pdf Verslag gehele dag - door Frank de Groot

Nationaal Brandveiligheidscongres 2014
Brandveiligheid: denken in risico’s in plaats van regels
Tekst ing. Frank de Groot
‘De huidige bouwregelgeving is ten aanzien van brandveiligheid alleen gericht op veiligheid van personen,
maar niet op schadelastbeheersing. Daarom moeten we leren denken in brandrisico’s in plaats van regels.’
Dat was de belangrijkste boodschap die de bezoekers te horen kregen tijdens het Nationaal
Brandveiligheidscongres 2014 op 17 april in Ede. Veel aandacht was er ook voor de brandveiligheid bij
transformatie van gebouwen.
‘Brandveiligheid is meer dan het afvinken van regeltjes. We moeten leren kijken naar de daadwerkelijke risico’s’, aldus
ing. Johan van der Graaf, adviseur Bouwregelgeving en Bouwbesluit bij Nieman Raadgevende Ingenieurs. Vooral bij
transformatie van (leegstaande) gebouwen naar andere functies is het vaak lastig om het juiste niveau voor de
brandveiligheid te bepalen. De ondergrens is het zogenoemde ‘rechtens verkregen niveau’, dat met Bouwbesluit 2012
is geïntroduceerd. Dat is het kwaliteitsniveau dat feitelijk aanwezig is voor een verbouwing. De ondergrens is
tenminste het niveau voor bestaande bouw in Bouwbesluit 2012 en de bovengrens is het niveau voor nieuwbouw.
‘Vroeger moest je bij het bevoegd gezag bij verbouwing ontheffing aanvragen van het nieuwbouwniveau, maar
tegenwoordig mag je kiezen voor een kwaliteitsniveau tussen die van bestaande bouw en nieuwbouw. Beter dan
nieuwbouw mag natuurlijk ook altijd!’, aldus Van der Graaf.
Ing. Johan van der Graaf, adviseur Bouwregelgeving en Bouwbesluit bij Nieman Raadgevende Ingenieurs: ‘Staat het
voldoen aan een ondergrens garant voor het borgen en actief beheren van de brandveiligheid? We moeten van
regelgericht naar risicogericht denken!’
1/8
Drie voorbeelden transformatie
Van der Graaf besprak drie voorbeelden van transformaties. Zoals die van een vierkant kantoorgebouw met centrale
kern met lift en trappenhuis naar een woongebouw. ‘Het trappenhuis is gehandhaafd en rondom de kern zijn in de
vrije ruimte acht appartementen gecreëerd. Nieuw aangebrachte balkons leveren volgens de aanvrager een extra
bijdrage aan de brandveiligheid. Een nieuwe gang rond de kern die de woningen ontsluit haalt een WBDBO
(weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, red.) van zelfs 60 minuten. Er is nu echter maar één vluchtroute.
Dat is in dit geval volgens de nieuwe verbouwvoorschriften van Bouwbesluit 2012 toegestaan. Om de situatie veiliger
te maken kiest de aanvrager op advies van de brandweer voor twee extra rookscheidingen in die gang, die zorgen
voor een extra buffer. Goed, je voldoet nu aan het niveau bestaande bouw, maar de brandweer als adviseur van
bevoegd gezag zag liever een extra trappenhuis of sprinklerinstallatie in de woningen. Beide opties bleken hier te
duur. Op basis van Bouwbesluit 2003 zou bevoegd gezag voor deze oplossing waarschijnlijk geen ontheffing hebben
verleend, maar nu voldoet het dus. Conclusie: betrek het advies van de brandweer vroegtijdig bij het
transformatieproces.’
Tot slot besprak Van der Graaf de transformatie van een onderwijsgebouw naar studentenverblijven. Omdat de vloer
van het verblijfsgebied op 40 meter ligt is op advies van de brandweer een brandweerlift toegevoegd. ‘Het gebouw is
in 15-20 minuten te ontruimen. Maar als je het gebouw wilt behouden moet de brandweer de brand van binnenuit
kunnen bestrijden. Dan ga je niet 40 meter de trappen op met blusmateriaal. Daarom is in overleg met de brandweer
toch gekozen voor een brandweerlift. Daarbij maak je ook de afweging of die investering in verhouding staat tot de
extra veiligheid die het oplevert. De visie van de verzekeraar speelt daarbij eveneens een rol. Bewustwording van
brandveiligheid; daar gaat het om. Staat het voldoen aan een ondergrens garant voor het borgen en actief beheren
van de brandveiligheid? We moeten van regelgericht naar risicogericht denken!’
2/8
Vroeger moest je bij het bevoegd gezag bij verbouwing ontheffing aanvragen van het nieuwbouwniveau, maar
tegenwoordig mag je kiezen voor een kwaliteitsniveau tussen die van bestaande bouw en nieuwbouw.
Transformatie opdracht
Jean Baptiste Benraad van Benraad Hernieuwt ging in op de noodzaak tot transformatie en welke
kwaliteitsafwegingen dat met zich meebrengt. Hij is tevens lid van het H-team van Rijksdienst Cultureel Erfgoed en lid
van het ExpertTeam van Ministerie van BZK en VNG. ‘We hebben steeds meer vastgoed over. Nu al staat 12 miljoen
2
m aan gebouwen leeg, inclusief kantoorgebouwen die verhuurd zijn maar wel leeg staan, onderwijsgebouwen,
winkels, kerken en bedrijfsgebouwen: dat is het oppervlak van 120.000 woningen! Zonder ingrijpen hebben we in
2
2030 al 22 miljoen m leegstaande gebouwen. Afbreken is totale kapitaalsvernietiging. Daarom is voor de komende
jaren transformatie de bouwopgave.’
Volgens Benraad biedt transformatie ook een oplossing voor de toename van het aantal oudere alleenstaanden, het
kamer te kort voor 40.000 studenten, de onbekende vraag van jongeren die met klein budget hun ouderlijk huis
verlaten, betaalbare woonruimte voor arbeidsmigranten en kleinschalige verzamelbedrijfsruimten voor andere wijzen
van werken nabij huis. ‘Tussen 2012 en 2020 neemt het aantal huishoudens toe met 60.000 per jaar: totaal bijna
500.000. Tussen 2020 en 2030 komen er nog eens 400.000 huishoudens bij! De woningproductie blijft ernstig achter
bij de groei van de woningbehoefte. Het woningtekort verdubbelt bijna van 160.000 in 2012 naar 290.000 in 2020.’
Kijkend naar de brandveiligheidsopgave constateert Benraad dat leegstaande kantoorgebouwen veelal maar één
centrale entree hebben. ‘Kies dan bij voorkeur voor een herverkaveling met een tweede ingang om de druk op die ene
3/8
ingang bij brand te verminderen. Kijk ook naar de doelgroep die je in het gebouw wil huisvesten. Studenten zijn er
snel uit, maar als je er later ouderen in wilt laten wonen dan moet je rekening houden met verminderde mobiliteit.
Kantoorgebouwen hebben als voordeel dat er grote vrije overspanningen zijn waarbinnen je woningscheidende
wanden met gipsplaten kunt plaatsen die 60 minuten brandwerend zijn. Die wanden kun je na pakweg vijftien jaar
eenvoudig weer verplaatsen.’
Hij laat een voorbeeld zien van vroegtijdig nadenken over brandveiligheid bij transformatie. De ombouw van een
kantoorgebouw tot studentenhuisvesting. Benraad: ‘Een kantoorgebouw heeft allemaal horizontaal lopende leidingen
onder de plafonds en door de wanden. Dat is niet handig qua brandveiligheid en geluid. Dus moet je gaan werken met
verticale leidingschachten op slimme plaatsen. Volgens het rechtens verkregen niveau kun je verder volstaan met één
doodlopende gang per kantoorvleugel. Dat geeft veel druk op die gang bij brand en als je er later ouderen in huisvest
is het vluchtprobleem nog groter. Door een extra brede gang te creëren in het midden van de kantoorvleugels, kunnen
deze echter door middel van een brandscheidende wand in twee evenwijdige gangen worden verdeeld. De gangen
zijn aan de kopse kant van de vleugel verbonden door een brandwerende, zelfsluitende deur. Aan de andere zijde
komt men via brandwerende, zelfsluitende deuren in het trappenhuis. Hierdoor worden twee vluchtwegen gecreëerd
en verhoog je de veiligheid.’
Benraad wijst tot slot op de noodzaak van goed beheer: ‘Anders staan die brandwerende deuren met deurdrangers
constant open doordat er een keg onder die deuren is gezet. Want ja, je moet natuurlijk wel eenvoudig met je
dienblad met koffie door kunnen lopen. En wat te denken van geblokkeerde nooduitgangen of gesaboteerde
brandmeldinstallaties in studentenflats? Zonder goed beheer hebben al die maatregelen weinig nut!’
Jean Baptiste Benraad van Benraad Hernieuwt: ‘De komende jaren is transformatie de bouwopgave.’
4/8
Praktijkvoorbeelden brandveilig verbouwen
In het plenaire deel van het middagprogramma ging dr. ir. Ralph Hamerlinck van Bouwen met Staal en Adviesbureau
Hamerlinck in op enkele praktijkvoorbeelden van brandveilig verbouwen. ‘Nieuwbouw is veel gemakkelijker dan
verbouw. Verbouw kent namelijk differentiaties naar diverse veiligheids(deel)niveau’s. En wat is het rechtens
verkregen niveau? Je moet dus keuzen maken. Maar hoe beoordeel je de brandveiligheidsopties? Er is geen
integraal instrument. Als een verzekeraar zou zeggen: dat is het risico en daar hoort die premie bij, dan heb je de
goede instrumenten. Maar hebben we voldoende mogelijkheden om bijvoorbeeld het niet voldoen op één aspect te
compenseren met een extra voorziening op een geheel ander aspect? Ik zie daar nog onvoldoende ontwikkeling in.’
Hamerlinck liet een woon-/zorggebouw zien met een restlevensduur van vijf tot tien jaar. ‘Wat ga ja dan doen om het
veiligheidsniveau te verhogen bij een verbouwing? Het aantal hulpbehoevenden neemt toe, dus de druk op de
bedrijfshulpverlening wordt ook steeds groter. Kan de BHV al die ouderen wel tijdig evacueren als de gang onder rook
staat? Dat lukt vaak niet meer, dus maak je de keus om van iedere kamer een subcompartiment te maken. Dan blijft
de brand langer beperkt tot die kamer en heb je meer tijd voor horizontale ontruiming naar de veilige trappenhuizen bij
de andere compartimenten. Maar als je dan ziet dat de trappenhuizen zijn omgeven door spiegeldraadglas, dan weet
je ook dat de hittestraling door dat glas problemen gaat geven bij ontruiming via trappenhuizen grenzend aan de
brand. Er werd om aan de strikte regels te voldoen gekozen voor het verkleinen van het oppervlak aan
spiegeldraadglas, door delen dicht te zeten met gipsplaten. Het geld dat overbleef werd gebruikt voor de
subcompartimentering. Mijn advies zou zijn: stop dan al het geld in subcompartimentering, niet in het opwaarderen
van trappenhuizen die toch niet gebruikt gaan worden en zorg dat je de BHV op orde hebt voor de horizontale
ontruiming.’
Hamerlinck noemde ook het voorbeeld van een gesprinklerde productiehal die uitgebreid zou worden met een nieuw
hal. ‘Een logische keuze lijkt dan om de sprinklerinstallatie door te zetten in de nieuw hal. Maar dat bleek een
kostbare zaak doordat er in de nieuwe hal kunststof moest worden opgeslagen met een zwaardere brandlast. De
opslagvijver met water voldeed daardoor niet meer en de pompen ook niet meer. Als je bovendien de sprinkler van de
nieuwe hal aansluit op de bestaande installatie, dan kan die bestaande installatie - die verplicht gecertificeerd moet
zijn in verband met gelijkwaardigheid - niet meer gecertificeerd worden. Uiteindelijk is maar gekozen voor het
afbrandscenario met bouwkundige compartimentering. Helaas kent het Bouwbesluit geen gelijkwaardigheid voor
sprinklers. Dit leidt in de praktijk niet tot optimale oplossingen en dus minder optimale keuzen. Daarnaast is de
certificeringsregeling voor sprinklers erg duur en dat werkt averechts op de globale brandveiligheid in Nederland!’
5/8
Dr. ir. Ralph Hamerlinck van Bouwen met Staal en Adviesbureau Hamerlinck: ‘De certificeringsregeling voor sprinklers
is erg duur en dat werkt averechts op de globale brandveiligheid in Nederland!’
Organisatorische brandveiligheid
‘We moeten de eisen niet stapelen, maar denken in slimmere en betere brandveiligheidsoplossingen’, zei Raphaël
Gallis, sr. Adviseur en onderzoeker veiligheidsmanagement TNO. Ook Gallis wijst er op dat Arbowet en Bouwbesluit
zich louter richten op de veiligheid van personen. Bedrijfscontinuïteitsbeheer moet privaat worden geregeld. ‘Bij
bestaande bouw geldt dat ook organisatorische maatregelen een belangrijk onderdeel kunnen zijn om de veiligheid en
de bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Soms kiest men ervoor om anders om te gaan met risico’s en taken en
verantwoordelijkheden bij een BHV-organisatie leggen om risico’s af te dekken. Verschillende praktijkvoorbeelden
laten zien hoe een BHV-organisatie een rol kan spelen in het afdekken van brandrisico’s. BHV moet uit de sneue
hoek worden gehaald!’
‘De eigenaar van een gebouw is verantwoordelijk voor de brandveiligheid, maar die wil vaak voor zo min mogelijk
geld, zoveel mogelijk halen’, zei Bob de Jong, directeur/eigenaar van Garantienet. ‘Doelstelling van de eigenaar is om
met een gebouw in de markt zoveel mogelijk rendement te halen. De gebruiker/huurder heeft echter heel andere
doelstellingen: die vindt achtereenvolgend de locatie, uitstraling, prijs, comfort, veiligheid en MVO belangrijk. De
volgorde verschilt per huurder, maar wat opvalt is dat veiligheid niet in de top 3 staat!’
De Jong wijst er op dat veiligheid ook nog eens uit meerdere factoren bestaat: omgevingsveiligheid, arbo-veiligheid,
brandveiligheid, inbraakveiligheid en maatschappelijke veiligheid. ‘Er is dus meer dan brandveiligheid! Toch verdient
brandveiligheid alle aandacht. Naast Bouwbesluit en Arbowet speelt namelijk ook de zorgplicht uit het Burgerlijk
Wetboek een belangrijke rol. De zorgplicht kunnen we vorm geven door middel van onderzoek naar risico’s en het
overleggen van maatregelen - RI&E - als bewijs van goede zorg. De gebruiker als werkgever is daarbij de eerste en
enige aansprakelijke partij voor onheil aangedaan aan haar medewerkers. De eigenaar van een gebouw is de partij
6/8
die door middel van een (huur)contract verplichtingen op zich genomen heeft om de veiligheid van de huurder te
waarborgen. De eigenaar is in deze aanspreekbaar door de huurder/gebruiker. Zorgplicht blijft daarbij het
sleutelwoord. Op de zorgplicht bestaat geen directe handhaving, maar toetsing door een rechter na een calamiteit.
We gaan van voorschrijven naar verantwoording nemen.’
Raphaël Gallis, sr. Adviseur en onderzoeker veiligheidsmanagement TNO: ‘Verschillende praktijkvoorbeelden laten
zien hoe een BHV-organisatie een rol kan spelen in het afdekken van brandrisico’s. BHV moet uit de sneue hoek
worden gehaald!’
7/8
Bob de Jong, directeur/eigenaar van Garantienet: ‘Zorgplicht blijft het sleutelwoord. We gaan van voorschrijven naar
verantwoording nemen.’
8/8