75 - De pagina is niet gevonden

Psalmen,
profetische liederen
T. van Turennout
Copyright © 2015 Aduard, The Netherlands
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of op enige manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.
All rights reserved. No part of this publication may be reproduced, stored in a retrieval system, or transmitted, in any form of
by any means, electronic, mechanical, photocopying, recording, or otherwise, without the prior written permission of the
author.
Eerste uitgave 2014
Tweede uitgave 2015
SISO 227.4 UDC 228.07 NUGI 632
Trefw.: Psalm (bijbelboek); verklaringen.
1
Psalm 75: De rechter God richt verwoesters te gronde.
In de tijd dat het land Israël overspoeld werd door de Assyrische legers, is deze psalm ontstaan.1 Vrijwel alle inwoners van het Tienstammenrijk in het noorden van het heilige land
waren door de Assyriërs al naar het Tweestromenland gedeporteerd. Ook het Tweestammenrijk Juda was op de stad Jeruzalem na al veroverd.2 In 701 voor Christus stond de Assyrische
koning Sanherib (705 – 681) met zijn legers voor de poorten van de Judese hoofdstad (2Kon.18:13-19:13, Jes.36:1-37:13).
Wie de dichter van psalm 75 is, is in eerste instantie niet duidelijk. Zijn naam wordt in deze
psalm in elk geval niet genoemd. In de laatste 2 verzen bedankt de psalmdichter God, en direct daarna belooft hij zijn voorbeeld te volgen. Hij wil de horens van de kwaadaardige mensen afhakken, en de horens van de rechtvaardige mensen in zijn land verhogen (v.11). Dit kan
alleen de koning en de hoogste rechter van dat land. De psalmdichter is dus koning. De enige
koning van het Tweestammenrijk Juda die door de Assyriërs met de ondergang werd bedreigd, en door het direct ingrijpen van de Here volledig werd verlost, is de vrome koning
Hizkia (727 - 697).3 Van de profeet Jesaja had hij duidelijk gehoord, dat de Here het
Tweestammenrijk Juda zou bevrijden van de Assyriërs (2Kon.19:6,7,20-34, Jes.37:6,7,21-35).
De beloofde verlossing van de Here is gekomen. In één nacht doodde de Knecht van de God
Jahweh 185.000 mannen. Hoogstwaarschijnlijk stierven die soldaten aan de pest.4 Koning
Sanherib kon niets anders doen, dan met het restant van zijn leger naar Ninevé vluchten (2Kon.19:35,36, Jes.37:36,37).
Psalm 75 bestaat uit vijf gedeelten: vers 1, 2, 3,4, 5-9 en 10,11. In het 1e vers staat de titel van
dit lied: Richt niet te gronde. In het volgende vers wordt de Here bedankt voor zijn verlossende wonderen. Daarna antwoordt God als de rechtvaardige Koning en Rechter die alles goed
bestuurt (v.3,4). In het vierde gedeelte (v.5-9) waarschuwt de psalmdichter de dwaze kwaadaardige mensen, want de rechtvaardige Koning en Rechter staat klaar om ze te berechten.
Vervolgens spreekt de schrijver van deze psalm opnieuw zijn dankbaarheid tegenover de Here
uit, en neemt hij zich voor het voorbeeld van zijn Koning en Rechter te volgen (v.10,11).
1 Een lied (of gezang) voor (of van) de dirigent. Richt niet te gronde (vgl. Ps.57:1). Een
psalm voor (of van) Asaf.
Richt niet te gronde is de titel van deze psalm.
Asaf was een Leviet. Levi, een zoon van Jakob, had 3 zonen: Gersom, Kehat en Merari (Ex.6:15). Asaf die in de tijd van David leefde, stamde van Gersom af (1Kron.6:39-43).
1
Eén van de aanwijzingen hiervoor is, dat de verhoging ofwel verlossing voor Israël niet uit het oosten, het westen en het zuiden zou kunnen komen (v.7). Het noorden wordt hierbij niet genoemd. Dit is bij de verovering van
Israël door de Assyriërs goed te verklaren. Zie hiervoor de uitleg van vers 7 na vers 8a.
2
Op het gevonden prisma van Sanherib (705 – 681) staan Assyrische inscripties die het bijbelse verhaal van de
rooftochten van de Assyrische koning in het Tweestammenrijk Juda bevestigen. Volgens deze inscripties zouden
200.150 Joden uit het Tweestammenrijk naar Assyrië zijn gedeporteerd. Alleen de nederlaag van Sanherib door
het ingrijpen van God, waarbij 185.000 mannen stierven (2Kon.18:35,36), staat niet op het prisma vermeld.
3
Dat koning Hizkia (727 – 697) psalmen kon schrijven, blijkt wel uit zijn lied in het bijbelboek Jesaja (38:9-20).
4
Zie Herodotus, Historiën, vertaling Damsté O., 5e druk, Haarlem, 1978, deel 2, 141.
Flavius J., Joodse Oudheden, deel 10, hoofdstuk 1:5.
2
3
Koning David (1012 – 972) stelde Asaf aan als zanger en dirigent. (1Kron.6:31,32,39).5 Asaf
was ook betrokken bij de muziek, toen de ark op bevel van koning David naar Jeruzalem werd
gebracht (1Kron.15:16,19). Later deed hij in de hoofdstad dienst bij de ark, en zorgde hij met
zijn zonen voor de uitvoering van psalmen (1Kron.16:1-37). Asaf was een profeet, en schreef
blijkbaar ook één of meerdere psalmen (1Kron.25:1, 2Kron.29:30).6
De woorden voor of van Asaf betekenen niet, dat die betreffende psalm altijd tijdens het leven
van Asaf werd uitgevoerd. Het kan ook voor de Asafieten betekenen.7 Zo is het bijvoorbeeld
erg onwaarschijnlijk, dat de psalmen 74 en 79 door Asaf zelf zijn geschreven of uitgevoerd,
want die liederen gaan namelijk over de (recente) verwoesting van de stad Jeruzalem.
Uit de bovenstaande inleiding en de uitleg over Asaf en zijn nageslacht blijkt, dat koning Hizkia (727 – 697) deze psalm heeft geschreven, en dat hij dit lied liet uitvoeren door Asafieten.
Het lijkt er op, dat de invloed van de Asafieten in de loop van de eeuwen toenam. Na de ballingschap waren de zang en instrumentale muziek aan zonen uit het nageslacht van Asaf toevertrouwd (Ezra 2:41, 3:10, Neh.7:44, 11:17,22, 12:35,46).
In het onderstaande vers wordt de Here door de psalmdichter bedankt voor zijn verlossende
wonderen.
2
Wij danken U; God danken wij.
“Dichtbij is uw naam”,
(dat) vertellen uw wonderen.
God antwoordt de psalmdichter als de rechtvaardige Koning en Rechter die alles goed bestuurt (v.3,4).
3
Wanneer Ik het tijdstip neem (= kies),
zal Ik billijk rechtspreken.
God kiest zelf het tijdstip uit om recht te spreken. Pas wanneer koning Hizkia na veel teleurstellingen doorkrijgt, dat het vertrouwen op mensen, koningen en volken zinloos is, geeft hij
zich gewillig over aan de almacht van zijn hemelse Vader.8 Dan verklaart de Here, dat het
beslissende moment van zijn rechtvaardige oordeel en zijn berechting is aangebroken.
5
Koning David (1012 – 972) verdeelde de 38.000 Levitische mannen van 30 jaar en ouder in 4 verschillende
groepen: (24.000 + 6000 + 4000 + 4000). De 4e groep kreeg de taak om de muziek in de tabernakel en de toekomstige tempel te verzorgen (1Kron.23:3-5). Uit deze groep werden de profeten Asaf, Heman en Etan (= Jedutun (vgl. 1Kron.15:19, 16:37-42, 25:1)) elk als dirigent met hun zonen gekozen. (1Kron.25:1-6). Deze 288 mannen werden weer verdeeld in 24 groepjes (1Kron.25:7-31). Bij de 3 dirigenten kreeg Heman de leidende positie.
Asaf stond aan zijn rechterhand, en Etan aan zijn linker- (1Kron.6:31-47). Tijdens de regering van koning Salomo (972 – 932) namen ze ook deel aan de inwijding van de tempel (2Kron.5:12).
Zie ook Keil C.F. & Delitzch F., Commentary on the Old Testament, 2e druk, Massachusetts, 2006, pag. 357.
6
Het is best mogelijk, dat de psalmen van, en voor de Asafieten in een aparte bundel stonden.
7
Dit zien we bijvoorbeeld ook bij aanduidingen zoals Jakob ofwel Israël en David, terwijl in werkelijkheid één
of meerdere personen uit hun nageslacht wordt of worden bedoeld (Num.23:7,10,21,23, 24:5, Jes.9:6, Jer.23:5,
30:9, Hos.3:5).
8
Koning Hizkia (727 – 697) zocht eerst hulp bij het land Egypte (Jes.30:1-7, 31, 36:6,9). Ook sloot hij een verbond met de opstandige Babylonische koning Merodach-Baladan (722 - 710 en 703 - 702). Hij liet aan zijn gezanten alle schatten van zijn paleis in Jeruzalem zien. Hierover was God erg boos, en de profeet Jesaja bestrafte
koning Hizkia (2Kon.20:12-19, 2Kron.32:24-26, Jes.39).
Na de bezetting van zijn land door de Assyrische legers probeerde hij via onderhandelingen met koning Sanherib (705 – 681) de belegering van Jeruzalem te beëindigen. De Judese koning betaalde daarvoor aan de Assyrische koning een hele grote som geld: 300 talenten zilver en 30 talenten goud. (Een talent is ruim 30 kg. Er moest
4
4
Het land (of de aarde) en al zijn bewoners smolten (of kwijnden) weg,
Ikzelf heb zijn pilaren geregeld. pauze
Het heilige land leek onder druk van de machtige Assyrische legers te bezwijken. De Here
echter ondersteunde zijn heilige grondgebied. Hoe de Assyriërs ook te keer mochten gaan, het
land Israël steunde op Gods pilaren. Als de Judese koning en zijn volk de Here zouden dienen, kon het land op zijn hulp rekenen.
Het Hebreeuwse woord sela betekent pauze of rust om ergens meer nadruk op te leggen.9
Omdat dit woord soms ook aan het einde van een psalm staat (Ps.3:9, 24:10, 46:12), is het
waarschijnlijk, dat de zangers (tijdelijk) stopten, en de instrumentale muziek de laatste regel (met meer volume) herhaalde. Het woord sela staat nooit aan het begin van een psalm.
In dit gedeelte (v.5-9) waarschuwt de psalmdichter de dwaze kwaadaardige mensen, want de
rechtvaardige Koning en Rechter staat klaar om ze te berechten. Dit betreft hier niet alleen de
dwaze mensen buiten het land Israël, maar ook de kwaadaardige volksgenoten van koning
Hizkia (727 - 697) (v.11).
5
Ik heb tegen de dwazen gezegd: “Doet niet (zo) dwaas”,
en tegen de kwaadaardigen: “Heft geen hoorn op.”
Zoals een hoorn bij sommige dieren een wapen is, zo is het hier een teken van (koninklijke)
kracht (vgl. 1Sam.2:1,10, Ps.18:3b, 89:18,25, Jer.48:25, enz.). Dwaze en kwaadaardige mensen mogen niet brutaal hun hoorn tegen de Here en zijn volk opheffen.
Voor de muren van Jeruzalem spotte de rabsaké 10 van Assyrië echter op een intimiderende
manier met koning Hizkia en met de Here (2Kon.18:17-35). Hij dacht in zijn hoogmoed, dat
de zogenaamde goden van Assyrië sterker waren dan de God Jahweh.
6
“Heft jullie hoorn niet op naar de hoogte.
Spreekt (niet) met een arrogante hals,
7
want niet vanuit uitgaan (= het oosten) en niet vanuit donker worden (= het westen),
niet vanuit de woestijn (= het zuiden) is het verhogen,
8a want God is rechter.
De verhoging ofwel verlossing (vgl. v.8b) voor Israël zou niet uit het oosten, het westen en het
zuiden komen. Het noorden wordt hierbij niet genoemd. Dat was blijkbaar overbodig.
Dit is bij de verovering van Israël door de Assyriërs goed te verklaren. Hun legers trokken
niet rechtstreeks door de hete en moeilijk toegankelijke woestijn naar het heilige land, maar
eerst naar het noordwesten. Daarna gingen ze naar het zuiden, en kwamen ze via het noorden
van Israël om dat land te veroveren.
dus ongeveer 10.000 kg zilver en 1.000 kg goud worden opgebracht!) Toen Hizkia dat grote bedrag had betaald,
trok de Assyrische koning met zijn legers niet weg, zoals was afgesproken. Integendeel, hij wilde daarna de
onvoorwaardelijke overgave van de stad Jeruzalem (2Kon.18:13-17a,31,32).
Koning Hizkia moest leren alleen op God te vertrouwen.
9
De vertalers van het oude Hebreeuws naar de Griekse Septuagint in de 3e eeuw voor Christus vertaalden het
woord sela met pauze.
10
Mogelijk is met het woord rabsaké het hoofd van de voedselvoorziening bedoeld, ofwel de Assyrische minister van landbouw.
5
De Assyriërs dachten, dat de Israëlieten heel misschien vanuit de oostelijke woestijn, de westelijke Middellandse Zee, of het Egyptische zuiden hulp konden krijgen. Hulp vanuit het
noorden was voor hen ondenkbaar, want daar kwamen zijzelf vandaan.
Daarbij hadden de Assyriërs één ding over het hoofd gezien. Ze dachten, dat die God van Israël zwakker was dan hun goden, maar de God Jahweh zou laten zien, dat dit helemaal niet
klopte. Hij zou zijn volk verlossen, en Hij zou recht spreken. De rabsaké zag de schijnwerkelijkheid van onze beperkte zintuigen; de psalmdichter zag echter met hulp van de profeet Jesaja de echte werkelijkheid (Jes.33:22, 37:21-36, vgl. 2Kon.6:15-20).
8b Hij (= God) vernedert deze, en Hij verhoogt deze (= die),
9
want een beker is in de hand van de God Jahweh,
en wijn schuimt, volledig met kruiden gemengd.
Hij schenkt daaruit. Zeker zijn drab (of droesem) moeten (of zullen) ze uitpersen.
Alle kwaadaardigen van het land (of de aarde) moeten (of zullen) (het) drinken.”
In die tijd waren koningen eveneens de hoogste rechter van hun land, en ze zorgden ook voor
de uitvoering van het vonnis (2Sam.15:2-6, 12:1-6, 1Kon.3:16-28). Zo is God de Koning en
Rechter van de schepping. De echte werkelijkheid was, dat de Here klaarstond om recht te
spreken, en het vonnis uit te voeren.
Daarvoor had de God Jahweh een beker met wijn in zijn hand. De beker bedwelmende gekruide wijn is hier de gifbeker. Die moest men in die tijd soms leegdrinken, als men de doodstraf had gekregen (vgl. Hab.2:16, Op.14:10,16:19,18:6). Die beker zouden de kwaadaardige
mensen in het heilige land tot de bodem toe moeten leegdrinken. Zelfs de nog aanwezige drab
zouden ze daarvoor moeten uitpersen. Het leger van de Assyriërs dat de stad Jeruzalem ernstig bedreigde, zou worden vernietigd.11
De bevrijding van Jeruzalem en de smadelijke aftocht van Sanherib (705 - 681) betekenden
nog niet meteen het einde van deze Assyrische koning. Vaak komt de straf van de Here geleidelijk om de mensen de gelegenheid te geven zich te bekeren. In 701 had koning Sanherib
Gods macht ervaren, maar hij liet zich niet waarschuwen. Hij werd 20 jaren later door twee
van zijn zonen vermoord (2Kon.19:37, 2Kron.32:21b). Zo dronk hij de beker van Gods berechting tot de bodem leeg.
In de laatste 2 verzen spreekt de psalmdichter opnieuw zijn dankbaarheid tegenover de Here
uit, en neemt hij zich voor het voorbeeld van zijn Koning en Rechter te volgen.
10
Ikzelf zal (het) voor eeuwig vermelden.
Ik wil voor de God van Jakob bij snarenspel zingen,
11
en alle horens van de kwaadaardigen zal ik afhakken.
De horens van de rechtvaardige zullen worden verhoogd.
Koning Hizkia (727 – 697) kon door zijn geloof in Gods beloofde verlossing erg dankbaar
zijn. Hij nam zich voor om in navolging van zijn hemelse Koning en Rechter alle horens van
11
Het lijkt er sterk op, dat het slot van vers 9 een dubbele betekenis heeft. Niet alleen de kwaadaardige mensen
in het heilige land zouden de gifbeker moeten drinken. Dit zal in de toekomst ook gelden voor alle kwaadaardige
en ongelovige mensen van de wereld. Zij zullen worden veroordeeld tot de tweede dood: de hel (Op.20:14). Zie
voor de uitleg van de tweede dood Turennout T. van, De Openbaring mag niet verborgen blijven, Aduard, 2015,
Op.2:11b, 20:6, 21:8b.
6
de kwaadaardige mensen binnen zijn rijk af te hakken, en de horens van de rechtvaardige
mensen te verhogen.
Ook hier is een hoorn een teken van (koninklijke) kracht (vgl. 1Sam.2:1,10, Ps.18:3 b,
89:18,25, 132:17, Jer.48:25, Dan.7:7,8,19-25, 8, Luk.1:69, enz.). Kwaadaardige mensen die
de dwaze koning Achaz (732 – 727), de vader van Hizkia (727 – 697), op belangrijke posten
in het Tweestammenrijk Juda had aangesteld, wilde de psalmdichter vervangen door mensen
die de Here dienden. Het lijkt er sterk op, dat dit ook is gebeurd.12
12
Over de periode na de verlossing van de Assyrische bezetting in 701 is uit de Bijbel niet zoveel bekend. Het
bezoek van de opstandige Babylonische koning Merodach-Baladan (722 - 710 en 703 - 702) na de genezing van
koning Hizkia (727 - 697) was de aanleiding tot de aanval en verovering van Juda door de Assyrische koning
Sanherib (705 – 681). (Let op! De gebeurtenissen in de Bijbel zijn niet in chronologische volgorde (= in tijdsvolgorde) beschreven.)
Toch lezen we indirect wel over het aanstellen van gelovige mensen op belangrijke posities van het landsbestuur.
Zie hiervoor de uitleg van Jesaja 22:15-25 in Turennout T. van, Jesaja, Jahweh redt, Aduard, 2015.
7