Antwoorden bij toetsvragen 1

Antwoorden – Hoofdstuk 15
15.1 Magnetisme
442
a
b
c
Het trekt ijzer, kobalt en nikkel aan.
Nee.
Nee.
443
a
b
Het magnetisch veld.
Ja.
444
a
b
c
d
e
Telkens in dezelfde richting met een magneet erover strijken.
Een magneet die snel zijn magnetische werking verliest.
Een magneet die lang magnetisch blijft.
De permanente.
IJzer dat magnetisch is omdat er een draad omheen gewonden is waar een
elektrische stroom door loopt.
Door het aantal windingen te veranderen.
f
445
a
b
c
d
e
f
446 a
b
Aan de uiteinden, dit noemt men de polen.
De noordpool van een magneet trekt de zuidpool van een andere magneet aan.
De noordpool van een magneet stoot de noordpool van een andere magneet af. Of de
zuidpool van een magneet stoot de zuidpool van een andere magneet af.
De geografische noordpool trekt de noordpool van de magneet aan.
De magnetische noordpool
Omdat elk ijzerdeeltje door het magnetische veld in een klein magneetje wordt
veranderd met een noordpool en een zuidpool. De kleine magneetjes richten zich in
het magnetische veld van de grote magneet.
Een magnetische naald kan om zijn middelpunt draaien. Deze neemt een noordzuidstand in als reactie op het magnetische veld van de aarde.
Omdat de wrijving tussen wielen en rails wegvalt.
15.2 Elektriciteit
448
a
b
c
Positieve en negatieve.
Een positieve en een negatieve lading.
Een positieve en een positieve. Of een negatieve en een negatieve.
449
a
b
c
Een positieve lading.
Een negatieve lading.
Van een staaf met een elektronen-overschot naar een staaf met een elektronentekort.
Stoffen waardoor elektronen makkelijk stromen.
Stoffen waar elektronen moeilijk door stromen.
d
e
450
a
Een ontlading die heel kort duurt.
b
c
Er ontstaat een ongelijke verdeling van de elektronen tijdens het dragen. Bij het
uittrekken van de trui komen de plaatsen met de ongelijke verdeling met elkaar in
contact.
Door wrijving van verschillende luchtlagen en deeltjes binnenin de wolk.
451
a
b
c
d
e
Een gewonden draad.
Een spoel met daarin een ronddraaiende magneet.
Elektrische spanning.
Meestal door stoom. Kan ook door wind, water of kernenergie.
Door spierkracht.
452
a
b
c
d
e
f
g
h
i
j
De sterkte van de spanning van elektriciteit.
Het verbinden van een positieve pool met een negatieve pool.
De elektronen stromen altijd in dezelfde richting.
De elektronen wisselen van richting tijdens het stromen.
De hoeveelheid elektrische energie die een apparaat per tijdseenheid verbruikt.
In Watt.
(Aanvulling 48) Ampère-meter. Ampère. De stroomsterkte wordt aangegeven met de
letter A.
(Aanvulling 48) Voltmeter. Volt. De spanning wordt aangegeven met de letter V.
(Aanvulling 48) Groot vermogen.
(Aanvulling 48) P=750 Watt. I=230 Volt. P=UxI; I= P:U; I=750:230=3.3 Ampère.
453
a
b
c
d
e
Om aan te geven dat ze verschillende functies hebben.
In de meterkast.
De centrale beveiliging van het elektriciteitsnet in een huis.
Een dun draadje dat smelt bij kortsluiting.
(Aanvulling 49) Een stekker met randaarde.
454
a
Omdat de elektronen van de stromende elektriciteit en de atomen van de draad
botsen.
Het botsen van de elektronen tegen de atomen van de elektriciteitsdraad.
Men laat het rooster warm worden door middel van weerstand om het brood te
roosteren.
Omdat de gloeidraad in een lamp heel heet wordt, en niet in brand kan vliegen als er
geen zuurstof bij komt.
b
c
d
455 a
b
c
d
Een stroomgeleidende draad die aan beide kanten verbonden is aan de polen van
een elektrische bron.
Een stroomkring waar voorwerpen in geplaatst zijn.
Een schakeling waar de voorwerpen achter elkaar in geplaatst zijn.
Een schakeling waar de voorwerpen in verschillende aftakkingen van de geleidende
draad geplaatst zijn.
15.3 Geluid
457
a
b
Uit luchttrillingen.
De luchttrillingen worden in het oor omgezet in een elektrisch signaal.
c
d
Het elektrisch signaal wordt in de hersenen vertaald naar geluid.
Omdat de luchttrillingen zich naar alle kanten voortplanten.
458
a
b
c
d
e
f
g
Het regelmatig trillen van lucht.
Het onregelmatig trillen van lucht.
Het aantal trillingen per seconde.
Vraag 458d is vervallen.
Het karakteristieke geluid dat een voorwerp of organisme voortbrengt.
De snelheid van de luchttrillingen.
(Aanvulling 55) Het heeft een golfpatroon, een geluidsgolf.
459
a
b
De hoeveelheid lucht die trilt.
In decibel.
460
a
b
c
In voorwerpen.
Geluidstrillingen kaatsten terug tegen een hard voorwerp.
(Aanvulling 56) Medium.
461
a
b
Door onze stembanden harder te laten trillen.
Een klein voorwerp brengt een groter voorwerp in beweging, zodat er meer
luchttrillingen ontstaan dan als je alleen het kleine voorwerp zou laten trillen.
De schermen kaatsen het geluid terug naar de snelweg zodat het daarachter stiller
blijft.
c
15.4 Licht
465
a
b
c
Door het heel erg heet te maken.
Rood, blauw, wit.
Vaste deeltjes in de vlam worden zo heet dat ze licht gaan geven.
466
a
b
c
Deeltjes licht met energie.
Een hele lange of een hele korte golflengte.
(Aanvulling 50) Nee, licht gaat het snelst door het luchtledige.
467
a
b
c
d
Als we alle golflengtes van de zon tegelijkertijd zien.
Als er een of meerdere golflengtes ontbreken.
Kleuren die je niet kan maken door kleuren te mengen.
Kleuren die je kan maken door kleuren te mengen.
468
a
b
Doorschijnend.
Het oppervlak is zo glad dat de lichtstralen precies zo terugkaatsen als zij gekomen
zijn.
Omdat het opperblak van de spiegel niet vlak is, kaatsen de lichtstralen onder een
andere hoek terug.
Groter.
Op het gladde wateroppervlak kaatsen blauwe lichtstralen het makkelijkst terug.
Water laat groene golflengtes makkelijker door dan rode.
c
d
e
f
469
g
Omdat zwart alle kleuren opneemt. Wit kaatst alle kleuren terug.
a
Ja.
b
c
d
Nee.
Nee.
De lichtstraal wordt verbogen als hij in het glas komt, maar buigt weer terug als hij het
glas verlaat. Er is alleen een kleine verschuiving.
Gebogen glas zorgt ervoor dat het licht breekt.
Worden lichtstralen in een bolle lens naar elkaar toe gebogen of van elkaar af
gebogen?
(Aanvulling 51) Bij twee lichtbronnen is er sprake van een gebied met een
kernschaduw en twee gebieden met een halfschaduw.
(Aanvulling 51) Het gebied achter een voorwerp dat in de schaduw ligt van twee
lichtbronnen.
(Aanvulling 53) Groen.
e
f
g
h
i
15.5 Warmte
471
a
De lange golflengte.
472
a
b
c
d
Zon, vulkanische activiteit, radioactieve stoffen, lichaamswarmte van
dieren/mensen.
Ja.
Nee.
Kachel, strijkijzer, broodrooster, grill.
473
a
b
c
Door middel van fotosynthese.
Een brandstof en zuurstof.
De temperatuur waarbij de brandstof kan gaan branden.
474
a
b
c
Warmte.
Groter.
Water neemt in volume af tot 4 graden C. Bij verdere afkoeling gaat het weer
uitzetten. Kaarsvet neemt nooit toe in volume als het afkoelt.
475
a
Omdat door de warmte de moleculen trillen. De trillingen worden aan elkaar
doorgegeven.
Water, glas, porselein, steen, vet.
b
476
a
b
c
477 a
Omdat warm water uitzet, wordt het lichter, en stijgt op.
Warmteoverdracht zonder geleiding of stroming.
(Aanvulling 47) Door de warmtebron te isoleren, kan men warmteverlies door
geleiding tegengaan (bijvoorbeeld een houten handvat aan een metalen pan). Door
een stilstaande luchtlaag te creëren kan men warmteverlies door stroming tegengaan
(bijvoorbeeld dubbelglas). Door een reflectiescherm aan te brengen kan men
warmteverlies door straling tegengaan (bijvoorbeeld radiatorfolie achter een radiator).
Kwik of alcohol zet uit als het warmer wordt en stuwt omhoog in een smalle buis.
b
c
478
a
Omdat de buis zo smal is, geeft een geringe uitzetting een duidelijke stijging.
Onze warmtezintuigen merken het verschil op met als maatstaf de eigen
lichaamstemperatuur.
Hij noemde de temperatuur waarbij water bevriest 0 graden en de temperatuur waarbij
water kookt 100 graden.
Omdat een koudbloedig dier warmer bloed kan hebben dan zijn omgeving.
15.6 Veerkracht
479
a
b
c
480 a
481 a
b
De kracht waarmee een vast voorwerp zich verzet tegen vormverandering als het
wordt ingedrukt, uitgerekt of gebogen.
Het voorwerp krijgt zijn oorspronkelijke vorm weer terug.
Nee, de vormverandering kan zo sterk zijn dat het voorwerp zijn oorspronkelijke
vorm niet meer terugkrijgt.
Aan een veer wordt een voorwerp gehangen. De lengte van de uitrekking van de veer
is een maat voor het gewicht van het voorwerp.
Een elastiek.
Een springplank.
15.7 Zwaartekracht
482
a
b
483 a
484
De aantrekkingskracht van de aarde op ieder voorwerp.
Naar het middelpunt van de aarde toe.
b
c
d
Af.
Af.
Op het aardoppervlak.
Een magnetische kracht werkt alleen op ijzer, nikkel en kobalt. De
aantrekkingskracht werkt op alle voorwerpen.
a
b
Nee, alle voorwerpen oefenen een aantrekkende kracht uit op elkaar.
De aantrekkingskracht van de maan is een zesde van die van de aarde.
Nieuw: Wrijvingskracht (Aanvulling 58)
486
a
b
Wrijvingskracht.
De wrijvingskracht is tegengesteld aan de richting waarin het voorwerp wordt
voortgeduwd.