t_ - Gemeente Zaanstad

Z NST D
Ruimtelijke onderbouwing
Ten behoeve van het besluit tot afwijken van het
bestemmingsplan krachtens artikel 2.12, lid 1, sub a,
onder 3° van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht (Wabo) voor het project het bouwen
van een `Bio-energiecentrale' op de locatie
Pascalstraat, tussen de Gouw en het Pascalcollege, te
Zaandam.
Dossiernummer: 020140672
Sector Omgevingsvergunningen
Afdeling Juridische Procedures Omgevingsrecht
Augustus 2014
1
Augustus 2014
INHOUDSOPGAVE
Overzichtskaart plangebied en omgeving
4
Geometrische plaatsbepaling
5
§ 1.
Inleiding
6
§ 2.
Bevoegd gezag en procedure
7
§ 3. Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo
Zaanstad 2010
8
§ 4.
Ruimtelijke aspecten
§ 5.
Maatschappelijk draagvlak van het project
10
§ 6.
Stedenbouwkundige en welstandelijke aspecten
12
§ 7.
Watertoets
16
§ 8.
Milieuaspecten
16
§ 9.
Monumenten en archeologie
21
9
§ 10.
Grondexploitatie
21
§ 11.
Overleg met de provincie en andere betrokken bestuursorganen
21
§ 12.
Zienswijzen en betrokkenheid omwonenden
22
§ 13.
Uitvoerbaarheid
22
2
§ 14. Conclusie
22
Bijlage 1: Uittreksel bestemmingsplan
23
Bijlage 2: Nieuwe situatie
24
Bijlage 3: Quick scan natuurwaarden
24
Bijlage 4: Stikstofdepositieberekening
Bijlage 5: Onderzoek Luchtkwaliteit
Bijlage 6: Geluidsonderzoek
3
Z NST D
Overzichtskaart plangebied en omgeving
4
Ligg ing p lang e bied in omg eving
Z NS T D
Geometrische plaatsbepaling
5
Sp ov t l a ar
\
Pasnls\c á
X=117116.7066
Y=496448.2909
X=117108.3093
Y=496414.3050
schaal 1 : 1000
op te richten bio-energiecentrale
(niet van meten)
Zaandam, 05-08-14
§ 1. Inleiding
Omschnjving van het project
Het project betreft het bouwen van een bio-energiecentrale aan de Pascalstraat, tussen de Gouw en het
Pascalcollege, te Zaandam. Het onderhavige project is het vervolg op de op 10 oktober 2013 tussen 22
partijen, onder regie van de gemeente Zaanstad, gesloten samenwerkingsovereenkomst 'open en slim
energienet Zaanstad'. Daarbij hebben partijen als ZMC, Goglio, Tate & Lyle, Verkade, Forbo en de
woningcorporaties afgesproken dat in breed verband onderzocht zal worden of een grootschalig warmtenet
in de gemeente kan worden gerealiseerd waarmee restwarmte die afkomstig is van verschillende lokale
bedrijven kan worden gebruikt ter verwarming van bestaande utiliteitsgebouwen en woningen. Omdat de
nieuwbouw van het ZMC niet op het grotere netwerk kon wachten is de bio energiecentrale ontwikkeld, een
met houtsnippers gestookte energiecentrale, die later als backup bedrijf zijn functie in het restwarmtenet
kan vervullen. Met dit eerste project kan worden aangehaakt bij de nieuwbouw van het ZMC
Het onderhavige project is het eerste project — als onderdeel van het grootschalig warmtenet - voor
warmtelevering aan potentiële afnemers in de omgeving van de Pascalstraat, vanuit een nieuw te bouwen
bio-energie centrale. Bio Forte heeft het daartoe als trekker van dit project het voornemen om aan de
Pascalstraat
te Zaandam een bio-energiecentrale te realiseren. De centrale is bedoeld als
warmtevoorziening voor het ZMC, de Zorgboulevard, het Pascal college, het Zaans Lyceum,
Oostergouw van Evean en de flat de IJdoorn van Rochdale op basis van biomassa.
Het energienet kan van daaruit doorgroeien naar een grootschalig netwerk waarbij vraag en aanbod met
elkaar worden verbonden middels ondergrondse infrastructuur en contractuele afspraken.
Bio Forte,s na realisatie als energiebedrijf verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering.
Bio Forte heeft in overleg met de gemeente het plan gemaakt om op deze locatie een bio-energiecentrale
te realiseren. De bio-energiecentrale heeft een vermogen van 2,5 MWth (thermisch) plus ca. 150 kWe
(elektrisch) en een gasketel als back-up en piekvoorziening met een vermogen van 4 MWth. De te
realiseren inrichting betreft dus een installatie voor de productie van elektriciteit en warmte uit
houtsnippers. Op jaarbasis wordt ca. 3200 ton houtsnippers aangevoerd met walking floor vrachtauto's en
uit de vrachtwagen "gedraaid'. De snippers worden gestort in een inpandige en bovengrondse storthal, van
waaruit het in het gebouw wordt getransporteerd en verdeeld over twee biomassagestookte ketels en een
biomassagestookte vuurhaard die gekoppeld is aan een eenheid voor elekctriciteitsopwekking (Organic
Rankine Cycle). De vrijkomende warmte (max 2,5 MW) wordt via een aan te leggen warmtenet
getransporteerd naar grote gebouwen in de directe omgeving. Het gaat daarbij waarschijnlijk om het ZMC,
de zorgboulevard bij het ZMC, woongebouw de IJdoorn, 2 scholen en het verpleeghuis Oostergouw. De
vrijkomende elektriciteit (max. 160 kW) wordt aan het openbare elektriciteitsnet geleverd. De vrijkomende
as (ca. 44 ton per jaar) wordt afgevoerd en toegepast in de wegenbouw. Met de installatie wordt jaarlijks
ca. 900.000 m3 aardgas bespaard, hetgeen overeenkomt met ruim 1600 ton CO2 (meer dan 12,3 miljoen
autokilometers per jaar bij 130 gr 002/kilometer).
De bio-energiecentrale is een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer waarvoor op grond van het
Activiteitenbesluit een meldingsplicht geldt.
Ligging van het project
Het plangebied omvat een deel van een groen perceel gelegen aan de Pascalstraat bij het Burgemeester
in 't Veldpark. Bij de keuze van de locatie is gezocht naar een logische ligging nabij de beoogde afnerners
van de bio-energiecentrale en het tracé van het toekomstige grote open en slimme energienet Zaanstad.
Het nutsgebouw moet goed bereikbaar zijn en ingepast moeten kunnen worden in zijn omgeving. Drie
locaties zijn ovemogen:
1. Als onderdeel van het gebouwencomplex van het ZMC op grond van het ZMC
2. Op grond aan de overzijde van de Bernhardweg, nabij de brandweercentrale
6
3. In de strook tussen de Gouw en het Pascalcollege
Er is gekozen voor de locatie tussen de Gouw en het Pascalcollege. Deze locatie ligt goed in het
toekomstige netwerk voor het grote slimme energienet. De bereikbaarheid via de Pascalstraat is goed. Het
gebouw kan net als de andere gebouwde maatschappelijke voorzieningen aan de Koningin Julianaweg als
zelfstandig element in het groen worden vormgegeven. Het fietspad en de oever van de Gouw kunnen in
tact blijven en mooier en veiliger worden als het bosplantsoen langs de Gouw mede wordt aangepakt. Nu
is er sprake van ruigte en onverzorgde bosschage. De bomen, die voor de nutsvoorziening worden gekapt,
zullen worden vervangen. De andere locaties zijn afgevallen omdat er op de grond van het ZMC al ruimte
voor een ander nutsgebouw (pharmafilterinstallatie) moest worden gereserveerd. De locatie op het
voormalig sportcomplex bij de brandweergarage bleek ongunstig wat betreft het tracé voor het
energienetwerk en niet rendabel in verband met de lengte van de leidingen.
§ 2. Bevoegd gezag en procedure
Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit
omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage is het college van Burgemeester en wethouders van
Zaanstad het bevoegd gezag om op de omgevingsvergunning te beslissen.
Het onderhavige project is getoetst aan het bestemmingplan.
Bestemmingsplan
Het desbetreffende perceel is gelegen in het gebied waarvoor het bestemmingsplan (Rosmolenwijk' geldt
en heeft daarin de bestemming Park' ex artikel 14 van de planregels.
Het bouwen van een biomassacentrale is in strijd met de bestemming `Park'.
De gronden op de plankaart aangewezen voor 'Park' zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. voetpaden;
c. watergangen en waterpartijen;
d. speelvoorzieningen.
Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de
bestemming, worden gebouwd.
Een bio-energiecentrale behoort past niet de doeleindenomschrijving.
Het bestemmingsplan bevat geen bepalingen op grond waarvan met toepassing van artikel 2.12, lid 1, sub
a, onder 1 0 het onderhavige project gerealiseerd kan worden.
Het onderhavige project kan voorts niet worden gerealiseerd met toepassing van artikel 2.12, lid 1 sub a,
onder 2°, aangezien het niet past in de in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht,
aangewezen categorie gevallen.
Uit het voorgaande vloeit voort dat voor de onderhavige gewenste ontwikkeling een procedure tot afwijking
van het bestemmingplan ex artikel 2.1.2, lid 1 sub a, onder 3° gevoerd dient te worden.
Krachtens artikel 2.12 eerste lid, sub a, onder 3° van de Wabo kan het bevoegd gezag — in het
onderhavige geval — het college van burgemeester en wethouders, ten behoeve van de verwezenlijking
van een project van gemeentelijk belang een besluit nemen tot afwijken van een bestemmingsplan. Het
besluit dient een goede ruimtelijke onderbouwing van het project te bevatten.
Voor het onderhavige plan wordt voldaan aan de eisen die gesteld worden in artikel 5.20 van het Besluit
omgevingsrecht (Bor) juncto artikel 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid van het Besluit ruimtelijke ordening. In
de onderhavige ruimtelijke onderbouwing worden alle relevante aspecten behandeld die in
bovengenoemde artikelen zijn opgenomen als voorwaarden van een goede ruimtelijke onderbouwing.
Procedure
Op de voorbereiding van een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan op basis van artikel 2.12 eerste
lid, sub a, onder 3° van de Wabo is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing
7
(de Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure).
§ 3. Beleidsregels Afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen Wabo
Zaanstad 2010
Raadsbeleid / Verklaring van qeen bedenkingen
Artikel 6.5 van het Bor bepaalt:
1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c,
van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a,
0
onder 3 , van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend
dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt
uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft.
2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3. De gemeenteraad kan categorieën van gevallen aanwijzen waarvoor deze verklaring niet is vereist.
Bij besluit van 2 december 2010 (geregistreerd onder nummer Z/2010/358180), laatst gewijzigd op 23
januari 2014 en in werking getreden op 24 januari 2014 (geregistreerd onder nummer 2014/9982), heeft de
raad haar beleid inzake het afwijken van bestemmingsplannen en beheersverordeningen vastgesteld.
De raad heeft besloten:
1. De volgende categorieën van gevallen aan te wijzen waarvoor op grond van artikel 6.5.
derde lid Besluit omgevingsrecht een 'verklaring van geen bedenkingen' niet is vereist:
a) Aanvragen die passen binnen ter visie liggende ontwerpbestemmingsplannen;
b) Aanvragen die passen binnen door de raad vastgesteld beleid, een stedenbouwkundige visie, een
masterplan of een gebiedsvisie;
c) Aanvragen waarvoor met een omschreven doel grond van de gemeente is afgenomen maar de
planologische regeling nog niet aan dat doel is aangepast en het (bouw)plan past binnen dat omschreven
doel.
2. De volgende categorieën van gevallen aan te wijzen waarvoor op grond van artikel 6.5.
eerste lid Besluit omgevingsrecht een 'verklaring van geen bedenkingen' wel is vereist:
a) Het realiseren van meer dan 50 woningen, m.u.v. de gevallen die betrekking hebben op onder 1
genoemde aanvragen;
b) Het realiseren van meer dan 5.000 m2 bvo aan kantoorruimte, dienstverlening, bedrijfsruimte, horeca,
commerciële ruimte, maatschappelijke en recreatieve voorzieningen of een combinatie daarvan, m.u.v. de
gevallen die betrekking hebben op de in onder 1 genoemde aanvragen.
c) Het bouwen, verbouwen of slopen van objecten gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht, voor
zover hiervoor een afwijking van het bestemmingsplan nodig is.
3. Alle overige categorieën van gevallen wijst de gemeenteraad aan als categorieën waarin een verklaring
van geen bedenkingen niet is vereist, tenzij de raad zelf aangeeft, op basis van de ter kennis gebrachte
aanvragen, dat een aanvraag anderszins politiek gevoelig is.
Het onderhavige project valt onder de categorie 3 en dat betekent dat een 'verklaring van geen
bedenkingen' niet is vereist, tenzij de raad zelf aangeeft, op basis van de ter kennis gebrachte aanvraag,
dat de aanvraag anderszins politiek gevoelig is.
Beleid college van B&W
Bij besluit van 27 oktober 2010 onder nummer Z/2010/348720 heeft het college het beleid vastgesteld
inzake het afwijken van bestemmingsplannen en beheerverordeningen.
8
Uitgangspunt van de Wro is dat voorziene ruimtelijke ontwikkeling voor de komende tien jaar in een
bestemmingsplan wordt vastgelegd. Zaanstad hanteert een stringent beleid ten aanzien van het toepassen
van de bevoegdheid om besluiten tot afwijking van bestemmingsplannen en beheersverordeningen te
nemen. Alleen in uitzonderingssituaties wanneer een project ruimtelijk wenselijk en toelaatbaar is, kan
worden afgeweken van het geldende beleid.
De uitgangspunten die verwoord zijn in de Actualisatienotitie 2006 blijven ook onder de Wabo van belang.
De beleidsregels gelden als aanvulling op het algemene uitgangspunt dat bij de besluitvorming voldaan
moet worden aan wet- en regelgeving. De beleidsregels voor besluitvorming over het afwijken van
bestemmingsplannen en beheersverordeningen, artikel 2.12 eerste lid, sub a, onder 3° Wabo, luiden als
volgt:
1.
Een omgevingsvergunning is mogelijk voor (bouw)plannen ten behoeve van woningbouw,
bedrijfsdoeleinden als bedoeld in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering zoals die luidt op
het moment van indiening van de desbetreffende aanvraag, verenigings-, sport- en
recreatiedoeleinden en het algemeen belang, mits andere belangen zich niet tegen deze plannen
verzetten.
2.
De gemeente werkt mee met (bouw)plannen waarvoor de aanvrager in het verleden met een
omschreven doel grond van de gemeente heeft afgenomen, de planologische regeling nog niet
aan dit doel is aangepast en het (bouw)plan past binnen die doelstelling.
3.
De gemeente kan, ten behoeve van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing, van de
aanvrager verlangen dat hij of zij daar gegevens toe aanlevert of kan hiervoor geheel of
gedeeltelijk kosten in rekening brengen bij de aanvrager. De gemeente behoudt zich het recht voor
om haar medewerking aan het desbetreffende besluit tot afwijking van bestemmingsplan of
beheersverordening alsnog te weigeren, indien een aanvrager verzuimt de gevraagde gegevens
aan te leveren.
Het onderhavige project past in de beleidsregel onder punt 1 aangezien hier sprake is van
bedrijfsdoeleinden. Het gevraagde is overigens niet in strijd met gemeentelijk beleid.
§ 4. Ruimtelijke (beleids)aspecten
De desbetreffende locatie maakt op diverse bestuurlijke niveaus deel uit van verschillende plannen van
planologische aard.
In 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Hierin schetst het kabinet hoe
Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en
mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het
landschapsbeleid. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen, zoals een goed vestigingsklimaat,
een degelijk wegennet en waterveiligheid.
Tot 2028 heeft het kabinet in de SVIR 3 rijksdoelen geformuleerd:
de concurrentiekracht vergroten door de ruimtelijk-economische structuur van Nederland te
versterken. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;
de bereikbaarheid verbeteren;
zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische
waarden.
In het Energieakkoord voor Duurzame Groei (rijksbeleid) wordt de bevordering van gebruik van restwarmte
in Nederland benoemd als belangrijke ontwikkeling. Als gevolg van dit akkoord werkt het ministerie van
Economische zaken aan een warmtevisie voor Nederland.
9
Het onderhavige project is niet in strijd met de hierboven vermelde rijksuitgangspunten.
•
Provinciale ruimteliike verordening
Provinciale Staten stellen ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied
van de provincie een of meer structuurvisies vast. Op 21 juni 2010 hebben Provinciale Staten de
Provinciale Structuurvisie 2040 en de bijbehorende Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV)
vastgesteld waarin het provinciale beleid en de provinciale belangen nader geconcretiseerd zijn. Op 3
februari 2014 hebben Provinciale Staten de provinciale ruimtelijke verordening opnieuw vastgesteld. Deze
vaststelling betreft een beleidsarme wijziging ten opzichte van de eerder vastgestelde verordening op 21
juni 2010. Dit houdt in dat de verordening geen nieuw beleid bevat. Op 8 maart 2014 is de verordening in
werking getreden.
Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening richt de verordening zich op de inhoud van bestemmingsplannen en
van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing-van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 0 , van
de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt
afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van
beheersverordeningen.
In de PRV wordt het gebied waarin het onderhavige project is gelegen aangewezen als Bestaand
bebouwd gebied'. Het onderhavige plan is niet in strijd met het voor dit gebied bepaalde in de PRV.
•
Provinciaal milieubeleid
In september 2012 is vanuit de Provincie Noord-Holland, samen met de gemeenten Amstelveen, Aalsmeer
en Zaanstad een traject gestart om regionale ontwikkelingen op het gebied van warmtenetwerken binnen
de Metropoolregio Amsterdam te versnellen. Dit moet medio oktober 2014 leiden tot een
samenwerkingsovereenkomst met 30 partijen in de regio om middels een programmatische aanpak de
realisatie van warmtenetwerken te versnellen. Belangrijke drijfveer was het besef dat een warmtenetwerk
de basis vormt voor verduurzaming van de gebouwde omgeving. Aanbevolen is om door te gaan met de
ontwikkeling van een regionaal warmtenetwerk waarbij Zaanstad uiteindelijk aansluit op het Amsterdamse
(metropolitane) warmtenetwerk en op deze wijze haar geografische scope vergroot. Hierbij maakt
Zaanstad zoveel mogelijk gebruik van haar eigen restwarmte en biomassa. De Zaanse aanpak om te
komen tot een open en slim energienetwerk past in de visie van de Provincie Noord-Holland om te komen
tot regionale warmtenetwerken. De Provincie Noord-Holland hecht daarom grote waarde aan de
ontwikkelingen in Zaanstad.
•
Structuurvisie
De gemeenteraad stelt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van
de gemeente een of meer structuurvisies vast. De structuuivisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen
ontwikkeling van dat gebied, alsmede de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren ruimtelijk beleid.
De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen ontwikkeling te
doen verwezenlijken. De gemeenteraad kan ook voor aspecten van het gemeentelijk ruimtelijk beleid een
structuurvisie vaststellen. De structuurvisie bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling van die
aspecten. De structuurvisie gaat tevens in op de wijze waarop de raad zich voorstelt die voorgenomen
ontwikkeling te doen verwezenlijken. De gemeenteraad kan irt samenwerking met de raden van
aangrenzende gemeenten voor een gebied behorende tot het grondgebied van de betrokken gemeenten
een structuurvisie vaststellen. Op 7 juni 2012 is door de gemeenteraad de structuurvisie Zichtbaar Zaans'
vastgesteld, die op 10 oktober 2012 in werking is getreden.
In de ruimtelijke structuurvisie 'Zichtbaar Zaans' is het gebied rond de onderhavige locatie getypeerde als
Recreatie gebied (binnenstedelijk), met het profiel: Parken.
10
Naast de parken vallen ook de begraafplaatsen en volkstuinen binnen dit profiel. Samen vormen ze een
belangrijk onderdeel van het groenblauwe netwerk in de stad. De nadruk ligt hier op de gebruikswaarde en
de beleving van grootschalig groen in de stad.
Het gebruik van deze locatie voor een bio-energiecentrale kan goed worden ingepast in dit profiel. Van
belang is dat de inpassing en uitvoering van het gebouw in samenhang is ontworpen met het gebruik van
het park.
• Inteqraal Klimaatprogramma Zaanstad 2010-2020 en onderdeel Routekaart Zaanstad
Klimaatneutraal
Klimaatneutraal Zaanstad
De gemeente Zaanstad heeft de ambitie om klimaatneutraal te zijn. De kern van de opgave is om de
gebruikte energie lokaal, duurzaam en betaalbaar op te wekken. De haalbaarheid hiervan is op verzoek
van de raad onderzocht. Het onderzoek is uitgewerkt in de Routekaart Zaanstad Klimaatneutraal dat
onderdeel is van het Integraal Klimaatprogramma 2010-2020. De afgelopen jaren zijn diverse stappen
gezet om dit in uitvoering te brengen. Het open en slim energienet Zaanstad is daarvan een voorbeeld.
2011&2014: Realisatiestrategie open en slim energienet
De haalbaarheid van een warmte- en koudenetwerk in Zaanstad is in 2011 onderzocht. In het onderzoek
worden vooral kansen gezien voor een warmtenetwerk gevoed met restwarmte, biomassa en geothermie.
In het onderzoek is geadviseerd om de haalbaarheid verder te onderzoeken in een nauwkeurigere
financiële haalbaarheidsstudie en stap voor stap het netwerk via lokale kansen te verzilveren. Dit advies is
door B&W in 2011 vastgesteld als te volgen strategie. Tevens is vastgesteld dat Zaanstad hierin de regie
zal nemen.
Samenwerkingsovereenkomst open en slim energienet; de gebieden en focus ZMC
Op 10 oktober ji. hebben 22 partijen onder regie van de gemeente Zaanstad de
samenwerkingsovereenkomst 'open en slim energienet Zaanstad' getekend. Er is daarmee een breed
draagvlak om de ontwikkeling van het net in gezamenlijkheid verder uit te werken. De afgelopen maanden
is hard gewerkt aan de eerste contouren van het net en wordt duidelijk waar uitdagingen en kansen liggen.
Een grote kans op dit moment is de aansluiting van de nieuwbouw van het Zaans Medisch Centrum (ZMC)
en haar omgeving, als launching customer' en eerste stap op het te realiseren net, waar nu de focus op
warmte-uitwisseling ligt. Het net kan van daaruit doorgroeien naar een grootschalig netwerk waarbij vraag
en aanbod met elkaar wordt verbonden middels ondergrondse infrastructuur en contractuele afspraken. De
allereerste lokale kans vanuit de regierol van de gemeente is de realisatie van een biomassacentrale met
netwerk in de nabijheid van de nieuwbouw van het ZMC.
§ 5. Maatschappelijk draagvlak van het project
BAM, als exploitant van het ZMC, EVEAN, Multi-Vorm, Rochdale en OVO Zaanstad hebben positief
gereageerd op het voornemen om een biomassa centrale te realiseren en zijn bereid om proposities
serieus te overwegen mits deze minimaal kostenneutraal is.
Zaam /Pascal College en de bewonersvereniging IJdoorn staan positief kritisch tegenover de realisatie
van de biomassa centrale. Tijdens de voorbereiding van het project (maart 2014) is met de scholen in de
omgeving (Zaam / Pascal College) en de bewonersvereniging van de IJdoorn gesproken. Zorgen van de
scholen en van de bewonersvereniging over vervoersbewegingen en luchtkwaliteit, zijn serieus
meegenomen in het plan. Bij de situering van het gebouw is rekening gehouden met de
vervoersbewegingen. Uit een digitale rijcurvensimulatie blijkt dat het transport op eigen terrein afgewikkeld
kan worden. De truck met oplegger hoeft niet op de rijweg van de Pascalstraat te manoeuvreren. Het
transport van de grondstof houtsnippers blijft beperkt tot gemiddeld 2 vrachtwagens per week. Uit de
vormvrije MER blijkt dat de emissie gering is.
Na het gesprek in maart heeft de bewonerscommissie van de IJdoorn in haar nieuwsbrief aandacht
besteed aan het plan. Met de bewonersvereniging van de flat de IJdoorn is het plan juli 2014 opnieuw
11
besproken. Voor het draagvlak onder de bewoners is belangrijk dat hun verhuurder (Rochdale) de lagere
kosten van de warmtelevering doorberekent naar de huur en geen hogere huur vraagt voor een gunstiger
energielabel.
§ 6.
Stedenbouwkundige aspecten
Liqginq en begrenzing van het project
Het plangebied omvat een deel van een groen perceel gelegen aan de Pascalstraat en de watergang de
Gouw in Zaandam. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de
Pascalstraat, aan de oostzijde door het terrein van het Pascal College. Aan de zuid- en
westzijde wordt het plangebied begrensd door het Burgemeester in 't Veldpark, waarlangs de
Gouw ligt. Het plangebied bestaat momenteel uit bosschages.
•r"
'
•
-
•
j
1,..:-2...-
....,...;,‘._,—,....
Zaan
r-=''''' 'si
' r•I''S
"" ""--:—
..': '
d t.-
•
,—
'
.-t. l'i .: h., md - \ , .
'::.."-- :\ ',.• ' •••• ' ''\
-'.'><
■""" :. \ .' • 1"- •........*:01511"ratotrd
t
'-'-‘, ...,,,
,->,\ -,
•
-7.
,. ? .t 0-g.,* \
S-.. - ••:.4.
.3›... i•-•‘ .,- '''
,- ''' • • \'
'
•
•
d'r;
--r
..,
''''
TP1'.' ■ D
'
-
'
7.".• 1-1 l ..--7.
,.".■::Z' ›' itr,"0,11.
‘
V,-,L7'; , •,
• t.i.": . '',...‘ ,s,‘J-r,
'' .
ZAANDAM
{ 1
• ‘.11'.1 1:
i
%
Gf
''' 4.•'
‘ ‘‘. '
\-.
'' 1■'
■ ..•': .... • '' ',...„-
Situering bio-energiecentrale tussen de Gouw en het Pascalcollege
12
ZNS T D
Toekomstige situatie
De te realiseren inrichting betreft een installatie voor de productie van elektriciteit en warmte uit
houtsnippers. Op jaarbasis wordt ca. 3200 ton houtsnippers aangevoerd met vrachtauto's. De snippers
worden gestort in een inpandige en bovengrondse storthal, van waaruit ze in het gebouw worden
getransporteerd en verdeeld over twee biomassagestookte ketels en een biomassagestookte vuurhaard
die gekoppeld is aan een eenheid voor elektriciteitsopwekking.
Het ketelhuis met een diepte van zo'n 31 meter en een breedte van circa 15 meter wordt geheel uitgevoerd
in beton en voorzien van een gasbeton dak op een hoogte van 6 meter. Alleen het zuidelijk gedeelte van
het gebouw — achterin - is niet voorzien van een dak omdat daar de hogere installatie-onderdelen worden
geplaatst die ook buiten kunnen staan. Buffervaten en filterinstallatie krijgen een maximale hoogte van zo'n
10 meter. De schoorsteen krijgt een hoogte van 20 meter.
Aan de noordgevel van de centrale, gelegen aan de Pascalstraat, komen twee grote deuren: een roldeur
ter plaatse van de storthal en daarnaast een dubbele deur als entree van het gebouw nodig om de
ascontainer af te kunnen voeren. Tevens dient deze deur als ingang van het gebouw.
Aanzicht van plangebied vanuit het noordwesten vanaf de Pascalstraat
13
ZNST D
Afbeelding bouwwerk in zijn omgeving
Stedenbouwkundiqe inpassinq
De beoogde locatie betreft een deel van het Burgemeester In 't Veldpark. Vanuit stedenbouwkundig
opzicht betreft het perceel een hoekje van het park dat functioneel gezien minder van belang is. Het
realiseren van de gevraagde functie is daarom vanuit stedenbouwkundig oogpunt heel goed mogelijk.
Daarbij is het van belang dat de locatie een groene uitstraling behoudt en dat de inpassing en uitvoering
van het gebouw in samenhang is ontworpen met het gebruik van het park ter plaatse. Een groene
uitstraling kan tevens worden bereikt door de duurzame functie van het gebouw zichtbaar te maken. Voorts
blijft de Gouw voorzien van een bepaalde breedte aan groen. Hiervoor is de breedte aangehouden tussen
het water en het aanwezige voetpad (met behoud van de daar aanwezige bomen);
Op de projectlocatie zijn veel bomen aanwezig. Deze bomen, waaronder enkele waardevolle, zullen gekapt
worden. Bomen die ten behoeve van het bouwplan moeten verdwijnen zullen op andere locaties in de
directe omgeving worden herplant. Voor het kappen zal separaat een omgevingsvergunning worden
aangevraagd.
Warmtenet
Via een ondergronds warmtenet wordt warmte gedistribueerd naar de aangesloten afnemers. In
onderstaand figuur is het warmtenet weergegeven.
14
De onderdoorgang van de Gouw wordt door middel een gestuurde boring gerealiseerd, te beginnen ca. 60
meter ten oosten van de Gouw nabij het ketelhuis, eindigend ca. 75 meter ten westen van de Gouw. De
bovenkant van de leiding dient in het midden van de Gouw ca. 3,5 meter onder NAP te liggen. Daarmee
wordt een dekking op de bodem van ca. 1 meter gerealiseerd. Met het Hoogheemraadschap
Noorderkwartier is hierover vooroverleg gevoerd. Voor de aanleg geldt een apart vergunningentraject
waarvoor de aanvraag ingediend moet worden bij het Hoogheemraadschap.
Verkeersontsluitinq/-situatie
Het terrein van de bio-energiecentrale wordt ontsloten op de Pascalstraat. Er zullen gemiddeld twee
vrachtwagens per week komen om de houtsnippers die als grondstof dienen, aanvoeren. Het terrein is zo
ingericht, dat de truck met oplegger niet op de Pascalstraat hoeft te manoeuvreren. De vrachtwagen kan
zonder of met één keer steken het gebouw bereiken. Als de vrachtwagen één keer steekt zal de cabine
met een deel over het trottoir scheren. Ook zonder steken zal de vrachtwagen, door de brede
toegangsdeuren in het gebouw, met een beperkt deel van de cabine over het trottoir scheren. Aangezien
dit slechts een klein deel betreft en het aantal keren dat de vrachtwagens grondstof komen aanvoeren
beperkt is, is dit verkeerskundig acceptabel.
Rijcurve simulatie
15
Parkeren
In artikel 2.5.30 lid 1 van de Bouvwerordening Zaanstad 2008, op 11 maart 2010 in werking getreden,
wordt bepaald dat, indien de omvang of de bestemming van een bouwwerk daartoe aanleiding geeft, ten
behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht in, op of
onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat bouwwerk behoort. Deze
ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het bouwwerk, waarbij rekening
moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.
In de, door de raad op 18 februari 2010 vastgestelde 'Parkeernota', laatst gewijzigd 4 april 2013, worden
hiervoor regels gesteld.
Op het terrein worden drie gemarkeerde parkeervakken aangelegd. Een bio-energiecentrale is een
dermate specifieke voorziening dat hiervoor in de Parkeernota geen parkeereis is opgenomen. In de
centrale is niet permanent personeel aanwezig, en de locatie wordt, buiten het lossen van de biomassa,
alleen incidenteel bezocht voor onderhoud en dergelijke. In dergelijke gevallen zullen er 1, hooguit 2,
personenauto's geparkeerd staan. De omvang en de bestemming van het gebouw geven dan ook geen
aanleiding te veronderstellen dat de 3 parkeerplaatsen op eigen terrein niet toereikend zullen zijn. Het
onderhavige bouwplan voldoet daarmee aan de voorschriften van artikel 2.5.30 lid 1 in samenhang met het
beleid zoals vastgesteld in de 'Parkeernota'.
§ 7.
Watertoets
Artikel 3.1.6, lid 1 sub b Bro stelt verplicht dat in de ruimtelijke onderbouwing een beschrijving wordt
opgenomen van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de
waterhuishouding.
Bij beschouwing van de consequenties van het plan voor de waterhuishouding zijn de volgende items van
belang:
- be-invioedt het plan een kering of dijk,
- worden er sloten gedempt of sloten verlegd,
- is de toename van verhard oppervlakte (daken en openbare weg) meer dan 800 m 2 en,
- beïnvloedt het plan het onderhoud van watergangen.
Voor de bouw van de bio-energiecentrale hoeft geen oppervlaktewater te worden gedempt of verlegd.
Nabij de centrale ligt geen kering of dijk.
Voor een toename van verhard-oppervlakte (daken en verhardingen) van meer dan 800 m2 wordt door het
Hoogheemraadschap compensatie vereist. De toename van verhard-oppervlakte is iets meer dan 800 m2.
Met de initiatiefnemer is afgesproken dat de hemelwaterafvoeren (van daken en verharding) moeten lozen
in de grond. De afvoer van neerslag naar oppervlaktewater wordt hiermee vertraagd en daardoor wordt de
waterhuishouding door de bouw van de bio-energiecentrale niet extra belast.
Door het kiezen van deze oplossing is het niet noodzakelijk compenserend oppervlaktewater te graven en
is hiervoor geen wateNergunning van het Hoogheemraadschap nodig.
§ 8.
Milieuaspecten
Gemeentelijk (milieu)beleid
Ruimtelijke Milieuvisie Zaanstad
De ruimtelijke milieuvisie is op 24 september 2009 vastgesteld door de gemeenteraad. De raad heeft de
wens uitgesproken dat Zaanstad in 2020 klimaatneutraal is en dat het aantal milieubelaste woningen van
60.000 in 2007 wordt teruggebracht naar 30.000 in 2020. Het klimaatbeleid wordt verder uitgewerkt in het
Integraal Klimaatprogramma Zaanstad 2010-2020.
16
Milieueffectrapportaqe (MER)
De Wet milieubeheer kent een aantal regels waaraan getoetst wordt of een milieueffectrapportage een verplicht onderdeel is van een project.
In het Besluit milieueffectrapportage komt een biomassacentrale als activiteit voor in zowel onderdeel C als
in onderdeel D:
- onderdeel C 22.1: in dit geval betreft het te toetsen vermogen van de biomassa centrale van 2,5 MWth
(megawatt thermisch) en ligt daarmee onder de drempelwaarde in kolom 2
van 300 MWth.
- onderdeel D 22.1: in dit geval betreft het te toetsen vermogen van de biomassa centrale van 2,5 MWth
(megawatt thermisch) en ligt daarmee onder de drempelwaarde in kolom 2
van 200 MWth.
Ingevolge hiervan moet voor het besluit op deze aanvraag een vormvrije m.e.r worden opgesteld..
Hieronder volgt in het kader van deze vormvrije m.e.r puntsgewijs de beoordeling van de verschillende
milieuaspecten:
Geluid
Het bureau Stroop raadgevende ingenieurs bv heeft een akoestisch onderzoek uitgevoerd
voor de melding in het kader van het Activiteitenbesluit. De inrichting zal worden gerealiseerd aan de
Pascalstraat te Zaandam. Het terrein wordt aan de noordzijde begrenst door de Pascalstraat, aan de
westkant door (een pad langs) de rivier de Gouw en aan de westkant door een sportterrein. De meest
nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen zijn:
•
het Zaans Medisch Centrum (ZMC), in westelijke richting aan de overzijde van de Gouw. De
afstand tot de terreingrens van de biomassacentrale bedraagt circa 80 m. Dit betreft de huidige
situatie. In de toekomst zal er nieuwbouw van het ZMC plaatsvinden in westelijke richting. Deze
bevindt zich verder van de biomassacentrale dan de gehanteerde beoordelingspunten. Hier zal de
geluidbelasting altijd lager zijn dan in dit rapport is berekend,
•
het Pascal College, in oostelijke richting aan de overzijde van het sportterrein. De afstand tot de
terreingrens van de biomassacentrale is ook ongeveer 80 m. Het doel van het onderzoek was de
geluidbelasting, als gevolg van de inrichting, inzichtelijk te maken aan de hand van de
representatieve bedrijfssituatie. De geluidbelasting ten gevolge van de inrichting is getoetst aan de
geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit. Uit de rapportage blijkt dat voor zowel de
langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) als de maximale geluidniveaus (LAmax) ruimschoots
wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit.
Indirecte hinder
De geluidbelasting vanwege indirecte hinder is beoordeeld volgens de Circulaire inzake geluidhinder
veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting en levert geen belemmeringen op.
Conclusie
Het milieuaspect geluid vormt geen belemmering voor de afgifte van de omgevingsvergunning.
Geur
Geuroverlast als gevolg van de emissie van verbrandingsgassen kan hoofdzakelijk ontstaan door
onvolledige verbranding wanneer de installatie wordt opgestart. Dat vindt tweemaal per week plaats en
duurt maximaal 30 minuten. Hierdoor worden roetdeeltjes en geurcomponenten uitgestoten. Om
geuroverlast te voorkomen is de installatie uitgerust met een elektrostatisch filter die de stof en roetdeeltjes
uit de verbrandingsgassen afvangt. Door de verbrandingsgassen op een hoogte van 20 meter te emitteren
vindt er tevens een verdunning van de verbrandingsgassen plaats die ook de geurcomponenten
verdunnen, waardoor geen geuroverlast wordt verwacht.
17
Conclusie
Het milieuaspect geur vormt geen belemmering voor de afgifte van de omgevingsvergunning.
Luchtkwaliteit
Er is een onderzoeksrapport opgesteld door Procede Biomass BV. Het rapport is als bijlage bij deze
ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Uit het onderzoek blijkt, dat zowel de bijdrage van fijn stof PM 1° als die
van stikstof oxiden NO x ten opzichte van de huidige gehalten op de te beschermen objecten Pascal
College, de IJdoorn flat noordwest hoek en de Zorgboulevard oostkant marginaal zijn.
Bij de verbranding van hout ontstaan met name tijdens het opstarten van het verbrandingsproces
roetdeeltjes in de verbrandingsgassen. Daarnaast wordt ook fijn stof PM 1° geëmitteerd. De roetdeeltjes
worden door elektrostatische filters afgevangen. Omdat het verbrandingsproces geheel is afgestemd op de
verbranding van houtsnippers is de emissie van fijn stof PM 1° gering. In het onderzoeksrapport is hierover
het volgende geschreven:
•
de bijdrage aan fijn stof PM 1° bedraagt max 0,14 pg/m3 in een straal van 100 meter rondom de
centrale. Daarmee komt de totale belasting aan fijn stof PM 1° op circa
22,61 pg/m3 op de lJdoornflat en 22,57 pg/m3 op het Pascalcollege en 22,53 pg/m3 op de
oostzijde van de Zorgboulevard, hetgeen ten opzichte van het wettelijk maximum van 40 pg/m3
een acceptabele belasting betekent. De andere gevoelige objecten waaronder het ZMC liggen
verder weg van de emissiebron waardoor de belasting aan fijn stof PM 1° nog lager ligt.
Vanwege de aanwezigheid van gebonden stikstof in het hout komen er stikstofoxiden NO x vrij. Volgens het
Activiteitenbesluit dient de emissie bij een vermogen tussen de 0,4 MW en 1 MW minder dan 300 mg/m 3 te
zijn. Vanwege de kleinschaligheid van de installatie en de daarmee gepaard gaande geringe NO N-uitstoot,
zijn reductiemaatregelen niet nodig.
In het onderzoeksrapport is hierover het volgende geschreven:
•
de bijdrage aan stikstof oxiden NO x bedraagt max 0,011 pg/m3 in een straal van 100 meter
rondom de centrale. Daarmee komt de totale belasting aan stikstof oxiden NO, op circa 26,14
pg/m3 bij de IJdoornflat en op 26,13 op het Pascalcollege en de Zorgboulevard, hetgeen ten
opzichte van het wettelijk maximum van 40 pg/m3 een acceptabele belasting betekent. De andere
gevoelige objecten waaronder het ZMC liggen verder weg van de emissiebron waardoor de
belasting aan stikstof oxiden NO x nog lager ligt. Vanwege de kleinschaligheid van de installatie en
de daarmee gepaard gaande geringe NON-uitstoot, zijn reductiemaatregelen niet nodig.
Koolstofdioxide (CO 2)
•
Tijdens het verbrandingsproces komt ook CO 2 vrij. De planten en bomen die als brandstof
worden gebruikt, hebben deze hoeveelheid tijdens de groei uit de atmosfeer gehaald. Hierdoor
komt per saldo dus geen extra 00 2 in de atmosfeer (duurzame vorm van energieopwekking).
Conclusie
Het milieuaspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de afgifte van de omgevingsvergunning.
Natuurbescherminqswet / Flora- en faunawet
In de gemeente Zaanstad bevindt zich een aantal natuurgebieden (Natura 2000 gebieden), die, in het
kader van de Natuurbeschermingswet '98, zijn aangewezen als beschermd natuurgebied. De bescherming
beoogt de instandhouding van flora en fauna en de specifieke leefgebieden. Bijvoorbeeld door het
voorkomen of terugdringen van stikstofdeposities op natuurgebieden die al een hoge stikstofbelasting
hebben. Of het voorkomen van lichthinder of een te hoge geluidbelasting in gebieden waar dieren leven die
daar gevoelig voor zijn. Wanneer er negatieve effecten zijn op het beschermde natuurgebied is een
verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk. De Flora en Faunawet beoogde de specifieke bescherming
van een aantal soorten.
18
Het adviesbureau HSRO heeft een onderzoek uitgevoerd naar de belasting van de emissies van de
biomassacentrale op de natuurwaarden in het 'Oostzanerveld', liperveld, Varkensland, Oostzanetveld &
Twiske', 'Polder Westzaan"Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder'. Uit de toets van de
gebiedsbescherming blijkt het volgende: aan de hand van een voortoets t.a.v. stikstofdepositie op Natura
2000 gebieden 'llperveld, Verkensland, Oostzanerveld & Twiske', 'Polder Westzaan' Wormer- en
Jisperveld & Kalverpolder is geen significante bijdrage aan Stikstofoxiden, NO3 + HNO3 berekend.
De 0,05 mol/ha/jaar contour ligt op ten hoogste circa 1000 meter vanaf de inrichting. Op circa 1.000 meter
ten oosten van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'llperveld, Varkensland, Oostzanerveld &
Twiske'.
Belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van de depositie van stikstofoxiden op de Natura 2000
gebieden kunnen worden uitgesloten.
Flora en Fauna.
Het adviesbureau HSRO heeft een quick scan uitgevoerd ten aanzien van de soortenbeschermingter
plaatse van de te bebouwen locatie.
Geconcludeerd kan worden dat met inachtneming van de algemene zorgplicht, een ontheffing in het kader
van de Flora- en Faunawet niet nodig is.
Belangrijke nadelige milieugevolgen ten aanzien van de flora- en faunawetten worden met het voorbehoud
ten aanzien van de zorgplicht uitgesloten.
Het plangebied maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het voornemen heeft door
zijn aard en omvang geen invioed op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS. Vanuit het
provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere
beoordeling is niet nodig.
Conclusie
Het milieuaspect flora- en fauna vormt daardoor geen belemmering voor de afgifte van de
omgevingsvergunning.
De rapporten worden als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd.
Externe veiiqheid
De opslag van, het vervoer van en/of handelingen met gevaarlijke stoffen brengen binnen hun
invioedgebied risico's met zich mee. Het gaat om risicovolle bedrijven, risicovolle installaties zoals o.a.
windturbines en transportroutes voor gevaarlijke stoffen, over de weg, het Noordzeekanaal en hoge druk
aardgastransportleidingen. Voorts kent Zaanstad een veiligheid- en een beperkingengebied als gevolg
vliegtuigbewegingen. ln de bio-energiecentrale is nauwelijks personeel aanwezig. Om die reden is de bioenergiecentrale geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object, zodat verantwoording in het kader van de
externe veiligheid niet aan de orde is.
Conclusie
Het aspect van de externe veiligheid vormt geen belemmering voor de afgifte van de
omgevingsvergunning.
Bovencirondse Hooqspanninqsleidingen
Uit statistisch onderzoek is gebleken dat kinderen die lange tijd op korte afstand van de
hoogspanningleidingen wonen als gevolg van de elektromagnetische straling een verhoogd
gezondheidsrisico lopen. De gemeente Zaanstad heeft op 05-02-2004 het beleid hoogspanningsleidingen
en UMTS-antennes vastgesteld. Bij de toetsing van het project aan het gemeentelijke beleid voor
bovengrondse hoogspanningleidingen blijkt, dat het project niet ligt in de strook van 2 x 119 meter onder
de hoogspanningsleidingen, gemeten vanuit het midden van het hoogspanningstracé.
19
Conclusie
Het aspect van elektromagnetische straling afkomstig van hoogspanningsleidingen vormt geen
belemmering voor de afgifte van de omgevingsvergunning.
UMTS- en GSM antennes
Hoewel het nog steeds een punt van een maatschappelijke discussie is en het tot op heden niet bewezen
is dat de straling van antennes voor het netwerk van mobiele telefoons gezondheidsschade toebrengt aan
de gebruikers, is dit aspect toch getoetst. Uit onderzoek is gebleken, dat het bouwproject niet in strijd wordt
gebouwd met de regels (in het horizontale vlak 3 meter en in de overige richtingen op 0,5 meter tussen een
UMTS of GSM antenne en een of meerdere woningen).
Conclusie
De elektromagnetische straling afkomstig van UMTS- en GSM antennes vormt geen belemmering voor de
afgifte van een omgevingsvergunning.
Milieueffectrapportaqe (MER)
Voor dit project is een vormvrije mer-beoordeling noodzakelijk. Deze ruimtelijke onderbouwing moet als
zodanig worden beschouwd.
Goede ruimtelijke ordeninq in relatie tot milieuaspecten
Voor de beoordeling van de ruimtelijke inpassing van het project is de handreiking `Bedrijven en
milieuzonering' gebruikt. Deze handreiking voor maatwerk in de gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk
is uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).
Deze handreiking geeft richtafstanden voor de ruimte die moet worden aangehouden tussen bedrijven en
gevoelige bestemmingen van derden. Deze richtafstand is afhankelijk van de omgeving waarin zich
milieugevoelige objecten bevinden. In het algemeen geldt dat de richtafstand tot een gevoelige
bestemming in een `rustige woonomgeving' groter moet zijn dan tot een gevoelige bestemming in
`gemengd gebied'.
De omgeving van de biomassacentrale wordt beschouwd als een gemengd gebied / een gebied met
functiemenging. De locatie ligt op de bestemming P van Park en ligt ingeklemd tussen Maatschappelijke
doeleinden waaronder scholen, ziekenhuis ZMC en water.
Een biomassacentrale met de uit 2008 gedateerde sbi-code 35 B2 valt onder de Staat van
Bedrijfsactiviteiten onder milieucategorie 3.2, waarvoor de richtafstanden zijn: geur 50 meter, stof 50 meter,
geluid 100 meter en veiligheid 30 meter, tot milieugevoelige objecten zoals in dit geval het Pascal college,
de zorgboulevard van het ziekenhuis en de woningen in de flat IJdoorn aan de Zuiderzee. De kleinste
afstand tussen de biomassacentrale en het milieugevoelige object is maatgevend voor de beoordeling van
de inpasbaarheid van de biomassacentrale op de voorgenomen locatie. De kleinste afstand is die tussen
de biomassacentrale en het Pascal college en bedraagt circa 86 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de
richtafstand uit de Staat van Bedrijfsactiviteiten van 100 meter voor het aspect geluid.
De projectlocatie kan worden beschouwd als een gebied met functiemenging. In een gebied met
functiemenging is het volgens de methodiek in paragraaf 2.3 van de handreiking voor maatwerk in de
gemeentelijke ruimtelijke ordeningspraktijk van het VNG, gerechtvaardigd de grootste richtafstand van 100
meter voor geluid voor een gemengd gebied met één afstandstap te verminderen naar 50 meter. Dit omdat
het achtergrondgeluid niveau in een gebied met functiemenging hoger is. De milieugevoelige objecten
liggen op grotere afstand dan 50 meter.
Voorts is in het kader van de vormvrije m.e.r. onderzoek verricht naar de geluid-, geur- en stofbelasting.
Met het akoestische onderzoek van het bureau Stroop raadgevende ingenieurs bv, is eveneens
aangetoond dat de grootste aan te houden afstand iq. de geluidbelasting, op zowel de gevels van het
20
Pascal college als op het ZMC onder de maximaal toegestane normen blijft van het Activiteitenbesluit Wet
milieubeheer.
§ 9.
Monumenten en archeologie
In het onderhavige geval is er geen sprake van een monument.
Voorts zijn in het geldende bestemmingsplan zijn geen voorwaarden met betrekking tot archeologie
opgenomen.
§ 10.
Grondexploitatie
Een doel van de Wro (inclusief de Grondexploitatiewet (Grex)) is dat gemeenten meer regie en sturing
krijgen op de ruimtelijke ontwikkelingen in de stad (ook voor gebieden zónder gemeentelijk grondbezit). De
nieuwe wetgeving verplicht om de kosten die de gemeente maakt ten behoeve van die ontwikkeling te
koppelen aan de ruimtelijke doelstellingen en te verhalen op diegene die de ontwikkeling tot stand brengt.
Het gaat hierbij om zowel fysieke kosten (uitvoeringskosten) als ontwikkelingskosten (planvoorbereidingsen planbegeleidingskosten).
Bovenplanse kosten en kosten voor ruimtelijke ontwikkelingen worden verankerd in een structuurvisie. Bij
een bestemmingsplan dan wel een besluit tot afwijking van het bestemmingsplan/de beheersverordening
(als onderdeel omgevingsvergunning) hoort een exploitatieplan of overeenkomst. Het kostenverhaal wordt
geëffectueerd met een overeenkomst (anterieur of posterieur). De gemeente Zaanstad hanteert de lijn dat
alleen een besluit tot afwijking van het bestemmingsplan/de beheersverordening op grond van artikel 2.12
eerste lid, sub a, onder 3 0 Wabo wordt genomen, indien de aanvrager vooraf met het college (voorbereid
door afdeling Grondzaken) een anterieure overeenkomst heeft gesloten. Ook kan een besluit op grond van
artikel 2.12 eerste lid, sub a, onder 3° Wabo worden genomen, indien kostenverhaal in het kader van de
Grondexploitatiewet niet aan de orde is.
Ten behoeve van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan hoeft geen (anterieure) overeenkomst
te worden gesloten, nu kostenverhaal in het kader van de Grondexploitatiewet niet aan de orde is. Het
project heeft namelijk geen ingrijpende infrastructurele gevolgen. De gemeente zal de grond ten behoeve
van het project in erfpacht uitgeven.
§ 11.
Overleg met de provincie en andere betrokken bestuursorganen
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wabo wordt het toenmalige projectbesluit (oud artikel 3.10 Wro)
in gewijzigde vorm in de Wabo opgenomen, onder artikel 2.12, lid 1 sub a 3°. In de procedurebepalingen
artikel 6.18 Bor, is bepaald dat ontwerp-omgevingsvergunningen die zien op het afwijken van een
bestemmingsplan dienen te worden toegezonden aan provinciale en andere diensten, ten behoeve van
overleg, zoals in artikel 3.11 de Bro is voorgeschreven.
Provincie
De provincie heeft bij besluit van 8 mei 2012, onder nummer 2012-17090, beleidsregels opgesteld inzake
de gevallen waarin niet langer noodzakelijk is om vooroverleg te plegen met de provincie over de in
voorbereiding zijnde bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen en (oud)
projectbesluiten (door de provincie gezamenlijk aangeduid als "bestemmingsplannen").
Het college heeft conform dit beleid getoetst of het onderhavige besluit in aanmerking komt voor
vooroverleg met de provincie.
Dit is niet het geval omdat het project niet één van de gevallen betreft waarvoor is voorgeschreven dat
vooroverleg is vereist.
Rijk
Het Rijk is per 1 januari 2012 gestopt met het vooraf toetsen van nieuwe gemeentelijke
bestemmingsplannen en ruimtelijke plannen van de provincies op strijdigheid met nationale belangen zoals
21
milieuregels. Het ministerie van Defensie, het ministerie van EL&I (Energie) en Rijkswaterstaat blijven de
plannen wel beoordelen op hun eigen directe belangen.
Het onderhavige project raakt de hierboven genoemde belangen niet zodat er geen sprake is van
noodzaak tot (voor)overleg.
Hoogheemraadschap
Sinds april 2012 heeft het hoogheemraadschap de digitale toets in werking. Op de site `www.de
watertoets.n1' wordt zichtbaar of een ruimtelijk plan raakt aan belangen van HHNK (watersysteem,
waterkering, persleiding enz.). 1ndien daartoe aanleiding is, wordt contact opgenomen met het
hoogheemraadschap..Aanvrager heeft contact met het Hoogheemraadschap over het aanleggen van de
leiding onder de Gouw.
§ 12.
Zienswijzen en betrokkenheid omwonenden
1n deze paragraaf worden de uitkomsten aangegeven van het met toepassing van artikel 3:2 Awb verrichte
onderzoek en een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de
totstandkoming van het besluit zijn betrokken. Zoals onder paragraaf 5 is aangegeven heeft de aanvrager
contact over het bouwplan met de scholen uit de directe omgeving en met de bewonersvereniging.
Een besluit tot afwijken van het bestemmingsplan of beheersverordening wordt voorbereid met toepassing
van afdeling 3.4 Awb (Uniforme Openbare Voorbereidingsprocedure). Van het ontwerp-besluit wordt
kennisgegeven in het Zaans Stadsblad en in de Staatscourant.
Ten aanzien van het ontwerp-besluit kan een ieder gedurende de inzagetermijn mondeling of schriftelijk
een zienswijze indienen bij het college. De vastgestelde ruimtelijke onderbouwing wordt samen met het
ontwerp-besluit ter inzage gelegd.
§ 13.
Uitvoerbaarheid
Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen dat de (economische) uitvoerbaarheid van het project op problemen
zou stuiten dan wel onmogelijk zou zijn. Aan een aantal grotere klanten (BAM, Rochdale, Evean) zijn
concrete prijsaanbiedingen gedaan. Er zijn besprekingen gaande over de af te sluiten contracten. Voorts
zal subsidie aangevraagd worden op grond van de Rijkssubsidieregeling Stimuleringsregeling Duurzame
Energieproductie. Voor deze subsidieregeling is van overheidswege 3,5 miljard Euro beschikbaar tot en
met 18 december 2014, volgens het wie het eerst komt, het eerst maalt' principe. Om een beroep te
kunnen doen op deze subsidie is een afgegeven omgevingsvergunning een vereiste.
§ 14.
Conclusie
Het project `de bouw van een bio-energiecentrale' is een ruimtelijk verantwoorde ontwikkeling.
22
Bijlage 1: Uittreksel bestemmingsplan
23
inhoud van de voorschriften
Versie september 2006
Hoofdstuk I Inleidende bepalingen
Artikel 1
Artikel 2
Artikel 3
Begripsbepalingen
Wijze van meten
Anti-dubbeltelbepaling
3
3
9
11
Hoofdstuk II Bestemmingen en gebruik
13
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikei 8
Artikel 9
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 17
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 20
Artikel 21
Artikel 22
13
15
17
18
19
21
22
24
26
27
29
30
31
32
33
34
35
37
38
Woondoeleinden (W)
Woon- en Detailhandeisdoeleinden (WD)
Woonwagens (WW)
Tuinen (D
Erven (E)
Garages en Bergplaatsen
Gemengde Doeleinden (GD)
Horecadoeleinden (H)
Maatschappelijke Doeleinden (M)
Bedrijfsdoeleinden (B)
Park (P)
Groenvoorzieningen (GR)
Verkeersdoeleinden (V)
Verblijfsdoeleinden (VD)
Verblijfsdoeleinden groen (VDg)
Water
Primair Leidingen
Archeologisch waardevol gebied (AW)
Incidenteel Archeologisch waardevol gebied
Hoofdstuk III Algemene bepalingen
39
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 25
Artikel 26
Artike127
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
Hoogteaanduidingen
Algemene vrijsteHingsbevoegdheden
Gebruik van gronden en bouwwerken
Algemene procedurevoorschriften
Overgangsbepaling ten aanzien van gebruik
Overgangsbepaling ten aanzien van bouwwerken
Beperkingengebied Schiphol
Strafbepaling
Bijlagen
Titel
Bijlagen:
1. Lijst van bedrijfstypen.
2. Staat van Horeca-activiteiten.
Gemeente Zaansted
Bestemmingsplan Rostnolenwijk
Voorschriften
Hoofdstuk II Bestemmingen en gebruik
Artikel 14 Park (P)
Doeleindenomschrijving
1. De gronden op de plankaart aangewezen voor Park (P) zijn
bestemd voor:
a. groenvoorzieningen;
b. voetpaden;
c. watergangen en waterpartijen.
d. speelvoorzieningen
Bow~oorschriften
2. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming
uitsluitend worden gebouwd:
a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3. Voor het bouwen als bedoeld in lid 2, geiden de volgende
bepalingen:
a. het bebouwingspercentage mag niet meer dan 10% bedragen;
4. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet
meer bedragen dan aangegeven op de plankaart dan wel in
artikel 23 "Hoogteaanduidingen".
Gemeente Zaanstad
Bestemmingspfan Rosrnalenwiik
Voorschriften
29
ZNSTD
Bijlage 2: Nieuwe situatie
24
ZNS TD
Bijlage 3: Quick scan natuurwaarden
25
QU1CKSCAN NATIMRWAARDEN
Pascalstraat ongenummerd, Zaandam
Concept
Mei 2014
HSRO, Afferden
QUICKSCAN NATUURWAARDEN
Pascalstraat ongenummerd, Zaandam
Concept
COLOFON
Datum: Mei 2014
Versie: 1.1-20140522
Status: Concept
Door
HSRO
ir. J.A. van Mil
Hoogstraat 1
6654 BA Afferden
tel: 0487-542906
fax: 0487-542905
www.hsro.ni
In opdracht van:
BioForte BV
De heer H. Langevoort
Vlierstraat 111
7544 GG Enschede
tel: 033-2586511
www.bioforte.ni
tKIHOUDSOPGAVE
1 INLEIDING
1.1 Aanleiding
1.2 Doel van het onderzoek
1.3 Leeswijzer
2 WETTELIJK KADER
2.1 Flora- en Faunawet
2.2 Ecologische Hoofdstructuur
2.3 Natuurbeschermingswet 1998
3 HUIDIGE SITUATIE EN HET VOORNEMEN
3.1 Locatie
3.2 Het voornemen
4 ONDERZOEKSMETHODE
4.1 Soortenbescherming
4.2 Gebiedsbescherming
5 NATUURWAARDEN
5.1 Flora
5.2 Vogels
5.3 Zoogdieren
5.4 Reptielen, amfibieën en vissen
5.5 Overige beschermde soorten
6 BEOORDELING SOORTENBESCHERMING
6.1 Flora- en faunawet
6.2 Vogels
6.3 Vleermuizen
6.4 Overige soortgroepen
6.5 Uitwerking algemene zorgplicht
7 BEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING
7.1 Ecologische Hoofdstructuur
7.2 Natuurbeschermingswet 1998
8 SAMENVATTING & CONCLUSIE
8.1 Soortenbescherming
8.2 Gebiedsbeschemiing
8.3 Algemene aanbevelingen
LITERATUUR
BIJLAGEN
Bijlage 1: Curriculum vitae ir. J.A. van Mil
Bijlage 2: Checklist en toelichting natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen
Bijlage 3: Brochure Vleermuisvriendelijk bouwen
7
7
7
7
8
8
9
10
12
12
12
15
15
15
16
16
16
16
17
17
18
18
18
18
18
18
20
20
20
21
21
21
22
23
24
24
25
37
5
(71
901' Z alsiaA
1.1
Aanleiding
De initiatiefnemer heeft het voornemen om aan de Pascalstraat te Zaandam een
biomassacentrale te realiseren. Hiervoor zal de bestaande bosbegroeiing verwijderd dienen
te worden.
Naar aanleiding deze ontwikkeling is, in het kader van de Flora- en Faunawet, de
Natuurbeschermingswet 1998 en de Ecologische Hoofdstructuur, onderzoek gedaan naar de
aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten en de effecten van het voornemen op
beschermde gebieden. Aangezien de geplande werkzaamheden mogelijk invloed kunnen
hebben op beschermde soorten en gebieden, is dit onderzoek noodzakelijk om indien nodig
ontheffing aan te vragen. Dit onderzoek is uitgevoerd door ir. J.A. van Mil. (zie bijlage 1)
werkzaam bij HSRO.
1.2
Doel van het onderzoek
Het doel van dit onderzoek is om, door middel van een veldonderzoek en een aanvullend
bronnenonderzoek, vast te stellen of er wettelijk beschermde flora- en faunasoorten in het
plangebied voorkomen en welke beschermde natuurgebieden in de omgeving van het
plangebied zijn gesitueerd. Vervolgens wordt nagegaan wat de effecten van de
voorgenomen plannen hierop zullen zijn en hoe deze effecten zich verhouden tot de (inter-)
nationale natuurwetgeving. Indien er beschermde soorten in het plangebied voorkomen,
wordt tenslotte geadviseerd op welke wijze hiervoor beschermende maatregelen
noodzakelijk zijn en op welke wijze deze kunnen worden gerealiseerd.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader van dit onderzoek beschreven. Hierna volgt in
hoofdstuk 3 een beschrijving van de onderzoekslocatie en het voornemen. Hoofdstuk 4
beschrijft de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 5 geeft een overzicht van de huidige
natuurwaarden aan de hand van veld- en bronnenonderzoek. Hoofdstuk 6 en 7 beoordelen
het voornemen aan de uitvoerbaarheid binnen respectievelijk de soorten- en
gebiedsbescherming. Hoofdstuk 8 geeft een samenvatting en een eindconclusie.
Versie 1.1-20140522
Concept
7
2
WETTELIJK KADER
2.1
Flora- en Faunawet
De Flora- en Faunawet is op 1 april 2002 in werking getreden. Deze wet regelt de
bescherming van soorten. In de Flora- en faunawet is onder andere het
soortbeschermingsdeel van de Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd en het CITESverdrag.
2.1.1 Doelstelling Flora- en Faunawet
De doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van alle in het wild levende
planten- en diersoorten. In deze wet zijn voor zo'n 1000 van de 40.000 in Nederland
voorkomende plant- en diersoorten verbodsbepalingen opgenomen. Het uitgangspunt van
de wet is 'nee, tenzij'. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde
soorten in principe verboden zijn. Daarnaast erkent de wet dat ook dieren die geen direct
nut opleveren voor de mens van onvervangbare waarde zijn. Van het verbod op schadelijke
handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken, met een ontheffing
of vrijstelling. Het verlenen hiervan is de bevoegdheid van de minister van Economische
Zaken (EZ) of, in geval van beheer en schadebestrijding, van Gedeputeerde Staten.
2.1.2 Zorgplicht
In de Flora- en faunawet is een algemene zorgplicht opgenomen. Dit houd in dat iedereen
voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, en voor
hun directe leefomgeving. (Artikel 2, lid 1). ledereen, die weet of redelijkerwijs kan
vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor flora of fauna kunnen
worden veroorzaakt, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten. Deze verplichting
geldt voor zover dit in alle redelijkheid kan worden verwacht. Hiervoor moeten dan wel alle
maatregelen worden genomen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht, om de gevolgen
te voorkomen of deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. (Artikel 2, lid 2).
De zorgplicht geldt altijd en voor alle plant- en diersoorten. Dit geldt ook voor niet
beschermde soorten en in het geval dat er ontheffing of vrijstelling van de Flora- en
faunawet is verleend. De zorgplicht betekent niet dat er geen dieren mogen worden
gedood. Als dit noodzakelijk is dient het lijden zo beperkt mogelijk te zijn.
2.1.3
Ontheffingsplicht
Soms is het onvermijdelijk door activiteiten een beschermde soort of leefgebied van een
beschermde soort wordt aangetast. De consequentie is dat vooraf moet worden bekeken of
een vrijstelling geldt, of dat een ontheffing moet worden aangevraagd.
2.1.4 Beschermingsniveau's
Op 23 februari 2005 is het "besluit houdende wijziging van een aantal algemene
maatregelen van bestuur in verband met wijziging artikel 75 van de flora- en faunawet en
enkele andere wijzigingen"(AMvB artikel 75) in werking getreden. Hierin zijn de soorten
verdeeld in 3 beschermingsniveaus die de flora- en faunawet vereenvoudigen: 1 - algemene
soorten: algemene vrijstelling of ontheffing / lichte toets; 2- Overige soorten: Vrijstelling
met gedragscode of ontheffing lichte toets; en 3 - Soorten, genoemd in bijlage IV van de
Habitatrichtlijn en in bijlage 1 AMvB: Vrijstelling met gedragscode of ontheffing /
uitgebreide toets.
Versie 1.1-20140522
8
Als de werkzaamheden vallen onder reguliere werkzaamheden en/of ruimtelijke
ontwikkeling, geldt in enkele gevallen een vrijstelling. Bij deze vrijstellingsregeling zijn 2
criteria belangrijk: De zeldzaamheid van de aangetroffen soort en de ingrijpendheid van de
werkzaamheden. Hoe zeldzamer de soort en hoe ingrijpender de activiteit, hoe strikter de
regeling.
2.1.4
Broedvogels
Alle inheemse broedvogels zijn wettelijk beschermd en worden in de nieuwe opzet van de
Flora- en Faunawet apart behandeld. Het verstoren van broedende vogels en jongen, of het
vernielen van nesten en eieren tijdens de broedperiode is verboden. Het voorkomen van een
overtreding is gemakkelijk door de werkzaamheden buiten de broedperiode uit te voeren.
Omdat de broedperiode niet voor iedere soort gelijk is, is geen vaste tijdsperiode aan te
geven. Op het moment dat beschermde inheemse broedvogels bezig zijn met hun
broedproces, mogen er geen verstorende werkzaamheden of activiteiten plaatsvinden, dus
ongeacht de periode van het jaar. Daarnaast is het ook mogelijk de nestgelegenheid (nest en
nestlocatie) buiten de broedtijd te verwijderen. Indien het niet mogelijk is om buiten de
broedperiode het nest te verwijderen, is een ontheffing noodzakelijk en zal de uitgebreide
toets worden toegepast (zie beschermingsniveau 3).
De nesten van een 16-tal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd: huismus, steenuil, sperwer,
ransuil, kerkuil, boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart., havik, ooievaar,
oehoe, roek, slechtvalk, wespendief en zwarte wouw. Het betreffen soorten uit de
beschermingscategorieën 1 t/ r, 4 van de aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke
ingrepen (Dienst Regelingen, 25 augustus 2009). De nesten van deze vogels worden
bijvoorbeeld buiten het broedseizoen gebruikt als vaste rust- en verblijfsplaats of zijn zeer
honkvast en zijn niet in staat een nieuw nest te maken.
De vogels die tot de 5de beschermingscategorie behoren zijn niet het gehele jaar
beschermd, ondanks dat de soorten ieder jaar terugkeren naar dezelfde nestgelegenheid.
Enkele voorbeelden van deze vogelsoorten zijn: spechtensoorten, huiszwaluw,
boerenzwaluw, ekster, bosuil, torenvalk en holenbroeders, zoals koolmees, boomkruiper en
bonte vliegenvanger. Verwacht wordt dat deze soorten flexibel genoeg zijn om zich ergens
anders te vestigen zodra hun nestgelegenheid verdwijnt. Op voorwaarde dat er een geschikt
habitat in de buurt is.
Ohtheffingen op verbodsbepalingen ten aanzien van vogelsoorfen waarvan de nesten
jaarrond beschermd zijn worden alleen nog verleend op basis van een wettelijk belang uit de
Vogelrichtlijn. Ruimtelijke ontwikkelingen vallen niet onder een dergelijk belang. Door het
treffen van maatregelen zal de functionaliteit van rust- of verblijfplaats behouden moeten
blijven. Dergelijke maatregelen, vastgelegd in een activiteitenplan, kunnen vooraf door
Dienst Regelingen worden goedgekeurd middels een ontheffingsaanvraag.
2.2
Ecologische Hoofdstructuur
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is het beoogde samenhangende netwerk van
kwalitiatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen in Nederland.
Dit wordt gerealiseerd door vergroting van natuurgebieden, ontwikkeling van nieuwe
natuurgebieden, aangepast agrarisch(-natuur) beheer en aanleg van ecologische
verbindingszones. Vergroting en verbinding dragen bij aan het oplossen van problemen op
het vlak van verdroging, vermesting en versnippering. Het doel is te komen tot duurzame
populaties van kwetsbare plant- en diersoorten. De ambitie is om in 2018 de beoogde
omvang van de EHS gerealiseerd te hebben.
Versie 1.1-20140522
9
22.1 'Nee, tenzir-benadering
De totstandkoming van de EHS verloopt via de sporen: bescherming en ontwikkeling. De
bescherming van de EHS wordt vormgegeven door de 'nee, tenzij'-benadering. Dit houdt in
dat bestemmingswijziging binnen de EHS niet mogelijk is als daarmee de wezenlijke
kenmerken of waarden van het gebied significant worden aangetast, tenzij er geen reële
alternatieven zijn én er sprake is van een groot openbaar belang. Om te kunnen bepalen of
de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied significant worden aangetast moet het
bevoegd gezag erop toezien dat hier door de initiatiefnemer onderzoek wordt verricht. Om
een zorgvuldige afweging te kunnen maken zal de provincie de te behouden wezenlijke
kenmerken en waarden per gebied specificeren.
Nadat er vastgesteld is dat wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant
worden aangetast, volgt de beoordeling of een ontwikkeling van groot openbaar belang is
door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling worden de volgende uitgangspunten
crehanteerd:
Stap 1: Alleen belangen die op langere termijn nog steeds aanwezig zijn, kunnen van groot
openbaar belang zijn;
Stap 2: Bij groot openbaar belang gaat het niet om belangen van één of enkele individuen.
Door gelijktijdig met een initiatief in de EHS mitigerende maatregelen te nemen kan het
mogelijk zijn om significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden te
voorkomen. Naast mitigerende maatregelen dient bij aantasting van de wezenlijke
kenmerken en waarden door een bestemmingsplanwijziging de resterende schade te worden
gecompenseerd.
2.3
Natuurbeschermingswet 1998
Per 1 oktober 2005 is de Europese wet- en regelgeving (de Habitat- en Vogelrichtlijn en
diverse internationale verdragen) in de Nederlandse wetgeving opgenomen. Deze
vernieuwde natuurbeschermingswet 1998 ziet toe op de bescherming van specifiek
aangewezen gebieden en soorten ten behoeve van specifieke instandhoudingsdoelen. Deze
doelen worden vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten van deze zogenaamde Natura 2000aebieden.
2.3.1 Vergunningsplicht
Vanaf 1 oktober 2005 is een Natuurbeschermingswetsvergunning (artikel 19d) verplicht voor
alle nieuwe projecten en handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelen:
de kwaliteit (behoud en/op versterking) en de omvang van (behoud en/of uitbreiding)
de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kunnen verslechteren,
een verstorend effect kunnen hebben op de geschiktheid en/of draagkracht van het
leefgebied van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen;
de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten.
Voor elk plan dat gelet op de instandhoudingsdoelen:
de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het gebied kunnen
verslechteren;
een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is
aangewezen.
is binnen de Natuurbeschermingswet een goedkeuringsbesluit nodig (artikel 19j).
Versie 1.1-20140522
10
2.3.2 ADC-criteria
Als de voorgenomen activiteiten de natuurlijke kenmerken van een gebied significant
aantasten, kan het bevoegd gezag alleen toestemming verlenen indien voldaan is aan de
zogenoemde ADC-voorwaarden (art. 19g, 19h en 19k van de NB-wet) Deze criteria geven
aan dat bij mogelijke significante gevolgen alleen vergunning verleend kan worden:
(A)
bij ontbreken van alternatieve oplossingen voor het project of andere handelingen;
(D)
om dwingende redenen van groot openbaar belang en;
(C)
met het voorschrift verbonden aan de vergunning dat de initiatiefnemer
cornpenserende maatregelen vooraf en tijd treft.
De compenserende maatregelen moeten hierbij worden gezien als een uiterste, omdat dit
vaak niet tot volledig herstel van de natuur leidt.
Versie 1.1-20140522
Concept
11
HUIDIGE SITUATIE EN HET VOORNEMEN
3.1
Locatie
Het plangebied omvat een deel van het bosperceel aan Pascalstraat te Zaandam, gemeente
Zaanstad. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Pascalstraat en de
rijksweg a7, aan de oostzijde door het terrein van het Pascal College. Aan de zuid- en
westzijde wordt het plangebied begrens door het Burgemeester in 't Veldpark. Het
plangebied bestaat momenteel uit bos bestaande uit onder andere populier, plataan, esdoorn
en els met een ondergroei van onder andere zevenblad, grote brandnetel en fluitekruid. (zie
kaft en figuur 3.2 en 3.3).
Tabel 3.1: Objectgegevens
3.2
Provincie
Noord Holland
Gemeente
Zaanstad
Plaats
Zaandam
Co6rdinaten
X:117.160 / Y:496.420
Het voornemen
De initiatiefnemer heeft het voornemen om het bestaande bos te kappen en op de
vrijgekomen locatie een biomassacentrale te realiseren ten behoeve van de
warmtevoorziening van het ZMC, de Zorgboulevard, het Pascal College, het Zaans lyceum,
de Oostergouw en de Evean en een Rochdale flat. De biomassa centrale heeft een vermogen
van 2,3 MWth (thermisch) plus circa 150 kW (electrisch) en een gasketel als backup en
piekvoorziening met een vermogen van 6 MWth. (zie figuur 3.4)
10.1g. 't
•
Zaan
*
ZAANDAM
Figuur 3.1: Locatie
Versie 1.1-20140522
t . 'e. ,
\i
1-,-., .\--- '1-,5<':x x-'•:‘," -)
\%.-'
.--'-:
•414'
oft
,„,---c. .,. • 11.... -, •..'<''''
• t'',' ..,-iii. so C9
.
retf:::•* .-',,
410-
12
Figuur 3.2: Aanzicht van plangebied vanuit het zuiden vanuit het Burgemeester in 't Veldpark
Figuur 3.3: Aanzicht van plangebied vanuit het noordwesten vanaf de Pascalstraat
Versie 1 1-20140522
Concept
13
Figuur 3.4: Schets van het voornemen (PM wordt vervangend door de inrichtingsschets)
Versie 1 1-20140522
Concept
14
4.1
Soortenbescherming
Op 19 mei 2014 is het plangebied onderzocht op het voorkomen van beschermde plant- en
diersoorten. Soorten zijn genoteerd aan de hand van zicht- en geluidswaarnemingen. Het
plangebied is onderzocht op sporen (wissels, haren, graafsporen, uitwerpselen etc.) om de
aanwezigheid niet direct-waargenomen soorten te kunnen vaststellen. Hiernaast is op basis
van de aanwezige biotopen, biotoopkwaliteit en verspreidingsgegevens (zie literatuurlijst)
beoordeeld welke beschermde soorten in het plangebied aanwezig kunnen zijn.
Bij elk inventariserend onderzoek (veldonderzoek en de verspreidingsgegevens uit een
bronnenonderzoek) zullen, ongeacht de expertise van de uitvoerders, vertegenwoordigers
van enkele soortgroepen op de waarnemingslijsten ontbreken. De intentie van dit type
onderzoek ligt echter niet zozeer in de volledigheid aan soorten, maar in de inschatting van
het ecologisch potentieel van de onderzoekslocatie en het (mogelijk) voorkomen van
beschermde en/of bedreigde soorten.
4.2
Gebiedsbescherming
4.2.1 Ecologische Hoofdstructuur
ln het kader van het EHS-beleid is onderzocht of de onderzoekslocatie in of nabij een
beschermd gebied is gesitueerd. Op basis van 'expert judgement` is beoordeeld of door het
voornemen de wezenlijke kenmerken en waarden van dit deel van de EHS significant
worden aangetast.
4.2.2 Natuurbeschermingswet 1998
In het kader van de Natuurbeschermingswet is onderzocht of de onderzoekslocatie in of
nabij een door de Natuurbeschermingswet beschermd Natura 2000-gebied is gesitueerd. Op
basis van 'expert judgement' is beoordeeld of het voornemen een significant effect heeft op
de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden.
Versie 1 1-20140522
Concept
15
NATUURWAARDEN
5.1
Flora
Tijdens het veldbezoek zijn geen in het kader van de Flora- en faunawet beschermde
plantensoorten aangetroffen. Het plangebied bestaat vrijwel geheel uit bos met onder
andere populier (Populus x canadensis), plataan (Platanus x hybride), esdoorn (Acer
pseudoplatanus) en els (Alnus glutinosa) met een weinig bijzondere ondergroei van onder
andere zevenblad (Aegopodium podagraria), grote brandnetel (Urtica dioica) en fluitekruid
(Anthriscus sylvestris). Gezien deze situatie en de beschikbare verspreidingsgegevens 1 " kan
de aanwezigheid van strikt beschermde vaatplanten in het plangebied worden uitgesloten.
5.2
Vogels
In en om het plangebied zijn tijdens het veldbezoek alleen merel (Turdus merula),
winterkoninkje (Troglodytes troglodytes), vink (Fringilla coelebs), koolmees (Parus major),
kauw (Corvus monedula), zwarte kraai (Corvus corone), kokmeeuw (Chroicocephalus
ridibundus), tjiftjaf (Phylloscopus collybita) en ekster (Pica pica) waargenomen. Hiervan is
met zekerheid een broedgeval van ekster vastgesteld. Gezien de locatie en de huidige
situatie worden enkel algemene soorten als roodborst (Erithacus rubecula), turkse tortel
(Streptopelia decaocto), houtduif (Columba palumbus), fitis (Phylloscopus trochilus) en
heggenmus (Prunella modularis) in en om het plangebied verwacht. Tijdens het veldbezoek
zijn geen nesten of aanwijzingen van verblijf van vogelsoorten met een jaarrond beschermd
nest aangetroffen. Gezien de locatie midden, de beschikbare verspreidingsgegevens''', de
eisen van de betreffende soorten en het gebruik van plangebied worden deze ook niet
verwacht.
5.3
Zoogdieren
In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen zoogdiersoorten waargenomen. Naar
verwachting zullen enkel algemeen beschermde zoogdiersoorten in het plangebied
verblijven. Mogelijk komen onder andere de algemeen beschermde zoogdiersoorten: mol
(Talpa europea), aardmuis (Microtus agrestis), veldmuis (Microtus arvalis), bosmuis
(Apodemus sylvaticus), bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en egel
(Erinaceus europeus) in en om het plangebied voor. Het voorkomen van zoogdieren,
waarvoor geen vrijstelling geld, is tijdens het veldbezoek niet vastgesteld en op basis van het
ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van verblijfindicatie en/of op basis van
verspreidingsgegevens 6' 78 " ook niét waarschijnlijk.
Tevens is plangebied beoordeeld op de geschiktheid als vleermuishabitat. Er zijn tijdens het
veldbezoek geen aanwijzingen gevonden dat het te kappen bos geschikt is of gebruikt wordt
als verblijfsplaats voor vleermuizen. Het plangebied is mogelijk wel geschikt als
foerageergebied voor verschillende vleermuissoorten 1012&13,
waaronder
bcrewone
dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en laatvlieger (Eptesicus serotinus).
1
Telmee.n12014
2 Waarnem ing.n12014
3 Sovon 2014
4
Telmee.n12014
5 Waarneming.n12014
6 Zoogdiervereninging 2014a
7 Zoogdiervereninging 2014b
8
Telmee.n12014
9 Waarneming.n12014
10 Dietz et al 2011
11 Zoogdiervereninging 2014b
12 Telmee.n12014
13 Waarneming.n12014
Versie 1.1-20140522
16
5.4
Reptielen, amfibieën en vissen
Reptielen en amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet waargenomen. Voor reptielen en
vissen is het perceel ongeschikt, omdat deze soorten specifieke eisen stellen aan het habitat.
Mogelijk gebruiken een aantal algemeen beschermde amfibiesoorten 14,15&16, zoals gewone
pad (Bufo bufo), het plangebied als onderdeel van het landhabitat.
5.5
Overige beschermde soorten
Voor alle overige soorten geldt dat het plangebied niet van belang is als leefgebied. Er
komen geen bijzondere habitats voor die voor libellen, vlinders, kreeftachtigen of voor
weekdieren van betekenis zijn17,1819&20. Er zijn geen aanwijzingen dat er hier duurzame
populaties van ecologische waardevolle soorten voorkomen.
14 Ravon, 2014
15 Telmee.nI2014
16 Waarneming.nI 2014
17 Vlinderstichting 2014
18 Bos et al 2006
19 Telmee.nI2014
20 Waarneming.nI2014
Versie 1.1-20140522
17
BEOORDELING SOORTENBESCHERMING
6.1
Flora- en faunawet
In het kader van de voorgenomen plannen zijn gedurende het broedseizoen overtredingen
ten aanzien van broedvogels mogelijk. Voor de overige soortgroepen, waar onder
vleermuizen, zijn door het ontbreken van geschikt habitat en/of verblijfsindicatie, de aard
van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling, geen overtreding te
verwachten ten aanzien van de Flora- en Faunawet.
6.2
Vogels
Binnen de Flora- en Faunawet genieten alle vogelsoorten een strenge wettelijke
bescherming. Voor schade aan vogels kan slechts onder strenge voorwaarden ontheffing,
laat staan vrijstelling verkregen worden. Deze bescherming is voor alle soorten gelijk, van de
zeer algemene soorten tot de zeer zeldzame. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten of
verblijfsindicatie van jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen. Een ontheffing, ten
aanzien van deze vogelsoorten, hoeft dan ook niet te worden aangevraagd.
Voor de overige te verwachten broedvogels geldt dat, indien de sloopwerkzaamheden
buiten het broedseizoen uit te voeren, er geen overtredingen plaats zullen vinden met
betrekking tot broedvogels. In de Flora- en Faunawet wordt geen vaste periode gehanteerd
voor de broedperiode. Omdat de broedperiode niet voor iedere soort gelijk is, is geen vaste
tijdsperiode aan te geven. Op het moment dat beschermde inheemse broedvogels bezig zijn
met hun broedproces, mogen er geen verstorende werkzaamheden of activiteiten
plaatsvinden, dus ongeacht de periode van het jaar. Geldend is de aanwezigheid van een
broedgeval op het moment van ingrijpen. Het (laten) uitvoeren van een controle op de
aanwezigheid van een broedgeval voor aanvang van de werkzaamheden, kan eveneens
voorkomen dat er onnodige vertraging van de plannen en verstoring van broedvogels
plaatsvindt.
6.3
Vleermuizen
Het plangebied wordt mogelijk door vleermuizen gebruikt als foerageergebied. Deze functie
zal door het voornemen nauwelijks worden aangetast. Door de beperkte omvang blijft
voldoende foerageergebied behouden. Hiernaast worden er door het voornemen geen
verblijfplaatsen of vliegroutes aangetast. Een ontheffing is niet nodig.
6.4
Overige soortgroepen
Van de overige soortgroepen worden er door het ontbreken van geschikt habitat en/of
verblijfsindicatie, de aard van de ingreep of door een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling,
geen soorten verwacht waarvoor een overtreding te verwachten is ten aanzien van de Floraen Faunawet.
6.5
Uitwerking algemene zorgplicht
Voor de te verwachten grondgebonden zoogdieren en amfibieën geldt een algehele
vrijstelling van de Flora- en Faunawet met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkelingen en
herinrichting die plaats zullen vinden in het plangebied. Het is echter wel noodzakelijk om
voldoende zorg te dragen voor alle aanwezige plant- en diersoorten en al het redelijkerwijs
mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen (zie
paragraaf 2.1.2). Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden
gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene soorten als egel, bosmuis,
veldmuis, huisspitsmuis en gewone pad.
Versie 1.1-20140522
18
Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten.
Indien deze dieren of planten het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten dienen deze te
worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. Dergelijke werkzaamheden
dienen bij voorkeur niet plaats te vinden tijdens de winterperiode.
Versie 1.1-20140522
Concept
19
BEOORDELING GEBIEDSBESCHERMING
7.1
Ecologische Hoofdstructuur
Het plangebied maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (zie figuur 7.1). Het
voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke
kenmerken en waarden van de EHS. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen
bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling is niet nodig.
o plangebied
*111111111~
amo,
Figuur 7.1: Ecologische Hoofdstructuur (bron: Provincie Noord-Holland
7.2
Natuurbeschermingswet 1998
Het plangebied is omringd door drie Natura 2000-gebieden welke beschermd zijn door de
Natuurbeschermingswet 1998. Op circa 977 meter ten oosten van het plangebied ligt het
Natura 2000-gebied 'llperveld, Verkensland, Oostzanerjeld & Twiske', op circa 2.300 meter
ten westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan' en op circa
2.100 meter ten noorden is het Natura 2000-gebied 'Wormer- en Jisperveld & Klaverpolder'
gesitueerd. Deze Natura 2000-gebieden zijn onder andere aangewezen door het voorkomen
van de habiattypen H4010B vochtige heide (laagveengebied) en H7140B overgangs- en
trilvenen (veenmosrietlanden). Deze habitattypen zijn als zeer gevoelig voor stikstofdepositie
te klassificeren (van Dobben, Bobbink, Bal & van Hinsberg, 2012)
Gelet op de toename van lokale verbrandingsproducten naar de lucht is onderzoek naar de
effecten van een mogelijke toename stikstofdepositie op de beschermde habitattypen van
deze Natura 2000-gebieden nodig. Geadviseerd wordt om een Voortoets in het kader van
de Natuurbeschermingswet 1998 uit te voeren.
Verste 1 1-20140522
20
8
SAMENVATTING & CONCLUSIE
8.1
Soortenbescherming
De Flora- en Faunawet is een soortbeschermingswet. De wet draait niet om het beschermen
van individuele organismen, maar om de duurzame instandhouding van soorten. Indien
voldoende voorzorgsmaatregelen worden genomen lijkt -het voornemen uitvoerbaar binnen
de Flora- en Faunawet. In het plangebied komen alleen algemeen beschermde flora- en
faunasoorten voor. Deze soorten genieten een algemene vrijstelling (soorten van tabel 1 van
de AmvB art. 75 bij de Flora en Faunawet) van de verbodsbepalingen art. 8 tot en met 12als
gevolg van schade door ruimtelijke ontwikkelingen en projecten. Voor deze soorten is geen
ontheffing vereist. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht
en de aanbevelingen voor de uitvoering.
Voor vogels kan worden vastgesteld dat schade aan nesten, holen, eieren en verontrusting
van individuen door de nodige voorzorgsmaatregelen kan worden voorkomen. Voor vogels
zal enkel een ontheffing in het kader van de Flora- en Faunawet noodzakelijk zijn indien het
voornemen schade toebrengt aan vaste broed-, rust- en verblijfsplaatsen. Geadviseerd
wordt, om het uitvoeren van de werkzaamheden uit te stellen tot het einde van de
broedperiode. Omdat de broedperiode niet voor iedere soort gelijk is, is geen vaste
tijdsperiode aan te geven. Op het moment dat beschermde inheemse broedvogels bezig zijn
met hun broedproces, mogen er geen verstorende werkzaamheden of activiteiten
plaatsvinden, dus ongeacht de periode van het jaar. Het (laten) uitvoeren van een controle
op de aanwezigheid van een broedgeval voor de aanvang van de werkzaamheden, kan
eveneens voorkomen dat er onnodige vertraging van de plannen en verstoring van
broedvogels plaatsvindt. Tevens wordt aangeraden om eventuele kap- en
bouwwerkzaamheden geleidelijk uit te voeren. Op deze wijze wordt dieren de gelegenheid
geboden uit te wijken.
Met inachtneming van de algemene zorgplicht, is een ontheffing in het kader van de Floraen Faunawet niet nodig.
8.2
Gebiedsbescherming
8.2.1 Ecologische Hoofdstructuur
Het plangebied maakt geen deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur. Het voornemen
héeft door zijn aard en omvang geen invloed op de wezenlijke kehmerken en waarden van
de EHS. Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de
voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling is niet nodig.
8.2.2 Natuurbeschermingswet 1998
Met de inwerking treding van de nieuwe Natuurbeschermingswet 1998 in oktober 2005 is
de Europese wet- en regelgeving volledig in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
De Natuurbeschermingswet ziet toe op de bescherming van specifiek aangewezen gebieden
ten behoeve van specifieke instandhoudingsdoelen.
Het plangebied is omringd door drie Natura 2000-gebieden welke beschermd zijn door de
Natuurbeschermingswet 1998. Op circa 977 meter ten oosten van het plangebied ligt het
Natura 2000-gebied 'Ilperveld, Verkensland, Oostzanerveld & Twiske', op circa 2.300 meter
ten westen van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied 'Polder Westzaan' en op circa
2.100 meter ten noorden is het Natura 2000-gebied 'Wormer- en Jisperveld & Klaverpolder'
gesitueerd. Deze Natura 2000-gebieden zijn onder andere aangewezen door het voorkomen
van de habiattypen H4010B vochtige heide (laagveengebied) en H7140B overgangs- en
Versie 1.1-20140522
21
trilvenen (veenmosrietlanden). Deze habitattypen zijn als zeer gevoelig voor stikstofdepositie
te klassificeren (van Dobben, Bobbink, Bal & van Hinsberg, 2012)
Gelet op de toename van lokale verbrandingsproducten naar de lucht is onderzoek naar de
effecten van een mogelijke toename stikstofdepositie op de beschermde habitattypen van
deze Natura 2000-gebieden nodig. Geadviseerd wordt om een Voortoets in het kader van
de Natuurbeschermingswet 1998 uit te voeren.
8.3
Algemene aanbevelingen
De directe omgeving is potentieel geschikt als leefgebied voor huismus, gierzwaluw,
huiszwaluw en verschillende vleermuissoorten. Deze soorten staan onder druk door steeds
verder afnemende broedgelegenheid. Met geringe inspanningen kan de nieuwbouw
mogelijkheden bieden voor de vestiging van verschillende soorten. Door het plaatsen van
bijvoorbeeld nestkasten (mussenflat), speciale dakpannen, vogelvides, (inbouw)
vleermuiskasten of maatwerk kan een positieve impuls worden gegeven aan de lokale
populaties.
Vogelbescherming Nederland heeft een unieke checklist (zie bijlage 2) ontwikkeld, waarmee
iedere bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan
maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige
maatregelen worden toegepast die goed zijn voor stadsnatuur en in het speciaal voor vogels.
De Zoogdiervereniging heeft de brochure 'Vleermuisvriendelijk Bouwen' (zie bijlage 3)
ontwikkeld met daarin handvatten waarmee bij het ontwerp, bouw en renoveren van
gebouwen eenvoudig rekening kan worden gehouden met verblijfplaatsen van vleermuizen
Versie 1 1-20140522
Concept
22
Bijlsma, R.G., E Hustings en K.C.J. Camphuysen. 2001. Algemene en schaarse vogels van Nederland (Avifauna van
Nederland 2). GMB Uitgeverij/KNNV Uitgeverij, Haarlem/Utrecht.
Bos, E, Bosveld, M., Groenendijk, D. et. al. 2006 Dagvlinders van Nederland, Nederlandse Fauna deel 7. Zeist,
KNNV uitgeverij.
Diepenbeek, A. 2000 Veldgids Diersporen.'S-Graveland, Vereniging Natuurmonumenten.
Dietz,C., Helversen, 0. von, Nill, D. 2011 Vleermuizen, Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion
Natuur, De Fontein I Tirion Uitgevers B.V. Utrecht.
Dobben H.E van, Bobbink, R., Bal, D., Hinsberg, A. van. 2012 Overzicht van kritische depositiewaarden voor
stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterra-rapport 2397, Alterra Wageningen
UR, Wageningen.
Expertisecentrum LNV. (Bal, D., Beije, H.M., Fellinger, M., Haveman, R., van Opstal, A.J.M.F, van Zadelhoff, F.J.
2001 Handboek Natuurdoeltypen, tweede geheel herziene editie; Rapport Expertisecentrum LNV nr 2001/020
Wageningen.
Jonsson, L. 1998 Complete gids Vogels van Nederland. 'S-Graveland, Vereniging Natuurrnonumenten.
Lange, R., Van Winden, A., Twisk, P., De Laender, J., Speer., C. 1986 Zoogdieren van de Benelux. Herkenning en
onderzoek. Jeugdbondsuitgeverij., Amsterdam.
Lange, R., Twisk, P., Van Winden, A., Van Diepenbeek, A. 2004 Zoogdieren van West-Europa. KNNV uitgeverij,
Utrecht.
Ministerie van Economische zaken 2014 Basis informatie natuurwetgeving, www.rijksoverheid.nl/ministeries/ez.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2003. Ondernemen en de Flora- en Faunawet. Ministerie van
Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.
Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, 2005-A. Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met
beschermde dieren en planten! Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, Den Haag.
Meijden, R. van der, 1996 Heukels Flora van Nederland, 22e druk. WoltersNoordhoff, Groningen.
Ministeries van VROM, LNV, V&W en EZ, 2006 Nota Ruimte, Ruimte voor ontwikkeling, deel 4.
Naturalis.
2014
Nederlands
www.nederlandsesoorten.nl .
soortenregister,
overzicht
van
de
Nederlandse
biodiversiteit.
Provincie Gelderland 2014 Gegevens gebiedsbescherming, www.gelderland.nl .
Ravon 2014 Soortgegevens reptielen, amfibieën en vissen, www.ravon.nl .
SOVON Vogelonderzoek Nederland. 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000.Nederlandse fauna 5.
Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij en European invertebrate Survey Nederland,
Leiden.
Sovon 2014, Soortgegevens broedvogels, www.sovon.nl .
Telmee.nl 2014, Verspreidingsgegevens van landelijke PGO's en vrijwilligers, www.telmee.nl .
Vlinderstichting 2014, Soortgegevens vlinders en libellen, www.vlinderstichting.nl .
Waarneming.nl 2014, Waarnemingen van vrijwilligers, www.waarneming.nl
Zoogdiervereniging 2014a, Soortgegevens zoogdieren, www.zoogdiervereniging.nl .
Zoogdiervereniging 2014b, Versrpeidingsgegevens zoogdieren, www.zoogdieratlas.nl .
Versie 1 1-20140522
23
BULAGEN
Bijlage 1: Curriculum vitae ir. J.A. van Mil
Naam:
Geboortedatum:
E-mail:
Ir. JA. van Mil
08 Septem ber 1980
[email protected]
Werkervaring
2004 - beden:
OpIeidjg
2001 - 2003:
Adviseur natuur en landschap bij HSRO Stedenbouw en Ruimtelijke Ontwikkeling,Afferden.
Werkzaamheden bestaan uit onder andere: Toetsingen aan natuurwetgeving, Aanvragen
ontheffingen en vergunningen. Veldinventarisaties, Onderzoek en analyse van
inventarisatiegegevens, Opstellen van beheer-, beplantings- en inrichtingsplannen, Opstellen
van Milieueffectrapportages.
Studie Bos en Natuurbeheer, Wageningen Universiteit en Researchcentrum, Wageningen
Specialisatie: Dierecologie
Afstudeeropdracht: Shaping coexistence: Twenty years of population interactions between roe
(Capreolus capreolus L.) and red (Cervus elaphus L.) deer. In samenwerking met Wageningen
Universiteit en Researchcentrum en Staatsbosbeheer
Afstudeeropdracht: The vertebrate scavenger assemblage of roe deer carcasses in southeast
Norway. In samenwerking met I.J.M Teurlings MSc, Extern PhD-student, Resource Ecology
Group, Wageningen Universiteit en Researchcentrum en het Noors Instituut voor Natuur
Onderzoek (NINA).
1997 - 2001:
Studie Bos en Natuurbeheer, IAH Larenstein, Velp
Specialisatie: Natuur en landschapstechniek
Afstudeeropdracht: Restoring the balance: The possibilities of expanding the current grazing
area and initiating new grazing areas in the Lake Pape Nature Area and the Sventaja River
Valley, Rucava, Letland. Onderzoek naar de mogelijkheden voor uitbreiding van het
begrazingsproject in opdracht van WWF-Latvia, Riga, Letland en Flaxfield Nature Consultancy,
Wavreille, België
Afstudeeropdracht: Stimulating Eco-Tourism: An infrastructure for eco-tourism in the Rucava
municipality, Latvia; The aim of this project was to setup trails and promote the available
tourism infrastructure of the Rucava municipality. Onderzoek naar een een infrastructuur voor
ecotoerisme in de Gemeente Rucava, Letland in opdracht van WWF-Latvia, Riga, Letland en
Flaxfield Nature Consultancy, Wavreille, België
Stage: NUON water Gelderland, Velp: FSC-bos beoordeling en beheerplan .
Stage: Het Brabants Landschap, Haaren: Natuurontwikkelingsplan voor de ecologische
verbindingszone tussen de Vloeiweide en de Pannenhoef te Zundert.
Stage: Groenland Beheer BV, Leersum, The Netherlands; Natuurontwikkelingsplan voor de
Maasuiterwaarden bij Maasbommel.
Cursussen
2011
2012
Overige activiteiten
2013 - heden:
2012 - heden:
2010
2009
2008 - heden:
2007 - heden:
2003 - 2005:
2003 - 2004:
Versie 1.1-20140522
Workshop Quickscan natuur Wabo, georganiseerd door Bomenstichting en VOFF.
Cursus herkenning ottersporen, georganiseerd door het Meetnet Bever-Otter van de
Zoogdiervereniging
Lid Werkgroep kleine marterachtigen, Zoogdiervereniging.
Regioco&dinator Caltura, Bever en Otter werkgroep, Zoogdiervereniging.
Veldwerk (veldcontrole van de vogel-radar) in Smola Wind Farm voor het BirdWind project,
een onderzoek naar vogelvriendelijke uitgangspunten voor nieuwe windfarms, in opdracht van
dr R.E May, Norsk Institutt for Naturforskning.
Veldwerk in Parque Natural de Monesinho, Bragança, Portugal voor het project: Ecogeography
of roe deer (Capreolus capreolus): relation with other ungulates in sympatry Voor R.T Torres,
University of Aveiro en het Noors Instituut voor Natuur Onderzoek (NINA).
Vrijwilliger voor het Netwerk Vleermuizen en Steenmarters in gebouwen (NVSG) van de
Provincie Noord-Brabant in samenwerking met de Zoogdiervereniging VZZ en het
Codirdinatiepunt Landschapsbeheer (CL).
Onderzoek naar het gedrag van kraaiachtigen op een beperkte voedselbron als onderdeel van
het project: Linking lynx predation on roe deer to the ecosystem: Scavengers and antiscavenging strategy. In samenwerking met I.J.M Teurlings MSc, Extern PhD-student, Resource
Ecology Group, Wageningen Universiteit en Researchcentrum en het Noors Instituut voor
Natuur Onderzoek (NINA).
Vrijwilliger Weidevogelbescherming, Agrarische Natuurvereniging 'De Beerse Overlaet.
Adviseur Natuur en Landschap, bewonersvereninging 'Zanderover'.
Lid Ravon.
Lid Zoogdiervereniging.
Concept
24
Bijlage 2: Checklist en toelichting natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen
Checklist
Natuurvriendelijke
maatregelen aan
gebouwen
)2,
Vogelbescherming
NEDERLAND
Versie 1.1-20140522
Concept
25
Colofon
Uitgave Vogelbescherming Nederland, 2009
Teksten en afbeeldingen Jip Louwe Kooijmans
Vogelbesche ming Nederland
in samenwerking met Martin van Dijkhuizen BAM utiliteitsbouw regio Utrecht
Vormgeving Edwin van de Laar Grafisch Ontwerpbureau. Breda
-
Fotografie Martin Hierck (huismus)Jip Louwe Kooijmans (stad). Robbert Snep (achterzijde)
Versie 1.1-20140522
Concept
26
Checklist:Natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen
1.1
Het gebouw is twee verdiepingen hoog of meer.
JA
NEE
Er is een bakstenen gevel op ncordelij<e of obstelijke nchting.
JA
NEE
Er
JA
NEE
Het gebouw voorzien van spouwmuren zoncier spouwmuurvulling.
JA
NEE
Ruimte van de spouw is minimaal 2crr
JA.
NEE
Rond het debouw staan bomen fof worden homen aangeplant
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
Het gebouw heeh rulten op de onderste v er verdiepingen
JA
NEE
Op sommige plaatsen wordt door het glas een dooroang gesuggereerd Bv waar twee
• tegenover elkaar geplaatst
•
waat ,
open ruirnte afschermt.
JA
NEE
JA
NEE
.-ijeaanvliegroute
!,,'-
voor de gevell.
Het art ■ ,00rd op bovenstaanoe vragen is x JA
1.2
!- • rtwoord np de bovenstaan vragen is 3x JA
1.3
Nes.otenen
neststenen voor
nestgelegenheid voor vleermuiz., n
oit Jntwerp buiten tle
nde mu ,
el bestaat voor een
Het antwoord op bovenstaande vragen is 2x JA gr ne gevel of gevelturn
2.1
Het antwoord op bovenstaande vragen n
glasmarkenng
411■11.10/4111.1.1220
3.1
De omgevIng van net gebouu pestaat [of zal gaan hestaanj uit open grond, zoals een
' , en parkeerplaats.
Het antwoord op bovensto...
3.2
vraag is JA
haffopen rn
-
,tenen
Het gebouw is minimaal 30 meter hoog
JA
NEE
Het gebouw heeft voldoende 7itplaatsen voor vogels, zoals vensterhanken, leidingen of
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
schoorstenen Ibijvoorbeeld een industrieel complex of centrale).
De omgevinq van het gebouw oestaa'
landbouwgrond of open water.
Het antwoord op b . ■■ staande vragen is 3x JA
.1
nestkast voor siechtvalk
Onder het oeho.uw is een parkeerlaraae or kelde•
Hat antwoord op bovenstaande vraag is JA overwinteringsruirnte voor vleermuizen
Versie 1 1-20140522
27
Daken
1
Het gebouw heek een helleno lak met dakpar nen
JA
NEE
Het antwoord op bovenstaandevraag is JA Vogelvide
Het antwoord op deze vraag is NEF
5.2
> ga naar vraan 61
Het gebouw heeft eer hellend dak met dakpar nen
Vogelvide valt bLAten de technische mogelijkheden.
de directe omgeving is struikgewas of een begroeide gevel of een hearoeide schotting
Het antwoord op bovenstaande vragen is 3x JA
5.3
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEF
dakpannen vour huismus
dak heeft een pannendak me een hellingspercentage van45.° of ~neer
Er is een dakhelling op noordelijke of oostelijke richting.
••
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
Het artwoord op bovenstaande vragen is 3x JA ■■■ dakpannen voor gierzwaluw
6.1
heef: een plat da
Het antwoord op bovensta ncie vraag isJA
groen dak of bruin dak
6.2
q5,
Het antwoord op bovenstaande vragen 2x JA
grind dak of schelpen/grind eiland
7,1
•
Het antwoord op bovensta..
Versie 1.1-20140522
ragen is 2x JA Nr ■ kunstnesten voor huiszwaluw
Concept
28
Water
In de omgeving van het gebouw of rondom ')et oebouw is c.pen water.
1. 1
JA
NEE
Len narde, goltbestendige oever is gewenst.
JA
NEE
Er is naast
JA
NEE
In de orngeving van of rondom het gebouw is oper water met aan beide zijden een
kademuur of andere harde verticale beschoeiing.
JA
NEE
In de omgeving van of rondom het gebouw 's oper water met weinig c geen
oevertegroeiing.
JA
NEE
JA
NEF
JA
NEE
JA
NEE
Een waterelernent Is opgenornen In het ruinontwerp.
JA
NEE
Het water op het terrein wordt afgewaterdop het oppervlaktewater in de omgeving.
JA
NEE
Er bestaat kans o
JA
NEE
Het water hoeft niet direrr afgevnerd te worden
JA
NEF
De bodem is geschikt von nfi!rerle van regenwate,
JA
NEE
Het antwoord op deze vraag is NEE
ga naar vraag 4.1
Het antwoord op deze vraag is JA oever met een hellingspercentage van 1 nf rtit
12
'ever een strook van 2m breed.
I - rtwoord op de le vraa,;
ar. breukstenen oeverbeschoeiing of biotoop voor muurplant ,
Ht antwoord op bovenstaande vragen is 2x JA or ■ breukstenen oever met nevengeul
Alleen het antwoord op de tweede vraag is JA
13
nevengeul of natuurlijke oever
liet antwoord op één van bovenstaande vragen is J
2.1
her water is een brug met een hoogte
Over het water is een brug rnet een hoogte van minimaal 150 cm boven het wate,
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA
23
,, inimaaf 60 cm boven het water.
nestgelegenheid voof boerenzwa ■ us,
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA
2.2
floatlands
nestkast of neststeen voor kwikstaart
Over het water is een brug met een hoogte s ar, minimaal 400cm bover. het water
• ! twoord up
,staJnde viagen is
JA
kun
voor heiszwaluw
4.
3.1
afst -oom van vervuld water.
Het antwoord op bovenstaande vragen is 3x JA
32
Het antwoord op bovenstaande vragen is x JA
Versie 1.1-20140522
'`Aofytenfitter
,vadi
Concept
29
Groen
4.1
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
iS
NEE
A
NEE
JA
NEE
JA
NEE
JA
NEE
Het antwoord op één van bovenstaande vragen is JA Halfbestrating
5.1
Bij het gebouw komt een aroervoorziening, of een bino-
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA gebruik waar mogelijk inheemse soorten
6.1
Rond de bebouwing z jn extensiet gebruikte gazcns
Het antwoord op één van bovenstaande vragen is JA pictonal meadow of vlinderberm
62
staan bomen en struiken, of komen bomen en struiken te staan.
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA mantelzoomvegetatie
7,1
Er is een harde erfscheiding en weinig ruimte
Het antwoord op bovenstaande vraaq is JA
7.2
5f s ruirrte
schutting met klimplante,
en brede erfscheiding of scheiding van functies op het terrein.
Het antwoord op bovenstaande vraag ts JA
haag
8,1
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA
worden gesnoeid.
NEE
takkenril
9.1
JA
NEE
Het antwoord op bovenstaande vraag is JA nestkasten
Versie 1 1-20140522
Concept
30
Toelichting bij de checklist natuurvriendelijke maatregelen aan gebouwen
1 Toélkhting bij maatregelen in Cheddist ecologische
maatregelen
Dc belangrijkse bron soor deze chccklist is het boek
'STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Besehennen."ririon
uitgeverijen. ISBN 978-90-5210-775-2
•
Voor aanvullende detailinformatie wordt u aangeraden de
volgende bronnen te randplegen.
In de tekst wordt verwezen naar de nummers:
1. 'Natuurvuorziening aan gebouwen' Stiehting
bouwresearch. ISBN 90-5367-261-3
2. 'Handleiding daktuinen'. Gemeente Amsterdam. Dienst
Ruimtelijke Ordening. Mei 2004
www.droatmsterdamMipublicatieslafgemeeM0 110558. ,
handleidinW
3. *Bosrandbeheer voor vlinders en andere ongewervelden'
KNNV udgeverij. ISBN 9789050111911
4. 'Winterslaapplaatsen van vleermuizen'.
vleermuiswerkgroep Noord-Brabant
www.vleennuizeninfo.heldownload
BouwVleermniswinterverblijven.pdf
5. 'Meer vogels :n de tuin•. Vogelbeseherming Nederland
2009. aan te vragen via www.vogethewherming.n1
2 Algemene richtlijnen
• Voot aanvang van de bouw
- Houd hij het ontwerp rekening met vogels.
- Integreer nestgelegenheid Ivogelvide. neststenen.
c.d.I in het ontwerp.
- Integreer ecologische daken en groene muren in het
ontwerp.
- Plan de ruimte zo dat natuuromwikkeling plaats kan
vinden.
- In het groen bv door het toepussen van inheemse
soonen.
- In het water hv door het toepassen van geleidelijke
oevers.
Sturen door leefgebied
Vogels en andere diersoorten hehhen elk hun eigen voor
keursbiotoop. Om te voor komen dat natuurvriendelijke
maatregelen leden tot vestiging van soonenop
plaatscn waar dat ttiot gewenst is. is het goed van te
voten te bedenken wat de gevolgen zaallen zajn van de
keuzes die gemaakt zijn.
•
3 Inhoudelijke onderbouwing checklist
Emlogische uitgangspunten
• Beschenning van soorten is hel rneest cfleebef
in voorkeurshiotoop. 'v'oor sommige vogel-. dieren plantsoorten is de hebouwde omgeving het
belangrijkste lecfgehicd.
• 14% gehouw of tuin siaat nont alleen
Landschappelijke aansiniting is helangrijk voor de
aarde i ln de natuurvriendelijke toepassingen.
• Kies bij be.planting zoveel mogelijk som inheemse
soorten. Dcze soorten zijn het best aangepast
aan de locale omstandigheden en hicden dc beste
mogelijkheden voor de locate levensvorrnen.
•
aag totg voor suktoende varinde. Bv. ecn hattg
die uit slechts rén soort bestaat heeft cen vccl arrner
dierrnleven dan cen haag dic nit verschillende soorten
bestaat. Als richtlijn kan men uitgaan van 504 ot
meer inheemse soorten.
• Voor veel maar rekei met alle - stadsvogels is
nestgelegenheid in huizen eruciaal Dit celdt ook voor
vicemuizen. Huizen zijn cen surrogaat voor rotsen.
• De umngeving van behowving speelt ook cen
belangtijke tol. Naast nestgelegenheid. zijn vrtedsel
en veiligbeid essentteel.
• Voorkeur voor crefren van hele trintopen. met kans
op natuurlijke ontwikkeling.
Bescherming
Men moet beseffen dat, vanaf het moment dat
van natttre in het vvilde voorkomende vogeis. of
vicermuizen de aangebrachte voorzieningen gebruiken
als vaste voortplantings-. rust- of verblijfplaats. deze
wenelijke bescherming genieten. Ook aantal inheemse
plantensoorten is wettelijk beschermd. Dat betekent
niet dat men niets meer aan het gehouw kan doen,
maar dat men dient te handelen conform de Flont &
faunawet of de daaraan gelieerde gedragscode.
Zie www.vogelsendewet. nl
Voorbeeld:
Een plat dak met grind in een haven kan leiden tot de
vestiging van een kolonie meeuwen. Een groen dak met
homen en strulken zal voorkomen dat meeuwen zieh
vestigen Imeeuwen zijri immers geen bosvogels I. maar
hiedt wel kansen voor andere soorten.
Versie 1.1-20140522
Tijdens de houw
- Geef de spontane ontwikkeling van natuur een kans
op plaatsen waar niet direct gebouwd gaat worden.
- Houd bij voorbam rekening met de vestiging van
pioniersoorten.
- Realiscer bijvoorbeeld txn hmedeiland voor
visdiefies of een oeverzwaluwwand op een
plaats waar tijdens het broedseizoen g‘x.n
houwactiviteiten zijn.
- Zo voorkomt men dat deze soorten op plaatsen gaan
broeden waar ze houwactiviteiten in de weg staan.
Na de houw
- Maak cen goed behcerplan. Leg dit vast.
- Draag hel onderhoud over aan de gehruiker eigenaar
Concept
31
Natuurvriendelijke maatregelen aan het gebouw
Muren
1 Neststenen voor gierzwaluvr
• Zie "STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.' Blz. 4(1141. Blz. 47, Blz. 134.
• Zie ook: 1 of raadpleeg lokale gierzwalewwerkgroep
12 Neststenenvoot vleermuizen
• Kan m laagbouw cn tumghouw_ Voorzieningen bij voorkeur inet meer hij elkaar.
• Invliegopcming 1 s 3 em Bijvoorkeut in de kopgevd. windriehting is niet van belang.
• Vleermuizen zijn vaak mmwelig op plaarsen waar lijnvormige groenekmenten zijn, zoals een rij bornen
• Geen verlichting op verblijlphaisen van vleermuizen.
• Zie ook: 1 of raadpleeg www.vleermulzenindestadmi. VZZ of lokale deskundige. •
13 Groene nturen
•
•
•
•
Maak een keuze, aan de band van de tabel in de bijlage. op grond van:
Beschikbare ruimte, kosten voor aanleg en onderhoud & het gewenste eindbeeld.
Zk •STADSVOGELS, Bouwen. Beleven. Beschermen: Ble. 56157, Ble. 139, Ble. 140.
Lees eventueel: `Green roofs and facades', Gary Grant 1HS BRE PressISBN: 9781860819407
fdasmartertng
• Bij permanente umoparante constructies Izoals geltudwhmarwn. luchthruggen ol gakrijenl altijd glasmaikering
toepassen.
• •lasmarkermg kan achusaf uorden toegepast. wannem ergens veel taamslachtollers blijken te vallen.
• Zie 'STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Besehermen: Blz. 34/35.
• Randpleeg ook: Rijkswaterstaat DWW-wilzer 104 (geluldschermen).
kalfopen neststeen [voor rwarte roodstaart of witte kwikstaart!
• Lnkel. minimaal 35 meter na elkaar
• Hoogte. eirea 5 meter boven de grond, temninste 2.5 Melei
• Indien tocgepasl in combinatie met ecologoeh groen dak of bruin dak.
houguit 2,5 meter under dc dakrand.
• Zie •STADSVOGELS. Bouwen. Beleven, Beschermen: Ble. 40 ,41.
• Zit ook: 1.
3.2 Nestkast voorslechtvalk
• Zie STADS‘OGELS, Bouwen. Beleven. Beschermen: 1317 38/39, Ble 46.
• Raadpleeg altijd Wterkgroep Slechtvalk Nederland.
4.1 Yleennukenkelder
Minimaal 4x4x2.5m. binnenzijde niet grof voegwerk en gaas of rooster,aan plafond.
• Een vlcermuiskelder voldoct aao ik volgende ciwn: donker, koel nnaar vorstvrij, hoge luebtvochugheid en geen
schndelijke gassi.
•
•
•
•
Bovendien moet de ruunte vrij zijn van verstonng door mensen.
Deze maatregel is nici overal mogelijk, omdar de kelder erg vochtig mom zijn.
N13. Winterverblijfplansen zint ook goed adn te bieden door spouwmuren bereikbam te houden
Zle 4 ik www.eleermukenindestadmlof raadpleeg lokale deskundige.
Versie 1.1-20140522
Concept
32
Daken
5.1 Vogekride
•
•
•
•
Plaats de vogelvide ,wer de hek Imagte van de gevel, hijvoorkeur de hele straat
Zorg ervoor dat ook de onageving voldoet aan de wensen van de huismus.
Zie 'STA,DSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.' Ble. 26127, Ble 51. Ble. 141
Raadpkez ww.v.vogelvideml of www.Monierml
52 Dakpannen voor huismus
• Zit *STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen. Ble. 24125. Ble. 51, Ble. 141.
• Zk ook: 1.
5.3 Dakpannon VOOf gierzwaluw
• ZIt 1 ‘STADSVOGEL.S. Bouwen. Beleven. Beschermen.' Ble. 24,25. Ble, 47.81e. 134.
• Zie ook: 3. Rnadpleeg eventueel lokuie gierzwaluwwerkgroep.
toommunou...
6,1 Groen dak of bruin dak
• Maak cen keuce op gtnd van:
de draagkracht van de dakconstruc tic
- het gebrurksdoel
het gewenste. eindbeeld
• Zle •STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.' BI,. 26133
• Zle ook: 2 of randpleeg: vr» vs.11vingroofs.org
Draaykracht van de dakonstructie
, 30 kg per rn, of meer
70 kg per tne of meer
hegetatietype
Substraatdikte
Vegetatiemat met sedum
Ilt t:indak
Va. 3 cm
n ariabet
Leologisch groendak
Va. 3 cm afgedekt met grind
130 kg per me of meer
Lage kruidenvegetatie
Va. 10 cm
250 kg per rne of meer
Beloophare grasmat
260 Op per me of mreer
-•
, 375 kg per ro of meer
■
600 kg per me of meer
Kruidenvegetatie tot 60
Va 19 cm
Cill
V, 20 cm
Lage struiken
30 cm
Struiken & kleine bomen tot 5 in
50 cm
62 Grindeiland op dak
r
• Zie •STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.' III,. 109.
7.1 Kunstnesten roor huiszwaluwhniszwaluw
• Zle •STA DSVOCELS. Boum en . Beleven. Beschermen.' 131e. 36/37. Ble . 95
• Zle ook: 1.
Versie 1.1 -20140522
Concept
33
Water
11 Geleidebjke oevers « torg
MOggilik 1,01 ( ,evei nwt een hellingspereentage van 1:3 of meer
• Water kan met goede infielning belangrijke funetie vervoIlen voor vogels fdrinken, bad voedsel of nestplaats
athankehjk van de soort]en voor vkermuizenfhesehut openwater - zonder begrociing op bet wateropperslak roals
kroos en waterlehes - als drinkphatts en voedselgehied1.
• Voor vleermui/en: beperk de verliehting van water.
• Zic •STADSVOCELS. Bouwen. Beleven. Besehermen. Blz. 84189.
1.2 Breukstenen oever.
• Zic - S'IADSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.'Bit. 86/89.
• Randpkeg not. Rijkswatersiant DWW-wijzer 701doorgroeiconstructies als oeverbeschermIng,
Biotoopvoor Muurplanten
• Kadetnout s oka nen san drepe voeg van kalkmortel
• Kalk- iandverbouding - 16 delen mand. t delen kalk •1 deel tras Igemalen iurfsleen]
• 114.n. noordminen zijn gesehikt.
• Besehemnng van muutplanten speelt doorgaans tlleen bij restauratie oude kademuren. Kolonisabe van nieune muren
duurr in de regel lang.
• Zle •Handleiding s1,01- beseherming van bedreigde muuridanten'. ministerie van 1..NV 1988.
1.3 floatiands
• Zk •STSDSVOGELS. Bounen. Beleven. Beschermen; Blz. 90191.
• Het bedrijf WATERGROEN uit Cuknabarg is gespeclailseerd In bet aanleggen van Floatlands.
2,1 bestpiaatsvoor boermwaltrw
• rspeen donketc piaatst . imnimaal tSnem laiven water
• ta vtrgaans alleen op plekken greniend aan landelijk gehied met vee
• Zie: acrobutcn op het err. VogelheschermIng Nederland 2009 ann te vragen via: infoO , vogelbeschermingml
2.2 bestkast of neststeen voor kwikstaart
• Lle .S1 DS'S GGEI.S. Bouwen. Bele•en. Beschermen$BI,. 95. bl.• 101. blz. 122
2.3 Kunstnesten voor huiszwaluw onder bruggen
• Zie •STADS% OG EI.S. Bouwen. Ilde•en. Bescherrnen.' 131, 95. fl1,49.
3.1 delotytenfilteg
• Zie •STA DSVOC ELS. Boua en. Bele• en. Beschermen2 Blz.
• Raadpleeg een speciallst voor de unnteg.
• Ilet bedrljf ECOFYT 1s gespecialIseerd In het aanieggen san helorytentilters.
3.2 Wadi
• Zie 'STADSVOGELS. Bouwen. Beleven. lkscherrnen.' 131z. 110/111.
• Rnadpleeg een specialist voor de aanleg.
Versie 1.1-201 4052 2
Concept
34
Green
4.1 Hatfbestrating
• Zh •STADSVOGEIS. Bouwen. Beleven. Besehermen. Blz. 42.
5.1 Inheemsesoorten
• llepa.d die keute op basis van het lloradistrict en gewenst eindbuld
• Zie STADSVOGELS.Bouwen. Beleven. Beschermen.' Blz. 53, blz. 135, blz. 138.
• Zie ook: 3. Het Nederlandse bedrijf HEEM is gespecialtseerd in het aanleggen.
6.1 Vlinderberm en Pictorial meadow
• Len linderberm bestaat uit inheentse plantensoorten gekozen op hun funeue als waardplant voor vlinders. Een pictorial
meadow wordt in de eerste plaats aangelegd als deconaie. maarkan de zelfde functic hebben. Het bebeer is gelijk.
• Zte ‘STA DSVOGELS. Bouwen. Beleven. Beschermen.' 131z. 601/61:
• Zle ook: 3 of raapireg: www.pletorlalmeadows.org .
• Het Nederlandse bedrijf HEEM is gespeciallseerd in het aanteggen.
6.2 Manteboomeegetatie
• Een mantelzoom vegetatte bestaat uit vier vegetatie 1agen, die gevormd worden door Bomen [hoogste
struiken.
hoge planten en bodembedekkers fonderste laagi.
• Traditionele inrichting [hoom in gazoni beidt slechts wetnig mogelijkheden voor vogels en andere dieren. Wordt op het
zelfde oppervlak gekozen voor inrichting met een mantelzoomvegetatie dan neemt het unntal voedsel en nestplaatsen
toe.
1.
kruinlaag [bomerij
2.
struildaag [stnaken1
3.
kmidlaag [hoge planten1
4.
bodem [1.3v. gazon)
• Zie •STADSVOGELS. Bouwen. Beieven. Beschermen.' 131z. 21. biz. 53.
• Zle ook: 3.
7.1 Sthutting1 klimplanten
• Hoe gtom de sanatte aan plantensoorten. hoe groter de winst voor vogels.
• Zie 'STADSVOGELS.Botneen. Belesen. Beschermen.' Blz. 58/59, blz. 139.
7.2 Haag, bomen & struiken
• Lit I ADst OGELS. Bouwen. Belesen. Besehermen; Blz. 62/63. blz. 64/65, blz. 135. blz. 138. ble. 139.
MOSIMMINEMILM
8.1 Takkenrii
•
.STADSVOGELS. Bouwen. Belesen. Besehermen.' Blz. 66/67.
9.1 Nestkastee
• Een nestkast biedt vogels en vleermuizen cen nestplaats. Het ophangen van nestkasten heeft alleen zin ah ook de
omgeving voldoet aan de wensen van de betreffende soort.
• Zte •STADSVOGELS. Bouwen. Beieven. Beschermen.' 131z. 68/69.
▪ Zle ook: 5 soor logets & www.vieermutzenindestad.n1 voor vleermulzen.
Versie 1.1-20140522
Concept
35
w
cr.
ZZ90b 1. 0Z a! s-laA
Bijlage 3: Brochure Vleermuisvriendelijk bouwen
- 4egkik
vteermuisvriendetijk
,
s is
:'.ivffiir
—
..ikomei
1n Nede rland komen zeventbn verschittench soorten vteermuizen voor.
Acht soorten zitten ordag verstopt in kieren in muren en dáten van onze
gebouwen. Deze kkre n dreigente verdwijnen door stoop en re novatie.
1n nieukok gebouwen ontbreken deze kieren vaak. Door de afname sen hetaantat
verblijfplaatsen ve rdwijnen uiteindelijk de vteermuize n uit onze omgeving.
Deze brochure taat zie n hoe in het ontwerpen. bouwen en re noveren van gebome n
eenvoudig nieuwe verblijfplaatsen voor vteerrnuizen aanboden kunren worden.
handrelking vcor huiseigenaar,architect en hetaidsrnedewerker
Inteiding
Het doetn dwe brochure is het
n re i ken Wrin
handv9:ten over hoe bij het ontwerre n, bpuwen
en renoveren •van gebDuwen eeroroudij re k:ening
gehouden ken nien rnet verb lijrptaatsen van
vteerrnuizen.
Viterrnuizen kunnen ze i.f geen nest bo uwen en
kruiren daarorn weg in besreande ideren en splete bi»orteed in rnuren en dairen van gebDuw e n. Cht nseekt oleerrnuizen kwetsKeer voor
▪ mnderingen aan gebouvien en de rnanier
...5.3310p we Leuce t.DOor sloopen renovetie gwin
•raakvertitihieetsen .ernreri. blede dearo rn zijn
✓e rblijfptiatsen squi verrnu izen wettelijk tescherrrd; hetsbpen of renoveren sen een gebeiuw
rnet serblijfpleatsen rneg elleen wanneer weer
n uvre serbItffpleat en wordtvwrzien. Tot
ge teu rt dat skpon t. reactef: rergebDuw dat 'rerlo ren gast ■mrdt onderwoht of er veerrnuizen verbtijven. Als dat het gesel ls rnoeten er Ideklek
verbtifrfpteetsen worden eangelxiden. Nharje kunt
natu Urtijk ookosentmer je gaat touwen ets
wteerrouizen doen. D:ror veet valer veerrnuisvrie ndetijk tekuwen gesen we vieerrnuizen een
duu rzaarn netv,erk aen tes:1 ilte re serblijrpleat.sen en kunnen ze rrekl.ekijk?r in onze dynarnche
Versie 1.1-20140522
,I
rnmtsc happijareriesen. Dat to gced voDrdevIrrnuizen en worons,v.entondanic hun "griezetirnago - riin veerrnuizen gmag geziene dieren in
steden dorp.2e houden rnuggen cru ndere pleaginseeten in toorn. B:,sendien to het s pun n e nd ons
✓iee_rrnuizen te zien vtiege n boven de tuin of in het
park.
Vieerrnuizen gebruilen aftianietijksen de soorten
t.ijd sen het prer verschitiende verblinibarsen. Dit
kunnen kerkzolders, ondergrondse gebouwen en
hoteborneri zijn n-inurcokspenriijrererduken
van huizen en endere terengrondsegebouwen. De
brach u re richt zich urtstuitend op de lee r rn u ze n
die gedurende een dee tsen het juur in spouvrinunn, daktchot en andere nauwe spleetszrrrnige
ruin-rten in bovengrandsegetomen ve rttijue n. Het
geat dan voorat orn de gevw ne dwergveerrnuis,
ruige dwergvreerrou, brarylieger, rneervieerniuis,
tvee kieurige vlee rrn u is en gemne grootooroleerrnuS.
De broch uregaat t etaer hetvlee rrn u issrrie rsdetijk
resOu re ren sen inoriernentrk geteuwen Wenneer het past tin nen de regetsvcrorhetbehoud van
o ultureeterfgoed kunnen de bwisideeen sen deze
broch u re daarin welicregecrastváorden.
37
V LEER MUISVR IEN 0 ELIJK OUW EN:
P ER SITUATI E AND ERS. Er zijn drie vorrne n ten
vleerrn uistrriendelijk touwenr tiet ectern plaarsen
van vberrnuisvoorzeningen, het intouwen ten
vlee rmuistro3 rzie n ingen, en het inctusiel ofgarnteg ree rd bouwen vcortkeerrnuizen.Deze sorrne n zijn
in tcenernende rnate duurzaarn. 2e stuiten aan op
serschittende aantedingen om vieermuisvriendelijkle wilten teruwen. Wa n neer één verbVpraats
trzrn vberrnuizen in eengebauw door stoop of renovatie terbren gaat, dan is ereen wettetijk verptichting omtijdetijken blijsend in eenof rneerdere
tersengende e rblijfpiaaisen voorzie n . Tijde tijke
verbijjfpbatsen moeten at ruim voor de ingreep
aanwezig zijn en zijn tedoeki om de tijd te oterbruggen, toter in de n buwbouw of na de renovatie nieuwe btijsende verblijfptaatsen tesr...h iktea r
ko rnen. 5.trorint rrnatb en voorbeelden woortijielijk mrtigeren kunt u terecht bij het onderdeet
'Yteerrnuiskasten opharrgen - . De onderdebn
"Rijhrolllaats,rerr,'Vleerrnuislrasten inbouwen en inclusier bouven bieden mogetijkhedenstor
blijoende serblijfplaatsen
Waarom vlee rmuisvriendetirk b euke,en?
—
t-sztsande vert.tijiplaate
rnitignm n corrgenzeren
cool.cgisxb churzto rn
bouwen
■ijdelijk
•perbtijfplasben
nank. ic3c n
lislaijeJ
r_itrre
r irioed op
bouwkundi3 on rp?
nee
pe rkt
Yleermuiskasten ophangen
Het ophangen ten vbermuisksten is de meest
eensoudige methcde orn in nieuweserbliffptearsen
te voorzien. ledereen kan het tepassen. Het is
echter niet de rneestduu rzame methode. Meerrnuislesten dieaan een getouw hangen zijn mceilijk geschikt te rnaken ais kraam- of winterverblijfpleatsen. Daarneast zijn ze teak makkelijk
te verwijderen, weardoor ze koeisbear zijn voor
ondoordacht handeten.
Het is wet de enige man ier om bij het terchuijnen
van verbtijfpbatsen door stoop in atuachting ten
de optevering sen de nieuwtouw tcch in tijieijije
serbtijfplaatsen te tooráen. Het ophangen tran
vberrnuiskasten isgeschikt vcer tijdetijle oprossingen, maarteet rnindervoorde langere term ijn.
als staapplaats. Ruime vberinuiskasen zijn gesc hikt troorgewone groatoo rvbe rrn u izen. Kleine
vbe rm u is kasten zijn vooral geschikt voor kleine
groepjes ri -15 dierenj. Dcor hun Ikperkte rressa
en plaaising opde muur houden kteine krsten rxreinig warmte test en zijn daarom ongeschikt als
kraa rnve rbtijf plaats of winte rve rbkijif plaats.
GR OT E VLEERMUISOSTEN (MAATWER
Grot vieermuiskrasr2n,die als kraarnterblijfpbats
lernnen frinctbneren zijn rebtiel nieuwen nog weinig lent-en-kiaarserkrit tear Er zijn een aantrt
telangrijk vooRtaa rrien aan kasten die als
KLEINE VLEERM UISKASTEN (PREFAB)
Kie ine viee rm uiskasten e ijn de meestin de handet
Plidden krynrritmrreaftwt
ge...nn dvo,g
01,47.
D±ii le,de
aangeboden kant-en-klare trkerrnuiskrzsten. Ze
eijn measta twa n houtof houtteton en relatief Wein
(15-50 cm breed en 30 bgt 50 cm hoogj. Er zijn
ptatte kisien rnet 1 tot 3 spleetworrnige binne nru imten en ruime resten rnet één grote binnenruimln. Voor vieennu izen die in speetvormge
ruimten in gebouwen bten zijn ptatte lesten de
teste ku ze Gewo ne en ruirge dwergvieermuizen
gebruiken deae kasten graag als paarplaats enkrf
tit,d t'OC" inwer.
Versie 1.1-20140522
enk -.zpering
operirgen tuszen
COfff.71" lrres.
inv licy.Fen ing
Rgusr 1. Gro C nkerrrorichast met meerde re corrf ,er
Concept
38
Stijtvol maatwerk
kraernverblijfplaats moeten functioneren. 2e rnoeten votroende groot zijn zodat vele tenta ten wt
honderdendierenerdiepinweg kunnen kruipen.
Kraa rrilesten hebten rneesta 1 een oppervtak
mee rda 0,7 rri± of rneen 2e moeten een werrn sta biel binnenktimaat h ebbe n. Vaakworden ze daa rvoor op S rntidags door de zon teschenen muren
tzu ide n -weste n) geptaatst Cro k uso rden werrnbe cum utere nde of isolerende materia en in de kast
toegepast Om verschillende ternreratuurgradienten te bieden, bestaan ze meestat uit twee of meer
getaagde com Fe rtimenten. Het bouwen van grote
iesten is meestat maatwerk, nauwkeurig afg temd
opde te venangen verbijjfilaats.
nfteer tbeiborden, da kiijsberi. wintteren en
re w■ rnle n van geve Itetirn mering netstrakopde
geat aanstuiren kunnen ze ontedoeld als vleerrnuiskast denen. Eut rraakt het dus ook mogetiik
ve Itetirn mering tewust zo" aan te brengen dater
..keerrnuizen achter kunnen erbtijer. Of om s.teermuktesten zo VO rm tegeswn dat ze ressen in de
stjtofomrmn sun hetgebouve eft ookdierist kunnen
doen als geietbetimmering. Dit noemen we stijr.sol
rnaatwerk wor ~rmuizen. Doo r gevettetim me ring op etten ..en 1,7-3cm dikopde gevette rnont res wordt een gesch ikre ruirate sborvbeerrnuioen
georeerd. Deze ruimte kan voorvteerrnuis
miden gerriaaht door de horizensuis átn aan de o nderkan tva n degevettetinornering ecm
te taten oldoorspeciae invlego Feningen te maken.
Betarrgrijk is datde geattetirnmering zo wordtaarigebracht datsteerrnuizerirnesteruit kan seliso lotat
en toe kun worden verwijdent en dat veermuizen
na nachter degenettetimmering nist is ruimten ku n nen korren waar ze nietgewenst zijn.Ook is het teta ng rijk dat de geattetimrnering etteen uit
nnijeuvrisndeijika rnateriaen testat. Wie ncg net
wat rneerwildoen kan daktijst n, tberborden of eiisrixirden ook dubbet urriberen, orn op die man er
ectra leefruimte worveennuizen aan te bieden.
Eco5,
rirn,
de
iser
u.
Mdde,
byjdoei rren onde- in de insdieg,pesing
Fp.Air 2. no•Stord rnet begs,g 'Ker vieermuit,en
Gewone..iverplewn-vis
MEERDERE VERBUJFPLAATSEN Vieermuizen
zijnallijioprieknaar plekjes met optirrateorretarr-
en in aerschittende terrperatuurzon ImkroktirretenJ voorziet, bepaen sterk waarvoor ee ri ,,erblijfpeats gebruikt kar, worden. Krmrn- en
wirderverbtipplaatsen verschilien in bernieratuur,
n7,9 r eragen beide om ea n ternpe ratuu rb ofe r e n
verschitende microktimateri. Dk einden we earder
in een 'krblijfplaats in de muursan een oebouwdan
in een et%rrnublestaan een getio Grote kisten
aan een rrour kun neri ookkokbende bufringgeven
ecor kraarnuerbtijfplaaisen. Pearptaa tsen en
aerhtijfpiaa tsen van n -ennetjes en ernuwtjes
hebben ■.eakatvokberde aan een kbine veerrnuisstof een boeibord wearze a:hter lennen terdwijnen . Voo-r kraarmerblijfpbatsen en
paarve rbtijfp taa tse n is hetgunstjals ze veel.zonnewarme on tvanoen. Situeer deze verb lijfp bet,en
dghederi om in is verblijeen. I n de bop van de seizoene n gebruiken sesaak rreerdereserblijfprzatsen.
ln de winter frouden ze een winersteap op
sbistIvete. rrimrvorstvrite prelden. in de kraa mtijd zceken arouwtjes elkaar op in swibiet wern-e
p Ide ft,waarde pngon wo rde n geboren en worden
grociogebracht. Buiteri da winterstaap en kraarritijd
zijn ero uwtj en rrarinetjes minder kritisch, rrear
houden ze wetwan pekjesde in do rrikkeg en avorid
warrrerworde n
de paarrijinerren n"B r netjeseen
territorium in en proberen vrouwt:w naar hun pearplaa te toklen. De mate waarin een verb(ijfplaaw
bi:noorbeebi ,korde con kin opwarrren twamitecapaciteit).die V.9 m-koe kun testhouden tearmebufferl
Succesfectoren van verbtrOplaat sen
N et ieder plekje in ee n ge bouw is ge
Te rnpe nt...1Ufe. 1,1! re•chappet D
vieern,
Dr. h i voor v les rmurzen Nen ,urro
van een 0:trbilItpl.aatz in een ge
n
e
enruge dwenpleerrnuiz iseenbinnerrun,
,51, r,,eninge r Vc,r p3ar5J.:soteno1 Skine grcepi,
1 • .2 C.
1.1-15 deren1 ziink wien
neerkeem itz .veeki.eurigt, ..deern,da,k,sokylie
schappen, &s almetingen en de be-
20-5.0
esnal. eren ijn krsw.
Versie 1.1-20140522
vtee 11, Uuen
kmmen getruken Os
re ikbaarhe id 1,grip en situering
Fen Ir
ordertinge ef..
--t2rd hx2ren de
w5r.der..,,su- Olzaer.
een 9leern.u.r.getruk meer•dere vertijiti.s.leeni
Is
afbenke tijkvan de te rnpe ratu ure 1 s n-
invlie go
bn, pe. r o
keat bep5ken
ppen es1 een
-
'11r ei 70
breed en
.oetd,erde. Aihwkekijk nu he
.levo:fe
rbkij
breeden :1 0-1co
errfi jz. iz 2.5
-
De dkr.ie su dr
htwsr
hce gnme r hue te ker.
ri,ept
yotere
p,od 4:Dr he
STr
kunnen
,keetic,
kr511,
39
wermte -ca pac itite it
en temreratuurbiffer
voornarretijkop betzuden totwestert.Heteenbiedenvan nmerdere verb lijrpteatsenop verschke rde
windriátingen biedt meer keuzerrogelijkbeden
voor de veermui.ren. De tetet hiernaastgeeft een
gtobaelokeriehtnn de verschittende vormen van
vteermuevriendetijk bouwen en de hinctie die zij
✓oor vbermuizen kunnen vervutlert.Orrdatdit per
✓teerrnuissoort fmn versc bi letadvisere n we voor
een juSe rretch ndtine in w in nen bijeen veermuisdeskundige.
Cleerrnu Skasten ophangen
Kteineveerrnuiskasten (prefeb)
Grote eteermuSkasten
+-
S tijtv)t rnaatwerk
Elsk.ti$he n geve ttetimrnering etc.
+-
verbtijfsfunctie
rn,p
ro,p,k
Intouw
Kteine inbouwicasten
Grote intouwkasten
rn,p,k
m,p,k,w
r
rnu re n
▪
rn,p,k,w
rn,p,k,vo
Crt ki:ágen
Diépe
inge n
rn,p,k»
- d&hr1•-= redg.
beh.rtijkgced; ••
mm rmnpetjezsert.4.«I4e g raep; p = F--s5r5tr1{ijt; = kftedne rbi ijijnlmt. ;
pl.muen en
terrerbrij fpkt, kzen lwbLer,
dere
L
en
uipen . thscz kde rum
de
r ■ári, C rced .Se irdieyfening
ájn . 1-Ickiten mr.3en
gCM:5"21,
á ,:hzel.
Eer, •keerrwiz hee it
•!, r,runn .:4-dengn,d nAj.
eer,
fe, ,. de 1
tde
Iczre
d,nr.de
z
rde now
nie
dnerg,d.eerr, ,izen en
de. Indere
een
,
gel,:cen n
voeren De evetn,
lue
rarn ede cra uit,erpnzekn
in e Cri
eiS
ttri, irate
n.-.4-dera de ui Giliegopening ru,eájn orn heu-
sd.eerre.
in en
hetbnn
4-, ringen bij
,k,ekom
ninvijeg,:peningen "sr, de ,..ndengde
Wtre
1-loulbe tcf, en E..4,,zneen
,911, roll gopen
cw.r. C •ieden
breder Iwsna 1 S -:5 1 zujr, Ortr he tni.ge -
Vanbwccnnetr greeven -4-51r, 0,2 Th dep. C.00K han
kulaibzibf
.dstde ii czken ,neden
,ijder ájr, -br, 13
kurne n ruw
Ca, Wobr, roZre
gen,-,g. rertie
I rp>, 1 -2, ir ,xf
gek„ns*
u-nen iegtn
ruin,
P.,setz ireijeg-
h,..ger .1.5n '?rfie Sr t(wen d
dtrn,fderer, li.iePr 1 ei .WC rz
,p,Nng kurnen
zi iten . Hokrd
ge,4rg csr, de in,dieg,,pering
dr,inr T*I.kencf ardere dbcobet.17. op rfii nder
2 ii,e ler
hel
en ingl.iegen he-
teruln Cren
Vteermuiskasten inbouwen
VLEER.M LIISKASTEN INBOLIWEN Wie iets eor
veerrnu izen witdoen aan een getouw dat in ontwerp af ie of atis gerealiseerd, beeft nog de rnogehjkheien orn soorzien ingen ruitee rrn uizen in
te Leuiees. Dit kornt e r rn%stel op neerdet in de
buitehmuur ots rouw vee rrnuisia_,ten mrtlen ingernettd. De2e kasten 2tin den eis eenheid gesobe iden van de cenIstructievan bet getouw. Ze
tevinden zioh vw liswan r in hetgetouw, maarbieden een duicletijk afgekaderde plekwor de vbermuizen. lkordat 2e in een grotere rasse zijn
omenomen zije inteumborzieninsen redeijjksrabet van terngentuur en daarrnee gesobikterals
kimrn- en wintenerbtijIptaalsen dan opgebangen
vleertnu Skasten.
OOT
Krae mverbtikplaatsen moeten een stebiele ternge ratuur nnaer nek votcbende rs ch itten in mioroktirneat lreLer,. ,btseen, kmarnsoorzien ing i n
een spouw ingetouvd wordt moet dus relening
gehouden worde n reeteen relatefgroot ve rblijr
Dft ka n gereateerd wordendoortaande pret b
ksten te simpelen fen dearrnee te sobalebanl.
Schaketen iii de hooge esert mee r rsch kende
tebrokUrnaten op en is dearorn gunstiger dan
sohakeen in de breedte. Dat gekitookvoorschalete n orn de hoekvan een rnuur rdatde lest op
versohi Lte nde zijieve n het ge uw geaposeerd is.
Gunsti is dan de zuid- en westzijde van een getouw.
PREFAB VLEERMUISKASTEN (KLEIN)
Erájn nog geen grote prefab inbouwkasten opde
markt vaor kraarr, of win lerve rbkijfplealsen.
hieestat warden op rnaat gernaakte kasten in de
sppuw inge bo uvud , aohter de buientnu ur Deze
kasen zij-n rreestatven hout.Orn in vetschittende
rnbmkkimeten te voorzien testaan ze rneat uit
rneerdere gebagde cornpartknenen. 2e lig uur 4.
De rneest ee nvoudi3e rrkge lijkhede n voar bet inb)uwen van kasten 2ijn de pretab intouwoorzieningen die atenig2 .aren opde markt zijn. Drt zijn
nieentel. ho utbeton nen ot lerarn tsche viee rmu S1.asten die in Een mneumworden ingernetse td.
(Zie fig uur3.). Deze inrnetse hoorzieninge n zijn 2035 ern ern breed en 20-60 enn hoog.
Dit n grzotgenoegvoor paa reenbtiifJsstaen en DDrne rve n "bt 20 dieren, fris r over het. I.ge mee n te kiem wor kraarrnerbliffplaalsen.
Versie 1.1-20140522
KRA4MIVERBUJFPL6.AISEN
ZICHTBAAR OF ONZICHTBAAR INBOUWEN?
Afhanie tijk n de wensen en motivatie van de eigericaruan betgebouw kan een veennuiskastdui-
40
de lijk ziohtbm r of haaston zioh taa r
rde n inge bo uwd. VV-e dudeijjk wil roalen dat hij ets vopr
vée rrouize n heeft ingebpuwd n de hast ziohtbaar
laten oldeze aceentuelen met een vteerrn u isvo rm.
WedetnletwitateLlndeoçeningen zehtbaar.
De zijn ook te ge bruiken ars een architectonisch
apoent zonder nadrukopdefunotie van de opening.
dc.rgarg Kagen
de kasben
bij
ngiir
z.d.alkeit
h
Nefriuribrak- in
Fce ftt.
Bouwkundige
aandachtspunten
aPOSITIE EN WARMTEBP.ONNEN Vbor inBEHOUCI VAN EOLállEOAARDEN Bij het inrnetselen %en een vberrnuish7-Ert er in de
spouw soms minder ruirote voor ispatiernat riaai Dat hoeftniet len koste te gaan van de isob tiema nde vari de spouw. Houtn en
houtteton nen s,kertnuiskasten kunnen zekl bijdregen aan de isotatiewaarde. Eawnden kan
tussen de hasten de binnenrouur tinnerispsuwbtad) rnateraatmeteen hogere isolatiewaarde
worden aangebiaoht. Caarrnee wonit het onts•aan ven een ieudebregneorlemner.
orkorn
ri."3,7Z
wstu
V51,
Vi.Ce
yleerrnijimb
kde rn,r,
n
det dobewonerz.
m-oiczn- r_nd.11.1.11.:•nehouw., ri.azt
ro, ft s.
dvosgvleernvig
e
trae•weer, .05
de
rrdmt viee rren iS F h
rpzele t gew'x t I.esm, wsik
Pove,
veerrro, tr.
bij fiel ct
rgsh
•■•••-r,
Concept
rce P de
keat
lm Fia uur
ikv,rpze leme
rin.r boter, In cere tgr.te, ge,n
et Ct ro
mez ,756.s.er Qezor91 w.rder, Yert , ind des rvoor de
Versie 1.1-20140522
teuwkasien geldtdatdeDe het beste opeen op het
zuiden tot nmsten geskueerde muur ingeteuwd
worden. Bij het inbouwen Wat meerdere kete
ku n nen nersohittende merokhroaten wenden aangeteden . Dit han dcor een versoh kende expositie
5,311 de kasten tenopzctteenndezenofdoorkwten vooren acht rde s. olatielaag te pbarsen. Een
andere opte ie het intouwen van een kastdbhtbij
een kunstrnatrwwnrrctelrün seie een kete 1.11 uis.
h iding van de centrab ).erwarrning of afvoer «,an
de eirts. Oft vreagt een goede afsterom ing tue n
vberrouisdeskun diger, en touwkrndigen.
-.gen prob rre o p.
d nn,g
boz. Voorit. pe r nyt k
rro ben ger,
erds
irnte
r'j stemt, ij
re:
kl
iz geijr-
re nvbegende wleeroveer rrou i2 ,111 rn.ed ee
41
Rgu.ir 5. Achtert rrenrrr.ur
egs hgt
1,51r yK..:.fe - .14
het. hen . Zorg
vfak
n-m2e.
II 2 iir,
rkr,
dst
c.f
rsn rrn ras
inge s ich r iet
en
MrCh
bevinden. ,ileer-
nneearsterg 2t11, n,ssr ku r, r,t
.1 'ir ...esndks.
bec.rkslr iin
ttr.
,trbkiii-
,ad.:•:•ree.-nd un r,5 h.uten r kuratzt,..f
pbmee
rce
riet,
rden.
Rgu_ir .irvykou,,de krwn-ofwir.trzi..mpkwt
Inclusief bouwen
E N vanaf hat..,marnm;_.
dat
doende venti.ecrt drooghvteerrnuisrrest %eurto
mense'' zijn gaan hc. wr, heh5e-,,teerrnuizen errt
antere dreren ee - •
'n
de;. ,
.
.
-e
.vaarm zij, vaak c
4„.
De toegang vcor de Oteerrnuizen tot
kan bestaan uit open sicietbiOeg .t•
tli ssf. n
, spo
4e
gevelnlaten, opnoèfrr
dakcielen of uit speciate vleer
de verar de,.
tievoorschr ften woc,
steeds rn.,ellyke;.• We
veet
door spoLwr, uren
vormige rt_lrnten n het dak,
.
endaldagentg»
qeschikt te maken. Datis jleterteatj»
wekeld
FJAK. GES2MIKT EN TOE.:;
rnuaen verbt,j,ien ook
• ,'_;•
"''
GESCHIKT EN TOEGANKE_LIK.
'4AKEN De gangbare di<te van de spouw is bij
- re,wbouw 10 tot 12 cm Dat Is ir principe genoeg
on) è, eer, goede , solatielaag aan te brenien en Ir een verbttfplaate voor vleermuizen te
.-oorzher Om de spouw voor vleermuizen geschikt
te maker moet er tsssen de oultenmuur en het
, sclatiemateriaatIdeltishteir)
minimaat crn
rulmte zijn. De vteetrnUkkMO, owet aajOe
s te rnzu al de
entogo„.
.
.„
of glaswoldekenainaeej onterivOor:ienvan een harde n.zwe krItenta- V,e- ermuizenkeutets moeten hetemaat naar- t F eden kunnen
valien Yourkorn dat vleerrnUiS est zich in een
kleine ruimte kan gaan de spouWvol-
Versie 1.1-20140522
Concept
of tusSen houtlagen in het d
taatvtlegers zdten zett
getijke daktage .n. Bil mode
.:nhetlend
lgrtgror
d tevinden 'zich;
■
ge'sóbiktfnaken
, er4etz t; M
aantirerigk n een etra s
wairinvtée *
Creter i„,. 9
•'18ket
.0 tagert,,
o de
da
m arfitaat A
42
Die pe voorzie nin9a n
steermuize n
tetOrineri dakInnnen mrrnen rnakk:ekijk optot
de heb spuwof het hele dskvlee rrnuizvrien del.ijk
te teuwen. Bijvcerteetd wanneer het niet binnen
de bouw- of
latieu,o rsch rifte n te ral.eren is,of
het net rnngelijk blijktde areeptgtbe van de tem- .M
ners te onga n ee itn. In dat gesel. len ergekeken
werden naar het elee rrn u iseriende Lijk teuwen van
geteuMelen die friinder intensiefworden gebruikt
hogeternteraturen en kelen nacht cek weer te
veetat
APP. RTE OF EXTRA CiEPOUWDELEN VOOR
'Y'LEERMUIZEN Hetk2n voorkmen dat het niet
inoge kijk o niet 40?.. neetijk orn van een geteuw
or
Een klein
r-
uulát nyke LZ h
en I.a5514iegerr., louden c..i hu
win te.r.cap
der dst .rrE
Fre t
1Kuw of i r.
rrissr
S.
in totte
dieper in een k.uw.
Cijvco rbeekd in dmrireegen
ijerver,hilende gekuwdef Ir hckle
Zefe
rret ee
BouNbeztuit 2012 biedt
ruimte
e r rot izen!
TD tvcer Fert hreet tel Sku t
rdeS:. 5C iItel in
bi nen m_tren en
le rrc.len
2
gn-
ijn den 1
Etn ,
kein orrogieerrfui2en teurbng
in ge,en tot amentr,uren,dt ken
inge rretzet.it ermitre., rziefilfigen. Me S in•5ng ,n 1 fl -
rojen :21:112z rtgen,:end det ien
h CC.Veteer nteerroitzen ene
dere dx.r.-St Porn- e
kteze.herrrde ,Dx.re
ggiu-
rne nlim ucor yleer rr •
F9Jur 7.'keermuisIncro cer, griptnag opizekaijernalerieg
_
Rouwb.l.uit Artiket
,
4
en 2 .725id2.
door rnensen en/of rnet lagere ot andere leo latienormen. Als klein getouwdeet kunnen bijvoorteeld de len van Inumn vitgeteuwd vw:rden orn in
vhaermuiskastert of een extra eppuw te voorzien.
waarbijde oorepionketijkspouw voliedig kan wo
den geTso erd. Deze rneurdebn kunnen bijvoorbeeld onderdeetzijn .Aori,of lijlen opetunberen of
echoorsteenk3nalen of kunnen een decoratiew
functie hebten.
rnetselde Itetkr.) balustrades
of opstaande dakranden kunnen
ri vleerrnuiskasten worden voorzk. n zonderdat iiotatewaar-
V•xebeelde,
openingen
nter rrogen
den ".9 fi het gebouw jr het geding kornen Het is
ook rnogelijkorn aan lopgerek seri gebuwen een
geheet ofgedeettekijk dubbeh stxiuwmnuurop eo
treklen. orn eo in optimale mogelijkheden voor
vIeerrnuizen te sporzen. Wie fantasiewt aan de
etagwilgaan kun ook rnodernetorantjesof kantebn worvIeernriviZen tenten. Bij lentoorgi.bouwe ii
en apparternent ncorriplesen bieden kopgevets.
trappenhuizen, tift-c ha-Aten en kateijsuizeru seak
goede rnogelijkheden «inor vleertnuievriendelijk
bouwen.
.r...- deringentn.r nhssrinkáren diebij nic.rrdx.,ny ,11.ktrInen tv,ndel ming•kr,sdlt.
I rdij
7.V.MA
Ir dJele Emmen
EeC
•rd Frtii ii50
tvtrt.o.ifintliNn
,ortt..rrnuite«n
Itt tt,,ri
Cvectek, ,A14,
eerersudrerruciur
te,Iijdx.tteiit
Id-
J.M
tten.rr,d,
Zp:t.l.hree .3.11"
Ske.
Versie 1.1-20140522
Concept
43
▪
Vleermuisvriendelijke wijken
INCLUSIEF BOUWEN IN DE WIJK Bij het bouwenof grmschalág herinricht h van een wijk is het
aa rbieieh varr e ft kete ve rblíjfplaatsen orfflodoende
wnor een gezonde populatie vteerrnuizen Den r
ineervoor nodig eft uaagt o rn het rneewegen van
de vée rinuiseco bgie bijeen (her:linrichtingsen een
wijk.
Wan neer we bijwc, rteeld u itgaan van de nieuwvan ee n wijk rnet vrijomande h uizen 120
rijtjesh u zen, 110 won n9a n in apparternentenconnphruen en dfterse scholen en opentere ge touwen
InutsvoDrzianingenl, dan is een aentod 1.9 n erbhifpbetsen nodigvan circe 35 kraa irre rbtijIptaatse n, htl rearpIaatsen en 2o grote l[nnze-) winterserKijfpleatsen. Oe precieze aantlen persoort
rnoet rer s Ituatie 1Fl cnerleg met een vleerrn u isdesku nd ige worden bepaald. Hetaanixd len worde n gereaLseerd door ean cornbinatia van
inItetiaen vanuItgerneente, tedrijoen en pa rticu
tie n. Vervcdgens i het zinvotorn in het ontwerp
van de wijk ZOWe jwhigebinden voor vterrnuizen
als ..erbindingen totieg routast tusse n ..erbtjtpleatsen en .echtgebieden tecreCren. Zeterrijle en rnet
inheernse pLanten ingerichte tuinen, parken en
plent,»oenen ku n nen als echtgebied dienen, on
de rting wertdnden om een greene infiestructuur
van bese hutte wetergany_»n,singels en krudenrijle
bernnen en grastanden. Cezegroene irdrastructuur
len parattet aan de raden , straten en wegen voor
nne nsen loren, en sornsdaarrnee rnemette n.
In de meeste w ijle n zijn dit norn-ele eernenten •ein
de bujiterruinvte. Het gaat e rorn hoe die ondeding
sertonden zijn.
Bijvhegroutes, jachtgebieden en serblijfrdaalsen is
het van telang orn op de juiste rr onnieron-lte gaan
rnet o pen
vertChting. Vertichling hen no wo r▪ n ge plaalst, ge richt of afgescherrnd dat het licht
eronorde rnensen ie en voldoende dololerseorde
vberrn uizen. Kruisingen van verbindingen wor
vteerrn uize n met d rukkereverleerszegen kunnen
20 wonden inge hcht datstachtofters onder vieer»
rnu izen em rden voorkornen.
Inclusiettouwen in een nieuwewijk...!mgtorn aan▪ cht, maar lentvendIgens ateen smordeten. Het
inne rteen y.ede bijdrage aan de lesc herrn ing van
vIee nn luimen en hel creeert pe no bg isc he speel.ruirnt bij de orngang rnet de natuurwetgeving
nator rige wijlen. VIee rrnuiza n maken een s pecifieke natuu rte eving in de wijk rnogelijk en helpen
bij het in inom houden van insectn.
Orn te vcorzen in die tenodigle serbüjfeatsen en
grnene en blauve structuren ken het van teang
zijn de ze v:orzieningen als een ix.orwaandelijle
un rplk,hting o p te nerrien in het benut norn ings p‘a n-
de
Down.
Intruiruckhor
in de
wnt, kketin.le
ced ,g.ke-nn
Cird ,s,a.duct
IN ONTWIKKELING
Do kenuniwuunnu de eisen die vleerrnuizen aanhun serbtijfpbalsen steten is jong en sterk in ontwikke Ung. reze brochure geet een overzChtvan de hukle inzichten, rnethoden en producten
I-et roonrtamuru Var het suos van gecteeerde nieuve ',erbMplaatsen bi van groot telang orn
stee& 1-et re verbtijIpbaisen te kunnen o ntve rpe n .6 raag ontangen ee uw enaringen rnet het
van vberrnuizen in gebouwen!
MMTWERK
reze brochure geeft handvatten enerhoe tijhetontwerpen. touwen en renowren van gebouven
eem udig re ken ing gehouden kan eerden met vieerrnuizen. Het s uocesw ttoe passe n vraagtorn
een nauwe samenwerking tussen vbermuisdeskundigen en touwkundigen. Wilt u als huiseige nza r, architect of bekidsmedeverker met s.terrnusvriendenjk touwen aan de s tag? Neem
dan contactop met een nen de inttiatiefnemers van deze brochuse.
COLOnti
DeS•brOd7SCi2 h,rt MUU.ot
CCi1,4-na-~Irt1ttr,
Lankchapat44-..- Ficvoland lo>gdkrecrotiging
Tauto n mat nier n eigeritij KI"rien chaMxKlighiid.
Eiyu
1,412K:
ErE Konixr, narnnanUnrAr.
norree Hcrn. n Pck.rnan
9,Jorcan R.iread
Fckaya
Jan nd 61- na-n
1,addy Dok tra
Dcurg,
Hoot IkráJwasen,
fixr.nurrp,rs.
F.01,2
,..4-511,
pl.vstr.
FInarK iar National. PoOfxduLctaili
L.ndet.p1±4haar rentwel
▪ Mer 14- 03, $1, 1. JP L0.5,2,1
bak. (4319~, o
wwwJandschafxtehe,mat
2-irna-Avarki-yzparirmr.:
iOWDERVERENIGNe
mvw. zoogd~ro.ni.
Olu-74..kcuo
BGITed Ge2 Kán
.snFietcr krrne.kan,
LcovanWocr-29,
SWAV.
Ori- 122e r7
TGiscningGn: Brarn
Cra, ingeb,,,de prei-k•
rnudt,zer,
Versie 1 1-20140522
Verrngerkg
•.••,mni.•
WRDEP k-Gnvdand
L4415,t,d cle-Arrba- 1...)1 1
POSTCODE
. ■ 21- 1,t1
44
ZNS TD
Bijlage 4: Stikstofdepositieberekening
26
H, c<
--
L) -0 - P R 0 CEDE BIOMASS B.V
Rapportage in opdracht van
Bio Forte BV
Stikstofdepositieberekening
bioenergieinstallatie van Bio
Forte BV te Zaandam
lr. J. Koppejan (Procede Biomass BV)
Enschede, Juni 2014
Stikstofdepositiebetekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
Colofon
Deze rapportage is uitgevoerd in opdracht van
Bio Forte BV
Postbus 328
7500 AH Enschede
Auteurs:
lr. J. Koppejan
Procede Biomass BV
Postbus 328
7500 AH Enschede
Juni 2014
II
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
Inhoudsopgave
COLOFON
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
II
III
1
1.1
ACHTERGROND
1
1.2
LIGGING
1
2 BESCHRIJVING ACTIVITEITEN EN LOCATIE INRICHTING
3
3 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEREKENING
5
4 RESULTATEN
6
III
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
1 Inleiding
1.1
Achtergrond
In opdracht van Bio Forte B.V. is een stikstof- depositieberekening uitgevoerd voor
een nieuw te realiseren biomassaverbrandingsinstallatie aan de Pascalstraat te
Zaandam.
Doel van het onderzoek is het bepalen van de te verwachten stikstofdepositie ter
plaatse van nabijgelegen natuurgebieden ten behoeve van de . te doorlopen
procedures in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Stikstofoxiden (N0x) worden binnen de inrichting geëmitteerd via de rookgassen van
een bioenergieinstallatie, bestaande uit verschillende houtsnippergestookte ketels,
een houtsnippergestookte wkk installatie en een gasgestookte ketel.
De depositieberekening is uitgevoerd met behulp van het Operationele Prioritaire
Stoffen model (OPS-Pro v4.3.16, release 21 december 2012) van het RIVM te
Bilthoven..
1.2
Ligging
De inrichting wordt gerealiseerd op een nieuwe locatie aan de zuidzijde van de
Pascalstraat te Zaandam, welke aan de oostzijde wordt begrensd door het kavel van
het Pascal College en aan de westzijde door het fietspad wat door een groenstrook
langs de oostzijde van de Gouw is gelegen. Voor de inrichting wordt een nieuw
ketelhuis gerealiseerd.
In de nabijheid van de inrichting liggen de volgende (stikstofgevoelige) Natura 2000
gebieden:
-
Natura 2000-gebied #92 (Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske),
ten oosten van Zaandam en vanaf ca. 1 km ten oosten vanaf de beoogde
locatie
-
Natura 2000-gebied #91 (Polder Westzaan), ten westen van Zaandam en
ca. 2,4 km ten westen van de beoogde locatie.
Door de uitstoot van stikstofoxiden (N0x) en ammoniak (NH3) wordt het milieu
zuurder. De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van
vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend
werkt. Vermesting is de verrijkind van ecosystemen die door met name stikstof en
fosfaat kan optreden. Voor de in een natuurgebied toelaatbare dan wel gewenste
jaarlijkse hoeveelheid stikstofdepositie is per habitattype een zogenaamde kritische
depositiewaarde vastgesteld.
1
-0-
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
Figuur 1.1
Beoogde locatie van de bio-energiecentrale ten opzichte van de twee Natura
2000 natuurgebieden.
2
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
2 Beschrijving activiteiten en locatie inrichting
De te realiseren inrichting betreft een installatie voor de productie van elektriciteit en
warmte uit houtsnippers. Op jaarbasis wordt ca. 3200 ton houtsnippers aangevoerd
met walking floor vrachtautos (ca. 135 vrachtautos per jaar). De snippers worden
gestort in een inpandige en bovengrondse storthal, vanwaar het in het gebouw wordt
getransporteerd en verdeeld over twee biomassagestookte ketels en een
biomassagestookte vuurhaard welke gekoppeld is aan een een heid voor
electriciteitsopwekking (Organic Rankine Cycle). De vrijkomende warmte (max 2,5
MW) wordt via een aan te leggen warmtenet getransporteerd naar 6 grotere
utiliteitsgebouwen in de direkte omgeving. De vrijkomende elektriciteit (max 160 kW)
wordt aan het openbare electriciteitsnet geleverd. De vrijkomende as (ca. 44 ton per
jaar) wordt afgevoerd en toegepast in de wegenbouw. Met de installatie wordt
jaarlijks ca. 900.000 m3 aardgas bespaard.
Figuur 2.1
3
Noord-Oost aanzicht van de beoogde installatie
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
k,
sti
cki k
~'
oUvfl`f
N
i
ortt-
j
--
-<
I -,
.
.
---- u.-or
.-T------
r_vitis,
I `
...1,---
-_--- .... _........—.. ---'.i,, 1
-.------ra jdtxt,
--I-- ...
_ ___,_
---------....... ..,...-.
.
ir .4„,,,,
I
di
`..--....
--r____,,2,-_+•
-,----- -,--------
\\
Figuur 2.2
Beoogde locatie van de bio-energiecentrale ten opzichte van de Pascalstraat.
De kaatt is gedraaid weergegeven (de noordzijde is naar beneden)
4
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
3 Uitgangspunten voor de berekening
In tabel 1 is een overzicht gegeven van de energieproductie en de emissie aan stof
en NOx uit de installatie. Daarbij is uitgegaan van de meest conservatieve aanname
dat in alle gevallen de emissie-eis zoals geformuleerd in het Activiteitenbesluit
volledig wordt opgevuld. Dit leidt tot een jaargemiddelde uitstoot van 0,087 g/h aan
NOx en 0,009 g/h aan stof.
gasketel bioketel
1
bioketel
2
bio-wkk
Totaal
130
130
Electrisch vermogen
kWe
Thermisch vemogen
kWth
4.100
400
1.200
800
6.500
Warmteproductie
Gi th/jaar
1.026
3.447
10.340
14.134
28.947
285
957
2.873
3.926
8.041
Elektriciteitsproductie
MWhe/jaar
638
638
MWh th/jaar
aantal vollasturen
70
2.394
2.394
4.908
1.237
0,38
0,38
0,46
0,42
spec rookgasproductie
kg biomassa per kWhth
m3 flue gas@6% 02
per kg biomassa
4,19
4,19
4,19
4,19
N Ox u itstoot
mg/m3 @ 6%02
200
200
200
200
spec brandstofverbruik
mg/kWh
70
318
318
385
342
kg/jaar
20
305
915
1.513
2.753
0,001
0,010
0,029
0,048
0,087
20
20
20
20
32
32
39
34
30
91
151
273
0,001
0,003
0,005
0,009
g/s gemiddeld
stof uitstoot
mg/m3 @ 6%02
mg/kWh
kg/jaar
g/h gemiddeld
-
Voor het berekenen van de te verwachten natte en droge depositie NOx (NO3 +
HNO3) vanwege de verbrandingsinstallaties is gebruik gemaakt van het rekenmodel
OPS Pro v4.3.16.
Voor wat betreft het emissiepunt is het volgende aangenomen:
-
De installatie is gelegen op de RD coiirdinaten X=117114, Y=496416.
De hoogte van het emissiepunt (schoorsteen) bedraagt 20 m
-
Het gemiiddelde vermogen bedraagt 1 MW
-
De interne diameter van de schoorsteen bedraagt 1 meter
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
4 Resultaten
Voor de berekening van de totale natte en droge stikstofdepositie (NO3 + HNO3) in
mol/ha/jaar is een berekeningsgrid ingevoerd van 2 x 2 km rondom de centrale. De
begrenzing van het raster is weergegeven in onderstaande figuur. De berekende
contouren zijn in de figuur weergegeven, beginnend bij 0,05 mol/ha/jaar in stappen
van 0,05 mol/hafjaar.
Contour Graph 1
0
>-
X Data
Figuur 4.1
Beoogde locatie van de bio - energiecentrale ten opzichte van de Pascalstraat.
De totale stikstofdepositie vanwege de verbrandingsinstallaties van Bio Forte
Zaanstad BV is beperkt. De 0,05 mol/hafjaar contour ligt op ten hoogste circa 1 km
vanaf de inrichting. Binnen deze contour liggen geen Natura 2000 gebieden.
Ter plaatse van de op grotere afstand gelegen Natura 2000 gebieden is geen
significante bijdrage aan totale depositie te verwachten, nl:
Natura 2000-gebied #92 (11perveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske):
max 0,02 mol/ha/jaar
6
Stikstofdepositieberekening bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
-
Natura 2000 gebied #91 (Polder Westzaan): minder dan 0,01 mol/ha/jaar.
-
Figuur 4.2
Con tou r Grap h 1
Beoogde locatie van de bio-energiecentrale ten opzichte van de twee N2000
0-)
0
Cs.1
0
0
0
0
0
0
Ln
0
0
0
(.0
0
11")
cs)
gebieden. De buitenste contour is 0,01 mol/ha/jaar, verdere contouren nemen
toe met 0,01 mol/ha/jaar
7
ZNSTD
Bijlage 5: Onderzoek Luchtkwaliteit
27
iQP ROCEDE
BIOMASS BV
Rapportage in opdracht van
Bio Forte BV
De effecten van de uitstoot
van stof en NOx
bioenergieinstallatie van Bio
Forte BV te Zaandam
lr. J. Koppejan (Procede Biomass BV)
Enschede, Juni 2014
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
Colofon
Deze rapportage is uitgevoerd in opdracht van
Bio Forte BV
Postbus 328
7500 AH Enschede
Auteurs:
Ir. J. Koppejan
Procede Biomass BV
Postbus 328
7500 AH Enschede
Juni 2014
II
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Fotte BV te Zaandam
Inhoudsopgave
COLOFON
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
II
III
1
1.1
ACHTERGROND
1
1.2
LIGGING
1
2 BESCHRIJVING ACTIVITEITEN EN LOCATIE INRICHTING
3
3 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEREKENING
5
4 RESULTATEN
6
4.1
PM10
6
4.2
NOx
9
III
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
1 Inleiding
1.1
Achtergrond
In opdracht van Bio Forte B.V. is een berekening uitgevoerd van de effecten op de
luchtkwaliteit van een nieuw te realiseren biomassaverbrandingsinstallatie aan de
Pascalstraat te Zaandam.
Doel van het onderzoek is het bepalen van de te verwachten concentraties NOx en
fijn stof in de directe omgeving van de installtie, ten behoeve van de te doorlopen
procedures in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene
bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Fijn stof en stikstofoxiden (N0x) worden binnen de inrichting geëmitteerd via de
rookgassen van een bioenergieinstallatie, bestaande uit verschillende
houtsnippergestookte ketels, een houtsnippergestookte wkk installatie en een
gasgestookte ketel.
De depositieberekening is uitgevoerd met behulp van het Nieuw Nationaal Model,
zoals gevat in de rekentool ISL3a (Versie 2013-1, release 6 juni 2013).
1.2
Ligging
De inrichting wordt gerealiseerd op een nieuwe locatie aan de zuidzijde van de
Pascalstraat te Zaandam, welke aan de oostzijde wordt begrensd door het kavel van
het Pascal College en aan de westzijde door het fietspad wat door een groenstrook
langs de oostzijde van de Gouw is gelegen. Voor de inrichting wordt een nieuw
ketelhuis gerealiseerd.
Door de uitstoot van stikstofoxiden (N0x) en fijn stof wordt de luchtkwaliteit in de
directe omgeving beïnvloedt. Door modelmatige berekeningen zijn de concentraties
aan fijn stof en NOx op de meest dichtbijgelegen objecten berekend. In de directe
nabijheid van de inrichting liggen de volgende gevoelige objecten:
Te beschermen object:
RD X Coord. [m]
RD Y Coord. [m]
Pascal College
117205
496421
IJdoorn flat noordwest hoek
117259
496275
Zorgboulevard oostkant
117028
496406
1
-0-
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
leva td troeu`s!'
lot9b°°
blomassa
centrale
Pascal college
lidoom
flat
Figuur 1.1
Beoogde locatie van de bio-energiecentrale ten opzichte van de belangnjkste
omliggende gebouwen.
2
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
2 Beschrijving activiteiten en locatie inrichting
De te realiseren inrichting betreft een installatie voor de productie van elektriciteit en
warmte uit houtsnippers. Op jaarbasis wordt ca. 3200 ton houtsnippers aangevoerd
met walking floor vrachtautos (ca. 135 vrachtautos per jaar). De snippers worden
gestort in een inpandige en bovengrondse storthal, vanwaar het in het gebouw wordt
getransporteerd en verdeeld over twee biomassagestookte ketels en een
biomassagestookte vuurhaard welke gekoppeld is aan een eenheid voor
electriciteitsopwekking (Organic Rankine Cycle). De vrijkomende warmte (max 2,5
MW) wordt via een aan te leggen warmtenet getransporteerd naar 6 grotere
utiliteitsgebouwen in de direkte omgeving. De vrijkomende elektriciteit (max 160 kW)
wordt aan het openbare electriciteitsnet geleverd. De vrijkomende as (ca. 44 ton per
jaar) wordt afgevoerd en toegepast in de wegenbouw. Met de installatie wordt
jaarlijks ca. 900.000 m3 aardgas bespaard.
Figuur 2.1
3
Noord-Oost aanzicht van de beoogde installatie
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
Figuur 2.2
Beoogde locatie van de bio-energiecentrale ten opzichte van de Pascalstraat.
De kaart is gedraaid weergegeven (de noordzijde is naar beneden)
4
-0
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
3 Uitgangspunten voor de berekening
In tabel 1 is een overzicht gegeven van de energieproductie en de emissie aan stof
en NOx uit de installatie. Daarbij is uitgegaan van de meest conservatieve aanname
dat in alle gevallen de emissie-eis zoals geformuleerd in het Activiteitenbesluit
volledig wordt opgevuld. Dit leidt tot een jaargemiddelde uitstoot van 0,087 g/h aan
NOx en 0,009 g/h aan stof.
gasketel bioketel
1
Electrisch vermogen
kWe
Thermisch vemogen
Warmteproductie
kWth
GJ th/jaar
MWh th/jaar
Elektriciteitsproductie
MWhe/jaar
aantal vollasturen
NOx uitstoot
mg/m3 @ 6%02
mg/kWh
kg/jaar
kg/uur
g/s gem iddeld
stof uitstoot
mg/m3 @ 6%02
mg/kWh
.kg/jaar
kg/uur
g/h gemiddeld
Totaal
130
130
400
1.200
800
6.500
1.026
3.447
10.340
14.134
28.947
285
957
2.873
3.926
8.041
638
638
2.394
2.394
4.908
1.237
0,38
0,38
0,46
0,42
4,19
4,19
4,19
4,19
200
200
200
200
70
318
318
385
342
20
0,002
305
0,035
915
0,104
1.513
0,173
2.753
0,314
0,001
0,010
0,029
0,048
0,087
20
20
20
20
-
32
32
39
34
-
30
0,003
91
0,010
151.
0,017
273
0,031
0,001
0,003
0,005
0,009
kg biomassa per kWhth
m3 flue gas@6% 02
per kg biomassa
spec rookgasproductie
bio-wkk
4.100
70
spec brandstofverbruik
bioketel
2
-
Voor het berekenen van de te verwachten luchtconcentraties aan NOx en fijn stof
vanwege de verbrandingsinstallaties is gebruik gemaakt van het rekenmodel ISL3a
(Versie 2013-1, release 6 juni 2013).
Voor wat betreft het emissiepunt is het volgende aangenomen:
-
De installatie is gelegen op de RD coCirdinaten X=117114, Y=496416.
-
De hoogte van het emissiepunt (schoorsteen) bedraagt 20 m
-
Het gemiddelde vermogen bedraagt 1 MW
-
De interne diameter van de schoorsteen bedraagt 0,8 meter
-
Bij een gemiddeld rookgasdebiet van 10.908 m3/h bedraagt de gemiddelde
uittreesnelheid 6,03 m/s
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
4 Resultaten
Voor de berekening van de te verwachten concentraties aan NOx en fijn stof (in
pg/m 3) is een berekeningsgrid ingevoerd van 10 x 10 km rondom de centrale. De
begrenzing van het raster is weergegeven in Figuur 4.1.
Koog a
de Zaars
Figuur 4.1
Het onderzochte gebied rondom de bio-energiecentrale met een grid van 10 x
10 km
4.1
PM10
De huidige concentraties aan fijn stof (PM10) van hetzelfde gebied zijn weergegeven
in Figuur 4.2. Zichtbaar is dat met name aan de zuidzijde relatief hoge concentraties
voorkomen.
6
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
PM10 achtergrond (ug/m3)
501000
GCN
500000
•
•
< 20
20 - 21
•
21 - 22
22 - 23
IIII
499000
498000
497000
>496000
•
23 - 24
24 - 25
25 - 26
26 - 27
27 - 28
28 - 29
29 - 30
> 30
495 000
494000
493 000
492 000
113000 114000 115000 116000 117000 118000 119000 120000 121000 122000
X
Figuur 4.2
De huidige achtergrondconcentraties aan fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied
De impact van de biomassacentrale op het betreffende gebied is weergegeven in
Figuur 4.3. De bijdrage aan fijn stof concentraties in de directe omgeving loopt op tot
max 0,14 ug/m3 in een straal van 100 m rondom de centrale, daarbuiten wordt het
snel minder.
PM10 bijdrage (ug/m3)
501000
•
•
•
500000
499000
498000
bron
< 0,000000
0,000000 - 0,010000
0,010000 - 0,020000
0,020000 - 0,030000
0,030000 - 0,040000
0,040000 - 0,050000
0,050000 - 0,060000
0,060000 - 0,080000
497000
L.
0,080000 - 0,100000
0,100000 - 0,120000
0,120000 - 0,140000
•
> 0,140000
•
>496000
495000
494000
493 000
492 000
■ •(c9
,,■\
4)
\c)
o
X
Figuur 4.3
De te verwachten bijdrage aan de concentratie fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied
7
-0-
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
De resulterende totale concentraties inclusief achtergrondconcentratie is
weergegeven in Figuur 4.4. Uit een vergelijking met Figuur 4.2 blijkt dat de impact op
fijn stof concentraties verwaarloosbaar kan worden genoemd.
PM10 totaal (ug/m3)
I
totaa
< 20
20 21
21 22
111 22
23
23 - 24
24 - 25
25 - 26
26 - 27
27 - 28
28 - 29
11. 29 - 30
> 30
•
501000
•
•
•
500000
499000
• 498000
497000
ga
>496000
49 5 000
494000
493 000
492 000
113000 114000 115000 116000 117000 118000 119000 120000 121000 122000
X
Figuur 4.4
De mogelijke toekomstige concentraties aan fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied, inclusief de beoogde centrale (vergelijk met Figuur 4.2).
De impact op de dichtbijgelegen gevoelige objecten is hieronder weergegeven.
Hieruit blijkt dat de maximale concentratietoename 0,1 pg/m3 bedraagt voor de
IJdoorn flat.
Te beschermen
X
Y
object:
Totaal
Bron
GCN
(pg/m3)
(pg/m3)
(pg/m3)
N50-tot
N50-GCN
zeezout
-dagen
(pg/m3)
Pascal College
117205
496421
22,57
0,06
22,51
10,89
10,86
3
4
IJdoorn flat
117259
496275
22,61
0,10
22,51
10,89
10,86
3
4
117028
496406
22,53
0,01
22,51
10,89
10,86
3
4
noordwest hoek
Zorgboulevard
oostkant
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
4.2
NOx
De huidige concentraties aan NOx van hetzelfde gebied zijn weergegeven in Figuur
4.5. Zichtbaar is dat met name aan de zuidoostzijde relatief hoge concentraties
voorkomen.
NOx achtergrond (ug/m3)
•
498000
•
•
497000
GCN
< 18
18 - 20
20
22
24
26
28
30
- 22
- 24
- 26
- 28
- 30
- 32
32
496000
495000
494000
493000
492000
113000 114000 115000 116000 117000 118000 119000 120000 121000 122000
X
Figuur 4.5
De huidige achtergrondconcentraties aan fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied
De impact van de biomassacentrale op het betreffende gebied is weergegeven in
Figuur 4.6. De bijdrage aan NOx concentraties in de directe omgeving loopt op tot
max 0,011 ug/m3 in een straal van 100 m rondom de centrale, daarbuiten wordt het
snel minder.
9
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
NOx bijdrage (ug/m3)
5 01 0 0 0
•
•
500000
49 9 0 0 0
49 8 0 00
•
49 7 0 0 0
•
>-
bron
< 0,001
0,001 - 0,002
0,002 - 0,003
0,003 - 0,004
0,004 - 0,005
0,005 - 0,006
0,006
0,007
0,008
0,009
•
49 6 0 0 0
-
0,007
0,008
0,009
0,010
> 0,010
49 5 00 0
494000
493 000
492 00 0
113000 114000 115000 116000 117000 118000 119000 120000 121000 12 2000
X
Figuur 4.6
De te verwachten bijdrage aan de concentratie fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied
De resulterende totale concentraties inclusief achtergrondconcentratie is
weergegeven in Figuur 4.7. Uit een vergelijking met Figuur 4.5 blijkt dat de impact op
NOx concentraties verwaarloosbaar kan worden genoemd.
NOx totaal incl bioenergiecentrale (ug/m3)
•
•
totaal
< 18
18 - 20
•
20
22
24
26
28
30
5 01 00 0
500000
49 9 00 0
49 800 0
•
497 0 0 0
-
22
24
26
28
30
32
> 32
>49 6 00 0
49 5 00 0
494000
49 3 0 0 0
49 2 0 0 0
113000 114000 115000 116000 117000 118000 119000 120000 121000 122000
X
Figuur 4.7
De mogelijke toekomstige concentraties aan fijn stof (PM10) in het te
analyseren gebied, inclusief de beoogde centrale (vergelijk met Figuur 4.5).
10
De effecten van de uitstoot van stof en NOx bioenergieinstallatie van Bio Forte BV te Zaandam
De impact op de dichtbijgelegen gevoelige objecten is hieronder weergegeven.
Hieruit blijkt dat de maximale concentratietoename aan NOx 0,008 pg/m3 bedraagt
voor de IJdoorn flat.
Te beschermen object:
X
Totaal
(pg/m3)
Y
bron
(pg/m3)
GCN
(pg/m3)
N200-tot
Pascal College
117205
496421
26,137
0,005
26,132
0
IJdoorn flat noordwest hoek
117259
496275
26,141
0,008
26,132
0
Zorgboulevard oostkant
117028
496406
26,133
0,001
26,132
0
11
ZN ST D
Bijlage 6: Geluidsonderzoek
28
5TÇ00p
Rapport: 144223-00
Akoestisch onderzoek biomassacentrale
Pascalstraat Zaandam
Verantwoording
Auteur(s)
: dhr. S.H. Boonstra
Paraaf auteur(s)
Aantal pagina's
: 11 (excl. figuren en bijlagen)
Akkoord divisiemanager
Uitgevoerd in opdracht van
Naam opdrachtgever
: Bio Forte BV
Adres opdrachtgever
: PO Box 328
Contactpersoon
: de heerJ. Koppejan
: 053-7112519
7500 AH ENSCHEDE
Telefoon
email
: [email protected]
Colofon
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Divisie industrie
Postbus 46
9350 AA LEEK
Telefoon
Telefax
E-mail
: 0594-515522
: 0594-515533
: infoPstroopri.n1
Internet
: www.stroopri.n1
Versie
Datum
Omschrijving
1.0
4 augustus 2014
Akoestisch onderzoek t.b.v. melding Activiteitenbesluit
Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie,
microfilm of anderzijds zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Stroop raadgevende
ingenieurs bv.
Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Stroop raadgevende ingenieurs bv een hoge prioriteit. Stroop
raadgevende ingenieurs bv hanteert hiertoe een managementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001.
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
stroop
Inhoudsopgave
1
Inleiding
3
2
Situering
4
3
Toetsingskader
5
4
Bedrijfssituaties
7
4.1
Representatieve bedrijfssituatie
7
4.2
Incidentele bedrijfssituaties en Regelmatige afwijkingen
7
5
Bepaling geluidvermogenniveaus
8
6
Geluidbelasting op omgeving exclusief maatregelen
9
6.1
Algemeen
9
6.2
Geluidbelasting representatieve bedrijfssituatie (RBS)
9
7
Conclusie
11
FIGUREN
1 Overzicht gebouwen en bodemgebieden
2
Overzicht geluidbronnen
3
Overzicht beoordelingspunten
BIJLAGEN
1 Gebouwen en bodemgebieden
2
Geluidbronnen
3
Beoordelingspunten
4
Rekenresultaten
Projectnummer: 144223-00
Pagina 2
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
1
stroop
Inleiding
In opdracht van Bio Forte BV is door Stroop raadgevende ingenieurs bv een akoestisch onderzoek uitgevoerd
vanwege een melding in het kader van het Activiteitenbesluit voor een nieuwe biomassacentrale aan de
Pascalstraat te Zaandam.
Het doel van het onderzoek is de geluidbelasting, als gevolg van de inrichting, inzichtelijk te maken aan de hand
van de representatieve bedrijfssituatie. De geluidbelasting ten gevolge van de inrichting is getoetst aan de
geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit.
Het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig de handleiding "meten en rekenen industrielawaai 1999 ".
Daarnaast is gebruik gemaakt van de in oktober 1998 verschenen handreiking "industrielawaai en
vergunningverlening", verder genoemd: de handreiking.
De indirecte hinder is beoordeeld volgens de Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door wegverkeer van
en naar de inrichting: Beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer d.d. 29 februari 1996 van het
Ministerie van VROM.
Projectnummer: 144223-00
Pagina 3
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
2
stroop
Situering
De inrichting zal worden gerealiseerd aan de Pascalstraat te Zaandam. Het terrein wordt aan de noordzijde
begrenst door de Pascalstraat, aan de westkant door (een pad langs) de rivier de Gouw en aan de westkant
door een sportterrein. De meest nabijgelegen geluidgevoelige bestemmingen zijn:
•
het Zaans Medisch Centrum (ZMC), in westelijke richting aan de overzijde van de Gouw. De afstand tot
de terreingrens van de biomassacentrale bedraagt circa 80 m. Dit betreft de huidige situatie. In de
toekomst zal er een nieuwbouw plaatsvinden in westelijke richting. Deze bevindt zich echter verder
van de biomassacentrale dan de gehanteerde beoordelingspunten. Hier zal de geluidbelasting aitijd
lager zijn dan in dit rapport is berekend;
•
het Pascal College, in oostelijke richting aan de overzijde van het sportterrein. De afstand tot de
terreingrens van de biomassacentrale is ook ongeveer 80 m.
In onderstaande afbeelding 2.1 is de situatie weergegeven.
Afbeelding 2.1: inrichting en omgeving
Asimmiwor—
Zaans Medisch
Centrum ZMC
Projectnummer: 144223-00
Pagina 4
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
3
Toetsingskader
Directe hinder
Het bedrijf valt onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. In dit Besluit worden drie typen (A, B en C)
bedrijven onderscheiden, afhankelijk van de mogelijke effecten voor het milieu door de activiteiten van het
bedrijf. De inrichting valt onder het Type B van het Activiteitenbesluit. De relevante geluidvoorschriften voor
het type B inrichting uit het Activiteitenbesluit zijn onderstaand weergegeven:
Artikel 2.17
1. Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
(LA,LT)
en het maximaal geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de
inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en
activiteiten, geldt dat:
a. de niveaus op de in tabel 1 genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven
waarden;
Tabel 2.17a
0100-19.00
19.00-23.00
23.00-07.00
LA,LT
op de gevel van gevoelig gebouw
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LA, LT
in in- of aanpandige gevoelig gebouw
35 dB(A)
30 dB(A
25 dB(A)
LArnax
Piekniveau op de gevel van gevoelig gebouw
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax
Piekniveau in in- of aanpandige gevoelig gebouw
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
b.
de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabe12.17a opgenomen maximale geluidniveaus (L Amax) niet van
c.
de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de
toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
uitvoeren van geluidmetingen;
d.
de in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein;
e.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidgevoelige
ruimten en verbliffsruimten; en
f.
de in tabel 2.17a aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd
industrieterrein.
3. 1n afwijking van het eerste lid geldt voor een inrichting die is gelegen op een bedrijventerrein, dat:
a.
het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau
(LA,LT)
en het maximaal geluidniveau
(LA max)
op de in tabe12.17c
genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden;
b.
de in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur in tabel 2.17c opgenomen maximale geluidniveaus (LA ni „) niet van
c.
de in tabel 2.17c aangeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet van toepassing zijn, indien
toepassing zijn op laad- en losactiviteiten;
de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen
uitvoeren van geluidmetingen;
d.
de in tabel 2.17c aangegeven waarden op de gevel ook van toepassing zijn bij gevoelige terreinen op de grens van
het terrein;
e.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidgevoelige ruimten en
f.
de in tabel 2.17c aangegeven waarden gelden niet op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd
verbliffsruimten, en
industrieterrein.
Projectnummer: 144223-00
Pagina 5
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Tabel 2.17c
LA,LT op de gevel van gevoelige gebouwen op het
07.00-19.00
19.00-23.00
23.00-07.00
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
35 dB(A)
30 dB(A
25 dB(A)
75 dB(A)
70 dB(A)
65 dB(A)
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
bedrijventerrein
LA. LT in in- of aanpandige gevoelige gebouwen op het
bedrijventerrein
LA ma„ piekniveau op de gevel van gevoelige gebouwen
op het bedrijventerrein
LA ma, piekniveau in in- of aanpandige gevoelige
gebouwen op het bedrijventerrein
Bovengenoemde richt- en grenswaarden gelden voor de geluidemissie die de inrichting onder normale
omstandigheden veroorzaakt, aangeduid met de representatieve bedrijfssituatie.
De representatieve bedrijfssituatie heeft in dit geval betrekking op een voor de geluiduitstraling kenmerkende
bedrijfsvoering bij volledige capaciteit van de inrichting. Daarnaast kunnen zich regelmatige - en incidentele
afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie voordoen. Voor deze situaties kan ontheffing worden
verleend om meer geluid te veroorzaken dan de grenswaarden voor de representatieve geluidsituatie.
Indirecte hinder
Onder indirecte hinder wordt verstaan, de nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt door activiteiten die,
hoewel plaatsvindend buiten het terrein van de inrichting, aan de inrichting zijn toe te rekenen. Gezien vanuit
het perspectief van geluidhinder zijn de verkeersbewegingen van en naar de inrichting een belangrijke vorm
van indirecte hinder. De regelgeving betreffende deze indirecte hinder is opgenomen in de "Circulaire
beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet Milieubeheer" van het
ministerie van VROM van 29 februari 1996. Conform deze circulaire dient de indirecte hinder te worden
beschouwd zolang deze nog duidelijk akoestisch herkenbaar is als op weg naar of afkomstig van de inrichting.
De ontsluiting van de inrichting vindt plaats via de Pascalstraat, een paralleiweg van de zeer drukke
Prins Bernhardweg. De verkeersbewegingen vanwege de biomassacentrale zijn bij het verlaten van de
inrichting dan ook direct opgenomen in het heersende verkeersbeeld en, ter plaatse van de maatgevende
geluidgevoelige bestemmingen, niet duidelijk herkenbaar van de inrichting. Uit dit oogpunt is de indirecte
hinder verder buiten beschouwing gelaten.
Projectnummer: 144223-00
Pagina 6
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
4
4.1
Bedrijfssituaties
Representatieve bedrijfssituatie
Voor het berekenen van de geluidbelasting is het van belang om uit te gaan van een bedrijfssituatie die alle
activiteiten op het terrein van een inrichting in ogenschouw neemt in de representatieve periode. Deze
bedrijfssituatie is op 30 juli 2014 in overleg met de heerJ. Koppejan van Bio Forte vastgesteld.
In tabel 4.1 is de representatieve gemiddelde bedrijfssituatie weergegeven.
Tabel 4.1: representatieve bedrijfssituatie
Omschrijving
Bedrijfstijden en/of aantal transportbewegingen
dagperiode
avondperiode
nachtperiode
07.00 — 19.00 uur
19.00 — 23.00 uur
23.00 — 07.00 uur
Vrachtwa gen
•
aankomst:
1x
--
--
•
vertrek:
1x
--
--
Personenwagen
•
aankomst:
2x
•
vertrek:
2x
--
--
Gebouwafstraling
12 uur
4 uur
8 uur
20 minuten
--
100%
100%
100%
30 minuten
30 minuten
30 minuten
Open overheaddeur
Rookgasafvoer (schoorsteen 20 m boven maaiveld)
Noodkoeler (zuidgevel)
4.2
Incidentele bedrijfssituaties en regelmatige afwijkingen
Naast de hiervoor beschreven bedrijfssituatie, die representatief is voor de geluidemissie, komen voor de
onderhavige inrichting geen situaties (regelmatige afwijkingen en incidentele bedrijfssituaties) voor waarbij een
hogere geluidemissie plaatsvindt dan onder representatieve bedrijfsomstandigheden.
Projectnummer: 144223-00
Pagina 7
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
5
Bepaling geluidvermogenniveaus
Voor het bepalen van het geluidvermogens van de immissierelevante geluidbronnen is gebruik gemaakt van
ons bronnenbestand en gegevens van leveranciers. De gehanteerde geluidvermogenniveaus zijn in tabel 5.1
gegeven.
Tabel 5.1: gehanteerde geluidvermogenniveaus
Omschrijving
Methode
LAr,LT
LAmax
Vrachtwa gen
kengetal
104
n.v.t.
Personenwagen
kengetal
•89
99
Geluidvermogenniveau in dB(A)
Gebouwafstraling (binnenniveau 73 dB(A)
•
Noordgevel
kengetal
67
n.v.t.
•
Oostgevel
kengetal
70
n.v.t.
•
Zuidgevel
kengetal
67
n.v.t.
•
Westgevel
kengetal
70
n.v.t.
kengetal
81
n.v.t.
gegevens leverancier
72
n.v.t.
gegevens leverancier
74
n.v.t.
Open overheaddeur (binnenniveau 73 dB(A)
Rookgasafvoer (schoorsteen 20 m boven maaiveld)
Vermogen is 85 dB(A) met demper van 13 dB
Noodkoeler (zuidgevel)
Vermogen is 43 dB(A) op een afstand van 10 meter
Projectnummer: 144223-00
Pagina 8
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
6
Geluidbelasting op omgeving exclusief maatregelen
6.1 Algemeen
Voor het berekenen van de geluidbelasting op de omgeving is door ons gebruik gemaakt van een
computerrekenmodel overeenkomstig methode 11.8 (overdrachtsmodel) van de Handleiding. De
beoordelingspunten zijn gelegen ter plaatse van de meest belaste punten op de gevels van de dichtstbijzijnde
geluidgevoelige bestemmingen. De geluidbeiasting is berekend op een hoogte van 5,0 meter boven het
plaatselijke maaiveldniveau.
De verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting zijn weergegeven als een reeks van puntbronnen. De
puntbronnen zijn voor de voertuigen gelijkmatig verdeeld over de rijroute. De bedrijfsduurcorrectie Cb is
afgeleid van het aantal puntbronnen waarover de rijroute is verdeeld.
Een uitgebreid overzicht van de invoergegevens van het rekenmodel is terug te vinden in de bijlagen van dit
rapport.
6.2
Geluidbelasting representatieve bedrijfssituatie (RBS)
1n tabel 6.1 zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr, Er ) op de maatgevende beoordelingspunten, als
gevolg van de representatieve bedrijfssituatie, samengevat.
Tabel 6.1: rekenresultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus huidige situatie (L Arp-)
Beoordelingspunt
Langtijdgemiddeld
Toetsingskader
Overschrijding
beoordelingsniveau
[dB(A)]
[dB(A)]
[dB(A)]
01
02
03
04
Zaans Medisch
Centrum 0-gevel
Zaans Medisch
Centrum N-gevel
Pascal College
gebouw Noord
Pascal College
gebouw Noord
Dag
Avond
Nacht
Dag
Avond
28
28
28
50
45
40
29
28
28
50
45
40
28
27
27
50
45
40
28
28
27
50
45
40
Nacht .
Dag
Avond
Nacht
Uit de rekenresultaten blijkt dat op alle beoordelingspunten ruimschoots aan de grenswaarden voor de
langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (L A,, LT) wordt voldaan.
Naast de bepaling en de berekening van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, dient ook een beoordeling
plaats te vinden naar het ter plaatse van de maatgevende beoordelingspunten optredend maximaal
geluidniveau (LArnax ). 1n tabel 6.2 zijn de optredende maximale geluidniveaus op de maatgevende
beoordelingspunten samengevat.
Projectnummer: 144223-00
Pagina 9
stroop
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Tabel 6.2: rekenresultaten maximale geluidniveaus (L Amax ) in dB(A)
Beoordelingspunt
01
02
Zaans Medisch
Centrum 0-gevel
Zaans Medisch
Centrum N-gevel
Maximale geluidniveaus
Toetsingskader
Overschrijding
(-Amax)
[dB(A)]
[dB(A)]
Dag
Avond
Nacht
Dag
Avond
Nacht
49
24
24
70
65
60
50
24
24
70
65
60
Dag
Avond
Nacht
.
03
Pascal College
gebouw Noord
49
23
23
70
65
60
04
Pascal College
gebouw Noord
49
23
23
70
65
60
Uit de rekenresultaten blijkt dat op alle beoordelingspunten ruimschoots aan de grenswaarden voor de
maximale geluidniveaus (LA max wordt voldaan.
)
Projectnummer: 144223-00
Pagina 10
Akoestisch onderzoek biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
7
stroop
Conclusie
In opdracht van Bio Forte BV is door Stroop raadgevende ingenieurs bv een akoestisch onderzoek uitgevoerd
vanwege een melding in het kader van het Activiteitenbesluit voor een nieuwe biomassacentrale aan de
Pascalstraat te Zaandam.
Het doel van het onderzoek is de geluidbelasting, als gevolg van de inrichting, inzichtelijk te maken aan de hand
van de representatieve bedrijfssituatie. De geluidbelasting ten gevolge van de inrichting is getoetst aan de
geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit.
Uit de rapportage blijkt dat voor zowel de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (L Ar, LT) als de maximale
geluidniveaus (LAmax ) ruimschoots wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden van het Activiteitenbesluit.
De geluidbelasting vanwege indirecte hinder is beoordeeld volgens de Circulaire inzake geluidhinder
veroorzaakt door wegverkeer van en naar de inrichting en levert geen belemmeringen op.
Leek, 4 augustus 2014
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Dhr. S.H. Boonstra
Projectnummer: 144223-00
Pagina 11
st oop
FIGUREN
Akoestisch onderzoek Biomasscentrale Pascalstraat Zaandam
144223-00
Figuur 1: gebouwen en bodemgebieden
Stroop Raadgevende Ingenieurs
_
..
.
cn
c)
----,______-------
;_-
_
£ 00
_
T
_
1 00
____--------'
I
\\.
ZO 0
._-----
\\I
Sc herm
11~111111111111Gebouw
aat Zaandam - RBS]
=
"
T 00
-
,_______---------
Geo miheu V2 40
-•
170
.---------
i,--------
_
Akoestisch onderzoek Biornassacentrale Pascalstraat Zaandam
144223-00
Figuur 2: Overzicht geluidbronnen
Stroop Raadgevende Ingenieurs
Detail puntbron
Mobele bron
Puntbron
Jitstralend dak
Llitstralende gevel
Toetspunt
Bodemgebed
Sebouv,
Scherm
Bedrig
496460
0
10 m
schaal = 1 227
021
——--
496440
sN„
N\
496420
117100
Industrielawaai - IL [Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam - RBSI Geomilieu V2 40
1 17 120
Akoestisch onderzoek Biomasscentrale Pascalstraat Zaandam
Figuur 3: Overzicht beoordelingspunten
144223-00
Stroop Raadgevende Ingenieurs
Ilr 1111- - -1 il1 I"1-1 1 1 [1. Il I
1 11
I
II
L,
I
li
\
,
k„
\\\
._....atest
1
111111
/\
-
----------1~11k1 Ii«, i
la
icabw—
- --1-111
lela -------'
1 )1z
gt
I
-
ilid
it
le Pascalstraat Zaandam - RBS] . Ge
--------5------------
II
/
ti
,
s t ro o p
BIJLAGEN
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 1: gebouwen en bodemgebieden
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Gebouwen, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam
001
002
003
102
021
Omschr.
Biomassacentrale
Pascal College,Pascalstraat 4
Pascal College,Pascalstraat 4
Zaans Medisch Centrum
Silo bufferwater
022
023
Silo bufferwater
Schoorsteen
Geomilieu V2.40
Hoogte
6.20
6.00
10.00
6.00
10.00
Maaiveld
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Hdef.
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
0
0
0
0
0
Cp
dB
dB
dB
dB
dB
Refl. 31
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 63
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 125
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 250
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 500
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. lk
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 2k
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 4k
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
Refl. 8k
0.80
0.80
0.80
0.80
0.00
10.00
19.50
0.00
0.00
Relatief
Relatief
0 dB
0 dB
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:18:03 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 1: gebouwen en bodemgebieden
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroeb)
Lijst van Bodemgebieden, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
001
Koningin Julianaweg
002
Gouw
003
Pascalstraat
003
Schoolplein
004
Bodemgebied biomassa
Geomilieu V2.40
Bf
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:20:03 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 1: gebouwen en bodemgebieden
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Schermen, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
010
Open ruimte noodkoeler
Geomilieu V2.40
ISO H
6.20
ISO M Hdef.
Cp Refl.L 31 Refl.L 63 Refl.L 125 Refl.L 250 Refl.L 500 Refl.L lk Refl.L 2k Refl.L 4k Refl.L 8k
0.00 Relatief 0 dB
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
8/1/2014 4:21:18 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 1: gebouwen en bodemgebieden
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Schermen, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Refl.R 31 Refl.R 63 Refl.R 125 Refl.R 250 Refl.R 500 Refl.R lk Refl.R 2k Refl.R 4k Refl.R 8k
010
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
0.80
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:21:18 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Puntbronnen, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
031
Rookgasafvoer
032
Noodkoeler
101
Dichtslaan autoportier Lmax
102
Dichtslaan autoportier Lmax
Geomilieu V2.40
Hoogte
20.00
3.00
0.00
0.00
Maaiveld
0.00
0.00
0.00
0.00
Hdef.
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
Normale
Normale
Normale
Normale
Type Richt.
puntbron
0.00
puntbron
0.00
puntbron
0.00
puntbron
0.00
Hoek
Cb(D)
360.00
0.00
360.00
13.80
360.00 199.00
360.00 199.00
Cb(A)
0.00
9.03
--
Cb(N) GeenRefl. GeenDemping GeenProces
0.00
Nee
Nee
Nee
12.04
Nee
Nee
Nee
-Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Nee
Lw 31
32.00
34.00
73.00
73.00
8/1/2014 4:22:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
144223-00
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
Naam
031
032
101
102
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Puntbronnen,
Lw 63
49.00
51.00
81.00
81.00
Lw 125
61.00
63.00
87.00
87.00
Geomilieu V2.40
Lw 250
65.00
67.00
83.00
83.00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Lw 500
67.00
69.00
92.00
92.00
Lw lk
66.00
68.00
93.00
93.00
Lw 2k
63.00
65.00
92.00
92.00
Lw 4k
55.00
57.00
91.00
91.00
Lw 8k
47.00
49.00
87.00
87.00
Red 31
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 63
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 125
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 250
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 500
0.00
0.00
0.00
0.00
Red lk
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 2k
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 4k
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 8k
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:22:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Mobiele bron, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
021
Vrachtwagen
022
Personenwagen
Geomilieu V2.40
ISO H
1.00
0.75
ISO M Hdef.
0.00 Relatief
0.00 Relatief
Aantal(D) Aantal(A) Aantal(N)
2
4
Cb(D) Cb(A) Cb(N) Gem.snelheid Max.afst.
42.06
' -5
2.00
38.99
5
2.00
Lw 31
59.00
60.00
Lw 63
82.00
67.00
Lw 125
89.00
73.00
Lw 250
92.00
74.00
8/1/2014 4:22:47 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Mobiele bron, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Lw 500
021
99.00
022
78.00
Lw lk
100.00
86.00
Geomilieu V2.40
Lw 2k
96.00
84.00
Lw 4k
87.00
75.00
Lw 8k Red 31
79.00
0.00
66.00
0.00
Red 63 Red 125 Red 250 Red 500
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Red lk Red 2k Red 4k Red 8k
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:22:47 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofddroep)
Lijst van Uitstralende daken, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
006
Dakvlak
Hoogte
0.10
Geomilieu V2.40
Maaiveld Hdef.
6.20 Relatief aan onderliggend item
BinBui Cdifuus TypeLw
Ja
4
False
Cb(D)
0.00
Cb(A)
0.00
Cb(N) DeltaX DeltaY Lp 31
0.00
2.0
2.0
Lp 63
54.00
Lp 125
59.00
Lp 250
63.00
8/1/2014 4:23:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
Naam
006
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Uitstralende daken, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Lp 500
67.00
Lp 1k
68.00
Geomilieu V2.40
Lp 2k
66.00
Lp 4k Lp 8k
65.00
Iso 31
0.00
Iso 63 Iso 125 Iso 250 Iso 500
12.00
12.00
17.00
23.00
Iso lk
28.00
Iso 2k
29.00
Iso 4k
25.00
Iso 8k LwM2 31 LwM2 63 LwM2 125 LwM2 250
0.00
38.00
43.00
42.00
8/1/2014 4:23:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Uitstralende daken, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam LwM2 500 LwM2 lk LwM2 2k LwM2 4k LwM2 8k
Lw 31
006
40.00
36.00
33.00
36.00
-- -174.26
Geomilieu V2.40
Lw 63
63.74
Lw 125
68.74
Lw 250
67.74
Lw 500
65.74
Lw lk
61.74
Lw 2k
58.74
Lw 4k
Lw 8k Red 31 Red 63 Red 125 Red 250
61.74 -174.26
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:23:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroep)
Lijst van Uitstralende daken, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Red 500
006
0.00
Red lk Red 2k Red 4k Red 8k
0.00
0.00
0.00
0.00
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:23:10 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Uitstralende gevels, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
001
Oostgevel
002
Zuidgevel
003
Oostgevel
004
Noordgevel
005
Open deur Noordgevel
Geomilieu V2.40
ISO H
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
ISO M
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Hdef.
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
BinBui Cdifuus TypeLw
Ja
4
False
Ja
4
False
Ja
4
False
Ja
4
False
Ja
4
False
Cb(D)
0.00
0.00
0.00
0.00
15.57
Cb(A)
0.00
0.00
0.00
0.00
--
Cb(N) Hoogte DeltaL DeltaH Lp 31
0.00
6.2
2.0
2.0
0.00
6.2
2.0
2.0
0.00
6.2
2.0
2.0
0.00
6.2
2.0
2.0
-4.0
2.0
2.0
Lp 63
54.00
54.00
54.00
54.00
54.00
Lp 125
59.00
59.00
59.00
59.00
59.00
Lp 250
63.00
63.00
63.00
63.00
63.00
8/1/2014 4:23:25 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
Naam
001
002
003
004
005
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Uitstralende gevels, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Lp 500
67.00
67.00
67.00
67.00
67.00
Lp lk
68.00
68.00
68.00
68.00
68.00
Geomilieu V2.40
Lp 2k
66.00
66.00
66.00
66.00
66.00
Lp 4k
65.00
65.00
65.00
65.00
65.00
Lp 8k
Iso 31
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Iso 63
12.00
12.00
12.00
12.0.0
0.00
Iso 125
12.00
12.00
12.00
12.00
0.00
Iso 250
17.00
17.00
17.00
17.00
0.00
Iso 500
23.00
23.00
23.00
23.00
0.00
Iso 1k
28.00
28.00
28.00
28.00
0.00
Iso 2k
29.00
29.00
29.00
29.00
0.00
Iso 4k
25.00
25.00
25.00
25.00
0.00
Iso 8k
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
LwM2 31
LwM2 63
38.00
38.00
38.00
38.00
50.00
LwM2 125
43.00
43.00
43.00
43.00
55.00
LwM2 250
42.00
42.00
42.00
42.00
59.00
8/1/2014 4:23:25 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Módel:
Groep:
Naam
001
002
003
004
005
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Uitstralende gevels,
LwM2 500
40.00
40.00
40.00
40.00
63.00
LwM2 lk
36.00
36.00
36.00
36.00
64.00
Geomilieu V2.40
LwM2 2k
33.00
33.00
33.00
33.00
62.00
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
voor rekenmethode Industrielawaai - IL
LwM2 4k
36.00
36.00
36.00
36.00
61.00
LwM2 8k
Lw 31
-178.10
-180.39
-178.13
-180.60
-188.25
Lw 63
59.90
57.61
59.87
57.40
61.75
Lw 125
64.90
62.61
64.87
62.40
66.75
Lw 250
63.90
61.61
63.87
61.40
70.75
Lw 500
61.90
59.61
61.87
59.40
74.75
Lw lk
57.90
55.61
57.87
55.40
75.75
Lw 2k
54.90
52.61
54.87
52.40
73.75
Lw 4k
57.90
55.61
57.87
55.40
72.75
Lw 8k
-178.10
-180.39
-178.13
-180.60
-188.25
Red 31
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 63
0.00
0.00
0.00
0,00
0.00
Red 125
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Red 250
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
8/1/2014 4:23:25 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 2: geluidbronnen
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdgroep)
Lijst van Uitstralende gevels, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Red 500
001
0.00
002
0.00
003
0.00
004
0.00
005
0.00
Red lk Red 2k Red 4k Red 8k
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:23:25 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 3: toetspunten
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
RBS
(hoofdcfroeb)
Lijst van Rekenpunten, voor rekenmethode Industrielawaai - IL
Naam Omschr.
01
Zaans Medisch Centrum Westgevel
02
Zaans Medisch Centrum Noordgevel
03
Pascal College Noordelijk gebouw
04
Pascal College Midden gebouw
Geomilieu V2.40
Maaiveld
0.00
0.00
0.00
0.00
Hdef.
Relatief
Relatief
Relatief
Relatief
Hoogte A Hoogte B Hoogte C Hoogte D Hoogte E Hoogte F Gevel
5.00
Ja
5.00
Ja
5.00
Ja
5.00
Ja
8/1/2014 4:23:52 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 4: rekenresultaten
Rapport:
Model:
Groep:
Groepsreductie:
Naam
Toetspunt
01 A
02 A
03 A
04_A
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Resultatentabel
RBS
LAeg totaalresultaten voor toetspunten
(hoofdgroep)
Nee
Omschrijving
Zaans Medisch Centrum Westgevel
Zaans Medisch Centrum Noordgevel
Pascal College Noordelijk gebouw
Pascal College Midden gebouw
Hoogte
5.00
5.00
5.00
5.00
Dag
28.5
28.8
27.8
28.0
Avond
28.2
28.4
27.2
27.7
Nacht
28.2
28.4
27.1
27.7
Etmaal
38.2
38.4
37.1
37.7
Li
61.8
62.2
62.8
60.8
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:24:27 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 4: rekenresultaten
Rapport:
Model:
LAeq bij Bron/Groep voor toetspunt:
Groep:
Groepsreductie:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Resultatentabel
RBS
02 A - Zaans Medisch Centrum Noordgevel
(hoofdgroep)
Nee
Naam
Bron/Groep
02 A
001
002
003
004
005
Omschrijving
Zaans Medisch Centrum Noordgevel
Oostgevel
Zuidgevel
Oostgevel
Noordgevel
Open deur Noordgevel
006
021
022
031
032
Dakvlak
Vrachtwagen
Personenwagen
Rookgasafvoer
Noodkoeler
101
102
Dichtslaan autoportier Lmax
Dichtslaan autoportier Lmax
Hoog.te
5.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Dag
28.8
9.5
17.1
22.8
10.3
0.0
Avond
28.4
9.5
17.1
22.8
10.3
--
Nacht
28.4
9.5
17.1
22.8
10.3
Etmaal
38.4
19.5
27.1
32.8
20.3
0.0
Li
62.2
10.4
17.7
23.4
11.1
17.2
0.10
1.00
0.75
20.00
3.00
24.2
17.8
6.1
22.0
1.8
24.2
24.2
-22.0
6.5
-22.0
3.5
34.2
17.8
6.1
32.0
13.5
24.2
61.9
47.2
22.0
16.1
0.00
0.00
-157.3
-154.8
---
-157.3
-154.8
44.5
46.5
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:24:55 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 4: rekenresultaten
Rapport:
Model:
Groep:
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Resultatentabel
RBS
LAmax totaalresultaten voor toetspunten
(hoofdgroep)
Naam
Toetspunt Omschrijving
01 A
Zaans Medisch Centrum Westgevel
02 A
Zaans Medisch Centrum Noordgevel
03 A
Pascal College Noordelijk gebouw
04_A
Pascal College Midden gebouw
Hoogte
5.00
5.00
5.00
5.00
Dag Avond Nacht
49.3
24.0
24.0
49.7
24.2
24.2
49.2
23.1
23.1
48.8
23.4
23.4
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:25:11 PM
Akoestisch onderzoek Biomassacentrale Pascalstraat Zaandam
Bijlage 4: rekenresultaten
Rapport:
Model:
LAmax bij Bron/Groep voor toetspunt:
Groep:
Resultatentabel
RBS
02 A - Zaans Medisch Centrum Noordgevel
(hoofdgroep)
Naam
Bron/Groep
02_A
001
002
003
004
005
Omschrijving
Zaans Medisch Cen.trum Noordgevel
Oostgevel
Zuidgevel
Oostgevel
Noordgevel
Open deur Noordgevel
006
021
022
031
032
Dakvlak
Vrachtwagen
Personenwagen
Rookgasafvoer
Noodkoeler
101
102
Dichtslaan autoportier Lmax
Dichtslaan autoportier Lmax
(hoofdgroep)
LAmax
144223-00
Stroop raadgevende ingenieurs bv
Hoogte
5.00
0.00
0.00
0.00
0.00
0.00
Dag
49.7
9.5
17.1
22.8
10.3
15.6
Avond
24.2
9.5
17.1
22.8
10.3
--
Nacht
24.2
9.5
17.1
22.8
10.3
--
0.10
1.00
0.75
20.00
3.00
24.2
49.7
35.5
22.0
15.6
24.2
--
24.2
•.00
0.00
41.7
44.2
49.7
22.0
15.6
-22.0
15.6
24.2
24.2
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2.40
8/1/2014 4:25:27 PM