Gemeente is schadevergoeding verschuldigd na een onrechtmatig

Nieuwsbrief Grondzaken
28 februari 2014
Gemeente is schadevergoeding verschuldigd na een
onrechtmatig besluit om een gevestigd voorkeursrecht niet
vervallen te verklaren
Met deze nieuwsbrief maken wij u attent op het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van
19 februari 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:626). De rechtbank gaat in dit vonnis in op de vraag of
een gemeente aansprakelijk is voor schade die is geleden als gevolg van het ten onrechte in
stand houden van een voorkeursrecht, dat is gevestigd op grond van de Wet voorkeursrecht
gemeenten (hierna: “de Wvg”).
Essentie
De gemeente Bunnik dient schadevergoeding te betalen na een onrechtmatig besluit om een
gevestigd voorkeursrecht niet vervallen te verklaren. Door het gevestigde voorkeursrecht kon
geen gevolg worden gegeven aan de wil om de gronden te verkopen, terwijl er een partij was
die de grond wilde kopen. Bij het vaststellen van de schade houdt de rechtbank rekening met
de waardevermindering van de gronden tijdens het voortduren van het onrechtmatige
voorkeursrecht.
Nader bekeken
De raad van de gemeente Bunnik heeft op 29 september 2005 op een aantal gronden het
voorkeursrecht gevestigd.
Bij koopovereenkomsten van 25 mei 2007 heeft een aantal grondeigenaren gronden verkocht
aan een ontwikkelaar. In de koopovereenkomsten is bepaald dat de gronden worden geleverd
uiterlijk binnen twee weken nadat het gevestigde voorkeursrecht niet meer aan vervreemding in
de weg staat, met dien verstande dat de levering uiterlijk zes maanden nadat de koopakte is
ingeschreven in de openbare registers moet plaatsvinden. De koopakten zijn op 27 mei 2007 in
de openbare registers ingeschreven.
pagina 2
Op 29 mei 2007 hebben de grondeigenaren het college van burgemeester en wethouders op
grond van artikel 5, tweede lid, van de Wvg verzocht over te gaan tot vervallenverklaring van
het gemeentelijk voorkeursrecht. Het college had ingevolge het bepaalde in artikel 5, tweede lid,
Wvg uiterlijk 27 juni 2007 het voorkeursrecht vervallen moeten verklaren.
Het college heeft het verzoek tot vervallenverklaring bij besluit van 26 juli 2007 afgewezen.
Twee van de grondeigenaren hebben tegen dit besluit geprocedeerd. Zowel hun bezwaar als
beroep is gegrond gebleken. Op 9 februari 2010 heeft het college in een nieuwe beslissing op
bezwaar besloten de aanwijzing tot het vestigen van het voorkeursrecht te laten vervallen
alsnog per 26 juni 2007.
Daarop hebben verschillende grondeigenaren zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de
gemeente zich onrechtmatig jegens hen heeft gedragen, omdat door het gevestigde
voorkeursrecht geen gevolg kon worden gegeven aan de wil om de gronden te verkopen, terwijl
er een ontwikkelaar was die de gronden wilde kopen. Zij hebben gesteld dat de gemeente
aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden ten gevolge van het ten onrechte in
stand houden van het voorkeursrecht.
De rechtbank heeft overwogen dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens de twee
eigenaren die hebben geprocedeerd tegen de afwijzing van het verzoek tot vervallenverklaring.
De gemeente heeft onrechtmatig gehandeld door het voorkeursrecht niet reeds bij het primaire
besluit vervallen te verklaren. Dat had op grond van artikel 5, tweede lid, Wvg uiterlijk 27 juni
2007 wel moeten gebeuren.
De rechtbank heeft overwogen dat de omvang van de schade in dit geval dient te worden
bepaald door de toestand zoals deze in werkelijkheid is te vergelijken met de toestand zoals die
(vermoedelijk) zou zijn geweest indien het onrechtmatig handelen niet zou hebben
plaatsgevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de schade betreft het verschil tussen
de misgelopen verkoopprijs op het moment dat geleverd had kunnen worden en de agrarische
waarde. In het voorliggende geval houdt zulks in, dat de gemeente aan de ene eigenaar per
vierkante meter € 18,50 (€ 25,00 - € 6,50), totaal: € 2.313.517,50, dient te vergoeden en aan de
andere eigenaar per vierkante meter € 16,50 (€ 23,00 - € 6,50), totaal: € 777.727,50.
Door de rechtbank is daarbij overwogen dat de waardevermindering weliswaar niet direct het
gevolg is van het onrechtmatig handelen van de gemeente, maar dat de twee grondeigenaren
wel het risico op waardevermindering zijn blijven dragen door het onrechtmatig handelen van de
gemeente en dat dit risico zich heeft gemanifesteerd.
Omdat de overige grondeigenaren geen gebruik hebben gemaakt van de bestuursrechtelijke
rechtsgang tegen het primaire besluit, heeft het primaire besluit jegens hen formele rechtskracht
verkregen.
pagina 3
Het besluit heeft jegens hen als rechtmatig te gelden. De algemene werking van het besluit tot
vervallenverklaring, waardoor het voorkeursrecht met terugwerkende kracht vanaf 27 juni 2007
- ook voor de overige grondeigenaren - niet meer geldt, brengt daarin geen verandering. De
rechtbank heeft hun vorderingen afgewezen.
Voor vragen en/of opmerkingen naar aanleiding van deze nieuwsbrief kunt u zich wenden tot:
Kees van Helvoirt
Elise Teunissen
[email protected]
[email protected]
024 – 3 828 466
024 - 3 828 384
Disclaimer
De informatie in deze nieuwsbrief is bedoeld ter voorlichting van cliënten en andere relaties en kan niet worden gebruikt als advies in
individuele situaties. In die gevallen kan vanzelfsprekend een op de specifieke situatie toegesneden advies worden gegeven.
Hoewel deze nieuwsbrief met de grootst mogelijke zorgvuldigheid tot stand is gekomen, aanvaardt Hekkelman Advocaten N.V. geen
enkele aansprakelijkheid voor eventuele fouten of andere onjuistheden (of de gevolgen daarvan).
© Hekkelman Advocaten N.V.