Lees meer - Grant Thornton

Newsletter
Editie maart 2014
Accounting
Belasting & BTW
Juridische diensten
02 Hoe zit het nu met cashontvangsten?
04 CBN Advies 2013/15: 120%
aftrek van bepaalde kosten
05 Nieuwe investeringsaftrek voor
KMO-vennootschappen
06 De ‘fairness tax’
07 Vrijstelling doorstorting
bedrijfsvoorheffing
onderzoekers
08 Forfaitaire kostenvergoeding
buitenlandse dienstreizen
09 Drempel kleine ondernemingen
verhoogd naar EUR 15.000
10 Bedrijfsmiddelen: drempel
verhoogd naar EUR 1.000
11 Self-billing: versoepeling
voorwaarden
12 Mogelijkheid tot indiening
kwartaalaangiften voor btw:
verhoging drempel
13 Regering past RSZ-regime
beëindigingsvergoedingen
opnieuw aan
14 Eenheidsstatuut: gevolgen voor
outplacement en controle op
arbeidsongeschiktheid
16 Tewerkstelling Roemenen,
Bulgaren en Kroaten
17 Laattijdige voorlegging en/
of neerlegging jaarrekening:
sancties
18 Wat kan/mag de gedelegeerd
bestuurder van een NV?
Audit & Assurance
03 Recente adviezen CBN
Agenda
20 Seminaries/Opleidingen i.s.m.
Grant Thornton
Accounting
Hoe zit het nu met
cash-ontvangsten?
Opfrissing
Bij een aankoop van een onroerend
goed mocht tot voor kort 10% van
de verkoopprijs in contanten worden
betaald, met een maximum van EUR
5.000. De notaris of vastgoedmakelaar
die geconfronteerd wordt met partijen
die deze beperking negeren, moet dit
onmiddellijk schriftelijk of elektronisch
melden aan de Cel voor Financiële
Informatieverwerking (‘de witwascel’).
Bij de aankoop van een roerend
goed of een dienst bij een handelaar
of dienstverrichter geldt dezelfde
verplichting in hoofde van de
handelaar of dienstverrichter bij
bedragen vanaf EUR 5.000. Er mag
wel een bedrag tot ten hoogste 10%
van de prijs in contanten worden
betaald, voor zover dit voorschot
niet hoger is dan EUR 5.000.
Opeenvolgende voorschotten in
contanten die samengeteld boven
deze 10% of EUR 5.000 komen,
dienen ook te worden gemeld.
Ook de creatieve oplossing van
verschillende facturen beneden het
grensbedrag om zo tot de totale som
te komen (boven het grensbedrag)
wordt als één transactie aanzien.
Bij de aankopen van roerende
goederen en/of diensten werd het
grensbedrag verlaagd tot EUR 3.000.
Sancties
Het niet naleven van deze maatregelen
kan leiden tot boetes van EUR 250
tot EUR 225.000, met een maximum
van 10% van de ten onrechte in
contanten ontvangen sommen en dit
niet enkel voor de klant, maar ook
voor de handelaar of dienstverrichter.
Nieuw
Sinds 1 januari 2014 werden
deze regels gewijzigd.
Bij de verwerving van onroerende
goederen mag er GEEN voorschot
meer betaald worden in contanten
(wijziging zie artikel 20, eerste
lid witwaswetgeving).
Advies
Tracht hoge cashverrichtingen
te vermijden, niet enkel voor
hogervermelde sanctie, doch ook
voor uw veiligheid en deze van uw
personeel. Ontvang zoveel mogelijk
via bankverrichtingen (via een
bankterminal of via creditcards). Let
ook op voor eigen verrichtingen.
Melding en bijkomende informatie
Cel voor Financiële
Informatieverwerking
Gulden Vlieslaan 55/bus 1
1060 Brussel
www.ctif-cfi.be
T 02 533 72 11
2
Editie maart 2014
Audit & Assurance
Recente adviezen CBN
Hiernaast vindt u het overzicht van de recente adviezen
van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.
Voor de integrale tekst van de CBN-adviezen verwijzen
we naar http://www.cnc-cbn.be/nl/advices/index.
CBN-advies 2013/15
De boekhoudkundige verwerking van de verhoogde aftrek
van bepaalde kosten die fiscaal wordt aanvaard boven
het bedrag van de werkelijk gedane of gedragen kosten mits
naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde (zie ook
pagina 4)
CBN-advies 2013/16
Toelichting omtrent het niet-gebruik van de
waarderingsregels op basis van de waarde in het
economisch verkeer voor de financiële instrumenten
CBN-advies 2013/17
De boekhoudkundige verwerking met betrekking tot de
toepassing van de overgangsregeling zoals vermeld in artikel
537 WIB 92 (Deze in artikel 537 WIB 92 vermelde regeling
bestaat uit een dividenduitkering die overeenkomt met de
vermindering van de belaste reserves zoals die ten laatste
op 31 maart 2013 zijn goedgekeurd door de algemene
vergadering op voorwaarde en in de mate dat minstens het
verkregen bedrag (i) onmiddellijk wordt opgenomen in
het kapitaal, en (ii) dat deze opneming plaatsvindt tijdens
het belastbaar tijdperk dat afsluit vóór 1 oktober 2014).
Editie maart 2014
3
Belasting & BTW
CBN Advies 2013/15 - 120%
aftrek van bepaalde kosten
De fiscale wetgeving
voorziet dat bepaalde
kosten voor 120% worden
afgetrokken. Deze
kosten zijn m.a.w. niet
enkel volledig aftrekbaar,
de vennootschap mag
ook nog eens 20% van
deze kosten bijkomend
aftrekken.
4
Editie maart 2014
Het betreft kosten voor:
• elektrische wagens
(0% CO2-uitstoot)
• organisatie van collectief
vervoer van personeel
• aansluiting op een alarmcentrale
of bewakingsonderneming
• bedrijfsfietsen.
In tegenstelling tot vele andere
fiscale maatregelen die u louter via
de aangifte kan toepassen (bijv. de
investeringsaftrek), kan u de 20%
bijkomende aftrek slechts genieten
indien u dit correct verwerkt in uw
boekhouding. In een advies van 27
november 2013 (Advies 2013/15)
heeft de CBN de boekhoudkundige
verwerking toegelicht: de investeringen
en kosten moeten in eerste instantie
voor 100% geboekt worden en op
het einde van het boekjaar moet
u de 20% extra kosten boeken op
rekening ‘132 Belastingvrije reserves’
door middel van een onttrekking
via rekening ‘689 Overboeking
naar de vrijgestelde reserves’.
Aangezien de bijkomende aftrek
onderworpen is aan de zogenaamde
onaantastbaarheidsvoorwaarde, is
dit voordeel wel slechts tijdelijk.
Indien u de vrijgestelde reserves
wenst te gebruiken (bijv. voor een
dividenduitkering of uiterlijk bij de
vereffening van de vennootschap),
worden deze alsnog belast in
de vennootschapsbelasting.
Belasting & BTW
Nieuwe investeringsaftrek voor
KMO-vennootschappen
Eind 2013 besliste
de regering om de
zogenaamde ‘gewone
investeringsaftrek’ (die
vanaf aanslagjaar 2007 tot
0% werd herleid) terug in
te voeren. We overlopen
kort de nieuwe en de
bestaande mogelijkheden.
De gewone investeringsaftrek
De verhoogde investeringsaftrek
KMO’s die in 2014 en 2015 investeren
in nieuwe materiële of immateriële
vaste activa (met uitzondering van
o.a. personenwagens), kunnen een
éénmalige investeringsaftrek van 4%
toepassen mits deze activa rechtstreeks
verband houden met de bestaande of de
geplande economische werkzaamheid
die door de vennootschap werkelijk
wordt uitgevoerd.
Naast de gewone investeringsaftrek
geven een aantal specifieke
investeringen reeds enkele
jaren recht op een verhoogde
investeringsaftrek. Het betreft o.a.:
• milieuvriendelijke investeringen
voor onderzoek en ontwikkeling,
energiebesparende investeringen
en oplaadstations voor
elektrische voertuigen (14,5%
voor aanslagjaar 2014)
• investeringen in beveiliging
(enkel voor KMO’s - 21,5%
in aanslagjaar 2014).
Indien u deze investeringsaftrek wenst
toe te passen, dan mag u de aftrek voor
risicokapitaal voor dat aanslagjaar niet
aftrekken. De overgedragen aftrek voor
risicokapitaal van vroegere aanslagjaren
kan wel nog worden toegepast.
De aftrek kan worden overgedragen
naar het volgende aanslagjaar. Nadien
gaat de aftrek onherroepelijk verloren.
De toepassing hiervan is vaak aan
strikte voorwaarden onderworpen. Zo
moet u voor energiebesparende en/
of milieuvriendelijke investeringen
in onderzoek en ontwikkeling vóór
het einde van de derde maand na het
boekjaar een attest aanvragen bij het
Vlaams Energie Agentschap (VEA).
De verhoogde investeringsaftrek
kan in principe onbeperkt in de
tijd worden overgedragen.
Editie maart 2014
5
Belasting & BTW
De ‘fairness tax’
Complexe berekening
Zoals eerder toegelicht (zie onze
Newsletter editie september 2013),
is vanaf aanslagjaar 2014 een
afzonderlijke aanslag verschuldigd
van 5,15% indien het door de
vennootschap uitgekeerde dividend
groter is dan het belastbaar resultaat.
De belastbare basis voor de ‘fairness
tax’ wordt dan als volgt berekend:
(a – e) x ((c + d) / b) en bedraagt
dus: (600 - 450) × ((800 + 50)/1600)
of 150 × 53,12% = EUR 79,68.
De afzonderlijke aanslag bedraagt
dan EUR 4,10 (79,68 × 5,15%).
Dit verschil (dividend – belastbaar
resultaat) wordt nog verminderd
met (het gedeelte van) het dividend
afkomstig van voor aanslagjaar
2014 belaste reserves, en vervolgens
vermenigvuldigd met een percentage
dat de verhouding uitdrukt tussen
enerzijds de afgetrokken verliezen
en notionele interestaftrek en
anderzijds het fiscaal resultaat (i.e.
resultaat van de zogenaamde ‘eerste
bewerking’ in de aangifte: beweging
belaste reserves + verworpen uitgaven
+ uitgekeerde dividenden excl.
vrijgestelde waardeverminderingen,
voorzieningen en meerwaarden).
Een complexe berekening dus die
uiteraard nog moeilijker wordt indien
bijvoorbeeld het dividend deels
afkomstig is uit belaste reserves, indien
er sprake is van andere aftrekposten,
vrijgestelde meerwaarden, enz.
Indien u overweegt om dit jaar een
dividend uit te keren, raden wij aan
om voorafgaandelijk de impact van
de ‘fairness tax’ te (laten) berekenen.
Op die manier kunnen onaangename
verrassingen worden vermeden.
We lichten toe aan de hand van
een eenvoudig voorbeeld:
Gereserveerde winst boekjaar + verworpen uitgaven:
EUR 1.000
Uitgekeerd dividend (uit resultaat boekjaar):
EUR 600
(a)
Fiscaal resultaat na de zgn. eerste bewerking:
EUR 1600
(b)
DBI-aftrek:
EUR - 300
Aftrek voor risicokapitaal:
EUR - 800
(c)
Aftrek van overgedragen verliezen:
EUR - 50
(d)
Belastbaar resultaat:
EUR 450
(e)
6
Editie maart 2014
Belasting & BTW
Vrijstelling doorstorting
bedrijfsvoorheffing onderzoekers
Gewijzigde procedure
De fiscale wetgever tracht
op verschillende manieren
wetenschappelijk onderzoek in België
te stimuleren. Zo genieten bedrijven
die werknemers tewerkstellen in
het kader van wetenschappelijk
onderzoek van een vrijstelling van
doorstorting van bedrijfsvoorheffing.
Deze mogelijkheid werd recent op
een aantal punten bijgestuurd.
Voor de bezoldigingen toegekend
vanaf 1 juli 2013 bedraagt het
vrijstellingspercentage 80%. Dit wil
zeggen dat 80% van de (principieel)
verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet
moet worden doorgestort aan de fiscus.
Sedert 1 januari 2014 kan de werkgever
de vrijstelling nog slechts genieten
indien het betrokken project werd
aangemeld bij (en goedgekeurd door)
de Programmatorische Federale
Overheidsdienst Wetenschapsbeleid.
Reeds bestaande wetenschappelijke
projecten (waarvoor de vrijstelling
wordt toegepast), moeten uiterlijk op
31 december 2014 worden aangemeld.
Editie maart 2014
7
Belasting & BTW
Forfaitaire kostenvergoeding
buitenlandse dienstreizen
Nu ook voor langdurige dienstreizen
Met betrekking tot buitenlandse
dienstreizen van maximum 30 dagen
aanvaardt de fiscus al lang dat de
forfaitaire dagvergoedingen – zoals
opgenomen in de landenlijst voor
ambtenaren van Buitenlandse
Zaken – aftrekbaar zijn in hoofde
van de werkgever en niet belastbaar
zijn in hoofde van de werknemer
(‘kosten eigen aan de werkgever’).
In een circulaire van 10 oktober
2013 heeft de fiscus nu ook een
regeling uitgewerkt voor langdurige
dienstreizen (i.e. méér dan 30
opeenvolgende kalenderdagen
en maximum 24 maanden). De
forfaitaire dagvergoedingen zullen
eveneens vrijgesteld zijn indien
het maximumbedrag niet meer
bedraagt dan de dagelijkse forfaitaire
verblijfsvergoedingen voor de
ambtenaren van Buitenlandse
Zaken “op post” in het buitenland.
Ingeval een hoger bedrag wordt
toegekend, dan is dit slechts
belastingvrij mits dit hoger bedrag
de werkelijk gemaakte kosten dekt.
De vergoeding dekt de kosten voor
maaltijden en andere kleine uitgaven
(bijv. tram, bus, drank, fooien, etc.).
Indien deze kosten (gedeeltelijk) door
de werkgever zelf worden gedragen,
moet het forfait worden verminderd
met respectievelijk 15%, 35%, 45%
en 5% voor het ontbijt, middagmaal,
avondmaal en kleine uitgaven. Het
forfait omvat niet de huisvestingskosten
en/of de verplaatsingskosten van en
naar het buitenland.
De dagvergoeding mag worden
toegekend voor elke volle dag van
afwezigheid, zijnde de dag(en)
tussen twee overnachtingen in het
buitenland. De dagen van vertrek en
terugkeer worden telkens voor de helft
in aanmerking genomen. Wanneer
verschillende landen worden aangedaan,
is de plaats van overnachting bepalend
om de forfaitaire dagvergoeding te
bepalen voor de eerstvolgende dag.
Tot slot kan nog worden opgemerkt
dat in geval van definitieve vestiging
in het buitenland de forfaitaire
vergoeding moet worden beëindigd.
8
Editie maart 2014
De landenlijst wordt regelmatig
aangepast en gepubliceerd door het
Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hierna vindt u een overzicht van de
vergoedingen voor korte dienstreizen
(A) en langdurige dienstreizen
(B) zoals die zijn vastgesteld voor
onze belangrijkste handelspartners
met ingang van 1 april 2013.
Landen
A
B
EUR
EUR
Austria
95
57
Canada
105
63
Denmark
105
63
Finland
104
62
France
95
57
Germany
93
56
Greece
82
49
Ireland
104
62
Italy
95
57
105
63
Luxembourg
92
55
Netherlands
93
56
Norway
99
59
Portugal
84
50
Spain
87
52
Sweden
97
58
Switzerland
105
63
United Kingdom
101
61
United States
105
63
Japan
Belasting & BTW
Drempel kleine ondernemingen
verhoogd naar EUR 15.000
Ondernemingen met
een beperkte omzet
kunnen genieten van een
specifieke vrijstelling van
btw voor hun activiteiten.
Bovendien zijn ze dan
ontslagen van de meeste
btw-verplichtingen. Wel
hebben ze dan geen recht
op aftrek van de aan hen
aangerekende btw.
Momenteel bedraagt de maximale
jaaromzet om beschouwd te kunnen
worden als een ‘kleine onderneming’,
EUR 5.580,00. De minister van
Financiën heeft onlangs bevestigd
dat deze drempel vanaf 1 april
2014 zal worden verhoogd tot
EUR 15.000,00. Dit moet evenwel
nog wettelijk worden geregeld.
Let op, zelfs bij toepassing van
de vrijstelling dienen er nog een
beperkt aantal verplichtingen
te worden voldaan:
• aangifte van aanvang, wijziging en
stopzetting van de activiteiten
• uitreiking van facturen
met vermelding: “Kleine
onderneming onderworpen aan de
vrijstellingsregeling van belasting.
Btw niet van toepassing”
• jaarlijkse klantenlisting met
alle btw-plichtige klanten
• bijzondere btw-aangiften (met
betaling van verschuldigde
btw op intracommunautaire
verwervingen en ontvangen
intracommunautaire diensten).
Editie maart 2014
9
Belasting & BTW
Bedrijfsmiddelen:
drempel verhoogd naar EUR 1.000
Bij aankoop van materieel, klein
gereedschap of kantoormaterieel
dient op boekhoudkundig (en
fiscaal) vlak te worden bepaald of
het gaat om een ‘kost’ dan wel om
een ‘investering’ die moet worden
geactiveerd en afgeschreven.
Ook op het vlak van btw dient een
soortgelijke beoordeling te worden
gemaakt, met name of het gaat om
een ‘kost’ of om een ‘bedrijfsmiddel’.
10
Editie maart 2014
Bij een kwalificatie als bedrijfsmiddel,
zal de btw nog steeds onmiddellijk
en voor het gehele bedrag in aftrek
kunnen worden gebracht door
een volledige belastingplichtige.
Maar het goed (en meer specifiek
de belastbare aanwending) zal dan
gedurende een herzieningstermijn
van vijf jaren ‘gevolgd’ worden
met het oog op eventuele correcties
van de oorspronkelijk afgetrokken
btw: de herziening. Daarom
dienen bedrijfsmiddelen te worden
gerapporteerd in rooster 83 van de
btw-aangifte en dienen ze eveneens
te worden opgenomen in een tabel
der bedrijfsmiddelen. In deze tabel
dienen een aantal gegevens te worden
opgenomen. Aangezien deze gegevens
in principe niet in een afschrijvingstabel
voorkomen, is deze als dusdanig niet
dienstig voor btw.
Als bedrijfsmiddelen worden voor
btw beschouwd: de lichamelijke
goederen, de zakelijke rechten en
de diensten die bestemd zijn om
op een duurzame wijze te worden
gebruikt als werkingsinstrument of
exploitatiemiddel.
Klein materieel, klein gereedschap
en kantoorbehoeften worden echter
niet als bedrijfsmiddelen aangemerkt
wanneer de prijs (of normale waarde),
per in de handel gebruikelijke eenheid,
minder bedraagt dan een bepaalde
drempel. Deze drempel bedroeg
tot voor kort EUR 250 (exclusief
btw), maar werd vanaf 1 januari
2014 opgetrokken naar EUR 1.000.
Dit betekent wellicht dat laptops,
smartphones, tablets, etc. niet meer als
bedrijfsmiddel worden aangemerkt en
de btw niet langer onderworpen zal
zijn aan een herziening.
Belasting & BTW
Self-billing:
versoepeling voorwaarden
De btw-administratie heeft recent
een aanschrijving gepubliceerd die
de toepassing van het systeem van
‘self-billing’ of ‘factuur uitgereikt
door afnemer’ vereenvoudigt en
(eindelijk) praktisch bruikbaar
maakt (aanschrijving nr. 53 van 16
december 2013). In dit systeem
mag de medecontractant (i.e.
de koper of de ontvanger van de
dienst) een afrekening opmaken
in naam en voor rekening van zijn
leverancier of dienstverrichter en
dit ter vervanging van de gewone
factuur die normaal door de
leverancier of dienstverrichter
moet worden uitgereikt.
Uiteraard is de toepassing van dit
systeem onderworpen aan strikte
voorwaarden en regels. Onder de
‘oude’ regeling waren volgende
voorwaarden nog toepasselijk: (1) een
akkoord tussen de partijen, (2) een
kennisgeving aan de bevoegde btwcontroles van de partijen en (3) een
complexe aanvaardingsprocedure voor
elk individueel document. Vooral deze
laatste voorwaarde zorgde ervoor dat
‘self-billing’ in de praktijk niet echt
toepasbaar was.
Ten slotte voert de aanschrijving,
in combinatie met de toepassing
van ‘self-billing’, ook een optionele
verleggingsregeling in voor bepaalde
transacties (bijvoorbeeld handelingen
verricht door makelaars of lasthebbers,
door depothouders voor wasserijen,
door ophaaldiensten bij slagers etc.).
Door een aanpassing van de
facturatiewetgeving per 1 januari 2013
werd de wettelijke regeling alvast
versoepeld. Voortaan is enkel nog
vereist dat: (1) er een voorafgaandelijk
akkoord bestaat tussen de partijen over
de toepassing van het systeem en (2)
elke ‘self-bill’ het voorwerp uitmaakt
van een aanvaardingsprocedure.
De nieuwe aanschrijving van
december 2013 verduidelijkt nu deze
toepassingsvoorwaarden. Zo mogen de
partijen voortaan zelf de inhoud en de
vorm van het voorafgaandelijk akkoord
bepalen, evenals de wijze waarop de
‘self-bills’ zullen worden aanvaard.
Verder gelden dezelfde principes als
inzake gewone facturering voor wat
betreft bijvoorbeeld de verplichte
vermeldingen, opeisbaarheid van de
btw, etc.
Editie maart 2014
11
Belasting & BTW
Mogelijkheid tot indiening
kwartaalaangiften voor btw:
verhoging drempel
Belastingplichtigen moeten in
principe maandelijkse btw-aangiften
indienen. Tot eind 2013 konden
zij kiezen voor kwartaalaangiften
indien hun jaaromzet (exclusief
btw) niet meer bedroeg dan EUR
1.000.000,00. Een specifieke
drempel van EUR 200.000,00
(jaaromzet) bestond er voor
bepaalde fraudegevoelige sectoren
zoals o.a. minerale oliën, gsm’s,
computers, landvoertuigen, … .
12
Editie maart 2014
Met ingang van 1 januari 2014
werden deze drempels verhoogd tot
respectievelijk EUR 2.500.000,00 en
EUR 250.000,00 (KB van 21 december
2013 tot wijziging van het KB nr. 1 –
B.S. 30 december 2013). Door deze
substantiële verhoging van de drempel
lijken op het eerste gezicht veel
ondernemingen van deze mogelijkheid
gebruik te kunnen maken.
Maar het voorgaande wordt gedeeltelijk
getemperd doordat belastingplichtigen
die gehouden zijn tot maandelijkse
indiening van intracommunautaire
opgaven, uitgesloten worden van
kwartaalaangiften. In dat opzicht
moet er nu reeds een maandelijkse
intracommunautaire opgave
worden ingediend van zodra
intracommunautaire leveringen de
drempel van EUR 50.000,00 per
kwartaal overschrijden (voorheen EUR
400.000,00 per jaar). Is de onderneming
actief op internationaal vlak, dan zal
ze wellicht ook bij een omzet lager
dan EUR 2.500.000,00 nog steeds
maandelijkse btw-aangiften moeten
indienen.
Om over te schakelen van
maandaangiften naar kwartaalaangiften
moet de belastingplichtige een
gemotiveerd verzoek indienen bij
het lokale btw-controlekantoor.
Bij goedkeuring heeft de overgang
uitwerking vanaf de eerste dag van het
aangiftetijdvak volgend op de datum
van aanvaarding door de Administratie.
Wie vandaag een verzoek indient, kan
dus ten vroegste overschakelen voor
het tweede kwartaal 2014.
Bij de keuze voor kwartaalaangiften
moet er wel rekening mee worden
gehouden dat er in principe
maandelijkse voorschotten zullen
moeten worden betaald (telkens een
derde van het opeisbare btw-saldo
van de vorige kwartaalaangifte).
Bovendien kunnen kwartaalaangevers
geen vergunning voor maandelijkse
teruggave verkrijgen.
Juridische diensten
Regering past RSZ-regime
beëindigingsvergoedingen
opnieuw aan
In onze Newsletter editie
december 2013 hebben
wij u geïnformeerd over
de nieuwe regeling
omtrent de betaling van
socialezekerheidsbijdragen
op beëindigingsvergoedingen. De regering
heeft enkele maanden
na de inwerkingtreding
deze regeling andermaal
bijgestuurd.
Vanaf 1 oktober 2013 worden de
meeste vergoedingen uitbetaald naar
aanleiding van de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst onderworpen aan
RSZ. Het gaat daarbij o.m. om:
• de uitwinningsvergoeding
• vergoedingen ingevolge
concurrentieovereenkomsten die
binnen de twaalf maanden na
afloop van de arbeidsovereenkomst
worden afgesloten.
Een KB van 21 december 2013 past
deze regeling alweer op bepaalde
punten aan. De volgende punten
werden aangepast of verduidelijkt:
• Schadevergoedingen die een
werkgever verschuldigd is wanneer
hij zijn wettelijke, contractuele
of statutaire verplichtingen
niet nakomt (zogenaamde
beschermingsvergoedingen) zijn
met terugwerkende kracht vanaf
1 oktober 2013 niet onderworpen
aan RSZ. Het onrechtmatig ontslag
van een zwangere werkneemster of
van een werknemer in tijdskrediet
behoort tot deze categorie.
• Een vergoeding wegens het
willekeurig ontslag van een
arbeider blijft vrijgesteld
van sociale bijdragen.
• Vergoeding wegens collectief
ontslag is vrijgesteld van sociale
bijdragen voor zover het gaat
om een aanvulling op een
werkloosheidsuitkering.
Op de hierna volgende
beëindigingsvergoedingen waren reeds
vóór 1 oktober 2013 sociale bijdragen
verschuldigd en dat blijft zo:
• de onregelmatige beëindiging van
de arbeidsovereenkomst door de
werkgever (verbrekingsvergoeding)
• de eenzijdige beëindiging van
de arbeidsovereenkomst voor
personeelsafgevaardigden
• de eenzijdige beëindiging van
de arbeidsovereenkomst voor
syndicale afgevaardigden
• de beëindiging van de
arbeidsovereenkomst in
gemeenschappelijk akkoord.
Editie maart 2014
13
Juridische diensten
Eenheidsstatuut:
gevolgen voor outplacement en
controle op arbeidsongeschiktheid
Controle van de arbeidsongeschiktheid
Door het afschaffen van de carensdag bestond de vrees dat
dit de deur zou openzetten voor misbruik. De wetgever
komt hieraan tegemoet door een aantal begeleidende
maatregelen in te voeren.
getuigschrift voorleggen binnen de voorgeschreven
termijn en (3) het zich onderwerpen aan de controle,
bestaat de sanctie erin dat de werkgever de betaling van het
gewaarborgd loon kan weigeren.
Outplacement
Verwittigingsplicht
Elke werknemer heeft de verplichting om in geval van
arbeidsongeschiktheid zijn werkgever zo snel mogelijk te
verwittigen. Behoudens in geval van overmacht verzendt de
werknemer het geneeskundig getuigschrift of geeft hij het af
op de onderneming, binnen twee werkdagen vanaf de dag
van de ongeschiktheid of vanaf de dag van ontvangst van het
verzoek tot afgifte vanwege de werkgever. Er kan wel een
afwijkende termijn worden ingevoerd door een cao of door
het arbeidsreglement.
Deze verplichtingen bestonden reeds in grote mate, maar
worden nu expliciet in de wet ingeschreven.
Met de invoering van het nieuwe eenheidsstatuut voor
arbeiders en bedienden, werd ook de regeling van
outplacement volledig hervormd. Outplacement is het
geheel van begeleidende diensten die moeten toelaten dat een
werknemer zo spoedig mogelijk een nieuwe job vindt.
Toepassingsgebied
De nieuwe algemene regeling zal van toepassing zijn
op alle werknemers van wie de arbeidsovereenkomst
beëindigd wordt volgens de bepalingen van de
arbeidsovereenkomstenwet. Concreet heeft dit tot gevolg dat
zowel de werknemers uit de privésector als de contractanten
in de publieke sector geviseerd worden. Dat laatste is een
nieuwigheid.
Beschikbaarheid voor de controlearts
Voortaan bestaat de mogelijkheid om in een collectieve
arbeidsovereenkomst, gesloten op het niveau van de
onderneming of van de sector, of in het arbeidsreglement,
bepalingen op te nemen die regelen dat de werknemer
die arbeidsongeschikt is wegens ziekte of ongeval zich
gedurende een dagdeel van maximaal 4 aaneengesloten
uren tussen 7 uur ’s ochtends en 20 uur ’s avonds in zijn
woonplaats of een meegedeelde andere verblijfplaats ter
beschikking van de controlearts moet houden.
Voorwaarden
Voortaan hebben werknemers recht op een
outplacementbegeleiding indien zij vanaf 1 januari
2014 worden ontslagen en indien zij recht hebben op
een opzeggingstermijn van minstens 30 weken of een
opzeggingsvergoeding die minstens deze periode dekt.
Tenzij wettige redenen hem dat beletten, zoals hospitalisatie
of doktersbezoek, kan de afwezigheid in de woonst of
verblijfplaats op het aangeduide dagdeel aanzien worden als
het zich onttrekken aan de controle.
De opzeggingstermijn van 30 weken komt overeen met een
opgebouwde anciënniteit die zich situeert tussen negen en
tien jaar. In de oude regeling diende men slechts één jaar in
dienst te zijn bij de werkgever en een leeftijd te hebben van
minstens 45 jaar. Werknemers die ouder zijn dan 45 jaar
maar die niet voldoen aan de voorwaarden van het nieuwe
stelsel behouden hun rechten in het oude, residuaire stelsel.
Wanneer de werknemer zich niet houdt aan zijn
verplichtingen, met name (1) onmiddellijk zijn werkgever
verwittigen, (2) (indien van toepassing) het geneeskundig
De werknemer die ontslagen wordt wegens dringende reden,
heeft geen recht op outplacement. Specifieke regels voor
ondernemingen in herstructurering blijven gelden.
14
Editie maart 2014
Juridische diensten
outplacementaanbod aan de werknemer.
Wanneer een arbeidsovereenkomst door de
werkgever wordt beëindigd door middel van een
opzeggingstermijn van minstens 30 weken, doet de
werkgever uiterlijk vier weken na de aanvang van
de opzeggingstermijn een outplacementaanbod.
• Duur van outplacement
De werknemer heeft recht op een
outplacementbegeleiding gedurende een maximum
periode van twaalf maanden die gefaseerd is vastgelegd
door de wetgever. Indien de werknemer in een
welbepaalde periode een nieuwe betrekking vindt, dient
er geen nieuwe fase te worden aangevat.
Er zijn wel bijkomende bepalingen vastgelegd indien de
werknemer binnen de drie maanden na de indiensttreding
bij een nieuwe werkgever, opnieuw zonder werk valt.
In dat geval herleeft zijn recht op outplacement.
Belangrijkste aandachtspunten
• Ontslagpakket
Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de
situatie waarbij een werknemer ontslagen wordt met
een opzeggingsvergoeding, of de situatie waarbij de
werknemer een opzeggingstermijn dient te presteren.
In beide gevallen heeft de betrokkene recht op
een outplacementbegeleiding van 60 uren. In het
geval van de prestatie van de opzeggingstermijn,
wordt de outplacementbegeleiding aangerekend op
het sollicitatieverlof. In het geval van de betaling
van een opzeggingsvergoeding, mag de werkgever
vanaf 1 januari 2016 deze vergoeding verminderen
ten belope van vier weken loon. Tot 31 december
2015 heeft de werknemer de keuze om al dan
niet in te gaan op het outplacementaanbod. Gaat
hij in op het outplacementaanbod, dan wordt de
opzeggingsvergoeding ingekort met vier weken. Opteert
hij ervoor om niet in te gaan op het outplacementaanbod,
zal zijn opzeggingsvergoeding tot en met 31 december
2015 niet worden ingekort. Daarna is dit wel het geval.
• Sancties bij beëindiging met een opzeggingsvergoeding
De werknemer herwint het recht op een
opzeggingsvergoeding ten belope van vier weken (met
name de hierboven vermelde inkorting) als de werkgever:
- hem geen enkele outplacementbegeleiding
aanbiedt na de procedure te hebben gevolgd
- hem een aanbod voorstelt dat niet in overeenstemming
is met de wettelijke voorwaarden
- hoewel hij een outplacementbegeleiding heeft
aangeboden overeenkomstig de wettelijke voorwaarden,
de voormelde begeleiding niet daadwerkelijk uitvoert.
• Aanbod
Wanneer de arbeidsovereenkomst door de werkgever
wordt beëindigd met een vergoeding die overeenstemt
hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van
minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte
van die termijn, doet de werkgever binnen een termijn
van vijftien dagen nadat de arbeidsovereenkomst
een einde heeft genomen, schriftelijk een geldig
Editie maart 2014
15
Juridische diensten
Tewerkstelling Roemenen,
Bulgaren en Kroaten
Roemenen en Bulgaren
Geen knelpuntberoep
Vanaf 1 januari 2014 dienen Roemenen en Bulgaren niet
langer in het bezit te zijn van een arbeidskaart indien zij
tewerkgesteld worden door een Belgische werkgever. Tot
vóór die datum bestonden er overgangsmaatregelen voor de
inwoners van deze lidstaten. Voortaan genieten Roemenen
en Bulgaren net als de inwoners uit andere EU-lidstaten
van een absolute vrijstelling tot het bekomen van een
arbeidskaart.
Concreet betekent dit dat indien deze werknemers geen
knelpuntberoep zullen uitoefenen en niet behoren tot één
of andere bijzondere categorie (hooggeschoold personeel,
leidinggevenden, technici…) de ‘gewone’ voorwaarden
dienen te worden vervuld voor het bekomen van een
arbeidskaart. In de praktijk is dit een vrij zware procedure
en geldt het als weinig waarschijnlijk dat er een arbeidskaart
zal worden verkregen.
Kroaten
Knelpuntberoep
Wij herinneren eraan dat er wel nog overgangsmaatregelen
bestaan voor Kroaten die in dienst wensen te treden van
een Belgische werkgever. Kroatië trad als 28e lidstaat van de
Europese Unie toe op 1 juli 2013. Vanaf die datum gelden
er gedurende twee jaar overgangsmaatregelen (tot 30 juni
2015), zoals die ook golden voor Roemenen en Bulgaren.
Kroatische onderdanen die zullen worden tewerkgesteld in
een knelpuntberoep, kunnen een beroep doen op een soepele
procedure.
Voor de aanvraag tot tewerkstelling in een knelpuntberoep
werd een aparte procedure uitgewerkt die in principe wordt
afgerond binnen de vijf werkdagen, op voorwaarde van een
volledig dossier.
Detacheringen
Tot slot herinneren wij eraan dat Kroaten die naar België
worden gezonden in het kader van een detacheringsopdracht
vrijgesteld zijn tot het bekomen van een arbeidskaart.
16
Editie maart 2014
Juridische diensten
Laattijdige voorlegging en/of
neerlegging jaarrekening:
sancties
De bestuursorganen van Belgische
naamloze vennootschappen, besloten
vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid, coöperatieve
vennootschappen met beperkte
aansprakelijkheid en commanditaire
vennootschappen op aandelen
zijn verplicht om (1) jaarlijks een
jaarrekening op te stellen, (2) deze ter
goedkeuring voor te leggen aan de
gewone algemene vergadering en
(3) de goedgekeurde jaarrekening neer
te leggen bij de Nationale Bank van
België. Conform de bepalingen van het
Wetboek van Vennootschappen dienen
deze verplichtingen binnen bepaalde
termijnen te worden nageleefd. Zo
dient de jaarrekening binnen de zes
maanden na het afsluiten van het
boekjaar waarop ze betrekking heeft
ter goedkeuring te worden voorgelegd
aan de gewone algemene vergadering
en binnen de 30 dagen na deze gewone
algemene vergadering, en in elk geval
binnen de zeven maanden na het
afsluiten van het boekjaar, te worden
neergelegd bij de Nationale Bank van
België.
De wettelijk voorgeschreven
termijnen worden echter niet altijd
correct nageleefd. Vaak leeft bij
het bestuursorgaan de misvatting
dat de niet-tijdige naleving van
deze verplichtingen alleen ‘maar’
gesanctioneerd wordt met een boete
vanwege de Nationale Bank. Wat
echter vaak vergeten wordt, is dat de
laattijdige voorlegging ter goedkeuring
en/of neerlegging van de jaarrekening
tevens een inbreuk vormt op het
Wetboek van Vennootschappen (en
de statuten) en uit dien hoofde ook
andere sancties en aansprakelijkheden
in hoofde van het bestuursorgaan
tot gevolg kan hebben. Wij brengen
hierna kort de mogelijke sancties en
aansprakelijkheden in herinnering.
Mogelijke sancties bij niet-tijdige
goedkeuring van de jaarrekening:
• De bestuurders of zaakvoerders
zijn, zowel jegens de vennootschap,
als jegens derden (bijvoorbeeld
de schuldeisers), hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade
die het gevolg is van de
inbreuk op het Wetboek van
Vennootschappen en de statuten.
• De door derden geleden schade
wordt, behoudens tegenbewijs,
geacht voort te vloeien uit het
verzuim de jaarrekening tijdig
ter goedkeuring voor te leggen
aan de algemene vergadering.
• Het bestuursorgaan kan worden
gestraft met een geldboete van
EUR 300 tot EUR 60.000 (inclusief
opdeciemen 2014). De vennootschap
is burgerlijk aansprakelijk voor het
betalen van deze boete.
Mogelijke sancties bij niet-tijdige
neerlegging van de jaarrekening:
• De bestuurders of zaakvoerders
zijn, zowel jegens de vennootschap,
als jegens derden (bijvoorbeeld
de schuldeisers), hoofdelijk
aansprakelijk voor alle schade
die het gevolg is van de
inbreuk op het Wetboek van
Vennootschappen en de statuten.
• De door derden geleden schade
wordt, behoudens tegenbewijs,
geacht voort te vloeien uit
het verzuim de jaarrekening
tijdig neer te leggen.
• De Nationale Bank legt, bij
neerlegging van de jaarrekening
meer dan acht maanden na de
datum van het afsluiten van het
boekjaar, aan de vennootschap
een tarieftoeslag op voor de
laattijdige neerlegging, die kan
oplopen tot EUR 360 voor kleine
vennootschappen (die het verkort
schema hanteren) en tot EUR 1.200
voor de andere vennootschappen.
Tot slot dient wel opgemerkt dat
de algemene vergadering kwijting
kan verlenen aan de bestuurders
of zaakvoerders voor het niettijdig voorleggen/neerleggen van
de jaarrekening, doch uitsluitend
indien dit expliciet wordt vermeld
in de agenda van de algemene
vergadering. Deze kwijting is echter
niet tegenstelbaar aan derden, die hun
aansprakelijkheidsvordering tegen de
bestuurders of zaakvoerders onverkort
behouden.
Editie maart 2014
17
Juridische diensten
Wat kan/mag de gedelegeerd
bestuurder van een NV?
De gedelegeerd bestuurder wordt
algemeen geacht de spilfiguur te zijn
van een KMO-NV. Niet zelden wordt
hem dan ook op basis van zijn titel een
grote macht toegedicht. Maar is de
gedelegeerd bestuurder zo machtig als
algemeen wordt aangenomen?
Wie is die gedelegeerd bestuurder?
De raad van bestuur van een NV kan het dagelijks bestuur
van de vennootschap en de vertegenwoordiging van de
vennootschap in het kader van dat bestuur opdragen aan
een of meer personen (art. 525 W. Venn.). Indien zulk een
persoon tevens lid is van de raad van bestuur, wordt hem/
haar gebruikelijk de titel van ‘gedelegeerd bestuurder’
toegekend.
Wat kan/mag de gedelegeerd bestuurder beslissen?
Uit de bestaande cassatierechtspraak omtrent de inhoud van
het dagelijks bestuur kan worden afgeleid dat de gedelegeerd
bestuurder kan beslissen over:
• handelingen die behoren tot het dagelijks leven
van de vennootschap (recurrente handelingen)
• handelingen die een gering belang vertonen én
dermate dringend zijn dat de raad van bestuur
niet tijdig kan worden bijeengeroepen.
Uit de praktijk blijkt dat de tweede categorie van
handelingen zich zelden of nooit voordoet. De eerste
categorie van handelingen komt uiteraard wel dagelijks
voor. Een gedelegeerd bestuurder mag zich evenwel niet
blindstaren op het recurrente karakter van de handelingen.
Zelfs indien een handeling recurrent is, kan het toch zijn
dat de rechtbank – gezien het belang dat de beslissing
heeft voor de toekomst van de vennootschap – oordeelt
dat deze buiten het dagelijks bestuur valt. Zo wordt de
18
Editie maart 2014
aankoop van grondstoffen klassiek tot het dagelijks bestuur
gerekend, maar zal de beslissing om voor meerdere jaren
een toeleveringsovereenkomst aan te gaan met een bepaalde
leverancier allicht buiten de scope van het dagelijks bestuur
worden geacht. De gedelegeerd bestuurder dient zich dus
dagelijks bewust te zijn van de impact van een potentiële
beslissing om dan te oordelen of hij al dan niet bevoegd is
om ze effectief te nemen. Desgevallend kan ervoor worden
geopteerd om in de statuten of in het benoemingsbesluit
te omschrijven wat door de vennootschap wordt verstaan
onder ‘dagelijks bestuur’, zij het dat zulke omschrijvingen de
rechter, die zich over een bepaald bevoegdheidsdispuut moet
uitspreken, niet binden en dat de gebeurlijke beperkingen
die erin worden opgelegd niet tegenstelbaar zijn aan derden.
Wat kan/mag de gedelegeerd bestuurder tekenen?
Het bovenstaande met betrekking tot de bevoegdheid van
de gedelegeerd bestuurder om over een bepaald onderwerp
een beslissing te nemen (interne beslissingsbevoegdheid –
bijvoorbeeld ‘we gaan onze grondstoffen bij die leverancier
kopen’), dient te worden onderscheiden van de bevoegdheid
van de gedelegeerd bestuurder om de vennootschap
juridisch te verbinden in het rechtsverkeer (de externe
vertegenwoordigingsbevoegdheid – bijvoorbeeld ‘wie
kan het toeleveringscontract namens de vennootschap
ondertekenen?’).
Vooreerst kan de gedelegeerd bestuurder de vennootschap
rechtsgeldig vertegenwoordigen in de materies waarin hij
beslissingsbevoegdheid heeft, m.a.w. het dagelijks bestuur
(zie hierboven).
Ten tweede is het mogelijk dat de statuten van de
vennootschap bepalen dat de vennootschap – naast de
algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid van de raad
van bestuur als college – bij alle rechtshandelingen kan
worden verbonden door een gedelegeerd bestuurder die
alleen optreedt, de zogeheten ‘éénhandtekeningsclausule’.
Deze clausule wordt vaak ingeschreven om er bijvoorbeeld
Juridische diensten
voor te zorgen dat overeenkomsten waarin de vennootschap
partij is, niet steeds moeten worden getekend door de
meerderheid van de bestuurders. Waar deze clausule de
gedelegeerd bestuurder het recht geeft om de vennootschap
enkelhandig in alle materies rechtsgeldig te verbinden,
impliceert dit echter niet dat de gedelegeerd bestuurder ook
alle beslissingen in die materies op eigen houtje kan nemen.
De beslissingsbevoegdheid van de gedelegeerd bestuurder
blijft ook bij zulke clausule strikt beperkt tot handelingen
van dagelijks bestuur. Het is en blijft de raad van bestuur
die als collegiaal orgaan de algemene beslissingsmacht
heeft. Ook de gedelegeerd bestuurder met individuele
vertegenwoordigingsbevoegdheid zal zijn handelingen
buiten het kader van het dagelijks bestuur dus moeten laten
indekken door de raad van bestuur.
hem tegenstelbaar is en hij derhalve geacht wordt te weten
dat de vennootschap niet gehouden zou zijn het onroerend
goed te kopen. Het valt uiteraard niet uit te sluiten dat
er begeleidende omstandigheden zijn die gebeurlijk de
aansprakelijkheid van de gedelegeerd bestuurder ten aanzien
van de verkoper in het gedrang zouden kunnen brengen.
Is er wel een éénhandtekeningsclausule voorzien in de
statuten, zal de vennootschap gebonden zijn door de
onderhandse overeenkomst en dus gehouden zijn het
onroerend goed te kopen aan de overeengekomen prijs. De
vennootschap kan zich evenwel wenden tot de gedelegeerd
bestuurder om de door haar geleden schade te vergoeden,
aangezien de gedelegeerd bestuurder de beperkingen van
zijn bevoegdheid heeft overschreden.
Een valabel alternatief: bijzondere volmachten
Sancties
De sancties verbonden aan een bevoegdheidsoverschrijding
door de gedelegeerd bestuurder hangen af van het al dan niet
bestaan van een éénhandtekeningsclausule. Een voorbeeld
kan één en ander duidelijk maken.
De gedelegeerd bestuurder tekent namens de vennootschap
een onderhandse overeenkomst tot aankoop van een
onroerend goed voor een prijs van EUR 300.000,00, zonder
voorafgaand besluit hiertoe door de raad van bestuur.
Deze handeling kadert duidelijk buiten de grenzen van het
dagelijks bestuur en is dus een bevoegdheidsovertreding
door de gedelegeerd bestuurder.
Indien geen éénhandtekeningsclausule is de vennootschap
niet gebonden door de onderhandse overeenkomst en zal
zij dus niet gehouden zijn het onroerend goed te kopen.
Indien de vennootschap schade zou lijden ingevolge de
bevoegdheidsovertreding (bijvoorbeeld advocatenkosten),
zal zij die op de gedelegeerd bestuurder kunnen verhalen.
Bovendien zal de gedelegeerd bestuurder zijn mandaat
allicht beëindigd zien wegens de ontstane vertrouwensbreuk.
De verkoper van het onroerend goed zal zich in principe niet
tot de gedelegeerd bestuurder kunnen wenden, aangezien de
bevoegdheidsbeperking van de gedelegeerd bestuurder aan
De onzekerheden waarmee de gedelegeerd bestuurder wordt
geconfronteerd, kunnen worden vermeden door het werken
met bijzondere volmachten. De bestuurder wordt in die
hypothese niet gelast met het dagelijks bestuur in de zin van
het W. Venn., maar krijgt vanwege de raad van bestuur een
reeks bijzondere volmachten, waarin diens beslissings- en
vertegenwoordigingsbevoegdheden gedetailleerd en op
heldere wijze worden opgesomd. Men kan ervoor opteren
om deze bijzondere volmachten te publiceren in de Bijlagen
tot het Belgisch Staatsblad, zodat de bestuurder niet steeds
een papieren versie van zijn volmacht dient voor te leggen
aan derden. Let wel: een algemene volmacht, waarbij één
bepaald persoon individueel wordt gelast met de algehele
beslissingsbevoegdheid, is niet geldig.
Editie maart 2014
19
Agenda
Seminaries / opleidingen
i.s.m. Grant Thornton
Spreker
Datum
Organisatie
Seminarie / Opleiding
Hilde Gaublomme
Frederik De Graeve
13 maart 2014
EHSAL-FHS-Seminaries
Internationaal ondernemen via dochter
of vaste inrichting
Hilde Gaublomme
Marc Van den Bossche
20 maart 2014
EHSAL-FHS-Seminaries
Overname, overdracht of exit via
asset-share deal
Stefaan De Coninck
Academiejaar 2013-2014
Syntra Antwerpen & VlaamsBrabant – campus Metropool
Module ‘Boekhouden en
vennootschapsboekhouden’
Hilde Gaublomme
Academiejaar 2013-2014
Artesis Plantijn Hogeschool
Antwerpen
Postgraduaat Fiscaliteit –
Module ‘Diverse belastingen:
rechtspersonenbelasting’
Bart Verstuyft
Academiejaar 2013-2014
Artesis Plantijn Hogeschool
Antwerpen
Postgraduaat Fiscaliteit –
Module ‘Omvormingsproblematiek’
Voor het meest recente
overzicht van onze
seminaries en opleidingen
kan u steeds terecht op
onze website:
www.grantthornton.be
Disclaimer
Grant Thornton garandeert de grootste
zorg te hebben besteed aan de
betrouwbaarheid van de informatie
weergegeven in deze nieuwsbrief. Zij kan
hiervoor evenwel geen aansprakelijkheid
aanvaarden. Wenst u de Grant Thornton
Newsletter voortaan elektronisch te
ontvangen, dan kan u dit melden via
[email protected]
Onze nieuwsbrief is eveneens online
beschikbaar op www.grantthornton.be.
Grant Thornton is een handelsnaam
van Grant Thornton Accountants
en Belastingconsulenten CVBA,
Grant Thornton Bedrijfsrevisoren CVBA,
Grant Thornton Efficiëntia CVBA
en Grant Thornton Belgium CVBA.
Genoemde vennootschappen zijn lid van
Grant Thornton International Ltd (GTIL).
GTIL en haar leden zijn geen wereldwijd
partnerschap. Alle diensten worden
geleverd door de leden van GTIL. GTIL en
haar leden zijn geen vertegenwoordigers
van elkaar, hebben geen onderlinge
verplichtingen en zijn niet verantwoordelijk
voor elkaars handelingen of nalatigheden.
Zie www.grantthornton.be voor meer
details.
Contactinfo
V.U. Geert Lefebvre
[email protected]
Antwerpen
Potvlietlaan 6
2600 Berchem (Antwerpen)
T +32 (0)3 235 66 66
Doornik
Rue du Progrès 4B
7503 Doornik (Froyennes)
T +32 (0)69 84 78 44
Brussel
Metrologielaan 10 bus 15
1130 Brussel
T +32 (0)2 242 11 40
Hasselt
Maastrichtersteenweg 8 bus 5-6
3500 Hasselt
T +32 (0)11 22 72 45
www.grantthornton.be
© 2013 Grant Thornton
Alle rechten voorbehouden.
Turnhout
Parklaan 49 bus 7
2300 Turnhout
T +32 (0)14 47 30 70