WIJS SV - Klassieke Kring

Anouk Jacobs
Openbaringsgodsdiensten
-
Universaliteitsaanpak: voor alle mensen
Openbaring; hoogste werkelijkheid gepredikt door een profeet
Dogma’s
Sekte
-
Inpalming
Groepsvorming
Hiërarchie
Charismatische leider
Afzondering van de wereld
Uitverkiezing
Geslotenheid voor informatie
Irrationalisme van geloofsovertuigingen
Proselytisme: alles doen om nieuwe leden aan te werven
Wiskundige bewijzen in wording
Thales van Milete
-natuurfilosoof
-1ste wiskunde en 1ste wijsgeer (ging toen onlosmakend samen!)
-streefde naar theorie over de wereld die vatbaar was voor
argumentatie
-begreep dat de werkelijkheid voortdurend verandert
-het beginselen dat de diversiteit en de veranderlijkheid van de
werkelijkheid kon verklaren = water (foutief!). Inspiratie?  Milete =
havenstad + water komt voor in 3 toestanden (vloeibaar, vast,
gasvormig)
-belang van Thales: vragen die hij zich stelde en de manier waarop
hij er antwoorden op poogde te formuleren
Euclides
Wiskundige axioma’s
Natuurfilosofen
Thales van Milete
Anaximenes
Anaximander
Pythagoras
stelling van Thales dat alle substanties terug te voeren waren tot één
concreet element; voor Anaximenes: lucht. Verschillende soorten
lucht.
dacht aan een onzichtbare oerstof (apeiron) die aan de grondslag ligt
van de 4 hoofdelementen (water, lucht, aarde, vuur) en stelde dat
lucht de oerstof van de werkelijkheid was
-belang wiskunde als model om betrouwbare kennis te verwerven
-geboren te Samos (eiland, dicht bij Milete)
-kennis door reizen
-getal ligt ten grondslag aan alles wat bestaat  alles uitdrukken in
Anouk Jacobs
Heraclitus
getallen (cf. muzikale klanken uitdrukbaar in getalmatige
verhoudingen)  werkelijkheid wiskundig weergeven
-samen met Pythagoreeërs zegt Pythagoras: God = wiskunde => alles
wat eeuwig en onveranderlijk is kan aan de hand van wiskunde
worden begrepen
! werkelijkheid is niet wiskunde  probleem voor werkelijkheid
want veranderlijk en dus minderwaardig t.o.v. “eeuwige” waarden
van de wiskunde
-getallen belangrijker dan zintuiglijke werkelijkheid want getallen zijn
eeuwig en overstijgen de realiteit
-combinatie theologie en wiskunde in de wijsbegeerte  enorme
invloed op Westerse denken in het algemeen
-de stelling van Pythagoras: a² + b² = c² waarbij a, b en c = zijden van
een rechthoekige driehoek met a en b = rechthoekszijden en c = de
schuine zijde
*oorspronkelijke waarde van Pythagoras’
opvatting over het getal, als grondslag van de werkelijkheid
illustreren
*aanleiding tot ontdekking van irrationele getallen
 twijfel over waarheidswaarde van het pythagoreïsche denken:
irrationele getallen zijn onmeetbaar, hun wiskundige waarde kan
slechts benaderd worden aangeduid en dit is in contradictie met
Pythagoras’ opvatting over het eeuwige en volmaakte karakter van
getallen
*gevolg van de stelling van Pythagoras: pythagoreïsche
filosofie verliest deel van haar geloofwaardigheid (Griekse wiskunde
= meetkunde, nl. verhoudingen ipv getallen)
-”De mensen die slapen hebben elk hun eigen wereld, de mensen die
wakker zijn hebben een gemeenschappelijke wereld.”
Individuele mensen beleven in hun slaap een droomwereld waarin
elk zijn eigen waarheden heeft en zijn eigen belevenissen. Zodra men
wakker wordt, stelt men vast dat dit een begoocheling was, wat
blijkt uit het feit dat andere mensen iets anders hebben beleefd.
Maar als ze wakker zijn, worden ze geconfronteerd met dezelfde
zon, dezelfde huizen, dezelfde bomen en dezelfde mensen.
-Mythen zijn groepsdromen
Openbaringsgodsdiensten: aanspraak op universalisme kan niet
worden waargemaakt  gemeenschappelijke waarheid ontbreekt.
-Wetenschap = benaderingswijze die toelaat betrouwbare kennis te
bereiken, dwz aanleiding geeft tot algemene consensus
(universaliteit) van degenen die ze ernstig bestuderen en die
bovendien achteraf niet door de feiten worden gelogenstraft
-zoektocht naar duurzame en onveranderlijke = tevergeefs  feit
dat alles veranderlijk is, is de enige zekerheid die we hebben
-“stof” die ten grondslag ligt aan alles = vuur. Dit is opmerkelijk want
vuur is vluchtig en ongrijpbaar  Herakleitos zei “panta rei” = alles
stroomt  niets blijft hetzelfde (cf. twee keer baden in dezelfde
rivier is onmogelijk, want rivier stroomt steeds door, water erin is
steeds ander water, dus je kan geen twee keer baden in zelfde
rivier)
-vinger op zere wonde van de presocratische zoektocht naar het
onveranderlijke: we kunnen op zoek naar het eeuwige getal of het
Anouk Jacobs
apeiron of het atoom, enz. Maar het enige dat we vinden is het
veranderlijke en het tijdelijke
-reactie hierop is dat andere filosofen die verandering ontkenden:
Parmenides van Elea
Zeno van Elea
Leucippus en Democritus
Leerdicht. Echte kennis via de rede. "Denken en Zijn is één en
hetzelfde." Als iets gedacht wordt is het onmogelijk te zeggen dat
het "niet is".
-enkel “het zijn” bestaat en het “zijn is één”
-zintuigen zijn bedrieglijk en de veranderingen die we zintuiglijk
waarnemen bestaan niet echt  Er is geen tijd aangezien er geen
verandering is, alles wat in de zogenaamde toekomst zal bestaan,
bestaat in feite nu reeds, “worden” = begrip dat illusies uitdrukt
Grondlegger van de dialectiek. Achilles en de schildpad  beweging
bestaat niet.
Leer van het atomisme!!!
-ontstaan atomisme = materialistische leer: probleem opl.
verhouding eeuwige <-> tijdelijke en veranderlijke <->
onveranderlijke  stelling: alles wat bestaat is opgebouwd uit
kleine, ondeelbare deeltjes = atomen (atomos = ondeelbaar). Die
atomen zweven rond in een lege ruimte en komen zo nu en dan met
elkaar in botsing. Wanneer ze botsen, geven ze uiting aan
voorwerpen die wij zintuiglijk kunnen waarnemen en die
voorwerpen verdwijnen dan ook weer wanneer de atomen uit elkaar
gaan
Deze theorie geldt ook voor het menselijk lichaam
en de mentale vermogens waarover we beschikken. Ook de ziel
(levensbeginsel) = resultaat van samenklontering van bewegende
atomen  geen onsterfelijkheid want ziel wordt vernietigd wanneer
atomen elkaar weer loslaten
De sofisten en Socrates (5e VC)
Socrates
Plato
-was beïnvloed door kritische denkwijzen natuurfilosofen en sofisten
maar aanvaardde relativisme niet!
-de waarheid en het goede bestaan
-poogde sofisten met eigen discussietechnieken te bestrijden
-meesterlijke ondervrager; gangbare overtuigingen zijn in
werkelijkheid sterk betwistbaar
-“ik weet dat ik niets weet”  toch overtuigd dat een rationele
fundering van moraal en politiek mogelijk is => Dit is uitgangspunt
van de wijsbegeerte van zijn grootste leerling, nl. Plato
Grot, zintuigen zijn bedrieglijk.
-Atheense filosoof en Socrates’ grootste leerling
-1 van de meest invloedrijke denkers aller tijden
-ontwierp samenhangend systeem waarin speculatieve, ethischpolitieke en kennistheoretische vragen op rationele wijze werden
Anouk Jacobs
benaderd
-zoeken naar het goede (cf. Socrates)  door totaalvisie over de
mens en over de wereld waarin die mens leeft
-betrouwbare kennis moet aan een aantal eisen beantwoorden
-inzicht in de mogelijkheden en beperkingen van de menselijke
kennisverwerving
-kennisleer: geïnspireerd door succes wiskunde (meetkunde!). Enkel
in de meetkunde is de mens tot inzicht, samenhang en
onomstootbare zekerheid gekomen (althans in Plato’s tijd) +
positieve vooruitgang muziektheorie (verhoudingenleer) en
sterrenkunde (zintuiglijke wereld)
-past denkwijze van de meetkunde op alle problemen toe.
Karakteristieke van deze methode is dat in de meetkunde enkel
volmaakte vormen worden bestudeerd en niet de figuren in de
praktijk  belang van exacte taal (juiste definiëring begrippen,...)
besluit: kennis is pas mogelijk als kennis van volmaakte vormen die
in definitie worden gevat => bewijsvoering en samenhang
-Vormenleer: er bestaat een cirkel  cirkel bestaat  vormen
bestaan nooit volmaakt in zintuiglijke wereld  er bestaat dus een
andere wereld
Stelling: alle aspecten van de ervaarbare wereld
zullen slechts kenbaar zijn via volmaakte vormen
Besluit: er bestaat een Vormenwereld die bestaat
uit basismodellen (prototypes) van alle dingen op volmaakte wijze.
Onze ervaarbare wereld bestaat uit benaderde realisaties van die
volmaakte vormen
 via methode analoog aan wiskunde: Vormenwereld en dus
basisstructuur van onze wereld leren kennen
 er bestaat een andere, aparte werkelijkheid,
een wereld buiten ons, waarin die vormen bestaan
-deze vormenopvatting komt overeen met oude pythagoreïsche
gedachte dat de wereld een wiskundige structuur heeft of een
structuur die met de wiskundige methode kan worden benaderd
-platonisme op natuurwetenschappelijk gebied  ontwikkeling
sterrenkunde (astronomie):
2 invloeden:
1) mening
Grieken: hemel = volmaakt  beweging hemellichamen = volmaakt
2) wiskunde  volmaaktheid =
eenparige beweging (een constante cirkelvormige beweging)
 beweging sterren en planeten = cirkelvorming
 invloed van Plato versterkte deze tendens: als
sterren = goddelijk  vormenwereld volgen  eenvoudig,
volmaakte wiskundige vorm ervoor
! In het platonisme zelf hoeft men niet te geloven dat er een
afhankelijke Vormenwereld bestaat. Men kan ook aannemen dat
deze “vormenwereld” bestaat in onze geest. Afzonderlijk bestaan
vormen = probleem  bestaat een spiraal, parabool, getal e, getal
pi, getal i of zijn deze vormen door de mens ‘bedacht’ ? Heeft de
mens ze gemaakt of ontdekt?
Platonisten zeggen: ze bestaan onafhankelijk van de mens
-Plato paste zijn vormenleer toe op de esthetica en vooral op de
Anouk Jacobs
moraal en de politiek
-platonist: object = mooi wanneer het meer dan gewone gelijkenis
vertoont met de Vormen en lelijk wanneer de gelijkenis ver te
zoeken is
Plato: vormen zijn kenbaar  het goede (mens en staat) kan gekend
worden  door rationeel onderzoek moraal opbouwen en
staatsordening ontwerpen die het ideaal meer en meer benadert =>
grote invloed op Westerse beschaving
-Plato’s mensvisie is een dualistische visie: mens en lichamelijkheid
behoren tot de aardse wereld, de redelijke ziel (nous) is afkomstig uit
de vormenwereld.
 ziel: goddelijk karakter, onverwoestbaar 
onsterfelijk (inspiratie kerkvaders: christelijke idee van “eeuwig
leven”), verblijft tijdelijk in het menselijk lichaam (lichaam = “de
kerker van de ziel”), herinnert zich tijdens aardse bestaan de Vormen
 mens kan benaderde vormen uit zintuiglijke wereld vergelijken
met de Vormen  “objectief” in staat om classificaties te maken
(mooi <-> lelijk, goed <-> kwaad, juist <-> verkeerd, rechtvaardig <->
onrechtvaardig,...)
Eudoxus van Cnidus
Hipparchus
Ptolemaeus
Aristoteles
Plato’s belangrijkste leerling
-1ste grote systematicus van de wijsbegeerte: afbakenen van
verschillende studieobjecten + uiteenzetting schools karakter
-enorme invloed op filosofie-onderwijs in de Oudheid en in de
Middeleeuwen
-kennistheoretisch vlak: betekenis van de vormen als kennisobject
aanvaard, maar loochent dat ze een afzonderlijk bestaan zouden
leiden: vormen bestaan alleen in de dingen zelf ~ geringer
vertrouwen in strikt wiskundige methode
 wezenskenmerken vormen in onze wereld hangen af van ervaring
kennis van vormen door een abstractie-procedé (itt Plato en
constructieprocédé)  zien van talloze, concrete, onvolmaakte
benaderingen van cirkels -> geest vormt begrip “volmaakte cirkel” 
strikt wiskunde methode voldoet niet, toch strenge regels
denkproces  Ontstaan van de Logica
Logica = onderzoeken hoe denken geordend zou
moeten zijn, wil men tot concrete gevolgtrekkingen komen  hoe
denken?
1) formele logica = logica die de
vorm of de structuur van het denken onderzoekt ipv de inhoud
*Aristoteles: klemtoon op definities
-denken gebeurt adhv begrippen
-helder en correct denken ->
Anouk Jacobs
begrippen ondubbelzinnig geformuleerd
-begrippen -> oordelen/volzinnen ->
gevolgtrekkingen = redeneringen maken (deducties) waarbij uit
bepaalde vooronderstellingen (premissen) een conclusie wordt
getrokken die informatie bevat die niet besloten ligt in afzonderlijke
premissen (vb. Van zo’n gevolgtrekking = Syllogisme 
1)
algemene stelling (maior) vb.
Alle mensen zijn sterfelijk
2)
bijzondere stelling (minor) vb.
Socrates is een mens
3)
conclusie vb.
Socrates is sterfelijk
Gevolgtrekkingen  bewijzen
In de logica: bewijs = het op een correcte manier afleiden van de ene
stelling uit de andere  logische afleiding  axioma’s (kunnen zelf
niet bewezen worden)
Met axioma’s en premissen kan men niet tot de volledige kennis van
de wereld komen. Ook inductie nodig = ‘afleidingen’ 
generaliserende conclusies uit iets bijzonders
2) Informele logica = de logica die
correcte redeneringen poogt te onderscheiden van
drogredeneringen (fallacies) door de inhoud ervan te onderzoeken
Enkele drogredeneringen:
*het ad hominem argument
*het gezagsargument
*de “bad company” en “good
company” drogredenering
*de “iedereen doet het”
drogredenering (met varieties)
*de anekdotiek – drogredenering
*de “begging the question”
drogredenering
*cirkelredeneringen
*valse tegenstellingen
*de drogredenering van het “hellend
vlak”
-na Aristoteles: dubbele tendens in de Westerse wetenschap en
filosofie:
*nadruk op creatieve rol van de menselijke geest
bij kennisverwerving
~ wiskundige theoretische aanpak
*empirisch/experimenteel ~ door ervaring
bekomen decisieve resultaten
-Aristoteles = grondlegger van huidige weteschappelijke methode
! Aristoteles’ “ervaring” verschilt van onze “ervaring”
Aristoteles’ ervaring < empireia = “ondervinding” = inzicht verkrijgen
door ouder te worden en veel te hebben beleefd
-Aristoteles: wereldvisie = teleologisch  klemtoon op
doelgerichtheid die ogenschijnlijk in de wereld aanwezig is
Anouk Jacobs
Wereld en dingen erin verklaren door doel aan te wijzen waarnaar
alles streeft.
Doeleinden van de dingen (stuwkracht naar een meer volmaakte
realisatie) = oorsprong van wat bestaat (verschillend van platonische
Vormen). Deze theorie is fel omstreden. Dit neemt echter niet weg
dat doelgerichte verklaringen nog steeds een verklarende waarde
kunnen hebben, vb. Gedrag ‘bewuste’ wezens moeilijk te begrijpen
zonder rekening te houden met intenties (doeleinden) die ze
hebben.
-Aristoteles: gebied van ethica en politiek  ervaring 
pragmatisch; geen ideaalbeeld dat men zondermeer kan ontwerpen,
maar door juiste inzichten uit de menselijke activiteit en door de
reflectie groeien (pragmatici: conservatief getint) [Itt platonisch
georiënteerde filosofen: ontwerp ideale maatschappij + hogere
moraliteit -> revolutionair getint]
Deze oppositie pragmatisch/revolutionair wordt nog steeds in
westers politiek en ethisch denken teruggevonden.
Hellenistische en Romeinse filosofie
Cynisme
Antisthenes
Diogenes
Stoa
Zeno van Citium
Vroege stoa
Seneca
Late stoa
Epicurisme
Aristippus van Cyrene
Scepticisme
Pyrrho van Elis
Neoplatonisme
Anouk Jacobs
Ammonius Saccas
Plotinus
Porphyrius
Philo van AlexandriË
Moderne filosofie
Politieke filosofie
Niccolo Machiavelli
1469-1527
Hugo de Groot
1583-1645
Thomas Hobbes
1588-1679
Il Principe
De jure belli ac pacis: basis van het moderne internationaal recht
Materialistisch en mechanistisch mens-en wereldbeeld : natuurstaat,
absolute heerser (Leviathan)
Het rationalisme
René Descartes
1596-1650
Benedictus de Spinoza
1632-1677
Gottfried Wilhelm Leibniz
1646-1716
Methode van de wiskunde, begrippen en axioma’s.
God = volmaakte wezen: ontologisch godsbewijs Mechanistisch.
Nativisme: aangeboren ideeën. Cartesianisme en dualisme.
Cartesianisme en dualisme van attributen. Heldere begrippen. Rede
dichtst bij God. Pantheïsme. God = substantie.
Hoogste waarde: autonomie (max. autonomie en macht)
Mens is egoïstisch: democratie
Talloos veel substanties: Monaden (immatrieel = ziel)
Harmonia praestabilita van lichaam en geest: niet in contact.
God met een vrije wil: beste wereld gekozen (antwoord op
theodiceeprobleem)
Het empirisme
John Locke
1632-1704
George Berkeley
1684-1753
David Hume
1711-1776
An Essay Concerning Human Understanding.
Epistemologische vragen centraal: aan alles twijfelen.
Tabula rasa
Primaire (beweging, rust aantal, vorm en secundaire (geur, kleur,
smaak temp., klank) kwaliteiten.
Mechanische en mathematische eigenschappen: nooit zekerheid
omdat onze geest associaties legt.
Moraliteit is meetbaar, utilitarisme. Alles bestaat wat waargenomen
wordt.
Subjectief idealisme: alleen het kennend subject bestaat
Totaalfilosofie: onderzoek van de mens.
Bewustzijnsverschijnselen: impressions (emoties), ideas (ideeën)
Anouk Jacobs
(natuurkunde en ethiek
geen vast fundament)
Verlichting:
Enkelvoudige(verstand passief,anal.) en complexe ideeën (actief,syn)
Causale relaties, tegen inductie, scepticisme, hedonisme met sympa.
Kenmerken:
-
Loskomen van de mens uit onmondigheid
Belangrijke impact van Spinoza en Engels empirisme
Vertrouwen in de rede, feiten
Geloof in vooruitgang
Deïsme: natuurlijke godsdienst + atheïsme
Natuurlijke moraal: plichtsmoraal of moraal uit nutsoverwegingen
Libertijnse houding (afbreken van taboes)
Maatschappij: rationalisatie en ordening, vrijheid centraal.
Engeland (empiristen): Shaftesbury, Adam Smith en Mandeville
Frankrijk: Voltaire, Montesquieu, LaMettrie, d’Holbach, Helvetius, Condillac, Diderot, d’Alembert,
Condorcet en Rousseau.
Duitsland: Wolff, Lessing, Pestalozzi en Kant
Immanuel Kant
1724-1804
Kritik1: mogelijkheid van
kennende ik
Kritik2: mogelijkheid van
handelende Ik
Kritik3: mens in relatie met
wereld
(beoordelingsvermogen:
doelgericht,
(on)aangenaam)
Doel: morele plicht +
onvermijdelijke vrijheid
Grondslag kennis =
apriorivormen van verstand
Jean Jacques Rousseau
Ruimte, tijd, causaliteit en substantie: noodwendig
Copernicaanse omwenteling in de kennisleer: in kennend subject
zekerheden zoeken.
Kennis geordend door vormen a priori
Kennis van de wereld= synthese v.d. inhouden v. empirie en vormen
Vormen zijn transcendentaal (=voorwaarde vooraf mogl. Tot kennis)
Analytische (a priori waar), synthetische (a posteriori), synthetische
oordelen a priori (analyse van zintuigelijkheid: ruimte, tijd)
Fysica (meer dan vormen), metafysica (god) bestaat niet.
Betrouwbaarheid van wisk. En natuurk. Door zuivere rede.
Morele plichtsbewustzijn (theorie van causaliteit: niet) handeling
gericht op het realiseren van doeleinden  hypothetische imp.
Morele regel op basis van vrije beslissing: categorische imp.
Kritik1: lichaam zit in een ketting: causaal
Kritik2: vrijheid van handelen
Godsgeloof: buitenzinnelijke wereld met onsterfelijkheid: de dingen
zelf (Ding an sich): absolute wezen: god
Natuurtoestand: geen maatschappelijke structuren: le bon sauvage
Op basis van vrije instemming een maatschappelijk verdrag
opstellen: macht bij het soevereine volk
Het Duitse idealisme
Johann Gottlieb Fichte
1762-1814
Doel: op basis van zedenwet
vrijheid nastreven.
+ socialisme (staat beheert
Objectief idealisme: dialectiek
Mens kan vrij handelen: handelend ik + transcendentale analyse:
noodzakelijke voorwaarden  het IK poneert zichzelf (activiteit), Ik
poneert tegenover zichzelf een niet-IK (bewustzijn onmogelijk
zonder object), IK poneert zich, IK poneert, maar bepaalt niet-IK en
Anouk Jacobs
economie)
Friedrich Wilhelm Joseph
von Schelling
1775-1854
Friedrich Ernst Daniel
Schleiermacher
1768-1834
Georg Wilhelm Friedrich
Hegel
1770-1831
Ratio
wordt bepaald door het niet-Ik (passief): kennisdimensie
Reflectie op niet-IK (zintuigen lijken van buitenaf te komen)
Natuurfilosofie, identiteitsfilosofie, godsdienstfilosofie.
Geest minder aan IK gekoppeld
Onbewust intellect, scheppen van de kunstenaar
Godsdienstfilosoof. Grondslag van rede = gevoel.
Alle godsdiensten zijn authentieke uitingen van religieus gevoel.
Geen enkel systeem kan de religie totaal omvatten
Totaalfilosofie: eenheid en coherentie + diversiteit
De wereld is essentieel in ontwikkeling: veranderingen
Het denken: werkelijkheid in zichzelf  dialectische methode
Waarheid = een wetenschappelijk systeem: eenheid en door
begrippen + belang intersubjectieve + diversiteit van de
werkelijkheid weergeven = subject.
Waarheid is bemiddeld door de werking van de negatie.
Relatie tussen de Absolute Geest en IK en probleem van
intersubjectiviteit (other minds): grondslag van de oplossing 
antithese tussen algemeenheid en particulariteit.
Godsbeeld: verlichtingsideaal in wezen het vrijheidsideaal van het
Christendom is. (geloof = begrijpen van verleden)
Aanvallen op Hegels Christendom
Ludwig Andreas Feuerbach
1804-1872
David Friedrich Strauss
Bruno Bauer
Soren Kierkegaard
1813- 1855
Hegeliaanse filosofie gaat uit van de theologie  laatste
toevluchtsoort.
Nieuwe filo moet zich met de mens bezighouden: antropologie.
Meest reële relatie is liefde. God is een projectie van de mens.
Mens moet tot zelfkennis komen.
De mens is voor de mens het hoogste goed. (ZIE STIRNER)
Jezus wordt niet vermeld door Hegel.
Strauss: verwerpt al het bovennatuurlijke: verschil mythe en verhaal.
Bauer: evangelie = mythe: theologisch kunstproduct.
Esthetisch stadium: realiteit in het nu
leven voor het genot, verleiding, passief tegenover werkelijkheid
Ethisch: zelfwording
Regels, verantwoordelijkheid
ideaal wordt kapot gerukt door de zonde = afwijken
Religieus: zo wanhopig zijn, dat men god vindt
Persoonlijke, existentiële manier, irrationele sprong.
Werkelijkheidservaring = strikt individueel (Marx en Stirner)
Maatschappij: conservatief
Proscriptum: de existentiële of subjectieve dneker voor het
objectieve denken
 Kennisrelatie te abstract: verlies realiteit (existerende denker
= subjectieve dimensie
 Overdreven gevoel= geen contact met werkelijkheid
 Wil moet loskomen van het concrete
Anouk Jacobs
Aanval op Hegels maatschappijvisie
Karl Marx 1818-1883
En Engels
ENGELS: metafysische aspecten van het dialetisch materialisme als
algemene grondslag van de filosofie.
Filosofie als praxis: maatschappijverandering
Dialectisch materialisme: evolutie van de materie, conflictwerking
tussen tegenstrijdige krachten
Historisch materialisme: economische theorie van de geschiedenis:
verandering op basis van objectieve wetten.
Infrastructuur (onderbouw) vs. Superstructuur (bovenbouw)
Arbeidsverdeling, sociale relaties: ontwikkeling versnellen/vertragen
Economische theorie: waarde v. product: arbeider=meerwaarde
Uitbuitingstheorie
Humanitaire ondertoon: morele gronden, klasseloze maatschappij
Theorie van vervreemding: van zichzelf, medemens, religie.
Maatschappij brengt de godsdienst voort.
Nihilisme
Max Stirner
1805-1856
Links-hegeliaanse poging om zelfvervreemding van de mens te
breken. Eigen IK = Laatste waarde, eindpunt. Mens en God
overwinnen om IK over te houden.
Elk individu heeft de IK als enige waarde (ZIE FEUERBACH)
LIBERALISME
(burgerij)
 Ofwel: interventie van staat in het individuele denken en handelen reduceren
 Ofwel: eisen dat de staat bijdraagt aan de bevrijding van de mens
Contradictie: Locke + Amerikaanse Declaration: slavernij is toegestaan
18e E:: Locke, Montesquieu, Jefferson en Rousseau: nadruk op gelijkheid, recht op leven, geluk,
vrijheid. Humanitair ideaal
Twee stromingen:
Het politiek liberalisme:
Locke, Voltaire, Montesquieu en Jefferson
John Stuart Mill
 Negatief: voorrechten van absolute vorst, kerk en adel moeten verdwijnen
 Positief ideaal: individuele vrijheid
Streven naar een constitutie, parlementair regime, scheiding der machten
Niet-interventie van staatsorganen, maar algemeen stemrecht is nog niet verworven.
19e E:
Matthew Arnold en Thomas Hill Green
Mens bevrijden van ellende en onwetendheid.
Grotere staatsinmenging.
Anouk Jacobs
 Splitsing Engelse Liberale Partij: conservatieven en Labour
Economisch liberalisme:
Adam Smith (grondlegger)
Basis: sympathie
Grondslag van economische groei = arbeidsdeling  verhoogde productiviteit  ontstaan kapitaal
Vooruitgang gebruiken om eigen belang na te streven: gemeenschappelijk welzijn best als iedereen
eigen belangen nastreeft. Staat moet rechtvaardigheid garanderen. Privileges en monopolies
remmen de economische groei af.
+ BENTHAMs utilitarisme: het grootste geluk voor het grootste aantal.
20e E: democratisch aspect van het politiek liberalisme werd gerealiseerd door universeel stemrecht
onder druk van de Linkse partijen
NA WOI: fascinatie door autoritaire bewegingen (fascisme, nazisme)
Jaren 70: radicale terugkeer naar het vroeg-19e eeuws economisch liberalisme: drastische inperking
van staatsinterventie.
Neo-liberalen: Freidrich von Hayek en Milton Friedman
CONSERATISME
Verdediging van Ancien Régime en protest tegen Revolutie.  Edmond Burke
Edmond Burke
Gebruik van rede volstaat om maatschappij te organiseren. Maar
mens heeft passies: traditie van moraliteit.
1729-1797
Maatschappij is vatbaar voor verbetering, maar dit is een langzaam
en continu proces.
Franse conservatieven (traditionalisten): Joseph de Maistre en Louis de Bonald: terugkeer naar het
katholieke regime van voor de revolutie. Reactionair = extreme vorm van conservatisme
SOCIALISME
1826:
(arbeidersklasse)
Robert Owen, Claude Henri Saint-Simon en Fourier
Samenwerking onder mensen, gelijkheid, centraal thema: rechtvaardigheid + internationaal karakter
Strijd tegen kapitalisme en nieuw stelsel van productie en distributie van goederen.
Utopisch socialisme:
Owen, Fourier, Proudhon
Verzameling van kleine gemeenschappen, volledige samenwerking, winsten gelijk verdelen, vrije
interactie en coöperatie, centrale autoriteit of staatsgezag reduceren
Wetenschappelijk socialisme:
Saint-Simon
Vooruitgang van wetenschap en techniek, centrale organisatie van productiemiddelen, aan het
hoofd: wetenschappers. Materiële en intellectuele verbetering van het lot van de armen.
Marxistisch socialisme
communistisch manifest 1848
Belang van maatschappijanalyse, toekomstvisie, historisch materialisme. Probleem: proletariaat en
bourgeoisie: omverwerpen van het kapitalistisch systeem.
Productiemiddelen in handen van de staat.
Eind 19e E/ begin 20e E:
Anouk Jacobs
Hervormingen en lotsverbeteringen van de arbeiders, maar kapitalistische staatstructuur bleef.
Nieuw socialisme:
 Reformisme of sociaal-democratie: Belgische Werklieden Partij: kapitalisme + socialisme
 Edward Bernstein en Fabian Society: onmiddelijke sociale verbeteringen i.p.v. revolutie.
Fabian Society, Sidney Webb, Georges Bernard Shaw: progressieve hervormingen, nationalisering
van industrie, welvaartstaat.
Na Russische Revolutie:
 Marxistisch-leninistische socialisten = communisten: sterke partijdiscipline, Komintern
 Reformistisch-socialistisch (sociaal-democraten): pragmatisch en electoraal: ideologie
verdween
ANARCHISME
De mens is in wezen goed. Beperkte vorm van eigendomsrecht, maatschappij zonder regering.
 Mutualistisch anarchisme: geen staatsapparaat, gelijkheid onder mensen, vrijheid
 Collectivistisch anarchisme: Mikhail Bakoenin: individu is niet basiselement. Groepen van
arbeiders vormen een eenheid: collectieve verantwoordelijkheid. Revolutionaire middelen.
Door mislukkingen van revoluties: daden van terrorisme en moorden.
 Utopisch anarchisme: Peter Kropotkin: verdeling op grond van behoefte, vrije distributie van
goederen.  provobeweging (Amst.), kabouterbeweging
Studentenrevoltes 1966-1970: ecologische beweging: directe democratie en actiegroepen. Doen
afstand van wetenschappelijk-technologisch optimisme  extreem antropocentrisme
NATIONALISME
Zelfbeschikkingsrecht van de volkeren: afwijzing van vreemde overheersing, individu en groepen
mogen niet ondergeschikt zijn.
 Franse opvatting
 Duitse opvatting:
Ernest Renan: gemeenschappelijke geschiedenis
Herder, Fichte: gem. taal en cultuur, volkskarakter
Er moeten 1 of meer gem. kenmerken zijn: dezelfde economische belangen, vijand, samen
onderdrukt voelen.  vaak samen geleden onrecht: kolonisme
Nadruk van solidariteit blijft behouden: vorm van socialisme
Extremen: fascisme en nazisme: gekoppeld aan negatie van de waarde van het individu, irrationele
opvattingen over eigen volkskarakter, ras, conservatieve houding tegenover de
maatschappijstructuur en uit angstreflex.
Anouk Jacobs
Filosofie in de negentiende eeuw
Positivisme
= alle cognitieve problemen zijn enkel op te lossen met methodes van positieve wetenschappen. Dus
door beroep te doen op ervaringsgegevens.
Elke vorm van metafysica, speculatieve filosofie en theologie wordt verworpen.
Arthur Schopenhauer
1788-1860
Pessimist, atheïst
Auguste Comte
1798-1857
positivisme
John Stuart Mill
1806-1873
Brits positivisme
Politiek liberalisme
utilitarisme
Pessimist, radicaal tegen Hegel en het Duits idealisme
Maakt filosofie van Kant af: onderscheid tussen de zintuiglijke
verschijnselen en de dingen op zichzelf. Ding an sich is voor onze
kennis niet toegankelijk.
Phenomena (het verschijnende) en noumena (dieper gekende)
Parallellisme tussen lichaamsactiviteiten en wilsacten
 waarneembare werkelijkheid
Andere, diepere werkelijkheid: de Wil
Noumenon = Ding an sich = de wereldwil = bestaansdrift
Rede functioneel gericht op overleven
Wil opereert afhankelijk van het bewustzijn, bv seks
Pessimisme: dit is de slechtste van alle werelden, vooruitgang is
zinloze herhaling van lijden.
Begeerte reduceren: de esthetische beleving (passief aanschouwen
van de natuur en kunst of kennisverwerving: richten op het
algemene en wetmatige.
Loskomen van het individuele, aardse en dichter naar de grond der
dingen waar alles één en ongedifferentieerd is.
Inzien van nietigheid van alle streven voor verlossing.
Mensen  geluk  egoïsme.
Het lijden dat we anderen toebrengen, brengen we onszelf aan..
Altruïsme = medelijden
Drie stadia:
 Theologisch: geloven in bovennatuurlijke krachten
(fetisjistische fase: vage natuurkrachten, monotheïstische
fase en polytheïstische fase)
 Metafysisch: Grieken: abstracte principes zoals substantie,
vorm. Persoonlijk karakter van het Absolute verdwijnt
 Positieve: verklaren door wetenschap
Classificatie van wetenschappen: wiskunde, astronomie, fysica,
chemie, biologie en sociologie: iedere wetenschap kan pas het
positieve stadium bereiken als de voorgaande dat al bereikt hebben.
Sociologie = mensheid als collectief organisme en zo
maatschappelijke orde herstellen.
Saint-Simon: technocratie
Maatschappelijke problemen: conservatief.
Godsdienst van de mensheid: met concrete organisatie.
Psychologie als basis: empirische traditie: bewustzijnsinhouden,
ervaringen. Logica van de inductie
Paternalisme= gedragsregel waarbij men tegen de wil van iemand
ingaat om diens eigen welzijn.  bio-ethiek
Consequentialisme= gevolgen van handelingen met betrekking tot
geluk en lijden
Anouk Jacobs
Herbert Spencer
1820-1903
positivisme
Evolutionair denken op alle wetenschappen toepassen. Survival of
the fittest. Wet van de evolutie.
Economisch en politiek: maximale individuele vrijheid
Ethisch: recht op vrijheid
Sociaal-darwinisme = sociaal-spencerisme
Ernst Mach
1838-1916
positivisme
(naar hume)
Gedetailleerde analyse van
methodologie van
wetenschappen
Charles Sanders Peirce
1839-1914
Positivisme
Grondlegger pragmatisme
Filosofie van de inductieve wetenschappen.
Kennis en a foriori wet. = poging om gewaarwordingen in
denksystemen en wetten te grijpen. Bestaan niet werkelijk, enkel
overzichtelijk.
A priorivormen bestaan niet.
 Een kritiek op substantiebeginsel en causaliteitsbeginsel
 Kritiek: atoom, absolute ruimte en tijd
Grondlegger van pragmatisme: theorie over betekenis van oordelen
en filosofie van de wetenschap en de taal.
Betekenis van oordelen valt samen met praktische gevolgen
Grondlegger van semiotiek (tekenleer)
Relativisme
ontstaan dor mens-en cultuurwetenschappen
 Op cognitief (kennis)vlak: geen absolute kennis mogelijk: gedrag en kenactiviteiten worden
door allerlei factoren bepaald
 Op ethisch (moreel) vlak: geen absolute morele normen. Normensysteem wordt beïnvloed.
 Historisch relativisme: kennis en moraal afhankelijk van tijdperk. Maatschappij in historisch
proces
 Cultureel relativisme: denkwijzen en normen hangen af van cultuur. Nature-nurture discussie
(nu zegt men dat er universalia zijn)
 Sociologisch relativisme: individu wordt bepaald door groep of klasse waarin het behoort.
 Psychologisch relativisme: empirisme, met psychologische middelen de wording en structuur
van de kennis achterhalen. Resultaat: relativisme. Geen absoluut standpunt mogelijk:
onderzoeker is ook door psychische structuur bepaald. Wiskunde en logica zijn een spel van
onze geest en wiskundige entiteiten hebben geen objectief bestaan.
Overgangsfilosofen
Wilhelm Dilthey
1833-1911
Geesteswetenschappelijke
filosofie
Wilhelm Windelband
1848-1915
neokantianisme
Heinrich Rickert
1863-1936
Henri Bergson
1859-1941
antipositivisme (tegen 1 enkele wet. Methode)
Het menselijk leven moet uit zichzelf verklaard worden
 Natw.: beroep op ervaring, experiment: einddoel: verklaren
 Geesteswet.: geschiedenis, kunsttheorie, literatuurstudie en
psychologie: begrijpen
Hermeneutiek = studie van begrijpen van teksten. Verbanden leggen
met psychologische, sociologische, economische context.
Wetenschap = psychologie en sociologie
Natuurwetenschap = nomothetisch (wettenstellend)
Geesteswet.= idiografisch (focus op individ. Fenomenen)
Geesteswetenschap  cultuurwetenschap
Cultuur heeft waarden: bestudeert uit interesse
Vitalisme. Dualisme:
Natuurwetenschap = dode materie: voorspelbaar, statisch:
mechanicisme en determinisme
Levende materie: l’élan vital (scheppingsdrang): niet-deterministisch
Anouk Jacobs
Friedrich Nietzsche
1844-1900
Wetenschap en ethica
en spontaan.
Twee wijzen van denken: intellect (determin. Van natuur) +
l’intuition (éland vital achterhalen)
Einde van het godsgeloof materialisme
Geen zin, doel, waarden of normen in God of de kosmos.
Geen dualisme, maar nihilisme, relativisme, antropologie
(leven=lijden, maar afstand nemen van begeerten helpt niet)
Mens = het nog niet vastgelegde dier: mens is veranderlijk en op de
toekomst gericht: kan alle kanten uit.
Uebermensch = opgave van de mens die hij zich stelt en probeert te
bereiken.
Voorlopers van het logisch empirisme
Wiener Kreis = Door de Wiener Kreis worden enerzijds de metafysica en de traditionele kennisleer als
zinloos verworpen, anderzijds wordt gepoogd de wetenschap tot een eenheid te maken door
gebruikmaking van een geüniversaliseerde wetenschapstaal: de symbolische logica.
Gottlob Frege
Grondslag kennis = Vormen
van taal
Bertrand Russel
Ludwig Wittgenstein
1889-1951
Logisch atomisme
Invloed op Wiener Kreis indirect. Taal (algemeen) en wiskunde
(bijzonder) = autonoom systeem.
Rekendkunde opbouwen vertrekkend van begrippen en axioma’s van
de logica.
Poging om logische paradoxen op te lossen via typentheorie:
trichotomie: waar, vals en zinledig.
Met eenvoudige logische taal wiskunde als samenhangend systeem
op te bouwen.  gebruik v. constructies op basis van bekende
entiteiten i.p.v. verwijzen naar onbekende entiteiten.
Verklaren is altijd herleiden tot het al bekende.
Vroege periode: Tractatus (opgebouwd in stellingen)
Latere periode: untersunchungen
Wereld bestaat uit feiten, niet uit voorwerpen.
Afbeeldingstheorie = taal kan uitspraken doen over de wereld. Gem.
factor tussen stellingen en wat ze oproepen (werkelijke en denkbare
feiten)
Wittgenstein I: 1 ideale taal
Waarheid = juiste verbinden van atomaire onderdelen
 Logische waarheden: vaste verbindingen. Negatie = contrad.,
staan a priori vast. (geen empirische betekenis
 Samengestelde verbindingen: waar/onwaar = echte kennis
(zegt iets over de wereld)
Natwet: alle ware zinnen.
Aaneenschakeling van namen = aaneenschakeling in werkelijkheid
Verzameling van feiten =de wereld
Atomaire zin is een afbeelding van een toestand!!!
 Analytische zinnen: uit structuur opmaken waar/onwaar
 Synthetische zinnen
Toestand kan getoond worden. Combinatie van namen die naar een
ding verwijzen = een schijnoordeel
 Onzinnige uitspraken
 Empirisch zinledige = altijd waar
 Empirisch zinvol = na onderzoek waar/onwaar
Doel = zinnen verhelderen
Anouk Jacobs
Albert Einstein
1879-1955
Het logisch empirisme
Wittgenstein II: philosophical investigations
Onbepaalbaar aantal types van taal, niet dezelfde basis.
We ebruiken woorden voor dingen die niet bestaan!!!!
Taalgebruik = spel: veel, situatie gebonden, geen overkoepelde
definitie, handelen volgens regels
Er zijn geen algemene betekenissen voor woorden/zinnen. Men kan
betekenis achterhalen door het taalspel.
Linguïst bestudeert enkel de oppervlaktegrammatica.
Taal kan niet in een vreemd taalspel gebruikt worden: verwarring
van categorieën.
Visie = in essentie principieel en niet met feitenmateriaal
ondersteund.
Wat betekent ‘absolute tijd’ in de newtoniaanse fysica.
= gebeurtenissen die op willekeurige punten van de ruimte
plaatsvinden, kunnen gelijktijdig zijn.
Hoe meet men gelijktijdigheid? = verificatiemethode
Verheldering van begrippen
Absolute gelijktijdigheid bestaat niet => zinledige uitdrukking
logisch positivisme of neopositivisme
Reactie op menswetenschappen (positivisme, antipositivisme, relativisme).
Grote groep van wijsgeren en wetenschapsmensen: gezamenlijk wijsgerig ideaal.
Wiener Kreis: discussiegroep 1925 in Wenen van Moritz Schlick.  intern. Congressen: filo vd wet.,
maar ook een Berlijnse groep  tot nazi’s. 1938: Anschluss van Oostenrijk = einde Weense Kring
Positivisten gaan tot uiterste: wetenschap in 19e E: ontplooiing en verdieping, maar beschikten over
onvoldoende gegevens om de wetenschap te analyseren  begrippenarsenaal nodig.
= ideaal en doel van de Wiener Kreis
 Doel: poging tot verheldering en explicatie van ideeën van empiristische en positivistische
oorsprong, gesteund op begrippen en methodes die ontleend zijn aan de moderne logica
vertrekkend van inzichten geïnspireerd door Wittgenstein.
De taak van de filosoof = analyse van de taal der wetenschappen: verheldering van begrippen.
Logica en wiskunde vormen een eenheid: zijn analytisch en a priori: leren niets over wereld.
Wiskunde en ervaringswetenschappen verschillen: geen synthetische a-priorioordelen
Betekeniscriterium = om zinvolle uitspraken te onderscheiden van zinledige (metafysische)
Ervaringswetenschappen vormen een eenheid: alleen empirische wetenschappen geven
betrouwbare informatie: zijn synthetisch en a posteriori
Voornaamste stellingnamen van Wiener Kreis = betekeniscriterium + eenheidswetenschapp
Betekeniscriterium = verificatiecriterium (oordeel heeft betekenis als men het kan verifiëren)
Een oordeel heeft alleen betekenis als het logisch deduceerbaar is uit klasse van observatiezinnen.
CANAP: nieuwe definitievorm voor breekbaar, elektrisch geladen,…: de conditionele definitie
Betekeniscriterium met duidelijk onderscheid tussen zinvol en zinledig is niet realiseerbaar.
Anouk Jacobs
Communicatieoverdracht kan ruis bevatten: moeilijk onderscheid tussen zinledig en zinvol!
Eenheidswetenschap
verbanden zoeken
Monist= iemand die de werkelijkheid als een samenhangende eenheid ziet. = metafysisch
Fysicalisme
Vorm van identiteit theorie; overtuiging dat alle mentale staten/processen in het geheel verklaard
kunnen worden in fysieke staten, processen en gebeurtenissen.
Microdeductie:
Wetten van alle wetenschappen reduceren tot wetten van een elementaire wetenschap (zoals fysica)






Elementaire deeltjes
Atomen (chemie)
Moleculen
Cellen (biologie)
Meercellige organismen (ook mensen) (psychologie)
Groepen van meercellige organisme (ook mensen)
Wetten van een volgend niveau zijn afleidbaar vanuit het vorige = werkhypothese
PROBLEEM:
Taal kent blindheid voor het kennend subject: betekenis van uitspraak (ik heb pijn) is niet zinledig,
ook al verwijst het niet naar een externe observatie.  zinvolle uitspraken op subj. ervaringen
Rudolf Canap
1891-1970
nieuwe definitievorm voor breekbaar, elektrisch geladen,…: de
conditionele definitie.
Vervang verificatiecriterium door confirmeerbaar = als er observaties
voorspelbaar zijn die de betrouwbaarheid zouden verhogen/lagen.
Niet alle begrippen zijn definieerbaar: bv. Absoluut nulpunt 
axioma’s van de fysische theorie invoeren.
Theoretische taal: theorie axiomatisch opgebouwd
Observatietaal: protocollen (verslagen) van observaties formuleren.
Begrippen zijn metafysisch als ze in een theorie overbodig zijn.
Betekeniscriterium niet voor mens-en cult.wetenschappen
Alle wetenschappen hebben dezelfde grondslag: ervaring van subj.




Eigenpsychische Gegenstände: eigen gewaarwording
Fysische Gegenstände: door anderen waarneembare obj.
Fremdpsychische Gegenstände:
Geistige Gegenstände:
Ontoegankelijkheid van elementaire ervaringen: basis wordt taal.
Alle empirisch zinvolle oordelen zijn in principe altijd in fysische
oordelen vertaalbaar (ruimte-tijdkaders)
Psychologische en sociologische begrippen: in termen fysica
Karl Raimund Popper
1902-1994
Geen interesse in betekeniscriterium: zoekt hoe wet. Theorieën te
onderscheiden van niet-wetenschappelijke = demarcatiecriterium.
Fasifierbaarheid = beweringen afleiden uit feiten: feiten
ondubbelzinnig = gefalsificieerd.
Anouk Jacobs
Inductie bestaat niet.  algemene beweringen kunnen niet
bevestigd worden.
Risico’s nemen: beweringen afleiden door feiten die weerlegd
kunnen worden.
 Psychoanalyse en marxisme: theorie niet falsifierbaar
Corroboratie = theorie blijft onzeker na falsificatie ofwel verhoogde
betrouwbaarheid (versimilitude)
De linguïstische filosofie
Analyse van mentale concepten (wil, denken, verbeelding..)
Category mistake = het ontrukken van een concept aan zijn eigen taalspel.
John Austin
1911-1960
Probleem verwarrend en onduidelijk = filosofie
Probleem helder formuleren = wetenschap.
Performatieve taaluitdrukkingen= vraag of ze waar of onwaar zijn,
heeft geen betekenis  geen feiten, maar realisatie (beloven,…)
Hebben geen specifieke grammaticale structuren
 Locutionaire acht: inhoud van de uitspraak (verw. Feit)
 Illocutionire act: betrekking op realisatie (bv. Veroordeling)
 Perlocutionaire act: doel bij de luisteraar (overtuigen,…)
Fenomenologie en existentialisme
Fenomenologie: Husserl
intentionele acten analyseren
Existentialisme: 1950(interbellum)
aanval op het objectief denken
 Cognitieve houding van de mens tegenover de wereld tendeert naar universaliteit: algemene
wetten en concepten invoeren (gegevens reduceren)
 Emotioneel en praktisch = individueel beleven (lijden, genot,…)
 Men wil praxis (ethiek) een cognitief statuut geven: subject als kenner identificeren met het
handelend IK (verliest zo het karakteristieken van beleving en individualiteit)
Existentialisme = individu bevestigen en universaliteitsaanpak van wet. Bestrijden.
Cognitief gedrag van mens = emotieve en ethische houdingen. Particuliere existentie is de enige
echte waarde, ook op cognitief vlak.
 De mens is het enige wezen dat met zichzelf bezig is: geconfronteerd met de mogelijkheid tot
niet-bestaan
 Existentie = met zichzelf bezig zijn. De mens is contingent (niet-noodzakelijk), dus bestaan
bevestigen.
 Bestaan = opeenvolging van ontwerpen: mens is op de toekomst gericht = onvermijdelijk in
ontwikkeling.
Er bestaat geen ‘menselijke natuur’ die het gedrag determineert. De mens is vrij.
Edmund Husserl
Fenomenologie
Antirelativisme in psychologisme in de filo van de wiskunde
(=opvatting dat de wiskundige entiteiten een spel van ons psychisme
zijn). Grondslag kennis = kennend subject.: noodzakelijke
voorwaarden bij het bewustzijn.--> intentionaliteit (=gerichtheid van
elke bewustzijnsact op een bepaald object): van IETS bewust zijn.
Anouk Jacobs
Antirelativist
Antipositivist
Rationalist van de
Aufklärung
Martin Heidegger
1889-1976
Fenomenologie
ontologie
Intentionele acten analyseren = inzicht in essentie van de dingen.
Typen van inhouden (klanken, kleuren,…)= domeinen van soorten
inhouden onderscheiden.
Intentionele gerichtheid op: levende, ruimtelijke en kwantitatieve
Antipositivisme:
 Er bestaan verschillende soorten wetenschappen;
 Wijsbegeerte met eigen object: zoeken naar diepere eenheid
van verschillen in de fenomenologische analyse van
intentionele akten.
Intentionele akten: kennend (ervarend) subject + gekende (ervaren)
inhoud en de relatie van het subj. Naar inhoud.
(we zijn 1 aspect bv bovenkant, maar Husserl baseert zich op het
ruimtelijk object bv kubus)  reducties toepassen: afstand nemen
van het weten en enkel het wezenlijke zien.
Empirisch Ik weg  transcendentaal ego (intentioneel gericht subj)
Voor alle wet. Een gem. fenomenologische basis zoeken:
intentionele akten vinden die typisch waar voordat men aan
wetenschap begon te doen.
Wetenschappen hebben het besef van hun zin verloren: aliënatie
Wetenscahppen hebben zich losgemaakt van het ervaringsgebied
waar ze allen hun gem. grond vonden: de leefwereld (voor
wetenschappen)  levend object = centrum en alles wordt gezien
vanuit zijn perspectief.
Oplossing: fenomenologische reductie (losmaken van het geloof in
de entiteiten van de wetenschap.
Doel = een wijsbegeerte opbouwen die een synthese van de
wetenschap is en een grondslag ervoor kan bieden.
Wetenschap centraal als fundament voor de wiskunde
Kan niet spreken over het subject en zijn objecten zonder rationele
relatie. Relatie = loutere kenact (gevoelsindruk)
Werk: sein und zeit
Bestaan van de mens centraal: mens-wereld <-> wereld-mens:
subject-object relatie.
Kan niet spreken over het subject en zijn objecten zonder rationele
relatie. Relatie = totale contactname tussen mens en wereld:
omgang met de wereld. = intentionaliteitsrelatie.
Aandacht voor het zijn van het zijnde: onderzoek vanuit het subject
(=de totale mens)
Intentionaliteitsrelatie tussen wereld en mens! Objec-subject = het
zijn van het zijnde.
Affectieve en praxisgerichte toon in sein und zeit = een gevoelstoon
die het gevolg is van het verbreden van de intentionaliteitsrelatie.
Bv: Relatie met ouderlijk huis  interesse in  inhoud betekent iets
voor mij zowel affectief als praktisch. Dingen zijn Zeuge en houding
daartegenover Besorgen. Mensen in huis betekenen iets: Fürsorge.
Gevoel in huis = Stimmungen; nieuwe ontdekkingen in huis: Entwurf;
verschaffen een grotere rijkdom van relaties met het huis: Verstehen
en staan ons toe te ordenen: Rede. Verlies van het huis =
grondstemming angs; Dat zijn is immers een Sein zum Tode.
Maakt geen onderscheid tussen het kenaspect, de gevoelsindruk en
het praxisaspect van ons omgaan met de wereld.
Fundamentele relaties met de wereld. Inzicht in het zijn en niet in de
Anouk Jacobs
Jean-Paul Sartre
1905-1980
existentialist




mens alleen
LATERE PERIODE:
Minder nadruk op het Dasein en de pogingen om daruit het Sein te
doorgronden: Zijn = activiteit, maakt zichzelf kenbaar 
intentionaliteitsrelatie wordt omgekeerd. Nu is het zijn dichtbij en
vertrouwd.
 Het andenkene Denken (vroomheid)  waar we als zuhande
dingen ervaren.
 Rechnende Denken (eigentliche en uneigentiche Erkenntnis.
 waar dingen als vorhanden gekend worden
In het eigenlijke denken = zijn van het zijnden het hoofdthema.
Heidegger en Hermeneutiek (de methode van het interpreteren van
teksten) = zoeken van de zin van het zijnde.
Probleem: geen oorspronkelijke toehoorder of lezer = geen criterium
om betrouwbaarheid van zijn hermeneutiek te beoordelen.
Verbreding van de intentionaliteitsrelatie  hermeneutiek wordt
een activiteit met cognitieve, emotionele en praxisaspecten
Er is geen onderscheid tussen een uiterlijke verschijning en een
innerlijke werkelijkheid van de dingen, enkel fenomenen.
Zijnde uitgedrukt in fenomenen, maar nooit volledig (staan voor iets)
 Prereflexief bewustzijn: ervaring
 Reflexief bewustzijn: IK ben mij bewust
Het zijnde dat ervaren wordt + het zijnde ervaart.
De vrijheid maakt de kern van het menselijk bestaan uit: existentie
(vrij bestaan) en dan pas essentie (determineren, eigenschappen)
Het bewustzijn (pour soi) = veroordeeld tot vrijheid.
Onder de blik van de ander word ik object, krijg ik essentie en verlies
ik mijn vrijheid.
contact gebeurt via lichaam: relatie met mensen is conflictueel
liefde = poging om vrijheid van een ander bezitten en intact te
houden (=contradictie)
Oorspronkelijke hermeneutiek (klassieke teksten)
Bijbelexegese en theologie: subjectief en tijdsgebonden
Dilthey: beide types vermengt: interpretatie
Heidegger: gebruikt voor een fenomenologisch onderzoek van het zijn van het zijnde
Door Heideggers visie op de interpreatie is er een oplossing gekomen voor het hermeneutisch
probleem (relativisme)  je kunt nooit iemands uitingen begrijpen zoals hij die zelf begrijpt.
Filosofie in de tweede helft van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw
WIJSBEGEERTE EN MAATSCHAPPOJKRITIEK
Antinomieën
= innerlijke tegenstrijdigheid
 behoefte om de wereld te kennen (cognitieve behoefte) en bevredigend te leven (ethische
behoefte). Proberen theoretisch denken en ethiek te verenigen.
 tussen theoretische kennis en maatschappijordening (politiek): theoretische wetenschap
verandert de maatschappij via techniek (individu kan zich hieraan onttrekken, maatschappij niet)
Anouk Jacobs
Filosofische problematiek
Men probeert met de rede de menselijke samenleving in betere banen te leiden. Aufklärung zag in
de rede een geschikt apparaat om zowel de ethisch-politieke als cognitieve behoeften te bevredigen.
 Dit gebeurt via de technologie
Economisch liberalisme en utopisch socialisme mislukt!
PROBLEEM: huidige technologie: bewapening, aantasting van leefmilieu, manipulatie van de mens
door instanties die hem vreemd zijn (reclame…). Resultaat: zelfvervreemding
Negatieve dialectiek. De school van Frankfurt
Bevat de rede geen autodestructief aspect?  inspireerde studentenrevoltes
Theodor W. Adorno
1903-1970
Negatieve dialectiek
pessimist
Herbert Marcuse
1898-1979
Dichter bij concrete realiteit
dan Adorno.
Jürgen Habermas
(1929)
Rationalist
parmatisme
De evolutie van de westerse cultuur is in grote mate gedragen door
een idee, gerealiseerd via de technologisch-economische processen.
 Idee van de Aufklärung: wetenschap en techniet = bevrijding
 Idee van Herrschaft: mens heeft zich boven de natuur gezet
door de rede (door het veralgemenend en identificerend
kennen)
Dialectisch benaderen: natuur heeft eigen negatie = autodestructief.
Natuurbeheersing = eigen wetmatigheid die zich tegen de mens
keert.
Dit totaalsysteem van Herschaft onderwerpt de mens zelf.
Negatieve dialectiek = het besef dat de rationaliteitsidee haar eigen
negatie in zich draagt. (bv. Massamoord Auschwitz)
Geïndustrialiseerde Westen: proletariaat is geen motor meer voor
evolutie - zijn ingekapseld in mechanismen van totaalsysteem.
Maatschappij is samengesteld zodat elke rationele bijdrage van het
individu resulteert in een verhoogde irrationaliteit van het geheel.
Westerse maatschappij = totalitair en repressief systeem  mens is
vervreemd (staat niet in dienst van eigen doeleinden , maar in die
van de geïndustrialiseerde maatschappij)
Mens = unidimensioneel = al zijn waarden en doeleinden zijn gericht
op aanvaarding van de normen van het systeem. Tast denken aan.
Consumptiegedrag manipuleren  gelukkig bewustzijn.
Doel = ideaal van vrijheid, solidariteit onder alle mensen, werkelijk
menselijke relaties, creativiteit en eliminatie van elke agressie.
Geen hogere humaniteit: rassenprobleem, armoede
Proletariaat kan geen evolutie teweegbrengen.
TOCH fundamentele revolutie nodig
Heeft werken waarmee hij het oneens was grondig bestudeerd.
Eerste filosoof in de fenomenologisch-historische traditie die de
Angelsaksische literatuur beheerst. Bengt analyse van ‘andere
rationaliteit’.
Wetenschappelijke theorieën drukken niet de waarheid uit.
Geen enkele bron van wet. Kennis kan op rechtstreekse evidentie
aanspraak maken.
Cirkel: om een theorie op te bouwen en je zintuiglijke gegevens
nodig, maar om die betrouwbaar te achten heb je en theorie nodig.
Criteria voor betrouwbaarheid = eisen aan onze handelingen te
stellen.  technische bruikbaarheid.
Wet. Methode niet geschikt om aan kritiek te doen.
Anouk Jacobs
Rationaliteit zoeken door in dialoog naar een consensus te zoeken:
 Herrschaftsfrei + descriptieve gegevens + akkoorden over
gedragsregels + kritisch afwegen. = herrschaftsreie discussie
om een consensus te bereiken.
Lebenswelt tegenover systeem: macht van de markt en de staat.
Lebenswelt wordt ingepalmd door systeem.
Gelooft nog steeds in Aufklärung
WTK = wetenschap/techniek/economie: groeiende kracht van kapitalisme en technologie.
Het structuralisme
Ontstaan in Praagse school  structurele fonologie = kleinste mogelijke betekenisdragend element
Fonemen zijn gekenmerkt tot onderlinge opposities: leidt tot betekenisverschil (stemhebbend/loos)
Distinctive features= geheel van relaties dat bepaalt welke klanken in een taal fonemen zullen zijn.
Juiste gebruik van fonemen hangt af van onderlinge relaties ertussen.
Humanistische antropologie = mens kan vrij en verantwoordelijk aan zingeving doen.
Michel Foucault
1926-1984
Historicus van denksystemen.
Waarheid= een constructie die het denken en de intenties van
individuen overstijgt.
Geschiedenis kent geen vooruitgang, maar discontinu verloop.
Hedendaagse, zelfbewuste mens = en historisch bepaalde uitvinding.
Modernisme = onzichtbare machtsstructuren en instituties. Macht
niet gelokaliseerd, maar is een strategie.
Het postmodernisme +epistemologie en ethisch relativisme
Overtuiging dat grote verhalen gegroeid uit moderniteit hebben afgedaan.
Opvatting dat visie op de werkelijkheid ontwikkeld kan worden die samenhang, inzichtelijkheid en
zingeving vertoont.
Streven naar rationaliteit als methode om betrouwbare kennis te bereiken, is zinloos.
Conclusie: verwerpen van het postmoderne wantrouwen en scepticisme tegenover de moderniteit
en het rationele denken.
Jean-François Lyotard
1924-1998
Jacques Derrida
1930-2004
Technologische ontwikkelingen laten de grote verhalen uiteen
vallen. Meerdere taalspellen vertellen elk hun eigen kleine verhaal
met eigen waarheden.
Geen geloof in universele waarden en objectieve kennis. Grote
verhalen leiden tot eenheidsdenken en totalitair denken.
Postmodernisme is bevrijdend.
Vroege werken: reflecties op filosofen.
Close reading: filosofische en andere teksten. Op zoek naar
contradicties, blinde vlekken en onopgeloste spanningen.
Alles ligt vast in taal en teksten.
Derridiaanse school van psychoanalyse.
Probeerde zich te distantiëren van het postmodernisme, maar heeft
analoge standpunten: onmogelijk om betrouwbare kennis te
verwerven of waardevolle betekenis te creëren.
Anouk Jacobs
Richard Rorty
1931-2007
Kent Angelsaksische en continentale analytische auteurs. Meer
gericht op argumentatie. Gaat dieper in op de afwijzing an de
afbeeldingstheorie van Wittgenstein II.
Belang van originaliteit en creativiteit.
Filosofie is een taalspel.
Geen taalspel van waaruit alle andere taalspellen neutraal kunnen
overschouwd worden.
Werkelijkheid = geen filo of wet. Uitspreken van waar of niet waar.
Waarheid slaat op taal en taalspellen. Wat wij goed vinden, is goed
voor ons taalspel (groep).
Universele ethiek is niet mogelijk
Onmiddellijke, directe solidariteit en empathie.
Milieu-en dierenrechtenfilosofie
ecofilosofie
= analyse van oorzaken en zoeken naar een fundering van het ecologisch verantwoord handelen
Sinds jaren 1960
-
Uitputting energiebronnen, afvalproductie, uitroeien van dier-en plantensoorten
Groei wereldbevolking, consumptiegoederen, technische productie.
Kloof tussen arm en rijk.
OORZAKENANALYSE:
19e-20eE: productie-en consumptiesysteem ontstaan met natuurverwoestende werking in het
Westen.
 Idealistische benaderingen: karakteristieke denkwijze of mentaliteit van Westerse
beschaving.
Ontstaan uit cultuurkritiek (reactie op technologie) en uitgelopen tot milieufilo (midden 20eE)
 Socio-economische benaderingen: maatschappelijke processen gaven het menselijk denken
vorm.
 Filosofie van de schaarste (idealistische en niet-idealistisch): beschouwen de socioeconomische processen als een uitbreiding an het schaarstefenomeen en de expansie van de
westerste beschaving als het verspreiden van schaarste over de hele wereld.
NIEUWE ETHIEK
Milieu-ethiek of eco-ethiek: handelen van de westerse mens tegenover de natuur verbeteren.
Deep en shallow ecology (deep = verwerpen van antropocentrisme)
Radicale antropocentrisme:
 Axiologische formulering: waarde van een wezen hangt af van zijn functionaliteit voor de
menselijke doeleinden.
 Deontologische formulering: alleen verplichtingen tegenover mensen
 Juridische formulering: alleen mensen hebben rechten.
Ecocentrisme = radicaal alternatief
 Biocentrisme: alle levende wezens hebben een intrinsieke aarde (rechten)
 Biocentrisch egalitarisme: alle organismen hebben gelijke rechten (meer pathocentrisme)
 Kosmocentrisme: levenloze natuur (landschappen, rivieren) hebben rechten
Anouk Jacobs
Pathocentrisme uitgwerkt tot dierenrechten.
Animal Liberation (Peter Singer): benthamiaans utilitarisme

Consequentionalisme (rekening houden met gevolgen)
Kijken naar mate van geluk of ongeluk
Niemands geluk of ongeluk belangrijker vinden
Geldt ook voor dieren
Speciesisme = het discrimineren op basis van soort
The Case for Animal Rights (Tom Regan): Kantiaanse dierenethiek
Mensen moeten als ‘doel op zich’ beschouwd worden en nooit als middel. Ze zijn subject-of-a-life. Dit
geldt ook voor dieren.
Bio-ethiek
1971
Grote groep wetenschappers, filosofen, juristen, psychologen, sociologen… maatschappelijke
gevolgen van de recente ontwikkelingen op biomedisch gebied.
Hastings center, Kennedy Institute of Ethics. Gestimuleerd door Amerikaanse progressieve katholieke
filosofen.
Discussie over contraceptie en seksualiteit en abortus.
…
Actuele filosofen
John Rawl
1921-2002
Bernard Williams
1929-2003
Derek Parfit
1942
De basisprincipes van een eerlijke en rechtvaardige samenleving.
Gedachte-experiment: toekomstige plaats in de maatschappij is
verborgen, wat is noodzakelijk? De oorspronkelijke opstelling of
beginpositie:
- Rechtvaardigheid: basisrechten en vrijheden
- Eerlijke verdeling van goederen: gelijkheid van kansen
Tegen discriminatie, aanbod van onderwijs, het
verschilbeginsel: basisvoorwaarde waarbij sociale en
economische ongelijkheid is toegelaten: wanneer de
grootste voordelen naar de minst begunstigde leden van de
maatschappij gaan.
Kritiek op het utilitarisme als op de kantiaanse ethiek
Gedachte-experiment: 1 man doden om 10 vrij te laten?
Utilitarisme leidt tot moreel onwenselijke resultaten: verliezen van
menselijkheid.
Kants categorische immperatief: onpartijdigheid die verwacht wordt,
kunnen mensen niet naleven.
Mensen hebben altijd ‘innerlijke redenen’ om moreel te handelen.
Mogelijkheden van een niet-religieuze ethiek.
Traditionele rationele opvattingen = eigenbelang voorop:
consequenties kunnen negatief zijn voor meerderheid <->
Wat positief is voor de meerderheid kan negatief zijn voor individu.
Gezondverstandopvattingen kunnen ons misleiden.
Gezond verstand zegt dat het ‘zelf’ of het ‘ik’ of ‘persoonlijke
identiteit’ een harde kern van ons bestaan uitmaken.
Is er iets onveranderlijks aanwezig in een lichaam doorheen de
Anouk Jacobs
Daniel Dennett
1942
jaren?
Hoe verantwoordelijk zijn wij, de huidige generatie, voor de
toekomstige generatie?
Voorbeelden uit sciencefiction en gedachte-experiment.
Ook split-brain-patiënten: 1 persoon of meerdere?
Bewustzijnsfilosofie
Vraag naar inhoud van bewustzijn
Vraag naar aard van bewustzijn.
Inhoud = weten dat iets chocolade is en het lekker vinden
Anders dan de ervaring van chocolade
‘qualia’ : kwalitatieve, subjectieve ervaringen (horen, smaken)
Bewustzijn is materialistisch: valt samen met de werking van het
brein, bestaat uit vele onderdelen die het individueel en
algoritmiscch werken. Dit samen bepaalt de psychologische toestand
van een subject.