Toelichting

Bes te m mi ngs p l an M un ke d y k 1 te G a ast me e r
ON TW E R P
Bes te m mi ngs p l an M un ke d y k 1 te G a ast me e r
ON TW E R P
Inhoud
Toelichting + bijlagen
Regels + bijlage
Verbeelding
Separaat bijgevoegd:
- Akoestisch onderzoek
- Bodemonderzoek
6 maart 2014
Projectnummer 027.54.15.01.00
O v e r z i c h t s k a a r t
T o e l i c h t i n g
027.54.15.01.00.toe
I n h o u d s o p g a v e
1
Inleiding
5
2
Huidige en toekomstige situatie
7
2.1
Huidige en toekomstige situatie
7
2.2
Landschappelijke inpassing
8
3
4
5
6
Beleid
13
3.1
Rijksbeleid
13
3.2
Provinciaal beleid
14
3.3
Gemeentelijk beleid
16
Milieuaspecten
19
4.1
Hinder van bedrijven
19
4.2
Cultuurhistorie
21
4.3
Archeologie
22
4.4
Bodem
24
4.5
Ecologie
24
4.6
Externe veiligheid
27
4.7
Geluidhinder
29
4.8
Luchtkwaliteit
29
4.9
Water
31
4.10
Plan-m.e.r.
32
Juridische toelichting
35
5.1
Algemeen
35
5.2
Bestemmingsplanprocedure
36
5.3
Toelichting op de regels
37
Uitvoerbaarheid
39
6.1
Economische uitvoerbaarheid
39
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39
Bijlagen
027.54.15.01.00.toe
1
I n l e i d i n g
Voorliggend bestemmingsplan betreft een locatie in Gaastmeer in de gemeente
Súdwest-Fryslân. De locatie ligt aan de Munkedyk 1 te Gaastmeer en betreft
een agrarisch bedrijf dat aan de rand van het dorp ligt. De eigenaar van het
bedrijf heeft uitbreidingsplannen die leiden tot nieuwbouw en een andere indeling van het erf. Zo zal er een nieuwe stal worden gebouwd en leidt dit ertoe dat de bestaande sleufsilo’s verplaatst zullen worden naar de oostzijde van
het perceel. De nieuwe uitbreiding en de nieuwe situering van de kuilbulten
passen niet binnen het geldende bestemmingsplan. Om die reden is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Het plangebied bestaat uit het huidige erf van het agrarische bedrijf Munkedyk
1 en de grond die gebruikt zal worden voor de nieuwe uitbreiding. Ook is de
woning Munkedyk 3 meegenomen in het plangebied, omdat deze een functie
als tweede bedrijfswoning bij het agrarische bedrijf heeft.
De ligging van het plangebied is globaal weergegeven in de luchtfoto in figuur
1 met een rood kader.
Figuur 1. Luchtfoto plangebied ( bron: Google Maps)
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
5
Na deze inleiding volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie
en het planvoornemen. Ook wordt er ingegaan op de landschappelijke inpassing van de uitbreiding in zijn omgeving. In hoofdstuk 3 wordt het relevante
rijksbeleid op verschillende overheidsniveaus beschreven. In hoofdstuk 4 wordt
ingegaan op de milieuaspecten en planologische randvoorwaarden. Hoofdstuk 5
vormt de juridische toelichting op het plan. Tot slot komen in hoofdstuk 6 de
economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan bod.
6
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
H u i d i g e
2
e n
t o e k o m s t i g e
s i t u a t i e
2.1
Huidige en toekomstige situatie
Het bedrijf aan de Munkedyk 1 bestaat uit de oorspronkelijke boerderij, een
stal, een loods en een jongveestal. Daarbij is een aantal kuilbulten aanwezig.
Ook bevindt zich een paardenbak op het terrein.
Figuur 2. Huidige situatie plangebied
In de nieuwe situatie wordt de bestaande stal uitgebreid met een nieuwe stal.
De stal wordt gesitueerd aan de noordzijde van de bestaande stal. Op deze
locatie bevindt zich momenteel nog een kuilbult, die zal worden verplaatst
naar de achterzijde van het terrein, aan de oostkant. De bestaande sloot zal
worden gedempt en ook de boomsingel zal worden gerooid.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
7
In de nieuwe situatie biedt het bedrijf ruimte voor 150 koeien en 60 stuks
jongvee.
De naastgelegen woning Munkedyk 3 wordt meegenomen in het plangebied.
Voorheen was dit een burgerwoning, maar deze woning heeft reeds een functie
als tweede bedrijfswoning bij het bedrijf. Omdat een bedrijfswoning niet gevoelig is voor hinder, zoals bijvoorbeeld geurhinder, van het eigen bedrijf en
de woning feitelijk al als bedrijfswoning in gebruik is, wordt ook de planologische situatie hiermee in overeenstemming gebracht. De woning wordt opgenomen als deel van het agrarische bedrijf, zodat op het perceel een tweede
bedrijfswoning mogelijk wordt gemaakt.
Figuur 3. Inrichtingstekening nieuwe situatie
2.2
Landschappelijke inpassing
Bestaande situatie
Het plangebied is gesitueerd aan de Munkedyk te Gaastmeer en ligt op de
overgang van het dorp naar het grootschalige en open landschap van het Merengebied. Het plangebied kent als landschapstype veenweidegebied (rond de
grote meren). Het veenweidegebied bestaat uit laaggelegen, matig ontsloten
veengronden, die veelal als grasland in gebruik zijn. Het is een grootschalig
open gebied met een opstrekkende verkaveling en relatief weinig bewoning. In
de Verordening Romte Fryslân zijn de kernkwaliteiten van het landschapstype
veenweidegebied (rond de grote meren) in het deelgebied Meren opgenomen.
8
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
De kernkwaliteiten zijn:
-
Bodem en ondergrond: water, veengronden en dun kleidek op veen.
-
Maat en schaal: groot tot zeer grootschalig, waarbij de spiegeling van de
meren nog extra dimensie geeft aan de weidsheid.
-
Structuren: grootschalige waterstructuren van grote meren tot poelen,
kanalen en vaarten en grootschalige open ruimte, matig ontsloten gebied, grote variatie aan grootschalige en kleinschalige agrarische eenheden, grootschalige infrastructuur A7 en provinciale wegen.
-
Dorpen: schaars aanwezig enkele lintvormige dorpen en enkele watergeoriënteerde dorpen.
-
Boerenerven: zeer verspreid voorkomend, veelal gekoppeld aan linten
en ruilverkavelingswegen.
-
Wegen: schaars ontsloten, vaak met doodlopende wegen en insteekwegen.
-
Water: variatie aan kleine meren en poelen tot zeer grootschalige meren, kanalen en vaarten en opvaarten.
-
Verkaveling: in grote blokken geordende regelmatige en onregelmatige
opstrekkende plaatselijk waaierende verkaveling, soms knikken in de
opstrek.
-
Beplanting: rond boerderijen, en dorpen en recreatiegebieden, plaatselijk bosopslag langs meeroevers en moerasgebieden, zeer sporadisch beplanting langs wegen.
-
Bijzonderheden: ontsluiting over water nog steeds dominant, monumentale boerderijen direct aan het water, molens, kerkhoven met klokkenstoel, baggerdepots met bosopslag.
Voor een goede landschappelijke inpassing is het van belang om rekening te
houden met de provinciale belangen, evenals de lokale bijzonderheden. Grutsk
op ‘e Romte geeft aan dat de volgende aspecten van provinciaal belang zijn in
het Merengebied:
1.
Grootschalige open watervlaktes met open (meer)oevers.
2.
Grootschalige openheid in de veenweidegebieden met opstrekkende
verkaveling.
3.
De relatie van de bebouwing(slinten) met het water en het omliggende
landschap.
4.
De verkaveling die vanaf de klei doorloopt in opstrekkende lijnen naar
het veengebied.
5.
Stelsel van waterverbindingen (meren, vaarten en kanalen) en dijken.
6.
Patroon van hemdijken en slaperdijken.
7.
Nederzettingen met een sterke relatie met het water.
Voor het plangebied betekent dit dat specifiek rekening moeten worden gehouden met de volgende punten:
-
De grote mate van openheid (met name aan de oost- en noordzijde van
het plangebied).
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
9
-
De relatie van het erf met het landschap/verkavelingsrichting. De opstrekkende verkavelingsrichting, haaks op de Munkedyk en de groene
randen van de erven zijn kenmerkend.
-
De relatie van het erf met het water/stelsel van waterverbindingen.
Behouden van (het restant van) de opvaart, waarmee het erf in het verleden ontsloten was op de Woudtuursterpoel en daarmee het Friese waternetwerk is van belang.
Op basis van het voorgaande is een inpassingsschets opgesteld. Deze schets is
in samenspraak met de initiatiefnemer opgesteld. De landschappelijke inpassing bestaat uit de volgende componenten:
-
Toepassen van een zonering op het erf. Aan de Munkedyk is sprake van
het woonerf. Het woonerf bestaat uit de bestaande boerderij (Munkedyk
1) en de tweede bedrijfswoning (Munkedyk 3) met de daarbij behorende
tuinen. Het woonerf heeft (reeds) een groen karakter en de bedrijfsfunctie (en daarmee ook de verharding) is ondergeschikt in deze zone.
Achter het woonerf ligt het bedrijfserf. Het bedrijfserf kent een opdeling in een strook met bebouwing direct achter het woonerf en een zone
met lagere elementen (kuilbulten) daarachter.
-
De bouwrichting en/of de nokrichting van de nieuwe bebouwing (stallen
en kuilbulten) is afgestemd op de verkavelingsrichting en de bestaande
bebouwing.
-
Aanbrengen van een beplantingsstrook aan de noordzijde van het perceel. De nieuwe stal wordt hiermee ingepast in het open landschap. De
situering van de beplantingsstrook houdt rekening met het uitzicht van
de bewoners aan de Munkedyk. De beplantingsstrook heeft een minimale breedte van 10 meter en is op 6-8 meter afstand van de stal gesitueerd (i.v.m. ventilatie). De beplantingsstrook zal variatie in hoogte en
sortiment van de beplanting kennen. De beplanting bestaat uit struiken
en bomen en bestaat onder andere uit wilgen, elzen en esdoorn.
-
Aanbrengen van een groen talud rondom de kuilbulten. De kuilbulten
worden niet ingepast met opgaande beplanting om te voorkomende dat
het erf een te grote groene verdichting wordt in het landschap en om te
voorkomen dat het erf vastgroeit aan het meer oostelijke gelegen erf
Turfdyk 1. De hoogte van de kuilbulten/talud is maximaal 2 meter.
-
Aanbrengen van een haag aan twee randen van de bestaande paardenbak.
-
Behoud van het groene woonerf, het restant van de opvaart en de bestaande bomen op het erf.
10
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Figuur 4. Inrichtingsschets (een vergrote weergave van deze schets
is opgenomen in bijlage 1 van de toelichting)
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
11
3
B e l e i d
3.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Op 13 maart 2012 is de ‘Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte’ (SVIR) van
kracht geworden. In de SVIR is de visie van de rijksoverheid op de ruimtelijke
en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 aangegeven. Dit betreft
een nieuw, integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR is gekozen voor een meer selectieve inzet van het rijksbeleid dan voorheen. Voor de periode tot 2028 zijn de
ambities van het Rijk in drie rijksdoelen uitgewerkt:
-
Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland.
-
Verbeteren van de bereikbaarheid.
-
Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en
cultuurhistorische waarden.
Het Rijk zet in op topsectoren zoals logistiek, water, hightech, creatieve industrie, chemie en voedsel en tuinbouw, waar de kracht van Nederland ligt ten
opzichte van internationale concurrenten. De bereikbaarheid en mobiliteit van
personen en goederen is daarbij van groot belang. Ontwikkelingen in leefbaarheid en veiligheid hangen sterk samen met bevolkingsgroei en in krimp. De
veranderende behoeften op het gebied van wonen en werken leggen daarbij
een extra druk op een markt waar de totale vraag afneemt: kwaliteit gaat voor
kwantiteit. De ambitie is dat in 2040 de woon-werklocaties in steden en dorpen aansluiten op de kwalitatieve vraag en dat locaties voor transformatie en
herstructurering zoveel mogelijk worden benut.
Met bovengenoemde rijksdoelen zijn 13 nationale belangen aan de orde die in
de SVIR verder gebiedsgericht zijn uitgewerkt in concrete opgaven voor de diverse onderscheiden regio’s. Buiten deze nationale belangen hebben decentrale overheden meer beleidsvrijheid op het terrein van de ruimtelijke ordening
gekregen; het kabinet is van mening dat provincies en gemeenten beter op de
hoogte zijn van de actuele situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties en daardoor beter kunnen afwegen welke (ruimtelijke)
ingrepen in een gebied nodig zijn.
AMvB Ruimte
(Besluit algemene regels ruimtelijke ordening)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) biedt de basis voor het stellen van algemene regels, op te nemen in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). Die
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
13
regels richten zich primair op gemeenten, die het eerstverantwoordelijke
overheidsniveau zijn voor de inhoud van ruimtelijke plannen. In het per 30 december 2011 in werking getreden Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
(Barro), de AMvB Ruimte, zijn de nationale belangen benoemd die juridische
doorwerking vragen op het lokale niveau. Geen van deze nationale belangen
speelt een rol bij het voorliggende bestemmingsplan.
3.2
Provinciaal beleid
Streekplan Fryslân
De provincie Fryslân heeft in december 2006 het Streekplan Fryslân ‘Om de
kwaliteit fan de romte’ vastgesteld. In het streekplan worden speerpunten van
beleid aangedragen die de provincie op verschillende ruimtelijke terreinen
kunnen versterken en ontwikkelen.
De provincie Fryslân erkent het belang van een vitale en duurzame landbouw,
omdat dit een grote bijdrage levert aan de sociaaleconomische vitaliteit van
het platteland, het beheer van het landelijke gebied en de Friese economische
structuur. In het landelijk gebied worden buiten de natuurgebieden ruimtelijke
ontwikkelingsmogelijkheden geboden voor de landbouw.
Bij het bieden van ontwikkelingsruimte voor de landbouw zet de provincie tevens in op de blijvende herkenbaarheid van de verschillende landschapstypen
in Fryslân. Schaalvergroting en intensivering van de landbouw zijn te combineren met landschappelijke kernkwaliteiten. Voor de inpassing van grotere agrarische bouwblokken is vooral de landschappelijke situering van belang, met
aandacht voor beplanting, erfelementen, de nokrichting, dak- en goothoogten
van gebouwen en kleur en materiaalgebruik. Hierbij is het leveren van landschappelijk maatwerk van groter belang dan een maximale maat van nieuwe
gebouwen.
Kernkwaliteiten merengebied:
-
Grootschalige openheid en weidsheid, met een grote afwisseling tussen
overwegend grasland, natuur en water van gevarieerde omvang.
-
Water met oeverbegroeiing (rietkragen) langs meren, vaarten en kanalen.
-
Ondergeschikte puntvormige verdichtingen (vaart)dorpen, (agrarische)
bebouwing met erfbeplanting.
14
-
Onregelmatige, opstrekkende strokenverkaveling.
-
Stelsel van mied- en opvaarten en instekende miedwegen.
-
Patroon van hemdijken en slaperdijken.
-
Herkenbaarheid van ingepolderde boezemlanden met binnendijken.
-
Aanwezigheid van grasland.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Verordening Romte Fryslân 2011
Op 15 juni 2011 is door Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân vastgesteld. Hierin is van veel onderwerpen uit het Streekplan de doorwerking geregeld. Het betreft de volgende thema’s:
-
bundeling algemeen;
-
zorgvuldig ruimtegebruik;
-
ruimtelijke kwaliteit inclusief landschap, cultuurhistorie en archeologie;
-
wonen;
-
werken en mobiliteit;
-
recreatie en toerisme;
-
landbouw;
-
natuur;
-
kustverdediging en windturbines.
Een groot deel van deze thema’s is voor het voorliggende plan niet direct relevant. Wat wel van belang is, zijn de thema’s zorgvuldig ruimtegebruik, ruimtelijke kwaliteit en landbouw. Het plangebied ligt buiten het bestaand stedelijk
gebied zoals de provincie dat heeft bepaald (zie figuur 5). Voor ruimtelijke
plannen in het landelijk gebied geldt dat de ontwikkeling in het landschap
moet passen en dat de kernkwaliteiten van het landschap herkenbaar moeten
blijven. In hoofdstuk 2 is nader ingegaan op de landschappelijke inpassing van
de voorgenomen ontwikkeling.
Figuur 5. Kaart bestaand stedelijk gebied
(bron: provincie Fryslân)
Verordening Romte Fryslân 2014 (ontwerp)
De provincie Fryslân is bezig met een herziening van de Verordening Romte
Fryslân. Eén van de onderdelen waarvan het beleid is herzien, betreft grootschalige melkveehouderijen. Hierbij is aangesloten op het beleid dat op 21
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
15
december 2011 en 27 februari 2013 is vastgesteld door Provinciale Staten,
waarin de grondslag ligt voor het beleid dat grondgebondenheid als voorwaarde stelt. Een melkveehouderij kan alleen een bouwvlak van groter dan 1,5 hectare krijgen, wanneer er sprake is van een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Grondgebonden wil zeggen dat er een relatie is tussen de omvang van een
bedrijf en de oppervlakte grond die het bedrijf in de omgeving in beheer en
onderhoud heeft. Dat betekent dat er voldoende grond bij het bedrijf moet
horen voor ruwvoervoorziening, mestafzet en beweiding; het voortbrengend
vermogen van de bij het bedrijf behorende landbouwgrond vormt de basis van
het bedrijf. De provincie acht ‘footloose’ bedrijven, bedrijven die geen enkele
relatie meer hebben met de grond rondom, niet wenselijk. Hoewel de verordening geen norm stelt voor grondgebondenheid, verwacht de provincie wel
van de gemeente dat het principe van grondgebondenheid in de planregels opgenomen wordt.
In de toelichting op de verordening wordt een richtlijn gegeven voor wanneer
een agrarisch bedrijf voldoet aan het criterium van grondgebondenheid. Hiervan is sprake wanneer er 3 of minder grootvee-eenheden (GVE) per hectare
worden gehouden. Het betreft hier grond waarover het bedrijf structureel kan
beschikken op een afstand kleiner dan 15 km. Het bedrijf aan de Munkedyk 1
heeft beschikking over 22 hectare in de directe nabijheid van het bedrijf en
daarbij nog eens 64 hectare in verspreide kavels op grotere afstand van het
bedrijf, maar ruim binnen de afstand van 15 km. Op basis hiervan zouden volgens de richtlijn dus 258 GVE gehouden kunnen worden om nog te kunnen voldoen aan het criterium van grondgebondenheid. Na uitbreiding van het bedrijf
zullen er 150 melkkoeien en 60 stuks jongvee gehouden worden. Hiermee
wordt dus ruimschoots voldaan aan het criterium van grondgebondenheid.
Hiervoor is tevens een waarborg in de planregels opgenomen.
Conclusie
Bij de totstandkoming van het inrichtingsplan is rekening gehouden met het
landschap en cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling past hiermee goed
binnen de kaders van het provinciale beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
Vigerend bestemmingsplan
Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is het bestemmingsplan
Gaastmeer. In dit bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor ‘Agrarisch
gebied’. De woning aan de Munkedyk 3 is bestemd voor ‘Woongebied’. Zowel
de bedrijfswoning als de woning aan de Munkedyk 3 zijn aangeduid als “karakteristiek”. De maatvoering voor de agrarische bebouwing is beperkt tot een
goothoogte van 3 meter, een bouwhoogte van 8 meter en een dakhelling van
15°.
16
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
De bestemming ‘Agrarisch gebied’ is bedoeld voor grondgebonden agrarische
bedrijven en agrarische cultuurgronden. De bedrijfsbebouwing dient te worden
bebouwd binnen het bouwvlak. De geplande uitbreiding is echter buiten het
huidige bouwvlak geprojecteerd (zie figuur 6). Om die reden is de uitbreiding
niet mogelijk binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan is de ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.
Figuur 6. Fragment bestemmingsplan Gaastmeer
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
17
4
M i l i e u a s p e c t e n
4.1
Hinder van bedrijven
Bedrijven (of andere milieubelastende bedrijvigheid) in de directe omgeving
KADER
van woningen (of (andere) milieugevoelige gebieden) kunnen daar (milieu)hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wet
ruimtelijke ordening (Wro), is het waarborgen van voldoende afstand tussen
bedrijven en woningen noodzakelijk.
In de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd, zowel voor bedrijven als maatschappelijke instellingen als scholen en sportvoorzieningen. Per bedrijfstype zijn voor elk van
de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven
die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en
woningen om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te
houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken.
Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat
het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies.
Het perceel zal in de nieuwe situatie worden bestemd voor ‘Agrarisch’. Hier-
ONDERZOEK
binnen zijn verschillende typen agrarisch bedrijf mogelijk. Het planvoornemen
betreft de uitbreiding van een bestaande melkveehouderij. Op basis van
‘Bedrijven en milieuzonering’ dient voor een agrarische melkveehouderij rekening gehouden te worden met categorie 3.2 met een richtafstand van 100 meter tot gevoelige functies. De grootste afstand wordt bepaald door het aspect
‘geur’. Voor de aspecten ‘geluid’ en ‘stof’ geldt 30 meter.
Binnen een straal van 100 meter bevindt zich echter een groot aantal woningen, waardoor in de huidige situatie de richtafstand niet wordt gehaald. De
beoogde uitbreiding van het agrarische bedrijf zal plaatsvinden aan de noordzijde. Aan deze zijde van de melkveehouderij is in de nabijheid het minste
aantal woningen gelegen.
Geur
Op basis van Bedrijven en milieuzonering geldt 100 meter voor het aspect
‘geur’. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft echter op 6 november 2012 de
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
19
‘Verordening op de Wet geurhinder en veehouderij gemeente Súdwest-Fryslân’
vastgesteld. Daarin worden kortere afstanden tussen veehouderijbedrijven ten
opzichte van geurgevoelige objecten, zoals woningen vastgelegd. Ook het bedrijf aan de Munkedyk 1 is in de verordening opgenomen. Daarom kan er 50
meter in plaats van 100 meter worden aangehouden tussen het bedrijf en de
woningen in de omgeving. Bij de situering van de nieuwe stal is hiermee rekening gehouden. Ook is het bouwvlak zodanig op de verbeelding opgenomen dat
er geen nieuwe agrarische bedrijfsbebouwing kan worden gerealiseerd op een
kleinere afstand tot gevoelige functies dan nu het geval is.
Voor de woning aan de Munkedyk 3 wordt op dit moment niet aan de afstand
van 50 meter voldaan. Deze woning zal echter in het plan worden opgenomen
als tweede bedrijfswoning en is daarmee geen geurgevoelig object meer voor
het eigen agrarische bedrijf waar het dan deel vanuit maakt.
In het bestemmingsplan is opgenomen dat het agrarisch bedrijf een melkveehouderij betreft, om te voorkomen dat er diersoorten gehouden zullen worden
die tot meer geurhinder zouden kunnen leiden. Gezien de ligging van het bedrijf in de directe nabijheid ten opzichte van gevoelige functies zou dat niet
wenselijk zijn.
Geluid
Om na te gaan wat de effecten van de nieuwbouw met betrekking tot geluid
zijn voor de omgeving, heeft Het geluidBuro hiervoor een akoestisch onderzoek
verricht. De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport
‘Akoestisch Onderzoek V1.1 naar de geluidsemissie van rundveehouderij Visser
aan de Munkedyk 1 8611 JM Gaastmeer’ (28 juni 2012). Dit rapport is als separate bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
Het onderzoek is uitgevoerd om te bepalen welke geluidniveaus als gevolg van
de activiteiten van het bedrijf in de omgeving optreden. De geluidniveaus zijn
berekend ter plaatse van woningen van derden in de omgeving. De berekende
geluidsniveaus zijn getoetst aan de voorgestelde grenswaarden.
Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de
representatieve bedrijfssituatie zowel in de dag-, avond- als nachtperiode kan
voldoen aan de grenswaarden conform de ‘Handreiking’.
Tevens blijkt dat het maximale geluidsniveau in de representatieve bedrijfssituatie zowel in de dag-, avond- of nachtperiode kan voldoen aan de grenswaarden conform de ‘Handreiking’.
Het wegverkeer van en naar de inrichting kan voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB (A) etmaalwaarde.
CONCLUSIE
Vanuit het oogpunt van hinder van bedrijven mag het plan uitvoerbaar worden
geacht.
20
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
4.2
Cultuurhistorie
De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging geleid van art. 3.6.1, lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
Ieder bestemmingsplan dient dan tevens een analyse van cultuurhistorische
waarden van het plangebied te bevatten. In de toelichting van een bestemmingsplan dient een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop
met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond
aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierbij dient
tevens de historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden
meegenomen in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze
deze worden geborgd in het bestemmingsplan.
Figuur 7. Fragment cultuurhistorische waardenkaar t
(paars: opstrekkende verkaveling, rood: boerderijplaats )
Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Fryslân zijn de cultuurhistorische waarden weergegeven. In figuur 7 is een weergave van deze
kaart ter plaatse van het plangebied opgenomen. Ter plaatse van het plangebied onderkent de provincie de volgende waarden:
-
opstrekkende verkaveling met grootschalige regelmaat;
-
boerderijplaats.
Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd dorpsgezicht en er bevinden zich geen monumenten in het plangebied.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
21
In paragraaf 2.2 is ingegaan op de toekomstige situatie in het plangebied en is
weergegeven op welke wijze rekening gehouden is met de cultuurhistorische
waarden en de landschappelijke inpassing.
CONCLUSIE
Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie mag het plan uitvoerbaar worden geacht.
4.3
Archeologie
KADER
De belangrijkste wettelijke basis voor het behoud van het erfgoed is de
Monumentenwet 1988. Ter implementatie van het Verdrag van Malta, is deze
Monumentenwet gewijzigd. De kern van de Monumentenwet is dat, wanneer de
bodem wordt verstoord, archeologische resten intact moeten blijven (in situ).
Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en
elders bewaard (ex situ). De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op
1 januari 2012 tot een wijziging van art. 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder
ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van
het plangebied te bevatten. Voor zover hier sprake van is, dient daarnaast
aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Hierbij dient tevens de
historische (stede)bouwkunde en historische geografie te worden meegenomen
in de belangenafweging. Aangegeven dient te worden welke conclusies aan de
geanalyseerde waarden worden verbonden en op welke wijze deze zijn geborgd in het plan.
Conform de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de
Cultuur Historische Kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese
Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uitmaakt. Op deze
kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische
waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van het document ‘Grutsk op ‘e
Romte’, waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het
landschap in Friesland beschreven staan.
ONDERZOEK
Volgens de CHK is het plangebied gelegen in een zone met een zogenaamde
CULTUURHISTORIE
opstrekkende verkaveling met grootschalige regelmaat. Ter hoogte van de huidige boerderij en stal wordt een historische boerderijplaats aangegeven. Vanuit oogpunt van cultuurhistorie mag dit plan uitvoerbaar worden geacht.
22
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Figuur 8. Fragment cultuurhistorische waardenkaart
(paars: opstrekkende verkaveling, rood: boerderijplaats)
De provincie Fryslân heeft voor het hele grondgebied van de provincie een ar-
ONDERZOEK ARCHEOLOGIE
cheologische verwachtingskaart opgesteld, de Friese Monumentenkaart Extra
(FAMKE). Hierop staan verschillende archeologische regimes weergegeven met
daaraan gekoppeld een advies ten aanzien van benodigd archeologisch onderzoek. Er wordt onderscheid gemaakt in twee perioden, steentijd-bronstijd en
ijzertijd-middeleeuwen.
Voor beide tijdsperioden geldt dat pas bij grondroerende activiteiten met een
oppervlakte van meer dan 5000 m², die mogelijk worden gemaakt op grond van
dit bestemmingsplan nu of in de toekomst, er noodzaak is tot het uitvoeren
van een archeologisch onderzoek. Het realiseren van de nieuwe stal en de verplaatsing van de kuilbulten, leidt niet tot grondroerende activiteiten van een
dergelijke omvang. De oppervlakte van de nieuwe stal bedraagt circa 1000 m².
Ook is er nog een jongveestal geprojecteerd van circa 500 m² die mogelijk
in de toekomst gebouwd zal worden. Daarbij zullen aan de achterzijde nieuwe
kuilbulten worden gerealiseerd met een maximale oppervlakte van circa 1400
m². De ontwikkelingen blijven daarmee ruimschoots onder de onderzoeksdrempel van 5000 m². Er is geen noodzaak voor het verrichten van een archeologisch onderzoek.
Vanuit het oogpunt van archeologie en cultuurhistorie mag het plan uitvoer-
CONCLUSIE
baar worden geacht.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
23
4.4
Bodem
KADER
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting op een
bestemmingsplan inzicht moet worden verkregen over de uitvoerbaarheid van
het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht moet worden verkregen in
de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem
is een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een bestemmingsplan.
Met het oog op een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat
gronden waarvan bekend is dat de milieuhygiënische kwaliteit onvoldoende is,
worden bestemd met een bestemming die daarvoor gevoelig is.
ONDERZOEK
Om na te gaan hoe de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse is
heeft Van der Poel Milieu B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
De uitkomsten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport ‘Verkennend
Bodemonderzoek Munkedyk Gaastmeer’ (april 2013). Dit rapport is als separate
bijlage bij dit bestemmingsplan opgenomen.
In het onderzoek is naar voren gekomen dat er in het plangebied verschillende
overschrijdingen voorkomen, maar dat de gemeten overschrijdingen dusdanig
zijn dat aanvullende maatregelen en/of analyses niet noodzakelijk worden geacht. Barium en zink worden in het grondwater vaker in een verhoogd gehalte
gemeten. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat het een natuurlijke verhoging
betreft. Milieuhygiënisch zijn er naar op basis van het onderzoek geen belemmeringen voor de voorgenomen nieuwbouw.
CONCLUSIE
Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem mag het
plan uitvoerbaar worden geacht.
4.5
Ecologie
Om de uitvoerbaarheid van onderhavig plan te toetsen, is een ecologische inventarisatie van de natuurwaarden in het plangebied uitgevoerd. Tevens is gekeken naar de effecten op beschermde gebieden in de omgeving. Het doel
hiervan is om na te gaan of een vooronderzoek in het kader van de Flora- en
faunawet en/of een oriënterend onderzoek in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 of de Verordening Romte Fryslân noodzakelijk is. Het
plangebied is daartoe op 29 november 2013 bezocht door een ecoloog van
BügelHajema Adviseurs.
24
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Het plangebied betreft een stuk grasland en een sloot ten noorden van de hui-
TERREINOMSTANDIGHEDEN
dige schuren. Langs de sloot staat een bomenrij. Het grasland was ten tijde
van het veldbezoek in gebruik als schapenweide.
Figuur 9. Plangebied vanuit het noorden (links) en uitbreidings locatie (rechts) op 29 oktober 2013
Soortbescherming
Met ingang van 1 april 2002 is de Flora- en faunawet in werking getreden. Het
FLORA- EN FAUNAWET
soortenbeleid uit de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992) van de
Europese Unie is hiermee in de nationale wetgeving verwerkt. Achter de Floraen faunawet staat het idee van de zorgplicht voor in het wild levende beschermde dieren en planten en hun leefomgeving. Beschermde soorten worden
opgesomd in de ‘lijsten beschermde inheemse planten- en diersoorten’. De
Algemene Maatregel van Bestuur ex artikel 75 van de Flora- en faunawet van
23 februari 2005, kent een driedeling voor het beschermingsniveau van planten- en diersoorten (licht beschermd, middelzwaar beschermd en streng beschermd).
Uit de informatie van Quickscanhulp.nl1 © NDFF - quickscanhulp.nl 03-12-2013
INVENTARISATIE
10:52:24) komt naar voren dat in de directe omgeving (straal van 1 km) van
het onderzoeksgebied naast enkele in het kader van de Flora- en faunawet
licht beschermde diersoorten, ook enkele (middel)zwaar beschermde plantenen diersoorten voorkomen. De geregistreerde waarnemingen van streng beschermde soorten hebben vooral betrekking op vogels en zoogdieren. Daarnaast zijn uit de omgeving enkele waarnemingen van middelzwaar beschermde
plantensoorten bekend. Het betreft rietorchis, wilde marjolein en Spaanse ruiter. In het plangebied ontbreekt voor deze soorten het geschikte biotoop. In de
bomenrij langs de sloot kunnen soorten als houtduif en ekster tot broeden komen. In de huidige koeienstal zijn tijdens het veldbezoek enkele tientallen
foeragerende huismussen en enkele duiven aangetroffen. Mogelijk broedt
huismus onder het dak van de stal. De sloot ten noorden en oosten van de bebouwing is ondiep en heeft een dikke zwarte sliblaag. Er zijn in een dergelijke
sloot geen beschermde vissoorten te verwachten. Op basis van de terreinom-
1
Quickscanhulp.nl is een internetapplicatie die gegevens over beschermde soorten toeganke-
lijk maakt. Deze gegevens zijn afkomstig uit de databanken van talloze organisaties, verenigd
in de Vereniging Onderzoek Flora en Fauna (VOFF). Het is een initiatief van onder meer de
Gegevensautoriteit Natuur en de organisaties binnen de VOFF (www.quickscanhulp.nl).
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
25
standigheden kan gesteld worden dat het plangebied een zeer beperkte natuurwaarde kent. In het plangebied worden alleen enkele algemene (zoals
spitsmuizen) en zwaarder beschermde vogels in en direct rond het plangebied
verwacht. Alle inheemse vogelsoorten zijn in het kader van de Flora- en faunawet zwaar beschermd.
TOETSING
Mogelijk broedt huismus in de koeienstal. Geschikte ruimtes onder het dak van
de huidige stal blijven, na plaatsing van de nieuwe stal, bereikbaar voor huismus. Er worden dan ook geen negatieve effecten op huismus verwacht. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van enkele licht beschermde soorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij exemplaren worden gedood. De aanwezige licht beschermde soorten worden niet in
hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke
ontwikkelingen. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Flora- en faunawet.
Het is verboden nesten van vogels (indien nog in functie) te vernietigen of te
verstoren. Met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden dient derhalve rekening te worden gehouden met het broedseizoen. De Flora- en faunawet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het is van belang of
een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt
dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt.
Gebiedsbescherming
NATUURBESCHERMINGSWET
Op 1 oktober 2005 is de Natuurbeschermingswet 1998 van kracht geworden.
Deze wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden. In de Natuurbeschermingswet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt. Onder de Natuurbeschermingswet worden drie typen gebieden aangewezen en beschermd: Natura 2000gebieden, Beschermde Natuurmonumenten en Wetlands.
ECOLOGISCHE
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS of Natuurnetwerk Nederland) is een sa-
HOOFDSTRUCTUUR
menhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. De EHS is
als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
en is voor de provincie Fryslân uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007 de
Verordening Romte Fryslân (provinciaal ruimtelijk natuurbeleid).
NATUUR BUITEN DE EHS
Vanuit het Streekplan Fryslân 2007 en Verordening Romte Fryslân wordt buiten
de EHS-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming
van bestaande natuurgebieden en natuurwaarden in agrarisch gebied. Ten behoeve van de bescherming van weidevogelgebieden is aanvullend het Werkplan
Weidevogels Fryslân 2007-2013 opgesteld.
INVENTARISATIE
Beschermde gebieden in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 liggen
op geruime afstand van het plangebied. Het meest nabij gelegen beschermde
gebied betreft de Natura 2000-gebieden IJsselmeer en Witte & Zwarte Brekken
op een afstand van respectievelijk 8 en 9 kilometer van het plangebied. De
26
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof betreffen
de gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer en Alde Feanen op een afstand
van respectievelijk 23 en 28 kilometer van het plangebied.
In de directe omgeving ligt geen gebied dat op basis van de Wet Ammoniak
Veehouderij (WAV) is aangewezen als gebied dat gevoelig is voor ammoniak.
Het plangebied heeft geen betrekking op gronden die deel uitmaken van de
EHS. De dichtstbijzijnde gebieden die onderdeel uitmaken van de EHS liggen
op een afstand van 400 meter ten zuiden (Heegermeer) en 700 meter ten westen (grote Gaastmeer) van het plangebied. Tevens behoort een deel van het
weidegebied grenzend aan het Heegermeer tot beschermde gebieden in het
kader van de EHS.
Het plangebied grenst aan open weidegebied dat potentieel geschikt is voor
weidevogels. Voor weidevogels is openheid en rust van belang. Verdichting
door beplanting en bebouwing is in voor weidevogels geschikte gebieden niet
gewenst. Voor ruimtelijke plannen in landelijk gebied geldt echter dat de
agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven zijn toegestaan (Verordening Romte Fryslân 2011).
Gezien de grote afstand tot het plangebied wordt geen meetbare depositie-
TOETSING
toename op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden verwacht. Dit blijkt uit
informatie van de website van de provincie Fryslân en is tevens bevestigd door
de heer A. de Haan van de provincie Fryslân (e-mail contact december 2013).
Ook voor het overige worden, gezien de aard van het plan en de terreinomstandigheden en ligging van het plangebied, met betrekking tot de voorgenomen plannen geen negatieve effecten op beschermde gebieden in het kader
van de Natuurbeschermingswet 1998 en het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid
verwacht.
Conclusie
Uit de ecologische inventarisatie is naar voren gekomen dat geen vooronderzoek in het kader van de Flora- en faunawet of een oriëntatiefase voor de Natuurbeschermingswet 1998, dan wel een analyse van het provinciaal ruimtelijk
natuurbeleid noodzakelijk is. Vanuit het oogpunt van ecologie mag het plan
uitvoerbaar worden geacht.
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op het effect van een
KADER
ernstig ongeval voor de omgeving door:
-
het gebruik, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen);
-
het transport van gevaarlijke stoffen (wegen, buisleidingen, waterwegen
en spoorwegen);
-
het gebruik van luchthavens.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
27
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de
burger door bovengenoemde activiteiten. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet en regelgeving. Voor het bestemmingsplan zijn de volgende besluiten relevant waaraan getoetst dient te worden:
1.
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
2.
Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS);
3.
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Risicobronnen kunnen worden opgesplitst in:
-
inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden;
-
transportroutes van gevaarlijke stoffen;
-
buisleidingen.
Figuur 10. Fragment risicokaart
(bron: provincie Fryslân)
ONDERZOEK
Om na te gaan of er risicobronnen aanwezig zijn in of in de omgeving van het
plangebied is de risicokaart van de provincie geraadpleegd. Op de risicokaart
staan voor het hele grondgebied van de provincie Fryslân de risicobronnen
vermeld. In figuur 11 is een uitsnede gemaakt van de risicokaart ter plaatse
van het plangebied. Daaruit blijkt er in de nabijheid van het plangebied geen
risicovolle inrichtingen aanwezig zijn of planologisch relevante gasleidingen die
tot een risico zouden kunnen leiden voor de omgeving.
In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen risico’s bekend
waardoor in het plangebied sprake is van een overschrijding van de grenswaarde (10-6) voor het plaatsgebonden risico of de oriënterende waarde voor het
groepsrisico.
28
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
De uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan wordt niet door ri-
CONCLUSIE
sico’s vanwege het gebruik, de opslag of het vervoer van gevaarlijke stoffen
belemmerd.
4.7
Geluidhinder
Geluidhinder kan ondervonden worden van industrie, spoorwegen en wegen.
KADER
Industrielawaai (in de zin van de Wet geluidhinder) is van toepassing bij industrieterrein waar volgens het bestemmingsplan de vestiging van ‘grote lawaaimakers’ mogelijk zijn. In artikel 2.1, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht is
vastgelegd welke typen inrichtingen op een gezoneerd industrieterrein gevestigd moeten zijn.
Aangezien het plangebied niet in de buurt van spoorwegen of gezoneerd indu-
ONDERZOEK
striegebied ligt, zijn deze aspecten niet aan de orde.
In de Wet geluidhinder is bepaald dat elke weg een zone heeft, waarbinnen
onderzoek plaats moet vinden naar de geluidbelasting aan de gevels van nieuw
te bouwen woningen en gebouwen ten behoeve van andere geluidgevoelige
functies. Een uitzondering geldt voor:
-
wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
-
wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur.
De Munkedyk waar het plangebied aan is gelegen, is een weg met een maximumsnelheid van 30 km/uur. Er is dus geen sprake van een zone op basis van
de Wet geluidhinder. Ook worden door het bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Hoewel het bedrijf in de nieuwe situatie een tweede bedrijfswoning heeft doordat de woning aan de Munkedyk 3
bij het agrarische bedrijf is betrokken, is er geen sprake van een nieuwe woning, aangezien de woning Munkedyk 3 ook in de huidige situatie al als woning
bestemd en in gebruik is.
Op basis van het voorgaande is er geen noodzaak voor het uitvoeren van akoes-
CONCLUSIE
tisch onderzoek. Op basis van de Wet geluidhinder zijn er geen belemmeringen
voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.8
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden
overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing).
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
29
NSL/NIBM
Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer
in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen
van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden
getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad
heeft op voorstel van de minister van VROM ingestemd met het NSL. Het NSL is
op 1 augustus 2009 in werking getreden.
Ook projecten die ‘niet in betekenende mate’ (nibm) van invloed zijn op de
luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor
luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project
sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens
van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2
µg/m3 NO2 of PM10) als ‘niet in betekenende mate’ wordt beschouwd.
ONDERZOEK
Het plan biedt de mogelijkheid om een nieuw agrarisch bedrijfsgebouw te realiseren. Het bedrijf wordt hiermee groter en dat zou mogelijk meer verkeersbewegingen met zich mee kunnen brengen. Hoe groot de toename van het
aantal verkeerswegingen zal zijn, is niet bekend. Voor agrarische bedrijven
zijn ook geen kengetallen voor verkeersbewegingen beschikbaar. Om die reden
is in het navolgende uitgegaan van een worst case benadering.
NIBM-TOOL
Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de
luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool (oktober
2012) ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden
bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.
Figuur 11. Berekening met de nibm-tool
30
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Met behulp van deze rekentool is bepaald bij welk aantal verkeersbewegingen
er sprake is van een overschrijding van de grens van 3% (een toename van 1,2
µg/m³ NO2 of PM10). Hieruit blijkt dat zelfs bij 300 extra verkeersbewegingen
per dag nog geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde. Een
dergelijke toename van het aantal verkeersbewegingen is niet aannemelijk als
gevolg van voorliggend plan, omdat het slechts gaat om een beperkte uitbreiding van een bestaand bedrijf. Het project moet derhalve worden beschouwd
als een nibm-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan derhalve
achterwege blijven. Het plan voldoet hiermee aan het gestelde in de Wet milieubeheer.
Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit mag het plan uitvoerbaar worden ge-
CONCLUSIE
acht.
4.9
Water
Op grond van artikel 3.1.1 Bro is de watertoets verplicht voor bestemmings-
KADER
plannen. In een hierover op te nemen paragraaf dient te worden aangegeven
op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de
waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden
of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: ‘het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen
van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten’.
Het bestemmingsplan is voorgelegd aan Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip
WATERADVIES
heeft op het plan gereageerd door middel van een wateradvies (d.d. 23 mei
2013). Het wateradvies is opgenomen als bijlage 2 bij deze toelichting.
In de bestaande situatie waarin het terrein onverhard is, wordt het hemelwater vertraagd afgevoerd. In de toekomstige situatie wordt een deel van het
plangebied verhard. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag
versneld afgevoerd. Om ervoor te zorgen dat de versnelde afvoer in de toekomst niet tot overlast leidt, hanteert Wetterskip Fryslân het uitgangspunt dat
een toename van verhard oppervlak gecompenseerd moet worden door waterberging aan te leggen. De toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door 10% van de toename van verhard oppervlak als nieuwe
oppervlaktewater aan te leggen. Het dempen van watergangen moet voor 100%
gecompenseerd worden.
De toename van het verhard oppervlak neemt toe met circa 600 m². Ter compensatie moet 60 m² aan nieuw oppervlaktewater worden aangelegd. Daarnaast worden er watergangen gedempt. De compensatie zal plaatsvinden door
het verbreden van bestaande sloten binnen hetzelfde peilgebied.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
31
Om het aantal overstortingen van rioolwater en de belasting van rioolwaterzuiveringen te beperken is een belangrijk uitgangspunt om regenwater en rioolwater zoveel mogelijk gescheiden af te voeren.
Om een goede kwaliteit van water ter realiseren moet voorkomen worden dat
milieubelastende stoffen in het oppervlaktewater terechtkomen. De bouwwijze en onderhoudstechniek moeten emissievrij zijn. Tevens dient gebouwd te
worden met milieuvriendelijk en duurzaam materiaal.
CONCLUSIE
Wanneer in de nadere uitwerking van het plan rekening gehouden wordt met
de adviezen van het Wetterskip, zijn er vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.10
Plan-m.e.r.
Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd. Het aantal situaties waarvoor een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht moet worden
uitgevoerd is verminderd. Er zijn nu meer situaties waar eerst beoordeeld kan
worden of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Het komt er op neer dat voor
elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de
D-lijst van het Besluit die beneden de drempelwaarden vallen een toets moet
worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn. Voor deze
toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term
vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Allereerst is nagegaan hoe het plan aan de Munkedyk 1 zich verhoudt tot de
geldende drempelwaarden. Hiervoor is een berekening uitgevoerd waarin is
bepaald hoeveel dieren er in theorie binnen het bouwvlak, zoals in dit bestemmingsplan is opgenomen, gehouden zouden kunnen worden. Uit de berekening blijkt dat het bouwvlak geschikt voor agrarische activiteiten een oppervlakte heeft van 0,81 hectare. Uit de berekening, zoals bijgevoegd in bijlage 3
van deze toelichting, blijkt dat voor melkvee de drempelwaarde wordt overschreden. Hoewel dit in de praktijk zou betekenen dat het geen reële invulling
van het perceel zou zijn omdat dit ten koste zou gaan van bijvoorbeeld de bewegingsruimte op het erf, moet met de theoretische mogelijkheid wel rekening gehouden moeten worden.
Om dit te ondervangen, is ook bepaald of er met het gedeelte van het erf dat
feitelijk voor gebouwen (waar onder de stalling van dieren) aangewend zal
worden, ook sprake is van een overschrijding van de drempelwaarde. Op dit
punt wijst de berekening uit dat er dan geen sprake is van een overschrijding.
Om die reden is op de verbeelding en in de regels een regeling opgenomen dat
het achterste gedeelte van het erf, waar de sleufsilo’s zijn beoogd, uitgesloten
worden van bouwmogelijkheden voor gebouwen. Door uit te sluiten dat hier
stallen gebouwd kunnen worden, wordt de theoretische mogelijkheid om meer
32
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
dieren te houden dan de drempelwaarde ondervangen zonder dat de beoogde
uitbreiding van het agrarische bedrijf hierdoor onmogelijk wordt gemaakt. Dit
sluit ook aan bij de indeling van de landschappelijke inpassing, waarbij uitgegaan wordt van lagere bebouwing op het achterste deel van het erf en daarom
de afschermende beplanting niet doorloopt langs dat gedeelte van het erf,
maar de inpassing daar wordt gerealiseerd door groene taluds rondom de sleufsilo’s. Op basis van de regels is een grondgebonden agrarisch bedrijf in de
vorm van een melkveehouderij toegestaan. De regels bieden dan ook geen mogelijkheden voor de vestiging van een intensieve veehouderij. De drempelwaarde voor intensieve veehouderij vormt dan ook geen belemmering.
Wat betreft de overige milieueffecten van de uitbreiding aan de Munkedyk 1
zijn in de voorgaande paragrafen de effecten beschreven. Hieruit blijkt dat de
activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Naar
alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is gekeken.
Het bestemmingsplan geeft geen aanleiding voor een vervolgonderzoek in het
kader van een m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
33
5
J u r i d i s c h e
t o e l i c h t i n g
5.1
Algemeen
Wro, Bro en SVBP
Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn de Wet ruimtelijke ordening
(Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Standaard Vergelijkbare
BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012) toegepast.
De SVBP2012 bevat een aantal juridische regels die moeten worden opgevolgd.
Dit betreft onder andere een aantal dwingend voorgeschreven begripsbepalingen, die worden neergelegd in het artikel aangaande begrippen. Ook schrijft
de SVBP2012 voor op welke wijze er invulling moet worden gegeven aan de
wijze van meten. In het Bro is een formulering opgenomen ten aanzien van de
anti-dubbeltelregel en het overgangsrecht. Deze teksten zijn neergelegd in de
planregels.
Wabo en Bor
Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met
het bijbehorende Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. De invoering van de Wabo en het Bor heeft grote gevolgen voor het ruimtelijk omgevingsrecht zoals dat nu geldt op grond van de Wro. Met de inwerkingtreding
van de Wabo is de Wro deels vervallen en opgegaan in de Wabo.
In de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning geïntroduceerd en geregeld.
In de omgevingsvergunning zijn de verschillende toestemmingen voor locatiegebonden activiteiten geïntegreerd, waarbij sprake is van een samenloop met
andere locatiegebonden activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. Ook de ontheffingen die in een bestemmingsplan zijn geregeld, zijn
na 1 oktober 2010 vervangen door de omgevingsvergunning. Dit geldt ook voor
de aanlegvergunning. Het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 7.10 Wro is komen te vervallen en is vervangen door het algemene gebruiksverbod dat is opgenomen in artikel 2.1 Wabo. Voor een gebruik in strijd
met een bestemmingsplan is een omgevingsvergunning vereist.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
35
5.2
Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure
vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden:
Voorbereidingsfase
Door burgemeester en wethouders wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1.3.1. van het Bro kennis gegeven van het voornemen om dit bestemmingsplan te herzien. De gemeente voert ten behoeve van de voorbereiding van een
bestemmingsplan vervolgens onderzoek uit naar de bestaande situatie en de
mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in de gemeente.
De gemeente stelt voor het overleg op grond van artikel 3.1.1 van het Bro haar
voornemen (vaak in de vorm van een voorontwerpbestemmingsplan) beschikbaar aan de besturen en diensten van hogere overheden. Ook biedt de gemeente eventueel de mogelijkheid om een reactie te geven op het voorontwerpbestemmingsplan via inspraak. De gemeente geeft een reactie op de overleg- en inspraakreacties. De uitkomsten hiervan worden vermeld in de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan en voor zover noodzakelijk verwerkt in
regels en verbeelding.
Terinzageleggingsfase
Na de aankondiging in de Staatscourant, in ten minste één plaatselijk dag-,
nieuws- of huis-aan-huisblad en op de internetpagina van de gemeente, wordt
het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd.
In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend.
Vaststellingsfase
Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste
12 weken vast.
Beroepsfase
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage.
Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport
een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is
overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft
vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er
beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van
State (ABRvS).
36
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven
aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie voor Leefomgeving en Transport wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk
2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na
vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
5.3
Toelichting op de regels
In deze paragraaf is een toelichting op de juridische regels behorende bij het
plan gegeven. Het bestemmingsplan voorziet in één bestemming. Daarnaast
gelden er ook een aantal aanduidingen. Naast de daadwerkelijke bestemming
van de gronden maken deze aanduidingen ook ander toegestaan gebruik juridisch-planologisch mogelijk.
Hoofdstuk 1: Inleidende regels
Artikel 1: Begrippen
In artikel 1 worden waar nodig de in de regels gebruikte begrippen verklaard.
Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn.
Artikel 2: Wijze van meten
De wijze waarop maten, afstanden en dergelijke gemeten moeten worden, was
voor een belangrijk deel voorgeschreven in de SVBP2012. Deze regels zijn inmiddels ingetrokken. Aangesloten is bij de gebruikelijke plansystematiek van
de gemeente.
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels
Artikel 3: Agrarisch
De gronden binnen het plangebied zijn bestemd voor ‘Agrarisch’. Deze gronden
zijn bestemd voor gebruik als agrarische grond zoals grasland en de vestiging
van zogenoemde grondgebonden agrarisch bedrijven zoals een melkveebedrijf.
Door in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke bepaling op te nemen, is de landschappelijke inpassing gewaarborgd. Er mag wel worden gebouwd ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Echter voordat de
nieuwbouw in gebruik mag worden genomen, dient de landschappelijke inpassing te zijn gerealiseerd.
De gebouwen en bouwwerken (geen gebouwen zijnde) voor de agrarische bedrijven moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Voor de toegestane
bouwwerken zijn in de regels maten opgenomen. Op de gronden binnen het
bouwvlak mogen ten hoogste twee bedrijfswoningen gebouwd worden. De
plaats van de bedrijfswoningen is op de verbeelding aangeduid als “bedrijfswoning”. Beide bedrijfswoningen hebben daarnaast nog de aanduiding “karakteristiek”.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
37
Het bestaande recreatieappartement is in de regels opgenomen via de aanduiding “recreatie”.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Artikel 4: Anti-dubbeltelregel
De anti-dubbeltelregel ziet er op toe dat grond die reeds eerder bij een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen is meegenomen, niet nog eens
bij de verlening van een nieuwe omgevingsvergunning voor het bouwen mag
worden meegenomen. De anti-dubbeltelregel heeft uitsluitend betrekking op
situaties die plaatsvinden ten tijde van het geldende bestemmingsplan.
Artikel 5: Algemene afwijkingsregels
De algemene afwijkingsregels bieden enige flexibiliteit als het gaat om het
afwijken van in het plan opgenomen maten en bieden ruimte om bepaalde
voorzieningen te kunnen realiseren.
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels
Artikel 6 en 7: Overgangsrecht en slotregel
De in het Bro voorgeschreven formulering van het overgangsrecht is opgenomen in deze regels.
38
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
6
U i t v o e r b a a r h e i d
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van het voornemen van de heer Visser om het op het perceel aan de Munkedyk 1 te Gaastmeer gevestigde agrarische bedrijf uit te breiden. De kosten voor de uitbreiding van het agrarische bedrijf alsook de kosten voor de noodzakelijke onderzoeken voor het voorliggende bestemmingsplan zullen door de initiatiefnemer
worden gedragen. De kosten voor de gemeente betreffen de gebruikelijke kosten voor de planbegeleiding.
Door de herziening van het voor de betreffende gronden geldende bestemmingsplan is er de kans dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving
van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 van de Wro een
verzoek tot tegemoetkoming in de planschade wordt ingediend. De mogelijke
kosten die samenhangen met deze tegemoetkoming in de planschade zullen
door de initiatiefnemer worden gedragen.
Op basis van deze overweging moet het voorliggende bestemmingsplan economisch uitvoerbaar worden geacht. Dit betekent dat de uitvoerbaarheid van het
voorliggende bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan voorgelegd aan diverse overleginstanties. Op het plan is een reactie gekomen van
de provincie Fryslân en van Brandweer Fryslân.
Provincie Fryslân
Opmerking landschappelijke inpassing
De provincie Fryslân acht de voorgestelde landschappelijke inpassing niet voldoende. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met een grote mate van
openheid als kenmerk van het landschap. Dit heeft geresulteerd in een vrij
sobere erfbeplanting. De provincie is van mening dat in een open landschap
juist een markering van een agrarisch bouwperceel van belang is. Dit kan worden gerealiseerd door hoog opgaande beplanting. Het erf hoeft niet in zijn geheel te worden omringd door beplanting, maar de hoekpunten zullen in ieder
geval moeten worden aangezet om zo het perceel te markeren.
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
39
Reactie
Naar aanleiding van de opmerking van de provincie heeft nader overleg plaatsgevonden over de landschappelijke inpassing en zijn de daaraan ten grondslag
liggende gedachten nader gemotiveerd. De door de provincie voorgestelde
landschappelijke inpassing zou inderdaad goed passend zijn voor een erf dat
vrij gesitueerd is in een open landschap. In het voorliggende geval is dat echter niet het geval, omdat het erf tegen de dorpsrand van Gaastmeer ligt. Van
een volledig vrije ligging in het landschap is daardoor geen sprake. Daarbij bestaat het achterste deel van het erf alleen uit lage elementen. Wanneer dit
gedeelte van het erf ook omplant zou worden, leidt dit tot een opschaling van
het erf. Met de provincie is overeengekomen om alleen nog het noordoostelijk
gelegen hoekpunt te beplanten en het lage gedeelte van het erf met de sleufsilo’s open te laten. Op dit punt is de inrichtingsschets aangepast.
Opmerking grondgebondenheid
Het bedrijf krijgt een omvang van meer dan 1,5 hectare. In die gevallen moet
worden aangetoond dat het bedrijf voldoende grondgebonden is. Het ontwerpbestemmingsplan dient op dit punt aangevuld te worden.
Reactie
In de toelichting en de planregels is het ontwerpbestemmingsplan aangevuld
met betrekking tot het aspect ‘grondgebondenheid’.
Brandweer Fryslân (6 januari 2014)
Opmerking
Brandweer Fryslân constateert dat er geen risicovolle activiteiten, zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (CRnvgs) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), op het plangebied van invloed zijn.
Ook constateert Brandweer Fryslân dat voldaan wordt aan de gestelde normen
met betrekking tot opkomsttijden voor de brandweer. Het uitgangspunt is dat
een nieuw te ontwikkelen plangebied door middel van twee of meerdere wegen bereikbaar is. In het voorliggende geval zijn de laatste 300 meter van de
aanrijdroute over een enkele weg, maar de verwachting is dat dit niet tot problemen leidt. Tevens zijn er voldoende primaire, secundaire en tertiaire bluswatervoorzieningen in de nabijheid van het plangebied om een incident op deze locatie te kunnen bestrijden. Brandweer Fryslân concludeert dan ook dat
het bestemmingsplan niet tot knelpunten ten aanzien van de brandweerzorg
leidt.
Reactie
De opmerkingen van Brandweer Fryslân worden ter kennisgeving aangenomen
en leiden niet tot aanpassingen van het plan.
40
027.54.15.01.00.toe - Bestemmingsplan Munkedyk 1 te Gaastmeer - 6 maart 2014
Colofon
Opdrachtgever
Bouwbedrijf Leenstra
Gaastmeer BV
Bestemmingsplan
BügelHajema Adviseurs b.v.
Projectleiding
Mevrouw ir. M. Teensma
Projectnummer
027.54.15.01.00
BügelHajema Adviseurs bv
Bureau voor Ruimtelijke
Ordening en Milieu BNSP
Balthasar Bekkerwei 76
8914 BE Leeuwarden
T 058 215 25 15
F 058 215 91 98
E [email protected]
W www.bugelhajema.nl
Vestigingen te Assen,
Leeuwarden en Amersfoort