Hatertse vennen-1 maart 2014

1
19. Verslag van de “werkvormen-excursie” in de Overasseltse-Hatertse vennen
op 1 maart 2014.
verslag: BP.
Datum uitvoering : 1 maart 2014.
Aanwezig: algehele leiding en beoordeling: Angele Mundi. Groep Ri-Ja: Arend, Ben, Ineke, Lennart,
Robin. Groep Lieke Vullings: Bert, Dianne, Marcel, Pauline, Peter.
Locatie en route: Overasseltse-Hatertse vennen; vanaf restaurant St.Walrick de gele wandelroute
nemen.
De excursie opdrachtjes zijn beschreven in volgorde van uitvoering.
Groep Lieke
Inleiding door Pauline: het overkoepelend thema van onze excursies is zintuigen. Elk groepslid zal
een andere zintuig gebruiken.
1. Gebruik van natuurlijke materialen door Peter.
-Inleiding. Peter liet enkele plaatjes zien van technische toepassingen naar aanleiding van de natuur.
Zoals de torpedovorm van vissen die toegepast is in de neus van de TGV-hogesnelheidstrein en het
oppervlak van de huid van een haai om een geluiddempende laag in een ruimte te maken.
-Opdracht: maak iets met materiaal uit de omgeving en licht het toe
-Resultaat. Ik had een aantal pijpenstrootje-stengels om een tak gewikkeld als voorbeeld van vezels
die als touw gebruikt konden worden. Anderen: een mandje van schors om een bakje van te maken,
een aantal takjes naast elkaar om ritme in de natuur uit te beelden, ( Anderen ben ik vergeten)
-Reflectie/opmerkingen : leuk om tijdens een excursie als ontspanning te laten doen. Ikzelf moest
wel even op gang komen.
2. Het gehoor, geluiden in de natuur door Marcel.
-Inleiding. Een IVN-gids moet een aantal vogelgeluiden kunnen herkennen. Marcel had iets dat leek
op een iPhone bij zich die voorzien was een klein luidsprekertje. Hij liet enkele vogelgeluiden horen
en we moesten raden welke vogel het was.
-Opdrachten. Sluit de ogen en luister even naar de geluiden om je heen. Een persoon moest
vervolgens een geluid omschrijven zonder het te benoemen en een ander moest dan raden wat het
was. Daarna liet Marcel een langwerpige microfoon zien gekoppeld aan een koptelefoon. Een van
ons ( Lennart) mocht luisteren wat hij allemaal nog meer hoorde, dat bleek heel wat meer te zijn.
-Opmerkingen/reflectie vanuit de groep: leuk al die apparaatjes te zien. Goed om aandacht te geven
aan geluiden. Een geluid beschrijven is niet zo gemakkelijk. Jammer dat niet ieder de grote microfoon
kon ervaren.
-Opmerking van mijzelf: als je die apparaatjes niet hebt, is ogen even sluiten en laten luisteren een
goede opdracht. Eventueel aan te vullen met de vogels die gehoord zijn zo mogelijk benoemen ,
zeker in het voorjaar als de vogels meer fluiten
2
3. Tastzin door Bert.
Locatie: een dennenlaantje voorbij de twee vennen
-Inleiding: als je de ogen uitschakelt , voel je intenser.
-Opdracht. Alle leden van de groep van Ri-Ja werden geblinddoekt. Bert had echte blinddoeken bij
zich waardoor je echt niets kon zien. De leden van Lieke geleide je naar een bepaalde boom en deze
moest je betasten. Daarna werd je teruggeleid en moest je de boom aanwijzen die je had betast.
Vrouwen zouden dat beter kunnen dan mannen.
-Resultaat. Mannen vonden net zo snel als vrouwen “hun” boom terug. Je gaat wel heel intens een
boom bevoelen als je niets ziet.
-Reflectie/opmerkingen vanuit de groep: als “teambuildings” of vertrouwensopdracht zeer geschikt.
Vanuit natuurbeleving iets te mager. dan zou je twee of drie verschillende bomen moeten laten
voelen, waarbij je intenser de verschillen tussen stam, schors en begroeiing opmerkt. Eventueel na
afloop laten benoemen wat de verschillen tussen de boomsoorten zijn. Maar dat kon op deze plaats
niet goed.
4. Ogen: Het landschap ervaren door Pauline
Locatie: onder de heuvel tussen de twee vennen.
-Inleiding: ieder heeft een eigen gevoel bij een landschap.
-Opdracht: maak een weergave van dat gevoel, door middel van een tekening, een gedicht, enkele
trefwoorden, etc. En licht het na afloop even toe. Pauline deelde kartonnetjes met tekenpapier erop
en potloden uit.
-Resultaten. Enkele hadden een klein gedicht gemaakt. Iemand had enkele trefwoorden
opgeschreven. Arend had wat materiaal op het plankje gelegd en beschreef hoe een mier het
landschap tussen dat materiaal zou ervaren. ik had een schets gemaakt om het ritme van de lijnen in
het landschap weer te geven.
-Nabespreking. Ieder gaf zijn ervaring weer. Samenvattend: ieder heeft zijn eigen ervaring en een
persoonlijke voorkeur en aanleg voor de weergave daarvan.
-Reflectie/opmerking. Leuke opdracht als afwisseling. De mier en uitleg van Arend was geweldig.
5. Reukzin door Dianne
Locatie: onder de heuvel tussen de twee vennen.
-Inleiding: Diane vertelde iets over het orgaan van Jacobs bij reptielen, die daarmee goed konden
ruiken. Liet er enkele plaatjes van zien.
-Opdracht: zoek zelf iets in de natuur, verpak het in een klein lapje, leg er enkele druppels
zonnebloemolie op, kneus en pers het samen en bind het dicht met een elastiekje. Laat de anderen
ruiken.
-Resultaat: dennennaalden hadden een duidelijke geur. andere spullen iets minder maar wel
verschillend.
-Nabespreking: alles, c.q. veel in de natuur heeft een eigen geur. Dieren, vooral kruipende dieren,
oriënteren zich sterk, c.q. vaak op geuren.
-Opmerking/reflectie: leuke opdracht; goed alle materiaal verzorgt.. Het verhaal over het orgaan van
Jacobs in de inleiding is eigenlijk overbodig. In een excursie alleen iets bespreken wat je ook kunt
zien. Hoogstens zou je het aan het einde even kunnen noemen.
3
Groep Ri-Ja
1. Diersporen; door Robin.
Locatie: de uitkijkheuvel over het Botersnijderven.
-Inleiding: Tussen de Struikheide zijn hier allerlei diersporen te zien, te weten: konijnenkeutels,
graafsporen, zandbultjes, kleine gaatjes, graafholletjes, omgewoelde moshoopjes, veerresten, dode
mestkevers. Wat we nu niet zien aan dieren is wel aanwezig en tracht de aanwijzingen ervan te
vinden.
-Opdracht: zoek, beschrijf en verzamel zoveel mogelijk diersporen in dit gebiedje en tracht ze te
duiden.
-Waargenomen zijn: konijnenkeutels, hoopjes zand met een klein gaatje bij de keutels waarschijnlijk
van mestkevers, een duidelijk wissel van de heuvel omlaag door de struikheide van konijnen,
voetafdruk van een ree, voetafdruk vermoedelijk van een marter, veren van een geslachte vogel, een
groot hol vermoedelijk ingang van een konijnenhol, haksel van een tak.
Opmerkingen voor reflectie: zorg dat de groep weer bijeenkomt en bespreek de waarnemingen.
2. Mollen; door Arend.
Locatie: Het pad tussen het Meeuwenven en Botersnijdersven-zuid
Verslag: Arend vertelde kort wat we gingen bekijken en iets over de leefwijze en bouw van een mol.
Hij deelde een plaatje uit van een mol met allerlei termen erop. Wij moesten bij elke term een vraag
bedenken. Daarna liet hij ons naar de zaken kijken die we konden zien. Te weten: verschillende
molshopen met gangen van en naar de hopen. Aan het opgeworpen zand is goed te zien dat het
verstoven zand is; namelijk er zitten helemaal geen grintjes in.
Opmerking van mij: naar mijn idee is het beter eerst naar de sporen van mollen in het terrein te laten
kijken en dat bespreken en daarna het plaatje als een soort afronding gebruiken. Arend vertelde
e.e.a wel met veel humor. Hij heeft een goed te verstane stem en praat erg duidelijk.
3. Strooisel; door Ben
Locatie: het berkenlaantje begin van de gele route .
-Inleiding: elk jaar vallen de bladeren van de bomen en dit hier al vele tientallen jaren. Waarom ligt er
geen berg bladeren hoger dan de boomtoppen?
-Opdracht aan de deelnemers. Verzamel voorzichtig de vier –vijf lagen van vertering van het
strooisel tot aan en met iets van de zandbodem. Leg deze in volgorde van hoog tot laag en bekijk wat
je ziet. Let op de mate en stadium van humusvorming en witte myceliumdraden van schimmels. De
deelnemers kregen in groepjes van drie een schepje of een lepel, een stuk papier met zes hokken
erop getekend of een witte, platte fotobak.
-Uitvoering: loop wel van groepje naar groepje om te kijken of ze het wel goed doen. Laat na
ongeveer 5 minuten de resultaten naast elkaar leggen.
-Nabespreking: bekijk resultaat, laat geleidelijke afbraak zien. Vraag naar: kringloop en mineralisatie;
vertel dat er verschillende typen strooisel zijn; dat het strooisel-type hier Ruwe humus is
kenmerkend voor zure en minerale arme bossen, namelijk een slechte en langzame ( 3-5 jaar)
vertering waardoor de strooisellaag 10 cm dik is; dat 80% van het bladmateriaal verdwijnt door de
stofwisseling van de organismen en dat er daardoor geen hoge berg bladeren ontstaat.
4
-Mogelijke aanvulling: illustratief is als je vlak bij twee groepjes strooisel van een dennenbosje kunt
laten onderzoeken dat geeft een iets ander ook langzaam verterend beeld, maar dat kon in deze
korte tijd en hier niet.
Opmerking naar mij toe: duidelijk, kort maar krachtig, zeer illustratief. Beter groepjes vormen door
even af te tellen 1,2,3,4 ,1,2,3,4 etc, zodat mensen moeten samenwerken die dat niet vanzelf
zouden doen en er minder even verwarring in groepsvorming ontstaat.
4. Berken, door Ineke
Locatie: berkenlaantje aan het begin van de gele route.
-Inleiding: de berk is een bijzondere boom met vele aspecten, te weten: hij is voor van alles te
gebruiken, heeft “vrienden en vijanden”, komt in verhalen voor, indiceert voor de eigenschappen
van de bodem, heeft een bijzondere bouw en bloeiwijze.
-Ineke gaf elk van vijf groepjes een kaartje met een opdracht die aansloot bij de inleiding. Wij kregen
een kaartje met de opdracht te bedenken waar de boom allemaal voor te gebruiken is.
-Wij met ons groepje bedachten: sap is te gebruiken voor berkenwater om de haargroei te
bevorderen, de bast is door plat te slaan te gebruiken om kleding van te maken, van de jonge
blaadjes kun je thee trekken, het sap kun je drinken, de twijgen worden gebruikt om de rug te
geselen in de sauna, de tekening en structuur van de schors is interessant om als motief voor behang
te gebruiken.
-Opmerking naar Ineke toe: leuke opdracht om in het veld een groep even te laten ontspannen, ook
bruikbaar voor kinderen. Alleen jammer dat de antwoorden voor een deel op de achterkant van het
kaartje stonden.
-Nadere informatie over de berk. Mogelijke aandachtspunten: verschil tussen de Zachte berk en de
Ruwe berk qua standplaats. De Zachte berk heeft haartjes in de nerf-oksels aan de onder zijde van
het blad. Zij staat op meer natte plaatsen. De Ruwe berk staat op meer drogere standplaatsen.
Zachte berk: standplaats: vocht: nat-droog; bodem gemiddeld pH 4,8; mineraal: voedselarme grond;
Ruwe berk: standplaats: vocht : vochtig-droog; bodem gemiddeld pH 3,5: mineraal: voedselarme
grond.
5. Mossen, door Lennart
Locatie: het berkenlaantje..
-Inleiding: Lennart wijst op de vele mossen en korstmossen die op bomen, takken en grond te
vinden zijn.
-Opdracht: bekijk met een loep enkele exemplaren en maak een tekening van een mos. Vragen
hierbij zijn o.a. : zijn er verschillen in soorten tussen standplaats te zien, zijn er veel verschillen in de
soorten, hoe is de structuur van een mos, aan welke kant van de boom zit mos . Hij deelde enkele
loepjes en tekenpapier uit.
-Wij met ons groepje vonden op één boom vijf verschillende soorten mos en enkele typen korstmos.
Aan een tekening zijn we niet toe gekomen, enkele anderen wel.
-Nabespreking: duidelijk uit een tekening bleek dat een mos geen stengeltje heeft maar etagegewijs
geplaatste blaadjes heeft. Mos heeft geen echte wortels en vaten voor de geleiding van sappen. Het
behoort niet tot de vaatplanten zoals varens en hogere planten wel. Mos neemt water op met zijn
gehele oppervlak en is daardoor gevoelig voor uitdroging. Eén kilogram mos kan 15 liter water
opnemen.
5
Opmerking van mij: er zijn wel mossen met een stengel, maar dan zonder vaten. Geef iets duidelijk
gerichte waarnemingsopdracht, zoals: zijn de mossen op een boomstam gelijk aan die op de grond,
hebben alle mossen geen stengel, hoe zit een mos vast op boom, tak of grond. Dan gaan mensen wat
gerichter kijken.
Opmerking van de groep naar Lennart: zorg dat je iets van een plankje bij je hebt, anders is tekenen
wel moeilijk.
Enkele interessante boeken die Angela liet zien
-Jeanette Boogmans, Rupsen horen poepen-Praktijkgids natuurbeleving, KNNV 2011, isbn
9789050113250
-Els Baars, Natuurverhalen, Elmar 2010, isbn 9789038920047
-Els Baars , Waarom een koolmees een stropdas draagt, KNNV 2011, isbn 9789050114004
6
Voorbereiding-van de excursie op 15 febr 2014. Verzameling van ideeën van ongeveer 10 minuten .
Datum voorbereiding : 15-02-2014. Aanwezig: Ri-Ja, Arend, Ben, Lennart
1. Berken, door Ineke
Mogelijke plek: berkenlaantje aan het begin van de gele route. Ineke zal dit verder invullen.
Mogelijke aandachtspunten: verschil tussen de Zachte berk en de Ruwe berk qua
standplaats. De Zachte berk heeft haartjes in de nerf-oksels aan de onder zijde van het blad. Zij staat
op meer natte plaatsen. De Ruwe berk staat op meer drogere standplaatsen.
Zachte berk: standplaats: vocht: nat-droog; bodem gemiddeld pH 4,8; mineraal: voedselarme grond;
Ruwe berk: standplaats: vocht : vochtig-droog; bodem gemiddeld pH 3,5: mineraal: voedselarme
grond.
2. Mossen, door Lennart
Mogelijke plekken: het berkenlaantje, of het pad na de uitkijkheuvel over het Botersnijderven .
Lennart werkt de opdracht nog verder uit. Maar globaal houdt de opdracht voor de
deelnemers in: verzamel zoveel mogelijk verschillende mossen en sorteer ze o.a. naar het substraat (
grond, levende boom, takken) waar ze gestaan hebben. Vragen o.a. : zijn er verschillen tussen
standplaats te zien, zijn er verschillen in de soorten, hoe is de structuur van een mos, etc.
3. Strooisel; door Ben
Locatie: het berkenlaantje en het dennenbos met Pekdennen na het pad tussen Meeuwenven en
Botersnijdersven-zuid.
In het Berkenlaantje onderzoek aan strooisel van Zomereik; in het dennenbosje strooisel van
Pekden.
Opdracht aan de deelnemers. Verzamel voorzichtig de vier –vijf lagen van vertering van het
strooisel tot aan de zandbodem. Leg deze in volgorde van hoog tot laag en bekijk wat je ziet. Let op
de mate en stadium van humusvorming, witte myceliumdraden van de schimmels. Vragen naar:
kringloop en mineralisatie; verschillen tussen de twee strooiseltypen; invloed van de exoot Pekden
op de vertering, etc. Nog nader uit te werken.
4. Mollen; door Arend.
Locatie: Het pad tussen het Meeuwenven en Botersnijdersven-zuid
Op deze plaats zijn verschillende molshopen te zien met gangen van en naar de hopen. Aan
het opgeworpen zand is goed te zien dat het verstoven zand is; namelijk er zitten helemaal geen
grintjes in. Arend zoekt nadere informatie over mollen op en laat de deelnemers er naar kijken en
vragen beantwoorden.
7
5. Diersporen; voorstel/idee voor Robin.
Robin: dit is natuurlijk slechts een suggestie; je kunt ook je eigen voorstel hebben natuurlijk.Zie ook
de reserveopdracht-ideeën.
Locatie: de uitkijkheuvel over het Botersnijderven.
Tussen de Struikheide zijn hier allerlei diersporen te zien, te weten: konijnenkeutels,
graafsporen, zandbultjes, kleine gaatjes, graafholletjes, omgewoelde moshoopjes, veerresten, dode
mestkevers.
Opdracht voor de deelnemers: zoek, beschrijf en verzamel zoveel mogelijk diersporen in dit
gebiedje; orden ze op een papier, doek of platte bak en tracht ze te duiden.
Reserve-opdrachten/ideeën
6. Standplaats voorkeur van planten
Locatie: de uitkijkheuvel over het Botersnijderven. Hier staat op de open, veel belopen plaats
Tengere rus en tussen het mos onder de Struikheide schapenzuring.
Opdracht voor de deelnemers (nadat ze de planten aangewezen hebben gekregen): dit is een
vegetatie-onderzoek: ga kijken in dit gebied waar deze twee planten wel en niet staan; waar ze veel
staan en waar bijna niet.
Bespreek/vraag: wat kun je zeggen over de eisen waar de standplaats voor deze twee soorten, qua
licht, betreding, vocht, verstoring aan moet voldoen?
7. Groepering van planten en andere organismen in rijken en stammen.
Locatie: het pad na de uitkijkheuvel over het Botersnijderven.
Opdracht:: verzamel van zoveel mogelijk soorten één exemplaar en leg deze op een witte doek, of
papier. Orden ze vervolgens in grote groepen en bekijk de verschillen.
Te verwachte taxonomische groepen zijn: Rijken korstmossen, .schimmels( paddenstoelen) , planten
( eventueel dieren als ze gevonden zijn0. Stammen van planten: mossen,, alg op hout, varens, hogere
planten als: eenzaadlobbige planten zoals grassen, russen, tweezaadlobbige planten zoals braam,
hoefblad, vogelmuur.
Bespreek o.a.: bijzondere van korstmos(symbiose) en dat schimmels geen planten zijn; verschil
lentussen vaatplanten en niet- vaatplanten( mossen en algen).
8. Vogels in het bos en de vennen
In het bos mogelijk: 2-3 minuten laten luisteren naar vogelgeluiden.
In en rondom de vennen: waarnemen van soorten, bekijken en duiden van hun gedrag.
We namen vandaag waar: Zwarte kraai vliegend en in een boom, aalscholver vliegend, Kokmeeuw
vliegend, Kuifeenden zwemmend