Artikelen Verduistering of contractbreuk?

Artikelen
Mr. D. Emmelkamp1
Verduistering of contractbreuk?
TPWS 2014/14
De brede inzet van het delict ‘verduistering’ in zaken waarin
het handelen van de verdachte (mede) is ingegeven door civiele overeenkomsten heeft als gevolg dat de grenzen tussen verduistering en civiele onrechtmatigheid kunnen vervagen.
De ruime invulling van het bestanddeel wederrechtelijkheid heeft tot gevolg dat ook civielrechtelijke discussies aan
de strafrechter kunnen worden voorgelegd. Dat komt de
rechtszekerheid niet ten goede, hetgeen niet de bedoeling
van de strafwetgever kan zijn geweest.
De rechtspraak met betrekking tot het moment van toeeigening biedt wel nog enige houvast voor een scheiding
tussen civiel- en strafrecht.
Inleiding
“Hij die opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan
een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf
onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent, wordt,
als schuldig aan verduistering, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde
categorie.”
(Artikel 321 Wetboek van Strafrecht)
In de praktijk komt deze delictsomschrijving bijzonder
vaak terug in zaken waar civiele overeenkomsten (mede)
ten grondslag liggen aan het handelen van de verdachte.
In dergelijke gevallen rijst de vraag waarom wordt gekozen voor een strafrechtelijke aanpak van het probleem. Die
vraag klemt temeer op het moment dat er tegelijkertijd civielrechtelijke procedures lopen die moeten uitwijzen of er
überhaupt is gehandeld in strijd met die overeenkomsten en
wat de consequenties moeten zijn als dat het geval is.
Door de brede toepassing van de aanklacht ‘verduistering’ op allerhande op het oog civielrechtelijke kwesties lijkt een grijs gebied te zijn ontstaan waar strafrecht en civiel recht elkaar ontmoeten. Is er sprake van
contractbreuk,verduistering of beide? Als het onderscheid
daartussen niet helder is dan kan een dergelijk grijs gebied
zijn weerslag hebben op de rechtszekerheid. De grenzen
vervagen dan. Dat een dergelijk grijs gebied ook op politiek
niveau vragen oproept blijkt wel uit de discussie die in de
Tweede Kamer hieromtrent is gevoerd.2
1
2
Mr. D. Emmelkamp is advocaat bij De Roos en Pen Advocaten.
Antwoorden Kamervragen door de minister van V&J op 5 april en 25 juni
2013.
66
T2_TPWS_1404_bw_V03.indd 66
Vraag is dus waar de grens ligt tussen verduistering en civielrechtelijke onrechtmatigheid. Is die grens helder of is er
inderdaad sprake van een grijs gebied? In onderstaand artikel zal worden gepoogd deze vragen te beantwoorden aan
de hand van twee bestanddelen uit de delictsomschrijving
van verduistering: de wederrechtelijkheid en de toe-eigening. Deze bestanddelen spelen in recente jurisprudentie
van de Hoge Raad een belangrijke rol bij de vraag of er sprake is van verduistering of van handelen dat geen toepassing
behoort te vinden in het strafrecht (althans niet onder de
noemer verduistering).
1.
Jurisprudentie van de Hoge Raad
1.1.
HR 2 oktober 2012, NJ 2013/14
De casus in die zaak was – kort gezegd – dat verdachte samen met een handlanger dvd’s van de TV-serie Charmed te
koop had aangeboden via internet, koopovereenkomsten
had gesloten met een aantal geïnteresseerden en ter betaling van de koopsom geldbedragen had ontvangen van die
geïnteresseerden die daarmee kopers waren geworden. In
strijd met de uit de koopovereenkomst voortvloeiende verplichting is levering van die dvd’s uitgebleven.
Het hof ’s-Hertogenbosch oordeelde dat onder deze omstandigheden niet kon worden geoordeeld dat verdachte zich
aan een ander toebehorende geldbedragen wederrechtelijk
had toegeëigend. De geldbedragen waren naar het oordeel
van het hof bij de storting in eigendom overgedragen aan
de wederpartij – zijnde verdachte – zodat deze gelden niet
meer voor toe-eigening vatbaar waren.3
In zijn conclusie bij het arrest van de Hoge Raad overweegt
A-G Hofstee dat ook wanneer gelden in civielrechtelijke
zin in eigendom aan de verkoper zijn overgegaan deze in
strafrechtelijke zin nog steeds aan de koper kunnen toebehoren en dus nog steeds voor verduistering vatbaar waren.
A-G Hofstee pleitte voor het aannemen van een discrepantie tussen de civielrechtelijke eigendomsoverdracht en de
strafrechtelijke interpretatie daarvan.4
De Hoge Raad ging niet mee in de redenering van A-G Hofstee:
“Het Hof heeft geoordeeld dat de geldbedragen die door
de kopers zijn overgemaakt aan de verdachte en/of haar
medeverdachte – de verkoper(s) – na ontvangst daarvan
niet meer voor wederrechtelijke toe-eigening door de
verdachte en/of haar medeverdachte vatbaar waren. Dat
oordeel berust kennelijk op de opvatting dat in de enkele
omstandigheid dat degene die krachtens overeenkomst
een geldbedrag als koopsom heeft ontvangen(vervolgens)
3
4
Hof ’s-Hertogenbosch 14 december 2010, 20/000781-10.
Conclusie Hofstee bij HR 2 oktober 2012, NJ 2013, 14, m.nt. M.J. Borgers.
Afl. 4 - juni 2014
TPWS 2014/14
5/8/2014 5:18:29 PM
Artikelen
VERDUISTERING OF CONTR AC TBREUK?
nalaat de door hem verschuldigde tegenprestatie te leveren, nog geen reden is te vinden om af te wijken van de
uit het burgerlijk recht voortvloeiende regel dat de ontvangen koopsom na het effectueren van die betaling tot
het vermogen van de (nalatige) verkoper is gaan behoren.
Die opvatting is juist, zodat het middel faalt.”
1.2.
HR 5 april 2011, NJ 2011/175 (Doelbindingsarrest)
De verdachte in deze zaak had geld ontvangen dat bedoeld
was voor de plastische chirurgie die zij wilde ondergaan.
Dat het geld louter was geschonken voor de betaling van
plastische chirurgie bleek onder meer uit een – door verdachte zelf opgestelde – schenkingsovereenkomst. De verdachte had een deel van het geld echter besteed voor andere
zaken.
van de schenkingsovereenkomst en het geld terugvorderen. In deze laatste variant is verduistering van het door
schenking verkregen geld niet mogelijk, omdat de eigendom is overgegaan op het moment van overgifte en er
(buiten misbruik van omstandigheden) op het toe-eigeningsmoment geen sprake is van wederrechtelijkheid. Of
een schenking al of niet onder opschortende voorwaarde
is gedaan, betreft een vraag van uitleg.”
De HR overweegt in het arrest:
“In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip ‘zich wederrechtelijk toe-eigenen’ gebezigd in de
betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder
daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt
over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. HR 24
oktober 1989, LJN ZC8253, NJ 1990/256).
Het Hof heeft vastgesteld dat:
De advocaat-generaal (mr. Silvis) gaat in zijn conclusie bij
dit arrest5 nader in op de vraag wanneer de eigendomsoverdracht tot stand is gekomen. Hij overweegt:
“De vraag is dus of de schenking heeft geresulteerd in
onmiddellijke eigendomsovergang of niet. Het is daarom van belang vast te stellen wat het karakter is van de
schenkingsovereenkomst(en). Een schenking kan onder
voorwaarden plaatsvinden. De voorwaarden worden
onderscheiden in opschortende en ontbindende voorwaarden. Opschortend is de voorwaarde, bij welker vervulling de werking der verbintenis een aanvang neemt.
Volgens HR 13 juli 2001, LJN AB2576, NJ 2001/506 kan
iedere rechtshandeling blijkens art. 3:38 lid 1 BW onder
voorwaarde geschieden, tenzij uit de wet of uit de aard
van de rechtshandeling anders voortvloeit. De wet – die
in art. 3:91 BW voorschrijft op welke wijze de levering
ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder
opschortende voorwaarde van bepaalde roerende zaken,
niet-registergoederen, geschiedt – verzet zich noch tegen levering onder ontbindende voorwaarde noch tegen
levering onder opschortende voorwaarde; de aard van de
levering evenmin. Het feit dat er sprake is van een gift
van hand tot hand (of overboeking), zonder notariële
akte, staat er dus niet aan in de weg dat er sprake kan
zijn van een schenking onder opschortende voorwaarde.
Indien er sprake is van een schenking onder opschortende voorwaarde dan is er geen sprake van eigendom
van het geschonken geld bij de ontvanger voordat de
voorwaarde is vervuld. In dat geval is verduistering na
overgifte van het geld mogelijk omdat er wel houderschap is bij de ontvanger, maar nog geen eigendom. Is
er geen sprake van een schenking onder opschortende
voorwaarde, maar een schenking die gepaard is gegaan
met een opgelegde verplichting aan de ontvanger zonder dat de nakoming van die verplichting in rechte kan
worden gevorderd, dan is op het moment van overgifte
door de ontvanger eigendom van het geld verkregen. De
schenker kan dan binnen een jaar vernietiging vragen
5
HR 5 april 2011, NJ 2011/175 (concl. A-G Silvis).
TPWS 2014/14
T2_TPWS_1404_bw_V03.indd 67
–
[betrokkene 1] aan de verdachte geld heeft geschonken ter bekostiging van plastisch chirurgische ingrepen;
de verdachte wist dat het geld voor dat doel aan haar
ter beschikking was gesteld;
de verdachte een gedeelte van het geld voor andere
doeleinden heeft aangewend.
–
–
Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het Hof heeft
vastgesteld dat het geld, ‘gelet op de overeengekomen
doelbinding’, slechts aan de verdachte werd geschonken
‘voor zover zij dit geld ook zou gebruiken in overeenstemming met deze doelbinding’, getuigt het oordeel van
het Hof dat de verdachte het in de bewezenverklaring
bedoelde geldbedrag zich wederrechtelijk heeft toegeëigend in de hiervoor bedoelde zin en dat zij tevens het opzet daartoe had, niet van een onjuiste rechtsopvatting.”
2.
Bestanddelen
In het licht van de hiervoor weergegeven arresten wordt nu
naar de bestanddelen wederrechtelijkheid en toe-eigenen/
toebehoren gekeken.
2.1
Wederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid is één van de kernvoorwaarden voor
strafrechtelijke aansprakelijkheid. Als een gedraging niet
wederrechtelijk wordt geacht zal het strafrecht geen toepassing kunnen vinden.6 Deze premisse veronderstelt dat
de (strafrechtelijke) wederrechtelijkheid is te onderscheiden van civiele- of bestuursrechtelijke onrechtmatigheidsvormen. De Hullu stelt:
“Dat bijvoorbeeld onrechtmatigheid in civielrechtelijke
zin een meer omvattend begrip is, wijst vooral op het –
bij aanvaarding van het legaliteitsbeginsel – per definitie
6
J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, vijfde druk, p. 184.
Afl. 4 - juni 2014
67
5/8/2014 5:18:29 PM
Artikelen
VERDUISTERING OF CONTR AC TBREUK?
fragmentaire karakter van het strafrecht. Strafbaar is alleen wat expliciet verboden is, al het andere is – strafrechtrechtelijk gezien – niet ontoelaatbaar. Dat gedrag in
bijvoorbeeld civielrechtelijke of morele zin onrechtmatig
of onjuist kan zijn, is voor strafrechtelijke wederrechtelijkheid zeker niet doorslaggevend.”7
Voor de bespreking van het grensgebied tussen straf- en civiel recht is het mitsdien van groot belang om de inhoud
van de wederrechtelijkheid te duiden. Dat is in het bijzonder
het geval op het moment dat de wederrechtelijkheid een bestanddeel is van een delictsomschrijving. De wetgever heeft
in die gevallen immers gemeend de wederrechtelijkheid te
moeten opnemen in de omschrijving van het delict omdat
deze strafbaarstellingen anders een te ruim bereik zouden
krijgen. De overige bestanddelen worden naar de mening
van de wetgever in een dergelijk geval te vaak op een nietwederrechtelijke wijze en niet strafbaar te achten wijze
vervuld.8
In de delictsomschrijving van verduistering is de wederrechtelijkheid als bestanddeel opgenomen. De wetgever
heeft kennelijk voorzien dat de toe-eigening van goederen
die aan een ander toebehoren ook kan plaatsvinden zonder
dat dat tot een strafbaar feit behoort te leiden.
De Hoge Raad heeft de wederrechtelijkheid zoals bedoeld
in de delictsomschrijving van verduistering omschreven als
‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’.9 Deze uitleg vindt thans
nog steeds toepassing. De verhouding tussen de rechten van
de eigenaar en die van de persoon die het goed onder zich
heeft zal een belangrijke rol spelen in de beslissing omtrent
de wederrechtelijkheid volgens Noyon/Langemeijer/Remmelink. Als de persoon die het goed onder zich heeft enig
recht tot beschikking heeft zal verduistering niet bewezen
kunnen worden verklaard.10 De invulling van het bestanddeel wederrechtelijkheid door de Hoge Raad laat veel ruimte voor – naar hun aard – civielrechtelijke discussies over
het al dan niet bestaan van enig recht tot beschikking.
Teruggrijpend op de geciteerde passage van De Hullu meen
ik echter dat een dergelijke situatie niet onder het strafrecht
behoort te vallen omdat de gedraging wellicht civielrechtelijk onrechtmatig is, maar strafrechtelijk niet als wederrechtelijk zou moeten worden aangemerkt.
Steun voor deze stelling zie ik in HR 2 oktober 2012, NJ
2013/1412 in combinatie met de noot van Borgers bij dat arrest.
Borgers stelt het volgende:
“De Hoge Raad neemt tot uitgangspunt dat overeenkomstig de regels van het burgerlijk recht de koopsom tot het
vermogen van de verkoper gaat behoren op het moment
dat de betaling is geëffectueerd. Aldus zegt de Hoge Raad
vooral iets over de toe-eigening. Dat die toe-eigening
niet wederrechtelijk is, heeft er kennelijk mee van doen
dat de ontvangen betaling de contractueel overeengekomen koopsom betreft. Die enkele omstandigheid
rechtvaardigt immers, zo overweegt de Hoge Raad, geen
andere uitleg van het toe-eigenen. Maar het verklaart in
feite ook het niet-wederrechtelijke karakter van die toeeigening (onderstreping: DE).”
Met name de laatste zin is hier van belang. Borgers stelt
mijns inziens terecht dat het oordeel van de Hoge Raad impliceert dat het sluiten van een koopovereenkomst door de
verdachte terwijl hij wist dat hij niet zou nakomen, onvoldoende is om tot strafrechtelijke wederrechtelijkheid zoals
vereist is voor verduistering te komen. Dat in feite – vanuit
de verkoper gezien – sprake is van een schijnovereenkomst
maakt dat niet anders.
Borgers vervolgt:
“Dat de Hoge Raad tot dit resultaat komt, is goed verklaarbaar. Het is natuurlijk juist dat het strafrecht een
zekere autonomie kent en dat (daarom) zich nu en dan
een disharmonie tussen strafrecht en civiel recht voordoet. Een disharmonie is echter eerst functioneel indien
er een gegronde reden bestaat om af te wijken van het
civiele recht. Zou men het in ontvangst nemen van een
koopsom zonder dat de overeengekomen tegenprestatie
plaatsvindt, wél kwalificeren als wederrechtelijke toeeigening, dan zou dat betekenen dat het (toerekenbaar)
tekortkomen in de nakoming van een overeenkomst vrij
eenvoudig tot strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens
verduistering leidt. De strafwetgever heeft er nimmer
blijk van gegeven — met de strafbaarstelling van verduistering noch met de introductie van andere vermogensmisdrijven — zo dicht op de huid van het civiele recht te
willen gaan zitten. Lang niet alle handelwijzen waarmee
een contractspartij een loer kan worden gedraaid, leveren een strafbare gedraging op (onderstreping: DE). (Vgl.
ook, in relatie tot oplichting, de conclusie van A-G Van
Dorst voor HR 15 december 1998, NJ1999/182.)”
De verdachte die stelde een retentierecht op een auto te
hebben werd in het ongelijk gesteld door de Hoge Raad
onder meer omdat zijn gedrag (het doorrijden in die auto)
strijdig was met het gepretendeerde recht.11 Wat als deze
verdachte zich – naar het oordeel van de Hoge Raad – wel in
lijn met dat vermeende recht had gedragen? Het vermeende
retentierecht had desalniettemin nooit bestaan, dus objectief was hij niet tot de retentie gerechtigd. Deze verdachte
had in dat geval nog steeds kunnen worden veroordeeld
voor verduistering omdat hij zich ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’ een goed had toegeëigend.
7
8
9
10
11
J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, vijfde druk, p. 185186.
J. de Hullu, Materieel Strafrecht, Deventer: Kluwer 2012, vierde druk, p. 187.
HR 24 oktober 1989, NJ 1990/256.
NLR, artikel 321 aantekening 2.
HR 20 april 2004, NJ 2004/524.
68
T2_TPWS_1404_bw_V03.indd 68
12
HR 2 oktober 2012, NJ 2013, 14 m.nt. M.J. Borgers.
Afl. 4 - juni 2014
TPWS 2014/14
5/8/2014 5:18:29 PM
Artikelen
VERDUISTERING OF CONTR AC TBREUK?
In deze overweging zien we het fragmentarische karakter
van het strafrecht – zoals De Hullu dat ook beschrijft – terug. Ondanks de veelomvattende invulling van het begrip
wederrechtelijkheid die thans wordt gehanteerd in de
rechtspraak, bestaat er nog steeds een onderscheid tussen
civielrechtelijke onrechtmatigheiden strafrechtrechtelijke
wederrechtelijkheid.
In het verlengde van Borgers en De Hullu zijn de antwoorden op de Kamervragen door de minister van Veiligheid en
Justitie ook van belang. De minister stelt onder meer:
“Het strafrecht kan niet voor ieder zakelijk conflict een
oplossing bieden.”13
En:
“Het is niet zonder meer wenselijk dat zakelijke conflicten vanuit het civielrecht overgaan naar het strafrecht.
(…). In gevallen zoals het onderhavige, waarbij een handelaar de gemaakte afspraken niet nakomt maar wel onder eigen naam handelde, is een civielrechtelijke aanpak
praktisch goed mogelijk en ligt ook het meest voor de
hand.”14
In het licht van deze scheiding tussen civiel recht en strafrecht had men in het hiervoor besproken arrest uit 201115
over doelbinding met betrekking tot geschonken geld wellicht ook tot het oordeel kunnen komen dat er geen sprake
was van verduistering, maar van contractbreuk.
De strafrechtelijke wederrechtelijkheid van de gedraging
van de verdachte bestond in casu uit het feit dat zij had gehandeld in strijd met de schenkingsovereenkomst. Dit past
zonder twijfel binnen de thans gehanteerde invulling van
de wederrechtelijkheid ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’,
maar had evengoed en misschien wel beter via het civiele
recht afgedaan kunnen worden.
Kennelijk stond de vraag of er was gehandeld in strijd met
de schenkingsovereenkomst niet ter discussie in onderhavige zaak (althans dat blijkt niet uit het arrest), maar wat had
de strafrechter gedaan als de verdachte, met argumenten
geschraagd, had betoogd dat zij geheel vrij was om het geschonkene naar eigen inzicht te besteden? In een dergelijk
geval zou in deze strafzaak een civielrechtelijke discussie
over schenkingsrecht moeten worden gevoerd, hetgeen mij
onwenselijk voor komt. Om met de woorden van Borgers te
spreken: De strafwetgever heeft er nimmer blijk van gegeven — met de strafbaarstelling van verduistering noch met
de introductie van andere vermogensmisdrijven — zo dicht
op de huid van het civiele recht te willen gaan zitten.
13
14
15
Antwoorden Kamervragen 5 april 2013 over het bericht dat internetoplichting voortaan zaak voor civiele rechter zou zijn.
Antwoorden Kamervragen over oplichting bij Marktplaats en wettelijke
problemen rond de vervolging van internet oplichting.
HR 5 april 2011, NJ 2011/175.
TPWS 2014/14
T2_TPWS_1404_bw_V03.indd 69
2.2.
Toe-eigenen en toebehoren
Een tweede bestanddeel dat een belangrijke rol speelt in
de scheiding tussen verduistering en civiel recht is de toeeigening.
Er is sprake van toe-eigening op het moment dat een persoon als heer en meester over een goed beschikt dat aan
een ander toebehoort,16 of het verrichten van een gedraging
waaruit blijkt van het besluit om over een goed de uitsluitende feitelijke heerschappij te gaan uitoefenen.17
Bij de vraag of er sprake kan zijn van verduistering houdt de
toe-eigening – en met name het moment van toe-eigening
– verband met de vraag aan wie het goed toebehoort. Het
kenmerk van verduistering is immers dat het gepleegd kan
worden als er wel houderschap is, maar geen eigendom.18
Als de toe-eigening plaatsvindt nadat het tot het eigendom
van de houder is gaan toebehoren zal verduistering niet bewezen kunnen worden verklaard. Het goed is dan niet meer
voor verduistering vatbaar. Het moment van toe-eigening is
dus van groot belang voor de vraag of verduistering bewezen kan worden verklaard.
Van belang is om op te merken dat – (zeker) bij geld – onder civielrechtelijk eigendom niet altijd hetzelfde wordt
verstaan als het toebehoren aan (het bestanddeel uit artikel
321 Sr.).
Machielse overweegt hieromtrent het volgende:
“Volgens de civiele rechtspraak van de Hoge Raad is de
lastgever, bewaargever of andere belanghebbende in
geen dezer gevallen eigenaar van het geld, waarvoor vereist zou zijn dat de lasthebber enz. 'bepaalde betaalmiddelen heeft ontvangen met de wil om die als eigendom
van de lastgever enz. voor deze te houden of wel later
uit dien hoofde zodanige middelen met die wil heeft afgezonderd'. Niettemin neemt de strafrechtspraak van de
Hoge Raad in al deze gevallen verduistering aan, wanneer de tussenpersoon het bedrag aan zijn bestemming
onttrekt en ten eigen nutte aanwendt. Dit dwingt dus tot
de slotsom dat men 'aan een ander toebehoren', althans
als het om geld gaat, niet altijd (invoeging en onderstreping: DE) zou hebben op te vatten als 'eigendom zijn van
een ander.”19
Zoals we hebben gezien overweegt Borgers in zijn noot dat
een disharmonie tussen het civiele recht en het strafrecht
zoals Hofstee voorstaat zo nu en dan bestaat, maar dat dat
slechts functioneel is als er een gegronde reden bestaat om
van het civiele recht af te wijken.
De Hoge Raad heeft in het eerst besproken arrest (verkoop
DVD’s charmed) de enkele omstandigheid dat de verkoper
16
17
18
19
HR 24 oktober 1989, NJ 1990/256.
NLR, artikel 321, aantekening 1.1. waarin wordt verwezen naar Van
Bemmelen(-Van Hattum) II, p. 280.
A-G Silvis in zijn conclusie bij HR 5 april 2011, NJ 2011/175.
NLR, artikel 321, aantekening 4.
Afl. 4 - juni 2014
69
5/8/2014 5:18:29 PM
Artikelen
VERDUISTERING OF CONTR AC TBREUK?
zijn contractuele verplichtingen niet nakwam niet een gegronde reden gezien om van het civiele recht af te wijken.
Gezien het feit dat in casu vaststond dat de verkoper nooit
van plan was geweest om te leveren mogen we veronderstellen dat een discrepantie tussen civiel- en strafrecht op
het gebied van eigendomsrecht niet snel (ten nadele van de
verdachte) zal worden aangenomen.
De toepassing van het delict ‘verduistering’ is ruim. Wet en
jurisprudentie bieden die ruimte. Als gevolg hiervan zijn de
grenzen tussen verduistering en civiele onrechtmatigheid
vaag. Dat dat onwenselijk is behoeft geen nader betoog.
Dat de inhoud van een overeenkomst ook juist ervoor kan
zorgen dat het eigendom over een goed wordt uitgesteld
blijkt uit eveneens eerder besproken doelbindingsarrest.20
Zoals reeds onder 1.2 weergegeven overweegt A-G Silvis
in zijn conclusie bij het doelbindingsarrest met betrekking
tot de vraag wanneer de eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden dat dit kan worden bepaald door opschortende
voorwaarden in een overeenkomst. In een dergelijk geval
wordt het eigendom niet eerder overgedragen dan wanneer
aan deze voorwaarde is voldaan en kan het goed tot die tijd
worden verduisterd door de persoon die het goed onder zich
heeft. Uit dit arrest blijkt impliciet (want onbesproken gebleven) dat de Hoge Raad in deze situatie ook geen gegronde
reden zag om ambtshalve een discrepantie tussen civiel- en
strafrecht aan te nemen. De onderliggende overeenkomst
was bepalend voor de vraag wanneer het goed in eigendom
is overgedragen.
Conclusie
De huidige invulling van het bestanddeelwederrechtelijkheid als het ‘zonder daartoe gerechtigd te zijn’ biedt de
ruimte om civielrechtelijke discussies over het al dan niet
bestaan van een beschikkingsrecht bij de persoon die het
goed onder zich heeft bij de strafrechter af te doen. Als een
verdachte uiteindelijk op basis van het civiele recht ongerechtigd blijkt te zijn staat de huidige invulling van de
wederrechtelijkheid niet aan een veroordeling voor verduistering in de weg. De begrenzing tussen verduistering
en civiele onrechtmatigheidmoet vooralsnog niet in de
wederrechtelijkheid van de gedraging worden gezocht. Het
verdient mijns inziens aanbeveling om dit aan een nadere
beschouwing te onderwerpen aangezien de rechtszekerheid hieronder kan lijden. Het komt mij onwenselijk voor
als civielrechtelijke geschillen bij de strafrechter moeten
worden uitgevochten. De strafwetgever heeft er nimmer
blijk van gegeven zo dicht bij de civiele onrechtmatigheidte
willen gaan zitten. Het strafrecht biedt niet voor ieder zakelijk geschil een oplossing en het is wenselijk dat dat zo blijft.
Het bestanddeel toe-eigening biedt in de praktijk tot op
heden een beter instrument om tot scheiding van civielen strafrecht te komen. Goederen die op grond van civiele
overeenkomsten aan de houder zijn gaan toebehoren zijn
niet meer voor verduistering vatbaar. De civielrechtelijke
eigendomsvraag zal in principe leidend zijn, maar niet altijd
doorslaggevend.
20
HR 5 april 2011, NJ 2011/175.
70
T2_TPWS_1404_bw_V03.indd 70
Afl. 4 - juni 2014
TPWS 2014/14
5/8/2014 5:18:29 PM