II).
Er waren reeds kleine stukjes hout geimpregneerd met polyethyleenglycol
1000 (lit. 3,5) wat goed voldeed. Brorson Christensen (lit. 2) koos
echter voor de impregnatie van de Deense vikingschepen PEG 4000, om
zeker te zijn dat het hout na impregnatie niet hygroscopisch zou zijn.
PEG met een molekuulgewicht lager dan 1000 is namelijk erg hygroscopisch
(lit. 6), en is daardoor niet bruikbaar.
Op advies van G. van der Heide en E. van Denzel(lit. 7) werd besloten
een hoeveelheid archeologisch hout in Ketelhaven met PEG 4000 te im~
pregneren. Aan deze impregnatiemethode zijn enige bezwaren verbonden
zoals de lange duur en de matige verbetering van de mechanische eigenschappen van het hout (lit. 8). Daartegenover staat dat de impregnatie
gemakkelijk uit te voeren is. Bovendien kan de PEG weer uit het hout
verwijderd worden, als een betere impregneringsmethode gevonden zou
worden.
In 1972 werd met deze impregnatie begonnen
Circa 40 grote en 60 kleine houtblokken werden in een 10%-PEG-oplossing
gebracht. In een tijdsbestek van 18 maanden werd de concentratie opgevoerd tot 56 gew. %, terwijl de temperatuur op ca. 60 °C gehouden werd.
Daarna werd het hout te drogen gelegd in een droge ruimte (R.V. ca. 50%).
Na de opslag steeg de R.V. tot 80%. Tijdens het drogen zakte ze weer tot 50%.
In het proefhout zijn de volgende bepalingen verricht:
I penetratie van de PEG loodrecht op de vezelrichting.
II penetratie van de PEG evenwijdig aan de vezelrichting.
III vochtgehalte.
IV gewichtsafname van het hout.
V stabiliteit van het geimpregneerde hout.
JK/17-2-'76/
- 2-
Werkwijze
T.
Penetratie van PEG loodrecht op de vezelrichting
De penetratie van PEG loodrecht op de vezelrichting is nagegaan door het
percentage PEG 4000 ten opzichte van de droge stof te bepalen. Uit verschillende proefblokken werden monsters geboord met een holle boor
(0 25 mm). Om beinvloeding van de resultaten van het onderzoek vanaf de
buitenzijden van het hout zoveel mogelijk te voorkomen, werden de monsters uit het midden van het proefblok genomen. De monsters zijn in lagen verdeeld, 3 x 0,5 cm aan de buitenzijden, dan 2 x 1 cm, en het binnenste gedeelte in stukken van 2 cm. Eike laag afzonderlijk is gedroogd
voor de bepaling van het drooggewicht en is vervolgens in een soxhlet
met water geextraheerd. De geextraheerde PEG is neergeslagen met een
overmaat kaliumhexacyanoferraat (II) en atgetiltreerd. Door de overmaat
van dit reagens te bepalen kan de concentratie van het PEG worden berekend. De overmaat kaliumhexacyanoferraat (ll) werd eerst titrimetrisch
met Ce ^ + en later spectrofotometrisch bepaald.
II.
Penetratie van PEG evenwijdig aan de vezelrichting
Om informatie te krijgen over de penetratie evenwijdig aan de vezelrichting, is een 5 cm dikke eiken huidplank bemonsterd. De plank was
aan een zijde dwars op de vezelrichting afgezaagd, waarschijnlijk tijdens
de bouw van het schip. Kort voor de impregnatie is van de andere kant
een stuk afgezaagd om de plank passend te maknn voor de impregneerbak.
Vanaf deze beide kopse kanten zijn 4 monsters gezaagd, evenwijdig aan
de vezelrichting, en op een afstand van 2 cm van elkaar (zie fig. 1).
De afmetingen van de monsters waren 2 x 2 x 5 cm (longitudinale lengte
2 cm). De vulgraad kon daardoor over een afstand van 14 cm bepaald worden. De monsters zijn in 5 lagen verdeeld en elke laag afzonderlijk is
met water geextraheerd. In deze extracten is het PEG-gehalte spectrofotometrisch bepaald, waarna de percentages PEG t.o.v. drooghout berekend zijn.
Uit een grote knie (35 x 35 cm) is een plankje gezaagd van ongeveer
2| cm dik. Het midden van dit plankje is over een lengte van ca. 15 cm
gebruikt voor PEG-bepalingen. Doordat de knie was aangetast door boormossel is de indringing van PEG waarschijnlijk onregelmatig verlopen.
III. Vochtgehalte
Nadat de houtmonsters geextraheerd zijn, is een vochtbepaling aangezet.
Het hout werd daartoe gedroogd in een stoot met geforceerde luchtcirculatie
bij 105 C gedurende 24 uur. Enkele proefbepaiingen toonden aan, dat langer
drogen voor deze monsters m e t noodzakelijk was. Het vochtpercentage is van
belang voor de klassificatie van het hout.
jy#
Gewichtsafname van het ge'fmpregneerde hout
De ruimte waarin het hout te drogen is gelegd, is een droge ruimte, zonder geforceerde ventilatie, zodat het hout langzaam kon drogen. De R.V.
in de ruimte was na de opslag van het hout ca. 80%, en zakte geleidelijk
naarmate het hout droogde tot ca. 50%. Een gedeelte van de houtblokken
werd regelmatig gewogen om de gewichtsafname te kunnen voigen.
v>
Stabiliteit van het geimpregneerde hout
De scheuren die in het hout ontstonden, zijn geraerkt en elke week gemeten, zodat de toename of de eventuele afname van de afmetingen van
de scheuren vastgelegd is.
- 3 -
Resultaten
I.
Penetratie van PEG loodrecht op de vezelrichting
Om een duidelijk beeld van de impregnatie te krijgen, zijn de monsters
naar grootte en houtsoort in vier groepen verdeeld:
groep A: grote stukken eikenhout
(knieen en huidplanken)
groep B: middelgrote stukken eikenhout
(spilwangen en ankerstokken)
groep C: kleine stukjes eikenhout, die dienst gedaan hebben
als proefblokjes
groep D: iepen- en essenhout
Van elke groep is het gemiddelde van de percentages PEG t.o.v. droog hout
in de overeenkomstige lagen berekend.
De gemiddelden, vanaf de buitenzijde van het hout tot midden in, staan
weergegeven in fig. 2.
II. Penetratie van PEG evenwijdig aan de vezelrichting
De uitkomsten van de overeenkomstige lagen van elk monster zijn samengevat in een grafiek. Zodoende ontstonden 5 figuren van de monsters genomen vanaf de nieuwe zaagsnede en 5 figuren van de monsters vanaf de
oude zaagsnede.
DE PEG percentages van de kant van de oude zaagsnede zouden lager kunnen liggen, dan die van de kant van de nieuwe zaagsnede. De oude zaagsnede is
waarschijnlijk meerdere malen behandeld met teer of een ander conserveringsmiddel. Bij de beoordeling van de resultaten bleek echter, dat
er geen verschillen tussen beide zijden bestonden.
Alle gegevens van de buitenste laag (0 tot 0,5 cm) de daaropvolgende
laag (0,5 tot 1,5 cm) en ae binnenste laag t.1,5 tot 3,5 cm) zijn weergegeven in figuur 3.
III. Vochtgehalte
De vochtpercentages van het proefhout zijn per houtsoort en per laag
uitgerekend. De gemiddelden en de standaardafwijking zijn per groep
vermeld in tabel 1. De vochtpercentages zijn uitgerend t.o.v. de droge
stof.
IV. Gewichtsafname van het geiropregneerde hout
Van elk blok hout dat is gewogen, is de procentuele gewichtsafname berekend. Alle uitkomsten zijn per week gemiddeld en samengevat in figuur
4, waaruit duidelijk blijkt hoe de gewichtsafname over 40 weken verlopen is. De laatste 10 weken geven een wat vertekend beeld, omdat toen
de metingen verricht zijn aan een kleiner aantal objecten.
Bespreking resultaten
I.
Penetratie van PEG loodrecht op de vezelrichting
]_. De verschillen in het PEG-gehalte per laag en per blok zijn erg verschillend. Oorzaken daarvan zijn:
- 4 -.
Tabel I.
Vochtgehalten op verschillende dieptes, van hout, loodrecht op de
vezelrichting bemonsterd, dat met PEG 400U geimpregneerd is.
(De getallen tussen haakjes zijn de standaard afwijking)
Gem. diep- Knieen en
huidplante in cm
ken
spilwangen
en ankerstokken
iepen- en
essenhout
proefblokjes
0,25
0,75
178
148
(60)
(40)
152
133
(24) 218 (225)
(21) 153 ( 92)
179
134
(88)
(18)
1,25
1,50
1,75
131
119
150
(49) 129
(12)
( 5) 147
(23) 257 (181
163 ( 39)
(23) 160 ( 23)
135
(21)
2
2,25
2,50
2,75
108
82
153
(13)
(53)
(48)
119
(17)
149
132
(18)
(29)
144
110
(26) 106 (21)
( 4)
3
3,25
3,50
3,75
109
97
(17)
118
96
102
(14)
127
(41)
4,25
4,50
1 15 ( 8)
1 12 ( 6) 133
5
5,25
5,75
92
260
119
( 1)
( 5) 108
138
160
128
180 ( 7)
(ID
( 2)
192 (34)
(35)
( :;
(135)
(19)
6
6,50
7
220 (58)
(56)
(12) 155 (25)
( 8)
- 5 -
aL de variatie in de indringsnelheid per blok.
b\ bij berekeningen voor de grafische weergave van de resultaten is ervan uitgegaan dat het PEG-gehaite overal in een laag gelijk is. Dit zal
in het algemeen niet het geval zijn, waardoor een afwijking wordt gelntroduceerd die afhankelijk is van de laagdikte. Door het verschil in afmetingen van de monsters is op diverse dieptes gewerkt met lagen van
verschillende afmetingen, dus met verschillendp afwijkingen.
Bovendien zijn op een aantal dieptes soms maar twee bepalingen verricht.
c^ voor de extractie wordt het hout gedroogd, waarbij vervormingen in
de objecten optreden. Het is mogelijk dat een deel van het PEG daardoor
moeilijker toegankelijk wordt bij de extractie, waardoor dit niet voor
de voile 100% wordt geextraheerd.
2_. Figuur 2 geeft een overzicht van de gemiddelde vulgraden van de vier
verschillende groepen.
groep A: knieen en huidplanken
"
B: spilwangen en ankerstokken
"
C: proefblokjes
"
D: iepen- en essenhout
Opvallend is, dat het PEG-percentage van de proefblokjes hoger ligt dan
het PEG-percentage van het andere eikenhout. Dit komt waarschijnlijk
doordat in deze kleine blokjes (afmetingen 1 0 x 5 x 5 cm) de indringsnelheid evenwijdig met de vezels sterk overheerst heeft. Het is bekend
dat de inrichting evenwijdig aan de vezelrichting veel sneller verloopt dan die loodrecht op de vezelrichting.
3. Tussen de PEG-percentages van spilwangen/ankerstokken enerzijds en
knieen/huidplanken anderzijds, bestaat na ca. 1 cm een verschil van
10% (figuur 2). Een verklaring hiervoor zou het verschil in grootte tussen beide groepen kunnen zijn.
4._ De vulgraad van iepen- en essenhout (figuur 2) is veel hoger dan die
van eikenhout. Dit wordt veroorzaakt door de meer open structuur van
dit hout, waardoor PEG gemakkelijker en sneller kan binnendringen.
5. In grote eikenhouten stukken is de impregnatie alleen in de eerste
cm goed verlopen. Daarna is er veel te weinig PEG aanwezig om het hout
een goede stabilisatie te kunnen geven. Het gevolg is dan ook, dat in
eikenhouten voorwerpen vervorming en zelfs scheurvorming is opgetreden.
Om een goede dimensie stabilisering te krijgen, is volgens stamm (lit 5)
30 - 40% PEG 1000 of hoger en volgens Ambrose (lit 1 ) 1 5 - 2 5 % PEG 400
t.o.v. droog hout vereist (lit 12).
6. De vochtpercentages, zoals die bepaald zijn, zijn niet erg nauwkeurig, redenen daarvoor kunnen zijn dat :
a) de stukjes erg klein zijn ( 2 x 2 x 2 cm),
b) het aanhangende water na afloop van de extractie afgevloeid wordt.
Deze methode is niet te standaardiseren, zodat even te lang afvloeien,
of iets te hard drukken reeds verschillen geven.
Dit zal mede, naast de dishomogeniteit van het hout, hoge standaardafwijkingen veroorzaken.
Gaat men er van uit dat:
a) de PEG tijdens de extractie vrijwel volledig door water is vervangen,
b) het hout na de extractie weer vrijwel volledig met water verzadigd is
dan geven de vocht % van tabel 1 een redelijk goed beeld van de werkelijke situatie. Dat is dan ook een verklaring dat de meeste houtblokken zo slecht geimpregneerd zijn. Volgens Pot e.a. (lit 10) is hout
- 6 -
met een vochtpercentage <185%van de droge stof, vrijwel niet in redelijke tijd via de uitwisselingsmethode met PEG oplossingen in water te
impregneren. De snelheid van indringen, vooral vanuit de radiale en
tangentiale richting is te langzaam. De indringing in longitudinale
richting (evenwijdig aan de vezelrichting) verloopt sneller dan in de
andere richtingen. Daardoor zijn de proefblokjes (10 x 5 x 5 cm, long x
rad x tang) de enige eikenhouten objecten die goed geimpregneerd zijn,
ondanks hun lage vochtpercentage. Hier heeft blijkbaar de indringing
evenwijdig aan de vezelrichting overheerst. Ook het verschil in impregnatie tussen de andere groepen zou veroorzaakt kunnen zijn door verschil
in grootte.
II. Penetratie van PEG evenwijdig aan de vezelrichting
1• Uit figuur 3 blijkt duidelijk dat de impregnatie evenwijdig aan de
vezelrichting beter verlopen is dan de impregnatie dwars op de vezelrichting (zie figuur 2). Daar daalde het PEG percentage vanaf de oppervlakte naar binnen toe, in 2 cm tot waarden tussen 5 en 10%.
2. In de oppervlaktelaag, 0 tot 0,5 cm (zie fig. 3) van de plank is nog
geen afname van het PEG percentage in longitudinale richting waarneembaar. Hier heeft de penetratie dwars op de vezelrichting overheerst.
Conslusie
Penetratie van PEG en stabilisatie van het geimpregneerde hout .
a. Kikenhout
Doordat het hout slechts gedeeltelijk geimpregneerd is met PEG, is er
scheurvorming opgetreden. Bestaande scheuren zijn breder geworden en
soms zijn nieuwe scheuren ontstaan. Vooral in ronde stukken hout is
de breedte van de scheuren soms met 300% toegenomen. Sommige scheuren
kwamen nadat ze eerst sterk waren toegenomen weer tot hun oorspronkelijke breedte terug of werden zelfs smaller.
De wat dunnere stukken zoals planken, trokken krom of draaiden om hun
lengte as. De kleine eikenhouten proefblokjes vertoonden geen vervorming.
Uit de PEG bepaling loodrecht op de vezelrichting is gebleken dat deze
blokjes (10 cm longitudinaal) een hoger . PEG percentage vertonen dan de
grote eikenhouten stukken (zie figuur 2).
Ze zijn voldoende geimpregneerd om stabiel te blijven. Aangenomen mag
worden dat hier de impregnatie evenwijdig met de vezels overheerst
heeft.
Bij nadere bestudering van de structuur van het hout (figuur 5 en figuur 6) blijkt dat vooral het voorjaarshout voornamelijk uit grote
houtvaten bestaat. Via deze vaten die enkele meters lang kunnen zijn
(lit. 9) en in het spinthout open zijn, kan een impregnatiemiddel gemakkelijk in het hout doordringen.
In het kernhout echter zijn deze vaten dichtgegroeid met thyllen (lit. 9
en 10). Daardoor wordt de penetratie via deze vaten moeilijk, hooguit
een tiental centimeters in 18 maanden zoals uit deze proeven is gebleken. De resultaten die daardoor ontstaan worden duidelijk getoond
door figuur 7.
Het hier afgebeelde plankje is aan de kopse zijde goed geimpregneerd,
maar in het midden niet, daar is na drogen een tangentiale krimp van
40% opgetreden. Om storing door impregnatie vanaf de kopse zijden van
het hout, bij de PEG bepaling uit te sluiten, dienen impregnatieproeven zoveel mogelijk met grote stukken hout te gebeuren.
Afmetingen bijvoorbeeld 10 cm (radiaal) x 10 cm (tangentiaal) x 40 cm
(longi tud inaal).
Het is daarom onjuist de te verwachten impregneringsresultaten van
grote stukken hout te relateren aan experimenten met kleine proefblokjes.
- 7 -
b. Iepen- en essenhout
In iepen- en essenhout (figuur 8) blijven de houtvaten open, waardoor
dit hout gemakkelijk geimpregneerd kan worden, wat uit de PEG bepalingen
gebleken is.
Toen na ongeveer 30 weken drogen een stabiel evenwicht was bereikt tussen de omgevingsvochtigheid en de hoeveelheid water in het hout bleek
dat de iepen- en essenhouten voorwerpen zo goed als geen scheuren vertoonden. De bestaande scheuren werden niet of uauwelijks brcdcr.
Samenvatting
Verschillende stukken eiken-iepen- en essenhout, groot en klein, goed
en slecht hebben 18 maanden bij 50-60 °C in een PEG 4000 oplossing in
water gelegen, terwijl de concentratie werd opgevoerd van 10 naar 56 gew.
Iepen- en essenhouten voorwerpen zijn bevredigend geimpregneerd, en
hebben een goede dimensie stabilisering.
Eikenhouten voorwerpen daarintegen, voor zover het kernhout betreft,
zijn slecht of zelfs helemaal niet geimpregneerd. Eikenhouten voorwerpen via de houtvaten vol laten zuigen, zou mogelijk zijn (zie figuur 5)
maar erg lang duren. Het is dus belangrijk dat er gezocht wordt naar
een betere methode van impregneren van eikenkernhout. De methode dient
tevens sneller en geschikt te zijn voor alle houtsoorten.
- 8 -
Literatuur
1. Ambrose, W.R. 1972
The treatment of swamp degraded wood by
freeze-drying.
Report to the ICOM, Committee for Conservation, Madrid 1972.
2. Brorson Christensen, B. 1970 The conservation of waterlogged wood
in the National Museum of Denmark,
Kopenhagen (1970).
3. Stamm, A.J. 1956
Dimensional Stabilization of wood with
Carbowaxes. Forest Prod. J. 6 (5) 201-204
(1956).
4. Mekerrel, H. Roger, E.,
Varsanyi, A.
The Acetone/Rosin method for conservation
of waterlogged wood. Studies in Conservation, 17 (1972) 111-125.
5. Stamm, A.J. 1964
Factors affecting the bulking and dimensional stabilization of wood with polyethylene glycols.
Forest Prod. J. Ut_, 403-408 (1964).
6. Moren, R. 1965
Die Polyifthylenglycol-impregnierung von
Holz und ihre Auswirkung bei Holz trocknung
und Holzbearbeitung. Holz als Roh- und
Werkstoff 23^ (1965) 142-152.
7. Heide, G.D. van der,
Denzel, E. van, 1966
Aantekeningen betreffende de conservering
van archeologisch hout, mede naar aanleiding van behandeling van het wrak van
het oorlogsschip "Wasa" in Stockholm.
R.IJ.P. Lelystad Intern rapport no. 169.
8. Jong, J. de, Touw, J.J. van Advies van de commissie "Nathout" voor
Zeevalking, J.A., 1974
de conservering van nathout te Ketelhaven.
9. Reinders, E. 1937
Planten anatomie, handleiding. Landbouwhogeschool, Wageningen.
10. Pot, H.F.
Varossieau W.W. 1950
Handboek voor de Houtanalist.
11. MUhlethaler, B. 1973
Conservation of waterlogged wood and
wet leather.
Parijs ICOM (1973).
The conservation of old waterlogged wood
at Ketelhaven.
Venice ICOM (1975).
12. Jong, Dr. J. de
1975
Fig. 1 Vanaf de kopse kant van een vlakplank zijn
4 monsters gezaagd, evenwijdig aan de vezelrichting en op een afstand van 2 cm van elkaar,
Fig. 2 Penetratie van PEG 4000, loodrecht op de vezelrichting, in eiken-,
iepen- en essenhout van verschillende afmetingen.
% PEG t.o.v. droog hout
160
O knieen en huidplanken
D
80
spilwangen en ankerstokken
A proefblokjes
>1
*
iepen- en essenhout
+
c
\
V+
60
'
r-V\.
1
1\ A
\
_________________
+\
^
^
J i
40
A
a'
\
20
^
+
•
"^s.,^^
'
»
OD\
D
\ c»
t
11
o
diepte in cm
o
o
O
o
o o
o
»
t
Fig. 3 Penetratie van PEG 4000 in eikenhout, evenwijdig aan de vezelrichting, op verschillende afstanden van de oppervlakte
00 I PEG t . o . v . droog hout
O 0
80
n
- 0,5 cm
0,5 - 1,5 cm
A 1,5 - 3,5 cm
60
O
O
o
40
_i
t>
D
20
_ 1 ^
a""**
2
diepte in cm
6
K
14
o
i
CN
en
CN
o
o
o
O
O
"">
w
t-l V
9
B g
-a >
u
oi
•
OJ >
C
•
00 Q i
0
rt
OJ
9
0 9
>rt
as •—i
CiD'rs'
_3
•U
c
r_
CO - H
> _
QI
OO
OJ
B >
cd
c
£
U-l T J
ca M
g
cn <JJ
4J
-
•_
°£
•H
3
cu
O
O
u-i
cu
00
CB
u
C
CO
«*
<
l>S
00
•l-l
t_
o
o
o
CO
s
o
O
Fig. 5
radiaal
voorjaarshout
Eikenspinthout
*
(ca. 40x vcrgrcct)
,
najaarshout
Het voorjaarshout bestaat, in tegenstelling tot het najaarshout,
uit grote houtvaten, die in het spinthout open zijn.
Fig. 6
radiaal II .T:
Eikenkernhout
voorjaarshout
najaarshout
(ca. 40x vergroot)
OOOOO UOsToo
De houtvaten in het kernhout zijn klein, en zijn dichtgegroeid met thyllen.
Fig. 7
Voorbeeld van mislukte
PEG impregnatie
In 18 maanden is het PEG slechts enkele centimeters via de kopse
zijde het hout binnen gedrongen. Na drogen is grote tangentiale
krimp opgetreden.
Fig. 8
Essenhout
(ca. 40x vergroot)
^voorjaarshout
* najaarshout
Essenhout heeft een open structuur en de houtvaten in het kernhout groeien niet dicht.