GEEF JE VOOR DE VOLLE 2 % Voka MEMORANDUM Prioriteiten voor de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen 2014 Inhoud Intro 1 De essentie 3 Executive summary 4 Prioriteiten per thema: Naar een efficiënte overheid12 Lastenverlagingen voor meer dynamiek 16 Een arbeidsmarkt die werken stimuleert 20 Sociale bescherming: van dreiging naar kans 24 Naar een competitief energiebeleid28 Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren 32 Ruimte om te ondernemen36 Resoluut investeren in innovatie42 Onderwijs voor competitief talent46 Financiering om groei te ondersteunen50 Omkaderend en stimulerend Europees beleid 54 Intro Scharniermomenten zijn beslissende tijden, waarin kansen gegrepen of gemist worden. Als een individu, bedrijf, samenleving erin slaagt die kansen te grijpen, volgt een periode van doorbraken en vooruitgang. Zoniet, dan volgen impasse en achteruitgang. We staan nu op zo’n scharniermoment in ons land, zowel economisch als politiek. Onze economie kan zich nu herpakken of nog jaren in trage economische groei blijven hangen. We moeten nu de kans grijpen om onze groei duurzaam tot 2% te herstellen, zodat we meer jobs en inkomens creëren en iedereen het beter heeft. Alleen zo kunnen we ook de oplopende factuur van de vergrijzing voor onze welvaartsstaat betalen en de armoede terugdringen. De ondernemingen willen alvast hun steentje bijdragen: in het bijzonder de stille kampioenen, Vlaamse ondernemingen die doorgroeien tot wereldleider in hun markt, zullen pakken jobs en welvaart creëren. Onze politiek krijgt met de samenvallende Vlaamse, federale en Europese verkiezingen nu een kans om gedurende 5 jaar aan volgehouden, performant beleid te doen. De verkiezingskoorts, de drang naar kortetermijnsucces voor de volgende verkiezingen, kan even de kast in. Bovendien wordt een belangrijke communautaire vooruitgang realiteit met de uitvoering van de zesde staatshervorming, zodat de politiek zich kan focussen op sociaal-economische doorbraken. INTRO We moeten nu de kans grijpen om die doorbraken politiek vorm te geven en niet te verzanden in immobilisme of blokkering. De volgende Vlaamse en federale regeringen moeten nu het overheidsbudget en de economische randvoorwaarden in een goede plooi leggen, teneinde de economische dynamiek en de welvaartsstaat veilig te stellen. We zijn ons ervan bewust dat de uitdagingen groot zijn, maar het is juist in dit scharniermoment dat de kansen zich voordoen om die uitdagingen ten gronde aan te pakken. Daarom heeft Voka zijn Groeipact voorgesteld, waarbij elke actor in de maatschappij zijn verantwoordelijkheid opneemt om de geboden kansen effectief te benutten. Ons Groeipact is nu vertaald in een coherente set van voorstellen in dit Voka-verkiezingsmemorandum. Als burgers, bedrijven en overheden de handen in elkaar slaan en elk zijn deel doet om deze voorstellen te realiseren, zullen we erin slagen de kansen volop te grijpen en onze samenleving en welvaartsstaat vooruit te krijgen. Laten we samen gaan voor de volle 2%! Jo Libeer, Gedelegeerd bestuurder Michel Delbaere, Voorzitter 1 De essentie Tijdens de volgende legislatuur zullen twee belangrijke doelstellingen tegelijkertijd moeten worden gerealiseerd: zowel de begroting van elke overheid op orde brengen als de competitiviteit van de ondernemingen herstellen. Lastenverhogingen zijn hierbij geen optie, aangezien we al de hoogste lastendruk van de eurozone hebben. Het is dus een grote uitdaging, die volgehouden inspanningen en maatschappelijke keuzes zal vragen. Maar het is én noodzakelijk én haalbaar dat de politiek die beide doelstellingen tegelijk haalt. Het is noodzakelijk omdat alleen zo 2% groei duurzaam kan worden gerealiseerd, waardoor de welvaartsstaat betaalbaar blijft. Omdat alleen zo de Europese engagementen inzake houdbare overheidsfinanciën gecombineerd kunnen worden met het behoud van de sociale zekerheid. Het is haalbaar omdat meer ondernemingen kunnen uitgroeien tot stille kampioenen. Omdat elke overheid van ons land meer waar voor zijn geld kan leveren. Expeditie Groei Die doorgroei van stille kampioenen en die efficiëntiewinst van meer performante overheden kunnen worden waargemaakt, indien de volgende Vlaamse en federale regeringen de noodzakelijke hervormingen doorvoeren op drie terreinen: We staan voor een grote uitdaging, die volgehouden inspanningen en maatschappelijke keuzes zal vragen. • Investeren en stimuleren - Belangrijkste Voka-voorstel: 150 miljoen euro jaarlijks extra investeren in mobiliteitsinfrastructuur • Efficiëntere overheid - Belangrijkste Voka-voorstel: uitgaven van elke overheid mogen maximaal 1% stijgen - Belangrijkste Voka-voorstel: verlaging werkgeversbijdragen met 8,9 miljard euro - Belangrijkste Voka-voorstel: verhoging belastingvrije som met 1.800 euro • Sociaal-economische doorbraken - Belangrijkste Voka-voorstel: competitieve energietarieven Ook voor Europa is groei alleen haalbaar met een combinatie van gezonde overheidsfinanciën, diepgaande structurele hervormingen en gerichte investeringen. Op Europees niveau liggen de prioriteiten daarom op twee domeinen. Ten eerste moeten de instrumenten van Europese integratie en economisch bestuur versterkt worden, zodat de Europese economie schokbestendiger voor crisissen wordt. Ten tweede moeten een aantal gerichte initiatieven worden genomen om het groeipotentieel van de Europese economie te vergroten. • Versterking Europese integratie - Belangrijkste Voka-voorstel: invoering bankenunie • Versterking Europese groei - Belangrijkste Voka-voorstel: invoering interne energiemarkt 2 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 DE ESSENTIE 3 Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam te vergroten, moet er meer geïnvesteerd worden. De overheid moet dit ondersteunen door zelf meer economisch productieve investeringen te doen en door investeringen van ondernemingen te stimuleren. Voor de economisch productieve investeringen is vooral de Vlaamse overheid bevoegd. Zij moet in de volgende legislatuur: • Minstens 150 miljoen euro per jaar extra voorzien om onze achterstand inzake mobiliteitsinfrastructuur te halveren. Hiermee kunnen de belangrijkste knelpunten inzake weg-, water-, spoor- en luchtvervoer eindelijk worden aangepakt. Alleen zo kunnen we de logistieke draaischijf van Europa blijven. • Minstens 150 miljoen euro per jaar extra voorzien om onze achterstand qua publieke investeringen in O&O weg te werken. Om die investeringen maximaal te laten renderen, moet er wel zwaar gesnoeid worden in de huidige versnipperde innovatie-instrumenten en -structuren van de Vlaamse overheid. De investeringen stimuleren kan door de volgende maatregelen: • Elke overheid moet binnen zijn bevoegdheden bijdragen tot een algemeen gunstig investeringsklimaat. Dit impliceert redelijke vergunningstermijnen, voorspelbare en stabiele regelgeving, rechtszekerheid en een correcte handhaving. Risico nemen en kapitaal investeren moet aangemoedigd worden en er mag niet worden teruggekomen op fiscale en juridische afspraken terzake. • De Vlaamse overheid moet haar planningsen vergunningsprocedures vereenvoudigen, versnellen en het algemeen belang meer laten primeren bij investeringsbeslissingen. • Zij moet ook zo snel mogelijk de recent ingevoerde omgevingsvergunning volledig op het terrein implementeren. • De federale overheid moet voldoende stimuli voorzien om spaargeld ter beschikking te kunnen stellen om investeringen van groeiondernemingen te financieren: daartoe moet onder meer de huidige vrijstelling inzake roerende voorheffing van het spaarboekje worden uitgebreid naar instrumenten van langetermijn sparen zoals onder meer kasbons, obligaties en aandelen. Op Europees vlak kan er complementair worden gewerkt: • De bankenunie dient gerealiseerd te worden met het oog op het economisch herstel door voldoende passende kapitaalregels in te voeren zonder de financiering van de reële economie in het gedrang te brengen. • Europa dient te zorgen voor een goed investeringsklimaat, dat het nodige vertrouwen biedt voor grote projecten, zoals de realisatie van trans-Europese infrastructuurnetwerken. • Het nieuwe Europese onderzoeks- en innovatieprogramma, Horizon 2020, moet een grote betrokkenheid van bedrijven in innovatieve projecten voorzien. 2. Efficiëntere overheid Onze waar-voor-je-geld-index toont aan dat alle overheden samen in ons land een redelijk niveau van diensten leveren. Waar het schoentje wringt, is het feit dat die overheden heel veel geld nodig hebben, we hebben de hoogste lastendruk in de eurozone. Lastenverhoging is dus absoluut geen optie, het komt erop aan met minder belastinggeld dezelfde of zelfs een betere dienstverlening te realiseren. Elke lokale, regionale of federale overheidsdienst moet daartoe drastisch zijn efficiëntie verhogen: meer doen met minder extra geld. Die efficiëntieverhoging is ook dringend noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de Europese engagementen inzake houdbare overheidsfinanciën. Tegen 2019 moet daarvoor de groei van de overheidsuitgaven met 10 miljard euro afgeremd worden. Tegelijk moet de federale overheid een lastenverlaging doorvoeren ten belope van 11 miljard euro om de competitiviteit van onze economie te herstellen: • Een halvering van de loonkostenhandicap door een lineaire verlaging van de werkgeversbijdragen in de privésector tot 22%. • Een koopkrachtinjectie voor iedereen door de belastingvrije som te verhogen met 1.800 euro. Deze lastenverlagingen, investeringen en minderuitgaven vereisen een volgehouden, consistente inspanning van alle overheden in ons land om de groei van hun gezamenlijke primaire uitgaven (= overheidsuitgaven excl. rentelasten) jaarlijks met 4 à 4,5 miljard af te remmen. In totaal moet dit, over alle overheden samen, 21 miljard meeruitgaven vermijden tijdens de komende 5 jaar. “Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam te vergroten, moet de overheid meer investeren.” Dit lijkt een enorme inspanning, maar dat kan perfect gehaald worden als elke overheid in dit land zijn primaire uitgaven maximaal met 1% nominaal per jaar laat toenemen. 4 EXECUTIVE SUMMARY VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Uitgavengroei jaarlijks 4 à 4,5 miljard afremmen Afremmen uitgavengroei voor groeiplan Voka Miljarden 1. Investeren en stimuleren Afremmen uitgavengroei voor EU-engagementen begroting Bron: eigen berekeningen op basis van NBB, Federaal Planbureau Dit kan door de jaarlijkse groei van de overheidsuitgaven te beperken tot 1% + 3,2% 10 miljard EU-engagementen begroting + 2,3% Miljarden Executive summary 11 miljard Voka-groeiplan + 1% Evolutie primaire uitgaven bij ongewijzigd beleid Evolutie primaire uitgaven EU-engagementen begroting Evolutie primaire uitgaven Voka-groeiplan Bron: eigen berekeningen op basis van NBB, Federaal Planbureau 5 “De overheid moet kosten reduceren en mensen en ondernemingen weerbaarder maken.” 2. Efficiëntere overheid (vervolg) Een dergelijke bescheiden toename van de overheidsuitgaven waarmaken, is nog altijd een veel kleinere opgave dan de inspanningen die ondernemingen continu realiseren, waarbij de uitgaven ook in absoluut niveau afnemen. Het is dus haalbaar voor onze overheden om hun uitgavengroei in die mate te beteugelen, op voorwaarde dat zij: • nieuwe modellen van publieke dienstverlening en ondersteuning ontwikkelen, zodat eindelijk effectief ingegrepen wordt op de mechanismen die de overheidsuitgaven continu en onhoudbaar verhogen; • het evenwicht herstellen tussen het recht op publieke diensten/uitkeringen en de plicht tot bijdrage daaraan door een aantal maatschappelijke keuzes te durven maken. Voor de Vlaamse overheid impliceert dit onder andere dat zij over een periode van 5 jaar: • de uitgavengroei van onderwijs en welzijn moet verminderen met 2,5 miljard euro, onder andere door de kinderbijslag en ouderenzorg marktgericht en effectiever te maken; • de woonbonus & dienstencheques budgettair houdbaar maakt, zonder de waarde van die beleidsinstrumenten aan te tasten; • de uitgavengroei van de Vlaamse lokale besturen met 1,8 miljard vermindert via een dwingend kader. Voor de federale overheid impliceert dit onder andere dat zij over een periode van 5 jaar: • de uitgavengroei van de sociale zekerheid met 10 miljard vermindert, onder andere door de uitgavenstijging voor pensioenen en inactiviteit te temperen door rechten en plichten weer in evenwicht te brengen en door de meeruitgaven voor gezondheidszorg af te remmen. De federale en Vlaamse overheid moeten samen ook een snelle en ordentelijke overdracht regelen van de bevoegdheden en middelen die overkomen in het kader van de zesde staatshervorming. De Vlaamse overheid moet zich goed organiseren om zo snel mogelijk een eigen, efficiëntere invulling te geven aan die nieuwe bevoegdheden. Op Europees vlak moet het begrotingskader voor houdbare overheidsfinanciën strikt worden uitgewerkt, opgevolgd en afgedwongen: • Het Europees Semester voert de nodige controle op de budgettaire en economische toestand van de 28 lidstaten. Het economisch bestuur moet echter verder versterkt worden door een verscherpt Europees toezicht op het sociaal-economisch beleid van de lidstaten. 3. Sociaal-economische doorbraken Om het groeipotentieel van onze economie duurzaam te verhogen tot 2% moeten de Vlaamse en federale overheid, en waar relevant de sociale partners, ten slotte ook een aantal sociaal-economische doorbraken realiseren. Die doorbraken betreffen zowel kosten reduceren als onze mensen en ondernemingen meer weerbaar en productief maken. Onze groei realiseren we vooral via de export en die export wordt gerealiseerd door de industrie in brede zin. De industrie kan zich in ons land enkel blijven ontwikkelen indien het energieen milieubeleid opnieuw competitief wordt. Dat is dringend noodzakelijk, onder meer omdat de huidige ondersteuning van groene stroom en WKK de energiekosten voor onze bedrijven en burgers onhoudbaar doet oplopen. Daartoe moet de Vlaamse overheid: • enkel nog net-gerelateerde kosten doorrekenen in de distributienettarieven; andere kosten moeten verhaald worden via de algemene middelen; • enkel nog de investeringen inzake groene stroom en warmtekrachtkoppeling ondersteunen, de productie zelf niet; • milieunormen hanteren die niet verder gaan dan de reeds ambitieuze Europese verplichtingen. Daartoe moet de federale overheid: • in samenwerking met de Vlaamse overheid een energienorm invoeren die onze energiekostenhandicap ten opzichte van onze handelspartners wegwerkt; • de globale kost voor ondersteuning van offshorestroomproductie substantieel verlagen. “Elke lokale, regionale of federale overheid moet drastisch zijn efficiëntie verhogen: meer doen met minder extra geld.” 6 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 De komende 5 jaar moeten er in België circa 560.000 gepensioneerde werknemers vervangen worden. Daarnaast zullen er circa 165.000 jobs bijkomen in de privéondernemingen als we 2% groei kunnen realiseren. We zullen dus alle handen kunnen gebruiken die er zijn, om samen die EXECUTIVE SUMMARY groei waar te maken. Onze arbeidsmarkt zal wel heel wat efficiënter moeten werken dan vandaag om de beschikbare arbeidsreserve naar die jobs toe te kunnen leiden. Daartoe moet de Vlaamse overheid: • het doelgroepenbeleid radicaal hervormen en richten op doorstroming naar reguliere privéjobs; • de hervorming secundair onderwijs eindelijk op het terrein doorvoeren, inclusief een actualisering van de lerarenloopbaan en -opleiding; • duaal werken en leren als volwaardige onderwijsvorm invoeren. Daartoe moet de federale overheid: • de automatische loonindexering en de baremieke verhogingen afschaffen, zodat de verloning in functie van de productiviteit en de competentie kan evolueren en jobs zichzelf niet langer de markt uitprijzen; • werken aanmoedigen en niet-werken ontmoedigen door rechten inzake pensioen en verlofstelsels veel meer te laten opbouwen in functie van bijdragen en effectief gewerkte periodes. De Europese Unie kan een heel aantal initiatieven ontplooien om het groeipotentieel van onze economie te verhogen. De belangrijkste instrumenten daarvoor zijn: • de invoering van een interne energiemarkt zodat de Europese industrie competitiever wordt in het kader van een nieuw industriebeleid; • het ten volle benutten van het potentieel van de interne markt door het verder wegwerken van belemmeringen onder het toezicht van de Europese Commissie; • het voeren van een stimulerend handelsbeleid door het potentieel van de afgesloten investerings- en vrijhandelsakkoorden ten volle te benutten. 7 >> Prioriteiten >> VLAAMSE PRIORITEITEN >> FEDERALE PRIORITEITEN • Extra investeren in economie: • Lastenverlaging 11 miljard doorvoeren: - Halveren infrastructuurachterstand door 150 miljoen euro jaarlijks extra te investeren in mobiliteitsinfrastructuur - Wegwerken onderzoeksachterstand door 150 miljoen euro jaarlijks extra te voorzien voor innovatie & rationalisering innovatie-instrumenten doorvoeren • Nieuwe bevoegdheden optimaliseren: - Doelgroepenbeleid en vorming efficiënter maken - Kinderbijslag en ouderenzorg marktgericht en effectiever maken - Woonbonus & dienstencheques houdbaar maken • Uitgavennorm 1% realiseren: - 2,5 miljard meeruitgaven vermijden in onderwijs en welzijn - 1,8 miljard meeruitgaven vermijden bij Vlaamse lokale besturen - Geen enkele fiscale of parafiscale lastenverhoging doorvoeren • Competitieve energiekosten: - Enkel net-gerelateerde kosten in de distributienettarieven - Herziening beleid ondersteuning groene stroom en warmtekrachtkoppeling (WKK) - Invoeren van een energienorm • Ruimte om te ondernemen: - Missing links wegen, water en spoor invullen - Plannings- en vergunningsprocedures vereenvoudigen, versnellen en algemeen belang laten primeren - Omgevingsvergunning implementeren - Competitief milieubeleid voeren • Onderwijs voor competitief talent: - Hervorming secundair onderwijs doorvoeren, incl. lerarenloopbaan en -opleiding - Duaal werken en leren als volwaardige onderwijsvorm invoeren - Halvering loonkostenhandicap door lineaire verlaging werkgeversbijdragen tot 22% - Koopkrachtinjectie door verhoging belastingvrije som met 1.800 euro - Geen enkele fiscale of parafiscale lastenverhoging doorvoeren • Uitgavennorm 1% realiseren: - Uitgavennorm invoeren voor elke overheid – primaire uitgaven van elke overheid mogen jaarlijks hoogstens 1% nominaal toenemen - 10 miljard meeruitgaven vermijden in sociale zekerheid • Arbeidsmarkt moderniseren: - Verlonen volgens productiviteit in plaats van index en barema - Rechten en plichten inzake sociale zekerheid meer in balans • Competitieve energiekosten: - Invoeren van een energienorm - Globale offshore-kost verlagen • Financiering om groei te ondersteunen: - Vrijstelling spaarboekje uitbreiden naar langetermijnsparen >> EUROPESE PRIORITEITEN • Versterkte Europese monetaire unie: - Versterking begrotingsunie - Invoering bankenunie • Verdieping interne markt: - Correcte implementatie van de dienstenrichtlijn - Realiseren trans-Europese infrastructuurnetwerken • Concurrentieel industriebeleid: - Invoeren interne energiemarkt - Investeren in marktgedreven onderzoek en innovatieprojecten - Stimulerend handelsbeleid 8 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 EXECUTIVE SUMMARY 9 Prioriteiten per thema Naar een efficiënte overheid12 Lastenverlagingen voor meer dynamiek 16 Een arbeidsmarkt die werken stimuleert Sociale bescherming: van dreiging naar kans Expeditie Groei 20 24 Naar een competitief energiebeleid28 Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren 32 Als een individu, bedrijf, samenleving erin slaagt kansen te grijpen, volgt een periode van doorbraken en vooruitgang. Ruimte om te ondernemen36 Resoluut investeren in innovatie42 Onderwijs voor competitief talent46 Financiering om groei te ondersteunen 50 Omkaderend en stimulerend Europees beleid 10 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 THEMA’S 54 11 Naar een efficiënte overheid < Vaststellingen ‘Waar-voor-je-geld’-index in % Onze overheden bieden weinig waar voor ons geld De overheid ziet zich de komende jaren voor aanzienlijke budgettaire uitdagingen gesteld. Om de houdbaarheid van onze openbare financiën in de toekomst te garanderen, zoals afgesproken met de Europese Unie, is een inspanning van minstens 10 miljard euro nodig tijdens de volgende legislatuur. Dit is nodig om onze welvaartsstaat ook in de toekomst betaalbaar te houden. We gaan er bovendien van uit dat de regeringen hun begrotingsdoelstellingen in 2014 effectief zullen realiseren: indien dit niet het geval is, zal de budgettaire inspanning nog groter zijn. Bovendien levert onze overheid te weinig waar voor het belastinggeld. Hoewel we meer belastingen betalen dan zowat alle Scandinavische landen, levert de overheid toch slechts een gemiddelde dienstverlening op verschillende domeinen. Bron: Voka, 2013 Fiscale en parafiscale druk hoogste van de eurozone 45,3 Een verdere verhoging van de globale fiscale en parafiscale druk is absoluut geen optie. Immers, we bekleden op dit vlak met 45,3% bbp in 2012 al de eerste plaats in de eurozone, samen met Frankrijk. De Europese Commissie voorziet tegen 2015 bij ongewijzigd beleid zelfs een verdere stijging van de fiscale en parafiscale druk tot 46% bbp. In % bbp Er is dus nood aan een drastische reële lastenverlaging om jobs en dus welvaart te vrijwaren en te creëren. Geen vestzak-broekzakoperatie. Dat betekent dus dat we de groei van de overheidsuitgaven moeten afremmen om het budgettaire plaatje rond te krijgen zonder onze reeds torenhoge schuld verder te verhogen. Bron: OECD Revenue Statistics, 2013 12 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 > Analyse Tering naar de nering Maatschappelijke keuzes Elke overheid moet de volgende jaren de tering naar de nering zetten. Daartoe moet de uitgavengroei onder controle gehouden worden. Bij ongewijzigd beleid bedraagt die volgens het Federaal Planbureau naar schatting 3,2 procent per jaar. Door die uitgavengroei te beperken tot gemiddeld 2,3 procent per jaar vermijden we in de volgende legislatuur ongeveer 10 miljard meeruitgaven, waarmee we al voldoen aan de Europese engagementen. Hierbij gaan we er van uit dat de verschillende overheden hun begrotingsdoelstellingen in 2014 effectief realiseren, conform de gemaakte afspraken met de Europese Unie, zoniet moet de uitgavengroei sterker afgeremd worden. Meer dan ooit is er dus nood aan het maken van maatschappelijke keuzes en het ontwikkelen van nieuwe modellen voor efficiënte verlening van publieke diensten. In de afgelopen jaren zijn via de kaasschaafmethode besparingen gerealiseerd. Daar is niets mis mee, omdat ook bij de overheid productiviteitsstijgingen mogelijk zijn. Die moeten nu echter gerealiseerd worden via radicale vernieuwing. Van schaven naar sturen. Via schaalvergroting en standaardisering van dienstverlening. De verbetering van de dienstverlening aan de klant staat daarbij voorop, niet het belang van de eigen bestaande structuur of organisatie. Zo is er meer duidelijkheid en toezicht vereist op de omvang en aanwending van administratiekosten door uitvoerders van publieke taken zoals onder meer de ziekenfondsen, vakbonden en kinderbijslagfondsen. Een internationale benchmarking hiervan is aangewezen. Er is echter ook budgettaire ruimte nodig voor groeibevorderende lastenverlagingen en investeringen. We vragen daartoe een halvering van de loonkostenhandicap. We vragen een koopkrachtverhoging door een verhoging van de belastingvrije som. Tot slot vragen we een halvering van de investeringsachterstand van onze overheden en een effectieve honorering van de doelstelling om tegen 2020 1% van het bruto regionaal product aan publieke investeringen in O&O te besteden. Dit alles is mogelijk door de uitgavengroei van elke overheid verder te beperken tot 1% per jaar. Hierdoor geven we in de volgende legislatuur in totaal 21 miljard minder extra uit. Een verdere lastenverhoging is geen optie. Alle overheidsniveaus moeten in gelijke mate bijdragen aan de sanering door eenzelfde jaarlijkse uitgavennorm te respecteren. Slechts medio 2013 werd tussen alle overheden een overeenkomst bereikt over de aan te houden begrotingsnormering. Dergelijke ad hoc overeenkomsten leiden tot eindeloos politiek getouwtrek over de te leveren inspanning, waardoor intussen de uitgaven ontsporen. Een uniforme uitgavennorm daarentegen garandeert een automatische, gelijkwaardige responsabilisering van alle overheidsniveaus en entiteiten. OVERHEID Door doelgroepen geïntegreerd te benaderen kan Vlaanderen aanzienlijke synergiewinsten boeken en tegelijk de klantentevredenheid verhogen. Heel wat agentschappen ontwikkelen eigen beleid, gericht op dezelfde doelgroep. Onder meer het Agentschap Ondernemen, de PMV, het IWT en FIT richten zich op ondernemers. Binnenkort komt daar het Participatiefonds bij. Elk vanuit hun eigen aanpak, met een eigen versnipperd palet van niet op elkaar afgestemde subsidies en controle-organen. In plaats daarvan moeten er clusters van uitvoerings- en toezichtsorganisaties per doelgroep komen, onder eenduidige politieke en ambtelijke sturing. > “Elke overheid moet zijn uitgavengroei beperken tot 1% per jaar.” 13 Naar een efficiënte overheid >Analyse (vervolg) > Subsidies moeten op elkaar afgestemd worden. Op het terrein van ondersteunende functies (ICT, inkoop, financiën, communicatie,…) moet verplicht overheidsbreed worden geopereerd. Overlappende advisering moet worden afgebouwd. Dat geldt ook op het lokale niveau, zoals bij de SERR’s. Interne staatshervorming Er is nood aan een nieuwe interne staatshervorming in Vlaanderen. Kleinere gemeenten moeten verplicht fusioneren tot een schaal van minstens 20.000 inwoners. Liefst 71% van de gemeenten in Vlaanderen telt vandaag minder dan 20.000 inwoners, terwijl dit slechts 35% is in Nederland. Daar staat tegenover dat de uitdagingen en de complexiteit van de gemeentelijke taken fors zijn toegenomen. Bovendien worden ook steeds meer taken toegewezen aan de lokale besturen. Gemeenten voelen het gebrek aan schaal dus al. Ze organiseren zich steeds meer in wisselende, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Vooral de kleine gemeenten doen er beroep op, zowel voor hun beleidsontwikkeling als -uitvoering. Dat leidt tot een onoverzichtelijk en inefficiënt kluwen. Bovendien kampen deze structuren met een gebrek aan democratische controle. Provincies moeten zich in een overgangsfase strikt beperken tot een gesloten taakstelling, gericht op grondgebonden materies. Volgens het nieuwe provinciedecreet kunnen de provincies in principe geen persoonsgebonden materies meer regelen. Maar van dit principe wordt regelmatig decretaal afgeweken. Daar moet paal en perk aan gesteld worden. Provincies mogen zich enkel richten op welomlijnde ruimtelijk-economische materies. Daarenboven wordt het tijd om ook hun politieke rol in vraag te stellen. Net zoals in andere landen moeten we de opeenstapeling van bestuursniveaus herzien. Dat kan des te makkelijker naarmate de gemeentelijke schaal vergroot. >> Voorstellen >> OVERKOEPELEND • Elke overheid beperkt de groei van zijn primaire uitgaven tot 1% nominaal per jaar in de volgende legislatuur. Tegen het einde van de legislatuur remmen ze daardoor de uitgavengroei af voor ongeveer 21 miljard euro, om de begroting in veilig vaarwater te brengen (conform de Europese engagementen) en budget vrij te maken voor de nodige groei-impulsen. • Deze 21 miljard euro afremming van de uitgavengroei wordt opgesplitst als volgt: - Sociale zekerheid: 10 miljard - Federale overheid: 2,3 miljard - Vlaanderen: 3,6 miljard - Vlaamse lokale besturen: 1,8 miljard - Andere overheden: 3,4 miljard • We voorzien 12,8 miljard euro groei-impulsen (netto-kost 11 miljard na terugverdieneffecten): - 8,9 miljard voor een vermindering van de werkgeversbijdragen. - 2,4 miljard voor een verhoging van de belastingvrije som in de personenbelasting - 750 miljoen voor investeringen in infrastructuur - 750 miljoen voor investeringen in onderzoek en ontwikkeling De Vlaamse overheid moet ook strikt toezien op de financiële gezondheid van de gemeenten en hen desnoods onder financiële curatele plaatsen. Steeds meer gemeenten keurden de jongste jaren een deficitaire begroting goed. Verschillende gemeenten schroefden recent hun investeringen fors terug of verhoogden belastingen omdat ze onhoudbare uitgavenmechanismen hebben gecreëerd. De Vlaamse overheid moet echt noodlijdende gemeenten voorwaardelijk ondersteunen. Financiële steun in ruil voor schaalvergroting, een fiscale stop en de vrijwaring van het investeringsritme. >> VLAAMS • De Vlaamse overheid boekt aanzienlijke synergiewinsten door doelgroepen zoals ondernemers en burgers geïntegreerd te benaderen. Per doelgroep worden loketfuncties, beleidsinstrumenten en toezichtsorganen op elkaar afgestemd, onder eenduidige politieke en ambtelijke sturing. Op het terrein van ondersteunende functies (ICT, inkoop, financiën, communicatie,…) moet verplicht overheidsbreed worden geopereerd. Overlappende advisering wordt afgebouwd. Dat geldt ook op het lokale niveau, zoals bij de SERR’s. • Er komt een nieuwe interne staatshervorming in Vlaanderen. Kleinere gemeenten fuseren verplicht tot een schaal van minstens 20.000 inwoners. Intermediaire tussenstructuren zoals SERR’s en RESOC’s worden geëvalueerd en desgevallend afgeschaft. Er komen geen nieuwe bij. Provincies focussen zich strikt en uitsluitend op grondgebonden beleidsmateries. Provincieraden en deputaties worden afgeschaft. De Vlaamse overheid ziet strikt toe op de financiële gezondheid van de gemeenten en plaatst hen desnoods onder financiële curatele. Gemeenten kunnen dan genieten van financiële ondersteuning in ruil voor schaalvergroting, een fiscale stop en de vrijwaring van het investeringsritme. • De Vlaamse overheid monitort de investeringsgraad van de lokale besturen. Lokale besturen die in hun meerjarenplanning te weinig investeringen voorzien, worden ondersteund maar onder financiële curatele geplaatst. >> FEDERAAL • Er komt meer duidelijkheid en toezicht op de omvang en aanwending van administratiekosten door uitvoerders van publieke taken, zoals onder meer ziekenfondsen, vakbonden en kinderbijslagfondsen. • Een performante, onafhankelijke interne audit eindelijk echt operationeel maken. “We vragen een halvering van de loonkostenhandicap.” 14 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 OVERHEID 15 Lastenverlagingen voor meer dynamiek < Vaststellingen Werkgeversbijdragen in % bbp Werkgeversbijdragen bijna hoogste in eurozone ë Bron: Europese Unie, 2013 Loonkost 16,5% hoger dan in de buurlanden Uurloonkost in euro per uur Bron: Expertengroep “Concurrentievermogen en Werkgelegenheid” Onze hoge fiscale en parafiscale druk remt de economische dynamiek af: de zin om te ondernemen, te werken en te sparen. Een verdere verhoging van de fiscale en parafiscale druk is daarom geen optie. Volgens de OESO bekleden we met 45,3% bbp in 2012 al de eerste plaats in de eurozone, samen met Frankrijk. Belastingen die rechtstreeks productiebeslissingen beïnvloeden – met name belastingen op inkomsten uit arbeid en ondernemen – zijn extra schadelijk voor de economische groei. Onze fiscale en parafiscale mix is in vergelijking met andere landen net daarop relatief sterk gericht. De werkgeversbijdragen liggen met 8,6% bbp in 2011 gevoelig hoger dan in de buur- en Scandinavische landen. De loonkostenhandicap van onze ondernemingen beloopt ongeveer 16,5% of bijna 25 miljard euro. Dit tast hun concurrentievermogen aan, hetgeen zich de jongste jaren vertaalde in een drastische verslechtering van onze handelsbalans en de versnelde afbouw van tewerkstelling. Nergens anders ook worden werknemers zo zwaar belast als bij ons. Daarenboven ligt de impliciete belasting op kapitaal boven het Europees gemiddelde. De verhoging van de kwantiteit van de fiscale wetgeving gaat gepaard met een verlaging van de kwaliteit ervan. Ook plotse fiscale wijzigingen fnuiken de rechtszekerheid. Verregaande fiscale maatregelen worden onder druk van begrotingsdeadlines vaak inderhaast beslist. Zulk wetgevend amateurisme resulteert in reparatiewetgeving en dus extra onvoorspelbaarheid. > Analyse Sanering en lastenverlaging Vennootschapsbelasting Elke overheid moet een fiscale en parafiscale stop inschrijven in zijn regeerakkoord. Die stop moet gelden op alle beleidsniveaus: van het federale tot het lokale. Dit impliceert dat de noodzakelijke budgettaire sanering moet geschieden via structurele besparingen. De vennootschapsbelasting moet worden hervormd zodat ze investeringen van groeiende productie- en dienstverlenende bedrijven aanwakkert. Tegelijk moet ze rechtszekerheid mogelijk maken voor (vooral) buitenlandse multinationale bedrijven. De eerste categorie ondernemingen moet kunnen opteren voor een verlaging van het nominale tarief mits opgave van de notionele interestaftrek. Finland, het VK, Denemarken en Zweden tenderen in deze richting. Het versterkt ook de interne financieringscapaciteit van ondernemingen. Internationale impactstudies hebben substantiële positieve effecten aangetoond van een dergelijke hervorming: meer ondernemerschap, extra investeringen en extra tewerkstelling. De tweede categorie ondernemingen moet kunnen opteren voor het behoud van het bestaande systeem. > Daarenboven verwachten we van de federale regering een groeibevorderende hervorming. Die vergt prioritair een drastische verlaging van de werkgeverslasten op arbeid en een faire verhoging van de koopkracht. Een aanzienlijke verlaging van de werkgeversbijdragen in de private sector helpt de historische uurloonkosthandicap van 16,5% mee te halveren. Dat is noodzakelijk om de concurrentiekracht en dus de arbeidsvraag te verbeteren. We stellen een lineaire lastenverlaging van dit tarief van 32,25% naar 22% voor. We voorzien hiervoor 8,9 miljard euro. Ook het netto-inkomen verdient een ondersteuning. In geen enkel ander land is de loonwig – het verschil tussen de loonkost en het nettoloon – immers zo hoog. Dit heeft onder meer als gevolg dat het voor mensen die een laag inkomen verdienen, niet loont om aan het werk te gaan: ze kunnen immers te weinig extra inkomen verwerven ten opzichte van hun werkloosheidsuitkering. We stellen daarom een verhoging van de belastingvrije som voor in de personenbelasting van 6.800 euro tot 8.600 euro. Dit ondersteunt de koopkracht per belastingplichtige aanzienlijk en verkleint ook de werkloosheidsval voor lagere inkomens. We voorzien 2,4 miljard euro. “Er moet een fiscale en parafiscale stop gelden op alle beleidsniveaus: van het federale tot het lokale.” 16 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 LASTENVERLAGING 17 Lastenverlagingen voor meer dynamiek >Analyse (vervolg) Duidelijk en stabiel Wederzijds vertrouwen De fiscaliteit moet eenvoudiger, duidelijker en rechtszekerder. Een ondernemer moet constant anticiperen op de vele onzekerheden die zijn bedrijfsvoering kunnen beïnvloeden. De overheid moet ondernemers dan ook ondersteunen door zelf geen extra onzekerheid toe te voegen. Een duidelijk en stabiel fiscaal kader is daarom essentieel om een bedrijfsstrategie op termijn uit te tekenen en te realiseren. Eenvoud en duidelijkheid wordt bevorderd door het aantal uitzonderingsregimes te beperken. Het vermindert ook de discriminatie tussen concurrerende ondernemingen. Ook een harmonisering van de fiscale procedureregels naar Nederlands voorbeeld (administratieve verplichtingen, verjaringsregels, invorderingsmaatregelen, geschillenbeslechting,...) over de verschillende belastingsoorten heen is dringend aan de orde. Die verscheidenheid in fiscale procedures leidt immers vaak tot verwarring. De toezichtsfilosofie en het toezichtsmodel moeten gebaseerd zijn op wederzijds vertrouwen, weg dus van het huidige conflictmodel. In een complexe en snel veranderende samenleving kan de handhaving niet langer zonder gebruik van de kennis in de samenleving. Dienstverlenend optreden moet in de plaats komen van het huidige sanctionerend controlebeleid. Daarbij gaat de administratie uit van vertrouwen in de intrinsieke bereidheid bij de belastingplichtige om te voldoen aan zijn of haar wettelijke verplichtingen. Dat vergt voeling met het métier van de ondernemingen. Bij ondernemingen bestaat een bereidheid om tijdens vooroverleg systematisch, actuele informatie te geven over de fiscale strategie. De administratie geeft snel en rechtszeker antwoord op vragen van de belastingplichtigen. De voordelen van dergelijk horizontaal toezicht zijn één aanspreekpunt, snelle duidelijkheid over de aanslag en minder toezicht zoals controles en vragen om uitleg. Het zou dus een soort van permanent rulingsysteem zijn. Dit zal de compliance ten goede komen. Fiscale bezwaren worden best door een onafhankelijke derde behandeld. Ook de wetgevingstechniek moet de transparantie bevorderen. Een gedegen voorafgaande screening van de juridische, administratieve en macro-economische effecten moet het risico op fiscale reparatiewetgeving aanzienlijk verminderen. Alle nieuwe fiscale regelgeving kan slechts in voege treden na een redelijke termijn. Alle gemeentelijke en provinciale belastingreglementen moeten door de Vlaamse overheid in een gecentraliseerd en up-todate, digitaal raadpleegbaar databestand worden opgenomen. >> Voorstellen >> OVERKOEPELEND • Elke overheid hanteert een fiscale en parafiscale stop in de volgende legislatuur. • De fiscale procedureregeling wordt geharmoniseerd in één globaal fiscaal procedurewetboek. Dus geen aparte regels meer per belasting op het vlak van de fiscale controle, taxatie, invordering en geschillenbeslechting. • De fiscale wetgevingstechniek wordt drastisch herzien. De fiscale doelstelling wordt helder omschreven. Nieuwe wetgeving treedt pas in voege na een redelijke termijn. Goedkeuring ervan wordt voorafgegaan door een juridische, economische en administratieve impactanalyse. >> VLAAMS • Alle gemeentelijke en provinciale belastingreglementen worden door de Vlaamse overheid in een gecentraliseerd en up-to-date, digitaal raadpleegbaar databestand opgenomen. • In een fiscaal pact met de Vlaamse overheid engageren de lokale besturen zich tot een fiscale stop. Er worden geen nieuwe gemeentelijke belastingen op ondernemingen ingevoerd en de bestaande verhogen niet. Gemeenten die hier niet aan voldoen, krijgen minder middelen uit het Gemeentefonds. >> FEDERAAL • Het tarief van de werkgeversbijdragen in de private sector vermindert van 32,25% naar 22%. Mede daardoor halveert de historische uurloonkosthandicap van 16,5%. We voorzien 8,9 miljard euro (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten). • De vennootschapsbelasting wordt omgevormd tot een optioneel stelsel. Ofwel kiest de onderneming voor een verlaagd tarief, mits opgave van de notionele interestaftrek en enkele kleinere aftrekken. Ofwel opteert ze voor het behoud van het huidige systeem. De keuze gebeurt op groepsniveau en geldt voor 5 jaar. Ook bij fiscale overtredingen hebben belastingplichtigen recht op een gelijke behandeling. De arrondissementele verschillen in de toepassing van het sanctierecht door de fiscale administratie en door de parketten maakt plaats voor een eenduidige en eenvormige aanpak. Iedereen zal weten waaraan hij of zij toe is bij een kleine of grote fiscale overtreding. De grote regionale verschillen op het vlak van fiscale controles verdwijnen. • Om de koopkracht te verhogen en tegelijk de werkloosheidsval te verminderen, verhogen we de belastingvrije som in de personenbelasting van 6.800 euro tot 8.600 euro. We voorzien 2,4 miljard euro (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten). • Horizontaal toezicht komt in de plaats van het huidige conflictmodel. Dienstverlenend optreden komt in de plaats van het huidige sanctionerende controlebeleid. De administratie geeft snel en rechtszeker antwoord op vragen van de belastingplichtige. Startende ondernemers worden enkel corrigerend gecontroleerd. Een eerste overtreding leidt tot een waarschuwing, geen sanctie. Fiscale bezwaren worden door een onpartijdige derde behandeld, niet langer door de administratie zelf. • Het sanctioneringsbeleid wordt gecoördineerd. Er komt toezicht op de gelijke behandeling van de belastingplichtige en op de uniforme interpretatie van de fiscale regelgeving. “Een halvering van de loonkostenhandicap is noodzakelijk om meer jobs te creëren.” 18 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 LASTENVERLAGING 19 Een arbeidsmarkt die werken stimuleert < Vaststellingen Amper vier op tien van onze 55+’ers op de arbeidsmarkt zijn aan het werk en we werken in totaal slechts 32,2 jaar. De uitgaven van de RVA om minder te werken (zoals tijdskrediet) lopen op van 365 miljoen euro in 2002 tot 835 miljoen euro in 2012. Duur loopbaan in jaren Onze loopbanen zijn bijzonder kort Ons arbeidsmarktbeleid is te weinig gericht op het toeleiden naar werk. Onze werkloosheidsuitkeringen zijn onbeperkt in de tijd. Zeer langdurige werkloosheid kost de sociale zekerheid 4,2 miljard euro op jaarbasis. Oneindige uitkeringen vragen ook veel middelen voor een controleapparaat om na te gaan of iemand wel werk zoekt. Bron: Eurostat, 2012 Ons arbeidsrecht is gericht op het beschermen van jobs in plaats van op tewerkstelling. De nieuwe ontslagregeling stimuleert te weinig om nieuw werk te zoeken. Herstructureren is moeilijk en duur. Doorstromen naar werk Kost per voltijdse equivalent Doelgroepenbeleid: lage doorstroom, dure jobcreatie Bron: IDEA Consult i.o.v. Voka, 2013 20 Doorstroom Kost VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Levenslang leren scoort ondermaats. Dat ligt niet aan onze ondernemingen die 2,4% van de loonmassa in geregistreerde opleiding investeren. De werknemers nemen zelf te weinig verantwoordelijkheid op en teren op hun initiële kwalificatie. Het aantal individuele beroepsopleidingen (IBO) nam in 2012 af met 2,2%. De loonvorming spoort niet met de productiviteit. Laaggeschoolde arbeid brengt weinig op ten aanzien van onze dure minimumlonen. De lastenverlaging, versnipperd over 34 doelgroepen, wordt ondoelmatig ingezet door een te hoge complexiteit en te weinig incentives voor doorstroom naar reguliere jobs. Automatische loonsverhogingen door indexering en barema’s prijzen jobs uit de markt. > Analyse Langer aan de slag Uitkeringen om minder te werken, horen niet thuis in de sociale zekerheid: inactiviteit mag niet langer worden gesponsord. Mensen met werkloosheidsuitkeringen moeten tot aan de pensioenleeftijd beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Dat is een kwestie van rechten en plichten. Leeftijd is geen reden om minder te activeren. Landingsbanen met een uitkering om minder te werken vanaf 55 jaar moeten worden teruggedrongen en kunnen voortaan pas slechts vanaf 5 jaar voor het pensioen. Het tijdskrediet zonder motief moet verdwijnen. Het gemotiveerd tijdskrediet voor combinatie arbeid en gezin moet worden geïntegreerd en beperkt in de thematische verloven. De pensioenregeling moet activerend werken. Een loopbaan van 45 jaar moet ook effectief gepresteerd worden. De pensioenleeftijd moet daarvoor worden opgetrokken. Uit onderzoek blijkt immers dat het optrekken van de pensioenleeftijd een impact heeft op de bereidheid van de bevolking om later uit te treden. Het optrekken van de pensioenleeftijd door een koppeling aan de evolutie van de gezonde levensverwachting is ook solidair met de jongere generaties. Het is fair om een lager bedrag toe te kennen aan wie toch eerder op pensioen gaat en dus minder bijdragen betaalt en langer pensioen geniet. Niet-werken tijdens de loopbaan moet worden ontmoedigd door pensioenrechten meer te laten opbouwen in functie van effectief gewerkte periodes. De duur van werkloosheidsuitkeringen moet worden afgestemd op die van de buurlanden. Zo wordt het verschil tussen werken en niet-werken groter, waardoor werklozen sneller geneigd zullen zijn om voor een job te kiezen. Het verhogen van de belastingvrije som maakt werken meer lonend en helpt als remedie tegen de werkloosheidsval. De middelen die vrijkomen door de uitkeringen in de tijd te beperken, kunnen worden besteed aan meer en betere begeleiding en bemiddeling. Daarnaast kan tot 3 miljard euro op de RVA-begroting worden bespaard door te wieden in uitkeringen die aanzetten tot niet of minder werken. De regels voor ontslag moeten er mee voor zorgen dat mensen opnieuw aan de slag kunnen. De sectorale ontslagenveloppe voorzien in het eenheidsstatuut, gericht op vorming en heroriëntatie naar nieuw werk, moet worden uitgebreid tot meer werknemers en worden verhoogd door minder opzegvergoeding cash te betalen bij ontslag. Herstructureringen moeten mikken op een doorstart van het bedrijf en de medewerkers. Dit veronderstelt een sneller proces, meer maatregelen die terug aan het werk helpen, tegen een netto-kost voor de onderneming en minder uitbetaling in cash. > Een injectie flexizekerheid We evolueren van een passief naar een actief arbeidsmarktbeleid door een grondige hervorming van de werkloosheidsverzekering. Uitkeringen voor personen die zelf nooit gewerkt hebben en dus ook niet bijgedragen hebben tot de sociale zekerheid, zoals de ‘inschakelingsuitkeringen’, gaan in tegen het verzekeringsprincipe en moeten worden geschrapt. Dergelijke uitkeringen bestaan trouwens niet in het buitenland. ARBEIDSMARKT “Inactiviteit mag niet langer gesponsord worden.” 21 Een arbeidsmarkt die werken stimuleert >Analyse (vervolg) Levenslange vorming moet ervoor zorgen dat de inzetbaarheid van werknemers op de arbeidsmarkt vergroot. Inzetbaarheid is een garantie voor werkzekerheid. Een instrument van ‘leerkrediet’ faciliteert het volgen van vorming. Dit leerkrediet met financiële tussenkomst van de overheid moet worden voorbehouden voor opleidingen gericht op het behalen van een kwalificatie die de kansen op de arbeidsmarkt verhogen. Het leerkrediet voor werknemers heeft twee componenten. Ten eerste, de opleidingscheques die de kosten van de opleiding buiten de arbeidstijd compenseren, blijven als flexibel beleidsinstrument behouden. Precies door hun eenvoud hebben ze een belangrijke signaalfunctie rond het belang van levenslang leren. Ze zijn ook relatief makkelijk te differentiëren tussen doelgroepen. Ten tweede, het educatief tijdskrediet vervangt de doorbetaling van het loon door de werkgever in het stelsel van het betaald educatief verlof (BEV). De IBO voor het opleiden van werkzoekenden op maat van de onderneming moet aantrekkelijker worden gemaakt. Lonen in pas met productiviteit >> Voorstellen >> VLAAMS • De VDAB begeleidt en activeert voortaan tot aan het pensioen. Alleen vanaf drie jaar voor het wettelijke pensioen rest nog een bijzondere aanpak voor oudere werkzoekenden. Een efficiënt en sterk vereenvoudigd doelgroepenbeleid moet in de eerste plaats focussen op laaggekwalificeerde werkzoekenden. Het beleid voor een beperkt aantal doelgroepen compenseert tijdelijk de lagere productiviteit van deze groep en moet zorgen voor maximale doorstroom naar reguliere privéjobs. De middelen voor doelgroepenbeleid mogen niet langer worden afgewend om structureel de loonlast bij de lokale overheid of in de socio-culturele organisaties te verlagen, zoals nu bijvoorbeeld het geval is met de Gesco-regeling. Studies wijzen uit dat een doelgroepenbeleid het best kan door tussenkomsten voor jobs met lage lonen. Dit rendeert immers maximaal en is ook het meest transparant voor de aanwervende onderneming. Daarnaast moet, met het oog op de vergrijzende Vlaamse arbeidsmarkt, een bijkomende lastenverlaging het aanwerven en in dienst houden van 55+’ers stimuleren, en dit zolang de loonvorming niet is bijgestuurd. Dienstencheques moeten behouden blijven voor de bestrijding van zwartwerk en worden ingezet om de combinatie werk en gezin te ondersteunen. • De aanmoedigingspremies ter aanvulling bij het tijdskrediet worden afgeschaft. • De opleidingscheques focussen op inzetbaarheid van werknemers. De IBO moet zoveel mogelijk zes maanden kunnen duren. De overheid komt meer tussen in de kost. Na afloop van een IBO is er contractuele vrijheid om al dan niet in dienst te nemen. • Een efficiënt en eenvoudig doelgroepenbeleid zet meer in op tijdelijke ondersteuning gericht op doorstroom naar de privésector. De Gesco-middelen worden aldus geheroriënteerd. De laaggekwalificeerden staan centraal. Ze worden geholpen door een RSZ-korting voor jobs met lage lonen. Er is voorlopig bijkomend een korting voor 55+’ers. >> FEDERAAL • De beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt wordt opgetrokken tot aan het pensioen en uitgebreid tot alle werkzoekenden. De pensioenleeftijd wordt geleidelijk aan opgetrokken tot 67 jaar. We beginnen met één extra maand voor de huidige 64-jarige. Er komt een malus voor wie vervroegd op pensioen gaat. De gelijkgestelde periodes worden verder gerationaliseerd. • Het tijdskrediet zonder motief wordt stopgezet. Het gemotiveerd tijdskrediet voor zorg wordt geïntegreerd in thematische verloven die zich beperken tot wat Europees is vereist. Landingsbanen kunnen slechts vanaf vijf jaar voor de pensioenleeftijd en mits vijfendertig jaar met arbeid te hebben bijgedragen aan de sociale zekerheid. • De werkloosheidsuitkeringen worden in duur beperkt tot twee jaar. Deze duur wordt opgetrokken met maximaal één jaar vanaf drie jaar voor de pensioenleeftijd. De inschakelingsuitkeringen worden afgeschaft. Inzet moet beloond kunnen worden door automatismen in de loonvorming terug te dringen. De automatische loonindexering en indexering van de barema’s moeten verdwijnen. Er moet een dwingend federaal kader komen waarbinnen sectoren de baremieke verhogingen kunnen afschaffen. Daardoor komt er ruimte om de loonevolutie beter te laten aansluiten bij de productiviteit en de ontwikkeling van competenties. Een bedrijfseigen loonpolitiek wordt mogelijk. Dit vergt wel voldoende bevoegdheden van de plaatselijke vakbondsafvaardiging. Deze moet zelf een cao op ondernemingsniveau kunnen afsluiten. • Het toepassingsgebied van de sectorale ontslagenveloppe wordt uitgebreid tot werknemers vanaf 3 jaar anciënniteit. Lastenverlaging stimuleert het actief inzetten door de sectoren van de ontslagenveloppe. Een aanvullende regeling treedt in werking als de sector in gebreke blijft. Sluitingspremies en premies collectief ontslag bij herstructurering worden afgeschaft. Er komt een meer dwingend kader voor snel en activerend herstructureren. • De verplichting om 1,9% van de loonmassa in vorming te investeren wordt afgeschaft. De doorbetaling van het loon bij vorming tijdens de arbeidstijd zoals in het huidig systeem van het Betaald Educatief Verlof (BEV) wordt vervangen door het educatief tijdskrediet met een loonvervangende uitkering. Ook hier ligt de focus op arbeidsmarktrelevante vorming. • De regering neemt de nodige maatregelen zodat de automatische loonindexering en de baremieke verhogingen worden afgeschaft. De lokale vakbondsafvaardiging krijgt de bevoegdheid om zelf een bedrijfscao af te sluiten. >> EUROPEES • We zijn reeds het land met de meeste bijkomende regels voor herstructureringen. Nieuwe Europese initiatieven met nog strengere maatregelen, met langere en duurdere processen voor herstructureringen, moeten worden vermeden. “Inzetbaarheid is een garantie voor werkzekerheid.” 22 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 ARBEIDSMARKT 23 Sociale bescherming: van dreiging naar kans < Vaststellingen Vergrijzingskost in % bbp 2% economische groei houdt de vergrijzingskost betaalbaar Scenario 2% groei Scenarario 0,5% groei Bron: eigen berekeningen, Federaal Planbureau Vlaanderen heeft de laagste kinderarmoede De meerwaarde van sociale bescherming is enorm. Welzijn creëert 8% bruto toegevoegde waarde en een werkgelegenheid van ruim 600.000 banen. Ook de indirecte meerwaarde is cruciaal: zonder een gezond menselijk kapitaal geen economische groei. We doen het zo goed dat het zo niet verder kan. We leven langer, maar niet altijd met behoud van functioneren en kwaliteit van leven. De kosten van vergrijzing en invaliditeit vergroten het overheidsbeslag waardoor het onmogelijk wordt om ruimte te creëren voor competitiviteit en groei, die nodig zijn om de sociale zekerheid te blijven financieren. De verwachte verdubbeling van de vergrijzingskost tegen 2060 benadrukt het hoogdringend karakter van structurele hervormingen. Bij een economische groei van 0,5% slorpt de vergrijzing tegen 2020 al 30% van het bbp op. Tegen 2050 wordt dit 50%. Niets doen is dus onhoudbaar. Kinderen onder armoedegrens in % Besparen in zorg via de kaasschaafmethode heeft haar grenzen bereikt. Deze vorm is bedreigend voor de kwaliteit, toegankelijkheid en innovatie en leidt tot hogere druk op personeel en het doorschuiven van de rekening naar de patiënt. Bron: Vlaamse armoedebarometer, 2013 24 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Er is ruimte voor betere bescherming met minder groei van publieke middelen. Betere sociale bescherming is niet gelijk aan meer middelen; er is veel ruimte voor verbetering op het vlak van doeltreffendheid, gelijkheid van uitkomsten en efficiëntie. Bij kindarmoede bijvoorbeeld zijn ondersteuning van welzijn via activering, zorg en huisvesting meer van belang dan de hoogte van de kinderbijslag. > Analyse Betere sociale bescherming Het heroriënteren van financiële prikkels leidt tot nieuwe zorgmodellen en een verschuiving van acute naar preventieve en chronische ondersteuning. De focus verschuift naar welzijn, gezinsondersteuning (vb. kinderopvang) en ouderenzorg. Het is noodzakelijk om waar mogelijk de middelen in handen van de patiënt te geven, zodat die zijn zorgvraag zelf kan bepalen, in plaats van het zorgaanbod te programmeren en te begrenzen. In acute zorg moet er een sterkere nadruk komen op vaste financiering, zonder dat dit de autonomie van zorgverstrekker aantast. In alle deelsectoren maken we de zorguitkomsten transparant en koppelen er kwaliteitsprikkels aan, naast netwerking en IT-prikkels. Ook de ziekenfondsen moeten op deze wijze vergoed worden. De betrokkenheid van de sector is een cruciale succesfactor, wat zich vertaalt in een goed functionerend overlegmodel zonder belangenconflict bij ziekenfondsen en artsensyndicaten. We moeten experimenteren met brede lokale onderhandelingen in functie van kwaliteit- en budgetdoelstellingen. Goede zorg vereist niet altijd een direct contact, maar kan ook op afstand. De terugbetaling wordt ontkoppeld van ‘face to face’ en meer gekoppeld aan meerwaarde. We realiseren ondernemerschap binnen een gelijk speelveld. Alle aanbieders en financiers van diensten moeten op onafhankelijke wijze verantwoording afleggen over kwaliteit en kosten. Dit gaat gepaard met meer regelluwte en een personeelskader dat een positieve carrièreopbouw en het dynamisch opnemen van nieuwe rollen toelaat. De overheid dient barrières en verschillen in regelgeving af te bouwen, zodat geïntegreerde dienstverlening mogelijk wordt. Gegevens zijn eigendom van de patiënt en kunnen op afstand geconsulteerd en beheerd worden. SOCIALE BESCHERMING We maken kinderbijslag meer doeltreffend, met een verschuiving naar ondersteunende diensten. We verlagen het basisbedrag tot een maandelijks vast bedrag van 100 euro per kind en verhogen het selectieve deel gericht op kwetsbare doelgroepen tot een bijkomende 100 euro, waardoor zij van een even goede bescherming genieten als voorheen, maar zonder inactiviteitsval. Deze hervorming maakt ruim 900 miljoen euro vrij in Vlaanderen voor kinderopvang, buitenschoolse opvang en andere diensten die meer inzetten op activering en flexibiliteit. Minder groei van middelen Betere sociale bescherming vereist rationaliseren en nieuwe modellen van dienstverlening. Een onderbouwde en transparante kostenbasis van de financiële prikkels draagt in sterke mate bij tot de financiële duurzaamheid. Dit gaat gepaard met het besparend effect van een betere sociale bescherming die in minder gezondheidscomplicaties en invaliditeit resulteert. Om dit op korte termijn sluitend te maken, is het essentieel dat we garanderen dat de budgetgroei per deelsector strikt wordt gerespecteerd, met continue monitoring en feedback. Binnen de grote lijnen van heroriëntatie krijgt elke speler en deelsector de vrijheid om in onderlinge samenwerking maatregelen te ontwikkelen. > “We bekomen een betere sociale bescherming door nieuwe zorgmodellen.” 25 Sociale bescherming: van dreiging naar kans >Analyse (vervolg) > Wie aantoont te rationaliseren en zich te heroriënteren op preventie en langdurige ondersteuning, mag een deel van de vrijgekomen budgetruimte herinvesteren via innovatie. We moeten het beheer en de administratie efficiënter maken met een sterke vereenvoudiging en automatisatie. Daarnaast rationaliseren we op rechtvaardige wijze in andere domeinen van de sociale zekerheid, met inbegrip van pensioenen en uitkeringen, zonder bijkomende welvaartsaanpassingen en zonder perequatie van overheidspensioenen. Ook bijkomende ingrepen in de overheidspensioenen zijn nodig: de verantwoording van het hogere ambtenarenpensioen als uitgesteld loon gaat immers niet langer op, aangezien de verloning van de ambtenaren die in de privésector voor veel functies heeft bijgebeend. “Betere sociale bescherming vereist solidariteit en verantwoordelijkheid.” 26 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Betere sociale bescherming vereist solidariteit en verantwoordelijkheid. We creëren en versterken de concurrentie van ‘zorgkassen’ in de eerste, tweede en derde pijler van de ziekteverzekering door dit speelveld te openen voor alle verzekeringsinstellingen. De verplichte aanschaf van een aanvullende verzekering als deel van lidmaatschap bij een ziekenfonds wordt afgeschaft, maar via ruimere fiscale prikkels wordt men wel aangemoedigd om meer aan voorafbetalingen te doen via onder meer aanvullende verzekeringen en zorgsparen (ook in domeinen buiten hospitalisatie). Een up-todate doorlichting van de werking, meerwaarde en kosten van de zorgverzekering is noodzakelijk om het systeem verder op punt te stellen. Eigen bijdragen van het individu worden bij alle vormen van diensten meer uniform en transparant toegepast, met een sterkere koppeling van remgeld aan meerwaarde. Dit impliceert dat individuele participatie en het positief meewerken aan een goede gezondheid en welzijn door de patiënt beloond wordt via verminderd remgeld. Betere sociale bescherming vereist private investeringen. De publieke middelen worden geconcentreerd en meer selectief ingezet voor kwetsbare doelgroepen door waar mogelijk de markt de behoeften te laten invullen in welzijn, zorg en andere ondersteunende diensten. Om de stijgende noden in te vullen, moedigen we private investeringen aan. We benutten de meerwaarde van het aantrekken van extern financieel kapitaal via zorgobligaties en -aandelen, pensioenfondsen en andere private investeringsinitiatieven, voor zover dat resultaatgerichte kwaliteit de kern van het systeem wordt. Menselijk kapitaal in de vorm van mantelzorg en vrijwilligerswerk is cruciaal in het kader van een ruimere vermaatschappelijking van zorg. We benutten complementaire wederzijdse ondersteuning door de bestaande financiële plafonds op vrijwilligerswerk af te schaffen. >> Voorstellen >> OVERKOEPELEND • We leveren meer zorg op basis van correcte prikkels en nieuwe zorgmodellen. We vergoeden diensten en financieel beheer voor 80% met persoonsgestuurde financiering, 10% kwaliteitsprikkels en 10% netwerkprikkels. Bij artsen en ziekenhuizen verschuiven we naar een groter aandeel vaste financiering. Dit vereist een grondige doorlichting van referentiebedragen, accreditering, forfaits klinische biologie, medische beeldvorming en geneesmiddelen, dialysevergoeding en daghospitalisatie. We maken de kwaliteit en kost van diensten en beheer transparant en ontkoppelen terugbetaling van de voorwaarde van een fysiek consult bij de zorgverstrekker. • We maken het Vlaamse overlegmodel effectiever door formeel overleg systematisch en proactief in te schakelen in het beleid. Op federaal niveau maken we het overleg transparant, zonder belangenconflicten bij ziekenfondsen en artsensyndicaten. Het up-to-date houden van bedragen en normen wordt contractueel in plaats van decretaal of per K.B. vastgelegd in overleg met de sector. • We stimuleren ondernemerschap en nieuwe modellen van dienstverlening in zorg. We moderniseren KB 78 over de uitoefening van de zorgberoepen met een grotere focus op functiedifferentiatie, taakverschuiving en flexibele verloning. We realiseren een gelijk speelveld op basis van een gedeelde kwaliteitsfocus, governance, regelgeving en gegevens. We voorzien een stabiel kader van aansprakelijkheid, vergunningsbeleid en regelgeving en stimuleren private investeringen via waarborgen en fiscale maatregelen. We kijken of de privémarkt de behoefte kan invullen en waar het niet kan, laten we ruimte voor publieke ondersteuning. • We rationaliseren door de budgetnorm strikt te hanteren en positieve terugverdieneffecten toe te laten voor wie de inspanning levert. We zetten in op onder meer vereenvoudiging (vb. één loketfunctie), productiviteit (vb. geen dubbele onderzoeken en verouderde items schrappen), reconversie (vb. VIPA), ketenzorg (vb. zorghotel), kosteneffectiviteit bij terugbetaling, post patent concurrentie bij technologie, voorschrijfprofielen bij verstrekkers, referentiecentra en bonus mali hervorming bij ziekenfondsen. • We vermijden meeruitgaven in andere domeinen van sociale zekerheid, o.a. door de enveloppe voor welvaartsvastheid van uitkeringen te bevriezen. De ambtenarenpensioenen worden niet langer berekend op de wedden van de laatste vijf of tien jaar van de loopbaan, maar over heel de loopbaan zoals in de privésector. De perequatie van overheidspensioenen wordt afgeschaft. • We zetten in op solidariteit en verantwoordelijkheid. We maken kinderbijslag meer doeltreffend en sociaal beschermend met een verschuiving naar diensten. We installeren een gelijk speelveld van concurrentie in alle pijlers van ziekte- en zorgverzekering, met een bredere fiscale aanmoediging van voorafbetalingen via aanvullende verzekeringen, zorgsparen, etc. We hervormen de eigen bijdrage van het individu tot een veiliger en stimulerend mechanisme in functie van meerwaarde en inspanningen, in lijn met een meer proactieve en preventieve ondersteuning. SOCIALE BESCHERMING 25 27 Naar een competitief energiebeleid < Vaststellingen Broeikasgasreductie CO2-equivallenten kiloton periode 1990-2011 Bedrijven realiseren bijna 90% van de emissiereductie De energiekost is een belangrijke uitgavenpost voor ondernemingen, zeker in Vlaanderen dat gekenmerkt wordt door veel ondernemingen met een hoge energie-intensiteit. Het gebrek aan een kostenefficiënt energiebeleid manifesteert zich in oplopende taksen, heffingen en nettarieven. De energiekost in Vlaanderen is voor sommige ondernemingen tot 20% hoger dan in de buurlanden. Deze kosten zijn het gevolg van een beleid dat ervoor kiest om een ecologisch beleid via de elektriciteitsfactuur te financieren en dat de industrie zware lasten oplegt ondanks de reeds geleverde, grote inspanningen. Bron: cijfers o.b.v. Mira-rapport Kosten groene stroom riskeren te verdubbelen Via de elektriciteitsfactuur worden kosten doorgerekend om enerzijds hernieuwbare energie en WKK en anderzijds sociale en energiebesparende maatregelen te financieren. Bijvoorbeeld: om de offshore windmolenparken te financieren, zal de factuur oplopen tot circa 780 miljoen euro per jaar; wat betreft groenestroom- en WKK-certificaten moet er nog een tekort van 1,8 miljard euro gecompenseerd worden. Miljoenen De energiekostenhandicap zal negatieve gevolgen hebben voor de aantrekkelijkheid van ons land bij investeerders en voor het concurrentievermogen van onze energie-intensieve ondernemingen. Bron: SERV GSC/WKC in distributietarief GSC/WKC in leveranciersbijdrage Offshore toeslag 28 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Er is een gebrek aan een geharmoniseerd Europees energie- en klimaatbeleid. De Europese lidstaten hebben, om aan de verplichtingen van het Europese energie- en klimaatpakket te voldoen, diverse beleidsinstrumenten ontwikkeld. Dat resulteert in een lappendeken aan maatregelen die leiden tot hogere globale kosten en die de realisatie van de interne energiemarkt bemoeilijken. De gevolgen van het Europees beleid voor de concurrentiekracht en bevoorradingszekerheid zijn onderschat en niet accuraat opgevolgd of aangepakt. Niet alleen de EU kan het verschil maken in de strijd tegen de klimaatverandering. Ook de andere continenten moeten gelijkaardige inspanningen leveren. > Analyse Concurrentiehandicap Om de concurrentiehandicap weg te werken, moet deze in kaart gebracht en opgevolgd worden. Dat kan met een benchmark van de energiekosten die de marktprijzen, de distributie- en transmissiekost en de indirecte kost ten gevolge van heffingen en openbare dienstverplichtingen tussen Vlaanderen en haar belangrijkste handelspartners vergelijkt. Het concurrentieel nadeel dat hieruit zou blijken, moet verholpen worden via gepaste maatregelen. Het beleid moet inzetten op een bedrijfszekere energiebevoorrading: dat is cruciaal voor de samenleving en de economie. Daarom moet de overheid zorgen voor een gediversifieerde energiemix, waar ook traditionele energiebronnen toe behoren, en een stabiel en gunstig economisch klimaat creëren, enerzijds om bestaande productiecapaciteit maximaal beschikbaar te houden voor de markt en anderzijds om investeringen in productietechnologieën aan te moedigen. Ondernemers moeten hierbij een vrije keuze kunnen maken uit diverse technologieën die op de markt beschikbaar zijn. Verder moeten er duidelijke en rechtszekere procedures gevolgd worden en vergunningen tijdig worden afgeleverd. Financiële en administratieve lasten mogen binnenlandse productietechnologieën niet uit de internationale markt duwen. Distributienettarieven De transmissie- en distributienettarieven moeten beheerst worden. Als gevolg van het hernieuwbare energiebeleid zijn de nettarieven aanzienlijk gestegen. Als er geen gepaste maatregelen genomen worden, is een verdere stijging onvermijdelijk. Daarom pleiten we voor meer kostenreflectieve nettarieven, die enkel kosten opnemen gerelateerd aan het net. ENERGIE Wanneer Vlaanderen bevoegd wordt voor de distributienettarieven, moet het ervoor zorgen dat die tarieven binnen de perken blijven. Ecologische of sociale beleidskosten mogen niet langer verhaald worden via de distributienettarieven, maar moeten vergoed worden vanuit de algemene middelen. In een kostenreflectief tarief moet ook het cascadeprincipe (een verbruiker betaalt ook voor het bovenliggend net) behouden blijven en moet er aangerekend worden voor afname en injectie. Een compensatie van beide stromen via een terugdraaiende meter is economisch onverantwoord. Ten slotte moeten de nettarieven ook deels gebaseerd worden op het ter beschikking gesteld of het maximaal afgenomen vermogen (capaciteitstarief). Kostenbeheersing Het hernieuwbare energiebeleid moet focussen op kostenbeheersing. De komende jaren moet er voldoende aandacht gaan naar onderzoek en ontwikkeling van nieuwe, technologieën op het vlak van opslag en nieuwe leveringszekere energiebronnen. Om de marktwerking minder te verstoren is het bovendien wenselijk om de productiesteun voor toekomstige installaties te vervangen door investeringssteun. En in het kader van kostenbeheersing moet ook een beroep gedaan worden op de samenwerkingsmechanismen, die in de richtlijn zijn voorzien en die het mogelijk maken om de 2020 hernieuwbare energiedoelstellingen te behalen tegen een lagere globale kost. > “Een bedrijfszekere energiebevoorrading is cruciaal voor de samenleving en de economie.” 29 Naar een competitief energiebeleid >Analyse (vervolg) Het afstemmen van vraag en aanbod van elektriciteit moet worden gestimuleerd. De toename van hernieuwbare energie leidt tot een hogere prijsvolatiliteit. De industrie moet aangemoedigd worden om hierop in te spelen door haar verbruik te beperken bij hoge marktprijzen en maximaal te verschuiven naar periodes van hoog aanbod (zon- en windenergie) en dus lagere prijzen. Hiertoe is het belangrijk dat de flexibiliteit in de markt correct gewaardeerd wordt. Ook aan de aanbodzijde (elektriciteitsproductie, stockage) wordt de nood aan flexibiliteit groter en moet de regelgeving aangepast worden zodat een flexibele uitbating van productie-installaties niet afgeremd wordt. Ook bij residentiële verbruikers moeten vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd worden: enerzijds door het gedrag van de consument te veranderen en anderzijds door intelligente systemen aan te bieden die toelaten om in te spelen op de ‘real time’-situatie. Dat impliceert een dynamische prijszetting in combinatie met slimme toestellen (slimme meters, huishoudtoestellen, elektrische installaties,…). Een deugdelijk energiebeleid zet in op energieefficiëntie, aangezien dit zowel de duurzaamheid als de bevoorradingzekerheid ten goede komt. Er moet een verhoogde inzet komen van energieefficiëntie volgens het resterend potentieel, dus voornamelijk bij de huishoudens en transport. Het effectief implementeren van de nieuwe energiebeleidsovereenkomsten vormt ook een belangrijk instrument om energie-intensieve ondernemingen bottom-up energie-efficiënter te maken, zonder echter hun duurzame groeimogelijkheden in te perken. Interne energiemarkt >> Voorstellen >> OVERKOEPELEND • Op Vlaams, Belgisch, Europees en internationaal niveau wordt een energienorm ingevoerd, zodat de totale kost van gas- en elektriciteitsprijzen (inclusief netkosten, taksen en heffingen), die geldt voor de industrie en kmo’s, eenduidig vergeleken kan worden. Deze benchmark laat toe het eventueel concurrentieel nadeel te becijferen en in te grijpen wanneer er een onaanvaardbaar groot verschil is met de buurlanden of andere continenten. De realisatie van de Europese interne energiemarkt is cruciaal om de vruchten van de liberalisering te plukken. Het is dan ook dringend tijd dat er een duidelijk Europees kader gedefinieerd wordt, zodat er een subsidievrije, geïntegreerde en technologieneutrale elektriciteitsmarkt tot stand komt. Deze markt moet prijzen tot stand brengen die concurrentieel zijn met andere handelspartners en die zowel hernieuwbare als conventionele technologieën op een correcte manier vergoedt. Goed uitgebouwde interconnectiecapaciteit en een sterke Europese regulator, die een stabiel en coherent energiebeleid regisseert, zijn hierbij onontbeerlijk. • Europa, België en Vlaanderen streven naar een consistent industrieel, energie- en klimaatbeleid dat volop inzet op innovatie om via een competitieve industrie de nodige klimaatoplossingen te kunnen aanleveren en produceren, die aangewend kunnen worden om de CO2-uitstoot wereldwijd te mitigeren. >> VLAAMS • Distributienettarieven worden competitiever door ze kostenreflectief te maken: dus geen sociale of ecologische kosten meer in de tarieven doorrekenen, het cascadeprincipe behouden, een tariefcomponent invoeren op basis van capaciteit en een afzonderlijke netkost toepassen voor injectie en afname. Dit impliceert dus ook de afschaffing van de terugdraaiende teller. • De ondersteuning voor nieuwe, hernieuwbare energieprojecten evolueert van exploitatiesteun naar investeringssteun. Op middellange termijn wordt alleen nog niet rijpe technologie ondersteund, bij voorkeur via R&D. Het is belangrijk dat de klimaatproblematiek aangepakt wordt, maar deze initiatieven moeten gekaderd worden in een mondiale aanpak om markt- en/of concurrentieverstoringen te voorkomen. Ook de impact hiervan op de bevoorradingszekerheid en de concurrentiepositie moeten steeds in rekening worden gebracht. Het is daarom ook aangewezen om maar één bindende doelstelling voor de reductie van broeikasgassen te definiëren en via instrumenten zoals energieefficiëntie en hernieuwbare energie deze doelstelling mee te helpen onderbouwen. • De Vlaamse regering blijft inzetten op energie-efficiëntie, maar focust de inspanningen en normering daarvoor vooral op huishoudens en transport. • De Vlaamse regering trekt volop de kaart voor een innovatief energiesysteem met onder meer aandacht voor de opslag van elektriciteit, meer interconnectie en flexibilisering van de vraag door de integratie van slimme toestellen en netten. >> FEDERAAL • Er wordt gestreefd naar een gediversifieerde energiemix en -infrastructuur die leidt tot een zekere en betaalbare beschikbaarheid van energie op ieder moment, waarbij alle competitieve bestaande en beloftevolle, nieuwe energiebronnen ingezet moeten kunnen worden. • De federale regering waakt erover dat de doorrekening van de offshore windmolenparken de concurrentiepositie van energie-intensieve ondernemingen niet in het gedrang brengt. Indien de totale steun die nodig is om aan de betrokken investeerders een marktconform rendement te bieden, te hoog oploopt, dient deze steun te worden gefinancierd via de algemene middelen. • De vraag- en aanbodsturing van elektriciteit (flexibiliteit) wordt verder uitgebouwd en ondersteund. >> EUROPEES • Er komt een betere afstemming van het energie- en klimaatbeleid, waarbij rekening gehouden wordt met de impact op de concurrentiekracht van ondernemingen en de bevoorradingszekerheid. • Er wordt een interne energiemarkt ingevoerd: het energiebeleid van de verschillende lidstaten en de economische randvoorwaarden opgelegd aan energiebedrijven worden geharmoniseerd om tot een meer concurrentiële en efficiënte markt te komen. “Een deugdelijk energiebeleid zet in op energie-efficiëntie.” 30 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 ENERGIE 31 Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren < Vaststellingen Verloren file-uren tijdens één jaar België koploper in file-uren Bron: INRIX, 2013 80% van de mobiliteitsuitgaven (Vlaams en federaal) gaat naar 10% van de verplaatsingen Mobiliteitsuitgaven (Vlaams en federaal) Bron: SERV 32 Aandeel in verplaatsingen Wegennet Openbaar vervoer VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 We scoren een bedenkelijk Europees record: we staan gemiddeld 59,7 uur per jaar in de file. En de vooruitzichten zijn allesbehalve rooskleurig. Het Federaal Planbureau verwacht, als we niets doen, een verdere daling van de gemiddelde snelheid op de weg met 29,3% tijdens de spits tegen 2030. Een vlotte mobiliteit en bereikbaarheid zijn nochtans essentieel voor onze bedrijven en onze welvaart. De logistieke troeven van onze regio staan onder druk. Het succes van iedere onderneming staat of valt met de effectiviteit en de efficiëntie van de logistieke activiteiten. Vlaanderen mag trots zijn op haar prominente plaats in het Europese logistieke landschap, maar dreigt haar toppositie te verliezen door steeds heviger wordende concurrentie van de omringende regio’s. Berusten in onze natuurlijke geografische troeven volstaat niet. Supply-chain-kansen grijpen, betekent investeren in groei, toegevoegde waarde en innovatie. Verschillende beleidsmaatregelen zijn nodig om een verschuiving van verplaatsing en/of gekozen modus te stimuleren. Een doordacht invoeren van een kilometerheffing voor alle wegvervoer en het openbaar vervoer spelen hierbij een belangrijke rol. Het openbaar vervoer heeft nog steeds een marginaal aandeel in het aantal verplaatsingen, de miljarden overheidssteun ten spijt. De overheid kan de middelen voor openbaar vervoer maar één keer inzetten: wij kiezen eerder voor kwaliteit en uitbreiding van het aanbod in functie van de vraag dan voor gratis rijden. > Analyse Investeren in de toekomst Economische activiteit bestaat bij de gratie van een goede infrastructuur. Wil Vlaanderen de vruchten blijven plukken van haar rol als logistieke hub van Europa, dan moet er geïnvesteerd worden. De achterstand in infrastructuurinvesteringen in vergelijking met de buurlanden moet Vlaanderen dringend wegwerken. De Vlaamse regering moet jaarlijks 150 miljoen extra investeren in mobiliteitsinfrastructuur. Essentiële ontbrekende schakels om onze logistieke toppositie te kunnen vrijwaren en verbeteren, moeten prioritair worden aangepakt. Niet het minst gaat het hierbij om het afwerken van de ringstructuur rond Antwerpen met de Oosterweelverbinding en het aanpassen van de Brusselse Ring. Vlaanderen dient de toenemende congestie op onze wegen versneld aan te pakken met zogenaamde ‘quick wins’. Mobiliteitsmanagement, infrastructurele aanpassingen en het spreiden van leveringstijden zijn maatregelen met snelle resultaten tegen een beperkte kostprijs. Ook een andere fiscaliteit volgens het ‘gebruiker betaalt’-principe werkt file-verminderend. De invoering van een kilometerheffing enkel voor vrachtwagens lost de congestie niet op, zo blijkt uit een studie van het Federaal Planbureau. Bovendien dreigt een alleenstaand Belgisch initiatief de concurrentiepositie van ondernemend Vlaanderen en van de zeehavens aan te tasten. Een slimme kilometerheffing voor goederen- én personenvervoer kan de congestieproblematiek verbeteren, indien ze ingevoerd wordt in samenwerking met de buurlanden en indien dat gebeurt in combinatie met een kwalitatief aanbod aan alternatieven. De slimme kilometerheffing kan ook enkel mits een maximale kostenneutraliteit voor de werkgever en een verlaging van de bestaande belastingen op voertuigenbezit. De eventuele extra opbrengsten van de kilometerheffing worden prioritair besteed aan een performant wegennet. MOBILITEIT Spoorwegen zijn een deel van de ruggengraat van het verkeers- en vervoerssysteem, maar Vlaanderen heeft er maar een zeer beperkte impact op. Vlaanderen heeft andere prioriteiten op haar vervoersnetwerk dan de NMBS voorziet. Bovendien is de infrastructuurplanning van de NMBS niet afgestemd op de Vlaamse behoeften door de 60/40-regel, die bepaalt hoeveel investeringen er naar respectievelijk Vlaanderen en Wallonië mogen gaan. Economische poorten Concurrentie tussen de Vlaamse havens ten nadele van de Vlaamse economie moet aangepakt worden. Onze economische poorten, met name de Vlaamse zeehavens en de luchthaven van Zaventem, zijn het bewijs van onze logistieke kracht als regio en dragen op een structurele wijze bij aan de economische ontwikkeling van onze regio. Samenwerkingsverbanden tussen de havens, zeker op vlak van een gezamenlijke achterlandstrategie of ‘corridordenken’, moeten concreet worden gemaakt. De huidige ‘aanmoediging’ van Flanders Port Area moet ambitieuzer zijn en de commerciële samenwerking moet zo snel mogelijk in praktijk gebracht worden, indien neutraal onderzoek de meerwaarde ervan bevestigt. > “Wil Vlaanderen de logistieke hub van Europa blijven, dan moet er in infrastructuur geïnvesteerd worden.” 33 Mobiliteit en logistiek: toppositie vrijwaren >Analyse (vervolg) De Vlaamse zeehavens moeten het hoofd kunnen bieden aan uitdagingen binnen een mondiale context en de hevige concurrentiestrijd in de Hamburg-Le Havre range. Om een strategie uit te tekenen die ten volle rekening houdt met een internationale competitieve marktbenadering, is er nood aan corporate governance responsabilisering van de leden van de raden van bestuur en een invulling van de zeehavenbesturen met de juiste (ook externe) expertise. Belemmerende elementen die onze concurrentiepositie aantasten, moeten worden aangepakt. Het toepassingsgebied van de Wet Major moet gemoderniseerd worden, zodat logistieke activiteiten meer ontwikkelingskansen krijgen binnen het havengebied. De blijvende rechtsonzekerheid over het geluidskader en over de exploitatiemogelijkheden van de luchthaven van Zaventem, verhindert een groei die gelijke tred houdt met de concurrerende luchthavens van Frankfurt, Londen, Amsterdam en Parijs. Een officiële bekrachtiging van het START-programma verzekert een sterke en heldere langetermijnvisie voor de luchthaven. De huidige organisatie van de douane vormt eerder een barrière. Ze zou eerder een ondersteunende en faciliterende rol moeten opnemen ter bevordering van de handelsfuncties die onze logistieke sector en zee- en luchthavens verzorgen. De concurrentiepositie van onze ondernemingen en van logistiek Vlaanderen wordt nochtans sterk bepaald door de efficiënte werking van de douane. Dit vraagt op de eerste plaats een goede organisatiestructuur met rechtszekere en doeltreffende douaneprocedures, onder meer op het vlak van dienstverlening, controle, inning en veiligheid. Duurzaam verplaatsingsgedrag >> Voorstellen >> VLAAMS • Vlaanderen halveert het verschil met de buurlanden inzake investeringen door het infrastructuurbudget binnen het domein ‘Mobiliteit en Openbare Werken’ met 150 miljoen euro per jaar extra op te trekken (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten). • De Vlaamse overheid prioritiseert infrastructuurprojecten op basis van een objectieve analyse, gevoed door voorafgaandelijke beslissingscriteria. De maatschappelijke kostenbatenanalyses bevatten een uitgebreide impactanalyse van infrastructuurinvesteringen in modi en havens op andere modi en andere havens. Om het woon-werkverkeer te verduurzamen en de bereikbaarheid voor werkend Vlaanderen te kunnen blijven garanderen, moet er ingezet worden op verschillende middelen. Naast het beter benutten van onze infrastructuur door onder meer fiscale maatregelen zoals de kilometerheffing, moet ook het openbaar vervoer beter inspelen op de behoeften in de samenleving. Dit impliceert een aanbod in functie van de vraag, een andere prijszetting, een verbeterde betrouwbaarheid, capaciteit, frequentie en co-modaliteit. Het voorzien van voldoende en veilige parkings voor auto en fiets draagt hiertoe bij. • Er wordt ingezet op een betere capaciteitsbenutting van de infrastructuur door ‘quick wins’: infrastructurele ingrepen, versterkte inzet van telematica en bevordering van flexibilisering van arbeids- en levertijden. • De Vlaamse overheid maakt, in samenwerking met de buurlanden, werk van een slimme kilometer heffing voor personen- en goederenvervoer in combinatie met een kwalitatief aanbod aan alternatieven. De slimme kilometerheffing kan enkel mits maximale kostenneutraliteit voor de werkgever en een verlaging van de bestaande belastingen op voertuigenbezit. • Vlaanderen zal zijn impact op de infrastructuurplanning van de NMBS ingrijpend verhogen vanuit een ambitieuze en duidelijke Vlaamse spoorstrategie. Ook de ontsluiting van bedrijventerreinen via collectief vervoer moet verbeteren. Het organiseren van shuttlediensten moet toelaten om op maat van de bedrijventerreinen de beste vervoersoplossing te kiezen en daarvoor steun te verlenen. • De Vlaamse overheid verplicht elke Vlaamse zeehaven om vanuit de strategische plannen naar interportuaire synergiën te zoeken op vlak van achterlandstrategie. • Vlaanderen stimuleert interportuaire commerciële samenwerkingsprojecten en voert een onafhankelijke analyse uit die het samenwerkingspotentieel tussen de Vlaamse zeehavens in kaart brengt. In functie van de resultaten hiervan wordt de samenwerking zo snel mogelijk in de praktijk gebracht. Een mobiliteitsbudget laat toe de mobiliteitsopties voor een werknemer te verruimen. De uitwerking van een aangepast fiscaal kader is nodig om andere vervoersopties financieel even aantrekkelijk te maken als de bedrijfswagen, zowel voor werknemer als werkgever. De bedrijfswagen blijft immers tot nader order een noodzakelijk instrument om de hoge loonlasten in ons land te milderen en een belangrijk werkinstrument voor heel wat beroepsactieven. • De raden van bestuur van de vier Vlaamse zeehavens werken volgens de principes van corporate governance en bestaan uit de juiste mix van (ook externe) expertise. • De Vlaamse regering kiest resoluut voor het verder uitvoeren van het START-programma en zorgt voor een rechtszeker kader voor de luchthaven van Zaventem. • De Vlaamse overheid zorgt voor slim openbaar vervoer dat uitgaat van vraaggericht beleid. Hierbij staan netmanagement en een beheerscontract met een Service Level Agreement voor De Lijn centraal. Ook het aanbod (inclusief basismobiliteit) en de tariefpolitiek worden door Vlaanderen bijgestuurd zodat de kostendekkingsgraad van de VVM De Lijn structureel kan toenemen. • Bedrijventerreinen worden beter ontsloten door het ondersteunen van shuttlediensten. >> FEDERAAL • De Belgische douane voert een pro-actief IT-beleid en neemt zo een strategische voorsprong op buurlanden. De Belgische douane is voortrekker van gecoördineerd grensbeheer dat tegen 2016 functioneel is. • De federale overheid maakt werk van een betere rechtsbescherming van de aangever. De verhoging van de rechtszekerheid maakt België aantrekkelijker als douane-hotspot. • De federale overheid hervormt het toepassingsgebied van de Wet Major met het oog op een level playing field tussen logistieke activiteiten in en buiten de haven. “Samenwerkingsverbanden tussen de havens moeten concreet worden gemaakt.” 34 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 MOBILITEIT • Om de co-modaliteit en een meer gedifferentieerde besteding van het mobiliteitsbudget mogelijk te maken, past de federale overheid het fiscaal kader van vervoersalternatieven aan, zodat zij een aantrekkelijk alternatief vormen als aanvulling bij de bedrijfswagen. 35 Ruimte om te ondernemen < Vaststellingen Ruimtelijke ambities waarmaken Vereenvoudiging Efficiënt milieubeleid Als Vlaanderen zijn ruimtelijke ambities wil waarmaken, moet zij meer ruimte laten aan privé-investeerders om op innovatieve wijze onze maatschappelijke doelen te realiseren. In plaats van verbods- en gebodsbepalingen op te sommen, moet Vlaanderen een kader scheppen dat voldoende ruimte laat opdat ontwikkelaars ruimtelijke doelen kunnen realiseren in een voor hen interessante context. De samenstelling van het aanvraagdossier voor een vergunning, het detailniveau van bouwaanvragen en de inhoudelijke beoordeling van een vergunningsdossier kunnen eenvoudiger. De conceptnota van de omgevingsvergunning kaartte dit al aan. Door onderscheid te maken in het gewicht van het milieutechnisch deel dan wel van het stedenbouwkundige deel van een dossier, kan administratief veel worden vereenvoudigd. Europese bedrijven moeten opereren onder hetzelfde milieunormenkader. De ambitie van de Vlaamse regering om geen ‘gold plating’ toe te passen bij invoering van Europese richtlijnen dreigt te worden ondergraven door Vlaamse BBT-studies die verder gaan dan de studies welke aanvaard zijn op Europees niveau. Eens deze Vlaamse BBT-studies verankerd worden in VLAREM, moeten Vlaamse bedrijven aan deze normen voldoen. Vlaamse bedrijven lijden hierdoor een concurrentieel nadeel ten aanzien van hun buitenlandse concurrenten. Ons planningsproces in Vlaanderen is te statisch, te formalistisch en dus te traag. Onderzoeken verlopen onvoldoende geïntegreerd en de beslissingsbevoegdheid ligt nog te dikwijls bij administraties in plaats van het democratisch verkozen orgaan. Projecten worden belemmerd of onmogelijk gemaakt en Vlaanderen loopt hierdoor investeringen mis. Bijzondere aandacht wordt gevestigd op de wijze waarop milieueffectenrapportages (MER’s) en omgevingsveiligheidsrapportages (OVR’s) vandaag worden uitgevoerd. Zowel de invulling die men aan een MER- of OVR-rapport geeft, alsook de kwaliteitscontrole op het rapport, zijn voor vereenvoudiging vatbaar. Tekort aan bedrijventerreinen Algemeen belang primeert Het algemeen belang moet vooropstaan en rechtsbescherming moet sneller en beter. Ondanks de verhoogde aandacht voor communicatie en vooroverleg lopen grote (infrastructuur) projecten jaren vertraging op omdat te vaak wordt toegestaan dat individuele belangen primeren op het algemene belang. Eens een vergunning is afgeleverd, volgt dikwijls een lang natraject omwille van administratieve beroepen. Alle verbeteringen in het voortraject en het eigenlijke vergunningsproces worden daardoor teniet gedaan. Onze regelgeving en onze rechtsbescherming moeten daarom worden gemoderniseerd. Vlaamse bedrijven mogen niet gehinderd worden in hun ondernemen door het waterbeleid. Bedrijven en overheid dienen samen een efficiënt en pragmatisch waterbeleid uit te stippelen dat ondernemen en groeien in Vlaanderen mogelijk maakt. > Zesde staatshervorming “Als Vlaanderen zijn ruimtelijke ambities wil waarmaken, moet zij meer ruimte laten aan privé-investeerders.” 36 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 In sommige regio’s is er een nijpend tekort aan bedrijventerreinen. Naast een aanbodtekort ligt de oorzaak meermaals in het kunstmatige onderscheid tussen lokale en regionale bedrijventerreinen. Afhankelijk van het type bedrijventerrein gelden andere vereisten inzake de perceeloppervlaktes. Lokale bedrijventerreinen van 5 ha moeten bedrijfspercelen voorzien waarbij het individuele bedrijfsterrein maximum 5.000 m2 mag bedragen. In de praktijk is het onderscheid tussen een lokaal en regionaal bedrijf niet eenduidig te maken en is er vaak geen correlatie tussen deze indeling en de ruimtevraag. Een lokaal bedrijf met een ruimtevraag groter dan 5.000 m2 wordt hierdoor belemmerd in haar uitbreidingsmogelijkheden. De zesde staatshervorming voorziet de regionalisering van de handelsvestigingswet. De Vlaamse regering wil de socio-economische toelating behouden in afwachting van een integratie in de komende omgevingsvergunning. De voorgestelde toetsingscriteria in de winkelnota 2.0 zijn alvast te ruim. Aanduiden van ‘kernwinkelgebieden’ en ‘winkelarmegebieden’ is geen goed idee. Vooral de denkpiste om assortimentsbeperkingen op te nemen in ruimtelijke uitvoeringsplannen zal nefaste gevolgen hebben vermits dit enkel leegstand in de hand zal werken. Ruimtelijke plannen worden immers gekenmerkt door hun statisch karakter en een gebrek aan flexibiliteit. Dat druist regelrecht in tegen de dynamiek die handel en economie kenmerkt. RUIMTE “Ons planningsproces in Vlaanderen is te statisch, te formalistisch en dus te traag.” 37 Ruimte om te ondernemen < Vaststellingen (vervolg) Ondernemingen vertegenwoordigen slechts 8% van de neerslag van verzurende stoffen Ondernemingen 8% Landbouw 30% Huishoudens 5% Transport 10% Buitenland 47% Bron: berekeningen o.b.v. Vlaamse Milieu Maatschappij, 2012 Quick wins opgebruikt Procedures vereenvoudigen en versnellen De industrie heeft de laatste jaren veel geïnvesteerd voor een groenere economie. De quick wins zijn echter opgebruikt. Onderzoek wijst uit dat onze bedrijven maar een beperkte bijdrage leveren in tal van milieudrukken. Ten onrechte blijft de focus gericht op de vergunningsplichtige activiteiten. Problematische milieudrukken in Vlaanderen zoals fijn stof of NOx zijn echter vooral afkomstig uit het buitenland of van niet-vergunningsplichtige activiteiten (verkeer, houtkachels,...). De focus moet worden verlegd. Gelet op de mate van overschrijding van bepaalde milieudrukken dreigt het gevaar dat vergunningen systematisch worden geweigerd of voorwaarden worden opgelegd die verder gaan dan de best beschikbare technieken (BBT). Om dit te vermijden moet een rechtszekere, programmatische en planmatige aanpak worden uitgewerkt voor het terugdringen van de overschrijdingen van de milieudrukken met de zwaarste impact. Een pragmatische bottom-up aanpak is een garantie op uitvoering, terwijl een loutere top-down visie al te vaak heeft geleid tot immobilisme. Het ontwerpdecreet ‘Complexe Projecten’ kan voor een aantal punten als vertrekbasis gelden, maar het toepassingsgebied van dit decreet is beperkt. Ook projecten die niet onder de noemer van groot maatschappelijk belang vallen, hebben baat bij een geïntegreerde, dynamischere en realisatiegerichte benadering. “Europese bedrijven moeten opereren onder hetzelfde milieunormenkader.” 38 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 > Analyse Een doorgedreven integratie van het planMER/OVR-proces in het RUP moet tot gevolg hebben dat de goedkeuringsstap door de dienst MER/OVR sneller gaat. Buiten Vlaanderen bestaat nergens een systeem van expliciete ‘kwaliteitscontrole’ door een administratie in het planproces (studie Arcadis 2009). Vermits we in Vlaanderen werken met erkende MER-deskundigen, moet de goedkeuringsstap door de dienst MER sneller kunnen. Dezelfde redenering kan worden doorgetrokken naar het projectniveau. Voor project-MER- en OVR-plichtige activiteiten wordt overigens in het ontwerpdecreet van de omgevingsvergunning een integratie voorzien van de MER/OVR in de vergunningsprocedure wat een versnelling van zes maanden kan betekenen. Dit belangrijk potentieel aan tijdswinst moet met de uitvoeringsbesluiten en de implementatie verzekerd worden. Sinds het decreet ruimtelijke economie is er veel vooruitgang geboekt inzake de monitoring van beschikbare en ontwikkelbare oppervlakte aan bedrijventerreinen. Deze monitoring moet verder worden ontwikkeld zodat de ‘ijzeren voorraad’-strategie verder uitgewerkt kan worden. Een evenwichtige verdeling over Vlaanderen is daarbij noodzakelijk om te vermijden dat er in bepaalde regio’s een structureel tekort is aan bedrijventerreinen. Doel moet zijn dat zodra er subregionaal een tekort optreedt, dit signaal wordt opgepikt en nieuwe planningsinitiatieven de ijzeren voorraad opnieuw aanvullen. RUIMTE De kunstmatige onderverdeling tussen lokale bedrijventerreinen en regionale bedrijventerreinen moet worden geschrapt. De minimum perceeloppervlaktes mogen hoogstens als richtinggevend beschouwd worden. De huidige ‘afbakening’ van de economische structuur laat weinig ruimte voor ontwikkelingen die vanuit economisch oogpunt toch wenselijk zijn. Er moet daarom flexibeler omgesprongen kunnen worden met het begrip economische structuur. Dit impliceert dat de strikte afbakening tussen buitengebied en stedelijk gebied verlaten moet worden. De omgevingsvergunningsaanvraag moet eenvoudiger, dunner en sneller zijn dan de eenvoudige optelsom van de huidige milieuen bouwvergunningsaanvraag. Enkel de gegevens die noodzakelijk zijn om over de vergunningsaanvraag te beslissen, moeten in het vergunningsdossier onmiddellijk aanwezig zijn. Gegevens die nodig zijn omwille van andere administratieve processen (heffingen, kadaster,…) kunnen nadien verzameld worden. > “Er mag in geen enkele regio een structureel tekort zijn aan bedrijventerreinen.” 39 Ruimte om te ondernemen > Analyse (vervolg) Afhankelijk van de situatie (ligging, klasse bedrijf, aard, aanvraag,...) moet het gewicht van de stedenbouwkundige en de milieutechnische afweging verschillen. Binnen een havengebied is bijvoorbeeld de milieuafweging in principe substantiëler dan de ruimtelijke afweging gelet op de aard en het karakter van de omgeving. Bij een bedrijf dat verweven is in een woonomgeving of gelegen is in de open ruimte, wint de ruimtelijke afweging aan belang. Er moet blijvend worden ingezet op de verbetering van de werking en organisatie van onze administratieve rechtscolleges. In 2012 wijzigde de rechtsplegingsprocedure bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Een wetsvoorstel om de procedure aan te pakken bij de Raad van State is hangende. De toekomst zal uitwijzen wat de positieve effecten zijn van onder andere de invoering van de administratieve lus. Doorlooptijden moeten korter. Zorgwekkend is dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen in haar jaarverslag 2011-2012 zelf aangeeft dat de gemiddelde behandelingstermijn voor dossiers waarin zowel de vernietiging als de schorsing wordt gevorderd, maximaal teruggebracht kan worden tot anderhalf jaar. Dit blijft te lang. De socio-economische toelating moet worden geïntegreerd in de omgevingsvergunning. De regionalisering van deze materie mag in geen geval leiden tot bijkomende voorwaarden. >> Voorstellen >> VLAAMS Verantwoord natuur- en milieubeleid • Creëer een kader dat aan de private actoren ruimte laat om op innovatieve wijze ruimtelijke ambities te realiseren, door middel van een realisatiegerichte benadering, zonder te stringente gebods- en verbodsbepalingen. Een programmatische aanpak is een gebiedsen sectoroverschrijdend integraal programma om een bepaalde milieuproblematiek het hoofd te bieden. Het beoogt de realisatie van bepaalde milieu- en natuurdoelen en maakt tegelijkertijd duurzame economische ontwikkelingen mogelijk. De kern bestaat uit het maken van afspraken om een milieuprobleem aan te pakken op verschillende niveaus en vanuit verschillende sectoren. Het deel van de afname van de depositie die door bestaande en nieuwe brongerichte maatregelen kan worden bereikt, moet vervolgens worden benut voor nieuwe ontwikkelingen. Cruciaal is dat telkens een beeld wordt gegeven van alle bronnen en hun respectievelijke bijdragen, zodat de juiste bronnen kunnen worden geviseerd. • Maak planning dynamischer en flexibeler, wat onder meer impliceert dat de strikte afbakening tussen buitengebied en stedelijk gebied wordt verlaten. • Zorg dat de beslissingsbevoegdheid ligt bij het democratisch verkozen orgaan. Verander zodoende de (formele) controlerende rol van de diensten MER en OVR in een louter faciliterende rol. • De samenstelling van het vergunningsaanvraagdossier en het detailniveau van sommige bouwplannen kan in bepaalde dossiers sterk worden vereenvoudigd. • Garandeer dat voor de MER- en OVR-plichtige activiteiten via het integratiespoor de beoogde verkorting van de vergunningsduur ook effectief wordt gerealiseerd. • Afhankelijk van de situatie (ligging, klasse bedrijf, aard aanvraag,...) moet het gewicht van de stedenbouwkundige en de milieutechnische afweging verschillen. • Er moet blijvend worden ingezet op de verbetering van de werking en organisatie van de Raad voor vergunningsbetwistingen. De minimumtermijnen moeten worden ingekort. Opdat middelen efficiënt worden ingezet en om het Europese level playing field te garanderen dienen Vlaamse BBT-studies slechts te worden opgestart wanneer voldaan is aan één van de volgende voorwaarden: • De socio-economische toelating moet worden geïntegreerd in de omgevingsvergunning. De regionalisering van deze materie mag in geen geval leiden tot bijkomende voorwaarden. • Om kritische milieudrukken aan te pakken is het noodzakelijk dat alle bronnen en hun respectievelijke bijdragen in kaart worden gebracht en dat de focus wordt gelegd op die bronnen die de grootste bijdrage leveren (programmatische aanpak). • het betreft een Vlaamse prioriteit, zoals blijkt uit het Vlaams Regeerakkoord • Europese bedrijven moeten opereren onder hetzelfde milieunormenkader (gelijk speelveld). Vlaamse BBT’s kunnen pas wanneer voldaan is aan één van de vooropgestelde voorwaarden. • het betreft een milieuprobleem, zoals blijkt uit het overschrijden van één of meerdere Europese milieukwaliteitsnormen • De waterwetgeving moet herwerkt of geherstructureerd worden om het waterbeleid toegankelijk te maken. • Een transparante en pragmatische aanpak van ons waterbeleid is noodzakelijk. Zo moeten heffingen gebaseerd zijn op werkelijk geloosde debieten en moet de oorsprong van de gehanteerde omzettingscoëfficiënten transparant worden. Flankerende maatregelen zijn noodzakelijk: het grijswaterbesluit kan bijgestuurd worden inzake de instapdrempels, investeringssteun voor waterbesparende maatregelen,… • een (sub)sector kan Vlaamse milieuvoorwaarden (die niet Europees worden bepaald) niet halen >> FEDERAAL Belangrijk is dat opgestarte BBT-studies alle relevante bronnen dienen te beschouwen (en zich niet uitsluitend richten op de vergunningsplichtige inrichtingen). • Er moet blijvend worden ingezet op de werking en organisatie van de Raad van State. Dit moet sneller en beter. De uitspraakmogelijkheden moeten worden aangepast zodat de Raad zich niet meer kan schuilen achter de schending van één formele verplichting (bv. de wijze van kennisgeving) wanneer uit het administratieve dossier duidelijk blijkt dat de belangen van de rechtzoekende niet op ongeoorloofde wijze zijn geschaad (individueel belang versus algemeen belang). “Het natuur- en milieubeleid moet sociaal-economisch verantwoord zijn.” 40 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 RUIMTE 41 < Vaststellingen % bbp Investeringen in O&O onder doel 3% Totale investeringen in O&O in 2011 Bron: MST Indicators (OECD) en Vlaams Indicatorenboek, 2013 (ECOOM) Het aantal innovatieactoren in Vlaanderen explodeert: bijna tweehonderd organisaties • 50 projecten Fabriek van de Toekomst • 21 Steunpunten Beleidsrelevant Onderzoek • 5 Strategische Onderzoekscentra: imec, VIB, iMinds, VITO, Maakindustrie • 12 Competentiepolen/Lichte structuren: VIL, VIM, Fl Drive, Fl Food, Fl InShape, Fl Synergy, SIM, CMI, FISCH, MIX, Sociale Innovatiefabriek, i-Cleantech • 2 MIC’s, Flanders’ Care, Proeftuin Zorginnovatie, Proeftuin Elektrisch rijden, Proeftuin Woningsrenovatie, Kenniscentrum Mediawijsheid • Departement EWI, IWT (O&O-projecten, SBO, Baekeland, Innovatiemandaten, VIS-trajecten, TETRA, TBM, TGO, CICI), FWO (bursalen, projecten, Odysseus, Methusalem), BOF, IOF, Europaplatform, Agentschap Ondernemen, FIT, Vleva, Herculesstichting, VRWI, SERV (Stichting Innovatie en Arbeid), PMV (Vinnof, Tina, Fl Care Invest, SOFI, GIMV-XL), ARKimedes, BAN, LRM • 5 provinciale Innovatiecentra, 5 AO-afdelingen, 5 FIT-afdelingen • 5 TTO’s, LED’s (Laagdrempelige Expertise- en Dienstverleningscentra) • DSP Valley, Generaties, Linear, Energyville, MIP3, Greenbridge, BioBase Europe, ILVO, INBO, VLIZ, VLAKWA, Gamefonds, Mediafonds, Technopolis, Flanders DC, RVO-Society, VSC, SGF, Powerlink, VCK, Miummm, Ghent Bio Energy Valley, Innotek, SPK, Flanders Smart Hub, Leuven.Inc, Gent BC, ConnAct, FoodGate, Plan C, Kamp C, OMC, WaterstofNet, Bike Valley, CeDuBo, IncGeo, VIGC, MeubelInnovatieCluster, InHam, MediaNet Vlaanderen, BioVille, CreativeVille, Cleantech Campus… • Actieplan Innovatief Aanbesteden, Innovation@Work, CICI • VON, VIN, EEN 42 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Innoveren is de beste optie om de economie weer op het spoor te zetten. Temeer omdat blijkt dat die landen die fors investeren in onderzoek en ontwikkeling, ook sneller van de crisis herstellen. In de huidige kennisgedreven wereldeconomie is vooral de transformatie van de kennis naar innovatie, de motor van economische ontwikkeling en welvaartscreatie geworden. Dit geldt in het bijzonder voor een kleine open economie. Wat betreft de investeringen in onderzoek en ontwikkeling bevindt Vlaanderen zich nog ver onder het niveau van de koplopers, zoals de Scandinavische landen en Duitsland. Vlaanderen behoort dan ook eerder tot de innovatievolgers in Europa en niet bij de innovatieleiders. De Vlaamse overheid en de Vlaamse bedrijven investeerden in 2011 samen in totaal 2,4% van het bbp in onderzoek en ontwikkeling. Niet slecht maar toch nog een heel eind van de vooropgestelde 3%-doelstelling. Een van onze grootste uitdagingen zit precies in het omzetten van de aanwezige kennis, knowhow en ervaring in nieuwe commerciële toepassingen: op dat vlak kunnen we nog een tandje bijsteken. De kennisbasis aanwezig binnen de onderzoeksinstellingen en in het Vlaamse bedrijfsleven is van wereldklasse. Daar ontbreekt het ons dus zeker niet aan. Het aantal overheids(gefinancierde) structuren, agentschappen, organisaties blijft maar verder aangroeien. Het Vlaamse innovatielandschap is daardoor zeer gefragmenteerd, zeer versnipperd, weinig overzichtelijk en daardoor moeilijk toegankelijk geworden. > Analyse Resoluut investeren in innovatie De Vlaamse overheid investeerde in 2011 0,76% van zijn bbp in onderzoek en ontwikkeling (O&O). Bijkomende investeringen blijven nodig, ook in budgettair moeilijke tijden. Indien Vlaanderen effectief wil doorstoten tot de ‘Top 5’ van kennisintensieve regio’s zal het veel gedurfder en krachtdadiger moeten investeren in O&O. Om tegen 2020 de 1%-norm echt te bereiken, moet de Vlaamse overheid vanaf 2015 jaarlijks 150 miljoen euro extra in O&O investeren. Door zelf zwaar te investeren in O&O in combinatie met de creatie van een gunstig omgevingsklimaat, kan de Vlaamse regering de private innovatie-investeringen verder mobiliseren met het oog op het behalen van de 3%-norm. Overheidsinvesteringen in O&O onder doel van 1% % bbp Resoluut investeren in innovatie Bron: Vlaams Indicatorenboek, 2013 (ECOOM) Er moet niet alleen meer geïnvesteerd worden in onderzoek en innovatie, de investeringen moeten ook vooral en prioritair gaan naar innovatieprojecten en -initiatieven die inspelen op een reële vraag, een behoefte vanuit de markt. Dit biedt immers de grootste kansen op het scheppen van nieuwe economische activiteit, werkgelegenheid en welvaartscreatie. Het Vlaamse beleidsinstrumentarium wordt vandaag echter als overwegend wetenschappelijk en technologisch aanbodgedreven ervaren en vraagt dus om een betere kruisbestuiving met en aansturing vanuit de industrie. Bijgevolg moeten meer en een bredere waaier aan doelgroepbedrijven (van kleine tot multinationale onderneming) worden aangetrokken. Een stroomlijning van de verschillende overheidskanalen, -maatregelen en -informaties is noodzakelijk. De weg vinden in de talrijke subsidie- en steunprogramma’s is immers niet zo eenvoudig. Daarnaast is die stroomlijning van innovatie-, investerings-, financierings- en internationalisatiemaatregelen een belangrijke ondersteuning voor ondernemers op zoek naar potentiële partners, binnen andere bedrijven, maar ook binnen de kennisinstellingen en onderzoekscentra, in binnen- maar eventueel ook in buitenland. > INNOVATIE “Om de 1%-norm te bereiken, moet de Vlaamse overheid jaarlijks 150 miljoen euro extra in O&O investeren.” 43 Resoluut investeren in innovatie >Analyse (vervolg) Efficiëntie verhogen Er is – zoals een van de aanbevelingen van het tweede rapport van de Commissie Soete stelt – in Vlaanderen een dringende nood aan een vereenvoudiging en een vermindering van het aantal structuren en organisaties in innovatieland. Het aantal structuren en organisaties die zich in Vlaanderen bezighouden met het aanmoedigen van anderen om meer te innoveren of aan te zetten om met elkaar samen te werken, is gigantisch. De aangroei lijkt onverstoorbaar door te gaan, met ook de laatste jaren tal van nieuwe initiatieven en instrumenten, soms als antwoord op een reële vraag uit het veld, maar vaak ook als uiting van pure beleidswil. Door dergelijke versnippering worden de innovatiemiddelen niet op de meest efficiënte manier ingezet en vinden heel wat bedrijven hun weg niet meer naar de overheidssteun of naar innovatiepartners. Bestaande, goed functionerende initiatieven moeten worden geconsolideerd of zelfs versterkt uitgebouwd, terwijl anderen die onvoldoende effect sorteren, moeten worden bijgestuurd dan wel volledig afgebouwd. Uiteraard betekent dit dat keuzes worden gemaakt, wat niet wegneemt dat een beleidsportfolio niet dynamisch kan zijn. Door een betere stroomlijning en optimalisatie van de werking van de bestaande steunmaatregelen, kan een consistent continuüm van overheidsinstrumenten worden gecreëerd dat elke stap in een innovatieproces dekt. Het gaat dan niet zozeer over de creatie van nieuwe instrumenten, dan wel over het wegwerken van overlappingen, het op elkaar aansluiten en het verfijnen van de voorwaarden en procedures van bestaande instrumenten. Door bovendien meer vanuit de vraag en de realiteit van de klant-ondernemer de instrumenten te herdenken, zullen die automatisch beter aansluiten bij diens noden. >> Voorstellen >> VLAAMS • Om het innovatiebeleid effectiever te kunnen sturen, beheert één enkele Vlaamse minister de bevoegdheid economie, wetenschap en innovatie. • Integreer het IWT en Agentschap Ondernemen in één overheidsagentschap voor ondernemingen. Garandeer bovendien een maximale stroomlijning met FIT en PMV. • Betonneer een groeipad in de Vlaamse begroting om jaarlijks minstens 150 miljoen euro extra in wetenschap en innovatie te investeren (bruto-kost, dus voor terugverdieneffecten), teneinde te voldoen aan de internationale norm inzake publieke investeringen in O&O. • Optimaliseer IWT-innovatiesteun aan bedrijven: - door verdere afstemming van het bestaande AO- en IWT-instrumentarium; - voer maximumdrempels in voor de cofinanciering door het bedrijfsleven van het gedeelte dat door een onderzoeksinstelling wordt uitgevoerd; - schaf de de kwantitatieve beoordeling van de valorisatiehefboom af en hanteer een kwalitatieve strategische analyse op bedrijfsniveau; - maak strategisch basisonderzoek meer industrierelevant en marktgedreven door bedrijven meer aan het stuur te zetten; - vereenvoudig de gehanteerde terminologie (o.a. in procedures, in formulieren). Om het innovatiepotentieel bij alle ondernemers ten volle te benutten, moet bovendien gezocht worden naar manieren om meer ondersteuning in de latere fasen van het innovatietraject mogelijk te maken. De ontwikkelings- en testfasen vooraleer een nieuw product, dienst of concept effectief marktrijp wordt, vereisen vaak nog enorme O&O- of zelfs infrastructuurinvesteringen, maar kennen ook een zeer grote kans op mislukking. Precies in die laatste fasen kan de overheid nog een voorname rol spelen door ondernemers bij te staan. • Werk aan de verlenging van het ‘steunbaar’ innovatietraject richting vermarkting: - door het maximaal rekken van de steunverlening naar analogie met de huidige Europese trend binnen het Europese kaderprogramma voor Innovatie ‘Horizon 2020’; - door de invoering van een financieringssysteem via terugbetaalbare voorschotten; - door het opzetten van een investeringsinstrument voor (open) industriële onderzoeks- en testinfrastructuur. • Maximale rationalisatie in het overaanbod aan (semi)publieke agentschappen, structuren en beleidsinstrumenten op basis van een onafhankelijke, diepgaande doorlichting: - voeg overlappende, kleinschalige initiatieven samen of schaf ze af; - integreer de IWT-AO-FIT-PMV “front offices” met respect voor de huidige afspraken inzake actor-regisseurstaken. Andere uitdagingen waarop de overheid kan inspelen, omvatten onder meer het vereenvoudiging van de procedures en voorschriften die het mogelijk maken om vernieuwende producten en diensten op de markt te testen en te brengen, onderzoeksinstellingen aanmoedigen om nog meer constructief samen te werken met het bedrijfsleven, de kostprijs van het eengemaakt Europees patent beperken, zodat bedrijven overtuigd worden om hun innovatie beter te beschermen. • Verleen selectiever financiële steun aan collectieve structuren, die ofwel geleidelijk moeten kunnen doorgroeien, ofwel worden stopgezet in functie van de gerealiseerde economische hefboom. >> FEDERAAL • Optimaliseer de fiscale maatregel gedeeltelijke vrijstelling bedrijfsvoorheffing voor onderzoekers door het garanderen van een eenvoudige, eenmalige, rechstzekere procedure via een uniek e-loket bij Belspo. • Verruim de fiscale maatregel vrijstelling van belasting voor octrooiinkomsten door ook inkomsten uit software, merknamen, tekeningen en modellen vrij te stellen. >> EUROPEES • De Europese Commissie waakt er over dat industriële participatie aan Horizon 2020 permanente aandacht krijgt en zorgt voor bijsturing zodra bedrijven onvoldoende participeren. “De investeringen moeten prioritair gaan naar innovatieprojecten die inspelen op een reële vraag.” 44 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 • De Europese beleidsmakers moeten alles in het werk stellen opdat het Europese Eenheidsoctrooi, zo snel mogelijk en aan minimale kosten en met maximale bescherming aangevraagd kan worden. INNOVATIE 45 Onderwijs voor competitief talent < Vaststellingen Leerlingen kiezen vandaag te weinig voor richtingen waar hun talent ligt. Zo heeft het technisch en het beroepsonderwijs in de afgelopen tien jaar zowat 25% van al haar leerlingen verloren. Bovendien is de keuze voor een technische opleiding vaak negatief gepercipieerd. Met alle gevolgen van dien: knelpuntberoepen raken maar moeizaam ingevuld. De slaagcijfers in het eerste jaar hoger onderwijs zijn zorgwekkend. Zo slaagt meer dan 50% van de studenten in het eerste jaar niet volledig voor zijn jaar. Een enorme kost voor zowel de overheid, de instelling als de student zelf. 10% van de Vlaamse jongeren begint aan hun loopbaan zonder kwalificatie. Dit is voor velen een rechtstreeks ticket richting werkloosheid. Percentage vroegtijdige schoolverlaters Ongekwalificeerde uitstroom in Vlaanderen daalt niet Vlaanderen kent geen cultuur van leren op de werkvloer. Terwijl onze buurlanden al volop de kaart trekken van duaal leren en werken, staat het systeem in Vlaanderen nog in zijn kinderschoenen. Meer dan achttien verschillende statuten en werkvormen zorgen ervoor dat het systeem niet transparant is voor leerlingen, scholen en bedrijven. Internationale studies tonen aan dat de kennis van onze leerlingen achteruit gaat. Wellicht de bekendste, de PISA 2012 resultaten, tonen een daling van 23 punten op de PISA-schaal. Vlaanderen is daarmee een van de grootste dalers in Europa. Ook het aantal toppresteerders daalt jaar na jaar in Vlaanderen. Waar in 2012 nog een derde van de Vlaamse leerlingen een van de hoogste niveaus voor wiskundige geletterdheid bereikte, is dit in 2013 gezakt naar één leerling op vier. Goed gekwalificeerde leerkrachten worden schaars. Berekeningen voorspellen dat er tegen 2020 zowat 20.000 leerkrachten tekort zullen zijn in Vlaanderen. Het lerarenberoep wordt nog te vaak beschouwd als een weinig uitdagende carrière. Vlaanderen heeft een groot probleem met haar beginnende leerkrachten. Zo verlaat één op de vier jonge leerkrachten het onderwijs binnen de vijf jaar. Dit wordt vaak in verband gebracht met de hoge werkdruk en het vele voorbereidende werk. Er is vandaag onvoldoende ondersteuning om deze jonge leerkrachten ruimte te geven om zich voldoende in te werken. Bron: Steunpunt Studie- en Schoolloopbanen Jongens 46 Meisjes VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 > Analyse Snelheid halen Leerlingen moeten opnieuw kiezen voor de richting waar hun talent echt ligt. Dit kan door de hervorming secundair onderwijs snel te implementeren. Nog te veel maken leerlingen of ouders de keuze voor een bepaalde school op basis van imago, ligging, keuze van vrienden. Daarnaast zorgt de hiërarchie van de richtingen (ASO, TSO, BSO en KSO) ervoor dat men kiest voor de richting omdat men wil behoren tot een maatschappelijke groep met een bepaalde appreciatie. Men gaat daarbij te weinig uit van de capaciteit, het interessegebied of de arbeidsmarktkansen van bepaalde richtingen. Brede keuze Om tot een betere keuze te komen voor de leerling moet de oriënterende functie van de eerste graad verder uitgebouwd worden. Op 12-jarige leeftijd maken jongeren keuzes die hun verdere leercarrière zullen bepalen. Het is dan ook belangrijk dat jongeren met heel wat verschillende vakgebieden in aanraking komen. Niet het minst ook met technologische vakken. Die oriënterende functie wordt vandaag nog te weinig uitgespeeld, temeer omdat scholen hun aanbod in de eerste graad afstemmen op het aanbod van de tweede en derde graad. Door meer differentiatie in te bouwen in de eerste graad zullen leerlingen een betere keuze kunnen maken voor de latere jaren. Door technologische vakken beter aan te bieden, kunnen deze op termijn ook uitgroeien tot vakken waar men in kan excelleren. Het historisch gegroeide imagoprobleem van TSO, BSO en KSO kan omgebogen worden tot competitief voordeel. Momenteel is meer dan 15% van de Vlaamse jeugd werkloos. Nochtans is er meer dan ooit vraag naar technisch geschoold talent. De keuze voor een technische richting is dus een sterk voordeel op de arbeidsmarkt. Daarnaast zal het weghalen van de schotten tussen de verschillende richtingen een belangrijke rol spelen: is een richting arbeidsONDERWIJS marktgericht of enkel gericht op doorstroom? De clustering van de richtingen binnen bepaalde inhoudelijk sterk verwante richtingen zal niet alleen zorgen voor een rationalisering van het onderwijsaanbod (vandaag meer dan driehonderd richtingen) maar ook tot een kruisbestuiving van de verschillende niveaus. Vooral voor de arbeidsgerichte richtingen moet er werk gemaakt worden van een nauwe band tussen ondernemingen en de scholen. De negatieve trend in de ongekwalificeerde uitstroom moet omgebogen worden. Dit kan door werk te maken van een echt oriëntatiebeleid doorheen het onderwijs. Leerlingen moeten kunnen rekenen op een intensieve begeleiding van de leraars maar ook door het invoeren van tools als een niet-bindende oriënteringsproef. Zo’n proef kan, mits nauw overleg met de ouders en de klastitularis, ervoor zorgen dat de leerling nog voor de aanvang van het hoger onderwijs weet waar zijn sterktes of zwakten liggen. > “De keuze voor een technische richting is een sterk voordeel op de arbeidsmarkt.” 47 Onderwijs voor competitief talent >Analyse (vervolg) Onderwijs op de bedrijfsvloer De leerkracht centraal Het systeem van leren en werken moet in Vlaanderen een volwaardige leerweg worden. De systemen die vandaag al bestaan rond leren en werken, worden nog te veel gezien als een ‘alternatief’ voor een gewone schoolloopbaan. In de toekomst moet dit een heel normale leerweg zijn. Een onderneming kan een enorm uitdagende leerplek zijn voor leerlingen die geen voldoening vinden op school. Om dit te realiseren moet het huidige aanbod van meer dan achttien verschillende statuten en leerwegen aangepast worden. Duidelijke protocollen en standaard leerovereenkomsten, samen ontwikkeld door onderwijs en het bedrijfsleven, moeten ervoor zorgen dat meer ondernemers hun bedrijfsdeuren open willen zetten voor jongeren. Scholen en bedrijven die zich actief inzetten in het geassocieerde onderwijs moeten worden gestimuleerd door financiële en organisatorische incentives. Het lerarenberoep moet opnieuw een uitdagende job worden. Zo blijft het lerarenberoep nog veel te statisch. Evaluatie en bevorderingen zijn binnen de schoolcontext vaak onvoldoende uitgewerkt. Als we van het lerarenberoep opnieuw een positieve keuze met een maatschappelijk hoog aanzien willen maken, dan moet die loopbaan uitdagend zijn. Zo kunnen er diverse profielen ingebouwd worden. Leerkrachten met voldoende kwalificaties moeten aangemoedigd worden om meer verantwoordelijkheid op te nemen binnen de schoolstructuur. Dat moet gekoppeld worden aan een meer flexibele verloning naargelang de invulling van de lerarenloopbaan. De organisatie van leren en werken moet beter in kaart worden gebracht met duidelijke verantwoordelijken. Vandaag bestaan er al heel wat organisaties die actief bezig zijn rond het matchen van scholen en bedrijven. Willen we het systeem van leren en werken in de toekomst op grote schaal uitrollen, moeten we echter werk maken van een goed uitgebouwd systeem dat leerling en bedrijf dichter bij elkaar brengt. Er moet ook een duidelijke rolverdeling komen tussen alle instellingen en organisaties die vandaag al actief zijn in het begeleiden en toeleiden van leerlingen naar een kwaliteitsvolle werkplek. >> Voorstellen >> VLAAMS • Er wordt prioritair werk gemaakt van de uitvoering van de secundaire onderwijshervorming. De regering maakt een duidelijke timing en planning van de verschillende componenten van het plan in nauw overleg met de betrokken actoren. • De overheid maakt verder werk van het STEM-actieplan waarbij via concrete maatregelen leerlingen warm worden gemaakt voor technische richtingen. In de mate van het mogelijke wordt dit zoveel mogelijk gekoppeld aan de acties die worden genomen in het kader van de secundaire onderwijshervorming. • De Vlaamse regering maakt werk van de inventarisering van de verschillende richtingen in de nieuwe matrix van het secundair onderwijs. Er wordt versneld werk gemaakt van deze inventarisering. • De regering stimuleert open data in het onderwijs. Onderwijsinstellingen worden aangemoedigd tot het bekend maken van de resultaten van de school. Hierdoor kan er een beter beleid gevoerd worden op het vlak van ongekwalificeerde uitstroom en studieoriëntering. • De overheid maakt werk van een niet-bindende oriënteringsproef. Dit in nauwe samenwerking tussen de hoger onderwijsinstellingen en het leerplichtonderwijs om de hoge uitval in het hoger onderwijs tegen te gaan. Er wordt samen met de instellingen gezocht naar manieren om jongeren beter te begeleiden in hun studiekeuze. Beginnende leerkrachten moeten worden gestimuleerd om in het onderwijs te blijven. Dat kan door de toegang tot het beroep aantrekkelijker te maken. Het systeem van de vaste benoeming zorgt ervoor dat jonge leerkrachten maar moeilijk een plaats vinden en bijgevolg lange tijd in onzekerheid moeten werken. Een systeem waarbij jonge leerkrachten worden aangemoedigd door evaluaties en extra ruimte voor voorbereiding, moet ervoor zorgen dat minder leerkrachten al na korte tijd het onderwijs verlaten. • Het systeem van leren en werken wordt als volwaardige leerweg uitgebouwd in Vlaanderen. Hiervoor zorgt de overheid voor een aantrekkelijk en eenvoudig statuut voor werkgever en leerling. Daarnaast zorgt de overheid voor een duidelijke organisatiestructuur en manieren om leerlingen en bedrijven dichter bij elkaar te brengen. Samen met werkgeversorganisaties wordt er gezocht naar manieren om bedrijven te stimuleren die zich inspannen om werken en leren uit te rollen. • Het systeem van de vaste benoeming in de lerarenloopbaan wordt vervangen door een systeem van evaluatie en aanmoediging voor leerkrachten. • Speciale aandacht gaat uit naar de band tussen de leraren en de ondernemerswereld: voeling met de bedrijfswereld is essentieel. De zogenaamde zij-instromers (mensen vanuit andere sectoren dan het onderwijs) kunnen een boeiende verrijking zijn voor het onderwijs in Vlaanderen. Zij geven dan als brugfiguur tussen onderwijs en bedrijfsleven gestalte aan een nauwere samenwerking praktijk en theorie. Deze profielen worden maximaal ondersteund en aangemoedigd door een gelijkwaardige verloning als reguliere leerkrachten. • Het onderwijsbudget moet de volgende legislatuur beheersbaar blijven. Ook in onderwijs zal men in de volgende legislatuur de tering naar de nering moeten zetten. Zeker wat betreft de capaciteitsuitbreiding moet er gezocht worden naar manieren om de scholenbouw zo min mogelijk te laten wegen op het globale onderwijsbudget. Men kan hierbij gebruik maken van PPS-structuren of samen met de bedrijfswereld zoeken naar manieren om minder meer uit te geven. Om de werkingskosten beheersbaar te houden moet er in de volgende legislatuur ook werk gemaakt worden van de bestuurlijke schaalvergroting van schoolbesturen. Waar mogelijk kunnen fusies van kleinere scholen zorgen voor een betere inzet van de middelen. “Leren en werken op de bedrijfsvloer moet vanzelfsprekend worden.” 48 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 ONDERWIJS 49 Financiering om groei te ondersteunen < Vaststellingen Groei op jaarbasis in % Kredietverstrekking aan ondernemingen staat onder druk Bron: NBB Het spaarvermogen wordt voornamelijk op korte termijn aangehouden Traditioneel zijn het de banken die ondernemingen in Vlaanderen voorzien van vlotte financiering om hun activiteiten en groeiplannen te realiseren: sinds het uitbreken van de financieel-economische crisis in 2008 lijkt dit echter minder evident. Met hun winsten onder druk en de nog wat sombere economische vooruitzichten, hebben ondernemingen het ook moeilijker om hun groei uit eigen middelen te financieren en zijn banken wat terughoudender. Bedrijven gaan daarom actief op zoek naar alternatieve financieringsbronnen. De economische en financiële crisis heeft het vertrouwen van beleggers, bankiers en financiële markten aangetast. In plaats van ondernemingen te financieren, beleggen ze liever in minder risicodragende projecten, met een kortere looptijd en met meer zekerheden. Door verscherpte regelgevende kaders (Basel-III, Solvency-II) zullen de banken strengere, duurdere voorwaarden opleggen. Duizenden Anderzijds blijft de hoeveelheid spaargeld die de Belgen aanhouden, steeds verder toenemen, maar dit is vooral op de korte termijn. Wat het zogenaamde institutionele vermogen betreft, blijft België worstelen met een enorme achterstand. Bron: NBB Gereglementeerde spaardeposito’s Zichtdeposito’s In België kennen we dus een mismatch tussen een enorm volume aan kortetermijnspaarvermogen en aanzienlijke langetermijnfinancieringsbehoeften vanuit de bankwereld, het bedrijfsleven en de overheid. Het komt er op aan dit spaarkapitaal beter te mobiliseren in de richting van de langetermijnfinanciering. > Analyse Langetermijnsparen en -beleggen Alternatieve financieringsinitiatieven Vooreerst moet de spaarfiscaliteit aangepakt worden door een harmonisatie van de fiscaliteit op roerende inkomsten. De spaarfiscaliteit staat momenteel haaks op de economische nood aan een meer stabiele langetermijnfinanciering. Banken en ondernemingen hebben vooral behoefte aan een groter volume middelen die ze met een langere looptijd kunnen inzetten. De vrijstelling van roerende voorheffing op spaardeposito’s lokt te veel centen naar kortetermijnspaarrekeningen en ontmoedigt investeringen in aandelen of obligaties. Hoewel deze spaarmassa een vrij stabiele en daarom zeer belangrijke financieringsbron is voor de banken, vindt dit geld vrij moeilijk de weg naar de economie. Spaarders die bereid zijn wat risico’s te nemen, betalen een roerende voorheffing van 25%, terwijl de spaarder die de veiligheid opzoekt daar fiscaal voor beloond wordt en geen roerende voorheffing betaalt. Het omgekeerde is nodig en een gelijkschakeling van de fiscaliteit op roerende inkomsten is een stap in de goede richting. Als de klassieke aanbieders hun financiering terugschroeven, kunnen we andere, zoals de institutionele en private vermogens, mobiliseren om een voorname rol op te nemen in de langetermijnfinanciering van de actieve economie. Tal van partijen broeden op voorstellen om een grotere rol op te nemen in de verstrekking van langetermijnfinanciering aan bedrijven. Zij zijn ideaal geplaatst, want ze verzamelen middelen op de lange termijn waarvoor ze investeringsopportuniteiten op de lange termijn zoeken. Er is nood aan een pooling van middelen bij die vermogensbeheerders om aan risicospreiding te kunnen doen en voldoende kritische investeringsvolume te bekomen. Een ander alternatief vormt de creatie van de bedrijfskasbon. Dit is een financieel product dat belegt in bedrijfsobligaties van middelgrote bedrijven met een vaste vervaldag. Door het verder uitbouwen van de derde pijler van pensioensparen kan het volume aan institutioneel vermogen in België een flinke boost krijgen. Het fiscaal versterken van sparen via een individuele levensverzekering of het fiscaal gestimuleerde pensioensparen, biedt daartoe een ideale optie en leidt tot een win-win. Enerzijds wordt de burger aangezet om nu al wat meer centen te reserveren voor het eigen pensioen. Door anderzijds de pensioenspaarfondsen te verplichten een aanzienlijk deel van hun activa aan te wenden voor de financiering van lokale bedrijvigheid, bieden we extra financieringsruimte voor de economie. Kortom de overheid dient deze alternatieve financieringsvormen een kans te geven. Niet door zelf actief een rol in de financiering op te nemen, maar wel door daarvoor eenvoudige, transparante, maar tegelijk ook slimme regelgeving te voorzien. Door de administratieve verplichtingen te verminderen om bijvoorbeeld naar de beurs te gaan, een bedrijfsobligatie uit te geven, een private plaatsing te doen, crowdfunding op te starten,... Het prospectus moet enkel dienen voor een juiste inschatting van het risico. Dit moet de drempel verlagen voor bedrijven die van dergelijke financieringskanalen gebruik willen maken. > Termijnrekeningen “De spaarfiscaliteit staat haaks op de nood aan een meer stabiele langetermijnfinanciering.” 50 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 FINANCIERING 51 Financiering om groei te ondersteunen >Analyse (vervolg) Bij de uitwerking van een nieuwe wetgeving van de Belgische bancaire sector, moet de omzetting van de Europese regels het uitgangspunt vormen en moet vermeden worden nationale specificiteiten in te voeren. Een gelijk speelveld waarin alle in Europa actieve banken opereren, biedt de beste garantie op een veiliger maar tegelijk ook rendabel bankenlandschap dat ten volle zijn rol als financier van de economie kan invullen. Voor onze bedrijven is het belangrijk dat Vlaanderen gezonde banken telt die een breed spectrum aan financiële producten kunnen aanbieden. Door in België te restrictief te zijn rond de activiteiten die onze banken nog kunnen ondernemen, dreigt men de Belgische banken te benadelen ten opzichte van hun buitenlandse concurrenten. Extra verankeringsmogelijkheden Het moet voor ondernemingen mogelijk zijn om investeerders die zich voor lange termijn willen binden, extra te belonen. Ondernemers zijn nogal terughoudend om hun kapitaal open te stellen voor externe partners, onder meer uit vrees dat die slechts met oog op een snelle rendementsmaximalisatie aan boord willen komen of uit schrik om de greep over de onderneming te verliezen. Het is echter jammer als het behouden van controle automatisch zou betekenen dat de groeiambities van de onderneming afgeremd worden. Daarom moet de waaier aan vennootschapsrechtelijke instrumenten die het behoud van controle én de inbreng van extern kapitaal met mekaar verzoenen, uitgebreid worden. Omgekeerd is er behoefte aan positieve regelgeving die private vermogens overtuigt en aanmoedigt om hun vermogen te investeren in de financiering van dergelijke groeibedrijven. Herijk de overheidsinvesteringen >> Voorstellen >> VLAAMS • De Vlaamse regering voert een onafhankelijke en diepgaande doorlichting uit van de wirwar aan overheidsiniatieven betrokken bij de financiering van de actieve economie. Ondoelmatige initiatieven worden stopgezet, overlappingen worden weggewerkt. In die segmenten waar de private financieringsmarkt niet of te weinig werkt, kan de overheid een meerwaarde betekenen door zelf actief deel te nemen aan de financiering van ondernemingen. De overheidsinbreng kan een ondernemer door de moeilijke opstart- en groeifasen heen helpen of het kan private marktpartijen overtuigen om een beloftevolle onderneming toch van voldoende financiering te voorzien. De overheid heeft verschillende initiatieven opgezet om zelf rechtstreeks ondernemingen te financieren. Ondertussen is de waaier aan publieke investeringsfondsen en -instrumenten sterk uitgebreid, waardoor die eigenlijk onoverzichtelijk en ondoorzichtig is geworden. Bovendien is het niet meer duidelijk of die overheidsinitiatieven nog wel echt die leemte vullen en die behoefte beantwoorden waarvoor ze ooit werden opgericht. Bijgevolg is de tijd rijp om het overheidsinstrumentarium grondig te inspecteren en terug te plooien op die domeinen waar de overheid een complementaire rol opneemt en zeker niet marktverstorend werkt. • De activiteiten van het Participatiefonds, die in het kader van de zesde staatshervorming worden overgeheveld, worden maximaal binnen bestaande structuren ingebed. • Het directe overheidsoptreden in de financiering van ondernemingen focust op die noden waar de private markt te kort schiet, namelijk het verschaffen van financiering in de moeilijkste fase (zaaikapitaal) en op het verschaffen van waarborgen ter ondersteuning van kleinere ondernemingen met ambitieuze groeiplannen. >> FEDERAAL • De ongelijke fiscale behandeling van roerende inkomsten, in bijzonder van lange termijnbeleggingen in aandelen, obligaties, kasbons,... wordt weggewerkt door de fiscale vrijgestelde som aan roerende inkomsten (eerste inkomstenschijf tot 1.880 euro) uit te breiden tot andere roerende inkomsten, zoals uit aandelen, obligaties, kasbons, termijnrekeningen. • Particulieren worden verder aangemoedigd om te investeren in de eigen pensioenvorming via de derde pensioenpijler. Voorzie daarom extra financiële stimulansen. • Ondernemingen krijgen de mogelijkheid om stabiele en trouwe aandeelhouders een loyauteitsbonus toe te kennen. In de Vennootschappenwet wordt daartoe de optie opgenomen om bepaalde aandeelhouders een meervoudig stemrecht of een extra dividend toe te kennen. • De overheid ondersteunt en stimuleert private initiatieven die een aanvulling vormen op de klassieke bankfinanciering van ondernemingen: - De publieke en private plaatsing van effecten uitgegeven door ‘midcaps’ en kmo’s - De creatie van een markt voor langetermijnbedrijfskredieten in de vorm van verhandelbare bedrijfskasbons voor institutionelen en particulieren - De heropleving van een lokale, nabije beursmarkt voor financiële instrumenten van lokale, kleinere ondernemingen, steunend op lokale financiële expertise • De pensioenfondsen die geld ophalen in het kader van de derde pijler, worden opnieuw verplicht een significant aandeel van hun middelen te investeren in bedrijven. >> EUROPEES • Het toepassingsgebied van de Solvency II-bepalingen wordt beperkt. Zo blijven de pensioenfondsen vrijgesteld en zullen de restrictieve bedingen voor de verzekeringsmaatschappijen worden herbekeken. Zo kunnen deze vermogensbeheerders een voornamere rol opnemen in de financiering van de actieve economie. • België steunt volop de initiatieven van de Europese Commissie om een level playing field te garanderen dat geldt voor alle banken actief in de Europese Unie. “Er is behoefte aan stimuli die private vermogens aanmoedigen om te investeren in groeibedrijven.” 52 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 FINANCIERING 53 Omkaderend en stimulerend Europees beleid > Analyse Verdieping monetaire unie Verdieping interne markt Concurrentieel industriebeleid Een doortastende verdieping van de monetaire en economische unie is noodzakelijk om het vertrouwen in de euro te herstellen. Daarom moet de unie, vooral voor de eurolanden, meer politieke slagkracht krijgen. Tijdens de komende legislatuur zullen nog meer stappen gezet moeten worden in de richting van een begrotingsunie. Het toezichtsmechanisme van het Europese Semester moet de coördinatie van het monetair en budgettair beleid verder verbeteren. Er is namelijk een verscherpt Europees toezicht nodig op het sociaal-economisch beleid van de lidstaten. De EU2020 doelstellingen, waaronder de ondersteuning van de groei, de concurrentiekracht en de innovatiedynamiek, dienen hierbij als leidraad voor de nationale hervormingen. Enerzijds moet er voldoende autonomie worden gelaten aan de lidstaten en hun regio’s voor een beleid op maat van hun specifieke behoeften. Anderzijds mag dit geen macro-economische onevenwichten met zich meebrengen die de eurozone in gevaar zouden brengen. Verder dient de bankenunie met een versterking van het bancaire toezicht, inclusief een Europees resolutiefonds voor bankreddingen, te worden geïmplementeerd. Hierdoor wordt er niet alleen gebroken met het verleden, maar kan worden vermeden dat eventuele toekomstige financiële crisissen nog overslaan naar overheden en zo globale budgettaire crisissen veroorzaken. Een gezonde bankensector kan er immers voor zorgen dat het financieel systeem stabiel blijft mits het juiste evenwicht tussen voldoende passende kapitaalregels enerzijds en de nodige ademruimte voor de reële economie anderzijds. Een verdieping van de interne markt dringt zich op omdat bedrijven nog steeds belemmeringen ondervinden, terwijl het vrij verkeer van personen, goederen en kapitaal zou moeten gelden. Dit is te wijten aan vaak uiteenlopende implementaties door de lidstaten van Europese regelgeving of het behoud of de invoering van nationale bepalingen. In het streven van Europa naar een level playing field dienen de flexibiliteitsmechanismen in de Europese Richtlijnen te worden beperkt. De praktijk toont immers aan dat net deze flexibiliteit erg ongelijk in de lidstaten wordt gehanteerd hetgeen een uniforme invoering tegenwerkt. Zo ontstaat er versnippering met het verschijnsel van ‘gold plating’ dat bedrijven benadeelt, onder meer op het vlak van milieu en arbeidsmarktbeleid. Die hinderpalen moeten in de komende jaren worden weggewerkt. Een volwaardig interne markt kan alleen maar gerealiseerd worden aan de hand van eenduidige Europese regels met uniforme toepassing ervan door de lidstaten. Dit impliceert onder meer een correcte implementatie van de dienstenrichtlijn en de realisatie van het trans-Europese infrastructuurnetwerken (TEN-T). Tegelijk moet de Europese Commissie erop toezien dat de spelregels voor het vrij verkeer in de hele unie correct en tijdig worden nageleefd om concurrentievervalsing te vermijden. Daarnaast moet de EU verder werk maken van de wetgevende en administratieve vereenvoudiging. Een concurrentieel industriebeleid is noodzakelijk wil de EU een rol blijven spelen op mondiaal niveau. De Europese Unie zal hiervoor de komende jaren moeten inzetten op de uitwerking en implementatie van een concurrentieel industriebeleid. De EU staat voor de moeilijke opgave om een duurzaam economisch beleid uit te stippelen dat gepaard gaat met het behoud of de versterking van de Europese industrie. Dit betekent dat ze de ondernemingskosten – zoals energie- en transportkosten – moet beheersen om de Europese industrie concurrentieel te houden met andere leidende en opkomende economieën. Tevens moet de EU bijdragen tot de nodige investeringen in onderzoek en innovatie en de bedrijven hierin actief betrekken, onder andere doorheen Horizon 2020. Het Europese Eenheidsoctrooi, dat in 2015 wordt geïntroduceerd, kan bedrijven aanmoedigen te innoveren en hun patenten aan een minimale kost aan te vragen met een maximale bescherming. Bovendien kan de realisatie van een geïntegreerde interne energiemarkt met competitieve prijzen niet langer op zich laten wachten. Daarnaast moet de EU haar handelsbeleid voortzetten en het potentieel van de vrijhandels- en investeringsakkoorden met strategische handelspartners maximaal benutten. “De Europese Unie moet meer politieke slagkracht krijgen.” 54 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 EUROPA 55 >> Voorstellen >> VERSTERKTE EUROPESE MONETAIRE UNIE • De eurocrisis heeft de noodzaak voor meer politiek Europa blootgelegd. Door een verdere versterking van de begrotingsunie kan de Europese Unie ook politieke slagkracht krijgen. • België steunt volop de initiatieven van de Europese Commissie om een level playing field te garanderen dat geldt voor alle banken actief in de Europese Unie. Een gezonde bankensector kan er immers voor zorgen dat het financieel systeem stabiel blijft en vermijden dat toekomstige financiële crisissen overslaan naar overheden. >> VERDIEPING INTERNE MARKT • De dienstenrichtlijn heeft als opzet het potentieel van de interne markt volop te benutten. Daarom pleiten wij voor een correcte implementatie van de dienstenrichtlijn door alle lidstaten om de huidige wettelijke en administratieve belemmeringen weg te werken. • België houdt geografisch een sleutelpositie in binnen de Europese Unie. Daarom komt ons land in aanmerking voor een aantal belangrijke projecten van trans-Europese infrastructuurnetwerken (TEN-T). Bij de realisatie van zulk TEN-T-projecten moeten de bedrijven voldoende betrokken worden. >> EEN SOEPELE ARBEIDSMARKT • We zijn reeds het land met de meeste bijkomende regels voor herstructureringen. Nieuwe Europese initiatieven met nog strengere maatregelen, met langere en duurdere processen voor herstructureringen, moeten worden vermeden. >> NAAR EEN COMPETITIEF ENERGIEBELEID • Er komt een betere afstemming van het energie- en klimaatbeleid, waarbij rekening gehouden wordt met de impact op de concurrentiekracht van ondernemingen en de bevoorradingszekerheid. • Er wordt een interne energiemarkt ingevoerd: het energiebeleid van de verschillende lidstaten en de economische randvoorwaarden opgelegd aan energiebedrijven worden geharmoniseerd om tot een meer concurrentiële en efficiënte markt te komen. >> RESOLUUT INVESTEREN IN INNOVATIE • De Europese Commissie waakt er over dat industriële participatie aan Horizon 2020 permanente aandacht krijgt en zorgt voor bijsturing zodra bedrijven onvoldoende participeren. • De Europese beleidsmakers moeten alles in het werk stellen opdat het Europese Eenheidsoctrooi, zo snel mogelijk en aan minimale kosten en met maximale bescherming kan worden aangevraagd. >> FINANCIERING OM GROEI TE ONDERSTEUNEN • Het toepassingsgebied van de Solvency II-bepalingen wordt beperkt. Zo blijven de pensioenfondsen vrijgesteld en zullen de restrictieve bedingen voor de verzekeringsmaatschappijen worden herbekeken. Zo kunnen deze vermogensbeheerders een voornamere rol opnemen in de financiering van de actieve economie. 56 VOKA MEMORANDUM VERKIEZINGEN 2014 Colofon Voka-kenniscentrum Niko Demeester, secretaris-generaal Eric Vermeylen, directeur Stijn Decock, hoofdeconoom Sonja Teughels, adviseur arbeidsmarkt en sociaal overleg Marianne Houman, adviseur EU-beleid Gianni Duvillier, adviseur sociale zekerheid en loon- en arbeidsvoorwaarden Manou Doutrepont, adviseur sociaal overleg Tom Demeyer, adviseur onderwijs Vincent Thoen, adviseur innovatie en economische groeikracht Goedele Sannen, adviseur mobiliteit en logistiek Tine Deheegher, adviseur energie en milieu Steven Betz, adviseur ruimtelijke ordening en milieu Jan Van Doren, adviseur regionale economie, staatshervorming en Brussel Karl Collaerts, adviseur fiscaliteit en efficiënte overheid Pieter Van Herck, adviseur welzijns- en gezondheidsbeleid Eindredactie Bregt Timmerman, Sandy Panis Creatie AHAMACHINE Beelden Expeditie Groei Shutterstock Druk Goekint Graphics, Oostende Verantwoordelijke uitgever Jo Libeer, i.o.v. VEVIA vzw Koningsstraat 154-158, 1000 Brussel tel. +32 2 229 81 11 [email protected] www.voka.be Dit is een brochure van Voka, Vlaams netwerk van ondernemingen. De overname of het citeren van tekst uit deze uitgave wordt aangemoedigd, mits bronvermelding. Februari 2014 Wettelijk depot: D / 2014 / 0369 / 01 Expeditie Groei De uitdagingen zijn groot. Maar dit scharniermoment biedt kansen om ze aan te pakken. www.tweeprocent.be
© Copyright 2025 ExpyDoc