DatacenterWorks #6

In samenwerkingen met
datac e nte rwo r ks | s e pte m b e r 2 0 0 9
management
Basisbouwblokken maken
het datacenter
energievoorziening
De impact van
overheidsregulering
koeling
Freonvrij koelen
van datacenters
en verder c loud computing verkent grenzen datacenter | migratietraject naar 40g
en 100g | telecity’s strategie voor energie-efficiëntie | hitec pioniert met
dieselroterende ups-systemen
i n d it n um m e r
datac e nte rwo r ks
In dit nummer
praktijk
04 uitbesteden, of niet?
Hoezo
Green IT?
‘Green IT’ heeft bij mij altijd een gevoel van chronische vermoeidheid opgeroepen. Want
met die term proberen hardwarefabrikanten toch al jaren hun nieuwe, maar niet minder
energie slurpende spulletjes aan de man te brengen? Met als resultaat dat de energierekening alleen maar hoger wordt.
Onder andere Intel en Microsoft concludeerden onlangs, na een uitgebreid onderzoek, dat
de jaarlijkse facilitaire kosten om IT-apparatuur te voeden en te koelen in sommige gevallen
gelijk zijn aan de jaarlijkse kosten van de apparatuur zelf. Het stroomverbruik per ‘duizend
dollar aan servers’ zal bovendien blijven groeien, zo wordt gewaarschuwd in het rapport
‘Assessing Trends over Time in Performance, Costs and Energy Use for Servers’. “Deze ontwikkeling legt een enorme druk op de meeste bedrijven die intern datacenters huisvesten
en die het ontwerp, de constructie en operationele procedures nog niet hebben aangepast
aan deze nieuwe realiteit.”
Volgens het rapport wordt er nog veel te weinig aandacht besteed aan de werkelijke totale kosten van het datacenter. En toch heb ik het idee dat die houding momenteel aan
het veranderen is. ‘Green IT’ raakt steeds verder op de achtergrond en maakt plaats voor
een nieuwe zakelijkheid die wordt aangeduid met de gortdroge, maar overduidelijke term
‘energie-efficiëntie’. Een nieuwe server mag best meer energie slurpen, als het rendement
verhoudingsgewijs maar hoger is.
Een goed voorbeeld van de nieuwe zakelijkheid is de MeerJarenAfspraak energie-efficiëntie. Ict-bedrijven die de MJA onderschrijven zeggen toe zich in te spannen om jaarlijks
hun energie-efficiëntie te verbeteren met 2 %. Meer over de MJA voor de ict in het volgende nummer van DatacenterWorks. Ook zullen we dan een bezoek brengen aan het
gloednieuwe ‘Gyro DC-II’ van Gyrocenter in Amsterdam. Dit datacenter draait volledig
op windenergie en heeft een EUE (energy usage effectiveness) van 1,28 over een heel
jaar. Gyro DC-II valt daarmee net onder de 1,3 die door de gemeente Amsterdam wordt
voorgeschreven.
In dit nummer kijken we hoe het TelecityGroup is gelukt in zijn vierde datacenter in
Amsterdam een efficiëntie van 1,28 te halen. “Wij zijn het verst in Amsterdam”, verzekert
datacentertechnologist Pim Steman. Ook werpen we in dit nummer een blik op het Britse
Carbon reduction commitment-plan en zien we wat de invloed is van overheidsregulering
op het datacenter. “Het belooft een moeilijke oefening te worden de CO2-uitstoot te reduceren en tegelijkertijd expansie en groei te realiseren”, stelt Harry Forbes van Nexans. Een
ding is zeker: ik ben helemaal over mijn vermoeidheid heen.
Ferry Waterkamp
[email protected]
management
08 cloud computing verkent grenzen
datacenter
datacenter
virtualisatie
26 basisbouwblokken maken het
38 slim datacenters beheren met
bekabeling
11 datacenters centraal tijdens
31
jubileumfeest bicsi
migratietraject naar 40g en 100g
energievoorziening
14 de volgende fase in energie-efficiëntie
16
datacenters
telecity’s strategie voor
energie-efficiëntie
ups-systemen
20 de impact van overheidsregulering
22 hitec pioniert met dieselroterende
41
bedrijfszekere pdu van schleifenbauer
koeling
35 freonvrij koelen van datacenters
en verder
40 it room infra
42 productnieuws
45 bicsi
46 column
|3
P ra kti j k
Henk Groenendijk is freelance journalist.
“Rekencentra worden
voor een deel servicecentra.”
4|
datac e nte rwo r ks
Rekencentra hoger onderwijs staan op kruispunt
Uitbesteden of niet?
de rekencentra in het hoger onderwijs – zowel it-dienstverleners als exploitanten van soms
omvangrijke datacenters – staan op een kruispunt. kunnen ze, gegeven de toenemende
complexiteit van it en de schaarse interne middelen, alles zelf blijven doen of gaan ook zij
uitbesteden of voor een deel de cloud in? datacenterworks sprak met andres steijaert,
adviseur bij surfnet, dat het hoger onderwijs dagelijks met raad en daad bijstaat op it-gebied.
Een jaar of twintig geleden zochten universitaire instellingen de samenwerking om op die
manier datanetwerken te kunnen ontwikkelen en exploiteren. Ze richtten daartoe de
Samenwerkende Universitaire Reken Faciliteiten op, kortweg Surf. De afkorting is inmiddels een eigen leven gaan leiden – in
Surffoundation, Surfnet en ga zo maar door –
en ook Surfnet heeft zich ontwikkeld tot een
veelzijdig adviseur van het hoger onderwijs,
inclusief hbo-instellingen en academische
ziekenhuizen. Surfnet verkent nieuwe technologieën, fungeert als vraagbundelaar ten
opzichte van de leveranciers en exploiteert
een van de snelste internetwerken ter wereld,
Surfnet6. Surfnet werkt inmiddels voor ongeveer 160 instellingen, die ruim 1 miljoen
gebruikers vertegenwoordigen.
Onlangs organiseerde Surfnet voor de achterban een seminar over ontwikkelingen in de
datacenterwereld. Andres Steijaert, adviseur
bij Surf, sprak er over ‘het datacenter van de
toekomst’.
Wat was de aanleiding voor dit seminar
en in het bijzonder jouw presentatie?
“We zien dat de primaire processen binnen
het hoger onderwijs en onderzoek afhankelijker van IT zijn geworden. Gebruikers wor-
den tegelijkertijd ‘IT-vaardiger’, terwijl de
technologie complexer wordt. Nu hebben
onze leden bepaald geen gebrek aan expertise
in het rekencentrum, maar de interne resources zijn wel schaars. Het aanbod van producten en diensten van buitenaf groeit daarentegen sterk.
Al met al wordt uitbesteden voor de rekencentra in het hoger onderwijs steeds meer een
optie. Werkplekbeheer bijvoorbeeld deden
instellingen altijd zelf. Nu is het een overweging dit uit te besteden wanneer het een
commodity is. Nu meer diensten worden uitbesteed, zie je bij de rekencentra langzaam
een ontwikkeling in de richting van dienstverlening aan de gebruikers. Ze worden voor
een deel servicecentra.”
Outsourcing is blijkbaar een trend. De
vraag is dan wat de rekencentra in huis
houdt en wat ze uitbesteedt?
“We hebben een professionalisering gezien
van de dienstverlening op het gebied van
storage en back-up, speciaal voor het hoger
onderwijs. Inmiddels zijn er op dit terrein
veel aanbieders actief. Verder maken instellingen als het om continuïteit gaat wel
gebruik van elkaars dataruimten, om backupservers te kunnen plaatsen.
Momenteel staat cloud computing in het
middelpunt van de belangstelling. Er loopt
een project, waarbij twee groepen instellingen samen met Surfnet en Google, respectievelijk Microsoft, ervaring opdoen met online
applicaties. Het is een optie om commoditydiensten in de cloud te brengen, waarbij
vooral aan e-mail wordt gedacht, zodat de rekencentra tijd en energie overhouden voor
de vormen van IT-dienstverlening die specifiek zijn voor hoger onderwijs en onderzoek.”
Maar dan is de volgende vraag: wat mag
in de cloud en wat niet?
We denken dat de techniek bij cloud computing niet zo’n issue is, maar bepaalde andere
aspecten wel. Hoe zit het bijvoorbeeld met
security, met de privacy van de gebruikers en
mogelijk aan hen gerichte reclame-uitingen?
Uiteraard speelt servicelevelmanagement ook
een rol: wat mag je van de leverancier verwachten? Het meest complexe vraagstuk is de
kwestie welke ‘onderdelen’ van een toepassing de cloud in kunnen en welke beter in
huis kunnen blijven. Wetgeving kan bijvoorbeeld vereisen dat je als opdrachtgever altijd
informatie uit de logfiles kunt tonen. En kan
dat, als die files zich in het datacenter van de
|5
P ra kti j k
aanbieder bevinden? Nog belangrijker is de
discussie over het gebruikersbeheer. Instellingen in het hoger onderwijs willen dat absoluut in huis houden. Ze willen zelf kunnen
bepalen wie toegang krijgt tot applicaties en
onderwijs- en onderzoeksgegevens. Er wordt
nu in projectverband bekeken hoe we grote
aanbieders kunnen aansluiten op de bestaande single sign-on-implementatie, Surffederatie, om zo cloud computing op eigen condities mogelijk te maken.”
Surfnet heeft onlangs een onderzoek
gehouden naar datacentrumcontinuïteit
in het hoger onderwijs. Dat kwam ook
ter sprake op het Surf-seminar. Uit het
onderzoek bleek dat aan continuïteit
een hoge prioriteit wordt gegeven. Is dit
zo’n issue in het hoger onderwijs?
“Ik denk dat er in dit opzicht nauwelijks verschil is met het bedrijfsleven. Wel moet je bedenken dat de gemiddelde organisatie in het
hoger onderwijs een divers landschap beheert,
dat veel pluriformer is dan wat een gemiddeld bedrijf in huis heeft.
Toch zijn er nog wel stappen te zetten, zoals
het dubbel uitvoeren van netwerkaansluitingen, iets waar diverse instellingen nu aan werken.Verder wordt naar virtualisatie gekeken.”
Een van de knelpunten in het hoger onderwijs is het gebrek aan fysieke resources en computerruimten.
“Het gaat om het gebrek aan redundante
vierkante meters. Sommige instellingen hebben maar één campus. Hoe kun je dan je uitwijk goed regelen? Uitruil kan helpen, zoals
ik al zei, het gebruikmaken van elkaars serverruimten, of de samenwerking zoeken met
een extern uitwijkcentrum van een grote datacenteraanbieder. Sommige steden beschikken over een lokale glasvezelring, wat een
goede basis voor samenwerking biedt.”
De aanbeveling van Surfnet aan de rekencentra van de onderwijsinstellingen,
zo bleek uit je presentatie op het seminar, is ‘op te schuiven in de richting van
de klant’. Op de onderste lagen van het
gemiddelde informatiesysteem – fysieke
locatie, elektriciteit, netwerk, servers en
besturingssystemen – zou concurrentie
met de markt bijna geen haalbare kaart
meer zijn. Zijn de rekencentra eraan toe
om de commodity los te laten en zich
meer bezig te houden met specifieke
diensten en natuurlijk applicaties?
“Niet elk centrum zal eraan toe zijn, maar de
centra zijn wel allemaal professioneel – ze bedienen al jaren grote aantallen gebruikers. Per
centrum verschilt de verhouding tussen maatwerk en beheer ook sterk. Er is ook verschil
in de mate van centralisatie. Sterk gecentraliseerd zijn, is een voordeel wanneer het op
outsourcing aankomt, maar anderzijds kan
een meer decentrale organisatie het makkelij-
surfnet
Surfnet maakt samenwerking in het hoger onderwijs en onderzoek
mogelijk. Via een netwerkinfrastructuur, Surfnet6, zijn 160 instellingen in het hoger onderwijs en onderzoek met elkaar verbonden.
Studenten, docenten, onderzoekers en netwerkbeheerders maken
van dit netwerk gebruik.
Om veilig toegang te kunnen bieden tot allerlei diensten op dat
netwerk, ontwikkelt Surfnet authenticatie- en autorisatiediensten.
Om samenwerken over de grenzen van instellingen heen biedt
Surfnet innovatieve omgevingen, zoals Surfgroepen, een uitgebreide samenwerkingsomgeving, waarbinnen docenten, onderzoekers en studenten data uitwisselen, online overleggen en mediabestanden delen.
Door de pioniersrol ontwikkelt Surfnet tevens kennis over en ervaring met nieuwe technologieën. Een actueel voorbeeld hiervan
is onderzoek naar de mogelijkheid leveranciers van cloud-computingdiensten aan te sluiten op Surffederatie, de single sign-onimplementatie van Surfnet.
Enkele andere diensten van Surfnet zijn Surfcontact, voor videoconferencing, en Surfmedia, voor het gebruik van video en audio in het onderwijs. Vaak in het nieuws waren de zogenoemde
lichtpaden, die Surfnet op zijn netwerk realiseert, rechtstreekse
6|
optische dataverbindingen over glasvezel met een gegarandeerde
bandbreedte en beveiliging.
Meer informatie: www.surfnet.nl
De presentatie van Andres Steijaert is te vinden via
http://tinyurl.com/mzbtjo .
datac e nte rwo r ks
ker maken het contact met de klant of de
werkvloer goed te houden, te weten wat er
speelt. In het hoger onderwijs is dat nog niet
zo eenvoudig, gegeven de diversiteit aan typen gebruikers. Hoe de afweging ook wordt
gemaakt, elk van de centra onderkent in elk
geval het belang van gedachtenvorming over
outsourcing, of je er nu voor kiest of niet. En
wanneer je ervoor kiest, in welke mate je dan
tot uitbesteding overgaat.”
Hoe zien de rekencentra in het hoger
onderwijs eruit in, zeg, 2020?
“Outsourcing zal doorzetten, denken de
meeste betrokkenen. Dat zal alleen renderend
kunnen bij commodity-voorzieningen. Een
aanzienlijk deel van de IT-diensten en -voorzieningen in het hoger onderwijs zal altijd
zeer specifiek zijn. De conclusie is dat er dus
een hybride omgeving zal ontstaan.”
utrechtse ervaringen
Het Academisch Computer Centrum van de Universiteit van
Utrecht besteedde in 1999 onder meer het operationeel IT-beheer
en het datacenter uit aan Capgemini. Dit en volgend jaar zal het
beheer van de infrastructuur terugkomen bij het ICT Service
Centrum van de universiteit, als onderdeel van een meer omvangrijke insourcingsoperatie. In een presentatie op een eerder dit jaar
door Surfnet georganiseerd seminar noemde CIO Ineke Molenaars
een hele reeks positieve en negatieve ervaringen met outsourcing.
We kunnen hier, aan de hand van de ervaringen van de Utrechtse
universiteit, wel stellen dat een universitaire omgeving bijzondere
eisen stelt aan de infrastructuur: de gewenste openheid voor het
onderwijs versus de vereiste beslotenheid ten bate van het onderzoek. Het passend beheren van een dergelijke infrastructuur vraagt
ook in het datacenter om kennis van onderwijs- en onderzoeksprocessen.
De presentatie van Ineke Molenaars is te vinden via
http://tinyurl.com/mzbtjo .
advertentie
All IT Rooms is een computerruimte System
Integrator. Wij ontwerpen en bouwen nieuwe
computerruimtes maar ook de herinrichting,
verbouwing of verhuizing van uw huidige
computerruimte is bij ons in goede handen.
Onze dienstverlening op een rij:
 Consultancy
 Ontwerp
 Project management
 Realisatie
 Service
www.allitrooms.com
Lange Kleiweg 50B ● 2288 GK Rijswijk ● Tel 070 31 98 999 ● [email protected]
A5 adv def.indd 1
29-09-2008 12:05:47
Ma n ag e m e nt
Andy Ingram is vicepresident product marketing & business development van de Data Center Business Group van Juniper Networks.
Cloud computing verkent grenzen van het datacenter
Netwerkontwerp moet
platter en eenvoudiger
datacenternetwerken bevinden zich in het epicentrum van grote
technologische en economische veranderingen. een nieuwe trend als cloud
computing verkent de grenzen van de huidige netwerken. cloud computing
betekent voor datacenters meer dataverkeer en -opslag, en veeleisender
software. de manier waarop bedrijven tegenwoordig hun netwerkmigraties
plannen, bepaalt de kostenstructuur, capaciteit en schaalbaarheid van
netwerken voor de komende jaren. de kenmerken van een netwerk bepalen in
grote mate het concurrentievoordeel of -nadeel voor een bedrijf.
Cloud-computingdatacenters zijn ‘fabrieken’ die diensten voor netwerken ontwikkelen en leveren. Zij doen dit voor klanten, partners, medewerkers en beheerders. De techniek bepaalt wat ze kunnen doen, maar
de markt wat ze moeten doen. Bijvoorbeeld betere diensten leveren
tegen lagere kosten of de continuïteit van diensten garanderen ondanks
een explosieve datagroei.
Nieuwe technieken maken het mogelijk verwerking en opslag van gegevens in datacenters te virtualiseren, de infrastructuur te centraliseren
en de capaciteit radicaal en direct te schalen. Tegelijkertijd hebben bedrijven en consumenten behoefte aan meer, rijkere en snellere content
en diensten. En die diensten moeten snel beschikbaar zijn op elk apparaat en elke locatie. Cloud computing kan het antwoord zijn op al deze
veranderde eisen. Maar datacenters kunnen deze diensten alleen leveren
als ze de problemen overwinnen, die integraal deel uitmaken van de
huidige generatie netwerken.
netwerkcomplexiteit
De huidige datacenternetwerken zijn te kostbaar en te complex geworden om de cloud-computingdroom te verwezenlijken. Een paar uitzonderingen daargelaten, natuurlijk. De meeste beheerders van datacenternetwerken zullen de volgende ontwikkelingen wel herkennen:
•nieuwe applicatiearchitecturen: in het oude client-serverapplicatiemodel beperkte het applicatieverkeer zich van server naar client. Dit
model is echter ongeschikt om op te schalen naar tienduizenden,
laat staat miljoenen gebruikers. De huidige servicegerichte en andere
8|
Andy Ingram.
datac e nte rwo r ks
1&1, Dirk-Thomas Meffert
web 2.0-architecturen spreiden het dataverkeer over verschillende
gespecialiseerde servers, wat weer nieuwe eisen stelt aan het netwerk.
•nieuwe content: nu alles, van cursussen tot en met telefoongesprekken, is gedigitaliseerd, moeten datacenters een explosief groeiend
volume aan steeds rijkere content opslaan en verplaatsen. En elke
innovatie genereert meer vraag.
• nieuwe apparaten: de exponentiële groei van draagbare en draadloze apparaten en alle extra server- en opslagcapaciteit die nodig is
deze te bedienen, leveren meer netwerkverkeer op en complexere
netwerkverbindingen. Pogingen om deze ontwikkelingen voor te
blijven, bieden slechts een korte verlichting en zouden weleens kunnen bijdragen aan een grotere netwerkcomplexiteit.
Een voorbeeld hiervan is meer netwerkhardware: de standaard snelle
oplossing voor capaciteitsgebrek. Maar nieuwe hardware verhoogt
juist de complexiteit doordat meer verbindingen en dataverkeer zorgen voor meer vertraging en kosten.
•‘single purpose’-netwerken: datacenters richten vaak voor speciale
doelen gespecialiseerde netwerken in. Ethernet transporteert data,
glasvezel SAN’s verbinden opslagmedia met servers, en netwerken
met een lage vertraging, zoals Infiniband, regelen de communicatie
binnen de server. Maar een gefragmenteerd netwerk maakt virtualisatie en het alledaagse netwerkverkeer lastiger.
•concentratie van capaciteit en beheer: het samenvoegen van infrastructuur in beheerde externe of bedrijfsdatacenters verbetert de
inzet, efficiëntie en beheersing ervan. En het verbetert de prestaties,
beschikbaarheid en beveiliging.
•virtualisatie: een manier om diverse middelen, zoals het netwerk,
servers, dataopslag, in een datacenter op te delen in verschillende logische eenheden of partities.Verschillende gebruiksgroepen kunnen
gescheiden van elkaar gebruikmaken van deze logische opdeling.
Deze gebruiksgroepen maken simultaan gebruik van een en dezelfde
fysieke infrastructuur, maar zijn toch volledig gescheiden van elkaar
alsof elke gebruiksgroep zijn eigen infrastructuur heeft. Dit biedt
veel voordelen, zoals een verbeterd rendement op het benutten van
de hardware en het snel kunnen inspelen op de alsmaar wijzigende
behoeften van gebruiksgroepen. Een eigenschap van virtualisatie is
het snel kunnen opzetten van nieuwe virtuele omgevingen zonder
dat nieuwe hardware hoeft te worden aangeschaft, en de daarmee
gepaard gaande hoge kosten.
De hierboven geschetste problemen zijn niet uniek voor datacenternetwerken. Maar de symptomen komen het eerst aan de oppervlakte in de
meest veeleisende omgevingen, zoals een datacenter. Maar zelfs bedrijven die geen cloud-computingdiensten leveren, maar wel vertrouwen
op de technologiecomponenten, krijgen ermee te maken.
naar een eenvoudiger, rendabeler netwerk
Symptomen van de blijvende problemen in datacenters zijn over­belaste
switches, wildgroei en de vele lagen apparatuur, wat ertoe heeft bijgedragen dat het hedendaagse datacenter een complex geheel is geworden. De meeste netwerken zijn oorspronkelijk ontworpen voor een
De huidige datacenternetwerken
zijn te kostbaar en te complex geworden
om de cloud-computingdroom
te verwezenlijken.
|9
Ma n ag e m e nt
beperkte doorstroom en poortbezetting van switches en routers. Bovendien zijn ze ontwikkeld voor een beperkte verkeersintensiteit van
client-serverapplicaties.
Het wordt daarom tijd de datacenterinfrastructuur anders te ontwerpen. Een ideaal center heeft een centraal netwerk met virtuele partities.
Daarnaast beschikt zo’n datacenter over één grote ‘logische’ switch die
maximale beschikbaarheid waarborgt, een grote capaciteit heeft en data
overal in het datacenter brengt met een minimum aan vertraging, en die
tevens vrij van congestie is.
Slechts weinige van de huidige datacenternetwerken benaderen dit ideaal. Maar de meeste datacenters kunnen hun infrastructuur vereenvoudigen. Nieuwe technieken stellen ontwerpers in staat netwerken minder
complex te maken en de TCO (total cost of ownership) te verlagen. Dit
gebeurt door switchlagen samen te voegen, het aantal verbindingen te
verminderen en de beveiligingsinfrastructuur te consolideren.
Ook kan een datacenter het netwerkbesturingssysteem van de diverse
netwerk- en security-componenten standaardiseren om het beheer van
de complete netwerkinfrastructuur te vereenvoudigen. Een dergelijke
upgrade zorgt meteen voor een grotere capaciteit en schaalbaarheid
voor toekomstige groei. Zelfs als een datacenter zich niet stort op de
markt van gevirtualiseerde, netwerkintensieve cloud-computingdiensten, zijn deze stappen aan te raden.
Naast meer capaciteit levert een datacenterupgrade ook meer omzet op.
Door het aantal switches terug te brengen, bespaart een netwerkbeheerder al kosten. Als eenmaal de netwerklaag is gereorganiseerd, blijkt dat er
op veel meer aspecten financieel voordeel is te behalen.
• Door een efficiënt ontwerp kan de netwerkinfrastructuur toe met
minder hardware. Dit bespaart ruimte, energie, koeling en menskracht.
• ‘Plattere’ netwerken maken centralisatie, consolidatie en virtualisatie
van beveiligingsapparatuur mogelijk. Hierdoor kunnen functiespecifieke apparaten, zoals SSL-,VPN-, NAT- en andere apparaten, worden
vervangen door geïntegreerde oplossingen. Samenvoeging van beveiligingsdiensten vermindert de kosten en maakt netwerken eenvoudiger,
efficiënter en veiliger om te beheren.
• De mate van efficiëntie van het netwerkbeheer bepaalt de besparingen. Het terugbrengen van het aantal verschillende apparaten
vereenvoudigt het beheer. Interfaces die op standaarden zijn gebaseerd,
vergroten de efficiëntie van professioneel personeel. Een standaard
network-operatingsysteem voor netwerk- en security-componenten
en standaardbeheerinterfaces ondersteunen bovendien de automatisering van routinematige beheerhandelingen, wat wederom bijdraagt
aan de efficiëntie van het beheerpersoneel.
ze genereren. Netwerken met een lage vertraging en hoge capaciteit
zijn bijzonder belangrijk voor elk bedrijf dat meer wil virtualiseren.
Flexibele virtualisatie zou al in de eerste fasen van een netwerkmigratie
aan de orde moeten komen.Voor bedrijven is het essentieel dat ze hiermee bij de planning al rekening houden.
betere business
De focus van de meeste datacenters ligt op kosten en prestaties als ze
op zoek zijn naar de voordelen van nieuwe computertechniek, opslag
en softwaretechniek. Maar de voordelen van een sneller, eenvoudiger,
flexibeler en minder kostbaar fundament gaan verder dan de muren van
het datacenter. Ook bedrijven die het datacenter ondersteunt, profiteren
van de operationele verbeteringen.
Een sterk schaalbaar datacenternetwerk maakt het makkelijker serveren opslagcapaciteit samen te voegen. Dit levert een effectievere verdeling van de belasting op en een betere benuttingsgraad. Het vereenvoudigt de datastroom en vermindert de tijd die nodig is om nieuwe
diensten of verbeteringstrajecten te introduceren. Met andere woorden:
het levert diensten op met een betere kwaliteit, die sneller worden geleverd tegen lagere kosten.
Of uw organisatie nu een compleet cloud-computingpakket wil aanbieden, of meer wil halen uit virtualisatie, netwerkopslag en nieuwe application delivery-modellen, kijk eerst goed naar de netwerkeisen. Een
platter, eenvoudiger netwerkontwerp betaalt zich snel terug en stelt een
datacenter in staat zich snel aan te passen aan toekomstige uitdagingen.
advertentie
OP ZOEK NAAR
ONAFHANKELIJK ADVIES
BIJ DE BOUW & INRICHTING
VAN UW DATACENTER ?
prestaties van vereenvoudigde netwerken
Geconsolideerde netwerkstructuren vragen niet alleen om minder beheerkosten, ze geven ook betere prestaties. Elke switch en elk apparaat
waar een datapakketje doorheen gaat, dragen bij aan de vertraging van
die data. Door switchlagen te elimineren vermindert de vertraging over
het gehele afgelegde traject. Geconsolideerde netwerken laten daarom
moderne applicaties beter functioneren. Applicaties gebaseerd op SOA
(service-oriented architectures) bijvoorbeeld, profiteren van datacenternetwerken die al het server-naar-serververkeer kunnen afhandelen, dat
Neem dan contact op met de specialisten
van Merpa B.V. op tel. nr. 0168-479 029
of mail naar [email protected]
WWW.MERPA.NL
10 |
B e ka b e l i n g
datac e nte rwo r ks
Bicsi European Conference 2009 Dublin
Datacenters centraal
tijdens jubileumfeest
de nederlandse praktijkrichtlijn (npr) voor het ‘bouwen en inrichten van
computerruimtes en datacenters’ staat volop in de belangstelling. de
informatiedag die op 16 april werd gehouden in het auditorium van het
instituut defensie leergangen in rijswijk was met zo’n 120 deelnemers dan ook
een succes te noemen.
Huib van der Heijden (RCDD) is manager, trainer en trainingsontwikkelaar bij Kannegieter College
Na een jaar afwezigheid was dit jaar het City West Hotel in Dublin weer
het toneel van de Bicsi European Conference. Zo’n 350 Europese en
Amerikaanse professionals, onder wie veel RCDD’s, uit de netwerkindustrie, waren in Dublin bijeengekomen om te luisteren naar en te
discussiëren over veranderingen en nieuwe ontwikkelingen. Een mooi
toepasselijk cadeautje, want Bicsi vierde de tiende verjaardag van de Europese afdeling van Bicsi en tevens het 25-jarig bestaan van de RCDD
(Registered Communication Distribution Designer).
Datacenters speelden een hoofdrol tijdens deze conferentie. Er waren
diverse presentaties over uiteenlopende onderwerpen.Veel aandacht was
er voor het energiegebruik, of liever het terugdringen ervan, en het efficiënter omgaan met de beschikbare middelen.
Een datacenter beheren is een vak apart. En zoals vaak bij nieuwe technieken en nieuwe ontwikkelingen zijn veel eigenaren en beheerders op
zoek naar goede beheermethoden voor deze nieuwe omgevingen. Zo
werd tijdens de conferentie een tipje van de sluier opgelicht van een
training speciaal voor het beheer van datacenters. Deze training wordt
dit najaar ook in Nederland verzorgd.
Microsoft liet ons haar visie op datacenters zien: een modulaire, mobiele
installatie gebaseerd op geconditioneerde zeecontainers met (server)apparatuur. Deze opzet maakt het mogelijk snel en flexibel een datacenter
op te bouwen, uit te breiden, aan te passen en zonodig te verplaatsen,
bijvoorbeeld vanwege een calamiteit.
shielded of unshielded
Ook dit jaar stond de discussie shielded of unshielded weer op het programma. Een terugkerend, bijna traditioneel, onderwerp, dat de gemoederen flink bezighoudt. Vooral enkele Amerikaanse sprekers deden erg
hun best te bewijzen dat afscherming geen noodzaak is; ook niet voor
de nieuwste concepten.
Helaas waren ze niet compleet in hun argumentatie. Zo ging een van
de sprekers ervan uit dat de laagfrequente elektrische installatie in gebouwen de belangrijkste en enige oorzaak van verstoring is en dat een
folieafscherming dus niet zinvol is, tenzij de folie 1 mm dik is of zelfs
dikker. De spreker ging wel erg gemakkelijk aan het feit voorbij, hij
noemde het niet en verwees er ook niet naar, dat er wel degelijk hoogfrequente signalen in kantoren zijn. Denk daarbij aan HF-verlichting,
11 |
|11
B e ka b e l i n g
Tijdens de conferentie liet Bicsi iets meer
doorschemeren over de nieuw te
ontwikkelen standaard voor datacenters.
­
draadloze communicatienetwerken en alle draadloze pda’s, die we met
ons mee het kantoor in sjouwen.
Zijn uitgangspunt kon dan ook na de presentatie, tijdens de vragenronde, rekenen op de nodige kritiek. De spreker pareerde deze kritiek
opvallend met de uitspraak: “Er is geen goede of slechte manier van
bekabelen. Het maakt niet uit of je kiest voor afscherming of geen
afscherming, als je het maar goed doet”. Een dergelijke opmerkelijke
uitspraak was vijf jaar geleden waarschijnlijk nooit gedaan.
Na afloop van deze presentatie werd hierover nog stevig gediscussieerd. Vooral de ‘kleuring’ van de presentatie en de onvolledigheid ervan
stoorden de deelnemers. Iedereen had gehoopt op een meer technisch
inhoudelijke presentatie, die niet wordt vertroebeld door politieke belangen. Hopelijk neemt Bicsi de kritiek ter harte en gaat ze voor de
volgende conferentie op zoek naar een werkelijk onafhankelijke spreker, die de werkelijke voors en tegens op een objectieve manier met
elkaar vergelijkt. Uit de discussies achteraf blijkt ook dat de markt hier
behoefte aan heeft.
10gbase-t
De laatste ethernet-variant voor twisted-pairbekabeling, 10GBase-T, is
dit voorjaar al veel in het nieuws geweest. Nu er ook werkelijk producten op de markt komen, is het tijd deze te testen met verschillende
soorten bekabeling.
Er zijn producten op de markt, die 10 Gb-ethernet over twisted-pairbekabeling mogelijk maken. Dankzij deze ontwikkeling zijn er weer vele
nieuwe toepassingen. De aanleg van een twisted-pairbekabelingsysteem
voor deze snelheden wordt wel steeds kritischer. Voor de aanleg van
deze bekabelingsinfrastructuren moet de installateur beschikken over
goed opgeleide technici, die niet alleen weten wat ze doen, maar ook
begrijpen waarom ze het doen.
12 |
datacenterstandaarden
Tijdens de conferentie liet Bicsi iets meer doorschemeren over de
nieuw te ontwikkelen standaard voor datacenters. Naast de bekende
standaarden, ISO/IEC 24764, Cenelec EN 50173-5 en de Amerikaanse
TIA 942, hoopt Bicsi eind 2009 haar standaard voor datacenters te hebben afgerond. De Ansi/Bicsi-002, zo gaat de standaard heten, omvat veel
meer dan een verzameling van standaarden, richtlijnen en best practises
voor datacenters. De standaard gaat verder dan alleen netwerkbekabeling en netwerkapparatuur. De nieuw te ontwikkelen standaard van
Bicsi zal uit maar liefst 21 hoofdstukken bestaan, die een breed scala aan
werkgebieden beschrijven.
De standaard voorziet in best practices en zal een aanvulling zijn op
de ISO/IEC-, Cenelec- en TIA-standaarden voor datacenters. De standaard zal vooral een ontwerpstandaard worden, waarin installatievereisten en richtlijnen worden gegeven om het ontwerp te realiseren. Met
de opzet van de standaard is getracht te voorkomen dat delen van andere standaarden en andere bestaande richtlijnen worden opgenomen
in deze standaard. Eerder zal, waar nodig, verwezen worden naar deze
standaarden en richtlijnen.
De Ansi/Bicsi-002 wordt geschreven voor een brede groep ITS-professionals (information transport systems) die zich dagelijks bezighouden
met ontwerpen, adviseren, beheren en beveiligen (zowel informatie als
fysiek) van datacenters.Tevens wil de standaard andere professionals aanspreken, zoals bouwers, facilitair managers en (technische) medewerkers
van facilitaire diensten.
nieuwe en vernieuwde opleidingen
De RCDD-titel is een titel voor technische ontwerpers, die jaren ervaring hebben met het ontwerpen van netwerkbekabelingsystemen, actieve netwerkinfrastructuren. Voor niet-techneuten, met ruime ervaring
datac e nte rwo r ks
op het gebied van ITS (communicatie-infrastructuren in de breedste
zin van het woord) bestaat er nu ook een mogelijkheid zich te kunnen
onderscheiden. Bicsi heeft hiervoor de opleiding tot Registered Information Transport Professional, kortweg RITP, in het leven geroepen.
De status RITP is, net als RCDD, beperkt geldig. De houder van de
titel moet, door aantoonbare continue scholing, zijn of haar kennis upto-date houden. Alleen door het constant onderhouden van de eigen
kennis kan de RITP-titel om de drie jaar worden verlengd.
Ook de RCDD-opleiding gaat ingrijpend veranderen. Naast de theoretische kennis, wordt de praktische kennis meer getoetst. RCDD’s
houden uiteraard hun status. De RCDD-opleiding, zoals we ’m nu
kennen, stopt op 31 maart 2010. Tot die tijd hebben studenten de kans
hun RCDD-diploma te halen, op basis van de TDMM-versie 11. Eind
dit jaar komt de TDMM-versie 12 uit, die de basis gaat vormen voor de
RCDD-opleiding nieuwe stijl.
Verder gaat Bicsi meer aandacht besteden aan de ‘installers’ en ‘techni­
cians’. Ook zij kunnen in de toekomst studiepunten (CEC’s) halen voor
continuering van hun behaalde status.
bicsi cares
Overal waar Bicsi haar tenten opslaat voor een conferentie, zamelt zij
gelden in voor een lokaal goed doel. Dit jaar viel de beurt aan het Ierse
Barretstown Castle. Deze, door Paul Newman opgerichte, organisatie
heeft tot doel kinderen met een ernstige ziekte, hun tijd in het ziekenhuis dragelijker te maken, door vakantiekampen te organiseren.
Aan de directeur van Barretstown Castle in Ierland werd aan het einde
van de conferentie een cheque ter waarde van 2.000 euro overhandigd.
Bicsi kan terugkijken op een geslaagde tiende European Conference.
Volgend jaar zal de Bicsi European Conference haar elfde editie meemaken. De tijd en locatie van dit evenement zijn nog niet definitief.
Er gaan echter geruchten dat de conferentie volgend jaar juni in Edinburgh zal plaatshebben. Hopelijk kunnen we dan weer rekenen op veel
deelnemers en interessante presentaties en discussies.
advertentie
Klimaatbeheersing in
datacentra zonder Freon?
Kijk op www.vaclimate.nl of bel 0347 - 345425
HET
KAN
P ra kti j k
De volgende fase in energie-efficiëntie datacenters
Hogere temperaturen
en ketensamenwerking
Hans Vandam is freelance journalist
het was een enorme uitdaging: transformeer een bestaande life-omgeving in een
datacenter met maximale energie-efficiëntie. toch is het easynet gelukt met het
energy center op schiphol-rijk dat sinds oktober 2008 in gebruik is. easynet wist de
co2 -uitstoot met 1.726 ton per jaar te verlagen, wat overeenkomt met de uitstoot
van 191 standaardhuishoudens. toch is dit volgens ben timmer, datacenter &
facilities manager bij easynet, slechts het begin. hij pleit voor verregaande
samenwerking tussen datacenters, energie-, hard- en softwareleveranciers en het
bedrijfsleven om de co2 -uitstoot terug te dringen.
Een groot gedeelte van de energie-efficiëntie in het Energy Center van Easynet, onderdeel van British Sky Broadcasting, komt
voor rekening van intelligente freecoolingtechnologie. Hierbij maakt Easynet gebruik
van lage buitentemperaturen om de apparatuur te koelen. De bestaande koelinstallaties
zijn hergebruikt en gecombineerd met freecooling. Daarnaast is het center voorzien
van efficiënte koelers en warme- en koudestraten. Met vier generators (N+1), waarvan
er drie continu draaien, kan het datacenter
66 uur blijven draaien nadat de stroom is
uitgevallen.
meerjarenafspraak
Timmer pleit voor meer openheid in de
markt over manieren om de energie-efficiëntie verder te vergroten. “Tenslotte zijn
14 |
we allemaal – de hele maatschappij dus –
gebaat bij energie-efficiëntie en een lagere
CO2-uitstoot. Bovendien kunnen we dit
alleen bereiken als verschillende schakels
optimaal samenwerken.” Vanuit deze gedachte heeft Easynet de intentie zich aan
te sluiten bij de meerjarenafspraak (MJA).
Dit is een overeenkomst tussen de overheid, ict-gebruikers en -leveranciers (waaronder IBM, HP, Microsoft en Easynet)
en instanties als Telecity en Sara over een
effectievere en efficiëntere energie-inzet.
Een van de afspraken is dat in de periode
2005 tot 2020 een gemiddelde verbetering
op dit gebied van 30 procent moet worden
gerealiseerd. Een van de manieren waar­op Easynet hier een bijdrage aan wil leveren, is door hogere datacentertemperaturen.
“Momenteel wordt de temperatuur in en-
kele delen van ons datacenter nog op 21 °C
gehouden, meer dan de helft van het datacenter is, in overleg met de betrokken klanten, al naar 26 °C gebracht. Tegenwoordig
geven hardwareleveranciers aan dat ook bij
26 of 27 °C de werking van de huidige generatie apparatuur is gewaarborgd. Vooral
in de warmere zomermaanden scheelt dit
enorm op het energiegebruik voor koeling
en uiteraard op de kosten daarvan. Door de
huidige kwaliteit van de servers en andere
datacenterapparatuur is het ‘overkoelen’ van
datacenters volstrekt onnodig geworden”,
stelt Timmer.
bewustwording
De vraag is echter of de markt al klaar is
om de temperaturen in datacenters te laten
stijgen. Easynet ziet in dit bewustwordings-
datac e nte rwo r ks
“Door de huidige kwaliteit van de servers en
andere datacenterapparatuur is het ‘overkoelen’
van datacenters volstrekt onnodig geworden.”
proces een belangrijke rol weggelegd voor
datacenters. “Neem managed hosting”, verklaart Timmer. “Hierin neemt een bedrijf
vanuit het datacenter alle hostingactiviteiten
van een klant uit handen. Het betreffende
bedrijf monitort de werking van de apparatuur en sluit SLA’s af voor de continuïteit en
beschikbaarheid. De klant vertrouwt erop
dat zijn applicaties blijven draaien en dat de
data veilig zijn. Dan doet het er in principe
niet toe wat de temperatuur is in een datacenter; als de boel maar blijft draaien.”
Hij plaatst wel een kanttekening bij de
vraag wie de verantwoordelijkheid heeft als
de temperatuur een graad of vijf, zes stijgt.
“Het datacenter alleen kan die verantwoordelijkheid niet voor 100 procent op zich
nemen. Hardwareleveranciers moeten ook
hun steentje bijdragen door bijvoorbeeld
de garantievoorwaarden voor hun hardware aan te passen, zodat apparatuur ook
bij hogere temperaturen onder de garantie
blijft vallen. Ook softwarebouwers moeten
hun producten effectiever maken. Waarom
is het nodig dat bij het opstarten van een
pc alle applicaties worden geladen? Je kunt
ook alleen de basisapplicaties opstarten. Zeker bij wereldwijd gebruikte besturingssystemen scheelt dit elke minuut enorm veel
energie.”
samenwerken
Ook voor wat betreft de verwerking van
stroom zijn er verbeteringen mogelijk. Een
energieleverancier levert stroom in wisselspanning aan. Deze wordt in een datacenter omgezet in gelijkspanning voor de ups.
Hierbij gaat ongeveer 30 % van de energie
verloren. Vervolgens wordt de stroom weer
omgezet in wisselspanning om de servers
te kunnen aansturen. Dit kost weer enkele
tientallen procenten. De server zet op zijn
beurt de stroom in wisselspanning weer om
in gelijkspanning. “Eeuwig zonde natuurlijk”, zegt Timmer. “De markt zou moeten
kijken welke van deze omzetprocessen zijn
te voorkomen. Er bestaan al servers met
DC-voeding. Waarom wordt dit niet de
standaard? Daarover moeten we met zijn allen afspraken maken.”
Techniek is tegenwoordig zo goed doorontwikkeld dat nog meer energie-efficiëntie en
CO2-reductie mogelijk zijn. “Er zijn eigenlijk geen zwarte gaten meer”, zegt Timmer.
“Alle elementen zijn aanwezig, maar we
moeten techniek slim inzetten. Datacenters
spelen daarin weliswaar een belangrijke rol,
wat blijkt uit zaken als freecooling. Maar alleen kunnen we het niet, want wij hebben
geen invloed op het energiegebruik van apparatuur. Of op de energie die verloren gaat
bij omzetting. Het is tijd dat we stoppen met
naar elkaar te wijzen en het gewoon gaan
doen. Daarvoor is het essentieel dat we samenwerken binnen de sector en afspraken
maken.”
|15
E n e rg i evo o rz i e n i n g
“Geen modellen, maar energie meten”
Telecity’s strategie voor
energie-efficiëntie
16 |
Datacenter van Telecity op het Amstel Business Park in Amsterdam.
datac e nte rwo r ks
In de datacenters van TelecityGroup in Nederland wordt het stroomverbruik op rackniveau gemeten. “Het klantbewustzijn is de
laatste vier jaar sterk gegroeid en wij willen
onze SLA’s nakomen. Dan moet je niet met
modellen werken, maar het werkelijke verbruik kennen. En dat is een investeringskeuze
vooraf. Achteraf kun je dat nauwelijks nog
realiseren”, zegt Alexandra Schless, algemeen
directeur TelecityGroup Nederland.
Wie, als het rekencentrum eenmaal is gebouwd, alsnog op rackniveau het stroomverbruik wil meten, zal er niet aan ontkomen
de infrastructuur aan te passen en voor een
bepaalde tijd plat te moeten gaan. “Klanten
willen dat niet; geen moment. Daarom moet
je van tevoren die investeringsbeslissing nemen”, stelt Schless.
Je kunt je ook verlaten op modellen die
er bestaan om het verbruik te meten. “Het
probleem is dan wel dat je altijd met gemiddelden werkt”, zegt Slchless, “en wij willen
precies weten wat een klant heeft verbruikt.
En de klant wil dat zelf ook weten. Toen wij
in 1999 begonnen, maakte zich niemand daar
druk om, maar dat is wel degelijk veranderd.”
Ook Pim Steman, datacentertechnologist bij
TelecityGroup, heeft het niet zo op theore-
tische modellen. “Allereerst zijn er tal van
modellen. Maar zelfs de kleinste zaken als het
merk en type van een pomp of de manier
waarop koelleidingen fysiek door een pand
lopen, hebben invloed op de werkelijk benodigde energie.”
Hij legt uit dat zijn bedrijf nog een belang
heeft bij het precies weten welke energie de
klanten gebruiken. “Wij kunnen niet meer
vermogen verkopen dan wij beschikbaar hebben. Als een vliegtuig meer stoelen verkoopt
dan er werkelijk zijn, gaat het toch de lucht
in. Er blijven wat mensen achter op het vliegveld, maar het vliegt. Als wij meer vermogen
verkopen dan wij hebben, trekken de ups’en
het niet en ligt de hele boel plat; dan kan niemand nog draaien. Als het een vliegtuig was,
bleef het dus aan de grond staan en kon niemand reizen. Daarom moeten wij heel goed
in de gaten houden hoeveel een klant werkelijk verbruikt. Als hij honderd heeft gereserveerd en hij verbruikt maar zestig, dan is de
verleiding groot die veertig aan een ander te
verkopen, maar dat kan niet, want misschien
gaat hij daarna wel honderd gebruiken.”
Ook op technisch niveau is het van belang
goed in de gaten te houden wat het verbruik
is, omdat het nodig is fasegelijkheid te hebben
over de verschillende rijen. “Bij een reken-
centrum met zichzelf als klant, bijvoorbeeld
een bank, is dit eenvoudiger te beheersen,
maar wij hebben heel veel klanten. En dan is
het een heel gesleutel de fasegelijkheid voor
elkaar te krijgen; elke dag, elke week opnieuw. Dat kan alleen als je alles monitort”,
vertelt Steman.
standaard
Telecity gebruikt de ‘Power utilization efficiency index’ om aan te geven hoe efficiënt
het energiegebruik van het rekencentrum
is. Dat hangt namelijk niet alleen af van het
energiegebruik in de kasten, maar voor een
belangrijk deel ook van de koeling die nodig is de zaak draaiende te houden en het
stroomverbruik van de totale infrastructuur.
In het jongste paradepaardje van de onderneming (het vierde rekencentrum in Amsterdam; het Amstel Business Park) ligt die index
op een ‘schamele’ 1.28. Steman popelt om uit
te leggen hoe het komt dat dit cijfer zo laag
is. Maar niet nadat Schless heeft verteld dat dit
nieuwe rekencentrum in nauw overleg met
de gemeente Amsterdam is ontwikkeld, die
zich liet adviseren door Energiecentrum Nederland. “Wij waren destijds de eerste die een
nieuw datacentrum gingen bouwen”, vertelt
zij. “En de gemeente wil het energieverbruik
Teus Molenaar is freelance journalist
in een recent onderzoek hebben analisten van gartner aangetoond dat
it-activiteiten verantwoordelijk zijn voor 2 % van de wereldwijde uitstoot
van co2. dat is te vergelijken met de co2 -productie van de luchtvaart­
industrie. bij co2 -uitstoot denken we meestal aan transport, zware
industrie en stroomopwekking. uit recente activiteiten op het gebied van
milieuproblematiek is echter gebleken dat it en it-producten op
verschillende gebieden van grote invloed zijn. op welke terreinen is een
groenere aanpak van it mogelijk?
|17
E n e rg i evo o rz i e n i n g
zes power cells
zo laag mogelijk hebben – net als wij. Die
1,28 is later de standaard geworden waaraan
nieuwe rekencentra in Amsterdam minstens
moeten voldoen.”
Die doelmatigheid is volgens Steman onder
andere te danken aan het feit dat bij de bouw
ervoor is gekozen de koude gang onderdeel
te laten zijn van het pand. “Als je dan heen en
weer loopt in het gebouw – en dat gebeurt
natuurlijk regelmatig door klanten – dan verstoor je het systeem met koude gangen niet.
Dat gebeurt wel als je een afgesloten koude
gang maakt door dakjes boven de kasten. Elke
keer dat je in de gang moet zijn, verstoor je
het systeem wel. Het klinkt heel triviaal, maar
wij hebben een kleine dertigduizend bezoekers per jaar. Bij ons maakt het niet uit wat ze
doen in die koude gang; die blijft gewoon op
temperatuur. Dat betaalt zich terug.”
Overigens doet Telecity voor zijn buitenlandse klanten meestal zelf het technisch support.
Omdat TelecityGroup het rekencentrum aanbiedt aan derden, kan het bedrijf ook niet uit
de voeten met de standaardtypen kast met
een dakje erboven, zoals leveranciers als APC
in hun catalogus hebben staan. “Onze klanten bepalen zelf welk type kasten ze plaatsen.
Die kasten kunnen verschillen van elkaar in
hoogte en breedte. Daarom hebben wij zelf
een koude gang ontwikkeld die onderdeel
uitmaakt van het gebouw. De wanden van de
koude gang zijn flexibel en er kunnen dus
verschillende typen kast worden geplaatst”,
zegt Schless.
Uit efficiëntieoverwegingen krijgen klanten
in het datacenter op het Amstel Business Park
stroom vanuit zes zogenoemde energiefeeds
(transformator, ups met batterijen en generator). Elk rekencentrum heeft, uit redundancy-overwegingen, een dubbele feed. “Alles
wordt dan gevoed met de A-feed, terwijl de
advertentie
B-feed eigenlijk staat te wachten tot A uitvalt
en hij het kan overnemen. B draait dan op
laag vermogen; zeg: 20 %. En daar kunnen
vooral transformatoren erg slecht tegen”, verduidelijkt Steman. “Ook de ups en generator
draaien erg inefficiënt op laag vermogen. Dus
die hele keten is niet doelmatig. Wij hebben
zes feeds. Dus als er één wegvalt, wordt het
vermogen van die ene feed verdeeld over de
andere vijf. Die draaien normaal al allemaal
op ongeveer 50 %; dus dat is efficiënt. Bovendien verleng je de levensduur van de transformator en generator.”
“Volgens mij zijn wij de enige die zes power
cells gebruiken”, zegt Schless. Steman beaamt
dat. “Ik heb veel rekencentra gezien; ook in
Amerika. En die draaien allemaal op twee
feeds.”
De huidige generatoren kunnen niet meer leveren dan bij 1.500 toeren, 50 Hz. Dat komt
neer op 2,3 MVA. Als je dan toch meer ver-
pim steman, datacenter technologist bij
telecitygroup:
“Wij willen een zuiver cijfer hebben, zodat
Dynamisch in techniek
www.hig.nl
HIG IT & Communicatie is uw turnkey partner voor
Datacenters en Computerruimtes. Zowel voor
bestaand als nieuw. Onze dienstverlening bestaat uit:
• Consultancy
• Engineering/Projectmanagement
• Bouwkundig
• Power/Noodstroom
• Koeling
• Security
• Bekabeling
Bezoek ons
5 november op
IT Room Infra
2009!
• Inrichting
• Onderhoud/Service
Postbus 200 • 2810 AE Reeuwijk • Tel: 0182-398000 • Fax: 0182-398008
|18
je de rekencentra onderling ook
kunt vergelijken.”
ideeën uitwisselen
Bij de toerekening van het energiegebruik
aan de klanten, neemt TelecityGroup de energie voor het kantoor (verlichting, kopieermachine enzovoorts) niet mee. “Wij willen een
zuiver cijfer hebben, zodat je de rekencentra onderling ook kunt vergelijken. Want wij
blijven steeds op zoek naar mogelijkheden
om de efficiëntie te verhogen”, stelt Steman.
Schless vertelt dat TelecityGroup dit jaar een
‘Energy savings program’ heeft ingevoerd.
Daarin dagen de verschillende vestigingen
van het internationaal opererende bedrijf elkaar uit met goede oplossingen te komen, gekoppeld aan reële doelstellingen. “De sitemanagers komen regelmatig bij elkaar om ideeën
uit te wisselen. Daarbij kijken ze vooral naar
de infrastructuur in de bestaande datacenters,
want daar valt de meeste winst te halen. We
kijken nu bijvoorbeeld of je in bestaande rekencentra toch warme en koude gangen kunt
realiseren. Elk kwartaal moeten we aan het
hoofdkantoor in Engeland rapporteren waarmee we op dit vlak bezig zijn. En dat moeten we met cijfers kunnen onderbouwen, dus
ook daarvoor is het nodig het werkelijke verbruik te meten. Als eerste neutrale datacenter
hebben wij ook de Code of Conduct van de
Europese Unie ondertekend.”
muurtjes onder de vloer
Op de vraag welke trucs Steman van zijn collega’s heeft geleerd, zegt hij stellig: “Wij zijn
het verst in Amsterdam.”Toch gaan Schless en
hij niet op hun lauweren rusten. “Wij zijn nu
aan het bekijken of we het gangenstelsel dat
we op de vloer hebben ook kunnen voortzetten onder de verhoogde vloer. Want nu
stroomt de koude lucht onder de hele vloer
door, terwijl dat helemaal niet nodig is. We
zouden dus gedeelten onder de vloer moeten dichtmaken”, vertelt Steman. “Maar dat
is niet eenvoudig, want volgens ECN zijn de
luchtstromen onder de vloer niet te berekenen. Daarom moet je het echt uitproberen
om na te gaan welke effecten je krijgt als je
muurtjes onder de vloer plaatst. Dat doen we
nu bij ons rekencentrum aan de Kruislaan. En
die gegevens wisselen we dan weer uit met
onze internationale collega’s.”
Schless haakt hierop in door aan te geven dat
dit uitproberen wel zorgvuldig gebeurt. “Wij
werken alleen met bestaande technieken, zodat onze klanten geen enkel risico lopen”,
benadrukt zij. “Maar we zoeken wel naar
nieuwe, nuttige toepassingen door bestaande
technieken slim te combineren.”
alexandra schless, algemeen directeur
telecitygroup nederland:
“wij willen precies weten wat een klant
heeft verbruikt. En de klant wil dat zelf
ook weten.”
Connecting your datacenter
to your business critical platforms
mogen wilt hebben, kun je hen synchroon
parallel laten lopen. Waarbij synchroon de
zwakste schakel is, aldus Steman. “Dat is een
kastje met heel veel elektronica die de generatoren op elkaar moet afstemmen. Andere
datacentra hebben er vaak last van dat die
synchronisatie niet goed loopt. Het duurt te
lang, ze kunnen elkaar niet vinden, het wordt
te heet; dat soort zaken. Dus dat wilden we
niet en toen zijn we gaan nadenken hoe we
dan wel aan voldoende vermogen kunnen
komen. En zo zijn we op die zes zelfstandige
feeds gekomen. Heel simpel eigenlijk.”
Als het hele datacenter vol zit, voldoen vijf
feeds aan de energiebehoefte. Het Amstel
Business Park beschikt dus over een reservekrachtbron die gewoon meedraait in de energieverdeling.
Compertius B.V.
Joop Geesinkweg 901-999
1096 AZ, Amsterdam, The Netherlands
T +31 (0)20 561 7717 F: +31 (0)20 561 6666
E [email protected]
Website: www.compertius.nl
advertentie
|19
E n e rg i evo o rz i e n i n g
CO2-reductie in datacenters
De impact van
overheidsregulering
Harry Forbes ([email protected]) is chief technology officer bij Nexans Cabling Solutions en elektrotechnisch ingenieur
regulering om de co2 -uitstoot te verminderen, neemt alsmaar toe. in dit artikel
een voorbeeld vanuit het verenigd koninkrijk, net als nederland een land met
veel datacenters. harry forbes van nexans cabling solutions geeft een beknopt
overzicht van het britse carbon reduction commitment-plan, wat de gevolgen
ervan zullen zijn voor het bedrijfsleven en hoe een efficiënter energiegebruik
kan worden gerealiseerd door veranderingen door te voeren in de ictinfrastructuur.
Het 100 m-bereik van 10GBase-T laat toe dat
servers in clustercomputing over het datacenter
Dit artikel is eerder verschenen in WireIN, juli/augustus 2009.
20 |
kunnen worden verspreid.
datac e nte rwo r ks
Het Britse Department for Energy and Climate Change implementeerde onlangs het
CRC-plan (Carbon Reduction Commitment). Het programma kadert de doelstellingen in van de Britse regering om de CO2-uitstoot tegen 2050 te reduceren met minstens
80 %. Hiervoor moeten zowel het gebruik
van indirecte energie (elektriciteit) als dat van
directe energie (gas, kolen en olie) omlaag.
Het CRC-plan mikt op grootgebruikers in
zowel de publieke als privésector en zal gevolgen hebben voor 20.000 bedrijven in het Verenigd Koninkrijk. Vanwege hun hoog energiegebruik zullen datacenters in de meeste
gevallen hiervan de gevolgen ondervinden.
Organisaties die gebruikmaken van halfuurmeters komen in aanmerking voor het plan
als hun op een half uur gemeten elektriciteitsverbruik (HHM) in 2008 hoger lag dan
6.000 MWh. 6.000 MWh is het totale elektriciteitsverbruik van alle sites die HHM’s
gebruiken. Alle gekwalificeerde deelnemers
moeten zich registreren tussen april en september 2010 en hun elektriciteitsverbruik
meten en bekendmaken.
emissiehandel
Deelnemende organisaties zullen voor elke
ton CO2 die ze uitstoten, emissierechten van
de overheid moeten kopen. Het CRC gaat
functioneren volgens een systeem van emissiehandel waarin deelnemers emissierechten
rechten kopen en verkopen onder een absoluut emissieplafond.
De eerste emissierechten zullen in april 2011
worden verkocht en hebben betrekking op
emissies in 2010 en 2011. De prijs van de
emissierechten voor de eerste drie jaar is vastgelegd op £ 12/ton CO2 (ongeveer 14 euro).
Algemeen wordt aangenomen dat 1 kWh
0,573 kg CO2 produceert. In tabel 1 staat een
algemene schatting van het typisch verbruik
en de kostprijs van emissierechten in Britse
ponden met tussen haakjes de bedragen afgerond in euro’s.
MWh
6.000
CO2 (kg)
3.222.000
kosten
£ 38.000 (e 44.000)
10.000
5.370.000
£ 64.440 (e 75.000)
20.000
10.740.000
£ 128.880 (e 150.000)
30.000
16.110.000
£ 193.320 (e 225.000)
40.000
21.480.000
£ 257.760 (e 300.000)
Tabel 1. Geschat CO2-verbruik en kostprijs van
emissierechten in Verenigd Koninkrijk.
Op de website van de Carbon Trust zal een
ranglijst op basis van prestaties worden gepubliceerd. Er zullen strafpunten en bonussen
worden toegekend afhankelijk van de positie
op de ranglijst.
Meer informatie is te vinden op de link www.
defra.gov.uk/carbonreduction, voor de eerste
versie van de User Guide March 2009.
impact op het datacenter
Verschillende factoren (onder andere kosten,
locatie, toegang tot elektriciteit en breedbandtoegang) maken dat grote datacenters die
binnen de CRC-categorie vallen, ontworpen
zijn om tien tot twintig jaar en langer mee te
gaan en om verder te groeien en uitgebouwd
te worden. De uitbreiding van de onderneming en toename van het aantal servers levert
dan ook onvermijdelijk strafpunten op omwille van het bijkomende energiegebruik.
Serverconsolidatie en virtualisering zijn de
meest voor de handliggende manieren om het
elektriciteitsverbruik te verminderen. Onderzoek heeft uitgewezen dat een server bijna
70 % van zijn nominaal vermogen verbruikt
als hij niet actief is. Consolidatie zal dus een
aanzienlijke besparing opleveren. Microprocessors zijn vandaag uitgerust met functies
voor energiebeheer en leveren met minder
stroom steeds meer rekenkracht. Ondanks alle
technische vooruitgang zal er een punt komen
waarop de Capex voor continue systeemupgrades om het energiegebruik te reduceren
de door het CRC opgelegde strafpunten zal
overstijgen, vooral als er voortdurend nieuwe
servers worden ingeschakeld.
efficiëntie verbeteren
Hoewel serverconsolidatie en virtualisering
de energie-efficiëntie aanzienlijk kunnen
verbeteren, scheppen ze vaak andere energieproblemen, vooral wat betreft bladeservers en
clustercomputing. Dat is het geval wanneer
servers dichtbij elkaar moeten worden geplaatst door het korte bereik van de I/O-interconnect die doorgaans 7 – 15 m bedraagt.
Het mogelijke nettoresultaat is een slechte
energiebalans en koeling, wat resulteert in
hotspots en energie-inefficiëntie.
10GBase-T als server-naar-serverinterconnect
is een mogelijke oplossing voor dit probleem.
Recente vooruitgang in de ontwikkeling van
transceiverchipsets en initiatieven door de
IEEE802.3az Energy Efficient Ethernet task­
group zorgen voor een steeds grotere reduc-
tie van het stroomverbruik van deze transceivers. Hierdoor introduceren OEM’s vandaag
10GBase-T-hardware. In combinatie met de
grote vooruitgang op het gebied van I/Ocapaciteit en kortere wachttijden dankzij versnellingstechnieken, is ethernet vandaag een
levensvatbare optie voor HPC-clustercomputing (high-performance computing) en
opslagsystemen met glasvezel over ethernet.
Het 100 m-bereik van 10GBase-T laat toe dat
servers in clustercomputing over het datacenter kunnen worden verspreid, zodat systeemontwerpers load balancing en de overeenkomstige koeling kunnen optimaliseren. Dat
zorgt voor een lager energiegebruik en een
grotere efficiëntie. Een groter bereik en een
grotere ontwerpflexibiliteit die meer configuraties toelaat, zullen bijdragen tot minder
hotspots en daarmee het aantal storingen van
de installaties verminderen. Bovendien zullen
vermogensbelasting en koeling beter worden
verdeeld en zal de nauwkeurigheid van CFDmodeling (computational fluid dynamics)
toenemen.
Hoewel hulpprogramma’s, zoals CFD, in
grote mate bijdragen tot de planning en het
ontwerp van datacenters, wordt het maximale
vermogen dat op de apparaten wordt aangegeven meestal met 25 % overschreden. Er zal
dus altijd een discrepantie blijven bestaan tussen de ‘gemodelleerde’ en de werkelijke werkingscondities. Voor meer efficiëntie en om
een nauwkeuriger beeld te krijgen van wat
er gebeurt, moet het energiegebruik worden
gemeten op het apparaat zelf om te achterhalen hoeveel energie er door welke apparaten
wordt verbruikt.
conclusie
Er is inzake energiebeheer en energie-efficiëntie heel wat vooruitgang geboekt, onder
meer op het gebied van microprocessoren,
energiebeheer voor servers, ventilatoren,
luchtdoorvoer in serverracks en koelingsystemen. Een groot deel van de winst dreigt echter verloren te gaan door een slecht ontwerp
of een gebrek aan flexibiliteit, met energieinefficiëntie tot gevolg.
Toekomstige ontwerpen zouden rekening
moeten houden met nieuwe of opkomende
technologieën, zoals ‘energy efficient ethernet’, met een potentiële energiebesparing
door minder verbruikende en beter beheerde
apparaten en door een grotere flexibiliteit in
het ontwerp van de netwerkarchitectuur.
E n e rg i evo o rz i e n i n g
“Simpel concept met
weinig componenten”
Hitec pioniert met dieselroterende ups-systemen
Ferry Waterkamp is hoofdredacteur van DatacenterWorks
hitec power protection heeft een lange geschiedenis op het gebied van ups’s. al in 1969
introduceerde het nederlandse bedrijf – toen nog opererend onder de naam holec power
protection – de dieselroterende ups waarop hitec twintig jaar lang het patent had.
datacenterworks bracht een bezoek aan hitecs hoofdkantoor in almelo, waar ook de
productie en testen van de systemen gebeuren.
“In de Eemshaven staan dieselroterende ups-units met een
gezamenlijk vermogen van circa 35 MVA, samen genoeg om
een stad als Groningen mee te voeden.”
22 |
datac e nte rwo r ks
Hoewel zo’n 80 % van Hitecs productie is bedoeld voor de export,
heeft het bedrijf ook in ons land een lange lijst met aansprekende
referenties. De dieselroterende ups-systemen (drups) van Hitec staan
onder andere opgesteld in een datacenter in de Groningse Eemshaven en KPN heeft de systemen toegepast in zijn nieuwe cybercentra
in Haarlem, Almere en Aalsmeer.
“Telecom is momenteel een belangrijke driver voor de datacentermarkt”, zegt Hitecs marketingmanager Jasper Kerkwijk. “KPN is van
analoog naar digitaal gegaan om triple-playservices te kunnen aanbieden. Die digitale infrastructuur is een datacenter op zich. Met die
overstap liep Nederland samen met het Verenigd Koninkrijk voorop,
maar je ziet die ontwikkeling nu overal ter wereld. De telecomsector
heeft weinig last van de crisis en dat is goed nieuws voor ons.”
De inductiekoppelingen liggen klaar om te worden gemonteerd op het frame.
kpn eerste klant
De geschiedenis van Hitec gaat terug tot 1959 toen het eerste ‘battery
no-breaksysteem’ op de markt kwam. Ook toen was een telecombedrijf de afnemer. Kerkwijk: “De Koninklijke PTT had er genoeg
van dat de verbindingen wegvielen als de stroom wegviel en gaf de
opdracht daarvoor een oplossing te bedenken. Dat werd een 20 kVA
battery no-breaksysteem. Systemen met batterijen voeren we nu niet
meer in ons assortiment. Inmiddels zitten we al op 2 MVA per unit,
tot circa 40 MVA per systeem.” In 1969 bracht Holec als eerste leverancier een dieselroterende ups op de markt met een vermogen van
300 kVA. De eerste klant voor dat systeem was de Nederlandse luchtvaartmaatschappij KLM. De tweede generatie inductiek­­oppeling
waarvan Hitec nog altijd ge, werd in 1991 geïntroduceerd.
hitec power protection
De geschiedenis van Hitec Power Protection gaat terug tot
1956 toen het eerste ‘batterijroterende ups-systeem’ op de
markt werd gebracht. In 1963 volgde een fusie met enkele andere Nederlandse bedrijven, waarna Holec ontstond met Holec
Power Protection als dochteronderneming. In 1998 werd de
naam gewijzigd in Hitec Power Protection. Inmiddels is Hitec
onderdeel van de IMD-holding (Industrial Marine Diesel).
Hitec heeft momenteel vestigingen in de Verenigde Staten,
Verenigd Koninkrijk, Spanje, Dubai, China, Singapore, Taiwan, Maleisië en Almelo waar het hoofdkantoor staat. “We
hebben plannen van onze vestiging in Maleisië het Aziatische
hoofdkantoor te maken met een eigen productiefaciliteit”, zegt
Jasper Kerkwijk, marketingmanager van Hitec Power Protection. “Dat stond al gepland, maar dat hebben we door de economische crisis iets gefaseerder moeten aanpakken.”
Hitec Power Protection heeft wereldwijd circa tweehonderd
medewerkers in dienst van wie zo’n 140 in Almelo. Het bedrijf
richt zich behalve op de telecom- en datacentermarkt ook op
de financiële dienstverlening, luchtvaart, chipindustrie en procesindustrie. 50 % van de systemen die Hitec produceert, wordt
geplaatst in datacenters.
|23
P ra kti j k
werking
Hitecs dieselroterende ups werkt met een standaard dieselmotor en
een generator, zoals je die ook aantreft bij statischesystemen, om
naast ononderbroken ook continue stroom te garanderen. Tussen die
twee componenten wordt een kinetische energiemodule geplaatst.
“De energie slaan we op in een binnenrotor die per minuut drieduizend rotaties meer maakt dan de buitenrotor”, legt Kerkwijk uit. “De
energie in het binnenvliegwiel wordt onttrokken als er problemen
zijn met de stroomvoorziening.”
Op het moment dat de stroomvoorziening buiten de gestelde specificatie valt of helemaal wegvalt, wordt het energienet afgeschakeld.
Hierna geeft de inductiekoppeling haar energie direct af aan de belasting. Binnen 2 tot 3 s is de dieselmotor op toerental waarna de
inductiekoppeling de dieselmotor ondersteunt, totdat deze geheel
stabiel is. Vanaf dat moment wordt er overgeschakeld van netbedrijf
naar dieselbedrijf. Als het energienet weer in orde is, synchroniseert
de ups met het stroomnet waarna weer wordt teruggeschakeld naar
netbedrijf.
Volgens Kerkwijk werkt de roterende ups ook als een ‘actief filter’
om problemen op het net eruit te halen. “Het systeem filtert er bijvoorbeeld harmonische vervuiling en kleine pieken en dalen uit. Zo
voorkom je dat de dieselmotor elke keer start bij kleine problemen
op het net.”
simpel concept
“Het is een simpel concept met weinig componenten, en dat heeft
zijn effect op de betrouwbaarheid”, benadrukt Kerkwijk. Andere
voordelen van een dynamisch systeem ten opzichte van een statisch
systeem zijn volgens de marketingmanager de hogere energie-efficiëntie en het geringere ruimtebeslag. “Het verschil in energieefficiëntie ligt tussen de 3 tot 5 %. Daarnaast heb je bij een statische
ups naast de ups, dieselmotor en generator ook nog zaken als batte-
rijen, een geconditioneerde batterijruimte en vermogenselektronica
nodig. Die onderdelen vervangen wij door de kinetische module en
dat kan bij grotere vermogens een ruimtebesparing opleveren van 40
tot 60 %.”
Kerkwijk geeft aan dat deze berekening voornamelijk opgaat voor
datacenters met grotere vermogens. “Ik heb het niet over een datacenter met 400 kVA of minder, want daar is statisch veel concurrerender. Daar kunnen wij niet aan tippen. In de datacenters waaraan
wij vooral leveren, heb je het echt over vermogens boven 5 MW,
en vaak nog veel meer. In de Eemshaven staan dieselroterende upsunits met een gezamenlijk vermogen van ongeveer 35 MVA, samen
genoeg om een stad als Groningen mee te voeden.”
concurrentie
De ups-leverancier uit Almelo heeft twintig jaar lang (tot 1989) het
patent gehad op de dieselroterende ups. Concurrentie komt vooral
van het Duitse Piller en het Belgische Euro-Diesel. “Euro-Diesel
biedt een kopie van ons concept, Piller biedt een combinatie van wat
wij doen en wat statische mensen doen; dus een combinatie van een
vliegwiel en vermogenselektronica”, zegt Kerkwijk.
Volgens hem zijn statische ups-systemen echter nog altijd de grootste concurrent voor Hitec, ondanks de voordelen die dynamische
systemen volgens de marketingmanager te bieden hebben. “Vooral
in de Verenigde Staten en Azië is de computerwereld nogal op statische techniek gericht, omdat de meeste statische producenten daar
vandaan komen. In Europa zijn we iets meer aan mechatronische
techniek gewend, omdat alle roterende producenten uit Europa komen.”
Een argument voor het gebruik van statische ups-sytemen is de ‘autonomy time’. Op batterijen kun je doorgaans zo’n 10 tot 20 min.
blijven draaien, terwijl een dynamische ups een paar seconden noodstroom levert en daarna op diesel overschakelt. “Die extra tijd is al-
Voordat de ups-systemen naar de klant gaan, worden ze nog uitvoerig getest in het testveld van Hitec. Het
testveld biedt plaats aan acht ups-systemen met een gezamenlijk vermogen van maximaal 20 MVA.
“Als de storing langer duurt moet je zeker weten dat de
dieselmotor start, en dan maakt het niet uit of je een
autonomy time hebt van 10 s of van 20 min.”
datac e nte rwo r ks
De dieselroterende ups volledig in beeld, met van links naar
rechts de generator, inductiekoppeling en dieselmotor
gemonteerd op een solide frame.
leen een schijnvoordeel”, legt Kerkwijk uit. “Als de storing langer
duurt, moet je zeker weten dat de dieselmotor opstart. Start de motor
niet, dan maakt het niet uit of je een autonomy time hebt van 10 s of
van 20 min. Als de dieselmotor defect blijkt te zijn, krijg je die ook
niet binnen 20 min. gerepareerd. Onze Amerikaanse collega’s zeggen dan altijd: ‘You’re screwed anyway’. Dat is een gedachtegang die
nog moet veranderen.”
ride through
Hitec introduceerde vorig jaar met het Ride through-systeem
een variant op de dieselroterende ups. Bij dit systeem is de dieselmotor vervangen door een stalen vliegwiel die gedurende 15
tot 30 s energie levert met een output van 400 tot 1.250 kVA.
Het systeem is dan ook speciaal bedoeld voor korte stroomonderbrekingen.
“Het Ride through-systeem is vooral geschikt in combinatie
met een dieselgenerator of in situaties waarin wel sprake is van
kritische processen, maar waarin een diesel-ups te hoog is gegrepen”, vertelt marketingmanager Jasper Kerkwijk. “De kosten per incident zijn dan te laag om een diesel-ups te kunnen
rechtvaardigen. In die situatie moet je dan accepteren dat je niet
beschermd bent in geval van een lange stroomstoring.”
advertentie
ACG klimaattechniek:
dé specialist in het creëren
van het juiste klimaat
in datacenters.
ACG klimaattechniek adviseert,
ontwerpt en installeert
bedrijfszekere en energiezuinige
klimaatoplossingen. Ook in úw
computerruimte of datacenter.
Kijk op: www.acgklimaat.nl
-
klimaatadvies
ontwerp
realisatie
onderhoud
24-uurs service
energiezuinige
klimaatoplossingen
Westbaan 280 - 2841 MC Moordrecht
0182 395388 - [email protected] - www.acgklimaat.nl
|25
Ma n ag e m e nt
Jan Wiersma is manager R&D datacenter bij vts Politie Nederland en international director bij Data Center Pulse.
het woord ‘datacenter’ kent vele definities, die zelfs binnen organisaties en hun
afdelingen niet gelijk zijn. data center pulse (dcp) probeert deze spraak­
verwarring te tackelen door een datacentermodel te introduceren dat moet
zorgen voor een eenduidig beeld van ‘het datacenter’. jan wiersma van data
center pulse zet het model uiteen.
Basisbouwblokken maken het datacenter
Data Center Pulse Stack
Als je denkt aan een datacenter, welk beeld
heb je dan daarbij? Ongeveer elk van de
volgende beelden past hierbij: elektrische &
mechanische systemen, netwerkinfrastructuur, opslag, virtualisatie, applicaties, beveiliging, cloud, grid, open source, unified
computing, et cetera. Probeer je dan eens
voor te stellen hoe al deze onderdelen passen
in gebieden als efficiëntie, duurzaamheid, of
de totale CO2-uitstoot van je organisatie.
Al snel wordt duidelijk dat een datacenter
een complexe omgeving is, waarin vragen
als de totale efficiëntie van de datacenteromgeving lastig kunnen worden beantwoord voor het hoger management. Waar
start je met meten in een dergelijke omgeving? Zijn de juiste technieken hiervoor wel
beschikbaar? Welke meetmethode is van
toepassing op welk deel van het datacenter?
Datacenterprofessionals over de hele wereld
worstelen met dezelfde problemen en uitdagingen.
andere golflengte
De datacenterindustrie ontwikkelt zich in
een sneltrein vaart; sneller dan ooit te voren.
Ondanks al deze ontwikkelingen staan facilitaire (datacenter) en IT-professionals voor
de uitdaging gezamenlijk de problemen
voor hun organisatie aan te pakken. Soms
krijg je het gevoel dat de verschillende afde26 |
lingen en professionals niet op dezelfde
golflengte zitten. Wat hebben virtuele servers te maken met 3-fasestroom? Is de ITafdeling wel eens langs geweest om te vragen om meer stroom zonder rekening te
houden met de benodigde additionele koeling? Zijn er hotspots op plaatsen waar je
nooit servers had verwacht? Heeft virtualisatie een impact gehad op je netwerkinfrastructuur? Op je beveiligingsprotocollen?
Wat betekent ‘cloud computing’ voor je datacenter? Hoe breng je al deze datacenterdisciplines bij elkaar om gezamenlijk datacenterproblemen aan te pakken en op te
lossen?
Het gat tussen IT en facilitair is niet langer
een onderwerp van discussie. Op bijna elk
datacentercongres is er ten minste een sessie
over dit fameuze gat, maar welke tools staan
er tot je beschikking om dit gat te dichten?
Ondanks de groeiende energiedichtheid,
moeten datacenterprofessionals het datacenter draaiende houden, terwijl ze worden geconfronteerd met uitdagingen rond energie-efficiëntie en slecht communicerende
afdelingen.
groen
Ondertussen is ‘groen’ het hypewoord geworden, dat we tegen komen in zo’n beetje
elk facet van ons leven. Datacenters vormen
geen uitzondering in deze groene marketinggolf en worden gezien als gemakkelijke
doelen wegens de grote, geconcentreerde
water- en energieconsumptie. Nieuwe
groene oplossingen zijn soms niet zo groen
als ze lijken vanwege de complexiteit van
datacenteromgevingen. Nieuwe, groene
techniek kan zelfs de huidige geïmplementeerde efficiëntie en besparingsoplossingen
verstoren. Bedrijven worden soms gedwongen om CO2-reducerende technieken te
implementeren zonder het effect te overzien
voor de gehele datacenteromgeving. Overheidsinstellingen over de gehele wereld
hebben de stijging in energieafname gezien
in de datacenteromgevingen en zien dat de
trend alleen maar omhoog gaat.
Het is een kwestie van tijd voordat regulering wordt ingevoerd, goedschiks of kwaadschiks. Hierbij worden bedrijven geconfronteerd regels toe te passen in een
datacenteromgeving die hier nooit voor
ontworpen was.
We weten allemaal dat de duidelijkste druk
op het datacenter voortkomt uit de stijgende
kosten. De onzekere economische situatie
zorgt ervoor dat je op zoek bent naar mogelijkheden kosten te reduceren en het datacenter nog efficiënter te maken. Het datacenter is in beeld bij de CFO en de focus is
gericht op de reductie van de kapitaalsinves-
datac e nte rwo r ks
Door de DCP Stack als een routekaart te gebruiken
kunnen alle wijzigingen in het datacenter worden
getraceerd en de afhankelijkheden worden bepaald.
|27
Ma n ag e m e nt
teringen en operationele kosten. Welke industriestandaard en meetmethode zijn van
toepassing op jouw datacenter en helpt je
om je CFO-resultaten te tonen? Het is tijd
om als eindgebruikers samen te gaan werken en de bovenstaande problemen te adresseren.
eigenarenbijeenkomst
Hier komt Data Center Pulse (DCP) in
beeld. In september 2008 werd deze datacentereindgebruikersgroep opgericht met
een simpel doel: het beïnvloeden van de datacenterindustrie via eindgebruikers. De
DCP telt op dit moment zo’n 1025 datacentereigenaren en -beheerders die meer dan
600 bedrijven in 45 landen vertegenwoordigen. DCP-leden zijn de klant. Zij zijn de
mensen die jaarlijks over de uitgaven van
miljoenen euro’s beslissen en de IT-economie aandrijven.
In februari 2009 is door DCP een bijeenkomst georganiseerd. Deze had plaats in
Santa Clara, Californië, Verenigde Staten
en online. Het doel was gezamenlijk te
brainstormen over de grootste uitdagingen
waarvoor datacentereigenaren op dit moment staan. De resultaten van deze bijeenkomst zijn de volgende dag aan de industrie
gepresenteerd. Tijdens dit proces is duidelijk geworden dat er een sleutelcomponent
mist. Er ontbreekt een gezamenlijk framewerk dat alle aspecten van het datacenter
adresseert: de basisbouwblokken die elk datacenter ter wereld maken, onaf hankelijk
van de locatie, functie of bedrijfsactiviteiten.
Tijdens de bijeenkomst had de ‘Cloud computing’-groep de taak duidelijk te krijgen
welke datacenteraf hankelijkheden er zijn
binnen een organisatie. Door dit in beeld te
brengen wordt het voor eindgebruikers mogelijk het potentieel te bepalen van outsourcing naar een cloud-techniekoplossing. Tijdens de discussie over deze relatief jonge
techniek gaf een aanwezige datacentereigenaar, een grote financiële instelling, zijn
blik op zijn datacenteromgeving. Die blik
bestaat uit een stapel bouwblokken; de fundamentele ingrediënten die gezamenlijk een
datacenter maken. Alle blokken hebben een
relatie en wanneer aan de knoppen van een
28 |
blok wordt gedraaid, heeft dat effect op de
andere blokken. Er is besloten dit model
verder te ontwikkelen in een basismodel dat
de gebruikers en aanbieders een eenduidige
blik moet geven op de complexe datacenteromgeving.
De DCP Stack is het resultaat van het originele voorstel en de input van diverse datacentereigenaren en -beheerders in de afgelopen tijd.
tacenter. Bijvoorbeeld PUE voor het MEPonderdeel of enkele ‘useful work’ meetmethoden,
zoals
DCeP,
bij
het
platformonderdeel. Elk van de meetmethode zou dan samen kunnen worden gevat in
een top-levelefficiëntiemetriek die ook de
CO2-score bepaald (Carbon Score – Out).
Het datacenter moet worden gevoed met
energie en deze wordt ergens opgewekt. De
duurzaamheid waarmee de energie wordt
opgewekt, bepaalt de Carbon Score – In.
Omdat duurzaamheid niet alleen bestaat uit
De (door)ontwikkeling ervan heeft een
simpel doel: een model leveren dat elk datacenter beschrijft en zorgt voor een gemeenschappelijke taal en kader. Het gaat uit van
een aantal basisvragen: Waar is het datacenteronderdeel? Wat voedt het datacenteronderdeel in de keten? Hoe is het onderdeel
ontworpen? Wat doet het? Door naar elk
bouwblokje afzonderlijk te kijken en de bijbehorende meetmethoden te selecteren,
wordt het gemakkelijker deze binnen elk
datacenter op dezelfde manier te meten.
De volgende stap is toepassing van een industriebreed geaccepteerde meetmethode
voor elk blokje dat onderdeel is van het da-
een CO2-score, geeft de suntainabilitykolom ook een overzicht van de relevante
onderdelen uit het Geenhouse Gas Protocol. (http://www.ghgprotocol.org/).
Maar hoe wordt de vraag nu beantwoord;
‘Wat hebben virtuele servers te maken met
3-fasestroom?’ Door de DCP Stack als een
routekaart te gebruiken kunnen alle wijzigingen in het datacenter worden getraceerd
en de af hankelijkheden worden bepaald.
Voorbeeld: 3-fasestroom is vaak noodzakelijk voor nieuwe servers die worden gebruikt bij virtualisatie (server/MEP). De
nieuwe server werd geleverd met een nieuwe SAN-switch en array (storage/network).
datacentermodel
datac e nte rwo r ks
Alle nieuwe IT-apparatuur had meer koeling nodig en moest daarom in een locatie
worden geplaatst, waar meer luchtvolume
kon worden geboden (physical/spatial/
MEP). Na de installatie van de nieuwe servers, SAN-switch en array, kan er tien keer
meer werk worden gedaan dan met de oude
apparatuur, maar de koeling is minder efficiënt en de nieuwe IT-apparatuur neemt
meer energie af. Op de individuele lagen
van het model zijn de verhoudingen gewijzigd, maar de top-levelefficiëntiescore is
omhoog gegaan en hiermee is de CO2-score
verbeterd. Ook al is de cooling in dit voorbeeld minder efficiënt geworden, dan kan
het zijn dat de werkzaamheden in het datacenter als totaal een betere efficiëntiescore
opleveren.
denken te zetten. Mee eens? Mee oneens?
Andere ideeën? We horen het graag. DCP
en zijn leden nodigen iedereen uit deel te
nemen in de ontwikkeling van het model.
Door een mail te sturen naar [email protected] kun je laten weten dat je
wilt deelnemen.
In de komende weken zal het huidige DCP
Stack-team FAQ’s uitbrengen en voorbeelden hoe je het model kunt toepassen met
verschillende meetmethoden, om de toepasbaarheid van het model te toetsen en verduidelijken.
Het stack-model is te vinden op http://
stack.datacenterpulse.org. Kijk op de website en op het DCP YouTube-kanaal voor
meer updates.
feedback gevraagd
De leden van DCP geloven dat er een gemeenschappelijk model nodig is om het datacenter te beschrijven, erover te communiceren, te innoveren en mensen aan het
data center pulse
Data Center Pulse (DCP) is een groeiende, nonprofit datacenterindustriegroep. Opgericht eind
2008, werd DCP al snel een van de grotere industriegroepen voor exploitanten en beïnvloeders
van de datacenterindustrie.
De missie van DCP is eindgebruikers samenbrengen, informatie delen, ‘best practices’ en volgende
generatieoplossingen definiëren, en daardoor de
datacenterindustrie en leveranciers te beïnvloeden.
De leden van DCP zijn individuen die dagelijks
datacenterproducten en -diensten evalueren, adviseren en kopen. Zij vertegenwoordigen miljoenen
euro’s van jaarlijkse aankopen.
Contact:
[email protected]
Lid worden: http://datacenterpulse.org/JoinUs
Volgen:
http://twitter.datacenterpulse.org
http://youtube.datacenterpulse.org
http://datacenterpulse.org/
InTheNews
http://datacenterpulse.org/Blogs
advertentie
Wilt u ook uw datacenter efficiënter maken?
24 November 2009- Grand Hotel Krasnapolsky - www.datacenterdynamics.nl
De manier waarop datacenters worden
ontworpen, gebouwd en beheerd is continu
in verandering. Meer regulering, schaarste
van middelen en het economische klimaat
zijn factoren die zullen bijgedragen aan een
verandering in de datacenter-strategie van
menige organisatie.
Op het vijfde jaarlijkse DatacenterDynamics
Congres & Expo te Amsterdam zult u leren
hoe het gestrande vermogen los te laten, meer
te doen met minder en het juiste evenwicht
te vinden tussen de productiviteit en de
efficiëntie van uw datacenter.
Het programma: de uitdagingen in 2010
• Groene Oplossingen: hoe kunt u uw
precieze ‘carbon footprint’ vaststellen
en wat zijn de haalbare opties om uw
datacenter groener te maken?
• Energiebesparing: hoe kunt u de prestaties
per watt in uw datacenter maximaliseren
en tegelijkertijd de beschikbaarheid en
flexibiliteit waarborgen?
• ‘Real Time’ Infrastructuur: meten is
weten maar hoe kunt u een strategie, die
het energieverbruik meet en controleert,
ontwikkelen en effectief hanteren om uw IT
en Facility infrastructuur te optimaliseren en
de stap naar een ‘real-time’ infrastructuur
mogelijk te maken?
• Virtualisatie en ‘Cloud computing’: wat
is de impact van ‘cloud computing’,
virtualisatie, ‘service orientated
architecture’ en andere nieuwe ‘computing’
platformen op het ontwerp en het
functioneren van uw datacenter?
Een kleine selectie van de sprekers op
het congres:
Liam Newcombe
Consultant, Data Centre Group,
British Computer Society
Mark Bouman
Senior Datacenter Expert,
VTS Politie Nederland
Suzanne van den Oudenhoven
Teammanager Datacenter
Management, KLM
Wim Verdouw
ICT Architect Infrastructure,
IB-Groep
Reserveer uw plek voor 9 oktober en bespaar €100!
Om uw plek te reserveren kunt u telefonisch contact opnemen met Miel Dister op
+31 30 8799 069, een email sturen naar [email protected] of het online
formulier invullen op www.datacenterdynamics.nl.
AMSTERDAM - 24 NOVEMBER 2009
B e ka b e l i n g
datac e nte rwo r ks
Keith Sulivan en Guillermo Idáñez zijn respectievelijk sales director manager en marketing programmes & communica­
tions manager voor private networks Emea bij Corning Cable Systems (www.corning.com/cablesystems)
Migratietraject naar 40G en 100G
Gestructureerde bekabeling
maakt overgang probleemloos
samen met de behoefte aan hogere transmissiesnelheden
wordt de vraag naar geavanceerde datacenters beïnvloed
door stijgende energieprijzen, efficiëntere koeling,
ruimtebesparing en de milieuproblematiek. uiteindelijk zal de
stijgende vraag naar bandbreedte een migratie vereisen die
10g overschrijdt, naar 40g en zelfs 100g.
In een recent rapport, ‘10G/40G/100G Market Size and Forecasts’, beklemtoont
Infonetics Research dat de 10G-markt expandeert en op middellange termijn zal blijven groeien, ‘40G groeit snel en 100G zal
binnenkort verschijnen en tegen 2013 een
hoge vlucht kennen’. Infonetics Research
voorspelt voor de periode tussen 2007 en
2011 een gemiddelde jaarlijkse groei van
59 % voor alle 40G enterprise- en serviceproviderproducten.
Om aan deze eisen te voldoen, heeft het
Amerikaanse Institute of Electrical and
Electronics Engineers (IEEE) in januari
2008 een taskforce (802.3ba) belast met de
ontwikkeling van een norm voor de 40G- en
100G-ethernetoplossingen van de volgende
generatie. De 40G-zijde dekt de onmiddellijke behoeften op de datacentermarkt,
terwijl de 100G-zijde bedoeld is voor
highperformance-computing,
netwerk­
aggregatie, core-switching en routingtoepassingen. De doelstellingen omvatten onder andere een multimode-vezeltoepassing
van minstens 100 m via OM3-vezels.
Tijdens een tweede ontmoeting in mei 2008
voegde de IEEE 802.3ba-taskforce diverse
aanbevelingen toe als uitgangspunt voor de
eerste versie van de nieuwe 40G- en 100Gnorm. De taskforce heeft gekozen voor parallel optics als basis voor de nieuwe norm,
die volgens plan tegen het midden van 2010
klaar zou moeten zijn. Normaliter lopen
normen ongeveer drie jaar voor op de concrete portverkoop, zodat deze voor ‘early
adopters’ rond 2013 kan worden verwacht.
Ervan uitgaand dat een gestructureerde bekabeling gedurende vijftien tot twintig jaar
kan worden gebruikt, is het in zowel strategisch als financieel opzicht zinvol bij de
planning en installatie van netwerken vandaag al rekening te houden met 40G/100G.
en 50173-5
De recentste norm voor gestructureerde
bekabeling in datacenters, EN 50173-5,
schrijft voor dat de bekabeling is opgebouwd
volgens een gecentraliseerde architectuur,
waarbij alle kabels van de equipment outlets terug naar een centrale main distributor
(eventueel via een zone distributor) worden geleid. De gebruikte glasvezelbekabeling moet minimaal van OM3-kwaliteit
zijn, en de aansluitingen moeten worden
uitgevoerd met LC-duplex-connectoren of
high-density MTP- respectievelijk MTOconnectoren.
Het combineren van eisen van de EN 501735 met het voorstel van de IEEE 802.3abtaskforce om een probleemloze overgang
van 10G naar 40G en uiteindelijk naar 100G
te verzekeren, is alleen mogelijk op basis
van een gestructureerd bekabelingsysteem
met high-density MTP-verbindingen tussen de main distributor en de local distributor. Daardoor kan vandaag met MTP-LCduplex-breakout modules een 10G-systeem
worden opgebouwd, dat later met 12-vezel
MTP-connectoren zonder vervanging van
de bekabeling kan worden omgebouwd
voor 40G en 100G.
De migratie van 10G- op 40G- en 100Gethernet is alleen mogelijk door de ontwikkeling en omzetting van gestructureerde
bekabelingsystemen die zijn gebaseerd op:
1.grote bandbreedte, laser-optimized
50 µm multimode-vezels;
2.modulaire aansluitelementen met hoge
dichtheid;
3.parallelle optische transmissie. Alleen
zo’n systeem biedt de betrouwbaarheid,
beheerbaarheid, flexibiliteit en uitbreidbaarheid die nodig is voor een probleemloze migratie op hogere transmissiesnelheden.
|31
Ko e l i n g
om3-glasvezel
OM3 is de minimale vezelkwaliteit die momenteel in aanmerking
wordt genomen door de IEEE 802.3ab-taskforce voor 40G- of
100G-transmissie. Met een 50 µm-kern die is geoptimaliseerd voor
het gebruik met 850 nm VCSEL-lasers kunnen OM3-vezels in 10Gtransmissies afstanden van 300 m overbruggen, terwijl voor 40G en
100G 100 m als doelstelling is gepland. Eerste tests hebben aangetoond dat bij een bandbreedte van 2.000 MHz.km een afstand van
circa 150 m bereikbaar zou moeten zijn met OM3-vezels. Men gaat
ervan uit dat met ‘enhanced’ OM3-vezels met een bandbreedte boven 4.700 MHz.km en een transmissiesnelheid tot 100G zelfs afstanden van meer dan 250 m kunnen worden overbrugd.
Een recente studie over verbindingslengten in datacenters heeft aangetoond dat een bereik van 100 m volstaat voor ongeveer 70 % van
alle datacenterverbindingen, een verbindingslengte van 250 m zou
geschikt zijn voor circa 99 % van alle toepassingen.
Momenteel wordt er in de IEEE 802.3ae niet gepraat over het gebruik van vezels van de kwaliteitsniveaus OM1 of OM2, omdat de
structuur en de bandbreedte lange verbindingen verhinderen. Daarom is het gebruik van kwalitatief hoogwaardige OM3-vezels een
absolute voorwaarde voor een bekabelingsysteem om voorbereid te
zijn op toekomstige technologie.
40g- en 100g-transmissievoorstellen
De IEEE 802.3ae-taskforce werkt momenteel aan drie transmissieprotocollen voor de 100G-transmissie:
• MMF OM3 parallel SDM (space division multiplexed);
• MMF OM3 2 wavelength CWDM (course wavelength division
multiplexing);
• SMF OS2 10 wavelength CWDM.
De eerste methode maakt gebruik van voordelige VCSEL-lasers voor
de transmissie van tien parallelle 10G-signalen in tien afzonderlijke
kanalen, die dan op het einde van de verbinding weer worden gecombineerd. Deze methode heeft vele voordelen, in het bijzonder de
lage kosten voor de apparatuur en voor de voeding en koeling van
de lasers.
De tweede methode verzendt gegevens op twee verschillende golf32 |
lengten van elk 10G via vijf afzonderlijke vezels, waardoor een totale
transmissiecapaciteit van 100G ontstaat. Deze methode maakt gebruik van duurdere golflengtemultiplextechniek en vereist krachtigere lasers om dezelfde 100G-transmissie te bereiken.
De derde methode verzendt tien verschillende golflengten van elk
10G door één enkele singlemode-vezel, waardoor een totale transmissiecapaciteit van 100G ontstaat. Deze methode gebruikt veel
duurdere singlemode-lasers en golflengtemultiplextechniek.
De transmissie van parallelle signalen via meervoudige vezels is geen
nieuwe techniek. Infiniband-transmissietechniek in 4-, 8- en 12-vezeluitvoering bestaat sinds 1999 en wordt vooral gebruikt in highperformance computer- en serverclusters. Deze transmissieapparaten
maken allemaal gebruik van MTP/MPO-interfaces en beschikken
over VCSEL-transmitter arrays met dezelfde configuratie als de vezels in de MTP/MPO-connectoren.
hoge dichtheid en modulaire connectiviteit
Naast prestaties speelt ook de keuze van de fysische verbindingstechniek een centrale rol bij de ontwikkeling van een migratietraject voor gestructureerde bekabelingomgevingen in het kader van
een parallele optische architectuur. En in deze omstandigheden valt
de keuze bij voorkeur op high-density, pre-terminated OM3-componenten op MTP/MPO-basis, met trunks, breakout modules en
break­out harnesses.
MTP/MPO-trunks kunnen tot 80 % van de installatietijd besparen
in vergelijking met traditionele optische oplossingen. Nog belang­
rijker is echter hun flexibiliteit: ze bieden de mogelijkheid zowel
seriële als parallelle signalen te verzenden.
Connectiviteit op MTP-basis is ook een kritieke factor. MTP/
MPO-connectoren vertegenwoordigen een robuuste en betrouwbare techniek, die ook 40G/100G-transmissies ondersteunt. Hetzelfde geldt voor de nieuwe viervoudige, kleine transceiver (quad
small-factor pluggable - QSFP), een parallelle optische module met
een high-density interface met twaalf vezels, het resultaat van de
gemeenschappelijke inspanningen van verschillende telecommunicatiebedrijven om een geïntegreerde, 4-kanaals optische transceiver
te ontwikkelen en te definiëren.
datac e nte rwo r ks
zenden en twaalf vezels 10G ontvangen en een totale transmissieverhouding van 120G leveren. Uitgerekend dit design maakt een vergelijking met 40G van de volgende generatie mogelijk.
De 12X-QDR Inifiniband-specificaties vereisen een maximale
asymmetrie van .75 ns kabelsystemen skew-performance, voor zowel de vezels als de MTP/MPO/MPO-connectoren. Dat wil zeggen
dat glasvezelbekabelingarchitecturen die vandaag al voldoen aan de
12X-QDR Infiniband kabel skew-performance vereisten, geschikt
zijn voor toekomstig gebruik, daar deze een probleemloze migratie
naar 40G/100G parallelle optische transmissie toelaten.
Om de poortdichtheid verder te verhogen zijn transceiverfabrikanten op zoek naar ontwerpen die alle verzendende en ontvangende
lijnen consolideren in een enkele zendontvanger met behulp van een
24-vezelversie van de MTP/MPO-connector. Deze systemen zullen
ook moeten worden opgevangen door het gestructureerde bekabelingsysteem.
Ondanks de beproefde betrouwbaarheid en robuustheid van deze
connectoren in de omgang met toekomstige transmissiesnelheden
moeten ook aspecten als het totale connectorverliesbudget voor
40G/100G en de maximaal toegelaten asymmetrie efficiënt worden
gehandhaafd. Dit om een optimaal parallel optisch systeem te verkrijgen. Om de uitwerkingen van totaal connectorverlies te minimaliseren, ontwikkelen de fabrikanten ingenieuze polijstsystemen
om een maximale precisie en een optimale uitlijning te bereiken,
zodat onder alle mechanische voorwaarden en omgevingsomstandigheden de best mogelijke prestaties kunnen worden geleverd. Echter zonder industrienormen, met verschillende polijstsystemen van
de kabelfabrikanten, resulteert dit in bijvoorbeeld afwijkingen bij de
poolgeometrie.
optische asymmetrie
Alhoewel de taskforce IEEE 802.3ba nog geen norm voor optische
asymmetrie bij 40G/100G-toepassingen heeft vastgelegd (momenteel wordt daarover gepraat, maar er is nog geen definitieve beslissing gevallen), is deze optische asymmetrieverhouding van cruciaal
belang bij de parallelle optische transmissie. Asymmetrie kan worden
gedefinieerd als het verschil in transmissietijd tussen de lichtsignalen
in verschillende vezels. Transmissiefouten in de vorm van latentie
en bitfouten zijn zeer waarschijnlijk als de asymmetrieverhouding te
hoog is, dat wil zeggen als er een aanzienlijk verschil bestaat tussen
de snelste en de langzaamste optische impulsen.
Bij gebrek aan een norm hebben de asymmetriecriteria van 12XQDR Infiniband zich tot referentie voor asymmetrieperformance
voor 40G/100G ontwikkeld. 12X-QDR Infiniband is een protocol voor de parallelle optische transmissie, waarbij twaalf vezels 10G
Roadmap vezeltypen
productbenaming
doorvoercapaciteit (mbps)
lijnsnelheid
(gbaud)†
1GFC
200
1,0625
2GFC
400
2,125
4GFC
800
4,25
8GFC
1600
8,5
16GFC
3200
17
32GFC
6400
34
64GFC
12800
68
128GFC
25600
136
voorstel om4
De Internationale Organisatie voor Normalisatie en de Internationale Commissie voor Elektrotechniek (ISO/IEC) hebben in het kader van een gemeenschappelijke werkgroep (ISO/IEC JTC1 SC25
WG3) vorig jaar een voorstel gedaan voor de normalisering van een
multimode-vezeltype voor hogere bandbreedte. Deze nieuwe vezelcategorie wordt voorlopig OM4 genoemd en dient als basis voor
40G/100G-ethernetoplossingen. De nieuwe prestatiewaarden liggen een aanzienlijk stuk hoger dan bij de actuele OM3: meer dan
verdubbelde bandbreedte, langere nuttige afstand (verhoogde supportafstand) en lagere implementatiekosten (kleiner aantal parallelle
glasvezels).
Op 5 augustus 2009 gaf de TIA Standards
Committee haar goedkeuring aan de specificatie-eisen voor OM4-vezel. OM4 is
een lasergeoptimaliseerde, hoge-bandbreedt11-spec. technisch marktinvoering
te 50 µm multimode-glasvezel. Eisen van de
afgewerkt (jaar)‡ (jaar)‡
OM4-standaard zijn identiek aan die voor
1996
1997
OM3 met uitzondering van de verhoogde
2000
2001
bandbreedte 850 nm-waarden van 4.700
2003
2005
MHz.km voor laser-gebaseerde transmissie
2006
2008
(EMB) en een OFL-bandbreedte van 3.500
2009
2011
MHz.km. De ISO/IEC zal de standaard voor
2012
afhankelijk van de vraag
OM4 waarschijnlijk eind 2009 of begin 2010
2016
afhankelijk van de vraag
ratificeren.
2020
afhankelijk van de vraag
Infiniband data rates
ib speed and feeds
productbenaming
doorvoercapaciteit (mbps)
lijnsnelheid
(gbaud)†
t11-spec. technisch marktinvoeafgewerkt (jaar)‡ ring (jaar)‡
10GFC
2400
10.52
2003
2004
20GFC
4800
21.04
2007
2008
40GFC
9600
42.08
nog te bepalen
afhankelijk van de vraag
4x
10 Gbps
20 Gbps
40 Gbps
80GFC
19200
84.16
nog te bepalen
afhankelijk van de vraag
8x
20 Gbps
40 Gbps
80 Gbps
160GFC
38400
168.32
nog te bepalen
afhankelijk van de vraag
12x
30 Gbps
60 Gbps
120 Gbps
#IB
Lanes
Bandwidth (per lane)
SDR 2,5
Gbps
DDR
5 Gbps
QDR
10 Gbps
|33
Ko e l i n g
Adiabatisch gekoelde ADCO-units
Freonvrij koelen van
datacenters
Ton van Arkel is directeur van VA Climate
een belangrijk deel van het geïnstalleerde vermogen in datacenters wordt noodzakelijkerwijs
gebruikt voor de koeling van servers. de uitdaging is de hoeveelheid energie die nodig is voor
koeling te reduceren. aan de hand van voorbeeldberekeningen wordt ingegaan op de
mogelijkheid met een ventilatie-unit met ingebouwde hoogrendement warmtewisselaar een
serverruimte gedurende een heel jaar voldoende en betrouwbaar te koelen.
De vraag is hoe je de hoeveelheid energie om een severruimte te
koelen kunt reduceren. De eerste stap is via een goede inventarisatie de temperaturen op de computerzalen in kaart te brengen. Uit
de praktijk blijkt namelijk dat veel datacenters stelselmatig worden
overkoeld. Inblaastemperaturen van onder de 16 °C vormen geen
uitzondering. Bovendien treden vaak hoge temperaturen op bovenin
de serverracks.
Door het fysiek scheiden van de aanvoer- en retourlucht kan veel
effectiever worden gekoeld zonder dat de luchtstromen kortsluiten.
Hiermee worden koude en warme gangen gecreëerd. Op deze manier kan de aanvoertemperatuur van de gekoelde proceslucht worden verhoogd naar 24 °C en ontstaan er geen temperatuurverschillen
over de hoogte van de serverracks.
Het vermogen om de serverruimte te koelen is ongeveer gelijk aan
60 – 70 % van het afgenomen vermogen van de apparatuur in de
ruimte. In het verleden is het gebruik van koeling met wisselaars
en buitenlucht al vaker onderzocht. Meer dan eens zijn pogingen
gestrand vanwege onvoldoende zekerheid over de levering van het
benodigde koelvermogen op elk moment van het jaar. Daarbij lag de
oorzaak in een te lage effectiviteit van de warmtewisselaar.
34 |
In de laatste jaren zijn de warmtewisselaars sterk verbeterd. Dan doelen we in het bijzonder op de effectiviteit en de interne lekkage. Inzet
van nieuwe materialen, ontwerpen en productietechnieken liggen
hieraan ten grondslag.
werkingsprincipe
Succesvol inzetten van warmtewisselaars bij de koeling van serverruimten is interessant omdat het geïnstalleerde vermogen hiermee
met ongeveer 60 % kan verminderen. Maar hoe gaat het in z’n
werk?
Er zijn twee luchtstromen: de eerste is de lucht uit de serverruimte
die is opgewarmd door de servers. We noemen deze de proceslucht.
De tweede luchtstroom betreft aangezogen buitenlucht. Beide luchtstromen worden tegelijkertijd door een warmtewisselaar gevoerd.
Waarbij ze in tegengestelde richting door de warmtewisselaar stromen; het zogenoemde tegenstroomkanaalprincipe. Dit principe
waarborgt de noodzakelijke hoge effectiviteit. Zo kan tot meer dan
90 % van de warmte in de proceslucht in de warmtewisselaar worden
overgedragen aan de (koelere) buitenlucht. De twee luchtstromen
blijven volledig van elkaar gescheiden, met andere woorden vermen-
datac e nte rwo r ks
ging gebeurt niet. Bij uitstroom heeft de proceslucht dus meer dan
90 % van zijn warmte afgestaan aan de buitenlucht die weer naar
buiten wordt afgevoerd. De gekoelde proceslucht begint dan weer
aan een nieuwe opwarmingsronde.
Ten tijde van lage buitentemperaturen is het koelen geen probleem.
De proceslucht kan dan gemakkelijk al zijn warmte afstaan aan de
buitenlucht. Dreigt er een ongewenst diepe af koeling van de proceslucht, dan kun je altijd nog de hoeveelheid buitenlucht verlagen
die door de warmtewisselaar stroomt. Het gevolg is een verminderde
overdracht van warmte en een op wens geregelde koelluchttemperatuur.
Meer aandacht vraagt de koeling wanneer de buitentemperatuur
gaandeweg de lente en zomer stijgt! Omdat de temperaturen van
de twee stromen dichter bij elkaar komen te liggen zal de proceslucht minder warmte kunnen afgeven aan de buitenluchtstroom, de
proceslucht zal altijd nog gekoeld de warmtewisselaar verlaten, maar
langzaam meestijgen met de buitentemperatuur.
Warmtewisselaars kunnen nu eenmaal niet meer warmte overdragen
dan hun effectiviteit toelaat. Met andere woorden de temperatuur
van de uitstromende, afgekoelde proceslucht kan nooit lager liggen
dan de intredende buitenluchttemperatuur. En ook kan de temperatuur van de uittredende (opgewarmde) buitenlucht nooit hoger zijn
dan de temperatuur van de intredende proceslucht. Aan de hand van
het temperatuurverschil tussen de twee stromen bij intrede in de
warmtewisselaar en het effectiviteitgetal van de warmtewisselaar is
de temperatuur van de (gekoelde uittredende) proceslucht te herleiden. Er moeten dus maatregelen worden genomen om bij stijgende
buitenluchttemperaturen de proceslucht tot de gewenste temperatuur af te koelen.
In eerste instantie is de effectiviteit van de warmtewisselaar van groot
belang. Hoe hoger de effectiviteit ervan, hoe langer deze gedurende
het jaar voldoende warmte uit de proceslucht kan overdragen aan
de buitenluchtstroom wat leidt tot de gewenste koelluchttemperatuur. Maar als de buitentemperatuur al hoger ligt dan de (gewenste)
koeluchttemperatuur is het einde der mogelijkheden voor de warmtewisselaar bereikt.
adiabatische koeling
VA Climate heeft in haar leveringspakket een ventilatiekast van
Addi-cool waarmee een oplossing is gevonden in de vorm van verdamping van water in de buitenlucht vlak voordat de lucht de warmtewisselaar intreedt. Verdamping vergt energie. Deze energie moet
door iets worden geleverd; in dit geval door de buitenlucht zelf in de
vorm van af koeling van de temperatuur. Het af koelen van de luchttemperatuur via verdampen van water heet adiabatische koeling. Met
het af koelen van de buitenlucht op deze goedkope manier neemt het
temperatuurverschil tussen de beide stromen bij intrede weer toe,
waardoor de proceslucht ten tijde van warme dagen toch weer voldoende diep wordt gekoeld.
1. Schema voor het koelen
van de serverruimte.
Ko e l i n g
De vraag is natuurlijk of het mogelijk is om het hele jaar door gebruik van dit koelprincipe de proceslucht betrouwbaar voldoende
diep te kunnen koelen. Inmiddels is bekend dat het moet komen
van de effectiviteit van de warmtewisselaar en de hoeveelheid vocht
die we ten tijden van warme dagen in de buitenluchtstroom kunnen verdampen. Immers hoe meer vocht we kunnen verdampen, hoe
verder de temperatuur van de buitenlucht daalt en des te hoger het
beschikbare koelvermogen.
Hieronder wordt bij wijze van voorbeeld berekend in hoeverre volgens dit principe de gewenste koelluchttemperatuur in een serverruimte in Amsterdam wordt gehaald. Met andere woorden; hoeveel
uren over een heel jaar gezien wordt de gewenste koellucht wel, en
hoeveel uren niet gehaald.
amsterdams klimaat
In af beelding 2 is het Amsterdamse klimaat weergegeven. Uit een
datafile kan voor elk uur in het jaar een temperatuur en een luchtvochtigheid worden afgelezen, in totaal voor 8.760 uur! Al deze uren
zijn in de af beelding weergegeven met een punt. De weerfiles zijn
files met twaalf maanden uit verschillende jaren. Zo is een representatief jaar ontstaan met extremen. Elke maand is een gemiddelde
advertentie
Energielijsten
Wilt u altijd en overal een
gedetailleerd overzicht van
uw exacte stroomverbruik
in uw serverruimte?

Energiemanagement

Geavanceerde Software

Schakelen per poort
C
roven
OE
al
Qu ity
E&L Solutions bv
Tel. 0598 - 392 000
www.el-solutions.com
[email protected]
P
Bezoek ons op de beurs Elektrotechniek Stand 12.C048
Jaarbeurs Utrecht | 28 september - 2 oktober 2009
2. Het Amsterdamse klimaat.
maand, zo zijn er geen maanden gekozen met extreem lange warme
of koude perioden. Maar door de uurlijkse data zijn er wel extremen.
Het is dus zeer goed mogelijk dat er wel uren voorkomen die nog
‘moeilijker’ zijn dan de in dit document genoemde moeilijke uren;
deze zijn dan wel zeldzaam.
Bij hoge buitentemperaturen zijn de relatieve vochtigheden altijd
laag, dit is gunstig bij het gebruik van het principe van adiabatische
koeling.
Bij adiabatisch koelen verdampt water. Verdampen kost energie en
deze energie wordt geleverd door het dalen van de luchttemperatuur. Extern wordt er geen energie aan de luchtstroom toegevoegd of
onttrokken. De zogenoemde enthalpie (totale hoeveelheid warmte
opgeslagen in lucht en waterdamp) blijft gelijk. Tijdens adiabatisch
koelen volgt de luchtstroom de iso-enthalpielijn (blauwe diagonale
lijn). De absolute hoeveelheid damp en de relatieve vochtigheid nemen toe, terwijl de temperatuur daalt. Het punt (uur in het jaar) met
de hoogste enthalpie is voor het koelen van de ruimte het moeilijkste
uur! In Amsterdam heeft het moeilijkste uur een temperatuur van
28,2 °C en een relatieve vochtigheid (RV) van 66 %.
de koelunit
In het voorbeeld wordt de serverruimte gekoeld door de ADCO5000 van Addi-cool. De units verplaatsen 5.000 m 3 lucht per uur
afvoer
gekoelde lucht
32
24
37,5
60
[m h ]
4912
4783
[m3h-1]
88
86
5685
temperatuur
°C
relatieve vochtigheid
%
flow droge lucht
flow moisture
3 -1
flow droge lucht
[kgh ]
5685
flow moisture
[kgh-1]
63
63
rho
[kgm-3]
1,154
1,186
cp
[Jkg-1K-1]
1016,0
1016,2
koelvermogen
[W]
12981
-1
Tabel 1. Grootheden in het systeem.
datac e nte rwo r ks
per stuk; dit geldt voor de proceslucht uit de serverruimte en voor
de buitenlucht. De buitenlucht wordt eerst adiabatisch gekoeld en
stroomt vervolgens door de warmtewisselaar. Tegelijkertijd doorstroomt de warme proceslucht de wisselaar, die koelt door afgifte
van zijn warmte aan de buitenluchtstroom. De temperatuur van de
proceslucht is 32 °C, de gewenste gekoelde lucht 24 °C (tabel 1).
3. Schema voor het koelen van de
serverruimte met koudebron als back-up.
Het gewenste koelvermogen wordt berekend op 13.000 W ( specifieke warmte-inhoud van lucht = cp• massa stroom van de lucht • het
temperatuurverschil = ΔT). Het resultaat hiervan staat in tabel 2.
effectiviteit
%
181,1
drukval
[PA]
195
maximale koeltemperatuur
°C
22,14
Tabel 2. Resultaat.
Bij een luchtstroom van 5.000 m 3/h mag de temperatuur van de
buitenlucht voor intrede in de wisselaar maximaal 22,14 °C zijn om
de lucht te kunnen koelen van 32 naar 24 °C.
Met de huidige door ADCO 5000-unit duurt het in het Amsterdamse klimaat slechts 15 uur om de lucht voor intrede van de wisselaar
maximaal op 22,14 ˚C te brengen om de lucht te kunnen koelen van 32
naar 24 °C. Onder deze omstandigheden zou de temperatuur 26,1 °C
worden. De vraag is dus hoe de proceslucht toch weer op of onder de
24 °C te brengen.
oplossingen
Een mogelijkheid is om in kritische jaargetiiden een (huur)koelmachine stand-by te houden, eventueel met een noodaggregaat. Een
fraaiere oplossing is om een koudebron te installeren die in geval
van nood de additionele koeling levert (af beelding 3). Ook zou deze
bron kunnen worden gebruikt voor de watervoorziening van de bevochtigingspakketten. Ook wordt verder onderzoek gedaan naar het
verbeteren van de ADCO-unit door bijvoorbeeld aanpassingen van
de wisselaarpakketten en/of het optimaliseren van de bevochtigingspakketten. Bovendien heeft Amsterdam een relatief vochtig klimaat,
door de ligging dicht bij zee. In De Bilt bijvoorbeeld zou in alle uren
adiabatisch kunnen worden gekoeld.
Met de door VA Climate geleverde adiabatisch gekoelde ADCOunits, indien noodzakelijk in combinatie van met een koudebron,
kan een datacenter geheel freonvrij, zonder mechanische koeling en
met minimaal energiegebruik worden gekoeld. Dat is dus zeker geen
utopie.
advertentie
ELM Security System
Electronic Locking & Monitoring
10.-13.
Bewaak uw
geld en data!
afsluiten
beveiligen
bewaken
alarmeren
 Veiligheid door modulaire sluit- en
bewakingssystemen
 Gecontrolleerde toegang
meer informatie
VA Climate ontwerpt en levert klimaatoplossingen voor verschillende toepassingen en is leverancier van ADCO-units van Addicool.
www.vaclimate.nl.
 Bescherming en bewaking
■ Server racks in datacentra
■ Geldautomaten
 Beveiligd automatisch logbestand
■ Bedrijfs computernetwerken
■ Betaalautomaten
 Netwerk geschikt
■ Telecom faciliteiten
■ Ziekenhuizen, banken en
universiteiten
 19“ uitvoering
Contact:
Dhr. van Dijk
Tel.: 0413-323512
[email protected]
www.emka-electronic.com
EMKA Benelux BV
Marconiweg 2 - 5466 AS Veghel
Tel. 0413-323512 - Fax. 0413-310907
www.EMKA.org - [email protected]
Ma n ag e m e nt
George Herber is sales manager performance management van SAS Institute.
virtualisatie zorgt voor een transformatie van it-omgevingen. efficiënte
bronplanning en kostenallocatie helpen om de regie over deze transformatie
te houden.
Slim datacenters beheren
met virtualisatie
Gezonde verhouding tussen fysiek en virtueel
Virtualisatie is populair. Ze biedt mogelijkheden het gebruik en de
performance van toepassingen te verbeteren en kan zorgen voor een
besparing op hardware-investeringen. Van alle vormen van virtualisatie heeft servervirtualisatie de afgelopen jaren de snelste acceptatie
doorgemaakt. De betaalbaarheid van x86-servers heeft geleid tot het
ontstaan van eilandjes van rekencapaciteit en een wildgroei aan servers die niet volledig worden benut. Hierdoor wordt slechts mondjesmaat gebruikgemaakt van x86-serveromgevingen. Servervirtualisatie maakt een einde aan de ‘vastgeroeste’ status van IT-bronnen
door ze in de vorm van virtuele activa op andere locaties beschikbaar
te stellen.
beheervoordelen
Servervirtualisatie biedt voordelen, zoals een efficiënt gebruik van
gedeelde IT-bronnen, uitwijkfunctionaliteit en de mogelijkheid
bronnen te migreren en te consolideren met minimale verstoringen.
Snelle uitbreiding van capaciteit zorgt ervoor dat hoge beschikbaar-
38 |
heid gegarandeerd blijft. Servervirtualisatietechniek biedt bedrijven
daarnaast mogelijkheden hun operationele en kapitaalefficiëntie te
vergroten.
Servervirtualisatie is echter op verschillende manieren van invloed
op IT-organisaties en moet op de juiste manier worden beheerd.
Wanneer een gevirtualiseerde omgeving wordt opgezet, is het
belangrijk de volgende twee vragen te stellen.
• Hoe ga ik mijn bronnen plannen, beheren en inzetten?
• Hoe kom ik tot een rechtvaardige doorbelasting van de kosten aan
de businessunits?
voorspellen resultaten en behoeften
Naarmate de acceptatie van virtualisatietechniek toeneemt, groeit
de vraag naar IT-bronnen, prestatiebewaking en capaciteitsplanning.
Zoals met alle hoogwaardige toepassingen moet de IT-organisatie
zich concentreren op verbetering van de serviceniveaus, de resultaten,
financiële status en of het systeem conform wet- en regelgeving is.
Om dergelijke gedetailleerde informatie te bewaken is een systeem,
zoals SAS IT Intelligence, nodig dat in staat is behoeften en resultaten
te voorspellen, zodat snel wijzigingen kunnen worden aangebracht in
service level agreements (SLA’s) en kostenmodellen.
Hoe komen organisaties tot een snelle, beheerbare en logische methode om fysieke IT-bronnen te virtualiseren en met serverconsolidatie aan de slag te gaan? Hiervoor moeten de volgende stappen
worden genomen:
• consolideer en analyseer de beschikbare gegevens uit verschillende
IT-infrastructuurbronnen om inzicht te krijgen in het gebruik, de
beschikbaarheid en prestatie van IT-bronnen;
• maak gebruik van analytische methoden die een optimale toewijzing van virtuele bronnen en een optimale migratie van fysieke
servers naar virtuele servers mogelijk maken;
datac e nte rwo r ks
• g a aan de slag met bronoptimalisatie om de haalbaarheid van initiatieven in beeld te brengen en inzicht te bieden in groeiscenario’s.
Wanneer een organisatie over een krachtige basis beschikt die gefundeerde beslissingen mogelijk maakt, kunnen IT-bronnen proactief worden toegekend. Dit gebeurt op basis van operationele ITdoelstellingen voor serverconsolidatie en workload-balancing. Ook
wordt een wildgroei aan onderbenutte hardware voorkomen. En
door een centraal overzicht van de IT-metrics te koppelen aan zakelijke maatstaven, zoals groeiratio en bedrijfsprocessen, worden beslissingen beter onderbouwd. Vooruitstrevende IT-organisaties voegen
tijdens het maken van beslissingen over de toewijzing van bronnen
en toekomstige aankopen, duurzame IT-doelstellingen, zoals een reductie van de CO2-uitstoot, het stroomverbruik en de koelingkosten,
aan deze mix toe.
Het is belangrijk dat modellen voor bronoptimalisatie in staat zijn
de behoefte aan zowel fysieke als virtuele IT-bronnen te analyseren.
Op deze manier wordt nagegaan of er te veel of juist te weinig in de
capaciteitsbehoeften wordt voorzien. En op welke manier de capaciteit opnieuw moet worden ingericht in het geval van een storing of
calamiteit. Het gebruik van modellerings- en prognosefunctionaliteit
kan een nieuw licht werpen op de invloed van zakelijke groei op
infrastructuurcomponenten. Hierdoor kunnen bedrijven een herinrichting van capaciteit, SLA’s en licentieovereenkomsten inplannen.
Door voor een gezonde verhouding te zorgen tussen het aantal virtuele machines en fysieke serverhosts worden excessieve toewijzing van
infrastructuurbronnen en een wildgroei aan virtuele voorzieningen
voorkomen. Een grondige evaluatie van de servers en toepassingen
die in aanmerking komen voor virtualisatie, helpt de operationele
flexibiliteit, kostenefficiëntie en het hardwaregebruik te verbeteren.
Het type toepassing, de prestatie en beschikbaarheid van toepassingen
en het licentiebeheer zijn factoren waar in dit verband onder meer
rekening mee moet worden gehouden.
Het is belangrijk van een systeem gebruik te maken dat is uitgerust
met een formeel mechanisme om kosten door te berekenen, zoals
SAS IT Intelligence. De belangrijkste reden hiervoor is dat de meeste
IT-bronnen inmiddels de vorm hebben van gedeelde services. Bovendien moet de functionaliteit voor het doorberekenen van de ITkosten ondersteuning bieden aan een reeks accountingmethodieken
die de flexibiliteit bieden om organisaties zowel nu als in de toekomst
in hun behoeften te voorzien.
kansen
Inzicht in het gebruik, de beschikbaarheid en prestaties van IT-bronnen geven IT-managers de mogelijkheid de waarde van hun initiatieven aan te tonen bij het management. Door kosten toe te wijzen
en door te berekenen worden kansen op het gebied van kostenbesparingen, transparantie en procesverbetering geïdentificeerd, zonder
nadelige gevolgen voor serviceniveaus en prestaties.
Virtualisatie is slechts één van de manieren waarop IT-organisaties
kunnen inspringen op de toekomstige wensen en behoeften van de
business. Het is belangrijk dat de groei van de (al dan niet virtuele)
IT-infrastructuur een neerslag vormt van de bedrijfscycli en groeiscenario’s, zodat de IT-organisatie en business elkaar begrijpen en
aanvullen.
advertentie
doorberekenen kosten
Er zijn steeds meer fysieke servers in omloop die door toepassingen
en businessunits worden gedeeld. De IT-organisatie moet daarom
een rationele methode ontwikkelen om het bronverbruik in kaart
te brengen en om kosten toe te wijzen en door te berekenen aan
de businessunits die hiervan gebruikmaken. Servervirtualisatie verbetert de beschikbaarheid van toepassingen. Deze beschikbaarheid
zorgt ervoor dat het gebruik en/of de toekomstige vraag toenemen.
In dit scenario is het voor de IT-organisatie van belang kosten door
te berekenen. Dit biedt namelijk de mogelijkheid workloads naar prioriteit in te delen voor virtualisatie. Door te zorgen voor krachtige
processen op het gebied van budgettering en financieel beheer kan
het IT-gebruik door de verschillende businessunits rechtstreeks met
de kosten in verband worden gebracht.
brengt ideeën tot leven
Deerns Green Data Center bespaart
80% op koelingskosten
Het Green Cooling Data Center Design (GC-DC ©)
Voordelen: beproefde technieken, 80% reductie op
koelkosten, lagere investering en volledig gefaseerd met
energievraag tijdens gebruiksfase, geen watervoerende
leidingen in het datacenter, lagere onderhoudskosten en
eenvoudiger beheer.
www.deerns.com/datacenters
IT Ro om I n f ra
Gerbert-Jan Meijerink, namens IT Room Infra
Uitdagingen
in veiligheid en continuïteit
ontwikkelingsbedrijf rotterdam (obr) is een orgaan van de havenstad dat initia­
tieven ontplooit die gericht zijn op de ontwikkeling van de gemeentelijke infrastructuur. een recente actie van de obr is de lancering van rotterdam internet
exchange (r-ix), gehuisvest op een aantal locaties die onder meer fungeren als
marktplaats tussen vragers en aanbieders van breedband- en internetdiensten.
De installatie van het datacentrum in één van de locaties is onderhevig aan vier uitdagingen waarvoor een oplossing moet worden gevonden.
1.De warme lucht van de ene kast met apparatuur kan terecht komen in de andere kast. Dit belemmert de noodzakelijke inlaat van
koude lucht.
2.De enorme hoeveelheid digitale spaghetti moet worden ondergebracht in een efficiënt stelsel van kabelgoten, waarbij onderscheid
moet worden gemaakt tussen de UTP-bekabeling en de glasvezels.
3.De ruimte van het datacentrum is reeds voorzien van brandbeveiliging. Fysieke beveiliging van de ruimte is echter ook noodzakelijk, gezien de consequenties van sabotage voor het systeem en de
enorme omvang van de hoeveelheid essentiële en vertrouwelijke
data.
4. De installatie van de benodigde airconditioning stuit op problemen door de ondergrondse locatie; er is geen directe verbinding
met de buitenlucht.
40 |
Een lid van IT Room Infra, Mulder-Hardenberg, is betrokken bij
deze locatie en haar problematiek. In samenspraak met OBR is gekozen voor een opstelling van kasten in meerdere rijen, waardoor aan
weerszijden gangen ontstaan. Bij de warme gangen staan de achterzijden van de apparaten, waaruit de warme lucht komt, naar elkaar toe
gericht. In de koude gangen staan de voorzijden, waar de inlaat van
de koude lucht gebeurt, tegenover elkaar.
Mulder-Hardenberg voorziet in een stelsel van glasvezelgoten zonder
risico op beschadiging of uitval. De kritieke punten bij de toepassing
van glasvezel zijn de bochten en de ‘break-outs’. De hulpstukken garanderen te allen tijde de juiste buigstraal, waardoor uitval en onderbreking worden voorkomen. Het gekozen gootsysteem voorziet in
een groot aantal hulpstukken die het in een later stadium eenvoudig
maken een mutatie toe te passen, zoals een ‘break-out’.
Voor de bewaking van het datacentrum wordt gekozen voor een camerasysteem, waarvan de beelden lokaal worden opgeslagen.
De oplossing voor de airco is installatie van units in een aangrenzende
ruimte, die zich bevindt onder de roltrappen van het metrostation.
Nader onderzoek wijst uit dat er openingen in de ondergrondse locatie zitten. Door de ingenieuze opstelling van de kasten wordt de
luchtuitlaat van de installatie in de warme gang verzameld en afgevoerd. De koude gang garandeert een onbelemmerde instroom van
koude lucht aan de voorzijde van de apparatuur.
De multidisciplinaire oplossingen beperken het risico van uitval tot
een minimum. Het specifieke punt van fysieke ondersteuning is een
specialisme van Mulder-Hardenberg, die tevens wordt gepresenteerd
op het IT Room Infra event (http://www.fhi.nl/itroom) op donderdag 5 november in het Evoluon in Eindhoven.
E n e rg i evo o rz i e n i n g
datac e nte rwo r ks
BIT pioniert met Schleifenbauers Definilink
“Complete powerbar
vervangen is onacceptabel”
de zakelijke internetservice bit opende begin september in ede zijn derde
datacenter. ‘bit-2bcd’ is de uitbreiding op bit-2a, dat in 2006 werd gerealiseerd,
en biedt 1200 m2 extra capaciteit. “in de afgelopen drie jaar hebben we weer een
hoop geleerd over hoe je een datacenter bouwt en inricht”, stelt bit-engineer
mark schouten. een van die leerpunten heeft betrekking op de
stroomvoorziening in de racks.
“De powerbars in BIT-2A, gecombineerd met een automatic transferswitch en een tweetal Schleifenbauers, functioneren prima”, vertelt
Mark Schouten, bij BIT Unix/NOC-engineer. “Maar als de wens bestaat voor 32 A in een rack, gaat de stroomconfiguratie wel veel ruimte
kosten. Dat kon dus handiger.”
BIT is toen in contact getreden met Schleifenbauer om het probleem
te tackelen. “Ze kwamen met een mooie 32 A-ready powerbar. Het apparaat had 27 C13- (tot 10 A) en 3 C19-aansluitingen (tot 16 A). Daar
kwam bij dat de kWh-meters, die nu nog 1,5 HE per stuk innemen,
in de powerbar zaten. We gingen dus van 18 aansluitingen naar 27 en
we hielden ook nog 3 HE extra over in het rack. Toch was er iets mis.
Als de kWh-meter ooit defect zou raken zou de complete powerbar
moeten worden vervangen. Dat zou voor veel overlast kunnen zorgen
en was dus niet acceptabel”, zegt Schouten.
definilink
Nadat BIT met het idee kwam de kWh-meter als module in de powerbar te zetten heeft Schleifenbauer in hoog tempo een nieuw systeem
ontwikkeld dat ze Definilink hebben gedoopt. “De kWh-meter is niet
zo zeer een module in de powerbar, maar wel naast de powerbar”,
legt Schouten uit. “Door een vijfpolige Wieland-connector is de kWhmeter verbonden met de powerbar. Doordat de spoelen die nodig zijn
voor de metingen, gewoon in de powerbar zitten en de aansluiting
slechts wordt verlengd, kunnen er betrouwbare metingen worden verricht, maar zal een defecte kWh-meter niet voor downtime zorgen.”
“BIT is de eerste partij die gebruikmaakt van dit nieuwe systeem, en
daar zijn we best een beetje trots op”, vervolgt Schouten. “Zeker omdat
het idee bij een van onze medewerkers vandaan kwam.”
Hans Vandam is freelance journalist
stroomopties
BIT heeft in het nieuwe datacenter de volgende stroomopties opgezet
voor hele racks:
• 32 A redundant. Hierbij krijgt de klant op elke feed (A+B) 27 aansluitingen in het rack. Er is geen voorziening voor machines met
enkele voedingen.
• 16 A redundant inclusief 16 A ATS. Hierbij wordt een ATS voor de
beide powerbars geplaatst. Op een van de twee powerbars zit zowel
A als B. De ATS zorgt voor een overschakeling tussen de twee feeds
als dat nodig is. Op de tweede powerbar zit alleen feed B, deze powerbar kan worden gebruikt voor machines met een dubbele voeding.
• 32 A redundant inclusief 32 A STS. Hierbij wordt een STS voor de
beide powerbars geplaatst. Het resultaat is dat op een van de twee
powerbars zowel de A als de B zit, de STS zorgt voor een overschakeling tussen de twee feeds als dat nodig is. Op de tweede powerbar
zit alleen feed B, deze powerbar kan worden gebruikt voor machines
met een dubbele voeding.
• 32 A redundant inclusief 16 A ATS. Hierbij krijgt de klant op elke
feed 27 aansluitingen in het rack. Er wordt een extra horizontale powerbar geplaatst, die aangesloten is op een 16 A ATS. Als de meeste
servers dubbele voedingen hebben, kunnen die op de beide feeds
worden aangesloten.Voor machines met enkele voeding zijn er negen aansluitingen beschikbaar die door een ATS zijn beschermd.
|41
p ro d u c tn i e uws
Rittal voegt stroommeting toe aan PSM
Rittal breidt haar PSM-assortiment (power
system module) uit met een meting van het
stroomverbruik van losse servers en randapparatuur. Hiermee kan overbelasting van
IT-hardware door een verbruiker worden
voorkomen.
De nieuwe insteekmodules voor PMS meten het stroomverbruik per contactdoos, en
kan het verbruik van aangesloten apparatuur
aantonen met drie kleuren led’s. Ook het
totale stroomverbruik in de module wordt
met een led weergegeven. Hierbij maakt het
systeem gebruik van de kleuren groen, geel
en rood. Een groene indicatie geeft aan dat
nieuwe apparatuur probleemloos kan wor-
netapp helpt bij opzetten cloud
NetApp brengt Data Ontap 8 en een aantal nieuwe technieken
en oplossingen op de markt waarmee een cloudinfrastructuur kan
worden opgezet. Klanten van het bedrijf moeten hierdoor in staat
zijn hun datacenter aan te passen en over te stappen op een ‘IT as
a Service’-model. Data Ontap wordt vaak gebruikt als basis voor
cloudinfrastructuren. Met Data Ontap 8 geeft NetApp haar klanten
meer mogelijkheden voor gevirtualiseerde omgevingen en omgevingen met een gedeelde infrastructuur. Ook is de integratie met
systemen voor datacenterorchestratie en -management verbeterd.
Behalve Data Ontap 8 zijn ook een aantal andere technieken en oplossingen geïntroduceerd, zoals NetApp Data motion, een techniek
waarmee data wordt verplaatst tussen storagesystemen, zonder dat
applicaties hier hinder van ondervinden. Andere oplossingen zijn
Performance acceleration module II, NetApp dynamic datacenter
solution en NetApp fast-start customer workshop.
Meer informatie: www.netapp.com
e&t distribueert leviton
Electronics & Telematics uit Rijswijk heeft voor de Benelux een
exclusieve distributieovereenkomst gesloten met de Amerikaanse
bekabelaar Leviton. Leviton is volgens E&T in de Verenigde Staten een van de grootste leveranciers op het gebied van bekabelingsystemen. Het assortiment omvat een zeer uitgebreid pakket aan
systemen en componenten, waarmee categorie 5e, 6 en 6A (zowel
onbe- als afgeschermd) en ook glasvezel en draadloze netwerken
kunnen worden aangelegd. Leviton richt zich onder andere op de
‘connected homes’ en op datacenters.
Meer informatie: www.etconnect.biz
42 |
den aangesloten. Bij een gele indicatie moet
het stroomverbruik van de aan te sluiten apparatuur worden nagekeken, en rood geeft
overbelasting aan. De gemeten waarden
kunnen door de combinatie met het sensornetwerk Computer multi-control top-concept online worden opgevraagd.
De modules zijn verkrijgbaar met zes of
acht steekplaatsen. Deze zijn afzonderlijk of
via het netwerk schakelbaar. Bij racks van
2000 mm hoog kunnen maximaal drie
modules in een PMS-rail worden geplaatst,
bij racks van 1.200 mm hoog ligt dit aantal
op twee.
Meer informatie: www.rittal.nl
cpi optimaliseert
kast voor
Juniper-switches
Chatsworth Products (CPI) kondigt een N-series Teraframe network
cabinet aan die speciaal is ontworpen voor de EX8200 ethernet-switches van Juniper Networks. De voor Juniper geoptimaliseerde kast
biedt extra ruimte voor een betere afvoer van warme lucht. De Nseries Teraframe is speciaal ontworpen voor switches die hun warme
lucht aan de zijkant uitstoten. De kast beschikt over een ingebouwde
‘network switch exhaust duct’
die de warme lucht aan de zijkant oppikt en op de juiste manier afvoert.
Speciaal voor de Juniper-apparatuur heeft CPI de kast nu
ruim 5 cm breder gemaakt,
waardoor de zijkant van de switches en de duct beter op elkaar
aansluiten. De kast biedt plaats
aan drie EX8208-switches met
acht sleuven of aan twee 16-slot
EX8216-switches.
Meer informatie:
www.chatsworth.com
datac e nte rwo r ks
DTR helpt
bij ontwerp
en bouw
datacenter
Digital Realty Trust (DRT) heeft een pakket diensten aangekondigd
om datacenters te ontwerpen en bouwen. DRT bouwt, beheert en
ontwikkelt datacenters en heeft zo’n 1,2 miljoen m 2 aan datacenterruimte in eigendom. Met de POD-architectureservices, zoals het
nieuwe dienstenpakket is gedoopt, stelt DRT haar kennis beschikbaar aan klanten die toch liever zelf een datacenter bouwen en exploiteren.
De nieuwe activiteit wordt geleid door Michael Manos die tot vier
maanden geleden verantwoordelijk was voor de Datacenter services
van Microsoft. “De diensten vullen het gat op tussen helemaal zelf
doen en leasen van ruimte van een aanbieder, zoals Digital Realty
Trust”, zegt Manos. “Veel bedrijven willen hun datacenter in eigen
beheer hebben, maar beschikken niet over de vaardigheden en ervaring een complex project, zoals de bouw van een datacenter, succesvol af te ronden.”
Meer informatie: www.digitalrealtytrust.com
apc introduceert
MGE galaxy
3500 ups
APC introduceert met de MGE galaxy 3500 een
krachtige 3-fasennoodstroomvoorziening (ups).
De MGE galaxy 3500 is van compact formaat en
voorzien van een robuuste behuizing. De ups kan
worden gebruikt voor allerlei toepassingen in het
10 – 40 kVA-segment, en is geschikt voor kleinere
datacenters tot veeleisende industriële omgevingen.
De MGE galaxy 3500 maakt gebruik van hotswappable batterijen, zodat deze kunnen worden
gewisseld zonder dat de ups hoeft te worden uitgeschakeld. Hiermee kan de downtime van de ups
worden verminderd. De MGE galaxy 3500 maakt
gebruik van dubbele online conversie, waardoor de overgang tussen gewone en noodstroom
niet merkbaar is in tijd of kwaliteit. Door de ups
parallel te schakelen (maximaal vier stuks) wordt
de capaciteit vergroot en kan de stroombeveiliging
redundant worden uitgevoerd.
Meer informatie: www.apcc.com
advertentie
Perfecte oplossingen voor databekabeling.
RapidNet is een eenvoudig en flexibel plug-and-play concept
voor databekabeling. Het systeem is pre-terminated, pre-tested
and pre-labelled. Termination on site is niet meer aan de orde,
dit bespaart kostbare tijd en reduceert risico‘s drastisch.
De ideale end-to-end oplossing voor onder ander datacenters,
communicatieruimten en tijdelijke netwerken.
www.HellermannTyton.nl/rapidnet
HellermannTyton.nl/rapidnet
|43
p ro d u c tn i e uws
nieuwe z-max patchkabels van
siemon
Als onderdeel van het nieuwe Z-max-systeem heeft netwerkbekabe­
laar Siemon nu ook de nieuwe serie categorie 6A-patchkabels op de
markt gebracht. De Z-max-patchkabels zijn uitgerust met de RJ45 smart-plugconnector die een nauwkeurig afgestelde printplaat
(PCB) bevat.
De smart plug maakt gebruik van de Zero-cross-techniek die de problemen moet voorkomen, die gesplitste en gekruiste paren met zich
meebrengen. Met de nieuwe Z-max smart plug worden aderparen
niet langer over de hele lengte van de connector uit elkaar gedraaid.
In plaats daarvan worden de aders getwist afgemonteerd op de IDCcontacten achter op de plug, zodat de aders tot aan het contactpunt
gedraaid blijven. De circuits op de printplaat verbinden de achterste
contacten met de voorste. De voorste contacten worden al bij de
vervaardiging in de PCB aangebracht, wat de verschillen in hoogte
voorkomt die je vaak ziet bij aders die met de tang zijn afgemonteerd
in een traditionele RJ-45-insteekplug.
De Z-max-categorie 6A-kabels zijn (backwards) compatibel met elke
huidige standaard van de RJ-45-outlet, zijn verkrijgbaar in zowel
de double-ended stranded variant als in de single- en double-ended
solidversie, en dat zowel voor UTP- als shielded configuraties. De
stranded UTP-patchkabels beschikken over een dubbel omhulsel,
wat leidt tot uitstekende prestaties op het gebied van alien crosstalk
en een verbeterde buigradius en flexibiliteit. De stranded shielded
patchkabels gebruiken een stranded kabel voor een optimale gegevensoverdracht en ruisonderdrukking.
Meer informatie: www.siemon.com
advertentie
Rosbayerweg 43
1521 RW Wormerveer
T +31(0)75 - 628 48 58
F +31(0)75 - 640 47 71
www.tdsystems.nl
[email protected]
BICSI
datac e nte rwo r ks
datac e nte
rwo r ks
Bicsi stimuleert
milieuvriendelijk bouwen
Eind september organiseert Bicsi een speciaal datacenterseminar in het PSV-stadion in
Eindhoven. Een korte introductie van het programma van deze Bicsi Benelux Day en nieuws over
Bicsi’s samenwerking met de U.S. Green Building Council, om milieuvriendelijke installaties te
stimuleren. Ter afsluiting een update van de bijna officiële 802.11n Wlan-standaard voor
draadloos netwerken.
Peter Gloudemans is directeur/eigenaar van AddIT Benelux en nauw betrokken bij de ontwikkelingen van Bicsi.
Bicsi Benelux Day en andere conferenties
In samenwerking met Cisco en Corning Cable Systems organiseert
Bicsi op 29 september een speciaal datacenterseminar in het PSVstation in Eindhoven. De belangrijkste agendapunten van die dag
zijn: ‘Corning clear curve fiber, bending is not an issue anymore’;
‘Edge, the invention for extreme densities’; ‘Next generation data
center design’ en ‘Ontwerpbegeleiding datacenter’.
Meer informatie hierover is te vinden op:
http://events.bicsi-europe.org
Verder staan dit najaar en begin volgend jaar nog de volgende
Bicsi-conferenties op het programma:
27-28 oktober, 2009 Bicsi South Africa Conference;
17-18 November, 2009 Bicsi Saudi Arabia Conference;
17-21 Januari, 2010 Bicsi Winter Conference in Orlando, Florida.
Leed-certificering
Bicsi is sinds begin 2008 in gesprek met de U.S. Green Building
Council (USGBC) om het ontwerpen en bouwen van milieuvriendelijke gebouwen en installaties zoveel mogelijk te stimuleren. Als
onderdeel daarvan hebben beide organisaties de onafhankelijke.
’Green Building Technology Alliance’. opgericht. Een belangrijk
doel van die organisatie is alle technieken in de IP-infrastructuur
te onderzoeken op mogelijke ‘credits’ om projecten in aanmerking
te laten komen voor de Leed-certificering. Leed staat voor Leadership in energy and environmental design, een internationaal erkend
waarderingssysteem voor ‘groen bouwen’. Wereldwijd zijn er al ruim
17.500 projecten ‘Leed registered’.
Inmiddels werkt Bicsi ook actief mee aan de oprichting van een EU
Green Building Technology Council en er is afgesproken dat de betrokkenheid van een RCDD bij het ontwerpen van de ict-installaties
punten oplevert voor Leed-certificering. Verder is Joop Ierschot,
senior ict-consultant van Deerns Consulting Engineers en tevens
Bicsi Benelux Country Chair, ook in ons land betrokken bij de Dutch
Green Building Council (DGBC) initiatief. Zij gaan het ontwerp
van gebouwen en alle technische installaties toetsen op basis van het
Engelse Breeam, waarvoor Ierschot met een vergelijkbaar puntensysteem het kennis en ervaringsniveau van RCDD’s wil laten waarderen.
Meer informatie over de Leed- en Breeam-certificeringen en Bicsi’s
betrokkenheid daarbij is te verkrijgen via: [email protected].
802.11n Wlan-standaard
Door de vergaande mate van flexibiliteit is het gebruik van draadloze
netwerken de laatste jaren sterk toegenomen, zowel in het bedrijfsleven als binnen het onderwijs en de zorgsector. In juli kwam Matthew Gast, voorzitter van de 802.11n-werkgroep en chief strategist
van Trapeze Networks, een Belden bedrijf, met het bericht dat deze
nieuwe standaard voor draadloze netwerken dit najaar officieel wordt
goedgekeurd. Organisaties die via een draadloos netwerk overal willen kunnen werken, hebben de keuze uit 802.11 a/b/g- of 802.11napparatuur. De 802.11g-apparatuur heeft een brutosnelheid van
54 Mbps, terwijl 802.11n tot maximaal zo’n 600 Mbps gaat. Met
die veel hogere verwerkingssnelheid en recent gepatenteerde beveiligingsverbeteringen, wordt Wifi
veel beter geschikt voor spraak en video en dus een
serieuze concurrent voor bekabeling. Op http://
www.box.net/shared/static/pajo1aztzl.wmv staat
een video van Matthew Gast over de laatste ontwikkelingen op draadloos netwerkgebied.
Bicsi Benelux Country
Chair Joop Ierschot.
|45
co lum n
koudwatervrees
voor een warm datacenter
De noodzaak voor een efficiënter datacenter is al vaak besproken en wordt door de huidige
economische situatie nogmaals onderstreept. Ondanks deze druk is er een grote terughoudendheid bij eigenaars en beheerders van Nederlandse datacenters om te kiezen voor de eenvoudigste en snelste manier om energie te sparen, namelijk door de thermostaat een paar graden hoger
te zetten (niet te verwarren met het kantoor ernaast, daar moet hij juist een graadje lager). In
veel datacenters zien wij nog steeds een temperatuur van rond de 20 °C, terwijl verhoging van
deze temperatuur directe energiebesparingen levert tegen nul investeringskosten.
Soms is een calamiteit behulpzaam bij het forceren van een gedragsverandering. Een dergelijke
calamiteit trof ons in de zomer van 2008. Mansystems, Europees service & governance managementspecialist, heeft een computerruimte, zoals die vaak wordt gezien in kleine en middelgrote ondernemingen, namelijk een inpandige ruimte gekoeld door een gewone ‘splitunit’airconditioner. Het was deze airconditioner die midden in de zomer de geest gaf en reparatie
bleek een langdurige aangelegenheid. Omdat het werk doorgaat, moesten ook onze servers
gewoon doordraaien. Met wat noodmaatregelen konden we de temperatuur stabiliseren rond
de 30 °C (inlaat op de servers) tot na drie weken de koeling weer functioneerde.
Er is de laatste jaren veel veranderd. In het verleden dicteerden apparatuurspecificaties inderdaad om een temperatuur van 20 – 21 °C aan te houden in een datacenter. Wie nu de specificaties van servers en disksystemen opvraagt, ziet echter al gauw dat inlaattemperaturen van
ruim boven de 30 °C zijn toegestaan. Momenteel hebben we bij Mansystems niet alleen het
nieuwste van het nieuwste in ons serverpark, maar sinds de zomer van 2008 hebben we de
temperatuur toch naar 24 °C opgeschroefd. Het resultaat op de energierekening van ons gehele
kantoorpand is op zijn minst verbluffend te noemen. Per direct zakte ons energiegebruik met
4.000 kWh per kwartaal, zo’n 15 % van ons totale energiegebruik. Ook de angst dat drie weken op 30 °C schade zou opleveren aan de servers en disks bleek ongegrond. Er was geen uitval
tijdens deze periode en nu, een jaar na dato, kunnen we concluderen dat er ook geen langetermijneffecten waarneembaar
zijn.
Wacht u nu niet op die kapotte
airco, maar verhoog de temperatuur in uw serverruimte de
komende maanden met 1 °C per
maand en noteer maandelijks
uw meterstanden. Het besparingspotentieel van een dergelijke actie over heel Nederland
schat ik op 100 miljoen euro per
jaar. Mocht u uw ervaringen (of
een percentage van de besparing) willen delen, neem dan
gerust contact met mij op.
Colofon
datac e nte rwo r ks is hét vakblad
over de technische infrastruc­tuur van
datacenters.
jaargang 2, september 2009, nummer 6
datacenterworks verschijnt negenmaal
per jaar. toezending geschiedt op abonne­
ment­basis en controlled circulation.
u itg e v e r robbert hoeffnagel
[email protected]
H o o f d r e dacti e
ferry waterkamp [email protected]
e i n d r e dacte u r m. rubel
p o sta d r e s r e dacti e
postbus 82, 2460 ab ter aar
te l e f o o n 079 341 66 32
e - m a i l [email protected]
a dv e rte nti e - e xp lo itati e
bureau van vliet bv, ruud van viersen
postbus 20, 2040 aa zandvoort
te l e f o o n 023 571 47 45
e m a i l [email protected]
i n d it n u m m e r b i j d r ag e n va n
ton van Arkel, henk groenendijk, harry
forbes, peter gloudemans, dirk harryvan,
huib van der heijden, george herber, wouter
hoeffnagel, guillermo idáñez, andy ingram,
gerbert-jan meijerink, teus molenaar,
keith sulivan, hans vandam, ferry
waterkamp, jan wiersma
vo r m g e v i n g laura willemsen
gra sch ontwerp
druk
jb&a, gra sche communicatie, rotterdam
kopij kan worden ingezonden in overleg met de redactie. geplaatste artikelen
vertegenwoordigen niet noodzakelijk de mening van de redactie. de redactie
noch de uitgever aanvaarden enige aansprakelijkheid voor de inhoud van
artikelen van derden, ingezonden mededelingen, advertenties en de juistheid van
genoemde data en prijzen.
fotokopie en overname van artikelen, geheel of gedeeltelijk op welke wijze dan
ook, is uitsluitend toegestaan na schriftelijke toestemming van de redactie en
Dirk Harryvan is chief
information officer van
Mansystems, www.mansystems.nl
onder vermelding van: ‘overgenomen uit datacenterworks, vakblad over de
technische infrastructuur van datacenters’, met vermelding van de jaargang en
het nummer.
datacenterworks is een uitgave van fenceworks bv
46 |
datac e nte rwo r ks
What’s the available
capacity of your data
centre today, tomorrow
or in six months?
AMIE could tell you, right now.
There’s control.
Then there’s Avocent control.
Avocent MergePoint Infrastructure Explorer (AMIE),
the latest data centre solution from Avocent, gives you
a graphical view of your data centre in a rich ‘single pane
of glass’ format, enabling you to understand, plan and
manage your data centre from any location, in minutes.
To see what you can achieve with Avocent control,
visit www.avocent.com/amie or call +31 (0) 6 23 382 850
U kunt nu ook via de snelweg
naar virtualisatie.
1
Principes van High Densitycompatibele InfraStruxurearchitectuur...
3
1 Racks die HD-compatibel zijn
2 PDU’s met ampèragemeting
op rackniveau
3 Temperatuurcontrole in de racks
7
4 Centrale Monitoringssoftware
6
(niet weergegeven)
5 Bedieningssoftware met voorspellend
capaciteitsbeheer (niet weergegeven)
2
6 Efficiënte InRow-koeltechnologie
7 UPS-stroomvoorziening die flexibel en
schaalbaar is
Virtualisatie is de toekomst.
En dat zal niemand verbazen – het bespaart ruimte en energie en optimaliseert uw IT-middelen. Maar een compacte
oplossing kan een dure oplossing zijn. Gevirtualiseerde servers stellen, zelfs bij een capaciteit van 50%, speciale
eisen aan koeling, ongeacht hun grootte of locatie.
1. Warmte
Serverconsolidatie brengt hogere dichtheden, en dus hogere temperaturen, per rack met zich mee,
met het risico van uitvaltijd en storingen.
2. Inefficiëntie
U kunt nu al High Density-racks implementeren...
Implementeer InfraStruxure als de basis van uw
gehele datacenter of serverruimte, of als concept
in een bestaand datacenter.
Randkoeling bereikt de warmte diep in de racks niet. En koeling van bovenaf is kostbaar en
niet effectief.
3. Stroomincidenten
Virtuele belastingen veranderen steeds, zodat het moeilijk is de beschikbare stroom
en koeling te voorspellen, hetgeen een risico inhoudt voor uw netwerk.
Virtualisatie met de juiste grootte.
De nieuwe HD-compatibele InfraStruxure-architectuur zorgt ervoor dat u geen problemen hebt met hoge dichtheid
door de gevirtualiseerde high-density rij te koelen, de stroomvoorziening op rackniveau te besturen en het
systeem te beheren met geavanceerde software en simulatie. Hoewel virtualisatie energie bespaart, speelt de
efficiëntie van stroomvoorziening, koeling en servers ten opzichte van elkaar tevens een rol voor echte efficiëntie.
Door de juiste grootte te kiezen voor één van deze aspecten en niet voor de andere (zie figuur 1) laat u mogelijke
efficiëntiebesparingen onbenut. Vertrouw op het efficiënte, modulaire en HD-compatibele InfraStruxure om de juiste
grootte te kiezen en neutraliseer de warmte bij de bron. Apparatuur is veiliger en efficiënter, wanneer deze dichter bij
100% capaciteit wordt uitgevoerd.
SCHEMALEGENDA:
CRAC-EENHEDEN
RACKS MET STANDAARD DICHTHEID
CENTRALE UPS
HD-COMPATIBELE INFRASTRUXURE-ZONES
Figuur 1
Efficiëntie en virtualisatie
Uw servers zijn efficiënt, maar kunt u dat
ook zeggen van uw stroomvoorziening en
koeling?
Vóór servervirtualisatie
Maak het uzelf gemakkelijk en virtualiseer.
Juiste serverbenutting
Waar wacht u nog op? Met het HD-compatibele InfraStruxure kan iedereen virtualiseren… wanneer en waar dan ook.
Juiste hoeveelheid koeling
GEBRUIK/CAPACITEIT
KOELING
SERVERS
GEBRUIK/CAPACITEIT
STROOMVOORZIENING
Aanzienlijke verbeteringen zijn mogelijk met zowel
de server als de stroomvoorziening en koeling.
29
%
Juiste hoeveelheid stroom
Na servervirtualisatie
Efficiëntie
Overmatige hoeveelheid stroom en koeling doet
potentiële verbeteringen door virtualisatie teniet.
Juiste serverbenutting
Juiste hoeveelheid stroom
Juiste hoeveelheid koeling
Producten van de volgende bedrijven zijn getest en functioneren het beste met oplossingen van InfraStruxure.
ALLIANCE
PARTNER
16
%
Efficiëntie
Servervirtualisatie met stroom en koeling
De juiste hoeveelheid stroom en koeling laten de balans weer in uw voordeel doorslaan.
Juiste serverbenutting
Juiste hoeveelheid stroom
Juiste hoeveelheid koeling
63
%
Efficiëntie
Download APC White Paper 55 “Opties voor de architectuur
van luchtdistributie voor bedrijfskritische sites’ en maak
kans om een iPod touch te winnen!
Kijk op onze website op www.apc.com/promo en gebruik toegangscode 72102v • Tel 0800 020 3244 • Fax 0347 325225
©2009 Schneider Electric, All Rights Reserved. Schneider Electric, APC, InRow, and Efficient Enterprise are owned by Schneider Electric, or its affiliated companies in the United States and other countries. Alle andere handelsmerken zijn eigendom van de
respectievelijke eigenaren. 998-0899_BE-NL *Apple is not a participant in, or sponsor of, this promotion.
APC Benelux - Postbus 219 - 4130 EE Vianen - Nederland