MTCJunior resultaat programma obesitas kinderen.

Behandelresultaat van
een multidisciplinair
programma voor
kinderen met
overgewicht bij
MTCJunior
INLEIDING
In Nederland is overgewicht bij kinderen een
groeiend probleem. De prevalentie van jongens
met overgewicht is gestegen van 9% in 1997
tot 13% in 2009. Bij meisjes is er eveneens
een toename in overgewicht te zien, van 12%
in 1997 tot 15% in 20091. Overgewicht
ontstaat daarnaast op steeds jongere leeftijd en
komt vaker voor bij kinderen van Turkse afkomst
(jongens 33% en meisjes 32%) en Marokkaanse afkomst (jongens 25% en meisjes 29%)1.
Dit probleem heeft zowel voor het kind als voor
de maatschappij een grote impact. Voor het
kind betekent dit vaak onzekerheid en het niet
goed mee kunnen komen met lichamelijke
activiteiten op school en in vrije tijd. Hiernaast
heeft het kind in de toekomst een grotere kans
op het ontwikkelen van andere aandoeningen,
zoals; Diabetes Mellitus, hart-/vaatziektes
en gewrichtsklachten. Voor de maatschappij
betekent dit in de toekomst hogere kosten in de
gezondheidzorg. De medische kosten als gevolg van overgewicht zijn rond de 500 miljoen
euro per jaar in Nederland2.
Verschillende onderzoeken hebben aangetoond
dat overgewicht op 2- tot 11-jarige leeftijd een
redelijk tot goede voorspeller is voor het houden
van overgewicht op latere leeftijd1. Ingrijpen nu
kan mogelijk de kostenstijging in de toekomst
van de gezondheidszorg voorkomen.
MTCJunior in Amersfoort behandelt al jaren
kinderen met overgewicht middels een multidisciplinair programma, met als doel om gedragsverandering voor eten en bewegen te bewerkstelligen. In dit artikel zal het behandelresultaat
van 45 kinderen geëvalueerd worden die het
multidisciplinaire programma van MTCJunior
hebben gevolgd.
2
WELKE KINDEREN HEBBEN HET MULTIDISCIPLINAIR PROGRAMMA GEVOLGD?
Niet alle kinderen met overgewicht komen in
aanmerking voor een traject bij MTCJunior. Bij
volwassenen wordt de Body Mass Index (BMI)
gebruikt om de mate van overgewicht te bepalen. Omdat bij kinderen de BMI afhankelijk is
van leeftijd, geslacht en puberteitsontwikkeling,
worden bij kinderen geen absolute waarden
maar standaarddeviatiescores gebruikt (BMISDS). De World Health Organisation (WHO)
beveelt aan om voor kinderen de BMI referentiewaarden +1,1 SDS en +2.3 SDS te gebruiken,
die respectievelijk overeenkomen met bij volwassenen gebruikte afkapwaarden van 25 kg/m2
(overgewicht) en 30 kg/m2 (obesitas)3.
In aanmerking voor het programma komen alleen
de kinderen die een BMI-SDS hoger hebben
dan +2.3 of wanneer zij een BMI-SDS hoger
hebben dan +1.1, met comorbiditeit. Voorbeelden van comorbiditeit zijn: ontwikkelingsachterstand, chronische ziekte en/of beperking.
In totaal worden de resultaten van 45 kinderen
bekeken. De selectie hiervan is gedaan op
basis van afgesloten trajecten bij MTCJunior
van december 2013, terugtellend in de tijd tot er
45 casussen geselecteerd waren. Bij de eindmeting hadden totaal 39 kinderen het traject
volledig afgerond. Tussentijds zijn in totaal 6
kinderen gestopt. De reden hiervoor was bijvoorbeeld verhuizing, gebrek aan motivatie
Figure 1: Etniciteit kinderen MTCJunior
of andere gezondheidsproblemen. Tijdens de
meetmomenten is de uithoudingsvermogen test
(Bruce-test) niet altijd meegenomen. De reden
hiervoor was dat het kind ziek was of hyperventilatie kreeg, waardoor de test niet uitgevoerd of vroegtijdig gestopt moest worden.
Van de 45 kinderen van deze resultatenmeting
waren er 21 jongens en 24 meisjes. De gemiddelde leeftijd was: jongens 11,83 jaar (SD
2,70) en meisjes 9,96 jaar (SD 2.23). De afkomst van de kinderen was: 49% Nederlands,
36% Turks, 9% Marokkaans, 2% Surinaams,
2% Iraans en 2% Kazachstaans. Etniciteit is een
belangrijk kenmerk om mee te nemen tijdens
de berekening van de BMI-SDS, gezien de
referentiewaarden hoger uitvallen van de
Nederlandse kinderen met Marokkaanse of
Turkse afkomst t.o.v. Nederlandse kinderen van
Nederlandse afkomst.
3
WAT HOUDT HET PROGRAMMA IN?
MTCJunior heeft gekozen voor een multidisciplinaire benadering. Deze wordt uitgevoerd door
de fysiotherapeut, diëtiste en orthopedagoog.
Samenwerking tussen deze verschillende disciplines is een belangrijk onderdeel van dit programma. Voor de multidisciplinaire benadering
t.o.v. de monodisciplinaire benadering is meer
wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit
van de behandeling. Citatie uit de JGZ-richtlijn
Overgewicht 2012;
“Bij kinderen met obesitas is onvoldoende
wetenschappelijk bewijs om uitspraken te doen
over het afzonderlijke effect van dieetinterventie
(Atlantis et al. 2006; Collins et al. 2006;
Gibson et al. 2006; McGovern et al. 2008).
Wél zijn er aanwijzingen dat een gecombineerde behandeling voor kinderen met obesitas,
waarin drie of meer componenten worden aangeboden (voeding, lichamelijke activiteit en gedrag) effectief is. Hierbij zijn klinische studies,
‘community based’-studies en gezinsgerichte
interventies effectiever dan schoolprogramma’s
(Oude Luttikhuis et al. 2009)”.
Het multidisciplinaire programma van MTCJunior
duurt 1 jaar. Bij aanvang starten de kinderen
met twee keer per week sporten bij MTCJunior,
onder begeleiding van een fysiotherapeut. Als
de kinderen aanvullend zelf een sport beoefenen,
4
wordt na 3 maanden de intensiteit verlaagd naar
één keer per week. Hiernaast zijn er minimaal
6 contactmomenten bij de diëtiste en minimaal
5 uur bij de psycholoog/orthopedagoog. Blijkt
tijdens het programma dat een bepaalde interventie meer aandacht moet krijgen, dan wordt tot
een intensiever beleid op dat punt besloten.
Tijdens het programma worden de volgende
metingen gebruikt om het programma te evalueren:
• de frequentie sporten per week
• BMI-SDS
• het aerobe uithoudingsvermogen (Bruce test)
De metingen worden altijd bij aanvang, en na
beëindigen van het traject (+/- 1 jaar) uitgevoerd. Hiernaast worden de metingen herhaald
tijdens de tussentijdse evaluaties (+/- 3 en 6
maanden na aanvang traject).
DE MATE VAN OVERGEWICHT
De BMI-SDS
De mate van overgewicht werd berekend door
gebruik te maken van de BMI-SDS. De Dutch
growth analyser (www.growthanalyser.org)
werd gebruikt voor het berekenen van de
standaarddeviatie voor lengte en BMI op basis
van Nederlandse referentie waarden die gepubliceerd zijn in de studie van Talma 20103.
Resultaten BMI-SDS
In figuur 2 zijn de resultaten te zien van de
BMI-SDS gedurende de 4 meetmomenten.
Wanneer men kijkt naar de gemiddelde score
tussen de begin- en eindmeting, ziet men bij
de jongens tijdens de beginmeting een gemiddeld BMI-SDS van 2,79 en tijdens de eindmeting een gemiddelde BMI-SDS van 2,37.
Bij de meisjes ziet men bij de beginmeting een
gemiddelde BMI-SDS van 2,64 en bij de eindmeting een gemiddelde BMI-SDS van 2,19.
Het gemiddelde van de hele groep liet een
verlaging zien van -0,42 BMI-SDS (BMI-SDS
2,70 naar 2,28), procentueel 15,6% vermindering t.o.v. beginmeting.
Figure 2: Resultaten BMI-SDS
Wanneer we de uitkomsten van deze BMI-SDS
vergelijken met andere Nederlandse studies
met soortgelijke multidisciplinaire benadering
valt het volgende op:
• RCT Door Dik en Dun TNO5 2010: Bij de
multidisciplinaire groep daalde de BMI-SDS
van 2.42 (SD = 0.47) naar 2.10 (SD=
0.58) na 12 maanden. Een gemiddelde
vermindering procentueel van 13,3% (BMISDS -0,32)
• RCT Studie Vos et al.6 2012: Bij de multidisciplinaire groep daalde de BMI-SDS van
4.2. naar 3.8 na 12 maanden. Een gemiddelde vermindering procentueel van 9,5%
(BMI-SDS -0,4)
5
HET AEROBE UITHOUDINGSVERMOGEN
De Bruce-test
Voor het bepalen van het aerobe uithoudingsvermogen werd de maximaaltest Bruce gebruikt. De literatuur raadt aan om een looptest
boven een fietstest te gebruiken bij kinderen,
gezien de beperkte ontwikkeling van de knieextensoren. De test bestaat uit lopen op een
loopband, waarbij de loopsnelheid en helling
volgens een vast protocol worden opgevoerd
in stappen van 3 minuten. Het is de bedoeling
dat het kind op de loopband zo lang mogelijk
loopt, tot maximale vermoeidheid of uitputting.
Het testresultaat wordt uitgedrukt in minuten/
seconden. De seconden zijn teruggerekend
naar decimalen om berekeningen te doen met
het testresultaat.
De referentiewaarden van de Bruce test zijn bekend: voor de leeftijd tussen de 4 en 13½ jaar
zijn de referentiewaarden gebruikt van de
studies van der Cammen-van Zijp et al.7,8
geïnventariseerd op gezonde Nederlandse
kinderen. Voor de kinderen ouder dan 13½
zijn de referentiewaarden gebruikt van de
studie van Brinkhorst et al.9. Handmatig is per
kind de spreiding (standaarddeviatie (SD)) berekend t.o.v. de verwachte waarde van de Bruce (Schaal P50). Een negatieve standaarddeviatie betekent dat het kind onder de verwachte
waarde van de Bruce scoort.
6
Figure 3: Resultaten Bruce test
Resultaten Bruce-test
In figuur 3 zijn de resultaten van de Bruce test
te zien, gedurende de 4 meetmomenten.
De gemiddelde Bruce SD was bij de beginmeting bij de jongens gemiddeld -2,64 SD en bij
de eindmeting -1,02 SD; bij de meisjes was
de beginmeting gemiddeld -1,98 SD en bij de
eindmeting -0,66 SD. Bij zowel de jongens
als de meisjes wordt er duidelijk positiever gescoord op de Bruce, totaal -1.47 SD.
Dit betekent dat de kinderen duidelijk dichter bij
de verwachte waarde van de Bruce schaal gekomen. Wel is het belangrijk om mee te nemen
dat bij het herhaaldelijk afnemen van de Bruce
test een mogelijke verplaatsing zal plaatsvinden
van de maximale inspanning doordat het kind
uit eerdere ervaringen zijn grenzen zal verleggen.
DE FREQUENTIE VAN SPORTEN
De Nederlandse Norm Gezond Bewegen
(NNGB)
De NNGB heeft verschillende normen voor
verschillende leeftijden, er is ook een norm
voor een gezond beweeggedrag van kinderen.
Deze norm onderscheidt bij kinderen twee verschillende soorten van lichamelijke activiteit:
• Matig intensieve lichamelijke activiteiten
(zoals; skateboarden, fietsen etc.
(>= 5 MET’s), minimaal 1 uur per dag.
• Activiteiten gericht op verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid (zoals: voetbal, turnen etc.) minimaal 2 x per week.
Tijdens de meetmomenten is de frequentie van
het aantal keer per week sporten bij een reguliere sportvereniging uitgevraagd, het tweede
deel van de NNGB. Hieronder vielen niet de
trainingen bij MTCJunior of de sportlessen op
school. Sporten bij een vereniging is een belangrijke stimulans om lange termijn gedragsverandering rondom fysieke activiteit te bewerkstelligen.
Resultaten NNGB
In figuur 4 is de frequentie van het aantal keer
sporten bij een sportvereniging te zien. Bij aanvang sporten de kinderen gemiddeld 0.64
keer per week, tijdens het tweede meetmoment
gemiddeld 0.84 keer per week, tijdens het
derde meetmoment gemiddeld 1.37 keer
Figure 4: Resultaat NNGB
per week en tijdens het laatste meetmoment
gemiddeld 1.75 keer per week. Gemiddeld is
het sporten toegenomen met 2,73 keer t.o.v.
begin- en eindmeting. Wanneer er wordt
gekeken of jongens en meisjes van elkaar
verschillen, kan er gezien worden dat gemiddeld jongens zowel bij de beginmeting als de
eindmeting frequenter sporten per week dan
meisjes. (jongens 0.71 keer t.o.v. 2.00 keer
en meisjes 0.58 t.o.v. 1.55 keer).
Hieruit kan geconcludeerd worden dat de
jongens aan het eind van het traject voldeden
aan de NNGB, gericht op verbeteren of handhaven van lichamelijke fitheid,bij de meisjes
nam de frequentie na het volgen van een
traject aanzienlijk toe. Echter, zij voldeden
nog niet aan dit onderdeel van de NNGB.
7
CONCLUSIE
Het volgen van een multidisciplinair programma
bij MTCJunior laat bij een steekproef van 45
kinderen met overgewicht/obesitas een duidelijke verbetering zien na 12 maanden op de BMISDS, frequentie van het sporten en de Bruce test
(maximale aerobe uithoudingsvermogen).
• De BMI-SDS neemt gemiddeld af met
15,6%, dit betekent dat het kind dichter bij
de gezonde referentiewaarden terecht is
gekomen en dus is afgevallen.
• Het aerobe uithoudingsvermogen gemeten
middels de Bruce-test is verbeterd van -2.29
naar -0.81standaarddeviatie verwijderd
van de referentiewaarden.
• De sportfrequentie neemt toe, na één jaar
gaan de kinderen gemiddeld +1.1 keer per
week meer sporten bij een sportvereniging.
Met deze resultaten van dit multidisciplinaire
programma van MTCJunior kan er met redelijkheid geconcludeerd worden dat deze behandeling effectief is bij het bestrijden van overgewicht/obesitas en het verhogen van de lichamelijk activiteit bij kinderen.
Simone Fens
MSc. Manueeltherapeut,
Fysiotherapeut
1. JGZ-richtlijn, Overgewicht; Preventie, signalering, interventie en verwijzing. Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Mei 2012
2. Gezondheidsraad (2006). Overgewicht.
3. Talma H et al. Groeidiagrammen 2010. Den Haag: TNO, 2010.
4. A.M. Fredriks et al. Body index measurements in 1996-7 compared with 1980. 2000.
5. TNO-rapport, Evaluatie door Dik en Dun. 2010
6. R.C. Vos et al. The effect of family-based multidisciplinary cognitive behavioral treatment on health-related quality of life in
childhood obesity. 2011
7. M.H.M. van der Cammen-van Zijp et al. Exercise capacity in Dutch children: new reference values for the Bruce treadmill
protocol. 2009
8. M.H.M. van der Cammen-van Zijp et al. Exercise testing of pre-school children using the Bruce treadmill protocol: new
reference values. 2009
9. R.A. Bronkhorst et al. Maximale inspanning door kinderen: referentiewaarde voor 6-18 jarige meisjes en jongens. 1992
Databankweg 2A, Amersfoort
T (033) 453 16 77
www.mtczorg.nl