Download het Voka Memorandum Verkiezingen 2014

GEEF JE VOOR
DE VOLLE 2 %
Voka MEMORANDUM
Prioriteiten voor de
Vlaamse, federale en
Europese verkiezingen
2014
Inhoud
Intro 1
De essentie 3
Executive summary 4
Prioriteiten per thema:
Naar een efficiënte overheid12
Lastenverlagingen voor meer dynamiek 16
Een arbeidsmarkt die werken stimuleert 20
Sociale bescherming: van dreiging naar kans
24
Naar een competitief energiebeleid28
Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren
32
Ruimte om te ondernemen36
Resoluut investeren in innovatie42
Onderwijs voor competitief talent46
Financiering om groei te ondersteunen50
Omkaderend en stimulerend Europees beleid 54
Intro
Scharniermomenten zijn beslissende tijden, waarin
kansen gegrepen of gemist worden. Als een individu, bedrijf, samenleving erin slaagt die kansen
te grijpen, volgt een periode van doorbraken en
vooruitgang. Zoniet, dan volgen impasse en achteruitgang. We staan nu op zo’n scharniermoment in
ons land, zowel economisch als politiek.
Onze economie kan zich nu herpakken of nog jaren
in trage economische groei blijven hangen. We
moeten nu de kans grijpen om onze groei duurzaam tot 2% te herstellen, zodat we meer jobs
en inkomens creëren en iedereen het beter heeft.
Alleen zo kunnen we ook de oplopende factuur van
de vergrijzing voor onze welvaartsstaat betalen en
de armoede terugdringen. De ondernemingen willen alvast hun steentje bijdragen: in het bijzonder
de stille kampioenen, Vlaamse ondernemingen die
doorgroeien tot wereldleider in hun markt, zullen
pakken jobs en welvaart creëren.
Onze politiek krijgt met de samenvallende Vlaamse,
federale en Europese verkiezingen nu een kans om
gedurende 5 jaar aan volgehouden, performant
beleid te doen. De verkiezingskoorts, de drang naar
kortetermijnsucces voor de volgende verkiezingen,
kan even de kast in. Bovendien wordt een belangrijke communautaire vooruitgang realiteit met de
uitvoering van de zesde staatshervorming, zodat de
politiek zich kan focussen op sociaal-economische
doorbraken.
INTRO
We moeten nu de kans grijpen om die doorbraken politiek vorm te geven en niet te verzanden in
immobilisme of blokkering. De volgende Vlaamse en
federale regeringen moeten nu het overheidsbudget
en de economische randvoorwaarden in een goede
plooi leggen, teneinde de economische dynamiek en
de welvaartsstaat veilig te stellen.
We zijn ons ervan bewust dat de uitdagingen groot
zijn, maar het is juist in dit scharniermoment dat de
kansen zich voordoen om die uitdagingen ten gronde aan te pakken. Daarom heeft Voka zijn Groeipact
voorgesteld, waarbij elke actor in de maatschappij
zijn verantwoordelijkheid opneemt om de geboden
kansen effectief te benutten. Ons Groeipact is nu
vertaald in een coherente set van voorstellen in dit
Voka-verkiezingsmemorandum. Als burgers, bedrijven en overheden de handen in elkaar slaan en
elk zijn deel doet om deze voorstellen te realiseren,
zullen we erin slagen de kansen volop te grijpen
en onze samenleving en welvaartsstaat vooruit te
krijgen.
Laten we samen gaan voor de volle 2%!
Jo Libeer, Gedelegeerd bestuurder
Michel Delbaere, Voorzitter
1
De essentie
Tijdens de volgende legislatuur zullen twee belangrijke doelstellingen tegelijkertijd moeten worden gerealiseerd: zowel de begroting van elke overheid
op orde brengen als de competitiviteit van de ondernemingen herstellen.
Lastenverhogingen zijn hierbij geen optie, aangezien we al de hoogste lastendruk van de eurozone hebben. Het is dus een grote uitdaging, die volgehouden inspanningen en maatschappelijke keuzes zal vragen. Maar het is én
noodzakelijk én haalbaar dat de politiek die beide doelstellingen tegelijk haalt.
Het is noodzakelijk omdat alleen zo 2% groei duurzaam kan worden gerealiseerd, waardoor de welvaartsstaat betaalbaar blijft. Omdat alleen zo
de Europese engagementen inzake houdbare overheidsfinanciën gecombineerd kunnen worden met het behoud van de sociale zekerheid.
Het is haalbaar omdat meer ondernemingen kunnen uitgroeien tot stille kampioenen. Omdat elke overheid van ons land meer waar voor zijn geld kan leveren.
Expeditie Groei
Die doorgroei van stille kampioenen en die efficiëntiewinst van meer performante
overheden kunnen worden waargemaakt, indien de volgende Vlaamse en federale
regeringen de noodzakelijke hervormingen doorvoeren op drie terreinen:
We staan voor een grote uitdaging, die volgehouden
inspanningen en maatschappelijke keuzes zal vragen.
• Investeren en stimuleren
- Belangrijkste Voka-voorstel: 150 miljoen euro jaarlijks extra investeren
in mobiliteitsinfrastructuur
• Efficiëntere overheid
- Belangrijkste Voka-voorstel: uitgaven van elke overheid mogen
maximaal 1% stijgen
- Belangrijkste Voka-voorstel: verlaging werkgeversbijdragen met 8,9 miljard euro
- Belangrijkste Voka-voorstel: verhoging belastingvrije som met 1.800 euro
• Sociaal-economische doorbraken
- Belangrijkste Voka-voorstel: competitieve energietarieven
Ook voor Europa is groei alleen haalbaar met een combinatie van gezonde
overheidsfinanciën, diepgaande structurele hervormingen en gerichte investeringen. Op Europees niveau liggen de prioriteiten daarom op twee domeinen.
Ten eerste moeten de instrumenten van Europese integratie en economisch
bestuur versterkt worden, zodat de Europese economie schokbestendiger voor
crisissen wordt. Ten tweede moeten een aantal gerichte initiatieven worden
genomen om het groeipotentieel van de Europese economie te vergroten.
• Versterking Europese integratie
- Belangrijkste Voka-voorstel: invoering bankenunie
• Versterking Europese groei
- Belangrijkste Voka-voorstel: invoering interne energiemarkt
2
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
DE ESSENTIE
3
Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam te vergroten, moet er meer geïnvesteerd
worden. De overheid moet dit ondersteunen door
zelf meer economisch productieve investeringen
te doen en door investeringen van ondernemingen
te stimuleren.
Voor de economisch productieve investeringen is
vooral de Vlaamse overheid bevoegd. Zij moet in
de volgende legislatuur:
• Minstens 150 miljoen euro per jaar extra voorzien om onze achterstand inzake mobiliteitsinfrastructuur te halveren. Hiermee kunnen
de belangrijkste knelpunten inzake weg-,
water-, spoor- en luchtvervoer eindelijk worden
aangepakt. Alleen zo kunnen we de logistieke
draaischijf van Europa blijven.
• Minstens 150 miljoen euro per jaar extra
voorzien om onze achterstand qua publieke
investeringen in O&O weg te werken. Om die
investeringen maximaal te laten renderen,
moet er wel zwaar gesnoeid worden in de huidige versnipperde innovatie-instrumenten en
-structuren van de Vlaamse overheid.
De investeringen stimuleren kan door de volgende
maatregelen:
• Elke overheid moet binnen zijn bevoegdheden
bijdragen tot een algemeen gunstig investeringsklimaat. Dit impliceert redelijke vergunningstermijnen, voorspelbare en stabiele
regelgeving, rechtszekerheid en een correcte
handhaving. Risico nemen en kapitaal investeren moet aangemoedigd worden en er mag niet
worden teruggekomen op fiscale en juridische
afspraken terzake.
• De Vlaamse overheid moet haar planningsen vergunningsprocedures vereenvoudigen,
versnellen en het algemeen belang meer laten
primeren bij investeringsbeslissingen.
• Zij moet ook zo snel mogelijk de recent ingevoerde omgevingsvergunning volledig op het
terrein implementeren.
• De federale overheid moet voldoende stimuli
voorzien om spaargeld ter beschikking te kunnen stellen om investeringen van groeiondernemingen te financieren: daartoe moet onder
meer de huidige vrijstelling inzake roerende
voorheffing van het spaarboekje worden uitgebreid naar instrumenten van langetermijn sparen zoals onder meer kasbons, obligaties en
aandelen.
Op Europees vlak kan er complementair worden
gewerkt:
• De bankenunie dient gerealiseerd te worden
met het oog op het economisch herstel door
voldoende passende kapitaalregels in te voeren
zonder de financiering van de reële economie in
het gedrang te brengen.
• Europa dient te zorgen voor een goed investeringsklimaat, dat het nodige vertrouwen biedt
voor grote projecten, zoals de realisatie van
trans-Europese infrastructuurnetwerken.
• Het nieuwe Europese onderzoeks- en innovatieprogramma, Horizon 2020, moet een grote
betrokkenheid van bedrijven in innovatieve
projecten voorzien.
2. Efficiëntere overheid
Onze waar-voor-je-geld-index toont aan dat alle
overheden samen in ons land een redelijk niveau
van diensten leveren. Waar het schoentje wringt,
is het feit dat die overheden heel veel geld nodig
hebben, we hebben de hoogste lastendruk in de
eurozone.
Lastenverhoging is dus absoluut geen optie, het
komt erop aan met minder belastinggeld dezelfde
of zelfs een betere dienstverlening te realiseren.
Elke lokale, regionale of federale overheidsdienst
moet daartoe drastisch zijn efficiëntie verhogen:
meer doen met minder extra geld.
Die efficiëntieverhoging is ook dringend noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de Europese
engagementen inzake houdbare overheidsfinanciën. Tegen 2019 moet daarvoor de groei van de
overheidsuitgaven met 10 miljard euro afgeremd
worden.
Tegelijk moet de federale overheid een lastenverlaging doorvoeren ten belope van 11 miljard
euro om de competitiviteit van onze economie te
herstellen:
• Een halvering van de loonkostenhandicap door
een lineaire verlaging van de werkgeversbijdragen in de privésector tot 22%.
• Een koopkrachtinjectie voor iedereen door de
belastingvrije som te verhogen met 1.800 euro.
Deze lastenverlagingen, investeringen en minderuitgaven vereisen een volgehouden, consistente
inspanning van alle overheden in ons land om de
groei van hun gezamenlijke primaire uitgaven
(= overheidsuitgaven excl. rentelasten) jaarlijks
met 4 à 4,5 miljard af te remmen. In totaal moet
dit, over alle overheden samen, 21 miljard meeruitgaven vermijden tijdens de komende 5 jaar.
“Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam
te vergroten, moet de overheid meer investeren.”
Dit lijkt een enorme inspanning, maar dat kan
perfect gehaald worden als elke overheid in dit land
zijn primaire uitgaven maximaal met 1% nominaal
per jaar laat toenemen.
4
EXECUTIVE SUMMARY
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Uitgavengroei jaarlijks 4 à 4,5 miljard afremmen
Afremmen uitgavengroei
voor groeiplan Voka
Miljarden
1. Investeren en stimuleren
Afremmen uitgavengroei
voor EU-engagementen
begroting
Bron: eigen berekeningen op basis van NBB, Federaal Planbureau
Dit kan door de jaarlijkse groei van de overheidsuitgaven te beperken tot 1%
+ 3,2%
10 miljard
EU-engagementen
begroting
+ 2,3%
Miljarden
Executive summary
11 miljard
Voka-groeiplan
+ 1%
Evolutie primaire uitgaven
bij ongewijzigd beleid
Evolutie primaire uitgaven
EU-engagementen begroting
Evolutie primaire uitgaven
Voka-groeiplan
Bron: eigen berekeningen op basis van NBB, Federaal Planbureau
5
“De overheid moet kosten reduceren
en mensen en ondernemingen
weerbaarder maken.”
2. Efficiëntere overheid (vervolg)
Een dergelijke bescheiden toename van de overheidsuitgaven waarmaken, is nog altijd een veel
kleinere opgave dan de inspanningen die ondernemingen continu realiseren, waarbij de uitgaven ook
in absoluut niveau afnemen.
Het is dus haalbaar voor onze overheden om hun
uitgavengroei in die mate te beteugelen, op voorwaarde dat zij:
• nieuwe modellen van publieke dienstverlening
en ondersteuning ontwikkelen, zodat eindelijk
effectief ingegrepen wordt op de mechanismen
die de overheidsuitgaven continu en onhoudbaar verhogen;
• het evenwicht herstellen tussen het recht op
publieke diensten/uitkeringen en de plicht tot
bijdrage daaraan door een aantal maatschappelijke keuzes te durven maken.
Voor de Vlaamse overheid impliceert dit onder
andere dat zij over een periode van 5 jaar:
• de uitgavengroei van onderwijs en welzijn
moet verminderen met 2,5 miljard euro, onder
andere door de kinderbijslag en ouderenzorg
marktgericht en effectiever te maken;
• de woonbonus & dienstencheques budgettair
houdbaar maakt, zonder de waarde van die
beleidsinstrumenten aan te tasten;
• de uitgavengroei van de Vlaamse lokale
besturen met 1,8 miljard vermindert via een
dwingend kader.
Voor de federale overheid impliceert dit onder
andere dat zij over een periode van 5 jaar:
• de uitgavengroei van de sociale zekerheid met
10 miljard vermindert, onder andere door de
uitgavenstijging voor pensioenen en inactiviteit
te temperen door rechten en plichten weer in
evenwicht te brengen en door de meeruitgaven
voor gezondheidszorg af te remmen.
De federale en Vlaamse overheid moeten samen
ook een snelle en ordentelijke overdracht regelen
van de bevoegdheden en middelen die overkomen
in het kader van de zesde staatshervorming. De
Vlaamse overheid moet zich goed organiseren om
zo snel mogelijk een eigen, efficiëntere invulling te
geven aan die nieuwe bevoegdheden.
Op Europees vlak moet het begrotingskader voor
houdbare overheidsfinanciën strikt worden uitgewerkt, opgevolgd en afgedwongen:
• Het Europees Semester voert de nodige controle
op de budgettaire en economische toestand van
de 28 lidstaten. Het economisch bestuur moet
echter verder versterkt worden door een verscherpt Europees toezicht op het sociaal-economisch beleid van de lidstaten.
3. Sociaal-economische doorbraken
Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam te verhogen tot 2% moeten de Vlaamse en
federale overheid, en waar relevant de sociale
partners, ten slotte ook een aantal sociaal-economische doorbraken realiseren. Die doorbraken
betreffen zowel kosten reduceren als onze mensen en
ondernemingen meer weerbaar en productief maken.
Onze groei realiseren we vooral via de export en
die export wordt gerealiseerd door de industrie
in brede zin. De industrie kan zich in ons land
enkel blijven ontwikkelen indien het energieen milieubeleid opnieuw competitief wordt. Dat
is dringend noodzakelijk, onder meer omdat de
huidige ondersteuning van groene stroom en WKK
de energiekosten voor onze bedrijven en burgers
onhoudbaar doet oplopen.
Daartoe moet de Vlaamse overheid:
• enkel nog net-gerelateerde kosten doorrekenen
in de distributienettarieven; andere kosten
moeten verhaald worden via de algemene
middelen;
• enkel nog de investeringen inzake groene
stroom en warmtekrachtkoppeling ondersteunen, de productie zelf niet;
• milieunormen hanteren die niet verder gaan dan
de reeds ambitieuze Europese verplichtingen.
Daartoe moet de federale overheid:
• in samenwerking met de Vlaamse overheid een
energienorm invoeren die onze energiekostenhandicap ten opzichte van onze handelspartners
wegwerkt;
• de globale kost voor ondersteuning van offshorestroomproductie substantieel verlagen.
“Elke lokale, regionale of federale overheid
moet drastisch zijn efficiëntie verhogen:
meer doen met minder extra geld.”
6
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
De komende 5 jaar moeten er in België circa
560.000 gepensioneerde werknemers vervangen
worden. Daarnaast zullen er circa 165.000 jobs
bijkomen in de privéondernemingen als we 2%
groei kunnen realiseren. We zullen dus alle handen kunnen gebruiken die er zijn, om samen die
EXECUTIVE SUMMARY
groei waar te maken. Onze arbeidsmarkt zal wel
heel wat efficiënter moeten werken dan vandaag
om de beschikbare arbeidsreserve naar die jobs
toe te kunnen leiden.
Daartoe moet de Vlaamse overheid:
• het doelgroepenbeleid radicaal hervormen en
richten op doorstroming naar reguliere
privéjobs;
• de hervorming secundair onderwijs eindelijk op
het terrein doorvoeren, inclusief een actualisering van de lerarenloopbaan en -opleiding;
• duaal werken en leren als volwaardige onderwijsvorm invoeren.
Daartoe moet de federale overheid:
• de automatische loonindexering en de baremieke verhogingen afschaffen, zodat de verloning in
functie van de productiviteit en de competentie
kan evolueren en jobs zichzelf niet langer de
markt uitprijzen;
• werken aanmoedigen en niet-werken ontmoedigen door rechten inzake pensioen en verlofstelsels veel meer te laten opbouwen in functie van
bijdragen en effectief gewerkte periodes.
De Europese Unie kan een heel aantal initiatieven
ontplooien om het groeipotentieel van onze economie te verhogen. De belangrijkste instrumenten
daarvoor zijn:
• de invoering van een interne energiemarkt zodat de Europese industrie competitiever wordt
in het kader van een nieuw industriebeleid;
• het ten volle benutten van het potentieel van
de interne markt door het verder wegwerken
van belemmeringen onder het toezicht van de
Europese Commissie;
• het voeren van een stimulerend handelsbeleid
door het potentieel van de afgesloten investerings- en vrijhandelsakkoorden ten volle te
benutten.
7
>> Prioriteiten
>> VLAAMSE PRIORITEITEN
>> FEDERALE PRIORITEITEN
• Extra investeren in economie:
• Lastenverlaging 11 miljard doorvoeren:
- Halveren infrastructuurachterstand door 150 miljoen euro jaarlijks extra te investeren in
mobiliteitsinfrastructuur
- Wegwerken onderzoeksachterstand door 150 miljoen euro jaarlijks extra te voorzien voor innovatie &
rationalisering innovatie-instrumenten doorvoeren
• Nieuwe bevoegdheden optimaliseren:
- Doelgroepenbeleid en vorming efficiënter maken
- Kinderbijslag en ouderenzorg marktgericht en effectiever maken
- Woonbonus & dienstencheques houdbaar maken
• Uitgavennorm 1% realiseren:
- 2,5 miljard meeruitgaven vermijden in onderwijs en welzijn
- 1,8 miljard meeruitgaven vermijden bij Vlaamse lokale besturen
- Geen enkele fiscale of parafiscale lastenverhoging doorvoeren
• Competitieve energiekosten:
- Enkel net-gerelateerde kosten in de distributienettarieven
- Herziening beleid ondersteuning groene stroom en warmtekrachtkoppeling (WKK)
- Invoeren van een energienorm
• Ruimte om te ondernemen:
- Missing links wegen, water en spoor invullen
- Plannings- en vergunningsprocedures vereenvoudigen, versnellen en algemeen belang laten primeren
- Omgevingsvergunning implementeren
- Competitief milieubeleid voeren
• Onderwijs voor competitief talent:
- Hervorming secundair onderwijs doorvoeren, incl. lerarenloopbaan en -opleiding
- Duaal werken en leren als volwaardige onderwijsvorm invoeren
- Halvering loonkostenhandicap door lineaire verlaging werkgeversbijdragen tot 22%
- Koopkrachtinjectie door verhoging belastingvrije som met 1.800 euro
- Geen enkele fiscale of parafiscale lastenverhoging doorvoeren
• Uitgavennorm 1% realiseren:
- Uitgavennorm invoeren voor elke overheid – primaire uitgaven van elke overheid mogen
jaarlijks hoogstens 1% nominaal toenemen
- 10 miljard meeruitgaven vermijden in sociale zekerheid
• Arbeidsmarkt moderniseren:
- Verlonen volgens productiviteit in plaats van index en barema
- Rechten en plichten inzake sociale zekerheid meer in balans
• Competitieve energiekosten:
- Invoeren van een energienorm
- Globale offshore-kost verlagen
• Financiering om groei te ondersteunen:
- Vrijstelling spaarboekje uitbreiden naar langetermijnsparen
>> EUROPESE PRIORITEITEN
• Versterkte Europese monetaire unie:
- Versterking begrotingsunie
- Invoering bankenunie
• Verdieping interne markt:
- Correcte implementatie van de dienstenrichtlijn
- Realiseren trans-Europese infrastructuurnetwerken
• Concurrentieel industriebeleid:
- Invoeren interne energiemarkt
- Investeren in marktgedreven onderzoek en innovatieprojecten
- Stimulerend handelsbeleid
8
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
EXECUTIVE SUMMARY
9
Prioriteiten
per thema
Naar een efficiënte overheid12
Lastenverlagingen voor meer dynamiek
16
Een arbeidsmarkt die werken stimuleert
Sociale bescherming: van dreiging naar kans
Expeditie Groei
20
24
Naar een competitief energiebeleid28
Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren 32
Als een individu, bedrijf, samenleving erin slaagt kansen
te grijpen, volgt een periode van doorbraken en vooruitgang.
Ruimte om te ondernemen36
Resoluut investeren in innovatie42
Onderwijs voor competitief talent46
Financiering om groei te ondersteunen
50
Omkaderend en stimulerend Europees beleid 10
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
THEMA’S
54
11
Naar een efficiënte
overheid
< Vaststellingen
‘Waar-voor-je-geld’-index in %
Onze overheden bieden weinig waar voor ons geld
De overheid ziet zich de komende jaren voor
aanzienlijke budgettaire uitdagingen gesteld.
Om de houdbaarheid van onze openbare financiën in de toekomst te garanderen, zoals afgesproken met de Europese Unie, is een inspanning
van minstens 10 miljard euro nodig tijdens
de volgende legislatuur. Dit is nodig om onze
welvaartsstaat ook in de toekomst betaalbaar
te houden. We gaan er bovendien van uit dat
de regeringen hun begrotingsdoelstellingen in
2014 effectief zullen realiseren: indien dit niet
het geval is, zal de budgettaire inspanning nog
groter zijn.
Bovendien levert onze overheid te weinig
waar voor het belastinggeld.
Hoewel we meer belastingen betalen dan zowat
alle Scandinavische landen, levert de overheid
toch slechts een gemiddelde dienstverlening op
verschillende domeinen.
Bron: Voka, 2013
Fiscale en parafiscale druk hoogste van de eurozone
45,3
Een verdere verhoging van de globale fiscale
en parafiscale druk is absoluut geen optie.
Immers, we bekleden op dit vlak met 45,3% bbp
in 2012 al de eerste plaats in de eurozone, samen
met Frankrijk. De Europese Commissie voorziet
tegen 2015 bij ongewijzigd beleid zelfs een verdere stijging van de fiscale en parafiscale druk
tot 46% bbp.
In % bbp
Er is dus nood aan een drastische reële
lastenverlaging om jobs en dus welvaart te
vrijwaren en te creëren.
Geen vestzak-broekzakoperatie. Dat betekent
dus dat we de groei van de overheidsuitgaven
moeten afremmen om het budgettaire plaatje
rond te krijgen zonder onze reeds torenhoge
schuld verder te verhogen.
Bron: OECD Revenue Statistics, 2013
12
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
> Analyse
Tering naar de nering
Maatschappelijke keuzes
Elke overheid moet de volgende jaren de tering
naar de nering zetten.
Daartoe moet de uitgavengroei onder controle
gehouden worden. Bij ongewijzigd beleid bedraagt die volgens het Federaal Planbureau naar
schatting 3,2 procent per jaar. Door die uitgavengroei te beperken tot gemiddeld 2,3 procent
per jaar vermijden we in de volgende legislatuur
ongeveer 10 miljard meeruitgaven, waarmee we
al voldoen aan de Europese engagementen. Hierbij
gaan we er van uit dat de verschillende overheden
hun begrotingsdoelstellingen in 2014 effectief
realiseren, conform de gemaakte afspraken met
de Europese Unie, zoniet moet de uitgavengroei
sterker afgeremd worden.
Meer dan ooit is er dus nood aan het maken
van maatschappelijke keuzes en het ontwikkelen van nieuwe modellen voor efficiënte
verlening van publieke diensten.
In de afgelopen jaren zijn via de kaasschaafmethode besparingen gerealiseerd. Daar is niets mis
mee, omdat ook bij de overheid productiviteitsstijgingen mogelijk zijn. Die moeten nu echter
gerealiseerd worden via radicale vernieuwing.
Van schaven naar sturen. Via schaalvergroting
en standaardisering van dienstverlening. De
verbetering van de dienstverlening aan de klant
staat daarbij voorop, niet het belang van de eigen
bestaande structuur of organisatie. Zo is er meer
duidelijkheid en toezicht vereist op de omvang en
aanwending van administratiekosten door uitvoerders van publieke taken zoals onder meer de
ziekenfondsen, vakbonden en kinderbijslagfondsen. Een internationale benchmarking hiervan is
aangewezen.
Er is echter ook budgettaire ruimte nodig
voor groeibevorderende lastenverlagingen en
investeringen.
We vragen daartoe een halvering van de loonkostenhandicap. We vragen een koopkrachtverhoging
door een verhoging van de belastingvrije som. Tot
slot vragen we een halvering van de investeringsachterstand van onze overheden en een effectieve
honorering van de doelstelling om tegen 2020 1%
van het bruto regionaal product aan publieke investeringen in O&O te besteden. Dit alles is mogelijk
door de uitgavengroei van elke overheid verder te
beperken tot 1% per jaar. Hierdoor geven we in de
volgende legislatuur in totaal 21 miljard minder
extra uit. Een verdere lastenverhoging is geen optie.
Alle overheidsniveaus moeten in gelijke mate
bijdragen aan de sanering door eenzelfde jaarlijkse uitgavennorm te respecteren.
Slechts medio 2013 werd tussen alle overheden
een overeenkomst bereikt over de aan te houden
begrotingsnormering. Dergelijke ad hoc overeenkomsten leiden tot eindeloos politiek getouwtrek
over de te leveren inspanning, waardoor intussen
de uitgaven ontsporen. Een uniforme uitgavennorm daarentegen garandeert een automatische,
gelijkwaardige responsabilisering van alle overheidsniveaus en entiteiten.
OVERHEID
Door doelgroepen geïntegreerd te benaderen
kan Vlaanderen aanzienlijke synergiewinsten
boeken en tegelijk de klantentevredenheid
verhogen.
Heel wat agentschappen ontwikkelen eigen beleid,
gericht op dezelfde doelgroep. Onder meer het
Agentschap Ondernemen, de PMV, het IWT en FIT
richten zich op ondernemers. Binnenkort komt
daar het Participatiefonds bij. Elk vanuit hun
eigen aanpak, met een eigen versnipperd palet van
niet op elkaar afgestemde subsidies en controle-organen. In plaats daarvan moeten er clusters
van uitvoerings- en toezichtsorganisaties per
doelgroep komen, onder eenduidige politieke en
ambtelijke sturing. >
“Elke overheid moet zijn uitgavengroei
beperken tot 1% per jaar.”
13
Naar een efficiënte
overheid
>Analyse (vervolg)
> Subsidies moeten op elkaar afgestemd worden.
Op het terrein van ondersteunende functies (ICT,
inkoop, financiën, communicatie,…) moet verplicht overheidsbreed worden geopereerd. Overlappende advisering moet worden afgebouwd. Dat
geldt ook op het lokale niveau, zoals bij de SERR’s.
Interne staatshervorming
Er is nood aan een nieuwe interne staatshervorming in Vlaanderen. Kleinere gemeenten
moeten verplicht fusioneren tot een schaal van
minstens 20.000 inwoners.
Liefst 71% van de gemeenten in Vlaanderen telt
vandaag minder dan 20.000 inwoners, terwijl dit
slechts 35% is in Nederland. Daar staat tegenover dat de uitdagingen en de complexiteit van
de gemeentelijke taken fors zijn toegenomen.
Bovendien worden ook steeds meer taken toegewezen aan de lokale besturen. Gemeenten voelen
het gebrek aan schaal dus al. Ze organiseren zich
steeds meer in wisselende, intergemeentelijke
samenwerkingsverbanden. Vooral de kleine
gemeenten doen er beroep op, zowel voor hun
beleidsontwikkeling als -uitvoering. Dat leidt tot
een onoverzichtelijk en inefficiënt kluwen. Bovendien kampen deze structuren met een gebrek aan
democratische controle.
Provincies moeten zich in een overgangsfase
strikt beperken tot een gesloten taakstelling,
gericht op grondgebonden materies.
Volgens het nieuwe provinciedecreet kunnen de
provincies in principe geen persoonsgebonden
materies meer regelen. Maar van dit principe
wordt regelmatig decretaal afgeweken. Daar
moet paal en perk aan gesteld worden. Provincies mogen zich enkel richten op welomlijnde
ruimtelijk-economische materies. Daarenboven
wordt het tijd om ook hun politieke rol in vraag te
stellen. Net zoals in andere landen moeten we de
opeenstapeling van bestuursniveaus herzien. Dat
kan des te makkelijker naarmate de gemeentelijke
schaal vergroot.
>> Voorstellen
>> OVERKOEPELEND
• Elke overheid beperkt de groei van zijn primaire uitgaven tot 1% nominaal per jaar in de volgende
legislatuur. Tegen het einde van de legislatuur remmen ze daardoor de uitgavengroei af voor ongeveer
21 miljard euro, om de begroting in veilig vaarwater te brengen (conform de Europese engagementen)
en budget vrij te maken voor de nodige groei-impulsen.
• Deze 21 miljard euro afremming van de uitgavengroei wordt opgesplitst als volgt:
- Sociale zekerheid: 10 miljard
- Federale overheid: 2,3 miljard
- Vlaanderen: 3,6 miljard
- Vlaamse lokale besturen: 1,8 miljard
- Andere overheden: 3,4 miljard
• We voorzien 12,8 miljard euro groei-impulsen (netto-kost 11 miljard na terugverdieneffecten):
- 8,9 miljard voor een vermindering van de werkgeversbijdragen.
- 2,4 miljard voor een verhoging van de belastingvrije som in de personenbelasting
- 750 miljoen voor investeringen in infrastructuur
- 750 miljoen voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling
De Vlaamse overheid moet ook strikt toezien
op de financiële gezondheid van de gemeenten
en hen desnoods onder financiële curatele
plaatsen.
Steeds meer gemeenten keurden de jongste jaren
een deficitaire begroting goed. Verschillende gemeenten schroefden recent hun investeringen fors
terug of verhoogden belastingen omdat ze onhoudbare uitgavenmechanismen hebben gecreëerd. De
Vlaamse overheid moet echt noodlijdende gemeenten voorwaardelijk ondersteunen. Financiële steun
in ruil voor schaalvergroting, een fiscale stop en de
vrijwaring van het investeringsritme.
>> VLAAMS
• De Vlaamse overheid boekt aanzienlijke synergiewinsten door doelgroepen zoals ondernemers en
burgers geïntegreerd te benaderen. Per doelgroep worden loketfuncties, beleidsinstrumenten en
toezichtsorganen op elkaar afgestemd, onder eenduidige politieke en ambtelijke sturing. Op het terrein
van ondersteunende functies (ICT, inkoop, financiën, communicatie,…) moet verplicht overheidsbreed
worden geopereerd. Overlappende advisering wordt afgebouwd. Dat geldt ook op het lokale niveau,
zoals bij de SERR’s.
• Er komt een nieuwe interne staatshervorming in Vlaanderen. Kleinere gemeenten fuseren verplicht
tot een schaal van minstens 20.000 inwoners. Intermediaire tussenstructuren zoals SERR’s en RESOC’s
worden geëvalueerd en desgevallend afgeschaft. Er komen geen nieuwe bij. Provincies focussen zich
strikt en uitsluitend op grondgebonden beleidsmateries. Provincieraden en deputaties worden afgeschaft. De Vlaamse overheid ziet strikt toe op de financiële gezondheid van de gemeenten en plaatst
hen desnoods onder financiële curatele. Gemeenten kunnen dan genieten van financiële ondersteuning
in ruil voor schaalvergroting, een fiscale stop en de vrijwaring van het investeringsritme.
• De Vlaamse overheid monitort de investeringsgraad van de lokale besturen. Lokale besturen die in
hun meerjarenplanning te weinig investeringen voorzien, worden ondersteund maar onder financiële
curatele geplaatst.
>> FEDERAAL
• Er komt meer duidelijkheid en toezicht op de omvang en aanwending van administratiekosten door
uitvoerders van publieke taken, zoals onder meer ziekenfondsen, vakbonden en kinderbijslagfondsen.
• Een performante, onafhankelijke interne audit eindelijk echt operationeel maken.
“We vragen een halvering van de loonkostenhandicap.”
14
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
OVERHEID
15
Lastenverlagingen
voor meer dynamiek
< Vaststellingen
Werkgeversbijdragen in % bbp
Werkgeversbijdragen bijna hoogste in eurozone
ë
Bron: Europese Unie, 2013
Loonkost 16,5% hoger dan in de buurlanden
Uurloonkost in euro per uur
Bron: Expertengroep “Concurrentievermogen en Werkgelegenheid”
Onze hoge fiscale en parafiscale druk remt
de economische dynamiek af: de zin om te
ondernemen, te werken en te sparen.
Een verdere verhoging van de fiscale en parafiscale druk is daarom geen optie. Volgens de OESO
bekleden we met 45,3% bbp in 2012 al de eerste
plaats in de eurozone, samen met Frankrijk.
Belastingen die rechtstreeks productiebeslissingen beïnvloeden – met name belastingen
op inkomsten uit arbeid en ondernemen – zijn
extra schadelijk voor de economische groei.
Onze fiscale en parafiscale mix is in vergelijking
met andere landen net daarop relatief sterk
gericht. De werkgeversbijdragen liggen met 8,6%
bbp in 2011 gevoelig hoger dan in de buur- en
Scandinavische landen. De loonkostenhandicap van onze ondernemingen beloopt ongeveer
16,5% of bijna 25 miljard euro. Dit tast hun concurrentievermogen aan, hetgeen zich de jongste
jaren vertaalde in een drastische verslechtering
van onze handelsbalans en de versnelde afbouw
van tewerkstelling. Nergens anders ook worden
werknemers zo zwaar belast als bij ons. Daarenboven ligt de impliciete belasting op kapitaal
boven het Europees gemiddelde.
De verhoging van de kwantiteit van de fiscale
wetgeving gaat gepaard met een verlaging
van de kwaliteit ervan.
Ook plotse fiscale wijzigingen fnuiken de rechtszekerheid. Verregaande fiscale maatregelen worden onder druk van begrotingsdeadlines vaak
inderhaast beslist. Zulk wetgevend amateurisme
resulteert in reparatiewetgeving en dus extra
onvoorspelbaarheid.
> Analyse
Sanering en lastenverlaging
Vennootschapsbelasting
Elke overheid moet een fiscale en parafiscale
stop inschrijven in zijn regeerakkoord.
Die stop moet gelden op alle beleidsniveaus: van
het federale tot het lokale. Dit impliceert dat de
noodzakelijke budgettaire sanering moet geschieden via structurele besparingen.
De vennootschapsbelasting moet worden
hervormd zodat ze investeringen van groeiende productie- en dienstverlenende bedrijven
aanwakkert.
Tegelijk moet ze rechtszekerheid mogelijk maken
voor (vooral) buitenlandse multinationale bedrijven. De eerste categorie ondernemingen moet
kunnen opteren voor een verlaging van het nominale tarief mits opgave van de notionele interestaftrek. Finland, het VK, Denemarken en Zweden
tenderen in deze richting. Het versterkt ook de interne financieringscapaciteit van ondernemingen.
Internationale impactstudies hebben substantiële
positieve effecten aangetoond van een dergelijke hervorming: meer ondernemerschap, extra
investeringen en extra tewerkstelling. De tweede
categorie ondernemingen moet kunnen opteren
voor het behoud van het bestaande systeem. >
Daarenboven verwachten we van de federale
regering een groeibevorderende hervorming.
Die vergt prioritair een drastische verlaging van
de werkgeverslasten op arbeid en een faire verhoging van de koopkracht.
Een aanzienlijke verlaging van de werkgeversbijdragen in de private sector helpt de
historische uurloonkosthandicap van 16,5%
mee te halveren.
Dat is noodzakelijk om de concurrentiekracht en
dus de arbeidsvraag te verbeteren. We stellen een
lineaire lastenverlaging van dit tarief van 32,25%
naar 22% voor. We voorzien hiervoor 8,9 miljard
euro.
Ook het netto-inkomen verdient een
ondersteuning.
In geen enkel ander land is de loonwig – het verschil tussen de loonkost en het nettoloon – immers
zo hoog. Dit heeft onder meer als gevolg dat het
voor mensen die een laag inkomen verdienen, niet
loont om aan het werk te gaan: ze kunnen immers
te weinig extra inkomen verwerven ten opzichte van hun werkloosheidsuitkering. We stellen
daarom een verhoging van de belastingvrije som
voor in de personenbelasting van 6.800 euro tot
8.600 euro. Dit ondersteunt de koopkracht per
belastingplichtige aanzienlijk en verkleint ook
de werkloosheidsval voor lagere inkomens. We
voorzien 2,4 miljard euro.
“Er moet een fiscale en parafiscale stop gelden
op alle beleidsniveaus: van het federale
tot het lokale.”
16
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
LASTENVERLAGING
17
Lastenverlagingen
voor meer dynamiek
>Analyse (vervolg)
Duidelijk en stabiel
Wederzijds vertrouwen
De fiscaliteit moet eenvoudiger, duidelijker
en rechtszekerder.
Een ondernemer moet constant anticiperen op
de vele onzekerheden die zijn bedrijfsvoering
kunnen beïnvloeden. De overheid moet ondernemers dan ook ondersteunen door zelf geen
extra onzekerheid toe te voegen. Een duidelijk
en stabiel fiscaal kader is daarom essentieel om
een bedrijfsstrategie op termijn uit te tekenen
en te realiseren. Eenvoud en duidelijkheid wordt
bevorderd door het aantal uitzonderingsregimes
te beperken. Het vermindert ook de discriminatie
tussen concurrerende ondernemingen. Ook een
harmonisering van de fiscale procedureregels
naar Nederlands voorbeeld (administratieve verplichtingen, verjaringsregels, invorderingsmaatregelen, geschillenbeslechting,...) over de verschillende belastingsoorten heen is dringend aan de
orde. Die verscheidenheid in fiscale procedures
leidt immers vaak tot verwarring.
De toezichtsfilosofie en het toezichtsmodel
moeten gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, weg dus van het huidige conflictmodel.
In een complexe en snel veranderende samenleving kan de handhaving niet langer zonder
gebruik van de kennis in de samenleving. Dienstverlenend optreden moet in de plaats komen van
het huidige sanctionerend controlebeleid. Daarbij
gaat de administratie uit van vertrouwen in de
intrinsieke bereidheid bij de belastingplichtige
om te voldoen aan zijn of haar wettelijke verplichtingen. Dat vergt voeling met het métier van de
ondernemingen. Bij ondernemingen bestaat een
bereidheid om tijdens vooroverleg systematisch,
actuele informatie te geven over de fiscale strategie. De administratie geeft snel en rechtszeker
antwoord op vragen van de belastingplichtigen.
De voordelen van dergelijk horizontaal toezicht
zijn één aanspreekpunt, snelle duidelijkheid over
de aanslag en minder toezicht zoals controles en
vragen om uitleg. Het zou dus een soort van permanent rulingsysteem zijn. Dit zal de compliance
ten goede komen. Fiscale bezwaren worden best
door een onafhankelijke derde behandeld.
Ook de wetgevingstechniek moet de transparantie bevorderen.
Een gedegen voorafgaande screening van de
juridische, administratieve en macro-economische effecten moet het risico op fiscale reparatiewetgeving aanzienlijk verminderen. Alle nieuwe
fiscale regelgeving kan slechts in voege treden
na een redelijke termijn. Alle gemeentelijke en
provinciale belastingreglementen moeten door de
Vlaamse overheid in een gecentraliseerd en up-todate, digitaal raadpleegbaar databestand worden
opgenomen.
>> Voorstellen
>> OVERKOEPELEND
• Elke overheid hanteert een fiscale en parafiscale stop in de volgende legislatuur.
• De fiscale procedureregeling wordt geharmoniseerd in één globaal fiscaal procedurewetboek. Dus geen
aparte regels meer per belasting op het vlak van de fiscale controle, taxatie, invordering en geschillenbeslechting.
• De fiscale wetgevingstechniek wordt drastisch herzien. De fiscale doelstelling wordt helder omschreven. Nieuwe wetgeving treedt pas in voege na een redelijke termijn. Goedkeuring ervan wordt voorafgegaan door een juridische, economische en administratieve impactanalyse.
>> VLAAMS
• Alle gemeentelijke en provinciale belastingreglementen worden door de Vlaamse overheid in een
gecentraliseerd en up-to-date, digitaal raadpleegbaar databestand opgenomen.
• In een fiscaal pact met de Vlaamse overheid engageren de lokale besturen zich tot een fiscale stop.
Er worden geen nieuwe gemeentelijke belastingen op ondernemingen ingevoerd en de bestaande
verhogen niet. Gemeenten die hier niet aan voldoen, krijgen minder middelen uit het Gemeentefonds.
>> FEDERAAL
• Het tarief van de werkgeversbijdragen in de private sector vermindert van 32,25% naar 22%. Mede
daardoor halveert de historische uurloonkosthandicap van 16,5%. We voorzien 8,9 miljard euro
(bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten).
• De vennootschapsbelasting wordt omgevormd tot een optioneel stelsel. Ofwel kiest de onderneming
voor een verlaagd tarief, mits opgave van de notionele interestaftrek en enkele kleinere aftrekken.
Ofwel opteert ze voor het behoud van het huidige systeem. De keuze gebeurt op groepsniveau en geldt
voor 5 jaar.
Ook bij fiscale overtredingen hebben belastingplichtigen recht op een gelijke behandeling.
De arrondissementele verschillen in de toepassing
van het sanctierecht door de fiscale administratie
en door de parketten maakt plaats voor een eenduidige en eenvormige aanpak. Iedereen zal weten waaraan hij of zij toe is bij een kleine of grote
fiscale overtreding. De grote regionale verschillen
op het vlak van fiscale controles verdwijnen.
• Om de koopkracht te verhogen en tegelijk de werkloosheidsval te verminderen, verhogen we de
belastingvrije som in de personenbelasting van 6.800 euro tot 8.600 euro. We voorzien 2,4 miljard
euro (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten).
• Horizontaal toezicht komt in de plaats van het huidige conflictmodel. Dienstverlenend optreden komt
in de plaats van het huidige sanctionerende controlebeleid. De administratie geeft snel en rechtszeker
antwoord op vragen van de belastingplichtige. Startende ondernemers worden enkel corrigerend
gecontroleerd. Een eerste overtreding leidt tot een waarschuwing, geen sanctie. Fiscale bezwaren
worden door een onpartijdige derde behandeld, niet langer door de administratie zelf.
• Het sanctioneringsbeleid wordt gecoördineerd. Er komt toezicht op de gelijke behandeling van de
belastingplichtige en op de uniforme interpretatie van de fiscale regelgeving.
“Een halvering van de loonkostenhandicap is
noodzakelijk om meer jobs te creëren.”
18
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
LASTENVERLAGING
19
Een arbeidsmarkt
die werken stimuleert
< Vaststellingen
Amper vier op tien van onze 55+’ers op de
arbeidsmarkt zijn aan het werk en we werken
in totaal slechts 32,2 jaar.
De uitgaven van de RVA om minder te werken
(zoals tijdskrediet) lopen op van 365 miljoen
euro in 2002 tot 835 miljoen euro in 2012.
Duur loopbaan in jaren
Onze loopbanen zijn bijzonder kort
Ons arbeidsmarktbeleid is te weinig gericht
op het toeleiden naar werk.
Onze werkloosheidsuitkeringen zijn onbeperkt
in de tijd. Zeer langdurige werkloosheid kost de
sociale zekerheid 4,2 miljard euro op jaarbasis.
Oneindige uitkeringen vragen ook veel middelen voor een controleapparaat om na te gaan of
iemand wel werk zoekt.
Bron: Eurostat, 2012
Ons arbeidsrecht is gericht op het beschermen van jobs in plaats van op tewerkstelling.
De nieuwe ontslagregeling stimuleert te weinig
om nieuw werk te zoeken. Herstructureren is
moeilijk en duur.
Doorstromen naar werk
Kost per voltijdse equivalent
Doelgroepenbeleid: lage doorstroom, dure jobcreatie
Bron: IDEA Consult
i.o.v. Voka, 2013
20
Doorstroom
Kost
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Levenslang leren scoort ondermaats. Dat ligt
niet aan onze ondernemingen die 2,4% van
de loonmassa in geregistreerde opleiding
investeren.
De werknemers nemen zelf te weinig verantwoordelijkheid op en teren op hun initiële
kwalificatie. Het aantal individuele beroepsopleidingen (IBO) nam in 2012 af met 2,2%.
De loonvorming spoort niet met de
productiviteit.
Laaggeschoolde arbeid brengt weinig op ten aanzien van onze dure minimumlonen. De lastenverlaging, versnipperd over 34 doelgroepen, wordt
ondoelmatig ingezet door een te hoge complexiteit en te weinig incentives voor doorstroom naar
reguliere jobs. Automatische loonsverhogingen
door indexering en barema’s prijzen jobs uit de
markt.
> Analyse
Langer aan de slag
Uitkeringen om minder te werken, horen niet
thuis in de sociale zekerheid: inactiviteit mag
niet langer worden gesponsord.
Mensen met werkloosheidsuitkeringen moeten
tot aan de pensioenleeftijd beschikbaar zijn voor
de arbeidsmarkt. Dat is een kwestie van rechten
en plichten. Leeftijd is geen reden om minder te
activeren. Landingsbanen met een uitkering om
minder te werken vanaf 55 jaar moeten worden
teruggedrongen en kunnen voortaan pas slechts
vanaf 5 jaar voor het pensioen. Het tijdskrediet
zonder motief moet verdwijnen. Het gemotiveerd
tijdskrediet voor combinatie arbeid en gezin moet
worden geïntegreerd en beperkt in de thematische
verloven.
De pensioenregeling moet activerend werken.
Een loopbaan van 45 jaar moet ook effectief
gepresteerd worden. De pensioenleeftijd moet
daarvoor worden opgetrokken. Uit onderzoek
blijkt immers dat het optrekken van de pensioenleeftijd een impact heeft op de bereidheid van de
bevolking om later uit te treden. Het optrekken
van de pensioenleeftijd door een koppeling aan
de evolutie van de gezonde levensverwachting is
ook solidair met de jongere generaties. Het is fair
om een lager bedrag toe te kennen aan wie toch
eerder op pensioen gaat en dus minder bijdragen
betaalt en langer pensioen geniet. Niet-werken
tijdens de loopbaan moet worden ontmoedigd
door pensioenrechten meer te laten opbouwen in
functie van effectief gewerkte periodes.
De duur van werkloosheidsuitkeringen moet
worden afgestemd op die van de buurlanden.
Zo wordt het verschil tussen werken en niet-werken groter, waardoor werklozen sneller geneigd
zullen zijn om voor een job te kiezen. Het verhogen van de belastingvrije som maakt werken meer
lonend en helpt als remedie tegen de werkloosheidsval. De middelen die vrijkomen door de
uitkeringen in de tijd te beperken, kunnen worden
besteed aan meer en betere begeleiding en bemiddeling. Daarnaast kan tot 3 miljard euro op de
RVA-begroting worden bespaard door te wieden
in uitkeringen die aanzetten tot niet of minder
werken.
De regels voor ontslag moeten er mee voor zorgen dat mensen opnieuw aan de slag kunnen.
De sectorale ontslagenveloppe voorzien in het
eenheidsstatuut, gericht op vorming en heroriëntatie naar nieuw werk, moet worden uitgebreid
tot meer werknemers en worden verhoogd door
minder opzegvergoeding cash te betalen bij
ontslag. Herstructureringen moeten mikken op
een doorstart van het bedrijf en de medewerkers. Dit veronderstelt een sneller proces, meer
maatregelen die terug aan het werk helpen, tegen
een netto-kost voor de onderneming en minder
uitbetaling in cash. >
Een injectie flexizekerheid
We evolueren van een passief naar een actief
arbeidsmarktbeleid door een grondige
hervorming van de werkloosheidsverzekering.
Uitkeringen voor personen die zelf nooit gewerkt
hebben en dus ook niet bijgedragen hebben tot
de sociale zekerheid, zoals de ‘inschakelingsuitkeringen’, gaan in tegen het verzekeringsprincipe
en moeten worden geschrapt. Dergelijke uitkeringen bestaan trouwens niet in het buitenland. ARBEIDSMARKT
“Inactiviteit mag niet langer gesponsord worden.”
21
Een arbeidsmarkt
die werken stimuleert
>Analyse (vervolg)
Levenslange vorming moet ervoor zorgen
dat de inzetbaarheid van werknemers op de
arbeidsmarkt vergroot.
Inzetbaarheid is een garantie voor werkzekerheid.
Een instrument van ‘leerkrediet’ faciliteert het
volgen van vorming. Dit leerkrediet met financiële tussenkomst van de overheid moet worden
voorbehouden voor opleidingen gericht op het
behalen van een kwalificatie die de kansen op
de arbeidsmarkt verhogen. Het leerkrediet voor
werknemers heeft twee componenten. Ten eerste,
de opleidingscheques die de kosten van de opleiding buiten de arbeidstijd compenseren, blijven
als flexibel beleidsinstrument behouden. Precies
door hun eenvoud hebben ze een belangrijke
signaalfunctie rond het belang van levenslang
leren. Ze zijn ook relatief makkelijk te differentiëren tussen doelgroepen. Ten tweede, het educatief
tijdskrediet vervangt de doorbetaling van het loon
door de werkgever in het stelsel van het betaald
educatief verlof (BEV). De IBO voor het opleiden
van werkzoekenden op maat van de onderneming
moet aantrekkelijker worden gemaakt.
Lonen in pas met productiviteit
>> Voorstellen
>> VLAAMS
• De VDAB begeleidt en activeert voortaan tot aan het pensioen. Alleen vanaf drie jaar voor het wettelijke
pensioen rest nog een bijzondere aanpak voor oudere werkzoekenden.
Een efficiënt en sterk vereenvoudigd doelgroepenbeleid moet in de eerste plaats focussen
op laaggekwalificeerde werkzoekenden.
Het beleid voor een beperkt aantal doelgroepen
compenseert tijdelijk de lagere productiviteit
van deze groep en moet zorgen voor maximale
doorstroom naar reguliere privéjobs. De middelen
voor doelgroepenbeleid mogen niet langer worden
afgewend om structureel de loonlast bij de lokale
overheid of in de socio-culturele organisaties te
verlagen, zoals nu bijvoorbeeld het geval is met
de Gesco-regeling. Studies wijzen uit dat een
doelgroepenbeleid het best kan door tussenkomsten voor jobs met lage lonen. Dit rendeert immers
maximaal en is ook het meest transparant voor de
aanwervende onderneming. Daarnaast moet, met
het oog op de vergrijzende Vlaamse arbeidsmarkt,
een bijkomende lastenverlaging het aanwerven
en in dienst houden van 55+’ers stimuleren, en dit
zolang de loonvorming niet is bijgestuurd. Dienstencheques moeten behouden blijven voor de
bestrijding van zwartwerk en worden ingezet om
de combinatie werk en gezin te ondersteunen.
• De aanmoedigingspremies ter aanvulling bij het tijdskrediet worden afgeschaft.
• De opleidingscheques focussen op inzetbaarheid van werknemers. De IBO moet zoveel mogelijk zes
maanden kunnen duren. De overheid komt meer tussen in de kost. Na afloop van een IBO is er contractuele vrijheid om al dan niet in dienst te nemen.
• Een efficiënt en eenvoudig doelgroepenbeleid zet meer in op tijdelijke ondersteuning gericht op doorstroom naar de privésector. De Gesco-middelen worden aldus geheroriënteerd. De laaggekwalificeerden staan centraal. Ze worden geholpen door een RSZ-korting voor jobs met lage lonen. Er is voorlopig
bijkomend een korting voor 55+’ers.
>> FEDERAAL
• De beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt wordt opgetrokken tot aan het pensioen en uitgebreid tot alle
werkzoekenden. De pensioenleeftijd wordt geleidelijk aan opgetrokken tot 67 jaar. We beginnen met één
extra maand voor de huidige 64-jarige. Er komt een malus voor wie vervroegd op pensioen gaat. De gelijkgestelde periodes worden verder gerationaliseerd.
• Het tijdskrediet zonder motief wordt stopgezet. Het gemotiveerd tijdskrediet voor zorg wordt geïntegreerd in thematische verloven die zich beperken tot wat Europees is vereist. Landingsbanen kunnen
slechts vanaf vijf jaar voor de pensioenleeftijd en mits vijfendertig jaar met arbeid te hebben bijgedragen
aan de sociale zekerheid.
• De werkloosheidsuitkeringen worden in duur beperkt tot twee jaar. Deze duur wordt opgetrokken met
maximaal één jaar vanaf drie jaar voor de pensioenleeftijd. De inschakelingsuitkeringen worden afgeschaft.
Inzet moet beloond kunnen worden door automatismen in de loonvorming terug te dringen.
De automatische loonindexering en indexering
van de barema’s moeten verdwijnen. Er moet een
dwingend federaal kader komen waarbinnen
sectoren de baremieke verhogingen kunnen afschaffen. Daardoor komt er ruimte om de loonevolutie beter te laten aansluiten bij de productiviteit
en de ontwikkeling van competenties. Een bedrijfseigen loonpolitiek wordt mogelijk. Dit vergt
wel voldoende bevoegdheden van de plaatselijke
vakbondsafvaardiging. Deze moet zelf een cao
op ondernemingsniveau kunnen afsluiten.
• Het toepassingsgebied van de sectorale ontslagenveloppe wordt uitgebreid tot werknemers vanaf 3 jaar
anciënniteit. Lastenverlaging stimuleert het actief inzetten door de sectoren van de ontslagenveloppe.
Een aanvullende regeling treedt in werking als de sector in gebreke blijft. Sluitingspremies en premies
collectief ontslag bij herstructurering worden afgeschaft. Er komt een meer dwingend kader voor snel en
activerend herstructureren.
• De verplichting om 1,9% van de loonmassa in vorming te investeren wordt afgeschaft. De doorbetaling
van het loon bij vorming tijdens de arbeidstijd zoals in het huidig systeem van het Betaald Educatief Verlof
(BEV) wordt vervangen door het educatief tijdskrediet met een loonvervangende uitkering. Ook hier ligt
de focus op arbeidsmarktrelevante vorming.
• De regering neemt de nodige maatregelen zodat de automatische loonindexering en de baremieke verhogingen
worden afgeschaft. De lokale vakbondsafvaardiging krijgt de bevoegdheid om zelf een bedrijfscao af te sluiten.
>> EUROPEES
• We zijn reeds het land met de meeste bijkomende regels voor herstructureringen. Nieuwe Europese
initiatieven met nog strengere maatregelen, met langere en duurdere processen voor herstructureringen, moeten worden vermeden. “Inzetbaarheid is een garantie voor werkzekerheid.”
22
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
ARBEIDSMARKT
23
Sociale bescherming:
van dreiging naar kans
< Vaststellingen
Vergrijzingskost in % bbp
2% economische groei houdt de vergrijzingskost betaalbaar
Scenario 2% groei
Scenarario 0,5% groei
Bron: eigen berekeningen, Federaal Planbureau
Vlaanderen heeft de laagste kinderarmoede
De meerwaarde van sociale bescherming is
enorm.
Welzijn creëert 8% bruto toegevoegde waarde en
een werkgelegenheid van ruim 600.000 banen.
Ook de indirecte meerwaarde is cruciaal: zonder
een gezond menselijk kapitaal geen economische
groei.
We doen het zo goed dat het zo niet verder
kan.
We leven langer, maar niet altijd met behoud van
functioneren en kwaliteit van leven. De kosten
van vergrijzing en invaliditeit vergroten het
overheidsbeslag waardoor het onmogelijk wordt
om ruimte te creëren voor competitiviteit en
groei, die nodig zijn om de sociale zekerheid te
blijven financieren. De verwachte verdubbeling
van de vergrijzingskost tegen 2060 benadrukt
het hoogdringend karakter van structurele hervormingen. Bij een economische groei van 0,5%
slorpt de vergrijzing tegen 2020 al 30% van het
bbp op. Tegen 2050 wordt dit 50%. Niets doen is
dus onhoudbaar.
Kinderen onder armoedegrens in %
Besparen in zorg via de kaasschaafmethode
heeft haar grenzen bereikt.
Deze vorm is bedreigend voor de kwaliteit,
toegankelijkheid en innovatie en leidt tot hogere
druk op personeel en het doorschuiven van de
rekening naar de patiënt.
Bron: Vlaamse armoedebarometer, 2013
24
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Er is ruimte voor betere bescherming met
minder groei van publieke middelen.
Betere sociale bescherming is niet gelijk aan
meer middelen; er is veel ruimte voor verbetering
op het vlak van doeltreffendheid, gelijkheid
van uitkomsten en efficiëntie. Bij kindarmoede
bijvoorbeeld zijn ondersteuning van welzijn via
activering, zorg en huisvesting meer van belang
dan de hoogte van de kinderbijslag.
> Analyse
Betere sociale bescherming
Het heroriënteren van financiële prikkels leidt
tot nieuwe zorgmodellen en een verschuiving
van acute naar preventieve en chronische
ondersteuning.
De focus verschuift naar welzijn, gezinsondersteuning (vb. kinderopvang) en ouderenzorg.
Het is noodzakelijk om waar mogelijk de middelen
in handen van de patiënt te geven, zodat die zijn
zorgvraag zelf kan bepalen, in plaats van het
zorgaanbod te programmeren en te begrenzen.
In acute zorg moet er een sterkere nadruk komen
op vaste financiering, zonder dat dit de autonomie van zorgverstrekker aantast. In alle deelsectoren maken we de zorguitkomsten transparant
en koppelen er kwaliteitsprikkels aan, naast
netwerking en IT-prikkels. Ook de ziekenfondsen
moeten op deze wijze vergoed worden.
De betrokkenheid van de sector is een cruciale
succesfactor, wat zich vertaalt in een goed
functionerend overlegmodel zonder belangenconflict bij ziekenfondsen en artsensyndicaten.
We moeten experimenteren met brede lokale
onderhandelingen in functie van kwaliteit- en
budgetdoelstellingen. Goede zorg vereist niet altijd een direct contact, maar kan ook op afstand.
De terugbetaling wordt ontkoppeld van ‘face to
face’ en meer gekoppeld aan meerwaarde.
We realiseren ondernemerschap binnen een
gelijk speelveld.
Alle aanbieders en financiers van diensten moeten op onafhankelijke wijze verantwoording
afleggen over kwaliteit en kosten. Dit gaat
gepaard met meer regelluwte en een personeelskader dat een positieve carrièreopbouw en het
dynamisch opnemen van nieuwe rollen toelaat.
De overheid dient barrières en verschillen in
regelgeving af te bouwen, zodat geïntegreerde
dienstverlening mogelijk wordt. Gegevens zijn
eigendom van de patiënt en kunnen op afstand
geconsulteerd en beheerd worden.
SOCIALE BESCHERMING
We maken kinderbijslag meer doeltreffend,
met een verschuiving naar ondersteunende
diensten.
We verlagen het basisbedrag tot een maandelijks
vast bedrag van 100 euro per kind en verhogen
het selectieve deel gericht op kwetsbare doelgroepen tot een bijkomende 100 euro, waardoor
zij van een even goede bescherming genieten
als voorheen, maar zonder inactiviteitsval. Deze
hervorming maakt ruim 900 miljoen euro vrij in
Vlaanderen voor kinderopvang, buitenschoolse
opvang en andere diensten die meer inzetten op
activering en flexibiliteit.
Minder groei van middelen
Betere sociale bescherming vereist
rationaliseren en nieuwe modellen van
dienstverlening.
Een onderbouwde en transparante kostenbasis
van de financiële prikkels draagt in sterke mate
bij tot de financiële duurzaamheid. Dit gaat
gepaard met het besparend effect van een betere
sociale bescherming die in minder gezondheidscomplicaties en invaliditeit resulteert. Om dit op
korte termijn sluitend te maken, is het essentieel
dat we garanderen dat de budgetgroei per deelsector strikt wordt gerespecteerd, met continue
monitoring en feedback. Binnen de grote lijnen
van heroriëntatie krijgt elke speler en deelsector de vrijheid om in onderlinge samenwerking
maatregelen te ontwikkelen. >
“We bekomen een betere sociale bescherming
door nieuwe zorgmodellen.”
25
Sociale bescherming:
van dreiging naar kans
>Analyse (vervolg)
> Wie aantoont te rationaliseren en zich te
heroriënteren op preventie en langdurige ondersteuning, mag een deel van de vrijgekomen
budgetruimte herinvesteren via innovatie. We
moeten het beheer en de administratie efficiënter maken met een sterke vereenvoudiging
en automatisatie. Daarnaast rationaliseren we
op rechtvaardige wijze in andere domeinen van
de sociale zekerheid, met inbegrip van pensioenen en uitkeringen, zonder bijkomende welvaartsaanpassingen en zonder perequatie van
overheidspensioenen. Ook bijkomende ingrepen
in de overheidspensioenen zijn nodig: de verantwoording van het hogere ambtenarenpensioen
als uitgesteld loon gaat immers niet langer op,
aangezien de verloning van de ambtenaren die in
de privésector voor veel functies heeft bijgebeend.
“Betere sociale bescherming vereist
solidariteit en verantwoordelijkheid.”
26
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Betere sociale bescherming vereist
solidariteit en verantwoordelijkheid.
We creëren en versterken de concurrentie van
‘zorgkassen’ in de eerste, tweede en derde pijler
van de ziekteverzekering door dit speelveld te
openen voor alle verzekeringsinstellingen. De
verplichte aanschaf van een aanvullende verzekering als deel van lidmaatschap bij een ziekenfonds wordt afgeschaft, maar via ruimere fiscale
prikkels wordt men wel aangemoedigd om meer
aan voorafbetalingen te doen via onder meer
aanvullende verzekeringen en zorgsparen (ook
in domeinen buiten hospitalisatie). Een up-todate doorlichting van de werking, meerwaarde
en kosten van de zorgverzekering is noodzakelijk
om het systeem verder op punt te stellen. Eigen
bijdragen van het individu worden bij alle vormen van diensten meer uniform en transparant
toegepast, met een sterkere koppeling van remgeld aan meerwaarde. Dit impliceert dat individuele participatie en het positief meewerken aan
een goede gezondheid en welzijn door de patiënt
beloond wordt via verminderd remgeld.
Betere sociale bescherming vereist private
investeringen.
De publieke middelen worden geconcentreerd en
meer selectief ingezet voor kwetsbare doelgroepen door waar mogelijk de markt de behoeften te
laten invullen in welzijn, zorg en andere ondersteunende diensten. Om de stijgende noden in te
vullen, moedigen we private investeringen aan.
We benutten de meerwaarde van het aantrekken
van extern financieel kapitaal via zorgobligaties
en -aandelen, pensioenfondsen en andere private
investeringsinitiatieven, voor zover dat resultaatgerichte kwaliteit de kern van het systeem
wordt. Menselijk kapitaal in de vorm van mantelzorg en vrijwilligerswerk is cruciaal in het kader
van een ruimere vermaatschappelijking van
zorg. We benutten complementaire wederzijdse
ondersteuning door de bestaande financiële plafonds op vrijwilligerswerk af te schaffen.
>> Voorstellen
>> OVERKOEPELEND
• We leveren meer zorg op basis van correcte prikkels en nieuwe zorgmodellen. We vergoeden diensten
en financieel beheer voor 80% met persoonsgestuurde financiering, 10% kwaliteitsprikkels en 10%
netwerkprikkels. Bij artsen en ziekenhuizen verschuiven we naar een groter aandeel vaste financiering.
Dit vereist een grondige doorlichting van referentiebedragen, accreditering, forfaits klinische biologie,
medische beeldvorming en geneesmiddelen, dialysevergoeding en daghospitalisatie. We maken de kwaliteit en kost van diensten en beheer transparant en ontkoppelen terugbetaling van de voorwaarde van
een fysiek consult bij de zorgverstrekker.
• We maken het Vlaamse overlegmodel effectiever door formeel overleg systematisch en proactief in te
schakelen in het beleid. Op federaal niveau maken we het overleg transparant, zonder belangenconflicten bij ziekenfondsen en artsensyndicaten. Het up-to-date houden van bedragen en normen wordt
contractueel in plaats van decretaal of per K.B. vastgelegd in overleg met de sector.
• We stimuleren ondernemerschap en nieuwe modellen van dienstverlening in zorg. We moderniseren KB 78 over de uitoefening van de zorgberoepen met een grotere focus op functiedifferentiatie,
taakverschuiving en flexibele verloning. We realiseren een gelijk speelveld op basis van een gedeelde
kwaliteitsfocus, governance, regelgeving en gegevens. We voorzien een stabiel kader van aansprakelijkheid, vergunningsbeleid en regelgeving en stimuleren private investeringen via waarborgen en fiscale
maatregelen. We kijken of de privémarkt de behoefte kan invullen en waar het niet kan, laten we ruimte
voor publieke ondersteuning.
• We rationaliseren door de budgetnorm strikt te hanteren en positieve terugverdieneffecten toe te laten
voor wie de inspanning levert. We zetten in op onder meer vereenvoudiging (vb. één loketfunctie),
productiviteit (vb. geen dubbele onderzoeken en verouderde items schrappen), reconversie (vb. VIPA),
ketenzorg (vb. zorghotel), kosteneffectiviteit bij terugbetaling, post patent concurrentie bij technologie,
voorschrijfprofielen bij verstrekkers, referentiecentra en bonus mali hervorming bij ziekenfondsen.
• We vermijden meeruitgaven in andere domeinen van sociale zekerheid, o.a. door de enveloppe voor
welvaartsvastheid van uitkeringen te bevriezen. De ambtenarenpensioenen worden niet langer berekend op de wedden van de laatste vijf of tien jaar van de loopbaan, maar over heel de loopbaan zoals in
de privésector. De perequatie van overheidspensioenen wordt afgeschaft.
• We zetten in op solidariteit en verantwoordelijkheid. We maken kinderbijslag meer doeltreffend en
sociaal beschermend met een verschuiving naar diensten. We installeren een gelijk speelveld van
concurrentie in alle pijlers van ziekte- en zorgverzekering, met een bredere fiscale aanmoediging van
voorafbetalingen via aanvullende verzekeringen, zorgsparen, etc. We hervormen de eigen bijdrage van
het individu tot een veiliger en stimulerend mechanisme in functie van meerwaarde en inspanningen,
in lijn met een meer proactieve en preventieve ondersteuning.
SOCIALE BESCHERMING
25
27
Naar een competitief
energiebeleid
< Vaststellingen
Broeikasgasreductie
CO2-equivallenten kiloton periode 1990-2011
Bedrijven realiseren bijna 90% van de emissiereductie
De energiekost is een belangrijke uitgavenpost
voor ondernemingen, zeker in Vlaanderen dat
gekenmerkt wordt door veel ondernemingen
met een hoge energie-intensiteit.
Het gebrek aan een kostenefficiënt energiebeleid
manifesteert zich in oplopende taksen, heffingen en
nettarieven.
De energiekost in Vlaanderen is voor sommige
ondernemingen tot 20% hoger dan in de buurlanden.
Deze kosten zijn het gevolg van een beleid dat ervoor
kiest om een ecologisch beleid via de elektriciteitsfactuur te financieren en dat de industrie zware lasten
oplegt ondanks de reeds geleverde, grote inspanningen.
Bron: cijfers o.b.v.
Mira-rapport
Kosten groene stroom riskeren te verdubbelen
Via de elektriciteitsfactuur worden kosten doorgerekend om enerzijds hernieuwbare energie en
WKK en anderzijds sociale en energiebesparende
maatregelen te financieren.
Bijvoorbeeld: om de offshore windmolenparken
te financieren, zal de factuur oplopen tot circa 780
miljoen euro per jaar; wat betreft groenestroom- en
WKK-certificaten moet er nog een tekort van 1,8
miljard euro gecompenseerd worden.
Miljoenen
De energiekostenhandicap zal negatieve gevolgen hebben voor de aantrekkelijkheid van ons land
bij investeerders en voor het concurrentievermogen
van onze energie-intensieve ondernemingen.
Bron: SERV
GSC/WKC in distributietarief
GSC/WKC in leveranciersbijdrage
Offshore toeslag
28
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Er is een gebrek aan een geharmoniseerd Europees energie- en klimaatbeleid.
De Europese lidstaten hebben, om aan de verplichtingen van het Europese energie- en klimaatpakket
te voldoen, diverse beleidsinstrumenten ontwikkeld.
Dat resulteert in een lappendeken aan maatregelen
die leiden tot hogere globale kosten en die de realisatie van de interne energiemarkt bemoeilijken.
De gevolgen van het Europees beleid voor de
concurrentiekracht en bevoorradingszekerheid zijn
onderschat en niet accuraat opgevolgd of aangepakt.
Niet alleen de EU kan het verschil maken in de strijd
tegen de klimaatverandering. Ook de andere continenten moeten gelijkaardige inspanningen leveren.
> Analyse
Concurrentiehandicap
Om de concurrentiehandicap weg te werken,
moet deze in kaart gebracht en opgevolgd worden.
Dat kan met een benchmark van de energiekosten
die de marktprijzen, de distributie- en transmissiekost en de indirecte kost ten gevolge van heffingen en openbare dienstverplichtingen tussen
Vlaanderen en haar belangrijkste handelspartners
vergelijkt. Het concurrentieel nadeel dat hieruit
zou blijken, moet verholpen worden via gepaste
maatregelen.
Het beleid moet inzetten op een bedrijfszekere
energiebevoorrading: dat is cruciaal voor de
samenleving en de economie.
Daarom moet de overheid zorgen voor een gediversifieerde energiemix, waar ook traditionele
energiebronnen toe behoren, en een stabiel en
gunstig economisch klimaat creëren, enerzijds
om bestaande productiecapaciteit maximaal
beschikbaar te houden voor de markt en anderzijds
om investeringen in productietechnologieën aan te
moedigen.
Ondernemers moeten hierbij een vrije keuze
kunnen maken uit diverse technologieën die op de
markt beschikbaar zijn. Verder moeten er duidelijke en rechtszekere procedures gevolgd worden en
vergunningen tijdig worden afgeleverd. Financiële
en administratieve lasten mogen binnenlandse
productietechnologieën niet uit de internationale
markt duwen.
Distributienettarieven
De transmissie- en distributienettarieven
moeten beheerst worden.
Als gevolg van het hernieuwbare energiebeleid
zijn de nettarieven aanzienlijk gestegen. Als er
geen gepaste maatregelen genomen worden, is een
verdere stijging onvermijdelijk. Daarom pleiten
we voor meer kostenreflectieve nettarieven, die
enkel kosten opnemen gerelateerd aan het net.
ENERGIE
Wanneer Vlaanderen bevoegd wordt voor de
distributienettarieven, moet het ervoor zorgen dat die tarieven binnen de perken blijven.
Ecologische of sociale beleidskosten mogen niet
langer verhaald worden via de distributienettarieven, maar moeten vergoed worden vanuit de
algemene middelen. In een kostenreflectief tarief
moet ook het cascadeprincipe (een verbruiker
betaalt ook voor het bovenliggend net) behouden
blijven en moet er aangerekend worden voor
afname en injectie. Een compensatie van beide
stromen via een terugdraaiende meter is economisch onverantwoord. Ten slotte moeten de nettarieven ook deels gebaseerd worden op het ter
beschikking gesteld of het maximaal afgenomen
vermogen (capaciteitstarief).
Kostenbeheersing
Het hernieuwbare energiebeleid moet focussen op kostenbeheersing.
De komende jaren moet er voldoende aandacht
gaan naar onderzoek en ontwikkeling van nieuwe,
technologieën op het vlak van opslag en nieuwe
leveringszekere energiebronnen. Om de marktwerking minder te verstoren is het bovendien
wenselijk om de productiesteun voor toekomstige
installaties te vervangen door investeringssteun.
En in het kader van kostenbeheersing moet ook
een beroep gedaan worden op de samenwerkingsmechanismen, die in de richtlijn zijn voorzien en
die het mogelijk maken om de 2020 hernieuwbare
energiedoelstellingen te behalen tegen een lagere
globale kost. >
“Een bedrijfszekere energiebevoorrading
is cruciaal voor de samenleving en de economie.”
29
Naar een competitief
energiebeleid
>Analyse (vervolg)
Het afstemmen van vraag en aanbod van
elektriciteit moet worden gestimuleerd.
De toename van hernieuwbare energie leidt tot
een hogere prijsvolatiliteit. De industrie moet aangemoedigd worden om hierop in te spelen door
haar verbruik te beperken bij hoge marktprijzen
en maximaal te verschuiven naar periodes van
hoog aanbod (zon- en windenergie) en dus lagere
prijzen. Hiertoe is het belangrijk dat de flexibiliteit in de markt correct gewaardeerd wordt.
Ook aan de aanbodzijde (elektriciteitsproductie,
stockage) wordt de nood aan flexibiliteit groter en
moet de regelgeving aangepast worden zodat een
flexibele uitbating van productie-installaties niet
afgeremd wordt. Ook bij residentiële verbruikers
moeten vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd worden: enerzijds door het gedrag van de
consument te veranderen en anderzijds door
intelligente systemen aan te bieden die toelaten
om in te spelen op de ‘real time’-situatie. Dat
impliceert een dynamische prijszetting in combinatie met slimme toestellen (slimme meters,
huishoudtoestellen, elektrische installaties,…).
Een deugdelijk energiebeleid zet in op energieefficiëntie, aangezien dit zowel de duurzaamheid als de bevoorradingzekerheid ten goede
komt.
Er moet een verhoogde inzet komen van energieefficiëntie volgens het resterend potentieel, dus
voornamelijk bij de huishoudens en transport.
Het effectief implementeren van de nieuwe
energiebeleidsovereenkomsten vormt ook een
belangrijk instrument om energie-intensieve
ondernemingen bottom-up energie-efficiënter te
maken, zonder echter hun duurzame groeimogelijkheden in te perken.
Interne energiemarkt
>> Voorstellen
>> OVERKOEPELEND
• Op Vlaams, Belgisch, Europees en internationaal niveau wordt een energienorm ingevoerd, zodat de
totale kost van gas- en elektriciteitsprijzen (inclusief netkosten, taksen en heffingen), die geldt voor de
industrie en kmo’s, eenduidig vergeleken kan worden. Deze benchmark laat toe het eventueel concurrentieel nadeel te becijferen en in te grijpen wanneer er een onaanvaardbaar groot verschil is met de
buurlanden of andere continenten.
De realisatie van de Europese interne energiemarkt is cruciaal om de vruchten van de liberalisering te plukken.
Het is dan ook dringend tijd dat er een duidelijk
Europees kader gedefinieerd wordt, zodat er een
subsidievrije, geïntegreerde en technologieneutrale elektriciteitsmarkt tot stand komt.
Deze markt moet prijzen tot stand brengen die
concurrentieel zijn met andere handelspartners
en die zowel hernieuwbare als conventionele
technologieën op een correcte manier vergoedt.
Goed uitgebouwde interconnectiecapaciteit en
een sterke Europese regulator, die een stabiel
en coherent energiebeleid regisseert, zijn hierbij
onontbeerlijk.
• Europa, België en Vlaanderen streven naar een consistent industrieel, energie- en klimaatbeleid dat
volop inzet op innovatie om via een competitieve industrie de nodige klimaatoplossingen te kunnen
aanleveren en produceren, die aangewend kunnen worden om de CO2-uitstoot wereldwijd te mitigeren.
>> VLAAMS
• Distributienettarieven worden competitiever door ze kostenreflectief te maken: dus geen sociale of
ecologische kosten meer in de tarieven doorrekenen, het cascadeprincipe behouden, een tariefcomponent invoeren op basis van capaciteit en een afzonderlijke netkost toepassen voor injectie en afname.
Dit impliceert dus ook de afschaffing van de terugdraaiende teller.
• De ondersteuning voor nieuwe, hernieuwbare energieprojecten evolueert van exploitatiesteun naar
investeringssteun. Op middellange termijn wordt alleen nog niet rijpe technologie ondersteund, bij
voorkeur via R&D.
Het is belangrijk dat de klimaatproblematiek
aangepakt wordt, maar deze initiatieven moeten gekaderd worden in een mondiale aanpak
om markt- en/of concurrentieverstoringen te
voorkomen.
Ook de impact hiervan op de bevoorradingszekerheid en de concurrentiepositie moeten
steeds in rekening worden gebracht. Het is
daarom ook aangewezen om maar één bindende
doelstelling voor de reductie van broeikasgassen
te definiëren en via instrumenten zoals energieefficiëntie en hernieuwbare energie deze
doelstelling mee te helpen onderbouwen.
• De Vlaamse regering blijft inzetten op energie-efficiëntie, maar focust de inspanningen en normering
daarvoor vooral op huishoudens en transport.
• De Vlaamse regering trekt volop de kaart voor een innovatief energiesysteem met onder meer aandacht
voor de opslag van elektriciteit, meer interconnectie en flexibilisering van de vraag door de integratie
van slimme toestellen en netten.
>> FEDERAAL
• Er wordt gestreefd naar een gediversifieerde energiemix en -infrastructuur die leidt tot een zekere en
betaalbare beschikbaarheid van energie op ieder moment, waarbij alle competitieve bestaande en
beloftevolle, nieuwe energiebronnen ingezet moeten kunnen worden.
• De federale regering waakt erover dat de doorrekening van de offshore windmolenparken de concurrentiepositie van energie-intensieve ondernemingen niet in het gedrang brengt. Indien de totale
steun die nodig is om aan de betrokken investeerders een marktconform rendement te bieden, te hoog
oploopt, dient deze steun te worden gefinancierd via de algemene middelen.
• De vraag- en aanbodsturing van elektriciteit (flexibiliteit) wordt verder uitgebouwd en ondersteund.
>> EUROPEES
• Er komt een betere afstemming van het energie- en klimaatbeleid, waarbij rekening gehouden wordt
met de impact op de concurrentiekracht van ondernemingen en de bevoorradingszekerheid.
• Er wordt een interne energiemarkt ingevoerd: het energiebeleid van de verschillende lidstaten en de
economische randvoorwaarden opgelegd aan energiebedrijven worden geharmoniseerd om tot een
meer concurrentiële en efficiënte markt te komen.
“Een deugdelijk energiebeleid
zet in op energie-efficiëntie.”
30
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
ENERGIE
31
Mobiliteit en logistiek:
toppositie vrijwaren
< Vaststellingen
Verloren file-uren tijdens één jaar
België koploper in file-uren
Bron: INRIX, 2013
80% van de mobiliteitsuitgaven (Vlaams en federaal)
gaat naar 10% van de verplaatsingen
Mobiliteitsuitgaven
(Vlaams en federaal)
Bron: SERV
32
Aandeel in verplaatsingen
Wegennet
Openbaar vervoer
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
We scoren een bedenkelijk Europees record:
we staan gemiddeld 59,7 uur per jaar in de file.
En de vooruitzichten zijn allesbehalve rooskleurig. Het Federaal Planbureau verwacht, als we
niets doen, een verdere daling van de gemiddelde
snelheid op de weg met 29,3% tijdens de spits
tegen 2030. Een vlotte mobiliteit en bereikbaarheid zijn nochtans essentieel voor onze bedrijven
en onze welvaart.
De logistieke troeven van onze regio staan
onder druk.
Het succes van iedere onderneming staat of valt
met de effectiviteit en de efficiëntie van de logistieke activiteiten. Vlaanderen mag trots zijn op
haar prominente plaats in het Europese logistieke
landschap, maar dreigt haar toppositie te verliezen door steeds heviger wordende concurrentie
van de omringende regio’s. Berusten in onze
natuurlijke geografische troeven volstaat niet.
Supply-chain-kansen grijpen, betekent investeren
in groei, toegevoegde waarde en innovatie.
Verschillende beleidsmaatregelen zijn nodig
om een verschuiving van verplaatsing en/of
gekozen modus te stimuleren.
Een doordacht invoeren van een kilometerheffing
voor alle wegvervoer en het openbaar vervoer
spelen hierbij een belangrijke rol. Het openbaar
vervoer heeft nog steeds een marginaal aandeel in
het aantal verplaatsingen, de miljarden overheidssteun ten spijt. De overheid kan de middelen voor
openbaar vervoer maar één keer inzetten: wij
kiezen eerder voor kwaliteit en uitbreiding van
het aanbod in functie van de vraag dan voor gratis
rijden.
> Analyse
Investeren in de toekomst
Economische activiteit bestaat bij de gratie van
een goede infrastructuur.
Wil Vlaanderen de vruchten blijven plukken
van haar rol als logistieke hub van Europa, dan
moet er geïnvesteerd worden. De achterstand
in infrastructuurinvesteringen in vergelijking
met de buurlanden moet Vlaanderen dringend
wegwerken. De Vlaamse regering moet jaarlijks
150 miljoen extra investeren in mobiliteitsinfrastructuur. Essentiële ontbrekende schakels om
onze logistieke toppositie te kunnen vrijwaren en
verbeteren, moeten prioritair worden aangepakt.
Niet het minst gaat het hierbij om het afwerken
van de ringstructuur rond Antwerpen met de
Oosterweelverbinding en het aanpassen van de
Brusselse Ring.
Vlaanderen dient de toenemende congestie op
onze wegen versneld aan te pakken met zogenaamde ‘quick wins’.
Mobiliteitsmanagement, infrastructurele aanpassingen en het spreiden van leveringstijden
zijn maatregelen met snelle resultaten tegen een
beperkte kostprijs.
Ook een andere fiscaliteit volgens het ‘gebruiker betaalt’-principe werkt file-verminderend.
De invoering van een kilometerheffing enkel voor
vrachtwagens lost de congestie niet op, zo blijkt
uit een studie van het Federaal Planbureau. Bovendien dreigt een alleenstaand Belgisch initiatief de
concurrentiepositie van ondernemend Vlaanderen
en van de zeehavens aan te tasten. Een slimme
kilometerheffing voor goederen- én personenvervoer kan de congestieproblematiek verbeteren,
indien ze ingevoerd wordt in samenwerking met
de buurlanden en indien dat gebeurt in combinatie
met een kwalitatief aanbod aan alternatieven. De
slimme kilometerheffing kan ook enkel mits een
maximale kostenneutraliteit voor de werkgever
en een verlaging van de bestaande belastingen op
voertuigenbezit. De eventuele extra opbrengsten
van de kilometerheffing worden prioritair besteed
aan een performant wegennet.
MOBILITEIT
Spoorwegen zijn een deel van de ruggengraat
van het verkeers- en vervoerssysteem, maar
Vlaanderen heeft er maar een zeer beperkte
impact op.
Vlaanderen heeft andere prioriteiten op haar
vervoersnetwerk dan de NMBS voorziet. Bovendien is de infrastructuurplanning van de NMBS
niet afgestemd op de Vlaamse behoeften door de
60/40-regel, die bepaalt hoeveel investeringen
er naar respectievelijk Vlaanderen en Wallonië
mogen gaan.
Economische poorten
Concurrentie tussen de Vlaamse havens ten
nadele van de Vlaamse economie moet aangepakt worden.
Onze economische poorten, met name de Vlaamse
zeehavens en de luchthaven van Zaventem, zijn
het bewijs van onze logistieke kracht als regio en
dragen op een structurele wijze bij aan de economische ontwikkeling van onze regio. Samenwerkingsverbanden tussen de havens, zeker op vlak
van een gezamenlijke achterlandstrategie of ‘corridordenken’, moeten concreet worden gemaakt.
De huidige ‘aanmoediging’ van Flanders Port
Area moet ambitieuzer zijn en de commerciële
samenwerking moet zo snel mogelijk in praktijk
gebracht worden, indien neutraal onderzoek de
meerwaarde ervan bevestigt. >
“Wil Vlaanderen de logistieke hub van Europa blijven,
dan moet er in infrastructuur geïnvesteerd worden.”
33
Mobiliteit en logistiek:
toppositie vrijwaren
>Analyse (vervolg)
De Vlaamse zeehavens moeten het hoofd kunnen bieden aan uitdagingen binnen een mondiale context en de hevige concurrentiestrijd in
de Hamburg-Le Havre range.
Om een strategie uit te tekenen die ten volle
rekening houdt met een internationale competitieve marktbenadering, is er nood aan corporate
governance responsabilisering van de leden van
de raden van bestuur en een invulling van de
zeehavenbesturen met de juiste (ook externe)
expertise.
Belemmerende elementen die onze concurrentiepositie aantasten, moeten worden aangepakt.
Het toepassingsgebied van de Wet Major moet
gemoderniseerd worden, zodat logistieke activiteiten meer ontwikkelingskansen krijgen binnen
het havengebied.
De blijvende rechtsonzekerheid over het
geluidskader en over de exploitatiemogelijkheden van de luchthaven van Zaventem,
verhindert een groei die gelijke tred houdt met
de concurrerende luchthavens van Frankfurt,
Londen, Amsterdam en Parijs.
Een officiële bekrachtiging van het START-programma verzekert een sterke en heldere langetermijnvisie voor de luchthaven.
De huidige organisatie van de douane vormt
eerder een barrière.
Ze zou eerder een ondersteunende en faciliterende rol moeten opnemen ter bevordering van de
handelsfuncties die onze logistieke sector en zee- en
luchthavens verzorgen. De concurrentiepositie van
onze ondernemingen en van logistiek Vlaanderen
wordt nochtans sterk bepaald door de efficiënte werking van de douane. Dit vraagt op de eerste plaats een
goede organisatiestructuur met rechtszekere en doeltreffende douaneprocedures, onder meer op het vlak
van dienstverlening, controle, inning en veiligheid.
Duurzaam verplaatsingsgedrag
>> Voorstellen
>> VLAAMS
• Vlaanderen halveert het verschil met de buurlanden inzake investeringen door het infrastructuurbudget binnen het domein ‘Mobiliteit en Openbare Werken’ met 150 miljoen euro per jaar extra op te
trekken (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten).
• De Vlaamse overheid prioritiseert infrastructuurprojecten op basis van een objectieve analyse, gevoed
door voorafgaandelijke beslissingscriteria. De maatschappelijke kostenbatenanalyses bevatten een uitgebreide impactanalyse van infrastructuurinvesteringen in modi en havens op andere modi en andere havens.
Om het woon-werkverkeer te verduurzamen
en de bereikbaarheid voor werkend Vlaanderen te kunnen blijven garanderen, moet er
ingezet worden op verschillende middelen.
Naast het beter benutten van onze infrastructuur
door onder meer fiscale maatregelen zoals de
kilometerheffing, moet ook het openbaar vervoer
beter inspelen op de behoeften in de samenleving.
Dit impliceert een aanbod in functie van de vraag,
een andere prijszetting, een verbeterde betrouwbaarheid, capaciteit, frequentie en co-modaliteit.
Het voorzien van voldoende en veilige parkings
voor auto en fiets draagt hiertoe bij.
• Er wordt ingezet op een betere capaciteitsbenutting van de infrastructuur door ‘quick wins’: infrastructurele ingrepen, versterkte inzet van telematica en bevordering van flexibilisering van arbeids- en levertijden.
• De Vlaamse overheid maakt, in samenwerking met de buurlanden, werk van een slimme kilometer heffing voor personen- en goederenvervoer in combinatie met een kwalitatief aanbod aan alternatieven.
De slimme kilometerheffing kan enkel mits maximale kostenneutraliteit voor de werkgever en een verlaging van de bestaande belastingen op voertuigenbezit.
• Vlaanderen zal zijn impact op de infrastructuurplanning van de NMBS ingrijpend verhogen vanuit een
ambitieuze en duidelijke Vlaamse spoorstrategie.
Ook de ontsluiting van bedrijventerreinen via
collectief vervoer moet verbeteren.
Het organiseren van shuttlediensten moet toelaten om op maat van de bedrijventerreinen de
beste vervoersoplossing te kiezen en daarvoor
steun te verlenen.
• De Vlaamse overheid verplicht elke Vlaamse zeehaven om vanuit de strategische plannen naar interportuaire synergiën te zoeken op vlak van achterlandstrategie.
• Vlaanderen stimuleert interportuaire commerciële samenwerkingsprojecten en voert een onafhankelijke analyse uit die het samenwerkingspotentieel tussen de Vlaamse zeehavens in kaart brengt. In functie
van de resultaten hiervan wordt de samenwerking zo snel mogelijk in de praktijk gebracht.
Een mobiliteitsbudget laat toe de mobiliteitsopties voor een werknemer te verruimen.
De uitwerking van een aangepast fiscaal kader
is nodig om andere vervoersopties financieel
even aantrekkelijk te maken als de bedrijfswagen, zowel voor werknemer als werkgever. De
bedrijfswagen blijft immers tot nader order een
noodzakelijk instrument om de hoge loonlasten
in ons land te milderen en een belangrijk werkinstrument voor heel wat beroepsactieven.
• De raden van bestuur van de vier Vlaamse zeehavens werken volgens de principes van corporate
governance en bestaan uit de juiste mix van (ook externe) expertise.
• De Vlaamse regering kiest resoluut voor het verder uitvoeren van het START-programma en zorgt voor
een rechtszeker kader voor de luchthaven van Zaventem.
• De Vlaamse overheid zorgt voor slim openbaar vervoer dat uitgaat van vraaggericht beleid. Hierbij
staan netmanagement en een beheerscontract met een Service Level Agreement voor De Lijn centraal.
Ook het aanbod (inclusief basismobiliteit) en de tariefpolitiek worden door Vlaanderen bijgestuurd
zodat de kostendekkingsgraad van de VVM De Lijn structureel kan toenemen.
• Bedrijventerreinen worden beter ontsloten door het ondersteunen van shuttlediensten.
>> FEDERAAL
• De Belgische douane voert een pro-actief IT-beleid en neemt zo een strategische voorsprong op buurlanden. De Belgische douane is voortrekker van gecoördineerd grensbeheer dat tegen 2016 functioneel is.
• De federale overheid maakt werk van een betere rechtsbescherming van de aangever. De verhoging van
de rechtszekerheid maakt België aantrekkelijker als douane-hotspot.
• De federale overheid hervormt het toepassingsgebied van de Wet Major met het oog op een level
playing field tussen logistieke activiteiten in en buiten de haven.
“Samenwerkingsverbanden tussen de havens
moeten concreet worden gemaakt.”
34
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
MOBILITEIT
• Om de co-modaliteit en een meer gedifferentieerde besteding van het mobiliteitsbudget mogelijk te
maken, past de federale overheid het fiscaal kader van vervoersalternatieven aan, zodat zij een
aantrekkelijk alternatief vormen als aanvulling bij de bedrijfswagen.
35
Ruimte om
te ondernemen
< Vaststellingen
Ruimtelijke ambities waarmaken
Vereenvoudiging
Efficiënt milieubeleid
Als Vlaanderen zijn ruimtelijke ambities wil
waarmaken, moet zij meer ruimte laten aan
privé-investeerders om op innovatieve wijze
onze maatschappelijke doelen te realiseren.
In plaats van verbods- en gebodsbepalingen op te
sommen, moet Vlaanderen een kader scheppen
dat voldoende ruimte laat opdat ontwikkelaars
ruimtelijke doelen kunnen realiseren in een voor
hen interessante context.
De samenstelling van het aanvraagdossier voor
een vergunning, het detailniveau van bouwaanvragen en de inhoudelijke beoordeling van
een vergunningsdossier kunnen eenvoudiger.
De conceptnota van de omgevingsvergunning
kaartte dit al aan. Door onderscheid te maken in
het gewicht van het milieutechnisch deel dan wel
van het stedenbouwkundige deel van een dossier,
kan administratief veel worden vereenvoudigd.
Europese bedrijven moeten opereren onder
hetzelfde milieunormenkader.
De ambitie van de Vlaamse regering om geen ‘gold
plating’ toe te passen bij invoering van Europese
richtlijnen dreigt te worden ondergraven door
Vlaamse BBT-studies die verder gaan dan de
studies welke aanvaard zijn op Europees niveau.
Eens deze Vlaamse BBT-studies verankerd worden in VLAREM, moeten Vlaamse bedrijven aan
deze normen voldoen. Vlaamse bedrijven lijden
hierdoor een concurrentieel nadeel ten aanzien
van hun buitenlandse concurrenten.
Ons planningsproces in Vlaanderen is te
statisch, te formalistisch en dus te traag.
Onderzoeken verlopen onvoldoende geïntegreerd
en de beslissingsbevoegdheid ligt nog te dikwijls
bij administraties in plaats van het democratisch
verkozen orgaan. Projecten worden belemmerd of
onmogelijk gemaakt en Vlaanderen loopt hierdoor
investeringen mis. Bijzondere aandacht wordt
gevestigd op de wijze waarop milieueffectenrapportages (MER’s) en omgevingsveiligheidsrapportages (OVR’s) vandaag worden uitgevoerd. Zowel
de invulling die men aan een MER- of OVR-rapport
geeft, alsook de kwaliteitscontrole op het rapport,
zijn voor vereenvoudiging vatbaar.
Tekort aan bedrijventerreinen
Algemeen belang primeert
Het algemeen belang moet vooropstaan en
rechtsbescherming moet sneller en beter.
Ondanks de verhoogde aandacht voor communicatie en vooroverleg lopen grote (infrastructuur)
projecten jaren vertraging op omdat te vaak
wordt toegestaan dat individuele belangen primeren op het algemene belang. Eens een vergunning
is afgeleverd, volgt dikwijls een lang natraject omwille van administratieve beroepen. Alle verbeteringen in het voortraject en het eigenlijke vergunningsproces worden daardoor teniet gedaan. Onze
regelgeving en onze rechtsbescherming moeten
daarom worden gemoderniseerd.
Vlaamse bedrijven mogen niet gehinderd worden in hun ondernemen door het waterbeleid.
Bedrijven en overheid dienen samen een efficiënt
en pragmatisch waterbeleid uit te stippelen dat
ondernemen en groeien in Vlaanderen mogelijk
maakt. >
Zesde staatshervorming
“Als Vlaanderen zijn ruimtelijke ambities
wil waarmaken, moet zij meer ruimte laten
aan privé-investeerders.”
36
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
In sommige regio’s is er een nijpend tekort aan
bedrijventerreinen.
Naast een aanbodtekort ligt de oorzaak meermaals in het kunstmatige onderscheid tussen
lokale en regionale bedrijventerreinen. Afhankelijk van het type bedrijventerrein gelden andere
vereisten inzake de perceeloppervlaktes. Lokale
bedrijventerreinen van 5 ha moeten bedrijfspercelen voorzien waarbij het individuele bedrijfsterrein maximum 5.000 m2 mag bedragen. In de
praktijk is het onderscheid tussen een lokaal en
regionaal bedrijf niet eenduidig te maken en is er
vaak geen correlatie tussen deze indeling en de
ruimtevraag. Een lokaal bedrijf met een ruimtevraag groter dan 5.000 m2 wordt hierdoor belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden.
De zesde staatshervorming voorziet de regionalisering van de handelsvestigingswet.
De Vlaamse regering wil de socio-economische
toelating behouden in afwachting van een integratie in de komende omgevingsvergunning. De voorgestelde toetsingscriteria in de winkelnota 2.0
zijn alvast te ruim. Aanduiden van ‘kernwinkelgebieden’ en ‘winkelarmegebieden’ is geen goed
idee. Vooral de denkpiste om assortimentsbeperkingen op te nemen in ruimtelijke uitvoeringsplannen zal nefaste gevolgen hebben vermits dit
enkel leegstand in de hand zal werken. Ruimtelijke plannen worden immers gekenmerkt door hun
statisch karakter en een gebrek aan flexibiliteit.
Dat druist regelrecht in tegen de dynamiek die
handel en economie kenmerkt.
RUIMTE
“Ons planningsproces in Vlaanderen is
te statisch, te formalistisch en dus te traag.”
37
Ruimte om
te ondernemen
< Vaststellingen (vervolg)
Ondernemingen vertegenwoordigen slechts
8% van de neerslag van verzurende stoffen
Ondernemingen
8%
Landbouw
30%
Huishoudens
5%
Transport
10%
Buitenland
47%
Bron: berekeningen o.b.v. Vlaamse Milieu Maatschappij, 2012
Quick wins opgebruikt
Procedures vereenvoudigen en versnellen
De industrie heeft de laatste jaren veel geïnvesteerd voor een groenere economie. De
quick wins zijn echter opgebruikt.
Onderzoek wijst uit dat onze bedrijven maar een
beperkte bijdrage leveren in tal van milieudrukken. Ten onrechte blijft de focus gericht op de
vergunningsplichtige activiteiten. Problematische
milieudrukken in Vlaanderen zoals fijn stof of
NOx zijn echter vooral afkomstig uit het buitenland of van niet-vergunningsplichtige activiteiten
(verkeer, houtkachels,...). De focus moet worden
verlegd. Gelet op de mate van overschrijding van
bepaalde milieudrukken dreigt het gevaar dat
vergunningen systematisch worden geweigerd of
voorwaarden worden opgelegd die verder gaan
dan de best beschikbare technieken (BBT). Om
dit te vermijden moet een rechtszekere, programmatische en planmatige aanpak worden uitgewerkt voor het terugdringen van de overschrijdingen van de milieudrukken met de zwaarste
impact.
Een pragmatische bottom-up aanpak is een
garantie op uitvoering, terwijl een loutere top-down
visie al te vaak heeft geleid tot immobilisme.
Het ontwerpdecreet ‘Complexe Projecten’ kan voor
een aantal punten als vertrekbasis gelden, maar
het toepassingsgebied van dit decreet is beperkt.
Ook projecten die niet onder de noemer van groot
maatschappelijk belang vallen, hebben baat bij een
geïntegreerde, dynamischere en realisatiegerichte
benadering.
“Europese bedrijven moeten opereren
onder hetzelfde milieunormenkader.”
38
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
> Analyse
Een doorgedreven integratie van het planMER/OVR-proces in het RUP moet tot gevolg
hebben dat de goedkeuringsstap door de
dienst MER/OVR sneller gaat.
Buiten Vlaanderen bestaat nergens een systeem
van expliciete ‘kwaliteitscontrole’ door een
administratie in het planproces (studie Arcadis
2009). Vermits we in Vlaanderen werken met
erkende MER-deskundigen, moet de goedkeuringsstap door de dienst MER sneller kunnen.
Dezelfde redenering kan worden doorgetrokken
naar het projectniveau. Voor project-MER- en
OVR-plichtige activiteiten wordt overigens in het
ontwerpdecreet van de omgevingsvergunning een
integratie voorzien van de MER/OVR in de vergunningsprocedure wat een versnelling van zes
maanden kan betekenen. Dit belangrijk potentieel
aan tijdswinst moet met de uitvoeringsbesluiten
en de implementatie verzekerd worden.
Sinds het decreet ruimtelijke economie is er
veel vooruitgang geboekt inzake de monitoring van beschikbare en ontwikkelbare oppervlakte aan bedrijventerreinen.
Deze monitoring moet verder worden ontwikkeld
zodat de ‘ijzeren voorraad’-strategie verder uitgewerkt kan worden. Een evenwichtige verdeling
over Vlaanderen is daarbij noodzakelijk om te
vermijden dat er in bepaalde regio’s een structureel
tekort is aan bedrijventerreinen. Doel moet zijn
dat zodra er subregionaal een tekort optreedt, dit
signaal wordt opgepikt en nieuwe planningsinitiatieven de ijzeren voorraad opnieuw aanvullen.
RUIMTE
De kunstmatige onderverdeling tussen lokale
bedrijventerreinen en regionale bedrijventerreinen moet worden geschrapt.
De minimum perceeloppervlaktes mogen hoogstens als richtinggevend beschouwd worden.
De huidige ‘afbakening’ van de economische
structuur laat weinig ruimte voor ontwikkelingen die vanuit economisch oogpunt toch
wenselijk zijn.
Er moet daarom flexibeler omgesprongen kunnen
worden met het begrip economische structuur.
Dit impliceert dat de strikte afbakening tussen
buitengebied en stedelijk gebied verlaten moet
worden.
De omgevingsvergunningsaanvraag moet
eenvoudiger, dunner en sneller zijn dan de
eenvoudige optelsom van de huidige milieuen bouwvergunningsaanvraag.
Enkel de gegevens die noodzakelijk zijn om over
de vergunningsaanvraag te beslissen, moeten in
het vergunningsdossier onmiddellijk aanwezig
zijn. Gegevens die nodig zijn omwille van andere
administratieve processen (heffingen, kadaster,…)
kunnen nadien verzameld worden. >
“Er mag in geen enkele regio een structureel
tekort zijn aan bedrijventerreinen.”
39
Ruimte om
te ondernemen
> Analyse (vervolg)
Afhankelijk van de situatie (ligging, klasse bedrijf, aard, aanvraag,...) moet het gewicht van
de stedenbouwkundige en de milieutechnische
afweging verschillen.
Binnen een havengebied is bijvoorbeeld de milieuafweging in principe substantiëler dan de ruimtelijke afweging gelet op de aard en het karakter van
de omgeving. Bij een bedrijf dat verweven is in een
woonomgeving of gelegen is in de open ruimte,
wint de ruimtelijke afweging aan belang.
Er moet blijvend worden ingezet op de verbetering van de werking en organisatie van onze
administratieve rechtscolleges.
In 2012 wijzigde de rechtsplegingsprocedure
bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Een
wetsvoorstel om de procedure aan te pakken bij
de Raad van State is hangende. De toekomst zal
uitwijzen wat de positieve effecten zijn van onder
andere de invoering van de administratieve lus.
Doorlooptijden moeten korter. Zorgwekkend is
dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in
haar jaarverslag 2011-2012 zelf aangeeft dat de
gemiddelde behandelingstermijn voor dossiers
waarin zowel de vernietiging als de schorsing
wordt gevorderd, maximaal teruggebracht kan
worden tot anderhalf jaar. Dit blijft te lang.
De socio-economische toelating moet worden
geïntegreerd in de omgevingsvergunning.
De regionalisering van deze materie mag in geen
geval leiden tot bijkomende voorwaarden.
>> Voorstellen
>> VLAAMS
Verantwoord natuur- en milieubeleid
• Creëer een kader dat aan de private actoren ruimte laat om op innovatieve wijze ruimtelijke ambities
te realiseren, door middel van een realisatiegerichte benadering, zonder te stringente gebods- en verbodsbepalingen.
Een programmatische aanpak is een gebiedsen sectoroverschrijdend integraal programma om een bepaalde milieuproblematiek het
hoofd te bieden.
Het beoogt de realisatie van bepaalde milieu- en
natuurdoelen en maakt tegelijkertijd duurzame
economische ontwikkelingen mogelijk. De kern
bestaat uit het maken van afspraken om een
milieuprobleem aan te pakken op verschillende
niveaus en vanuit verschillende sectoren. Het
deel van de afname van de depositie die door
bestaande en nieuwe brongerichte maatregelen
kan worden bereikt, moet vervolgens worden
benut voor nieuwe ontwikkelingen. Cruciaal is dat
telkens een beeld wordt gegeven van alle bronnen
en hun respectievelijke bijdragen, zodat de juiste
bronnen kunnen worden geviseerd.
• Maak planning dynamischer en flexibeler, wat onder meer impliceert dat de strikte afbakening tussen buitengebied en stedelijk gebied wordt verlaten.
• Zorg dat de beslissingsbevoegdheid ligt bij het democratisch verkozen orgaan. Verander zodoende de
(formele) controlerende rol van de diensten MER en OVR in een louter faciliterende rol.
• De samenstelling van het vergunningsaanvraagdossier en het detailniveau van sommige bouwplannen kan in bepaalde dossiers sterk worden vereenvoudigd.
• Garandeer dat voor de MER- en OVR-plichtige activiteiten via het integratiespoor de beoogde verkorting
van de vergunningsduur ook effectief wordt gerealiseerd.
• Afhankelijk van de situatie (ligging, klasse bedrijf, aard aanvraag,...) moet het gewicht van de stedenbouwkundige en de milieutechnische afweging verschillen.
• Er moet blijvend worden ingezet op de verbetering van de werking en organisatie van de Raad voor
vergunningsbetwistingen. De minimumtermijnen moeten worden ingekort.
Opdat middelen efficiënt worden ingezet en
om het Europese level playing field te garanderen dienen Vlaamse BBT-studies slechts te
worden opgestart wanneer voldaan is aan één
van de volgende voorwaarden:
• De socio-economische toelating moet worden geïntegreerd in de omgevingsvergunning.
De regionalisering van deze materie mag in geen geval leiden tot bijkomende voorwaarden.
• Om kritische milieudrukken aan te pakken is het noodzakelijk dat alle bronnen en hun respectievelijke bijdragen in kaart worden gebracht en dat de focus wordt gelegd op die bronnen die de grootste
bijdrage leveren (programmatische aanpak).
• het betreft een Vlaamse prioriteit, zoals blijkt
uit het Vlaams Regeerakkoord
• Europese bedrijven moeten opereren onder hetzelfde milieunormenkader (gelijk speelveld).
Vlaamse BBT’s kunnen pas wanneer voldaan is aan één van de vooropgestelde voorwaarden.
• het betreft een milieuprobleem, zoals blijkt uit
het overschrijden van één of meerdere Europese milieukwaliteitsnormen
• De waterwetgeving moet herwerkt of geherstructureerd worden om het waterbeleid toegankelijk te maken.
• Een transparante en pragmatische aanpak van ons waterbeleid is noodzakelijk. Zo moeten heffingen
gebaseerd zijn op werkelijk geloosde debieten en moet de oorsprong van de gehanteerde omzettingscoëfficiënten transparant worden. Flankerende maatregelen zijn noodzakelijk: het grijswaterbesluit kan
bijgestuurd worden inzake de instapdrempels, investeringssteun voor waterbesparende maatregelen,…
• een (sub)sector kan Vlaamse milieuvoorwaarden (die niet Europees worden bepaald) niet
halen
>> FEDERAAL
Belangrijk is dat opgestarte BBT-studies alle
relevante bronnen dienen te beschouwen (en zich
niet uitsluitend richten op de vergunningsplichtige inrichtingen).
• Er moet blijvend worden ingezet op de werking en organisatie van de Raad van State. Dit moet sneller en beter. De uitspraakmogelijkheden moeten worden aangepast zodat de Raad zich niet meer kan
schuilen achter de schending van één formele verplichting (bv. de wijze van kennisgeving) wanneer uit
het administratieve dossier duidelijk blijkt dat de belangen van de rechtzoekende niet op ongeoorloofde wijze zijn geschaad (individueel belang versus algemeen belang).
“Het natuur- en milieubeleid moet
sociaal-economisch verantwoord zijn.”
40
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
RUIMTE
41
< Vaststellingen
% bbp
Investeringen in O&O onder doel 3%
Totale investeringen in O&O in 2011
Bron: MST Indicators (OECD) en Vlaams Indicatorenboek, 2013 (ECOOM)
Het aantal innovatieactoren in Vlaanderen explodeert:
bijna tweehonderd organisaties
• 50 projecten Fabriek van de Toekomst
• 21 Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek
• 5 Strategische Onderzoekscentra: imec, VIB, iMinds, VITO, Maakindustrie
• 12 Competentiepolen/Lichte structuren: VIL, VIM, Fl Drive, Fl Food,
Fl InShape, Fl Synergy, SIM, CMI, FISCH, MIX, Sociale Innovatiefabriek,
i-Cleantech
• 2 MIC’s, Flanders’ Care, Proeftuin Zorginnovatie, Proeftuin Elektrisch rijden,
Proeftuin Woningsrenovatie, Kenniscentrum Mediawijsheid
• Departement EWI, IWT (O&O-projecten, SBO, Baekeland, Innovatiemandaten,
VIS-trajecten, TETRA, TBM, TGO, CICI), FWO (bursalen, projecten, Odysseus,
Methusalem), BOF, IOF, Europaplatform,
Agentschap Ondernemen, FIT, Vleva, Herculesstichting, VRWI,
SERV (Stichting Innovatie en Arbeid), PMV (Vinnof, Tina, Fl Care Invest, SOFI,
GIMV-XL), ARKimedes, BAN, LRM
• 5 provinciale Innovatiecentra, 5 AO-afdelingen, 5 FIT-afdelingen
• 5 TTO’s, LED’s (Laagdrempelige Expertise- en Dienstverleningscentra)
• DSP Valley, Generaties, Linear, Energyville, MIP3, Greenbridge, BioBase Europe,
ILVO, INBO, VLIZ, VLAKWA, Gamefonds, Mediafonds, Technopolis, Flanders DC,
RVO-Society, VSC, SGF, Powerlink, VCK, Miummm, Ghent Bio Energy Valley, Innotek,
SPK, Flanders Smart Hub, Leuven.Inc, Gent BC, ConnAct, FoodGate, Plan C, Kamp C,
OMC, WaterstofNet, Bike Valley, CeDuBo, IncGeo, VIGC, MeubelInnovatieCluster,
InHam, MediaNet Vlaanderen, BioVille, CreativeVille, Cleantech Campus…
• Actieplan Innovatief Aanbesteden, Innovation@Work, CICI
• VON, VIN, EEN
42
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Innoveren is de beste optie om de economie
weer op het spoor te zetten. Temeer omdat
blijkt dat die landen die fors investeren in
onderzoek en ontwikkeling, ook sneller van de
crisis herstellen.
In de huidige kennisgedreven wereldeconomie
is vooral de transformatie van de kennis naar
innovatie, de motor van economische ontwikkeling en welvaartscreatie geworden. Dit geldt in het
bijzonder voor een kleine open economie.
Wat betreft de investeringen in onderzoek en
ontwikkeling bevindt Vlaanderen zich nog ver
onder het niveau van de koplopers, zoals de
Scandinavische landen en Duitsland.
Vlaanderen behoort dan ook eerder tot de
innovatievolgers in Europa en niet bij de innovatieleiders. De Vlaamse overheid en de Vlaamse
bedrijven investeerden in 2011 samen in totaal
2,4% van het bbp in onderzoek en ontwikkeling.
Niet slecht maar toch nog een heel eind van de
vooropgestelde 3%-doelstelling.
Een van onze grootste uitdagingen zit precies
in het omzetten van de aanwezige kennis,
knowhow en ervaring in nieuwe commerciële
toepassingen: op dat vlak kunnen we nog een
tandje bijsteken.
De kennisbasis aanwezig binnen de onderzoeksinstellingen en in het Vlaamse bedrijfsleven is van
wereldklasse. Daar ontbreekt het ons dus zeker
niet aan.
Het aantal overheids(gefinancierde) structuren, agentschappen, organisaties blijft maar
verder aangroeien.
Het Vlaamse innovatielandschap is daardoor
zeer gefragmenteerd, zeer versnipperd, weinig
overzichtelijk en daardoor moeilijk toegankelijk
geworden.
> Analyse
Resoluut investeren in innovatie
De Vlaamse overheid investeerde in 2011
0,76% van zijn bbp in onderzoek en ontwikkeling (O&O). Bijkomende investeringen blijven
nodig, ook in budgettair moeilijke tijden.
Indien Vlaanderen effectief wil doorstoten tot de
‘Top 5’ van kennisintensieve regio’s zal het veel
gedurfder en krachtdadiger moeten investeren in
O&O. Om tegen 2020 de 1%-norm echt te bereiken,
moet de Vlaamse overheid vanaf 2015 jaarlijks
150 miljoen euro extra in O&O investeren. Door
zelf zwaar te investeren in O&O in combinatie met
de creatie van een gunstig omgevingsklimaat, kan
de Vlaamse regering de private innovatie-investeringen verder mobiliseren met het oog op het
behalen van de 3%-norm.
Overheidsinvesteringen in O&O onder doel van 1%
% bbp
Resoluut investeren
in innovatie
Bron: Vlaams Indicatorenboek, 2013 (ECOOM)
Er moet niet alleen meer geïnvesteerd worden
in onderzoek en innovatie, de investeringen
moeten ook vooral en prioritair gaan naar innovatieprojecten en -initiatieven die inspelen op
een reële vraag, een behoefte vanuit de markt.
Dit biedt immers de grootste kansen op het scheppen van nieuwe economische activiteit, werkgelegenheid en welvaartscreatie. Het Vlaamse
beleidsinstrumentarium wordt vandaag echter als
overwegend wetenschappelijk en technologisch
aanbodgedreven ervaren en vraagt dus om een
betere kruisbestuiving met en aansturing vanuit
de industrie. Bijgevolg moeten meer en een bredere
waaier aan doelgroepbedrijven (van kleine tot multinationale onderneming) worden aangetrokken.
Een stroomlijning van de verschillende overheidskanalen, -maatregelen en -informaties is
noodzakelijk.
De weg vinden in de talrijke subsidie- en steunprogramma’s is immers niet zo eenvoudig. Daarnaast
is die stroomlijning van innovatie-, investerings-,
financierings- en internationalisatiemaatregelen
een belangrijke ondersteuning voor ondernemers
op zoek naar potentiële partners, binnen andere
bedrijven, maar ook binnen de kennisinstellingen
en onderzoekscentra, in binnen- maar eventueel
ook in buitenland. >
INNOVATIE
“Om de 1%-norm te bereiken, moet de
Vlaamse overheid jaarlijks 150 miljoen euro
extra in O&O investeren.”
43
Resoluut investeren
in innovatie
>Analyse (vervolg)
Efficiëntie verhogen
Er is – zoals een van de aanbevelingen van het
tweede rapport van de Commissie Soete stelt
– in Vlaanderen een dringende nood aan een
vereenvoudiging en een vermindering van het
aantal structuren en organisaties in innovatieland.
Het aantal structuren en organisaties die zich in
Vlaanderen bezighouden met het aanmoedigen
van anderen om meer te innoveren of aan te zetten om met elkaar samen te werken, is gigantisch.
De aangroei lijkt onverstoorbaar door te gaan,
met ook de laatste jaren tal van nieuwe initiatieven en instrumenten, soms als antwoord op een
reële vraag uit het veld, maar vaak ook als uiting
van pure beleidswil. Door dergelijke versnippering worden de innovatiemiddelen niet op de
meest efficiënte manier ingezet en vinden heel
wat bedrijven hun weg niet meer naar de overheidssteun of naar innovatiepartners. Bestaande,
goed functionerende initiatieven moeten worden
geconsolideerd of zelfs versterkt uitgebouwd,
terwijl anderen die onvoldoende effect sorteren,
moeten worden bijgestuurd dan wel volledig afgebouwd. Uiteraard betekent dit dat keuzes worden
gemaakt, wat niet wegneemt dat een beleidsportfolio niet dynamisch kan zijn.
Door een betere stroomlijning en optimalisatie van de werking van de bestaande steunmaatregelen, kan een consistent continuüm
van overheidsinstrumenten worden gecreëerd
dat elke stap in een innovatieproces dekt.
Het gaat dan niet zozeer over de creatie van nieuwe instrumenten, dan wel over het wegwerken
van overlappingen, het op elkaar aansluiten en het
verfijnen van de voorwaarden en procedures van
bestaande instrumenten. Door bovendien meer
vanuit de vraag en de realiteit van de klant-ondernemer de instrumenten te herdenken, zullen die
automatisch beter aansluiten bij diens noden.
>> Voorstellen
>> VLAAMS
• Om het innovatiebeleid effectiever te kunnen sturen, beheert één enkele Vlaamse minister de bevoegdheid economie, wetenschap en innovatie.
• Integreer het IWT en Agentschap Ondernemen in één overheidsagentschap voor ondernemingen.
Garandeer bovendien een maximale stroomlijning met FIT en PMV.
• Betonneer een groeipad in de Vlaamse begroting om jaarlijks minstens 150 miljoen euro extra in wetenschap en innovatie te investeren (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten), teneinde te voldoen
aan de internationale norm inzake publieke investeringen in O&O.
• Optimaliseer IWT-innovatiesteun aan bedrijven:
- door verdere afstemming van het bestaande AO- en IWT-instrumentarium;
- voer maximumdrempels in voor de cofinanciering door het bedrijfsleven van het gedeelte dat door
een onderzoeksinstelling wordt uitgevoerd;
- schaf de de kwantitatieve beoordeling van de valorisatiehefboom af en hanteer een kwalitatieve
strategische analyse op bedrijfsniveau;
- maak strategisch basisonderzoek meer industrierelevant en marktgedreven door bedrijven meer
aan het stuur te zetten;
- vereenvoudig de gehanteerde terminologie (o.a. in procedures, in formulieren).
Om het innovatiepotentieel bij alle ondernemers ten volle te benutten, moet bovendien
gezocht worden naar manieren om meer ondersteuning in de latere fasen van het innovatietraject mogelijk te maken.
De ontwikkelings- en testfasen vooraleer een
nieuw product, dienst of concept effectief marktrijp wordt, vereisen vaak nog enorme O&O- of
zelfs infrastructuurinvesteringen, maar kennen
ook een zeer grote kans op mislukking. Precies in
die laatste fasen kan de overheid nog een voorname rol spelen door ondernemers bij te staan.
• Werk aan de verlenging van het ‘steunbaar’ innovatietraject richting vermarkting:
- door het maximaal rekken van de steunverlening naar analogie met de huidige Europese trend
binnen het Europese kaderprogramma voor Innovatie ‘Horizon 2020’;
- door de invoering van een financieringssysteem via terugbetaalbare voorschotten;
- door het opzetten van een investeringsinstrument voor (open) industriële onderzoeks- en testinfrastructuur.
• Maximale rationalisatie in het overaanbod aan (semi)publieke agentschappen, structuren en beleidsinstrumenten op basis van een onafhankelijke, diepgaande doorlichting:
- voeg overlappende, kleinschalige initiatieven samen of schaf ze af;
- integreer de IWT-AO-FIT-PMV “front offices” met respect voor de huidige afspraken inzake
actor-regisseurstaken.
Andere uitdagingen waarop de overheid kan
inspelen, omvatten onder meer het vereenvoudiging van de procedures en voorschriften die het
mogelijk maken om vernieuwende producten en
diensten op de markt te testen en te brengen, onderzoeksinstellingen aanmoedigen om nog meer
constructief samen te werken met het bedrijfsleven, de kostprijs van het eengemaakt Europees
patent beperken, zodat bedrijven overtuigd worden om hun innovatie beter te beschermen.
• Verleen selectiever financiële steun aan collectieve structuren, die ofwel geleidelijk moeten kunnen
doorgroeien, ofwel worden stopgezet in functie van de gerealiseerde economische hefboom.
>> FEDERAAL
• Optimaliseer de fiscale maatregel gedeeltelijke vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers
door het garanderen van een eenvoudige, eenmalige, rechstzekere procedure via een uniek e-loket bij Belspo.
• Verruim de fiscale maatregel vrijstelling van belasting voor octrooiinkomsten door ook inkomsten
uit software, merknamen, tekeningen en modellen vrij te stellen.
>> EUROPEES
• De Europese Commissie waakt er over dat industriële participatie aan Horizon 2020 permanente
aandacht krijgt en zorgt voor bijsturing zodra bedrijven onvoldoende participeren.
“De investeringen moeten prioritair gaan naar
innovatieprojecten die inspelen op een reële vraag.”
44
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
• De Europese beleidsmakers moeten alles in het werk stellen opdat het Europese Eenheidsoctrooi,
zo snel mogelijk en aan minimale kosten en met maximale bescherming aangevraagd kan worden.
INNOVATIE
45
Onderwijs voor
competitief talent
< Vaststellingen
Leerlingen kiezen vandaag te weinig voor richtingen waar hun talent ligt.
Zo heeft het technisch en het beroepsonderwijs in
de afgelopen tien jaar zowat 25% van al haar leerlingen verloren. Bovendien is de keuze voor een
technische opleiding vaak negatief gepercipieerd.
Met alle gevolgen van dien: knelpuntberoepen
raken maar moeizaam ingevuld.
De slaagcijfers in het eerste jaar hoger onderwijs zijn zorgwekkend.
Zo slaagt meer dan 50% van de studenten in het
eerste jaar niet volledig voor zijn jaar. Een enorme
kost voor zowel de overheid, de instelling als de
student zelf.
10% van de Vlaamse jongeren begint aan hun
loopbaan zonder kwalificatie.
Dit is voor velen een rechtstreeks ticket richting
werkloosheid.
Percentage vroegtijdige schoolverlaters
Ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen daalt niet
Vlaanderen kent geen cultuur van leren op de
werkvloer.
Terwijl onze buurlanden al volop de kaart trekken
van duaal leren en werken, staat het systeem in
Vlaanderen nog in zijn kinderschoenen. Meer dan
achttien verschillende statuten en werkvormen
zorgen ervoor dat het systeem niet transparant is
voor leerlingen, scholen en bedrijven.
Internationale studies tonen aan dat de kennis
van onze leerlingen achteruit gaat.
Wellicht de bekendste, de PISA 2012 resultaten,
tonen een daling van 23 punten op de PISA-schaal.
Vlaanderen is daarmee een van de grootste dalers
in Europa.
Ook het aantal toppresteerders daalt jaar na
jaar in Vlaanderen.
Waar in 2012 nog een derde van de Vlaamse leerlingen een van de hoogste niveaus voor wiskundige geletterdheid bereikte, is dit in 2013 gezakt
naar één leerling op vier.
Goed gekwalificeerde leerkrachten worden
schaars.
Berekeningen voorspellen dat er tegen 2020
zowat 20.000 leerkrachten tekort zullen zijn in
Vlaanderen. Het lerarenberoep wordt nog te vaak
beschouwd als een weinig uitdagende carrière.
Vlaanderen heeft een groot probleem met haar
beginnende leerkrachten.
Zo verlaat één op de vier jonge leerkrachten het
onderwijs binnen de vijf jaar. Dit wordt vaak in
verband gebracht met de hoge werkdruk en het
vele voorbereidende werk. Er is vandaag onvoldoende ondersteuning om deze jonge leerkrachten ruimte te geven om zich voldoende in te
werken.
Bron: Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen
Jongens
46
Meisjes
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
> Analyse
Snelheid halen
Leerlingen moeten opnieuw kiezen voor de
richting waar hun talent echt ligt. Dit kan door
de hervorming secundair onderwijs snel te
implementeren.
Nog te veel maken leerlingen of ouders de keuze
voor een bepaalde school op basis van imago,
ligging, keuze van vrienden. Daarnaast zorgt de
hiërarchie van de richtingen (ASO, TSO, BSO en
KSO) ervoor dat men kiest voor de richting omdat
men wil behoren tot een maatschappelijke groep
met een bepaalde appreciatie. Men gaat daarbij te
weinig uit van de capaciteit, het interessegebied of
de arbeidsmarktkansen van bepaalde richtingen.
Brede keuze
Om tot een betere keuze te komen voor de
leerling moet de oriënterende functie van de
eerste graad verder uitgebouwd worden.
Op 12-jarige leeftijd maken jongeren keuzes die
hun verdere leercarrière zullen bepalen. Het is
dan ook belangrijk dat jongeren met heel wat
verschillende vakgebieden in aanraking komen.
Niet het minst ook met technologische vakken. Die
oriënterende functie wordt vandaag nog te weinig
uitgespeeld, temeer omdat scholen hun aanbod in
de eerste graad afstemmen op het aanbod van de
tweede en derde graad. Door meer differentiatie
in te bouwen in de eerste graad zullen leerlingen
een betere keuze kunnen maken voor de latere
jaren. Door technologische vakken beter aan te
bieden, kunnen deze op termijn ook uitgroeien tot
vakken waar men in kan excelleren.
Het historisch gegroeide imagoprobleem van
TSO, BSO en KSO kan omgebogen worden tot
competitief voordeel.
Momenteel is meer dan 15% van de Vlaamse jeugd
werkloos. Nochtans is er meer dan ooit vraag naar
technisch geschoold talent. De keuze voor een
technische richting is dus een sterk voordeel op
de arbeidsmarkt. Daarnaast zal het weghalen van
de schotten tussen de verschillende richtingen
een belangrijke rol spelen: is een richting arbeidsONDERWIJS
marktgericht of enkel gericht op doorstroom?
De clustering van de richtingen binnen bepaalde
inhoudelijk sterk verwante richtingen zal niet
alleen zorgen voor een rationalisering van het
onderwijsaanbod (vandaag meer dan driehonderd
richtingen) maar ook tot een kruisbestuiving van
de verschillende niveaus. Vooral voor de arbeidsgerichte richtingen moet er werk gemaakt worden
van een nauwe band tussen ondernemingen en de
scholen.
De negatieve trend in de ongekwalificeerde
uitstroom moet omgebogen worden. Dit kan
door werk te maken van een echt oriëntatiebeleid doorheen het onderwijs.
Leerlingen moeten kunnen rekenen op een
intensieve begeleiding van de leraars maar ook
door het invoeren van tools als een niet-bindende oriënteringsproef. Zo’n proef kan, mits nauw
overleg met de ouders en de klastitularis, ervoor
zorgen dat de leerling nog voor de aanvang van
het hoger onderwijs weet waar zijn sterktes of
zwakten liggen. >
“De keuze voor een technische richting
is een sterk voordeel op de arbeidsmarkt.”
47
Onderwijs voor
competitief talent
>Analyse (vervolg)
Onderwijs op de bedrijfsvloer
De leerkracht centraal
Het systeem van leren en werken moet in
Vlaanderen een volwaardige leerweg worden.
De systemen die vandaag al bestaan rond leren
en werken, worden nog te veel gezien als een
‘alternatief’ voor een gewone schoolloopbaan. In
de toekomst moet dit een heel normale leerweg
zijn. Een onderneming kan een enorm uitdagende
leerplek zijn voor leerlingen die geen voldoening
vinden op school. Om dit te realiseren moet het
huidige aanbod van meer dan achttien verschillende
statuten en leerwegen aangepast worden.
Duidelijke protocollen en standaard leerovereenkomsten, samen ontwikkeld door onderwijs en
het bedrijfsleven, moeten ervoor zorgen dat meer
ondernemers hun bedrijfsdeuren open willen
zetten voor jongeren. Scholen en bedrijven die
zich actief inzetten in het geassocieerde onderwijs
moeten worden gestimuleerd door financiële en
organisatorische incentives.
Het lerarenberoep moet opnieuw een uitdagende job worden.
Zo blijft het lerarenberoep nog veel te statisch.
Evaluatie en bevorderingen zijn binnen de schoolcontext vaak onvoldoende uitgewerkt. Als we van
het lerarenberoep opnieuw een positieve keuze
met een maatschappelijk hoog aanzien willen
maken, dan moet die loopbaan uitdagend zijn. Zo
kunnen er diverse profielen ingebouwd worden.
Leerkrachten met voldoende kwalificaties moeten
aangemoedigd worden om meer verantwoordelijkheid op te nemen binnen de schoolstructuur.
Dat moet gekoppeld worden aan een meer flexibele verloning naargelang de invulling van de
lerarenloopbaan.
De organisatie van leren en werken moet beter
in kaart worden gebracht met duidelijke verantwoordelijken.
Vandaag bestaan er al heel wat organisaties die
actief bezig zijn rond het matchen van scholen en
bedrijven. Willen we het systeem van leren en
werken in de toekomst op grote schaal uitrollen,
moeten we echter werk maken van een goed
uitgebouwd systeem dat leerling en bedrijf dichter bij elkaar brengt. Er moet ook een duidelijke
rolverdeling komen tussen alle instellingen en
organisaties die vandaag al actief zijn in het
begeleiden en toeleiden van leerlingen naar een
kwaliteitsvolle werkplek.
>> Voorstellen
>> VLAAMS
• Er wordt prioritair werk gemaakt van de uitvoering van de secundaire onderwijshervorming.
De regering maakt een duidelijke timing en planning van de verschillende componenten van het plan
in nauw overleg met de betrokken actoren.
• De overheid maakt verder werk van het STEM-actieplan waarbij via concrete maatregelen leerlingen
warm worden gemaakt voor technische richtingen. In de mate van het mogelijke wordt dit zoveel
mogelijk gekoppeld aan de acties die worden genomen in het kader van de secundaire onderwijshervorming.
• De Vlaamse regering maakt werk van de inventarisering van de verschillende richtingen in de nieuwe
matrix van het secundair onderwijs. Er wordt versneld werk gemaakt van deze inventarisering.
• De regering stimuleert open data in het onderwijs. Onderwijsinstellingen worden aangemoedigd tot
het bekend maken van de resultaten van de school. Hierdoor kan er een beter beleid gevoerd worden
op het vlak van ongekwalificeerde uitstroom en studieoriëntering.
• De overheid maakt werk van een niet-bindende oriënteringsproef. Dit in nauwe samenwerking tussen de hoger onderwijsinstellingen en het leerplichtonderwijs om de hoge uitval in het hoger
onderwijs tegen te gaan. Er wordt samen met de instellingen gezocht naar manieren om jongeren
beter te begeleiden in hun studiekeuze.
Beginnende leerkrachten moeten worden gestimuleerd om in het onderwijs te blijven.
Dat kan door de toegang tot het beroep aantrekkelijker te maken. Het systeem van de vaste
benoeming zorgt ervoor dat jonge leerkrachten
maar moeilijk een plaats vinden en bijgevolg lange
tijd in onzekerheid moeten werken. Een systeem
waarbij jonge leerkrachten worden aangemoedigd
door evaluaties en extra ruimte voor voorbereiding, moet ervoor zorgen dat minder leerkrachten
al na korte tijd het onderwijs verlaten.
• Het systeem van leren en werken wordt als volwaardige leerweg uitgebouwd in Vlaanderen.
Hiervoor zorgt de overheid voor een aantrekkelijk en eenvoudig statuut voor werkgever en leerling.
Daarnaast zorgt de overheid voor een duidelijke organisatiestructuur en manieren om leerlingen en
bedrijven dichter bij elkaar te brengen. Samen met werkgeversorganisaties wordt er gezocht naar
manieren om bedrijven te stimuleren die zich inspannen om werken en leren uit te rollen.
• Het systeem van de vaste benoeming in de lerarenloopbaan wordt vervangen door een systeem
van evaluatie en aanmoediging voor leerkrachten.
• Speciale aandacht gaat uit naar de band tussen de leraren en de ondernemerswereld: voeling met de
bedrijfswereld is essentieel. De zogenaamde zij-instromers (mensen vanuit andere sectoren dan het
onderwijs) kunnen een boeiende verrijking zijn voor het onderwijs in Vlaanderen. Zij geven dan als
brugfiguur tussen onderwijs en bedrijfsleven gestalte aan een nauwere samenwerking praktijk en
theorie. Deze profielen worden maximaal ondersteund en aangemoedigd door een gelijkwaardige
verloning als reguliere leerkrachten.
• Het onderwijsbudget moet de volgende legislatuur beheersbaar blijven. Ook in onderwijs zal men in
de volgende legislatuur de tering naar de nering moeten zetten. Zeker wat betreft de capaciteitsuitbreiding moet er gezocht worden naar manieren om de scholenbouw zo min mogelijk te laten wegen
op het globale onderwijsbudget. Men kan hierbij gebruik maken van PPS-structuren of samen met de
bedrijfswereld zoeken naar manieren om minder meer uit te geven. Om de werkingskosten beheersbaar te houden moet er in de volgende legislatuur ook werk gemaakt worden van de bestuurlijke
schaalvergroting van schoolbesturen. Waar mogelijk kunnen fusies van kleinere scholen zorgen voor
een betere inzet van de middelen.
“Leren en werken op de bedrijfsvloer moet vanzelfsprekend worden.”
48
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
ONDERWIJS
49
Financiering om
groei te ondersteunen
< Vaststellingen
Groei op jaarbasis in %
Kredietverstrekking aan ondernemingen staat onder druk
Bron: NBB
Het spaarvermogen wordt voornamelijk
op korte termijn aangehouden
Traditioneel zijn het de banken die ondernemingen in Vlaanderen voorzien van vlotte
financiering om hun activiteiten en groeiplannen te realiseren: sinds het uitbreken van de
financieel-economische crisis in 2008 lijkt dit
echter minder evident.
Met hun winsten onder druk en de nog wat
sombere economische vooruitzichten, hebben ondernemingen het ook moeilijker om hun groei uit
eigen middelen te financieren en zijn banken wat
terughoudender. Bedrijven gaan daarom actief op
zoek naar alternatieve financieringsbronnen.
De economische en financiële crisis heeft het
vertrouwen van beleggers, bankiers en financiële markten aangetast. In plaats van ondernemingen te financieren, beleggen ze liever
in minder risicodragende projecten, met een
kortere looptijd en met meer zekerheden.
Door verscherpte regelgevende kaders (Basel-III,
Solvency-II) zullen de banken strengere, duurdere
voorwaarden opleggen.
Duizenden
Anderzijds blijft de hoeveelheid spaargeld die
de Belgen aanhouden, steeds verder toenemen,
maar dit is vooral op de korte termijn.
Wat het zogenaamde institutionele vermogen
betreft, blijft België worstelen met een enorme
achterstand.
Bron: NBB
Gereglementeerde spaardeposito’s
Zichtdeposito’s
In België kennen we dus een mismatch tussen
een enorm volume aan kortetermijnspaarvermogen en aanzienlijke langetermijnfinancieringsbehoeften vanuit de bankwereld, het
bedrijfsleven en de overheid.
Het komt er op aan dit spaarkapitaal beter te
mobiliseren in de richting van de langetermijnfinanciering.
> Analyse
Langetermijnsparen en -beleggen
Alternatieve financieringsinitiatieven
Vooreerst moet de spaarfiscaliteit aangepakt
worden door een harmonisatie van de fiscaliteit op roerende inkomsten.
De spaarfiscaliteit staat momenteel haaks op de
economische nood aan een meer stabiele langetermijnfinanciering. Banken en ondernemingen
hebben vooral behoefte aan een groter volume
middelen die ze met een langere looptijd kunnen
inzetten. De vrijstelling van roerende voorheffing op spaardeposito’s lokt te veel centen naar
kortetermijnspaarrekeningen en ontmoedigt
investeringen in aandelen of obligaties. Hoewel
deze spaarmassa een vrij stabiele en daarom
zeer belangrijke financieringsbron is voor de
banken, vindt dit geld vrij moeilijk de weg naar de
economie. Spaarders die bereid zijn wat risico’s
te nemen, betalen een roerende voorheffing van
25%, terwijl de spaarder die de veiligheid opzoekt
daar fiscaal voor beloond wordt en geen roerende
voorheffing betaalt. Het omgekeerde is nodig en
een gelijkschakeling van de fiscaliteit op roerende
inkomsten is een stap in de goede richting.
Als de klassieke aanbieders hun financiering
terugschroeven, kunnen we andere, zoals de
institutionele en private vermogens, mobiliseren om een voorname rol op te nemen in
de langetermijnfinanciering van de actieve
economie.
Tal van partijen broeden op voorstellen om een
grotere rol op te nemen in de verstrekking van
langetermijnfinanciering aan bedrijven. Zij zijn
ideaal geplaatst, want ze verzamelen middelen op
de lange termijn waarvoor ze investeringsopportuniteiten op de lange termijn zoeken. Er is nood
aan een pooling van middelen bij die vermogensbeheerders om aan risicospreiding te kunnen
doen en voldoende kritische investeringsvolume
te bekomen. Een ander alternatief vormt de
creatie van de bedrijfskasbon. Dit is een financieel
product dat belegt in bedrijfsobligaties van middelgrote bedrijven met een vaste vervaldag.
Door het verder uitbouwen van de derde pijler
van pensioensparen kan het volume aan institutioneel vermogen in België een flinke boost
krijgen.
Het fiscaal versterken van sparen via een individuele levensverzekering of het fiscaal gestimuleerde pensioensparen, biedt daartoe een ideale
optie en leidt tot een win-win. Enerzijds wordt de
burger aangezet om nu al wat meer centen te reserveren voor het eigen pensioen. Door anderzijds
de pensioenspaarfondsen te verplichten een aanzienlijk deel van hun activa aan te wenden voor de
financiering van lokale bedrijvigheid, bieden we
extra financieringsruimte voor de economie.
Kortom de overheid dient deze alternatieve
financieringsvormen een kans te geven. Niet
door zelf actief een rol in de financiering op te
nemen, maar wel door daarvoor eenvoudige,
transparante, maar tegelijk ook slimme regelgeving te voorzien.
Door de administratieve verplichtingen te verminderen om bijvoorbeeld naar de beurs te gaan,
een bedrijfsobligatie uit te geven, een private
plaatsing te doen, crowdfunding op te starten,...
Het prospectus moet enkel dienen voor een juiste
inschatting van het risico. Dit moet de drempel
verlagen voor bedrijven die van dergelijke financieringskanalen gebruik willen maken. >
Termijnrekeningen
“De spaarfiscaliteit staat haaks op
de nood aan een meer stabiele
langetermijnfinanciering.”
50
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
FINANCIERING
51
Financiering om
groei te ondersteunen
>Analyse (vervolg)
Bij de uitwerking van een nieuwe wetgeving
van de Belgische bancaire sector, moet de
omzetting van de Europese regels het uitgangspunt vormen en moet vermeden worden
nationale specificiteiten in te voeren.
Een gelijk speelveld waarin alle in Europa actieve
banken opereren, biedt de beste garantie op een
veiliger maar tegelijk ook rendabel bankenlandschap dat ten volle zijn rol als financier van de
economie kan invullen. Voor onze bedrijven is het
belangrijk dat Vlaanderen gezonde banken telt
die een breed spectrum aan financiële producten
kunnen aanbieden. Door in België te restrictief te
zijn rond de activiteiten die onze banken nog kunnen ondernemen, dreigt men de Belgische banken
te benadelen ten opzichte van hun buitenlandse
concurrenten.
Extra verankeringsmogelijkheden
Het moet voor ondernemingen mogelijk zijn
om investeerders die zich voor lange termijn
willen binden, extra te belonen.
Ondernemers zijn nogal terughoudend om hun
kapitaal open te stellen voor externe partners,
onder meer uit vrees dat die slechts met oog op
een snelle rendementsmaximalisatie aan boord
willen komen of uit schrik om de greep over de
onderneming te verliezen. Het is echter jammer
als het behouden van controle automatisch zou
betekenen dat de groeiambities van de onderneming afgeremd worden. Daarom moet de waaier
aan vennootschapsrechtelijke instrumenten
die het behoud van controle én de inbreng van
extern kapitaal met mekaar verzoenen, uitgebreid
worden. Omgekeerd is er behoefte aan positieve
regelgeving die private vermogens overtuigt en
aanmoedigt om hun vermogen te investeren in de
financiering van dergelijke groeibedrijven.
Herijk de overheidsinvesteringen
>> Voorstellen
>> VLAAMS
• De Vlaamse regering voert een onafhankelijke en diepgaande doorlichting uit van de wirwar aan
overheidsiniatieven betrokken bij de financiering van de actieve economie. Ondoelmatige initiatieven worden stopgezet, overlappingen worden weggewerkt.
In die segmenten waar de private financieringsmarkt niet of te weinig werkt, kan de
overheid een meerwaarde betekenen door zelf
actief deel te nemen aan de financiering van
ondernemingen.
De overheidsinbreng kan een ondernemer door
de moeilijke opstart- en groeifasen heen helpen of
het kan private marktpartijen overtuigen om een
beloftevolle onderneming toch van voldoende financiering te voorzien. De overheid heeft verschillende initiatieven opgezet om zelf rechtstreeks
ondernemingen te financieren. Ondertussen is
de waaier aan publieke investeringsfondsen en
-instrumenten sterk uitgebreid, waardoor die
eigenlijk onoverzichtelijk en ondoorzichtig is
geworden. Bovendien is het niet meer duidelijk of
die overheidsinitiatieven nog wel echt die leemte
vullen en die behoefte beantwoorden waarvoor ze
ooit werden opgericht. Bijgevolg is de tijd rijp om
het overheidsinstrumentarium grondig te inspecteren en terug te plooien op die domeinen waar
de overheid een complementaire rol opneemt en
zeker niet marktverstorend werkt.
• De activiteiten van het Participatiefonds, die in het kader van de zesde staatshervorming worden
overgeheveld, worden maximaal binnen bestaande structuren ingebed.
• Het directe overheidsoptreden in de financiering van ondernemingen focust op die noden waar de
private markt te kort schiet, namelijk het verschaffen van financiering in de moeilijkste fase (zaaikapitaal) en op het verschaffen van waarborgen ter ondersteuning van kleinere ondernemingen met
ambitieuze groeiplannen.
>> FEDERAAL
• De ongelijke fiscale behandeling van roerende inkomsten, in bijzonder van lange termijnbeleggingen
in aandelen, obligaties, kasbons,... wordt weggewerkt door de fiscale vrijgestelde som aan roerende
inkomsten (eerste inkomstenschijf tot 1.880 euro) uit te breiden tot andere roerende inkomsten,
zoals uit aandelen, obligaties, kasbons, termijnrekeningen.
• Particulieren worden verder aangemoedigd om te investeren in de eigen pensioenvorming via de
derde pensioenpijler. Voorzie daarom extra financiële stimulansen.
• Ondernemingen krijgen de mogelijkheid om stabiele en trouwe aandeelhouders een loyauteitsbonus
toe te kennen. In de Vennootschappenwet wordt daartoe de optie opgenomen om bepaalde aandeelhouders een meervoudig stemrecht of een extra dividend toe te kennen.
• De overheid ondersteunt en stimuleert private initiatieven die een aanvulling vormen op de klassieke bankfinanciering van ondernemingen:
- De publieke en private plaatsing van effecten uitgegeven door ‘midcaps’ en kmo’s
- De creatie van een markt voor langetermijnbedrijfskredieten in de vorm van verhandelbare
bedrijfskasbons voor institutionelen en particulieren
- De heropleving van een lokale, nabije beursmarkt voor financiële instrumenten van lokale,
kleinere ondernemingen, steunend op lokale financiële expertise
• De pensioenfondsen die geld ophalen in het kader van de derde pijler, worden opnieuw verplicht een
significant aandeel van hun middelen te investeren in bedrijven.
>> EUROPEES
• Het toepassingsgebied van de Solvency II-bepalingen wordt beperkt. Zo blijven de pensioenfondsen
vrijgesteld en zullen de restrictieve bedingen voor de verzekeringsmaatschappijen worden herbekeken. Zo kunnen deze vermogensbeheerders een voornamere rol opnemen in de financiering van de
actieve economie.
• België steunt volop de initiatieven van de Europese Commissie om een level playing field te garanderen dat geldt voor alle banken actief in de Europese Unie.
“Er is behoefte aan stimuli die private vermogens
aanmoedigen om te investeren in groeibedrijven.”
52
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
FINANCIERING
53
Omkaderend
en stimulerend
Europees beleid
> Analyse
Verdieping monetaire unie
Verdieping interne markt
Concurrentieel industriebeleid
Een doortastende verdieping van de monetaire
en economische unie is noodzakelijk om het
vertrouwen in de euro te herstellen.
Daarom moet de unie, vooral voor de eurolanden,
meer politieke slagkracht krijgen. Tijdens de komende legislatuur zullen nog meer stappen gezet
moeten worden in de richting van een begrotingsunie. Het toezichtsmechanisme van het Europese
Semester moet de coördinatie van het monetair
en budgettair beleid verder verbeteren. Er is
namelijk een verscherpt Europees toezicht nodig
op het sociaal-economisch beleid van de lidstaten.
De EU2020 doelstellingen, waaronder de ondersteuning van de groei, de concurrentiekracht en
de innovatiedynamiek, dienen hierbij als leidraad
voor de nationale hervormingen. Enerzijds moet
er voldoende autonomie worden gelaten aan de
lidstaten en hun regio’s voor een beleid op maat
van hun specifieke behoeften. Anderzijds mag dit
geen macro-economische onevenwichten met zich
meebrengen die de eurozone in gevaar zouden
brengen. Verder dient de bankenunie met een versterking van het bancaire toezicht, inclusief een
Europees resolutiefonds voor bankreddingen, te
worden geïmplementeerd. Hierdoor wordt er niet
alleen gebroken met het verleden, maar kan worden vermeden dat eventuele toekomstige financiële crisissen nog overslaan naar overheden en zo
globale budgettaire crisissen veroorzaken. Een
gezonde bankensector kan er immers voor zorgen
dat het financieel systeem stabiel blijft mits het
juiste evenwicht tussen voldoende passende
kapitaalregels enerzijds en de nodige ademruimte
voor de reële economie anderzijds.
Een verdieping van de interne markt dringt
zich op omdat bedrijven nog steeds belemmeringen ondervinden, terwijl het vrij verkeer
van personen, goederen en kapitaal zou moeten gelden.
Dit is te wijten aan vaak uiteenlopende implementaties door de lidstaten van Europese regelgeving
of het behoud of de invoering van nationale bepalingen. In het streven van Europa naar een level
playing field dienen de flexibiliteitsmechanismen
in de Europese Richtlijnen te worden beperkt. De
praktijk toont immers aan dat net deze flexibiliteit erg ongelijk in de lidstaten wordt gehanteerd
hetgeen een uniforme invoering tegenwerkt. Zo
ontstaat er versnippering met het verschijnsel van
‘gold plating’ dat bedrijven benadeelt, onder meer
op het vlak van milieu en arbeidsmarktbeleid. Die
hinderpalen moeten in de komende jaren worden
weggewerkt. Een volwaardig interne markt kan
alleen maar gerealiseerd worden aan de hand van
eenduidige Europese regels met uniforme toepassing ervan door de lidstaten. Dit impliceert onder
meer een correcte implementatie van de dienstenrichtlijn en de realisatie van het trans-Europese infrastructuurnetwerken (TEN-T). Tegelijk
moet de Europese Commissie erop toezien dat de
spelregels voor het vrij verkeer in de hele unie
correct en tijdig worden nageleefd om concurrentievervalsing te vermijden. Daarnaast moet
de EU verder werk maken van de wetgevende en
administratieve vereenvoudiging.
Een concurrentieel industriebeleid is noodzakelijk wil de EU een rol blijven spelen op
mondiaal niveau.
De Europese Unie zal hiervoor de komende jaren
moeten inzetten op de uitwerking en implementatie van een concurrentieel industriebeleid.
De EU staat voor de moeilijke opgave om een
duurzaam economisch beleid uit te stippelen dat
gepaard gaat met het behoud of de versterking
van de Europese industrie. Dit betekent dat ze de
ondernemingskosten – zoals energie- en transportkosten – moet beheersen om de Europese
industrie concurrentieel te houden met andere
leidende en opkomende economieën. Tevens moet
de EU bijdragen tot de nodige investeringen in onderzoek en innovatie en de bedrijven hierin actief
betrekken, onder andere doorheen Horizon 2020.
Het Europese Eenheidsoctrooi, dat in 2015 wordt
geïntroduceerd, kan bedrijven aanmoedigen te
innoveren en hun patenten aan een minimale kost
aan te vragen met een maximale bescherming.
Bovendien kan de realisatie van een geïntegreerde
interne energiemarkt met competitieve prijzen
niet langer op zich laten wachten. Daarnaast
moet de EU haar handelsbeleid voortzetten en het
potentieel van de vrijhandels- en investeringsakkoorden met strategische handelspartners
maximaal benutten.
“De Europese Unie moet meer
politieke slagkracht krijgen.”
54
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
EUROPA
55
>> Voorstellen
>> VERSTERKTE EUROPESE MONETAIRE UNIE
• De eurocrisis heeft de noodzaak voor meer politiek Europa blootgelegd. Door een verdere
versterking van de begrotingsunie kan de Europese Unie ook politieke slagkracht krijgen.
• België steunt volop de initiatieven van de Europese Commissie om een level playing field te garanderen dat geldt voor alle banken actief in de Europese Unie. Een gezonde bankensector kan er immers
voor zorgen dat het financieel systeem stabiel blijft en vermijden dat toekomstige financiële crisissen overslaan naar overheden.
>> VERDIEPING INTERNE MARKT
• De dienstenrichtlijn heeft als opzet het potentieel van de interne markt volop te benutten. Daarom
pleiten wij voor een correcte implementatie van de dienstenrichtlijn door alle lidstaten om de huidige wettelijke en administratieve belemmeringen weg te werken.
• België houdt geografisch een sleutelpositie in binnen de Europese Unie. Daarom komt ons land
in aanmerking voor een aantal belangrijke projecten van trans-Europese infrastructuurnetwerken
(TEN-T). Bij de realisatie van zulk TEN-T-projecten moeten de bedrijven voldoende betrokken worden.
>> EEN SOEPELE ARBEIDSMARKT
• We zijn reeds het land met de meeste bijkomende regels voor herstructureringen. Nieuwe Europese
initiatieven met nog strengere maatregelen, met langere en duurdere processen voor herstructureringen, moeten worden vermeden.
>> NAAR EEN COMPETITIEF ENERGIEBELEID
• Er komt een betere afstemming van het energie- en klimaatbeleid, waarbij rekening gehouden wordt
met de impact op de concurrentiekracht van ondernemingen en de bevoorradingszekerheid.
• Er wordt een interne energiemarkt ingevoerd: het energiebeleid van de verschillende lidstaten en de
economische randvoorwaarden opgelegd aan energiebedrijven worden geharmoniseerd om tot een
meer concurrentiële en efficiënte markt te komen.
>> RESOLUUT INVESTEREN IN INNOVATIE
• De Europese Commissie waakt er over dat industriële participatie aan Horizon 2020 permanente
aandacht krijgt en zorgt voor bijsturing zodra bedrijven onvoldoende participeren.
• De Europese beleidsmakers moeten alles in het werk stellen opdat het Europese Eenheidsoctrooi, zo
snel mogelijk en aan minimale kosten en met maximale bescherming kan worden aangevraagd.
>> FINANCIERING OM GROEI TE ONDERSTEUNEN
• Het toepassingsgebied van de Solvency II-bepalingen wordt beperkt. Zo blijven de pensioenfondsen
vrijgesteld en zullen de restrictieve bedingen voor de verzekeringsmaatschappijen worden herbekeken. Zo kunnen deze vermogensbeheerders een voornamere rol opnemen in de financiering van de
actieve economie.
56
VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014
Colofon
Voka-kenniscentrum
Niko Demeester, secretaris-generaal
Eric Vermeylen, directeur
Stijn Decock, hoofdeconoom
Sonja Teughels, adviseur arbeidsmarkt en sociaal overleg
Marianne Houman, adviseur EU-beleid
Gianni Duvillier, adviseur sociale zekerheid en loon- en arbeidsvoorwaarden
Manou Doutrepont, adviseur sociaal overleg
Tom Demeyer, adviseur onderwijs
Vincent Thoen, adviseur innovatie en economische groeikracht
Goedele Sannen, adviseur mobiliteit en logistiek
Tine Deheegher, adviseur energie en milieu
Steven Betz, adviseur ruimtelijke ordening en milieu
Jan Van Doren, adviseur regionale economie, staatshervorming en Brussel
Karl Collaerts, adviseur fiscaliteit en efficiënte overheid
Pieter Van Herck, adviseur welzijns- en gezondheidsbeleid
Eindredactie
Bregt Timmerman, Sandy Panis
Creatie
AHAMACHINE
Beelden Expeditie Groei
Shutterstock
Druk
Goekint Graphics, Oostende
Verantwoordelijke uitgever
Jo Libeer, i.o.v. VEVIA vzw
Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel
tel. +32 2 229 81 11
[email protected]
www.voka.be
Dit is een brochure van Voka, Vlaams netwerk van ondernemingen.
De overname of het citeren van tekst uit deze uitgave wordt aangemoedigd, mits bronvermelding.
Februari 2014
Wettelijk depot: D / 2014 / 0369 / 01
Expeditie Groei
De uitdagingen zijn groot.
Maar dit scharniermoment biedt kansen om ze aan te pakken.
www.tweeprocent.be