Download Groen Praetjes 27.3 - Skript Historisch Tijdschrift

Artikel: Praetjes. Een zeventiende eeuwse pamflettenstrijd in de Republiek der Nederlanden
Auteur: Rosa Groen
Verschenen in: Skript Historisch Tijdschrift, jaargang 27.3, 33-48.
© 2014 Stichting Skript Historisch Tijdschrift, Amsterdam
ISSN 0165-7518
Abstract: Not available.
Niets uit deze uitgave mag worden gereproduceerd en/of vermenigvuldigd zonder schriftelijke toestemming van
de uitgever.
Skript Historisch Tijdschrift is een onafhankelijk wetenschappelijk blad dat vier maal per jaar
verschijnt. De redactie, bestaande uit studenten en pas afgestudeerden, wil bijdragen aan actuele
historische debatten, en biedt getalenteerde studenten de kans om hun werk aan een breder
publiek te presenteren.
Een abonnement op Skript kost 20 euro per jaar. U kunt lid worden door het
machtigingsformulier in te vullen op www.skript-ht.nl. Ook kunt u een e-mail sturen naar de
redactie, dan krijgt u het machtigingsformulier thuisgestuurd. Losse nummers zijn verkrijgbaar
bij de redactie. Artikelen ouder dan een jaar zijn gratis te downloaden op www.skriptht.nl/archief.
Skript Historisch Tijdschrift • Spuistraat 134, kamer 558 • 1012 VB Amsterdam •
www.skript-ht.nl • [email protected]
Rosa Groen
Praetjes
Een zeventiende-eeuwse pamfÊettenstrijd in de Republiek
Fransman, lek hebbe daer stracx gesien een groot gewoel van
mensche, en waer lek kome daer vind ick een hoop volck by een,
elck seer perplecx siende, de een de andere so het schijnt groote
dingen vertellende, die ick door het gedruys soo niet kan verstaen,
wenschte dat ick yemant van kennisse sage, om te weten wat den
roep is, en daer door het woeste volck soo op hollen is.^
De toestand in de Republiek was allesbehalve kalm in 1646. In januari
begonnen officieel de vredesbesprekingen, die twee jaar later met de
Vrede van Munster de Tachtigjarige Oorlog zouden beëindigen. Een
Fransman komt een Nederlander en een Spaanse "Signoor" tegen, ze
raken in discussie over vrede, oorlog, intriges en de laatste nieuwsberichten. Het gesprek is fictief; pamfletten waarin discussies als de
bovenstaande werden gevoerd, behoren tot een specifiek genre dat het
'praetje' of de 'samenspraak' wordt genoemd. In deze stukken traden
sprekers op die opinies en nieuwtjes uitwisselden. Het Hollands Praetje,
dat met bovenstaand fragment begint, was een reactie op 't Munsters
Praetje. Een pamflet dat zo veel tegenspraak opriep dat zich een ware
pamflettenstrijd ontketende over het vredescongres. Zo verscheen onder
meer het Antwoordt op 't Munsters Praetje, waarin argumenten tegen de
vrede naar voren werden gebracht. Ook al zijn de discussies in de
pamfletten verzonnen, ze geven een goed beeld van de zeventiendeeeuwse redeneer- en overtuigingstrant. Ze roepen vragen op over de
motieven en drijfveren van de - vaak anonieme - auteurs en de wijze
waarop zij probeerden hun lezers te beïnvloedden. Deden de
pamflettisten een beroep op het 'nationale identiteitsgevoel' om eenheid
in de Verenigde Nederlanden te suggereren? En wat kunnen we zeggen
over het effect en de reikwijdte van de pamfletten? In dit artikel komen
het pamflettengenre, de historische achtergrond en de discussiepunten
rond het vredescongres aan de orde. 't Munsters Praetje en het Antwoordt
op 't Munsters Praetje worden vervolgens behandeld met de gestelde
vragen in gedachten. Tot slot zal worden nagegaan welke rol de
behandelde pamfletten hebben gespeeld in de Nederlanden.
33
Het pamflettengenre in de zeventiende eeuw
Een zeventiende-eeuwer hoefde niet ver te zoeken als Jiij informatie
wilde over politieke ontwikkelingen of lokale nieuwtjes. Op tal van
plekken kon voor weinig geld pamfletten, liederen en kranten worden
aangeschaft. Voor wie niet kon lezen was een ommetje met gespitste
oren waarschijnlijk voldoende. Door de liedzanger op straat of de
spreker op het marktplein werd de veelal politiek gekleurde inhoud van
pamfletten aan de man gebracht. In de zeventiende eeuw was de term
'pamflet' nog niet in omloop. Men had het over 'schandaleuze libellen',
'seditieuze pasquillen', 'nieuwe tydingen' en 'blauwboekjes', naar de omslagen van het goedkope, blauwe papier.^ Het woord 'pamflet' kwam pas
vanaf de achttiende eeuw voor in het Nederlands taalgebied.^ Er is een
enorm aantal zeventiende-eeuwse pamfletten overgebleven. De bestaande collecties bevatten echter veel lacunes. Door de vluchtigheid van het
genre en de hoge 'wegwerpgevoeligheid' is het merendeel immers verloren gegaan. Over het precieze aantal pamfletten en de grootte van het
lezerspubliek kunnen we dan ook weinig met zekerheid zeggen. Hoewel
de meeste pamfletten na lezing net zo in waarde daalden als de krant van
gisteren, kunnen we ze niet zonder meer gelijk stellen aan wat wij nu 'de
pers', laat staan 'de media' noemen. Blok noemde in 1897 anonimiteit als
grootste verschil."* Anonimiteit was van essentieel belang: het schrijven
of drukken van opstandige teksten kon iemand aan de galg brengen.5
Namen werden gefingeerd of ontbraken, drukkers vervalsten de data en
drukkersmerken en verdichtten zonodig hun werkplaatsen. De lengte
van de pamfletten varieerde sterk. Uit cijfers van de Knuttelcollectie
(Koninklijke Bibliotheek Den Haag) valt op te maken dat, in de periode
van 1607-1648, 46 procent 1-8 pagina's telde.^ Omvangrijke pamfletten
kwamen minder voor dan dunne, veelal snel gedrukte pamfletten. Zo
was - in de genoemde periode - slechts 9,2 procent dikker dan 65 pagina's.^ De ingewikkeldheid en taal van publicatie verschilden per pamflet. Was het een religieus diepgravend stuk voor insiders, dan was het
meestal in Latijn gedrukt. De eenvoudigere pamfletten, vaak uitdrukkelijk 'voor iedereen' bestemd, verschenen altijd in het Nederlands.
In vorm en stijl bestond eveneens een grote verscheidenheid. Volgens
Harline waren er maar liefst 73 specifieke vormen. Hij maakt een onderscheid tussen beschrijvende en overtuigende pamfletten, waarbij hij de
laatste weer onderverdeelt in 'direct overtuigende' en 'overtuigende met
een vermakelijk (en fictief) karakter'. De meest voorkomende was de direct overtuigende, vaak in de vorm van een verhandeling of verslag. Bij
de beschrijvende pamfletten moeten we denken aan officiële brieven,
gevechtsverslagen, buitenlandse bevelschriften, gedrukte voordrachten
en 'reportages'. Ook deze pamfletten waren meestal niet vrij van
propagandistische bedoelingen.
27.3
De 'overtuigende vermakelijke pamfletten', waarop dit artikel zich toespitst, kwamen aanvankelijk het minst voor. Hierbij moeten we denken
aan fictieve verhalen en zogenaamd onderschepte brieven. Omdat er in
de periode van de vroege Opstand veel brieven werden onderschept of
gevonden en vervolgens uitgegeven, was het een effectieve manier om
lezers te trekken. De zinnebeelden, gedichten, liederen en dromen zijn
eveneens te rekenen tot deze categorie. In de periode 1607-1648 is een
aanzienlijke groei van dit type waar te nemen. Er was (volgens de Knuttelcollectie) een toename van 9,5 procent in de periode van 1565-1606
tot 33,3 procent in 1607-1648, terwijl de andere categorieën steeds minder voorkwamen. 8 Een mogelijke verklaring hiervoor is dat een groeiend
aantal particulieren besloot hun mening op papier te zetten en als pamflet te laten drukken. De vorm die de schrijvers daarbij het meest gebruikten, was de retorisch vormgegeven Ciceroniaanse discussie^ Dit
was de vrijere vorm van de dialoog, waarbij leden van een vriendenkring
elk een standpunt verdedigden. Deelnemers aan het gesprek werden
vaak op het titelvignet aangekondigd, zoals bij het Munsters Discours
ofte 't samen-sprekinge tusschen een Franschman, Nederlander ende
Spangiaert.10 Aan de hand van de hoofdpersonen kon de lezer opmaken
welke standpunten ongeveer vielen te verwachten. Vaak werden stereotypen gebruikt, zoals 'de vroedschap', 'de boer', 'de koopman' of 'de
Brabander'. De locaties waar de denkbeeldige gesprekken plaatsvonden
waren eveneens herkenbaar: 'de marktplaats', 'de Dam', de 'veerschuyt'
of 'de wagen'.11 Sommige van deze samenspraken waren voorzien van
diepgaande argumentatie en Latijnse termen en dus duidelijk bedoeld
voor de intellectuele elite. De literaire vorm van de dialoog verwees vaak
naar de catechismus. Deze opzet paste binnen het referentiekader van
het publiek en maakte de inhoud eenvoudig te onthouden. Dit was
essentieel voor het doel van de pamflettist: de lezer moest de inhoud
verder vertellen.'^
Propaganda via het pamflet
In de oorlog tegen de Spaanse grootmacht en tijdens de godsdiensttwisten gedurende het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) bleek het
pamflet een effectief medium. Stedelijke en gewestelijke autoriteiten
gebruikten pamfletten om hun strijd te legitimeren en de bevolking te
instrueren en te informeren.'^ Ook voor het verwerven van buitenlandse
steun werden pamfletten gebruikt. Zo riepen de Staten van Holland in
1602 de zuidelijke provincies op, 'het juk' van de Spanjaarden af te werpen en zich met de 'broeders' van het noorden te verenigen.i'* Hoewel de
legitimatie van de strijd met het ontstaan van de Republiek der Nederlanden geen hoogste prioriteit meer had, liep de pamfletproductie niet
terug zoals in veel andere Europese landen rond de eeuwwisseling. 15
35
Pamflettisten kozen in hun stukken altijd partij. Meestal zonder gevaar,
omdat er door het ontbreken van een sterke centrale regering relatief
veel vrijheid was in de Nederlanden. De provincies bepaalden meestal
zelf de regels, waardoor een pamflettenstroom moeilijk te stoppen was.
Als de Staten-Generaal een verbod hadden uitgevaardigd, dan negeerden
de provincies dat vaak. De vrijheid van de pamflettisten werd nog verder
vergroot doordat hun schrijfsels dikwijls onenigheid tussen verschillende regenten behandelden. Degenen die de pamfletschrijvers sponsorden
of beschermden, zorgden hiermee voor een moeilijk controleerbare
situatie. Als een pamflettist in de ene plaats werd veracht, kon het zeer
goed zijn dat hij een kilometer verderop zeer geliefd was.'^ Vlak voor en
tijdens het Twaalfjarig Bestand waren er spanningen genoeg voor het
ontstaan van een pamflettenoorlog. Deze ontketende zich rond de
'bestandstwisten' tussen de remonstranten (aanhangers van de leer van
Arminius) en de contraremonstranten. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw werd voor het eerst een enorm publiek debat in pamfletten
uitgevochten. De grote stroom pamfletten was vanaf die tijd niet meer te
stoppen; elke controverse lokte een nieuwe reeks reacties uit."' Zulke
pamflettenstromen kwamen vooral op gang in oorlogstijd. Of liever
gezegd, aan de vooravond van vrede, telkens als er sprake was van
onderhandelingen, barstten de discussies los. In I607-I609, 1621,
1629-1630, 1632-1633 en 1643-1648 werden bijvoorbeeld veel meer
pamfletten gepubliceerd dan tijdens oorlogstijd. ^^ De twee grootste
pieken in de productie vormden de godsdiensttwisten in 1607-'09 en de
vredesonderhandelingen in 1647-'48.'^
Publiek debat en publieke meningsvorming
In hoeverre pamfletten de lezers en toehoorders beïnvloedden zullen we
nooit precies weten. Aan de toonzetting en de aanhef is vaak wel af te
leiden voor wie de pamfletten bedoeld waren; meestal betrof het de
'ghemene man', de christelijke lezer.^o Aan de hand van de overgebleven
verwijzingen kunnen we concluderen dat de pamfletten een grote verspreiding kenden. Matthijs van Otegem heeft uitgerekend dat ieder pamflet met een oplage van duizend exemplaren na tien herdrukken en vijf
keer doorgeven een publiek van 50.000 personen bereikte.^i Het door
Willem Frijhoff en Marijke Spies geïntroduceerde begrip 'discussiecultuur' kan een verklaring geven voor de grote verspreiding. Zij stellen
dat het maatschappelijk debat verbonden is aan de oorsprong van de
Nederlandse staat. Vanaf het moment dat de individuele gewetensvrijheid was vastgelegd in de Unie van Utrecht (1579), konden en moesten
allerlei groeperingen via het publieke debat hun eigen belangen verdedigen. De uitkomst van de discussies was van minder groot belang dan de
discussie op zichzelf. Het horizontale staatsbestel van de Republiek was
verantwoordelijk voor het ontstaan van een overlegcultuur, waarbij het
27.3
'vergaderen' centraal stond. Kennisneming van andermans mening voorafgaand aan de besluitvorming was daarbij essentieel. De gegroeide
behoefte aan het afwegen van alle voors en tegens karakteriseerde niet
alleen het bestuur van de Republiek, zij zorgde tevens voor de wens vanuit de bevolking om via geschriften en 'het gesprek' op straat een eigen
mening te vormen.^^ Aan de pamfletten, maar ook aan liederen en
satirische strooibladen kunnen we aflezen hoe deze publieke discussies
ongeveer verliepen.
Toen in januari 1646 de eerste Staatse (Noord-Nederlandse) delegaties
naar Munster vertrokken, verschenen er ongeveer wekelijks berichtgevingen per pamflet.2^ In het "wat wonder, wat nieus!" was het geroep
van de venters te horen. Op bruggen en straathoeken schreeuwden krantenjongens passanten koppen toe. Naast de vaste verkooppunten van
pamfletten waren er 'cremers' (koopwaren vanuit een kraam verkopend), 'marskramers' (kleinhandelaars met korf- of draagmand),
'omlopers' en 'liedjeszangers' die het nieuws verspreidden.^^^ Ging het
om nieuws uit het buitenland, dan waren de pamfletten vaak in briefvorm geschreven. Lokaal nieuws werd veelal door sprekers in de
genoemde dialogen aan de man gebracht. Aan de vooravond van de
Munsterse vrede ging het er heftig aan toe in de weergegeven discussies.
Voor vrede was immers eenheid nodig en daar ontbrak het in de Republiek nog altijd aan. De grote verschillen in moeilijkheid en de verscheidenheid aan typen pamfletten geven aan dat brede lagen van de
bevolking geïnteresseerd waren. Voordat we een blik werpen op de inhoudelijke discussie in de pamfletten van 1646, is het van belang kort
de politieke situatie weer te geven.
Historische aciitergrond
In 1641 kwamen de afgevaardigden van de oorlogvoerende landen in
Hamburg bijeen om te onderhandelen. Spanje, Frankrijk en de katholieke bondgenoten van de keizer zouden in Munster worden ondergebracht, de protestantse Duitse vorsten en Zweden in Osnabrück. De
Republiek kreeg ook een uitnodiging, al was ze niet betrokken bij de
Dertigjarige Oorlog. De langdurige conflicten met de Spaanse grootmacht hadden ervoor gezorgd dat er niet kon worden onderhandeld
zonder de Republiek erbij te betrekken.25 Het duurde tot 4 december
1644 voordat de reeks conferenties met een plechtige mis kon beginnen
en zelfs nog twee jaar langer voordat de Staatse delegatie zou verschijnen. In Den Haag moest eerst nog veel worden vergaderd.
Voor de Republiek was een verbond met Frankrijk uit 1635 het grootste
knelpunt. Ondanks dat Frankrijk en de Republiek destijds hadden afgesproken alleen samen te onderhandelen met Spanje, was er namelijk wel
37
degelijk sprake van mogelijke 'aparte' vredes. Niet alleen tussen Spanje
en de Republiek, maar ook tussen Spanje en Frankrijk. De Spaanse koning wilde vrede, maar zou die het liefst alleen met Den Haag sluiten,
zonder aan de hoge eisen van Frankrijk te hoeven voldoen. Filips IV
deed Frederik Hendrik aanlokkelijke voorstellen. De Fransen, die in de
onderhandelingen niet achter konden blijven, boden Frederik Hendrik
daarop Antwerpen in eigendom aan. De Spaanse vorst leek tegelijkertijd
ook te opteren voor een vrede met Frankrijk. Hij had hiervoor een
huwelijksvoorstel gedaan tussen zijn dochter en de nog zeer jonge
Lodewijk XIV. Deze zet bleek echter onderdeel te zijn van een slimme
manoeuvre van Spanje. Ging het bovengenoemde huwelijk namelijk
door, dan zouden de Zuidelijke Nederlanden worden geruild tegen
Catalonië en zo ook in Franse handen vallen. Zodra deze berichten via
Spaanse kanalen de Republiek bereikten, ontstond er grote opwinding
en argwaan jegens de Fransen. Zo had Spanje het precies bedoeld; een
aparte vrede met de Republiek was nu eenvoudiger te realiseren.^6
Binnen de Republiek waren de meningen over de vredesonderhandelingen verdeeld. Volgens Frederik Hendrik moest er alleen vrede worden
gesloten als de uitkomst voordelig zou zijn en de stabiliteit in de Republiek ten goede kwam. Hij adviseerde de Staten-Generaal dan ook na te
denken over toekomstige samenwerking tussen de Nederlanden en
Frankrijk. De drie 'Premilinaire Punten' waarover tussen de Zeven Provinciën eensgezindheid moest bestaan, waren 'Unie, Religie en Militie'.
Vooral het laatste punt bracht moeilijkheden met zich mee: bezuinigingen op militair gebied waren voor Holland van groot belang om grip
op de financiën te krijgen. Andere provincies wilden (evenals Frederik
Hendrik) juist een omvangrijke troepenmacht, ook in vredestijd. Een
complicerende factor was daarnaast, dat sommige steden of gewesten
helemaal geen vrede voorstonden.^^ De streng gereformeerde Zeeuwen
wilden bijvoorbeeld hun vloot beschermen om handelsbelangen en de
(voordelen van) kaapvaart te waarborgen. Door godsdienstige verschillen en afwijkende handelsinteresses bleef de samenwerking tussen
de Hollandse steden voortdurend problematisch. Naast de nodige speculaties over Frankrijk en Spanje, stelden de pamfletten dit soort knelpunten steeds opnieuw aan de orde.
De Pamflettenstrijd van 1646
Zodra de geruchten over het Frans-Spaanse huwelijksplan de Republiek
bereikten barstten de discussies los.'t Munsters Praetje was één van de
eerste pamfletten waarin gereageerd werd op de politieke situatie. Na
verschijning lokte het een stortvloed aan anti-Franse en anti-Spaanse
'blauwboekjes' uit. Het anti-Franse Munsters Praetje was zowel verboden
als razend populair. De uitgave ervan moet voor de drukkers, verkopers
en de auteur, over wie weinig bekend is, dan ook een uitdagende opgave
27.3
zijn geweest. Alleen al uit 1646 zijn maar liefst negen verschillende
Nederlandstalige edities bewaard gebleven.^'^ Fransgezinde pamfletten
uit deze periode zijn er nauwelijks overgebleven. Wel verscheen in april
1646 een Antwoordt op een seeckere Missieve van een Venetiaans edelman
aan sijn Vriendt. Deze zogenaamde Spaanse brief waarschuwde voor
Spaanse intriges en de Spaanse wens naar een "universele monarchie",
het aloude schrikbeeld.^^ Het Hollands Praetje uit de inleiding verkondigde dezelfde boodschap. De Fransman en de Nederlander begroetten
elkaar hier als 'trouwe vrienden', terwijl de Spaanse 'Signoor' tussenbeide kwam. Hij probeerde kwaad vuur 'te roocken', maar zijn slechte
intenties werden al snel blootgelegd. Het pamflet stelde voor om samen
met Frankrijk gewapend de vrede af te dwingen en was waarschijnlijk
van Franse origine. Het Antwoordt op 't Munsters Praetje, dat het Hollands
Praetje net voor was, redeneerde op dezelfde wijze.'f Munsters Praetje en
het Antwoord op 't Munsters Praetje gaan over de vraag of de Republiek
vrede moest sluiten of niet. Op het moment dat de pamfletten werden
uitgegeven, was de Staatse delegatie al naar Munster vertrokken en
bereikten de geruchten rond het huwelijksvoorstel, dat Spanje en Frankrijk zou verbinden, de Republiek.
'*
Munsters
Praetje
't Munsters Praetje liet uitzonderlijk veel verschillende stemmen horen.
Minstens twintig figuranten met de meest uitgesproken meningen werden aan het woord gelaten. Waarschijnlijk rechtvaardigde de auteur zijn
onbeschroomdheid door de overtuiging aan de 'juiste kant' te staan. Hij
ondersteunde uiteindelijk de Staten-Generaal in de pogingen om vrede
te sluiten. Niettemin werd het uitbrengen van 't Munsters Praetje verboden, omdat de uitkomst van de besprekingen onzeker was en er klachten waren van de in het pamflet beledigde Franse ambassadeur.^"
De anonieme auteur richtte zijn Munsters Praetje tot een 'waerde Vrient'
in de vorm van een reisbrief uit Deventer. Onderweg naar Munster
wordt de vredeshandel in de herberg 's Landts Welvaren besproken. Er
zijn veel verschillende personen in het 'Bier-gelach' aanwezig, waardoor
verschillende visies aan het licht komen en er uiteindelijk een levendig
debat tussen de vroedschap, een dominee, verschillende burgers, een
Brabander, een Antwerpenaar en de 'Stokebrand' plaatsvindt. Een bode,
net gearriveerd uit Munster, brengt het gesprek op de vredesbesprekingen. De bezoekers van de herberg speculeren over de vraag of de imposten ophouden als er een vrede of 'Treves' (bestand) komt. Een 'gemeen borger' meent dat de lasten, imposten en schattingen uiteindelijk
op de gewone man aankomen. De vroedschap noemt het kostbare legeronderhoud tijdens de vorige Treves (het Twaalfjarig bestand). De burger
maakt daarop een opmerking over de schulden, maar geeft aan niet over
39
de Staat of de financiën te willen spreken omdat hij daar geen verstand
van heeft. Een derde persoon mengt zich in de discussie, een 'seecker
koopman', die het opneemt voor de koop- en arbeidslieden. Hij is vóór
vrede vanwege de zware belastingen van de oorlog, de bedreiging van
Engeland en de voordelen voor de handel. Verschillende 'slecht gekleede
personen' geven hem gelijk. Eén 'onder den hoop, die een Dronck in 't
hoofd hadde', reageert half-zingend met de vraag wat de buit zou zijn bij
het sluiten van Treves. Waarop 'een gereformeerd Christen' zegt: 'Wat
Rijckdom is in de Oorlogh te halen: soodanige Rijckdom?' Hij wijst op
een persoon in de kamer die 'soo 't scheen meer Luysen als geit hadde'
en merkt op dat er eerst honderd arm moesten worden 'om één persoon
rijk te maken'.^i Een korte samenspraak tussen een remonstrant en een
dominee volgt. De eerste is duidelijk voor het sluiten van vrede, de
laatste tegen. Als argument voor de voortzetting van de oorlog wordt de
'scheidsmuur', de gesloten grens, met Frankrijk genoemd. Met een vrede
of bestand zou deze verdwijnen, wat gevaarlijke situaties zou kunnen
opleveren. Een Roomsgezinde mengt zich in de discussie, hij meent dat
de zuidelijke provincies geen voordeel zouden hebben bij de 'Vrede of
Treves', omdat ze last zouden houden van de Spaanse garnizoenen en
gouverneurs. Hij richt zich tot de 'Verenigde Nederlanders':
Ghy zult voordeel hebben indien nu een Vrede of Treves gemaakt
wert. (...) Maeckt gy particuliere Treves, dan zult ghy noodwendelijck zulk een gezag krijgen, dat ghy rondom uwe landpalen
alles zult kunnen herstellen, en maintenieren tot uwe meeste
gerustheid en voordeel. En de Spaanse (of overheerde) Provinciën
zullen doorgaan met oorlog voeren met Frankrijk en zullen zich
niet tegenover U (Verenigde Nederlanden) durven mishagen.^^
De vroedschap staat eveneens een aparte vrede met Spanje voor. Hij
voegt er wel aan toe dat hij wenste dat Brabant en Vlaanderen het Spaanse juk afwierpen, zich 'cantonneerden' (een onafhankelijke republiek
afkondigden) en zowel met de Noord-Nederlanders als met Frankrijk
een verbintenis aangingen. Hierop antwoordt een Brabander ze vanzelfsprekend vrij wilden zijn, maar dat dit bemoeilijkt werd door de aanwezigheid van Spaanse regenten, garnizoenen en kastelen. De Brabander
beschouwt het als pure onmogelijkheid om met de Fransen èn de
Verenigde Nederlanden verbonden te zijn. Hij noemt als argument daarvoor de jaloezie van Holland en Zeeland en stelt vast dat de Verenigde
Provinciën op dat moment niets beters voor zichzelf en niets schadelijkers voor Vlaanderen en Brabant konden doen, dan de Vrede doorvoeren 'voordat Frankrijk daar meester van wordt'.^^ Volgens een
militair in het 'Bier-gelach' hoeft Frankrijk niet noodzakelijkerwijs het
meeste voordeel bij de voortgang van een oorlog te hebben. Hij stelt
voor een defensieve in plaats van een offensieve oorlog te voeren. De
vroedschap bevalt dit idee niet, hij geeft bedenkelijk te kennen dat de
27.3
financiën anders gesteld waren: men had effectieve middelen nodig en
die ontbraken. "Een zekere Stokebrand" staat op en zegt dat 'door wapenen men eer en een onsterfelijke naam verkreeg', waarop een aanzienlijke heer hem in de rede valt en vraagt wat er op aarde onsterfelijk is:
'alle wereldse dingen zijn ijdelheid en onze wapens zijn op religie gefundeerd'.34 De vroedschap, geeft aan dat Frankrijk niet veel te eisen heeft,
althans, 'het eisen staat hem vrij, maar hij zal het niet krijgen'. De Brabander stelt hierop dat Spanje niet om die reden de oorlog zou voortzetten, maar de vroedschap laat hem niet uitspreken en beschuldigt de
Brabanders en de Spanjaarden van het uitlokken van jaloezie, twisten en
wantrouwen tussen de Verenigde Provinciën en de Fransen. In een slotbetoog maakt de vroedschap kenbaar dat Frankrijk en Spanje uit eigenbelang hebben gehandeld en dat Frankrijk liever met de Nederlanden in
oorlog zou verkeren dan in vrede. Hij geeft af op het pamflet
d'Alghemene stand der tegenwoordige gelegenheid in Europa, waarin staat
hoe groot het voordeel was dat Frankrijk uit haar vijanden had geslagen
in oorlogstijd. 'Wij zullen vasthouden aan de Alliantie', stelt de vroedschap, 'en met de Fransen tot Munster handelen'. Hij gaat verder: 'wij
zullen haar niet misgunnen, maar dan moet zij ons ook niet misgunnen
op onze particuliere interesse te letten.'35 Met of zonder Frankrijk,
iedereen verlangt naar vrede of bestand. Moest men dan al die mensen
die onder de oorlog lijden nog langer in ellende laten? Een groot gejuich
van het hele gezelschap volgt op de uitspraken van de vroedschap. De
Stokebrand wil er nog iets tegenin brengen, maar de poortklok luidt,
waarop de aanwezigen nog één glas heffen op het succes van een 'Vrede
of Treves' en zich vervolgens naar hun schepen begeven.
Antwoord op 't Munsters Praetje
Het volgende pamflet is precies wat de titel suggereert: een antwoord op
't Munsters Praetje. De strekking van het 44 pagina's tellende stuk is
tegenovergesteld van opvatting en dus pro-Frans. Het bevat diepgaande
godsdienstige argumenten en is een minder toegankelijk en waarschijnlijk ook minder gelezen pamflet. Over de auteur, volgens het titelvignet
'Claes Claesz., boeckverkoper te Dordrecht', is weinig bekend, maar uit
het verhaal blijkt zijn diepe verontwaardiging over 't Munsters Praetje.
Alle argumenten van de 'brief' uit Deventer worden genoemd en per zin,
soms zelfs per woord, onderuitgehaald.
Het Antwoordt op 't Munsters Praetje is gelokaliseerd op 't Hardewijker
Veerschip'. De auteur komt in de roef naast een aanzienlijke man te
zitten. Hij meent 'een van de Heeren Staten, die uit Den Haag kwam en
naar Gelderland of Over-Ijsel trok: omdat die gewoonlijk in het reizen
zich heel stil houden (...) om te horen wat de gemeene man al seyt in
schuyten en op wagens'.^6 De heer is in het vertrek van ~s Landts
41
Welvaren geweest waar 't Munsters Praetje werd gevoerd. Voordat ze het
schip betreden, wordt er in een Amsterdamse herberg over gesproken.
Als de auteur de heer vraagt wat hij dacht van 't Munsters Praetje en
waarom hij niets had gezegd tijdens het gesprek dat zojuist werd gevoerd, krijgt hij het antwoord: 'dattet geselschap dat daer was en aen
'tbier sat elck met sijn besondere kan in de handt, een hoop Spaenschgesinden en afgunstigen van Vranckrijck waren, (...) dat se mij sochten
aen de praet te krijgen, uyt te hooren enmede aen haer snaer te trecken,
of om af te sette, als sy souden hooren dat ick niet van haer opinie
was'.3''
De Spaansgezindheid bij de haard van "s Landts Welvaren had de voorname heer niet aangestaan, hij was er zelfs huiverig onder geweest. De
sprekers uit het Munsters Praetje wilden de mensen van de oorlog afschrikken en wijsmaken dat er geen beter plan was dan het sluiten van
vrede of bestand met de koning van Spanje. Voordat de heer zijn gevoel
hierover uitspreekt, wil hij eerst reageren op al wat in het gesprek aan
de haard naar voren was gebracht. De zware lasten van de oorlog komen
volgens hem niet op de gewone man neer, zoals de 'gemeene borger' aan
het haardvuur in Deventer beweerde. 'Het is immers notoir', dat van alle
Capitale Hooft-Schattinghen de gemeene Man vrij is'. De bewering dat
Portugal en Brazilië ervoor zouden zorgen dat de WIC even groot zou
worden als de VOC, spreekt de voorname heer ook tegen: 'dat is soo
grove en plompe leugen als men liegen kan: laat hem dat eens aanwijsen, (met welke middelen men dat teweeg zou kunnen brengen)'.^8
Een aantal tegenargumenten wordt uiteengezet. De redenen van de halfdronken man uit het Munsters Praetje, die de Treves veracht omdat het
niets opbrengt en de oorlog prijst 'omdattet dan al Boter tot den Bodem
is', zijn al helemaal verwerpelijk. De opmerking van de vroedschap over
de Spaanse 'geimagineerde Westerse Monarchie', die ook op de
Nederlanden van toepassing zou zijn, vindt hij schaamtevol. 'Doch..', zo
concludeert hij, '..'t is het oudt gebruyck van alle Spaensch gesinden.'^^
Op bijna alle punten waarover 't Munsters Praetje duister bleef, met
name wat betreft religie, is dit pamflet helder en verkondigt het een
scherpe mening. Het is duidelijk vanuit een gereformeerde (contraremonstrantse) overtuiging geschreven. Zo ageert de auteur bijvoorbeeld fel tegen de afwijzing van de publieke executie van Van Oldenbarnevelt, die volgens hem juist heel 'noodig en dienstig' was geweest.
De auteur van 't Munsters Praetje wordt verweten te hebben gesproken
over zaken waarvan hij geen verstand had; 'als de Blinden van de
Couleuren toont (hij) daarbij zijn kleine kennisse of zijn groot onverstant, of zijn bitteren haet teghen de waerheydt'."*" De verteller zet zijn
tirade voort. De Roomsgezinde zou zichzelf tegenspreken als hij stelt dat
Brabant en Vlaanderen liever onder Frankrijk zouden staan; zelf heeft
hij immers gezegd dat 'Den haet tusschen haer beyden onsterffelijck
27.3
(is)."*' Zijn woorden bezitten om die reden waarheid noch kracht, aldus
de auteur van het Antwoordt. Werkelijk verontwaardigd is de verteller
over de bewering dat 'wy' Verenigde Nederlanders, 'rondom onse Landpalen soodanige Heeren en Landen sullen hebben (...) die wy sullen
kunnen Gourmanderen (de baas zijn, gebruik maken), de wet stellen en
daer wy niet sullen hebben te vreesen."*^ Het was toch nooit eerder
voorgekomen dat 'wy' een buurland de wet hebben gesteld of 'ghetyranniseert'? Bovendien waren de Fransen toch bondgenoten? De
sprekers uit 't Munsters Praetje hadden het volkomen bij het verkeerde
eind. En wat de Munsterse Vredehandeling betreft, daarvan geloofde de
auteur (zo zeker als hij een 'leevendigh mensch is') dat het, 'int Regart
van Spagnien, van boven tot beneden, op puur en louter bedroch
leyt...'.'*^ Na een ellenlange zin komt hij met zijn wijze raad: door zekere
'Poincten en Articulen' in te stellen en te presenteren aan Spanje moest
er vrede komen. Indien de koning van Spanje zich niet aan de afspraken
hield, zouden de Prins van Oranje en de 'Majesteyde' van Frankrijk met
een groot veldleger ten strijde trekken. Oorlog voeren moest als dat
nodig was 'ten minste soo lang tot dat onsen Staet wat beter gheslooten
is.'4"» Uit deze notie kunnen we opmaken dat de auteur op de hoogte was
van de wens van Frederik Hendrik; voordat er gehandeld kon worden
was het van belang dat er eensgezindheid was binnen de Republiek. De
boodschap is duidelijk: samen met Frankrijk moest Spanje tot vrede
worden gedwongen.
Uit de 'Praetjes' wordt duidelijk op welke wijze de pamfletschrijvers
argumenten naar voren brachten om hun gelijk te bewijzen. Door verschillende opponenten in de discussie aan het woord te laten, komt de
diversiteit van de standpunten goed aan het licht. Degenen die in de
gesprekken het hoogste woord voerden, waren klaarblijkelijk dezelfde
mening toegedaan als de auteurs van de geschriften. Tevens is te zien dat
er veel geheime en niet-geheime, echte en onechte informatie van de
regerende elite bij het lezerspubliek als bekend werd verondersteld. Uit
de snelle reactie van de auteur van het Antwoordt op 't Munsters Praetje
kunnen we opmaken dat het van belang werd geacht dat invloedrijke
pamfletten als 't Munsters Praetje meteen werden ontkracht. Het pamflettenverkeer werd in de loop van de zeventiende eeuw drukker en
levendiger. Het was uitgegroeid tot een drukbezocht kruispunt waar
bestaande opinies werden aangevallen, krachtig onderbouwd of met alle
ongeloof verfoeid. Ten slotte werd naarmate de Vrede van Munster
naderde duidelijk dat de pamfletproductie tijdelijk zou afnemen. 'En dat
is goed', aldus een 'burger' uit een pamflet uit 1648, 'want dan zal aan
de productie van die verfoeide blauwboekjes, die kwaad spreken van
belangrijke lieden, (...) vele geheimen van het land bij de oren van 't
ghemeen brengen, voor zo lang gedrukt en verspreid, eindelijk een halt
worden toegeroepen."*5
43
Conclusie
Ten tijde van de Opstand waren het vooral de stedelijke en gewestelijke
autoriteiten die pamfletten gebruikten om de bevolking te mobiliseren.
Later, na het ontstaan van de Republiek, was het niet meer nodig om de
strijd tegen de Spaanse grootmacht te legitimeren. Toch bleef de pamfletproductie toenemen, omdat ook particulieren ontdekten dat pamfletten een interessant instrument vormden om publieke discussies te
voeren. Hoewel het uitvaardigen van politieke pamfletten officieel verboden was, waren de autoriteiten gedwongen zich in de discussies te
mengen. Ze erkenden daarmee impliciet de mogelijke invloed van pamfletten op de meningsvorming van het publiek. Zo ontstond er in
Nederland een discussie- en overlegcultuur die voor velen toegankelijk
was en waar de politieke elites zich niet aan konden onttrekken. Die
cultuur was tot in zekere zin het resultaat van de bepaling over de
individuele gewetensvrijheid uit de Unie van Utrecht. De toegenomen
populariteit van de pamfletten leidde tot een nauwere betrokkenheid
van de bevolking bij kwesties die op dat moment actueel waren. In 1646
waren dat geschilpunten met Frankrijk en Spanje rond de (toekomstige)
positie van de Verenigde en de Zuidelijke Nederlanden. De pamflettisten
gebruikten verschillende methoden om hun boodschap over te brengen.
In de loop der tijd gingen zij zich steeds meer richten op de zogenoemde
'argumentatieve vermakelijke categorie', zoals onderschepte brieven,
fictieve verhalen, gedichten, zinnebeelden, liederen en dromen.
De pamflettencultuur heeft een belangrijke rol gespeeld bij het ontstaan
van een nationale identiteit. De argumenten van de pamflettisten hebben
daar niet eens zozeer aan bijgedragen. Zij refereerden weliswaar aan de
'Verenigde Nederlanden', maar de betekenis daarvan werd voortdurend
gerelativeerd door te verwijzen naar specifieke belangen van regionale
en religieuze groepen. Het waren de pamfletten zelf, het feit dat ze in
brede kring gelezen en verspreid werden, die tot het ontstaan van een
nationaal discours hebben geleid. Voor het eerst ontstond er in de
Nederlanden een situatie, waarin grote groepen buiten de erkende elites
deelnamen aan het politieke debat. Dat was het belangrijkste effect van
de pamfletten. Met enige stoutmoedigheid zou men hier kunnen spreken
van een 'voorzichtige democratisering'.
27.3
Noten
1 Hollands Praetje, 1646 (Knuttel 5318) A2.
2 P. Dijstelberge, 'Gemengde berichten. Nieuws als literatuur in de zeventiende eeuw' in: Literatuur, 17, 5
(2000) 282-288, aldaar 283.
3 M. van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand, de mechanica van het pamflet' in: De zeventiende eeuw, 17, 1
(2001) 50-61, aldaar 51.
4 RJ. Blok, De Nederlandsche Vlugschriften over de Vredesonderhandelingen te Munster 1643-1648
(Amsterdam 1897) 5.
5 R. van Stipriaan, Het volle leven. Nederlandse literatuur en cultuur ten tijde van de Republiek (circa 15501800) (Amsterdam 2002) 2 1 .
6 De cijfers en statistieken over pamfletten kunnen niet in absolute zin worden opgevat, het zijn immers
gegevens over de bewaard gebleven werken.
7 Harline, Pamphlets, printing, and political culture in the early Dutch Republic (Dordrecht 1987) 32.
8 Ibidem, 43.
9 Gemiddeld verschenen ze ongeveer tweemaandelijks tussen in de jaren 1643-1648, maar in de laatste twee
jaren was er een flinke stijging waar te nemen, zie: Blok, De Nederlandsche Vlugschriften over de
Vredesonderhandelingen te Munster 1643-1648, 7 en de grafiek in Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de
mechanica van het pamflet', 57.
10 Dit is overigens hetzelfde pamflet (onder een andere titel) als het Hollands Praetje uit de inleiding.
11 Harline, Pamphlets, printing, and political culture, 53.
12 Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de mechanica van het pamflet', 59.
13 L.H.M. Wfessels, 'Het pamflet. De polsslag van het heden', in: Tollebeek, J., Tom Verschaffel en Leonard
H.M. Wfessels (red.). De Pamlimpsest Geschiedschrijving in de Nederlanden 1500-2000 (Hilversum 2002) 88.
14 Harline, Pamphlets, printing and political culture. 131.
15 Ibidem, 7.
16 Ibidem, 20.
17 Ibidem, 8.
18 Dit kunnen we zien aan de aantallen verschenen pamfletten in de collectie-Knuttel, in: A.Th. van Deursen,
45
Het kopergeld van de Gouden Eeuw II. Volkscultuur (Amsterdam 1978) 92.
19 Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de mechanica van het pamflet', 56.
20 De hoogte van de geletterdheid in de Republiek is omstreden: het zal zo rond de 50% zijn geweest in de
steden. Zie: Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de mechanica van het pamflet', 53.
21 Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de mechanica van het pamflet', 55.
22 W. Frijhoff en M. Spies, 1650. Bevochten eendracht (Den Haag 1999) 218-219.
23 Gemiddeld ongeveer tweemaandelijks in de jaren 1643-1648, maar in de laatste twee jaren was er een
flinke stijging waar te nemen, zie: Blok, De Nederlandsche Vlugschriften over de Vredesonderhandelingen te
Munster 1643-1648, 7 en de grafiek in Van Otegem, 'Tijd, snelheid, afstand; de mechanica van het pamflet',
57.
24 J.L. Salman, Populair drukwerk in de Gouden Eeuw. De almanak als handelswaar en lectuur (Leiden 1997)
26-27,
25 Groenveld, 'De vrede van Munster. Einde en een nieuw begin' in: Groenveld, S. (red.). Vrede van Munster
1648-1998. Tractaat van 'een aengename, goede, en oprechte Vrede' (Den Haag 1998) 34.
26 Groenveld en H.L.Ph. Leeuwenberg, De bruid in de schuit De consolidatie van de Republiek 1609-1650
(Den Haag 1985) 121.
27 Groenveld, 'Verlopend getij. De Nederlandse Republiek en de Engelse Burgeroorlog 1640-1646, 138.
28 J.J. Poelhekke, De Vrede van Munster (Nijmegen 1948) 240 en Harline, Phamphiets, printing and political
culture, 208.
29 Ibidem, 24.
30 Harline, Phamphiets, printing and political culture, 209.
31 Ibidem.
32 't Munsters Praetje, (plaats van uitgave onbekend 1646) (KN5290) A5.
33 Ibidem, B2.
34 Ibidem, B3.
35 Munsters Praetje, B5.
36 Antwoordt op 't Munsters Praetje, (Dordrecht 1646) (Kn.5296) A2.
27.3
37 Ibidem.
38 Ibidem, B.
39lbidem, B2.
40 Ibidem, B4.
41 Ibidem, Cl.
42 Ibidem.
43 Ibidem, F.
44lbidem, D5.
45 Marline, Phamphlets, printing and political culture, 112-113 (vertaling van Rosa Groen)
47