Speech Monique Vogelzang MBO City

MISSION POSSIBLE
Speech Monique Vogelzang
MBO City
Ede, 24 november 2014
(alleen gesproken woord geldt)
Dames en heren,
Vond u woensdag 12 november ook zo’n bijzondere dag?
Het was de dag dat de ruimteverkenner Philea op een kleine komeet landde.
De ruimtesonde Rosetta die Philea naar de komeet vervoerde, werd in 2004
gelanceerd.
10 jaar later en 6 miljard kilometer verder, was het ding in staat foto’s naar ons te
sturen en zo’n 60 uur onderzoek te doen.
De baas van de ESA refereerde aan de woorden van de eerste maanwandelaar en
sprak van een ‘grote stap voor de menselijke beschaving’.
Het leuke is dat het nieuws door de ESA via Twitter bekend werd gemaakt, een
dienst die in 2004 nog niet bestond.
Het nieuws verspreidde zich uiteraard snel.
Alle media stonden erbij stil.
In de Volkskrant schreef columnist Bert Wagendorp dat uit de gegevens die de
verkenner terugstuurt de mens misschien iets leert over de kiemen van ons leven.
Volgens Wagendorp doen we ‘aan zelfonderzoek op 500 miljoen kilometer van huis’.
Een mooie vondst.
Inmiddels heeft de Philae zichzelf uitgeschakeld en is het nagelbijten tot volgend
jaar zomer wanneer de komeet langs de zon scheert.
Nederland heeft een flinke bijdrage geleverd: de missie staat onder leiding van Fred
Janssen, het landingssysteem en de zonnepanelen zijn in Nederland gemaakt en de
sonde is getest bij ruimtevaartlaboratorium Estec in Noordwijk.
Maar belangrijker nog: de missie is uitgevoerd door de European Space Agency en
1
is daarmee een voorbeeld van waar een goede samenwerking toe in staat is.
Ik dacht hieraan toen ik voor u mijn verhaal voorbereidde.
Er zijn namelijk wat elementen die mij troffen: de moeilijkheidsgraad van de missie,
de samenwerking tussen een groot aantal verschillende mensen en het zelfonderzoekende karakter van het project.
Ik denk, dames en heren, dat deze ruimtemissie ons kan inspireren en motiveren in
het bereiken van ons eigen doel om uitmuntend middelbaar beroepsonderwijs te
realiseren.
Wat zijn namelijk de overeenkomsten?
1. We staan voor een moeilijk opgave omdat onze maatschappij net als die komeet
continu beweegt.
2. Om te slagen is er zelfonderzoek nodig. We moeten kritisch zijn op ons eigen
optreden en onszelf geregeld een spiegel voorhouden;
3. Om ons doel te bereiken moeten we samenwerken terwijl we misschien niet altijd
dezelfde taal spreken. Over deze drie elementen: inspelen op veranderingen,
zelfreflectie en samenwerking wil ik het een en ander aan u meegeven.
Waarom is het zo moeilijk om uitmuntend mbo te realiseren?
Omdat de maatschappij voortdurend in beweging is.
We lopen gevoelsmatig daardoor altijd een beetje achter de feiten aan.
En net als je denk dat je er bent, na jaren zwoegen, experimenteren en analyseren,
verloopt de landing toch niet helemaal zoals bedoeld.
Dit geldt natuurlijk voor al ons onderwijs, maar in het bijzonder voor het mbo.
Waarom?
Omdat het mbo zich voor het overgrote deel richt op het bijbrengen van praktische
beroepsvaardigheden.
Het zijn juist deze vaardigheden die snel worden achterhaald door onze eigen
ontwikkeling.
En onze ontwikkeling gaat snel.
Ik zei al dat in 2004, toen ESA de Rosetta lanceerde, Twitter nog niet bestond.
Maar naast Twitter zagen we ook de opkomst van de app-developer, de iPhone,
2
Facebook, Youtube, Blendle en Spotify.
Om er een handjevol te noemen.
Stelt u zich uw leven voor zonder één of meer van deze dingen, en u ziet hoe sterk
ons leven in korte tijd is veranderd.
Nu is progressie van alle tijden.
Zo moet de kantoormedewerker van nu over heel andere vaardigheden beschikken
dan die van de jaren tachtig.
Net als de automonteur trouwens.
Het vervangen van een lege printcartridge behoort tot de basisvaardigheden van
elke kantoorwerker.
Terwijl een automonteur nu verstand moet hebben van allerlei software om boardcomputers te kunnen lezen.
Al die veranderingen hebben natuurlijk hun weerslag op onze beroepen en ons
vakmanschap.
Maar één ding verandert nooit en dat is de behoefte aan vakmanschap.
Dat was zo in de tijden van handzetters en touwslagers en dat is in ons digitale
tijdperk net zo.
De vormgever, de modeontwerper, de instrumentenbouwer, metselaar,
elektrotechnicus, monteur of hovenier, maatschappelijk slagen zij alleen wanneer zij
uitblinken in hun vak.
Zolang we in auto’s rijden, is die monteur nodig.
Maar als de auto verandert, moet de monteur nieuwe dingen leren.
Dat geldt voor elk beroep.
Het is van groot belang dat het mbo inspeelt op deze ontwikkelingen en op het feit
dat er nieuwe beroepen en industrieën ontstaan. En ik weet dat velen van u daar
volop mee bezig zijn.
Sterker nog, u staat er als opleiders en onderwijzers van vakmensen middenin!
U geeft mede vorm aan de toekomst.
Dit besef lijkt mij enorm inspirerend.
Maar toekomstbestendig onderwijs van uitmuntende kwaliteit, vereist een mbo van
3
topklasse dat concurreert met het algemeen vormend onderwijs.
Dat kan alleen als u zich onderscheidt.
Dat kunt u door te focussen op vakmanschap.
Daar ligt uw kracht.
Dat brengt mijn tweede punt, het kritisch zelfonderzoek.
Waarbij ik u eerst een spiegel wil voorhouden. En daarna mezelf een spiegel zal
voorhouden.
De hamvraag is natuurlijk, is onze mbo-sector van topklasse?
Het antwoord is nee.
Zoals in ons onderwijsverslag van dit jaar staat is de kwaliteit van het mbo de
afgelopen 15 jaar nagenoeg hetzelfde gebleven.
De basiskwaliteit van de examinering is bij de helft van de opleidingen nog niet
bereikt.
Vooral op het punt van de examencommissies is er ruimte voor verbetering.
Examencommissies moeten zicht hebben op de kwaliteit van de examens, zij zijn
hiervoor immers verantwoordelijk.
Het onderwijsproces voldoet bij 4 van de 5 opleidingen aan de basiskwaliteit.
De lat mag wat hoger komen te liggen waar het gaat om het aansluiten van de
lessen op de leerbehoeften van de studenten.
We zien vaak dat studenten met leerproblemen wel goed worden geholpen, terwijl
studenten die boven het gemiddelde niveau van de groep uitstijgen het met minder
begeleiding moeten doen.
Zij vervelen zich.
Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.
Het goede nieuws is dat aan al deze punten iets gedaan kan worden.
Zo vergroot volgens het Sociaal Cultureel Planbureau meer focus op vakmanschap
de aantrekkingskracht van het mbo.
Vakmanschap raakt de intrinsieke motivatie van mbo’ers, het boeit ze, en dit
vergroot de kans op het succesvol afronden van de opleiding.
4
Het tackelen van uw imagoprobleem daarentegen is een stuk lastiger.
Want dat heeft het mbo. Het SCP constateert in een rapport van begin dit jaar dat
ouders en leerlingen vaker kiezen voor het algemeen vormend onderwijs omdat dit
nu eenmaal de hogere opleidingen betreft.
Volgens een recente peiling vindt slechts de helft van de respondenten dat het
beroepsonderwijs een positief imago heeft.
Jongeren tussen de 15 en 24 jaar zijn nog negatiever: nog geen derde van hen zegt
dat zij het beroepsonderwijs zouden aanraden aan leeftijdsgenoten.
Er zijn natuurlijk genoeg mbo’s die buitengewoon goed presteren en daarmee het
gemiddelde opkrikken.
Toch kregen de mbo-opleidingen in 2012 volgens de JOB-monitor gemiddeld een
6,9 en de instellingen gemiddeld een 6,4.
Geen onvoldoendes, maar er is duidelijk ruimte voor verbetering.
En ik weet dat u wel de ambitie heeft.
Ik keek op een handjevol websites van opleidingen en instellingen en kwam zinnen
tegen als ‘Laat je talent groeien’, ‘Think global, act local’ en ‘Vakmensen in
opleiding’.
Prachtige beloftes.
Nu moeten ze waargemaakt worden.
U bent daar hard mee bezig.
De basis van het mbo is steeds beter op orde.
Instellingen zijn erin geslaagd om het aantal leerlingen dat voortijdig de school
verlaat zonder diploma verder terug te dringen. 1
Daarnaast is de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt gemiddeld
genomen goed.
Schoolverlaters met een diploma van het schooljaar 2010-2011 vonden gemiddeld
genomen binnen een maand een baan.
U zit niet stil en dat blijft niet onopgemerkt.
5
Het lijkt soms alsof wij als inspectie te veel focussen op de zwakkere opleidingen en
instellingen, maar ik kan u verzekeren dat wij de uitblinkers ook in het vizier
hebben.
Daar komt bij dat u in een lastig parket zit: enerzijds, willen bedrijven en
deelnemers meer maatwerk. Anderzijds worden de eisen aan efficiency en
effectiviteit van het onderwijs groter.
Dat maakt het voor instellingen zo complex.
Zeker als zij werk willen maken van het onderwijs aan kwetsbare leerlingen, een
duidelijk maatschappelijke taak.
Op de mbo niveaus 1 en 2 is dit het geval.
Lesgeven op deze niveaus vereist van docenten groot vakmanschap.
U – en ik richt mij op de docenten hier - u bent niet alleen didacticus, maar ook
pedagoog en leermeester.
U moet zorgen dat er een prettig leef- en werkklimaat heerst, dat er een
harmonieuze en coöperatieve sfeer is.
U bewaakt de balans tussen leiden en begeleiden, sturen en volgen, confronteren en
verzoenen, corrigeren en stimuleren.
Daarnaast moet u dit combineren met uw kennistaken, ambachten die steeds weer
nieuwe kennis en competentie vragen.
Bij de inspectie realiseren we ons dat u een zeer zware taak heeft.
Laat ik dan nu eens de spiegel naar de inspectie keren.
De vraag hoe wij het doen is daarom ook een belangrijke.
Wat heeft u aan ons en wat kunt u van ons verwachten?
Wat blijkt, de inspectie heeft ook een imagoprobleem.
Ook onze opdracht is complex en wij willen maatwerk in ons toezicht leveren terwijl
de indruk wordt gewekt dat wij scholen in een strak format persen. De mbostudenten en de samenleving moeten verzekerd zijn van goed onderwijs. Dat is
voor mij het ultieme bestaansrecht van toezicht. Daarom kijken we naar de kwaliteit
van het onderwijs. Dat doen we transparant en vanuit een open houding. Wij
houden u scherp en u op uw beurt mag ons scherp houden. Dus ook bij ons is er
ruimte voor verbetering. Ook wij moeten letten op de kwaliteit van onze inspecties.
6
Onze bereidheid om te ontwikkelen en beter te worden is de reden waarom we onze
inspecties in 2007 hebben gewijzigd en sinds 2012 baseren op het principe van
verdiend vertrouwen.
Het is de reden waarom we binnenkort opnieuw onze manier van toezicht
veranderen.
Er was namelijk kritiek en die trekken wij ons aan.
In het mbo hebben we met het toezichtkader 2012 al stappen gezet naar meer
differentiatie in het toezicht.
Onze benadering van onderwijskwaliteit en financiële continuïteit is completer en
wordt voorzien van context.
Ons uitgangspunt voor het toezicht is nog altijd dat de verantwoordelijkheid voor de
kwaliteit bij een instelling ligt. We werken daarbij volgens het principe van verdiend
vertrouwen.
Hoe gaan we te werk?
Periodiek analyseren we een instelling op bestuursniveau.
We controleren de boekhouding en beoordelen de financiële gezondheid van een
instelling.
Ook gaan we na of het bestuur de touwtjes goed in handen heeft, of het bestuur
weet wat er speelt en of er sprake is van een verbetercultuur.
Bij ons toezicht maken we zoveel mogelijk gebruik van de beschikbare informatie
van instellingen, zoals audits en zelfevaluaties.
We willen met ons nieuwe toezicht de vanzelfsprekendheid van een verbetercultuur
stimuleren.
Verbetercultuur moet in de genen zitten.
Onder meer door in de verslaglegging meer van de ontwikkeling van de
verbeteringen te laten zien.
Dat stimuleert en motiveert.
Ook gaan we het toezichtkader op onderdelen vernieuwen zodat het nog beter
aansluit bij het beroepsgerichte karakter van de mbo-sector.
Tot slot willen we onderzoeken hoe we met het nieuwe toezicht opleidingen die net
7
boven basiskwaliteit zitten, kunnen stimuleren om hun kwaliteit verder te verhogen.
In 2015 zullen we voor verschillende onderwerpen pilots uitzetten om te zien hoe
een en ander werkt.
Op 1 augustus 2016 wordt het nieuwe toezicht van kracht.
We gaan dus meer en meer toe naar een inspectie die gebruik maakt van de kracht
van de instellingen zelf.
We zullen vaststellen of instellingen al voldoende vanuit hun eigen kracht werken.
Voor een school die door de bodem van de basiskwaliteit zakt zullen we
onverminderd streng zijn.
We weten uit ervaring dat stimuleren dan niet meer helpt. Dan komt er
vervolgtoezicht.
Als het beter kan, zullen we in gesprek gaan om de verbetercultuur te optimaliseren.
Wij moeten goed overdragen waarom het beter moet of beter kan, en daarbij zo
veel mogelijk stimuleren.
Want in de basis moeten instellingen zelf overtuigd zijn van de noodzaak beter te
worden.
We gaan ervan dat een school ‘met een ‘slecht’ of ‘onvoldoende’ als beoordeling er
alles aan doet om te verbeteren.
Maar een school met een voldoende moet ook de drang voelen om beter te worden..
Binnen de kaders die de inspectie daarvoor gebruikt, kunnen we het toezicht veel
meer samen met u vormgeven.
Met begrip voor de impact die ons toezicht heeft en met aandacht voor de docenten
die met ons te maken krijgen.
We kunnen nog transparanter zijn over wat we doen en waarom we dat doen.
We kunnen nog beter luisteren.
We kunnen nog beter feedback geven.
Daarom stippelen we deze nieuwe koers uit.
Samen met u.
Zodat we beter aansluiten op uw onderwijspraktijk en uw taak niet nog complexer
8
maken, maar juist verlichten.
En dat brengt mij op het derde element, namelijk samenwerking.
En hier geldt natuurlijk het principe van de som die meer is dan zijn delen.
Nederland alleen had nooit de Philea op die komeet kunnen zetten.
Dat geldt voor alle Europese landen binnen de ESA; afzonderlijk was het ze niet
gelukt.
Maar als ploeg wel.
U en ik voeren samen de opdracht uit: toekomstbesteding onderwijs van
uitmuntende kwaliteit.
Hondsmoeilijk.
Maar zeker niet onmogelijk.
U heeft al bewezen over enorme veerkracht te beschikken.
U kunt bergen verzetten.
De inspectie ook.
Samen kunnen wij ons doel bereiken.
Een mbo waar studenten zich ten volste kunnen ontplooien en waar docenten
werken die begeesterd hun kennis en vakmanschap delen.
En over tien jaar als we dankzij het onderzoek naar én op die komeet veel meer
over onszelf weten en ons leven op aarde hebben verbeterd, lopen er in de wereld
duizenden vakmensen rond die aan het Nederlandse mbo zijn opgeleid.
In welke beroepsgroep of industrie ze werken, weten we niet.
Grote kans dat die nu nog niet bestaan.
Maar dat geeft niet omdat u uw oud-studenten uitstekend hebt voorbereid.
Ze zijn weerbaar, flexibel en verstaan hun vakken.
En dat alles omdat u en ik elk jaar beter werden.
Ik zie uit naar die toekomst, naar onze samenwerking, naar onze altijd-lerende
organisaties en naar ons mbo van uitmuntende kwaliteit.
Ik dank u wel.
9