Vragen biologie : ecologie

Biologie – 3FRWET
Freinetschool Villa da Vinci – 2014-2015
Vragen biologie : ecologie
Hier volgt de lijst met vragen ter voorbereiding van de B-toets biologie. Op de toets zul je geen
andere vragen dan de onderstaande krijgen.
Let bij je antwoorden op het volgende:
-
Antwoord op de vraag die gesteld wordt
Beperk je niet tot een minimaal antwoord. Streef naar volledigheid, zonder telkens een
volledig opstel te schrijven
Gebruik de juiste termen!
De samenvattingen en de prezi’s van alle lessen vind je op http://www.mathima.be/biologie2u.html. Ook in je biologie-boek vind je nuttige informatie en antwoorden.
Algemeen: ecologie
1) De volgende woorden moet je kunnen verbinden met hun omschrijving, of met een
omschreven voorbeeld, een toepassing, … (of: invullen in een gatentekst).
Ecologie, biosfeer, bioom, biotoop, aquatische/terrestrische biomen, ecosysteem, evenwicht,
biodiversiteit, BBI, taxonomie, successie, habitat, organisme.
Wat is ecologie?
1) Maak een overzichtelijk schema met de volgende woorden, zodat de verbanden duidelijk
worden. Geef telkens ook een of enkele voorbeelden (het aantal voorbeelden dat je moet
geven staat tussen haakjes; plaats deze voorbeelden in het schema)
Schema 1 : Biosfeer (1), bioom (biomen), terrestrische biomen (2), aquatische biomen (2)
Schema 2 : Ecosysteem (2), biotoop (2), levensgemeenschap
2) Wat betekent successie? Geef een voorbeeld.
3) Geef een voorbeeld van een a) natuurlijk ecosysteem ; b) halfnatuurlijk ecosysteem.
4) Beschrijf een realistisch voorbeeld van een ecosysteem waar de stabiliteit (het evenwicht) en
de successie door menselijke ingrepen verstoord worden.
5) Beschrijf een realistisch voorbeeld van een ecosysteem waar de stabiliteit (het evenwicht) en
de successie door natuurlijke ingrepen verstoord worden.
6) Wat liep er fout in het Biosfeer II – project?
a) Beschrijf drie elementen die fout liepen.
b) Suggereer voor elk element een oplossing.
p. 1
Biologie – 3FRWET
Freinetschool Villa da Vinci – 2014-2015
7) Stel dat jij gekozen wordt om het project Biosfeer III, de opvolger van Biosfeer II, te leiden.
Wat zou je anders doen dan de leiders van Biosfeer II ? Werk uit met argumenten en
redenen (niet gewoon een opsomming).
Biotoop en biotooponderzoek
1) Toon met behulp van het concept “BBI” (Belgische Biotische Index) aan dat er een verband
bestaat tussen biodiversiteit en de kwaliteit van een ecosysteem.
Symbiose (incl. parasitisme en mutualisme)
1) Aantonen dat je de volgende begrippen correct kun omschrijven, of in een lijst plaatsen, of
met voorbeelden verbinden enz.: symbiose, parasitisme, commensalisme, mutualisme,
predatie, concurrentie, hyperparasitisme
2) Van elk van de bovenstaande symbiose-vormen moet je minstens één voorbeeld kunnen
geven.
3) Leg het verschil uit tussen een endoparasiet en een ectoparasiet. Geef van elk één
voorbeeld.
4) Beschrijf een voorbeeld van mutualisme tussen een diersoort en micro-organismen.
Biotoop en biotooponderzoek
1) Aantonen dat je de volgende begrippen correct kun omschrijven, of in een lijst plaatsen, of
met voorbeelden verbinden enz.: biotoop, biotische factoren, chemische invloeden, fysische
invloeden, biologische invloeden,
2) Noem twee biotische factoren die de bodemvruchtbaarheid beïnvloeden. Leg telkens kort uit
hoe de beïnvloeding gebeurt.
3) Geef een voorbeeld van verstoring van een biotoop of ecosysteem door een chemische
factor. Leg uit hoe de beïnvloeding gebeurt (kies zelf een biotoop of ecosysteem).
4) Geef een voorbeeld van verstoring van een biotoop of ecosysteem door een fysische factor
(kies zelf een biotoop of ecosysteem).
5) Beschrijf een experiment om de invloed van licht en vochtigheidsgraad op pissebedden te
onderzoeken. Hoe voer je het experiment uit, zodat je resultaten zo betrouwbaar mogelijk
zijn? Antwoord in telegramstijl of met een schema, maar wees wel duidelijk en volledig.
(Je hoeft NIET in te gaan op de resultaten van het experiment; het gaat hier om de juiste
uitvoering van het onderzoek).
p. 2
Biologie – 3FRWET
Freinetschool Villa da Vinci – 2014-2015
Aantallen- en energiepiramides
1) Leg uit : aantalpiramide, energiepiramide, biomassapiramide
2) a) Leg aan de hand van onderstaand diagram de energiedoorstroming in het afgebeelde
ecosysteem uit.
b) Welk verband is er met de voedselpiramide?
3) a) Leg een energiestromen-diagram uit (bv. zoals hieronder).
b) Vergelijk het energiestromen-diagram tussen twee afgebeelde dieren
p. 3
Biologie – 3FRWET
Freinetschool Villa da Vinci – 2014-2015
Materiekringlopen + verstoring van de materiekringlopen (lessen 7 en 8)
1) Beschrijf (aan de hand van een schema of tekening : die krijg je op de toets) enkele
materiekringlopen in een ecosysteem :
- Koolstofkringloop
- Stikstofkringloop
- Zuurstofkringloop
(Fosforkringloop : niet)
2) Leg met je eigen woorden het belang van de stikstofkringloop uit. Toon met een voorbeeld
aan:
- hoe wordt het (voor planten en dieren onbruikbare) stikstofgas in de lucht toch omgezet
in bruikbare nitraten en in ammonium?
- hoe wordt vervolgens opnieuw stikstofgas gevormd, zodat de kringloop rond is?
3) Bespreek twee voorbeelden van (door mensen veroorzaakte) verstoring van de
koolstofkringloop. Bespreek telkens ook een mogelijke oplossing van het probleem.
4) Bespreek een voorbeeld van (door mensen veroorzaakte) verstoring van de stikstofkringloop.
5) a) Leg kort het belang uit van fosfor voor het leven op aarde. Noem ook enkele voorbeelden.
b) Welk probleem is er momenteel in verband met fosfor? Suggereer enkele oplossingen.
(zie het filmpje over het Fosforprobleem op de prezi van Fiep/Belle).
Natuurbeheer en ecosystemen
1) Leg met een voorbeeld uit hoe uitheemse soorten een ecosysteem kunnen verstoren.
2) Natuurbeheer. Leg uit hoe de mens met maaibeheer, begrazing, nulbeheer en/of plaggen
ingrijpt in de natuur. Verklaar telkens ook waarom de methode toegepast wordt en wat het
verwachte resultaat is. Geef van elke methode een voorbeeld van een nuttige toepassing.
p. 4