Tijdvak 2

Fivelsgoud 2
Achtergrondteksten voor docenten bij:
TIJDVAK 2 - De Tijd van Germanen en Romeinen
(50 v C - 500 n C)
(Oorspronkelijke tekst: Jouke Nijman. Bewerking: Merel Thomése. Redactie: Anja Reenders)
Eindredactie, structuur en validatie: Eelco Bruinsma
Projectleiding: Eelco Bruinsma
Fivelsgoud 2 wordt mogelijk gemaakt door financiële steun
van het programma Cultuureducatie Met Kwaliteit (Groningen)
2014
INHOUDSOPGAME
1 Inleiding
1.1 Romeinse Rijk
1.2 Romeinen in Fivelingo
1.3 Wierdebewoners niet arm
2 Overheersing in Fivelingo
3 Opstand en terugtrekking
3.1 Belasting
3.2 Opstand
3.3 Na de opstand
3.4 Terugtrekking
4 Handel
4.1 Romeinen
4.2 Naburige nederzettingen
5 Natuurlijke en opgeworpen wierden
5.1 Natuurlijke hoogte
5.2 Opgeworpen hoogte
6 Vormen van wierden
6.1 Wagenwiel met spaken
6.2 Radiair dorp
6.3 Rechthoekige of blokvormige wierden
7 Huis- en dorpswierden
8 Terp of wierde?
9 Woonstalhuis
9.1 Huis en stal
9.2 Nederzetting
9.3 Oudste woonstalhuis en nederzetting
10 Werken
10.1 Zelfvoorzienend
10.2 Boeren
11 Kleding en sieraden
12 Ploeg
13 Aardewerk
13.1 Kleien van potten
13.2 Bakken van potten
14 Lijkverbranding
15 Geloof
15.1 Germaanse of Romeinse goden?
15.2 Germaanse goden en godinnen
15.3 Germaanse namen en gebruiken
15.3.1 Bouwoffers
1 Inleiding
De tijd van de Grieken en Romeinen duurt van 50 voor Chr. tot 500 na Chr. Het gebied, dat we nu
Nederland noemen, is meer dan 2000 jaar geleden nog geen echt land. Er wonen dan verschillende
Germaanse stammen. In het noorden wonen de Friezen, in het westen de Kanninefaten, in het oosten de Tubanten en net boven de Rijn de Bataven.
1.1 Romeinse Rijk
De Grieken zijn hier nooit geweest. Zo rond 50 voor Chr. trekken de Romeinen naar het noorden
vanuit Italië. Rond het jaar nul zijn ze de baas over een wereldrijk, dat zich uitstrekt van Klein-Azië
tot en met Engeland. Fivelingo ligt boven de noordgrens van het Romeinse Rijk. De rivier de Rijn is
lange tijd de noordgrens van het Romeinse Rijk, ook wel de Limes genoemd. Echter, de Romeinen
zijn wel in Fivelingo geweest.
1.2 Romeinen in Fivelingo
Vanaf 12 voor Chr. willen de Romeinen de grenzen (tot aan de Elbe) uitbreiden. Daarom bouwen
zij legerposten in het Noorden en ook in Fivelingo: aan de Eems, het Flevomeer en in Westeremden.
In 28 na Chr. komen de Friezen in opstand tegen de hoge belasting van de Romeinen. Er is nu een
einde gekomen aan de Romeinse overheersing in het Noorden. In 47 na Chr. wordt de Limes weer
de noordgrens van het Romeinse Rijk. Rond 400 na Chr. trekken de Romeinen helemaal weg uit
Nederland. Niet lang daarna houdt het Romeinse Rijk op te bestaan.
1.3 Wierdebewoners niet arm
De Romeinen kunnen al schrijven in tegenstelling tot de Germanen. Plinius en Tacitus beschrijven
als eersten het leven hier als ‘armoedig in drassige streken’. Lange tijd gelooft men dit. Uit het afgraven van de wierden leert de archeoloog Van Giffen ons, dat de boeren allesbehalve armzalig waren.
Ze leven in comfortabele woonstalhuizen. Tussen 1923 en 1934 graaft Van Giffen de wierde Ezinge
af. Hij ontdekt er resten van woningen uit de vijfde eeuw voor Christus. Wierdebewoners blijken in
grote boerderijen op droge grond te wonen en mooie sieraden en kleding te dragen. Ook worden er
veel Romeinse bronzen beeldjes opgegraven. Hieruit blijkt dat er tussen de Friezen en de Romeinen handel is en dat ze intensief contact hadden. Zo achtergesteld, als de Romeinen ons willen doen
geloven, zijn die wierdebewoners dus niet.
2 Overheersing in Fivelingo
De Romeinen bouwen legerposten boven de Rijn. In Winsum staat de grootste legerpost, maar er
zijn ook aanwijzingen dat in Fivelingo legerposten staan. In 12 voor Chr. voeren de Romeinen via de
Waddenzee naar de Wezer- en Elbemonding. Aan de Eems, mogelijk in Bentumersiel, richten zij een
voorpost in. De eerste haven ligt in Emetha, nu Westeremden genoemd. De Romeinen stichten ook
een burcht: Castellum Flevum, vermoedelijk gelegen aan het Flevomeer, nu het meer van Fivelgo. Bij
het zoeken naar bodemvondsten vindt men op Krangeweer (ten zuiden van Stedum, gemeente Loppersum), de voormalige dijk langs het Flevomeer, veel Romeinse munten en fibulae (kledinghaken).
Die dwangburcht zou naast het viaduct over de Eemshavenweg ter hoogte van Stedum op het land
van boer Rijskamp liggen. Dit is een vierkant van 110 bij 130 meter en geen wierde voor mensen om
erop te wonen. Zo’n vierkant ligt er ook in Westeremden tussen de kerk en het voormalige rechthuis.
3 Opstand en terugtrekking
3.1 Belasting
De Friezen moeten belasting aan de Romeinen betalen. Dat doen ze in de vorm van koeienhuiden.
In 28 na Chr. komt er ruzie. Olennius, een officier, is niet tevreden met de huiden van de kleine
Friese runderen. Hij wil veel grotere huiden, ongeveer zo groot als de huid van de oeros. De Friezen
zijn het hier niet mee eens. Ze doen een tegenaanbod. Ze willen wel kinderen en vrouwen als slaven
betalen. Maar de officier gaat hier niet op in. Dan komen de Friezen in opstand.
3.2 Opstand
De Romeinse belastinginners worden vermoord. Olennius moet vluchten naar castellum Flevum.
Dat mag niet baten want het fort valt in Friese handen. De Friezen veroveren nog enkele Romeinse
vestingen en belegeren zelfs de legerplaats van de Romeinse stadhouder. Er is nu een einde gekomen
aan de Romeinse overheersing in het Noorden.
3.3 Na de opstand
Na de opstand trekken de Friezen zich niet meer zoveel aan van de Romeinen. Misschien dat de
boeren, die op de wierden aan de kust woonden, in het begin wel eens een Romeins schip hebben
voorbij zien varen. Met schepen bewaken de Romeinen de noordelijke vaarroute. De Friezen blijven
wel contact houden met de Romeinen. Soms gaan ze zelfs in het Romeinse leger. De Friezen kunnen
zo goed met paarden omgaan, dat de Romeinen graag Friese ruiters in dienst hebben. Ook “Ommelanders” dienen in de Friese hulptroepen. De opstand maakt veel indruk op de Romeinen. Ze
noemen de Friezen ‘beroemd onder de Germanen’.
3.4 Terugtrekking
In 47 na Chr. lukt het de Romeinen de Friezen weer te veroveren. Juist op dat moment worden door
de Romeinse keizer naar Engeland gestuurd om daar tegen opstandige volkeren te vechten. De Romeinen zijn dan wel weg, maar het contact blijft.
4 Handel
4.1 Romeinen
Romeinen en Friezen blijven handel met elkaar drijven al zullen ze er nu meer moeite voor moeten
doen, want de Romeinen blijven voortaan beneden de Rijn. Luxe spullen worden geruild door hoge
heren en soldaten. Bij opgravingen zijn ook voorwerpen teruggevonden, die ooit van Romeinse
soldaten zijn geweest. Een schoen, een zwaard en heel opvallend, ook beeldjes van Mars, de oorlogsgod. Niet minder dan vijftig Romeinse bronzen beeldjes zijn in het noorden teruggevonden. Dit is de
helft van alle opgegraven Romeinse beeldjes in Nederland. Deze beeldjes zijn een bewijs van intensief handelscontact.
4.2 Naburige nederzettingen
Met de bewoners van naburige nederzettingen ruilen ze producten, die ze zelf niet hebben. Geld
wordt niet gebruikt. Klei, wol, vlees, botten en huiden hebben de boeren zelf. Met de ossenkar wordt
hout en ijzer uit de zandgebieden gehaald. Ze ruilen hun producten voor versierd aardwerk, potten,
wijn, glaswerk, munten en sieraden.
5 Natuurlijke en opgeworpen wierden
5.1 Natuurlijke hoogte
Ongeveer 600 voor Chr. trekken nieuwe bewoners de kustgebieden in. Ze komen uit het zuiden.
Nederland ziet er dan heel anders uit. Er zijn geen dijken om het land te beschermen. De zee stroomt
daardoor heel vaak het land in. Daarom gaan de kustbewoners op de hogere plaatsen in het landschap wonen. Aan de oevers van riviertjes en wadgeulen op de kwelders van de Wadden ligt het land
vaak wat hoger, omdat daar het meeste slib is afgezet.
5.2 Opgeworpen hoogte
Rond 300 voor Chr. begint de zeespiegel te stijgen. Het leefgebied van de kustbewoners overstroomt
nu regelmatig. De bewoners worden gedwongen om hun woonplaatsen op te hogen met klei, graszoden, pollen en riet. Maar ook door afval als huisvuil en mest groeien de wierden. Aan mest is geen
gebrek, want vooral in de wintermaanden, als de hele gemeenschap met al hun bezittingen op de
wierde moet blijven, zorgt het vee voor grote hoeveelheden mest. Op de kwelderwallen zijn in de
loop van de tijd meer dan duizend terpen en wierden opgeworpen.
6 Vormen van wierden
6.1 Wagenwiel met spaken
Om afslag bij hoog water zoveel mogelijk te voorkomen, zijn de meeste wierden cirkelvormig gebouwd. De huizen staan min of meer in het rond met de achterzijde naar de rand van de wierde gericht.
Om de grond op zo’n woonheuvel eerlijk onder de boeren te verdelen, wordt, net als bij een taart,
alles in “taartpunten” verdeeld. Elke boerderij heeft nu een stuk grond in de vorm van zo’n taartpunt.
Van boven gezien, lijkt het net een wagenwiel met spaken!
6.2 Radiair dorp
De wierden van Biessum, Spijk, Marsum, Weiwerd, Leermens, Godlinze, Middelstum, Toornwerd
zijn radiar gebouwd. Dat wil zeggen dat de bewoning in een cirkel om de kerk is gebouwd. De boerderijen staan met hun achterkant naar de buitenzijde van de wierde langs een zogeheten ring- of
ossenweg. De drie mooiste voorbeelden van een radiaire wierden: Biessum, Weiwerd en Uitwierde.
Dit zijn ook de meest geschonden of bedreigde dorpen. Ze worden bedreigd door mogelijke uitbreiding van de havenstad Delfzijl.
6.3 Rechthoekige of blokvormige wierden
Blokvormige wierden komen voor in hoger gelegen gebieden waar weinig kans is op overstroming.
Bijvoorbeeld de wierde van Huizinge. Daarnaast komen ze ook veel voor in lager gelegen gebieden
zoals op de knikklei en in de Wolden op de vlakkere delen van de kwelder. Loppersum, Bierum, Stedum en de kleinere dorpen hebben meer de vorm van rechthoekige of langwerpige wierden. Dit deel
van Noordoost- Fivelingo wordt vanouds ontwaterd door de rivier de Heekt. Het voormalige riviertje wordt in 1303 na Chr. vermeld als grens tussen Fivelingo, Westerambt en Oostambt. De Heekt was
verder de bovenloop van het riviertje de Apt dat in het Schildmeer ontsprong.
7 Huis- en dorpswierden
In het begin woont er maar één familie op een wierde. Dat is een huiswierde. Als deze huiswierden
aan elkaar groeien, ontstaat er een dorp. Enkele wierden in het kustgebied zijn zelfs tot een stad uitgegroeid. Appingedam is op zo’n manier ontstaan.
8 Terp of wierde?
De Friezen (en inmiddels de rest van Nederland) gebruiken voor wierde het woord terp. Terp voert terug op dorp. Het Groningse woord wierde stamt af van werd. Daarvan zijn veel noordelijke
plaatsnamen afgeleid. Oorspronkelijk betekent werd zoiets als heem (huis). Bijvoorbeeld Weiwerd.
9 Woonstalhuis
9.1 Huis en stal
Het is geen stal, het is geen woning, het is een... woonstalhuis. Mensen en dieren wonen bij elkaar.
De boerderij is dus een woning en een stal tegelijk! Gemiddeld wonen er een vader, een moeder, drie
of vier kinderen en vaak ook nog de grootouders. In het stalgedeelte staan in de winter misschien
wel twintig koeien, wat schapen en een paar paarden. Het zijn grote boerderijen, grote rechthoekige
gebouwen van hout. De wanden zijn van vlechtwerk, dat bestreken is met klei. De daken zijn van
riet. De huizen hebben een groot overhangend dak, dat rust op enkele palen. In het woongedeelte
ligt een vloer van aangestampt leem. In het midden is de vuurplaats. Vuur speelt een zeer belangrijke
rol in het leven van de mensen.’s Avonds komen de mensen daar bij elkaar om te eten. Aan het vuur
kunnen de mensen zich lekker warmen. Daaromheen liggen de slaapplaatsen.
9.2 Nederzetting
De boerderijen liggen rondom een grote ruimte in het midden van de wierde. Hier bevindt zich
meestal een zoetwaterbekken of dobbe, een drinkplaats voor het vee. De schuren vind je vaak aan de
rand van de wierde. Dat is gemakkelijk voor als het vee de wei in gaat. Bij hoogwater is het vee dan
weer snel in de schuren terug. Om de voet van de wierde ligt een pad, ook wel het ossepad genoemd. Het pad loopt langs de schuren. Eeuwen later worden in het midden van de wierden de eerste
kerkjes gebouwd.
9.3 Oudste woonstalhuis en nederzetting
Uit het afgraven van de wierden leert de archeoloog Van Giffen ons, dat de boeren allesbehalve
armzalig waren. Ze leefden in comfortabele woonstalhuizen. Tussen 1923 en 1934 groef Van Giffen
de wierde Ezinge af. Hij ontdekte er resten van woningen uit de vijfde eeuw voor Christus. Daarmee
is Ezinge volgens archeologen Nederlands oudste woonplaats!
10 Werken
10.1 Zelfvoorzienend
De wierdebewoners doen alles zelf om in leven te blijven. Ze zorgen voor hun eten en drinken,
bouwen hun huis en maken zelf hun kleding en aardewerk. Vrouwen zitten achter het weefgetouw of
maken kleding. Er worden potten gebakken. Het land wordt geploegd en bebouwd. Er wordt gezaaid. En er wordt op de runderen, schapen en varkens gepast. Toch blijven de wierdebewoners ook nog
jagen, vissen en vruchten verzamelen.
10.2 Boeren
De wierdebewoners leven eerst voornamelijk van de landbouw. Doordat het woongebied steeds
natter wordt, wordt het moeilijker om de akkers te bebouwen. De boeren gaan daarom steeds meer
aan veeteelt doen. Koeien houden ze niet in de eerste plaats voor de melk, maar voor het vlees en de
huiden. Verder hebben ze schapen voor de melk en varkens voor het vlees. Volgens de Romeinen
waren de Friezen uitstekende speksnijders.
11 Kleding en sieraden
Kleding maken de wierdebewoners zelf van schapenwol. Luxe kleding wordt gemaakt van stof, die ze
uit andere gebieden halen. Aan hun uiterlijk besteden de wierdebewoners veel aandacht. De vrouwen dragen mooie mantelspelden, halskettingen en haarnaalden. Maar ook de mannen willen er
verzorgd uitzien. Met pincetten en baardtangetjes trekken ze hun baardharen. De meeste sieraden
worden ter plaatse gemaakt. Maar soms worden bijzondere sieraden meegenomen van een verre
handelsreis.
12 Ploeg
De eerste boeren hebben nog niet veel gereedschap om het land te bewerken. Ze gebruiken bijlen
om het vele hout te kappen voor de woningbouw. Om het land te bewerken gebruiken ze een houten
kapper. Daarmee maken ze de grond los. Dat gaat langzaam want het is heel zwaar werk. In de losgemaakte grond zaait men wilde granen, onder andere gerst en vlas.
De uitvinding van de ploeg maakt het werken op het land een stuk gemakkelijker. Met een houten
ploeg en een sterke koe ervoor kun je nu in je eentje een groot stuk land bewerken. Het eergetouw
dat elders al rond 3000 voor Chr. gebruikt wordt, is een natuurlijk gevormde tak waarop men een
constante druk moet uitoefenen. Hiermee kun je zo’n 15 tot 20 cm diep ploegen.
Maar al gauw ontdekt men dat je met twee trekdieren nog meer werk kunt doen, vooral als de bodem zwaar is. Met een juk kun je twee koeien naast elkaar laten lopen. In het midden van het juk
maak je de ploeg vast.
In de IJzertijd ontdekt men dat je met een ijzeren punt aan de ploeg nog dieper kunt ploegen. In de
tijd van Grieken en Romeinen is het werktuig niet veel veranderd. Als landbouwproducten uit die
tijd worden genoemd: tarwe, erwten, linzen, rogge, et cetera. In ontwikkelingslanden gebruiken de
boeren bijna dezelfde ploegen.
13 Aardewerk
13.1 Kleien van potten
De wierdebewoners bewaren hun voedsel in grote potten. De potten zijn gemaakt van aardewerk.
Dat is gebakken klei. Hierin wordt ook gekookt. Voor eten en drinken gebruiken ze kleiner aardewerk. Het aardewerk wordt helemaal met de hand gemaakt, want een draaischijf heeft men dan nog
niet. De klei wordt in de omgeving gevonden. De potten worden opgebouwd uit kleine kleirolletjes.
Als de pot klaar is, moet hij ongeveer twee weken drogen. Soms wordt de pot versierd door er in te
krassen. Daarna kan de pot worden gebakken.
13.2 Bakken van potten
Potten kun je op verschillende manieren bakken. De eenvoudigste manier is in een kuiloven. Een
gat van ongeveer 20 cm diep gat wordt gevuld met hooi en houtsnippers. Daarop worden de potten
geplaatst. Daar bovenop komt een flinke hoeveelheid hooi en hout. De buitenkant wordt afgedekt
met een laag hout van ongeveer 20 cm dikte. Vervolgens wordt de stapel in brand gestoken. Na
ongeveer 30 minuten goed doorbranden wordt de stapel afgedekt met plaggen. Na 24 uur stoken zijn
de potten goed doorbakken. Later worden potten gebakken in oventjes. De oventjes halen maar een
temperatuur van zo’n 600 graden. Het aardewerk blijft daardoor zeer breekbaar. Om het sterker te
maken wordt er gras doorheen gemengd. Ook wordt de pot, als die klaar is, aan de buitenkant met
klei besmeerd. Daar blijft heel wat lucht in achter, zodat er een isolerend laagje ontstaat.
14 Lijkverbranding
Van de doden in de IJzertijd is weinig teruggevonden. Misschien begraaft men de doden bij laag
water op de kwelder. Of laat men de doden met de golven wegspoelen. We weten het niet zeker.
In de tijd van de Romeinen worden de doden verbrand. De overledene wordt op een brandstapel
verbrand. De as wordt dan in een urn, een potje gedaan en daarna begraven in een grafveld. Dat
zijn velden waar de as van doden in de grond wordt opgeborgen. Niet altijd wordt de as in een potje
gestopt. Het gebeurt ook wel dat de as in een kuiltje wordt gedaan.
Behalve urnen worden ook kistjes of linnen zakken gebruikt om de in as te doen. Soms doet men
voorwerpen bij de as, zoals dierenbotten. Men gelooft dat de overledene die nodig heeft na zijn
dood. We weten zo dat de mensen wel geloven in het hiernamaals.
15 Geloof
15.1 Germaanse of Romeinse goden?
Wat de wierdebewoners geloven, is weinig over bekend. Van de Romeinen weten we dat de wierdebewoners in Donar en Wodan geloven. Dat zijn Germaanse goden. We weten niet hoe die eruit
zien, want er zijn geen beelden van teruggevonden. Volgens de Romeinen geloven de Friezen ook in
Mercurius, de Romeinse god, die de handelaren beschermt. In Groningen zijn wel tien van deze Romeinse godenbeeldjes teruggevonden, van brons. In het hele Noorden vijftig stuks. Maar er zijn ook
beeldjes van andere Romeinse goden gevonden. Ze worden waarschijnlijk meegenomen door Friese
handelaren of soldaten, die in het Romeinse leger dienen. Het is goed mogelijk dat de Friezen in die
beeldjes de afbeeldingen van hun eigen goden zien. Want de Romeinen dringen hun goden niet aan
de Friezen op.
15.2 Germaanse goden en godinnen
De Germanen hebben andere goden dan de Romeinen. Hun belangrijkste god heet Wodan. Hij is
de god van leven en dood. Hij rijdt op Sleipnir, zijn achtvoetig paard en wordt vergezeld door twee
raven en twee wolven. Alles wat er op aarde gebeurt kan Wodan zien. De twee zwarte raven zijn
boodschappers. Van overal komen zij naar Wodan toegevlogen om hem te vertellen wat er is gebeurd. Zijn vrouw heet Freia. Zij is de moeder van alle goden. Donar is de zoon van Wodan. Hij is de
god van donder en bliksem, de god van de vruchtbaarheid. Hij zorgt voor het onweer en de regen,
zodat het graan kan groeien. Balder is de god van het licht. Tyr is de god van de oorlog.
15.3 Germaanse namen en gebruiken
Wij hebben de namen voor de dagen van de week, net als die voor de maanden, ontleend aan de
Germanen en de Romeinen. De Romeinen hebben van de Grieken het gebruik overgenomen om de
dagen te noemen naar hemellichamen: de zon, de maan en vijf planeten. Deze planeten zijn op hun
beurt genoemd naar goden.
De Germanen hebben vier van de godennamen ’vertaald’ naar hun eigen goden. De naam woensdag
herinnert aan Wodan, de belangrijkste god van de Germanen. De donderdag aan hun god Donar en
vrijdag aan de godin Freia. Dinsdag is genoemd naar Tyr.
Ook de kerstboom is een Germaans gebruik. De Germanen vieren dan op de kortste dag van het jaar
het midwinterfeest. Het is de overwinning op de duisternis. De paasvuren zijn eigenlijk ook oude
Germaanse feesten. De Germanen staken in het voorjaar grote vuren aan. De as van de vuren slaat
dan neer op het land. Het land wordt daardoor vruchtbaar. Het afsteken van vuurwerk met oud en
nieuw is ook een oud Germaans gebruik. De Germanen verjagen met veel lawaai de boze geesten.
15.4 Bouwoffers
Bij opgravingen zijn in de muren van de boerderijen schedels van dieren gevonden. De schedels zijn
in de wanden gemetseld. We denken dat het schedels zijn van dieren, die zijn geofferd bij de bouw
van een nieuw huis. Deze bouwoffers moeten het nieuwe huis tegen onheil en kwaad te beschermen.