bacteriekanker-in-populier-een-ramp-of-uitdaging-asr

Minirterie van Verkeer en Waterrtaat
r a a l Rijkswaterstaat
Directie Flevoland
Bacteriekanker in populier,
een ramp of uitdaging
1
I
door
Thijs Offermans
Carla van Schagen
Jan van der Heyden
Faco Dzigal
Suzan Zweers
Bas Roodbergen
Bedrijf/opdrachtgever:
Rijkswaterstaat, directie Flevoland
(L. Kragt)
I
Minirtcrie van Vcrkeer en Watcntaat
~~~
Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat
Directic FImohnd
Bacteriekanker in populier,
een ramp of uitdaging
door
Thijs Offermans
Carla van Schagen
Jan van der Heyden
Faco Dzigal
Suzan Zweers
Bas Roodbergen
Bedrijf/opdrachtgever:
Rijkswaterstaat, directie Flevoland
(L. Kragt)
Postbus 600
8200 AP Lelystad
Smedlnghuls
Zuldemagenpleln 2
Tel. (03200) 99111
Telex 40115
Telefan (03200) 34300
INHOUDSOPGAVE
Samenvatting
Begrippenlijst
Inleiding
1
HOOFDSTUK 1
1.1
1.2
1.3
1.4
HOOFDSTUK 2
2.1
2.2
2.3
2.4
2.5
HOOFDSTUK 3
3.1
3.2
3.3
3.4
3.5
BAmERIEKANKER
Historie
Aard en verloop van de ziekte
Mogelijke o o d e n die tot een epidemie
hebben geleid in Flevoland
Huidige stand van zaken
INKOMENSDERVING
lnkomensderving
lnkomensderving zonder bacteriekanker
Inkomensderving als gevolg van populierekanker
Een mogelijk model ter bepaling
van de inkomensderving
9
9
9
11
Nabeschouwing
15
EEN ALTERNATIEF VOOR HET PROVISORlSCH
POPULIERENBOS M I T KORTE OMLOPEN
BodemgeschiktheidsbeoordelingZuidelijk Flevoland
Mogelijke vervangende boomsoorten
voor populier binnen provisorisch bos
3.2.1 Zwarfe Els
3.2.2 Ruwe berk
3.2.3 Es
3.2.4 Esdoorn
3.2.5 Fijnspar
3.2.6 Reutenzilverspar
Mogelijkheden tot omvorming
Financiele gevolgen van vervanging van populier
Nabeschouwing
13
EEN ALTERNATIEF VOOR HET PROVISORlSCH
POPULIERENBOS MET LANGE OMLOPEN
Boomsoortenkeuze
4.1.1 Es
4.1.2 Esdoorn
4.1.3 Beuk
4.1.4 Haagbeuk
4.1.5 Linde
4.1.6 Inlandse eik
4.1.7 Zoete kers
HOOFDSTUK 4
4.1
4.2
Natuurlijke veGonging
4.2.1 Natuurlijke verjonging op "armegrondm"
4.2.2 Natuurlijke verjonging op "rijkegronden"
Ve rjongingsvormen onder scherm van populier
4.3.1 Menging loofhout
4.3.2 Menging naaidhour
4.3.3 Monoculruur loofhout
Nabeschouwing
4.3
4.4
HOOFDSTUK 5
5.1
5.2
5.3
5.4
BlJLAGEN
1.
2.
3.
4.
5.
CONCLUSlE
De toekomst van provisorisch bos met populier
Voortzetting provisorisch bos met
andere soorten dan populier
Altematieven voor provisorisch bos
Eindconclusie
Kaart verspreidingsgebied ziekte
Het overzicht van populiereklonen Zuidelijk Flevoland
Opbrengstabel 20 en 23 jaar
Algemene notities van bosbouw
Lijst van gebmikte populieren in Zuidelijk Flevoland
Samenvatting
Bacteriekanker heeft potentie om hele arealen populierenopstanden aan te tasten waarbij het
voortbestaan van populier twijfelachtig is. De bacteriekanker, waarvan het bestaan al ruim 100
jaar bekend is, heeft sinds 1991 epidemisch toegeslagen in grote monocultures
populierenopstanden in Zuidelijk Flevoland.
De aantasting in de vorm van woekeringen op stammen en takken met in het ergste geval het
afsterven van de gehele boom als gevolg, wordt veroorzaakt door een bacterie die
wetenschappenlijk bekend staat onder de naam: Xanthomonas populi subsp. populi Rid6 en
Rid6. De bacterie die 0.a. door wind, regen en insekten verspreid kan worden, vindt een
ingang via de natuurlijke littekens (vmchtlichaam, bladvoet). Maatregelen die men in de loop
der jaren genomen heeft in de vorm van selectie in de teelt vinden geen uitweg, daar de
bacterien min of meer meegeselecteerd worden. Maatregelen die genomen kunnen worden zijn:
- het verwijderen van populierenopstanden die voor meer 25% aangetast zijn:
- het niet aanplanten van gevoelige klonen;
- het vermijden van gmotschalige monocultures.
Als gevolg van de massale uitval door bacteriekanker zullen verliezen optreden. Door
gedeeltelijke uitval van de populier worden de continu'iteit van de opbrengsten en het streven
naar opbouw in de leeftijdsklasseverdeling doorbroken.
De ontstane inkomensderving door bacteriekanker bestaat uit verschillende factoren, die we in
kunnen delen in enerzijds een opbrengstdaling en andelzijds een kostenstijging.
De opbrengstdaling wordt veroorzaakt door 0.a. :
- groeireductie;
-
verliezen als gevolg van noodkap of vervroegde kap;
De kostenstijging wordt 0.a. veroorzaakt door:
-
extra kosten door bijv. extra inventarisaties;
- hogere kosten voor dezelfde activiteiten, selectief kappen i.p.v. vlaktegewijs;
- verplaatsing van het tijdstip van de te maken kosten, vervroegd herplanten.
Als gevolg van de massale uitval mllen de beheersdoelstellingen bijgesteld moeten worden. In
Zuidelijk Flevoland is men bij de aanleg van her bos uitgegaan van een provisorisch bos. Het
provisorisch bos maakt gebmik van (snelgroeiende) pioniersoorten, om zo snel mogelijk
normaliteit te kunnen bereiken. De verdeling provisorisch en definitief bos is 60140 van het
totale areaal. Populier zal in de toekomst nog maar 530%van de totale oppewlakte beslaan in
verband met de teeltrisico's. Door de grote uitval van populier zal gezocht moeten worden naar
andere snelgroeiende pioniersoorten. Bij korte omlopen zijn els, es, esdoorn en berk geschikte
loofhoutsoorten. Er moet echter we1 van uitgegaan worden dat langere omlopen dan 35jaar
nodig zijn om voldoende opbrengst te krijgen, waardoor het bereiken van de normaliteit langer
op zich laat wachten. Fijnspar en reuzenzilverspar zijn geschikte naaldhoutsoorten voor korte
omlopen. Door de hoge pH zijn de laatste twee ongeschikt voor lange omlopen.
Er zijn drie mogelijkheden waarop men de aanleg van de genoemde soorten kan baseren.
1. financide basis;
2. pioniersoorten met weinig teeltrisico's;
3. combinatie van 1 en 2, financieel en teeltkundig relatief gunstig.
Op de vraag of de genoemde soorten een beter financieel alternatief zijn, kan geen eenduidig
antwoord gegeven worden. De prijzen varieren hiewoor teveel en er is weinig ervaring met
deze soorten. Men kan echter we1 stellen dat door de verhoogde aanplantkosten van loofhout
men zal moeten streven naar de teelt van kwaliteitshout (hogere eindprijs) om zo de kosten te
compenseren. Dit zal vrijwel altijd moeten resulteren in langere omlopen voor es, els, esdoom
en berk.
Een geheel ander altematief voor de omvorming van aangetaste populierebossen is het laten
varen van het begrip provisorisch bos. Het is ook mogelijk om direct die houtsoorten aan te
planten die in het geplande definitieve bos thuishoren. Mogelijkheden voor omvorming zijn:
- natuurlijke ve rjonging onder scherm;
- aanplant onder scherm.
Bij natuurlijke verjonging is alleen uitgegaan van verjonging op rijkere gronden, omdat dit 90%
van de bodems betreft. Beperkende factoren voor het slagen van natuurlijke verjonging in
Zuidelijk Flevoland zijn:
- het ontbreken van zaaddragende bomen door de jeugdige leeftijd van de bossen in Zuidelijk
Flevoland.
-
de sterke vermiging door de njke bodem.
Door manipulatie in het kronendak d.m.v. schermkap kan er verjonging tot stand komen van
vnl. es en esdoom die, bij een voldoende bedekkingspercentage, een goede kans van slagen
heeft.
Aanplant onder scherm is kostbaarder, maar is een beter beheersbare vorm van verjongen. De
soortendiversiteit kan groter zijn doordat men zelf de soortensamenstelling kan bepalen.
Het gebruik van naaldhoutsoorten is voor lange omlopen niet aan te raden i.v.m. aantasting
door wortelzwam. De beuk, haagbeuk, linde, zoete kers, eik, es en esdoom zijn goed
toepasbaar in verschillende mengingsvormen of combinaties daawan.
De bosbedrijfskundige gevolgen (kosten, functievewulling, duurzaamheid, flexibiliteit) zijn de
basis van vergelijk tussen de verschillende toekomstmogelijkheden van het huidige
provisorische bos. Bij een afweging tussen de bosbedrijfskundige gevolgen kan gesteld
worden dat een voortzetting van het beleid van provisorisch bos met populier ongewenst is in
verband met de grote risico's.
Altematieven voor het provisorische populierenbos kunnen gezocht worden in 0.a.:
- snelgroeiende soorten met korte omlopen, provisorisch bos;
- d u u m m e houtsoorten met lange omlopen, definitief bos.
De snelgroeiende soorten zullen bestaan uit berk, es, esdoom en els. Deze soorten zullen
rninder risico's met zich meebrengen dan de populier. %n nadeel is dat ten opzichte van de
populier er minder snel normaliteit bereikt zal kunnen worden en er zullen minder snel
opbrengsten zijn, omdat de omlopen langer moeten zijn dan bij populier.
Het tweede altematief, met lange omlopen, zal vnl. bestaan uit beuk, haagbeuk, linde, es,
esdoom, eik en zoete kers. Een bos met deze soorten zal beter voldoen aan de functies natuur
en recreatie clan een bos met snelgroeiende soorten. De functie houtproduktie is bij het bos met
de langere omlopen minder lucratief.
Voor een vergelijking tussen bovenstaande alternatieven kunnen de volgende
bosbedrijfskundige gevolgen aangegeven worden.
De hoofdfunctie van provisorisch bos zal gezocht moeten worden in houtproduktie. Natuur en
recreatie komen op een tweede plaats. De hoofdfuncties van het definitieve bos zijn natuur en
recreatie, met houtproduktie als nevenfunctie.
De flexibiliteit van beide bostypen is groot. Het provisorisch bos kan betrekkelijk eenvoudig
omgevormd worden. het definitieve bos zal de eerste 50-60 jaar niet flexibel zijn, maar zal
uiteindelijk even flexibel zijn als provisorisch bos.
De duurzaamheid is voor beide alternatieven goed. Bij het provisorisch bos worden door het
gebmik van pioniersoorten de risico's op aantasting vermeden. Het definitieve bos is door zijn
mengingen stabiel.
Het provisorisch bos zal voorlopig een hoger financieel rendement opleveren dan het
definitieve bos. Dit komt omdat er een snel oogstbaar produkt beschikbaar is. De houtkwaliteit
in het definitieve bos moet uiteindelijk hoger zijn dan die van het provisorisch bos en dus een
meenvaarde opleveren.
Gezien de verschillende bosbedrijfskundige gevolgen kan niet gezegd worden dat provisorisch
bos of definitief bos de juiste oplossing is.
Beide alternatieven kunnen goed naast elkaar gebruikt worden, al naar gelang het beleid of de
doelstellingen.
Dit rapport moet dan ook gezien worden als ondersteuning van verschillende
beleidsbeslissingen en hun bosbedrijfskundige gevolgen.
BEGRIPPENLIJST:
aangetaste opstanden
Opstanden waarvan meer dan 25% van het totale aantal bomen is aangetast door
bacteriekanker.
besmette opstanden
Opstanden waarvan minder dan 25% van het totale aantal bomen is aangetast door
bacteriekanker.
bijgroei
- Jaarlijkse aanwas, dat wat er in 66n jaar bij,peit per hectare;
gemiddelde bijgroei (per hectare), som van jaarlijkse bijgroei gedeeld door de leeftijd van de
-
bomen in een gelijkjarige opstand.
bosbedrijfskundige gevolgen
Gevolgen voor het bosbedrijf t.a.v. functieve~ulling,duurzaamheid, flexibiliteit, kosten en
opbrengsten.
climaxsoorten
Een boomsoort die zich van nature optimal ontwikkelt in een bos dat door een lange
ontwikkeling (successie) een situatie heeft bereikt (wat betreft soortensamenstelling en
structuur) die zich niet of nauwelijks meer wijzigt; climaxsoorten zijn meestal meer eisende
soorten die van een rustig bosmilieu houden, met weinig verstoringen als storm en (kaal)kap:
ze zijn meestal schaduwverdragend, zeker in de jeugdfase (24).
I
definitief bos
Bos dat qua structuur en soortensamenstelling voldoet aan de doelstellingen gefomuleerd bij
de opzet van het bosbedrijf.
duunaamheid algemeen
In de bosbouw wordt in het algemeen onder duurzaamheid continu~teitverstaan: het continu
leveren van diensten en produkten aan de samenleving, het blijvend vervullen van alle functies
die vervat zijn in de opzet van het bosbedrijf.
duurzaamheid, ecologisch
Bos dat zonder ingrijpen van de mens zichzelf in stand kan houden d.m.v. natuurlijke
processen.
duurzaamheid, economisch
Bos dat een continue s t m m van inkomsten kan leveren door gelijkmatig verspreide houtoogst
in de tijd. F'rovisorisch bos kan dus in economisch opzicht duurzaam zijn.
flexibiliteit
De mogelijkheid om te kumen veranderen van doelstelling (houtproduktie, natuur, landschap
en recreatie), het relatief makkelijk kumen inspringen op de veranderende vraag vanuit de
maatschappij t.a.v. houtpmduktie, natuur, recreatie en landschap.
functievervulling
De mate waarin het bos kan voldoen aan de verschillende functies van het bos. De functies zijn
natuur, recreatie en houtproduktie. De afweging van de belangen tussen de verschillende
functies gebeurt d.m.v. beleid bepaald door de samenleving.
Inoculatie
lnenting van bomen met vers bacterieslijm
kapitaalvernietiging
lnvesteringen in het bos (bv. aanplantkosten) die niet temgverdiend worden door opbrengsten
uit het bos.
Of de kap van een bos waar de vellingskosten nog niet opwegen tegen de opbrengsten van die
velling waardoor het potentieel kapitaal (het bos dat in volle wasdom meer op zal brengen)
vernietigd wordt.
kosten opbrengsten
Glohaal o v e ~ i c h rvan kosten en opbrengsten, waarbij geen absolute cijfers gebmikt worden
en de kosten en opbrengsten gezien moeten worden als een richtlijn.
Normaal bos
Een bos met een zodanige leeftijdsklasseverdeling per bedrijfsklasse (=boomsoorten met
dezelfde omloopsklasse) dat er van iedere leeftijdsklasse een ongeveer gelijke oppewlakte
aanwezig is.
Belangrijkste argumenten voor het streven naar normaliteit: (Normaliteit en vellingsleeftijd bij
de vlaktegewijze kap- en vejongingsregeling. J. Sevenster)
- Een regelmatige dekking van de houtbehoefte;
- Het duurzaam kunnen voldoen aan andere maatschappelijke behoeften (natuur, recreatie en
landschappelijke functies);
- Een regelmatige belasting van organisatie en de arbeidscapaciteit van het bosbedrijf;
- Een regelmatig inkomen uit het bosbedrijf en een gelijkblijvende liquiditeitspositie.
omlopen k o r t
De tijd die een opstand doorloopt van aanplant tot eindkap, met een tijdsduur die niet langer is
dan 60jaar.
omlopen lang
De tijd die een opstand doorloopt van aanplant tot eindkap, met een tijdsduur die langer is dan
60 jaar.
pioniersoorten
Een boomsoort die zich kan vestigen en handhaven op een plaats waar nog geen bosmilieu
aanwezig is; pioniers zijn aangepast aan extreme omstandigheden, zoals harde uitdrogende
wind, warmte, koude, humusarme bodems enz.; bij de aanleg van nieuwe bossen is meestal
sprake van een pionierssituatie, maar ook de omstandigheden na een grote kaalkap lijken op die
van een pioniers situatie (24).
Provisorische bos
Tijdelijk bos dat vooraf gaat aan het definitieve bos
Kenmerken van provisorisch bos zijn:
- men begint met pioniersoorten deze zijn beter geschikt voor de aanplant van nieuwe bossen
-
(hoewel sommigen (S. Klingen, Sevenster) de climaxsoorten ook geschikt achten als eerste
generatie bosbomen).
Er wordt gebmik gemaakt van snelgroeiende boomsoorten die daardoor snel een
aantrekkelijk bos vormen voor recreanten en daamaast snel de aanleg kosten cornpenseren
-
door de grote produktie en de daarbij horende opbrengsten.
Het is een geschikte methode om de normaliteit te bereiken.
Wat men oogst om snel de normaliteit te bereiken levert i.g.v. provisorisch (snelgroeiend
bos) direct geld op, in geval van definitief bos is het snel bereiken van de normaliteit vaak
duurder i.v.m. het niet kaprijp zijn van de opstand.
rentevoet
Opbrengst van kapitaal. De mate van rendement van bos.
volkomenheidsgraad
Dit is de verhouding tussen het grondvlak van een opstand en het grondvlak na dunning uit de
opbrengsttabel (het grondvlak wordt bepaald d.m.v. het stamaantal per opstand en de
oppervlakte van de stamdoorsnedes op 1.30 m. (borsthoogte)).
Dit rapport is opgesteld in opdracht van Rijkswaterstaat, directie Flevoland. De auteurs gaan er
vanuit dat de lezer bekend is met de algemene bosbouwbegrippen. Het gaat in dit rapport
specifiek over de praktijk in Flevoland. Van de lezer wordt tevens verondersteld dat hijlzij
werkzaam is bij Rijkswaterstaat of Staatsbosbeheer in Flevoland en dus bekend is met de
situatie zoals die zich voordoet in Zuidelijk Flevoland.
Sinds 1991 is het bekend dat er in de uitgestrekte monocultures populier in Zuidelijk Flevoland
een grootschalige aantasting plaats vindt door bacteriekanker (Xanthomonas populi subsp.
populi Rid6 & RidC), die woekeringen aan takken en stammen veroorzaakt.
De besmetting, die inmiddels epidemische vormen heeft aangenomen, heeft tot gevolg dat een
niet onaanzienlijk deel van de populieren-aanplant de geplande omloop vermoedelijk niet zal
halen. Met name de aangetaste opstanden jonger dan 10jaar en de hybriden met balsembloed
(Androscoggin, Oxford, Geneva en Rochester) hebben een verhoogde kans op vroegtijdig
afsterven. Door de hoge besmettingsdmk lopen echter alle populierenopstanden kans vroeg of
laat aangetast te worden door de bacterieziekte.
Reden voor Rijkswaterstaat om te laten ondenoeken hoe ernstig de situatie is en wat de
gevolgen van de aantasting voor het bosbedrijf zin.
Het aandeel populier beslaat momenteel 3 100 hectare (60%)van de in totaal5040 hectare bos
in Zuidelijk Flevoland. Voor de overdracht naar Staatsbosbeheer in 1997, moet er nog 900
hectare aangeplant worden. Hierbij is geen rekening gehouden met eventuele uitval als gevolg
van bacteriekanker.
Bij de aanleg van het bos, begin jaren zeventig is gekozen voor een hoog aandeel populier in de
beginfase van de bosaanleg, omdat zo op een relatief snelle en financieel gunstige manier een
normale leeftijdsklasseverdeling van het definitieve bos bereikt zou kunnen worden.
Door in de loop van de t i d delen van het populierenbos, ook we1 provisorisch bos genoemd,
om te vormen tot definitief bos, ontstaat een trapsgewize leeftijdsklassenopbouw.
Het bereiken van een normale leeftijdsklassenopbouw in het definitieve bos, kan met behulp
van provisorisch bos bereikt worden. Door het gebruik van snelgroeiende pioniersoorten is er
binnen korte tijd een oogstbaar produkt. Dit is financieel aantrekkelijker dan bij een directe
aanplant van het definitieve bos.
Ook het snel bereiken van een relatief hoge houtproduktie, een aantrekkelijk bosbeeld voor de
openluchtrecreant en het creeren van een geschikt bosklimaat voor climaxsoorten voor de
volgende generatie zijn redenen geweest om te kiezen voor bosontwikkeling m.b.v
provisorisch bos.
Door de noodzakelijke voortijdige kap a.g.v de aantasting door populierekanker is het streven
naar normaliteit in het definitieve bos in het gedrang gekomen. Door de uitval zullen ook de
doelstellingen van eeri deel van het bos niet bereikt kunnen worden.
Het zo snel mogelijk bereiken van normaliteit bij een definitief bos zd langer duren dan met het
pr6visorisch bos. Bij directe aanplant met soorten die in het uiteindelijke bos thuishoren, is er
binnen een periode van ca. I0 jaar geen exploiteerbaar produkt. Om de trapsgewijze
leeftijdsopbouw te bereiken zou gekapt moeten worden in opstanden die geen enkele waarde
hebben, dit is kapitaalvernietig-ing.
Het doel van dit rapport is te onderzoeken wat de oorzaken zijn van het epidemisch voorkomen
van bacterieziekte bij populier en welke gevolgen de aantasting heeft voor de
bosbedrijfsvoering in Zuidelijk Flevoland. Uiteindelijk zullen mogelijke oplossingen met de
daarbij behorende ecologische en financiele aspecten worden uitgewerkt. Ook de gevolgen
t.a.v. de functievervulling, de duurzaamheid en de flexibiliteit zullen hierbij betrokken worden.
Het rapport probeert antwoord te geven op de volgende vraag:
" W a t zijn d e gevolgen voor d e toekomstige beheerstechniscbe bedrijfsvoering
als e r gestreefd wordt n a a r het zo snel mogelijk bereiken van een normaal bos
m.b.v. provisorisch bos bestaande uit a n d e r e soorten d a n populier en welke
a n d e r e opties zijn e r in plaats van het provisorisch bos e n wat zijn hieman d e
gevolgen voor d e bedrijfsvoering?"
Deelvragen:
- wat zijn de oorzaken van de aantasting in Flevoland?
- hoe is de aard en het verloop van de ziekte?
-
welke fyto-sanitaire maatregelen kunnen er genomen worden om verdere aantasting te
-
voorkomen en wat is de realiteitszin hiervan?
wat is daarbij de globale opbrengstdervinglkapitaalverlies?
-
met welke snelgroeiende boomsoorten kan populier vervangen worden, bij instandhoudinp
van de doelstelling provisorisch bos?
- welke verjongingsvormen en boomsoorten zijn geschikt voor het gebmik van lange
omlopen ter vervanging van de populierenbossen?
De eerste twee hoofdstukken geven antwoord op de gestelde deelvragen.
Hoofdstuk 1 beschrijft wat bacteriekanker inhoudt en wat de mogelijke oorzaken zijn van de
aantasting door deze bacterie.
Hoofdstuk 2 behandelt de problemen die zich voordoen bij het bepalen van de
inkomensderving ten gevolge van de voortijdige uitval van populier.
Bovenstaande hoofdstukken beschrijven de bestaande situatie en de problemen daarbij. De
volgende twee hoofdstukken zoeken een antwoord op de hoofdvraag.
In hoofdstuk 3 wordt onderzocht of provisorisch bos (korte omlopen) met behulp van andere
soorten dan populier een reele optie is.
In hoofdstuk 4 wordt onderzocht wat de mogelijkheden zijn voor duurzaam bos (lange
ornlopen) en de verxhillende vormen van vejonging die men daarbij kan toepassen.
Het laatste hoofdstuk bestaat uit deelconclusies van hoofdstuk 1.3 en 4. Deze worden in de
laatste paragraaf samengevoegd tot een eindconclusie voor het geheel.
Aangezien er geen zicht is op het toekomstige beleid van Rijkswaterstaat, moet dit rapport
gezien worden als een ondersteuning of richtlijn voor de te nemen beslissingen en hun
bosbedrijfskundige gevolgen.
HOOFDSTUK 1
1.1
'
BACTERIEZIEKTE VAN DE POPULIER
Historie
Het optreden van bacteriekanker in Europa is nu mim 100jaar bekend. In Frankrijk en Belgie
werd deze ziekte sinds ca. 1875 waargenomen, in Nederland sinds 1870 en in Duitsland pas in
1927.
In 1958 slaagde Rid6 erin de veroorzaker van de kanker te isoleren. De kanker werd bekend als
Aplanobacter populi Rid6
Rond 1977 werd de bacterie ingedeeld onder de familie van de Pseudomonadaceae van de stam
Xanthomonas.
De definitieve naam werd uiteindelijk Xanthomonas populi subsp. populi Rid6 & Rid6.
1.2
Aard en verloop van de ziekte
De aantasting vindt plaats door bovengenoemde bacterie. "Deze bacterie is geen wondparasiet.
Natuurlijke infectie wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door de vmchtlittekens die het gevolg zijn
van verlies van het vmchtbeginsel, gedurende het groeiseizoen, in mei en juni. En in mindere
mate door knop en schublittekens. In de herfst veroorzaken bladvoetlittekens ook een ingang
voor X. populi, maar door het lage inoculatie-niveau op het tijdstip van bladval is dit van
mindere betekenis, dit geldt ook voor wonden die veroorzaakt worden door insekten en andere
aantastingen" (16, blz 6).
Populierekanker openbaart zich door het ontstaan van kankers op stammen en takken wat
gepaard gaat met afsterving van takken.
Reeds enige maanden na infectie met de bacterie kunnen zich bastscheuren vertonen en wordt
er meer of minder afgestorven weefsel zichtbaar. De boom probeert de verstoring te verhelpen
door ovenvellingsweefsel te kweken. Hierbij kan het aangetaste deel weer overgroeid worden
met gezond weefsel of de aantasting woekert voort en zorgt voor afsterving van de takken of
uiteindelijk zelfs de gehele boom.
Het aangetaste cambium en de bast zien er bij het nemen van een dwarsdoorsnede melkachtig
en doorschijnend uit. Dit is teweeggebracht door de aanwezigheid van de bacterien in de
intercellulaire ruimte en een verstoring van de middenlamellen.
Actieve kankenvonden produceren vooral in het voojaar een witgrauwe en stroperige
afscheiding, die de verbreiding van de ziekte mogelijk maakt.
Figuur 1.Het beeld van bacteriekanker (uit handboek voor populierenteelt)
' a
,
Bacteriekanker (Aplanobecrerpopvlil. Jonge
kanksrs bij P. candicans la) en bij 'Brabantica' (b) vier
maanden na inoculatie met bacterieslijm. Kankers op
P. candicans (c) en 'Brabantica' ld).
In het najaar zijn de kankenvonden rninder actief en scheiden rninder vers slijm af.
De besmetting en verspreiding van de bacterie vinden waarschijnlijk plaats door:
- regen;
-wind;
- houtboorders;
- kleine vliegjes;
- vogels.
Mogelijke "acceleratois" bij de verspreiding van deze ziekte zijn een hoge luchtvochtigheid,
voedingstoestand en het vervroegd afvallen van het blad. Dit laatste door bijv. sterke droogte of
aantasting door Melampsora roest, Marssonina, vraat door insekten of ozonbeschadigingen van
het blad. Bij het vervroegd afvallen kan het zo zijn dat de bladlittekens nog niet geheel zijn
afgesloten, waardoor de bacterie een gernakkelijke ingang heeft.
De bacteriekanker is sterk klimaatsgebonden. Resistente klonen uit bijv. de Verenigde Staten
bleken in Belgie en Engeland we1 aangetast te worden. Voor Europa kan men stellen dat alle
populiereklonen veilig ten zuiden van de Loire en ten oosten van de Elbe aangeplant kunnen
worden.
1.3
Oorzaken die tot een epidemie hebben geleid in Flevoland
Bij het steeds verder uitselecteren van geschikte klonen, wordt de bacteriepopulatie als het ware
ook steeds "rneegeselecteerd". Er kornen hierdoor steeds agressievere stammen van de X.
populi. De bacterie bestaat uit een populatie, die zeer flexibel is. Selecteert men
populiereklonen, dan bestaat de kans dat "specialisten" binnen de bacteriepopulatie van X.
populi geactiveerd worden of eenvoudigweg de goede eigenschappen bezitten om deze nieuwe
kloon te infecteren (9, blz 32).
De huidige rassenlijst is ontstaan door een heel proces van selectie en veredeling. Echter de
agressiefste stammen van de gewraakte bacterie waren toen nog niet geisoleerd (en zijn dat
rnisschien nooit). De aanbevolen soorten in de rassenlijsten zijn dan dus ook zeker niet
gegarandeerd resistenr.
In Engeland en Ierland is de Robusta a1 veel eerder van de ressenlijst geschrapt,
vanweye de serieuze kankeraantastingen. Het kan zijn dat door de hogere neerslag en
luchtvochtigheid daar eerder de gevoeligheid v w r de bacteriekanker tot uiting komt. Er
kunnen natuurlijk w k andere factoren een rol spelen zoals bijv. een hogere bemettingsdruk. Misschien is het vwrk-n
van kanker in hgeland en Ierland een bruikbaar
criterium of een indicator v w r wat de ppulierentelers in ons land nog te wachten
staat.
Flevopolder
Bij de aanleg is de Androscoggin gebmikt, waarvan bekend was dat deze niet volledig resistent
was tegen bacteriekanker.
Kunstmatige inoculatie en veldresistentie zijn twee verschillende begrippen. De Robusta bleek
zeer kankergevoelig bij de kunstmatige inoculaties, de veldresistentie bleek daarentegen zeer
acceptabel en werd dus toegelaten op de rassenlijst.
Waarschijnlijk heeft men bij het nemen van dit bedrijfsrisico (gebmik van Androscoggin)
gehoopt dat het "Robusta-voorbeeld" ook op zou gaan voor de Androscoggin en heeft men
meer oog gehad voor het financiele gewin in plaats van de ecologische risico's.
zijn relatief warm en droog geweest. Volgens de
De zomers in de afgelopen jaren ('88 - 'a)
gegevens van Rijkswaterstaat heeft zich in deze jaren met name in de balsemklonen
(Androscoggin, Oxford en Rochester) de zgn. "Zwarte-vlekkenziekte"(Pseudomonas syringae
f. sp. populea) gemanifesteerd. Deze ziekte zorgt voor vervroegde bladval. Ook de
euramericana's hadden in de droge zorner van '92 last van vervroegde bladval door de
langdurige droogte.
Normaal gesproken is er niet genoeg vers slijm in het najaar om echt gevaar op te kunnen
leveren, maar bij hoge besmettingsdruk (dus veel besmette exemplaren bij elkaar),
"accelerende" factoren en de ideale weersomstandigheden (regen, wind) kan de nazomer dus
een enorme explosie van bacteriekanker teweeg brengen, omdat de bomen dan blijkbaar geen
afweer hebben tegen de bacterie.
Bij de kunstmatige inoculaties in het voojaar vertonen een aantal klonen geen reactie, echter bij
kunstmatige inoculaties in het najaar blijken nog maar weinig soorten resistent te zijn. De
aantasting is weliswaar minder emstig en kan in bepaalde gevallen weer overgroeid worden.
De huidige testmethoden, in gebmik sinds 1982, gebruiken de najaarsinoculatie als
uitsluitingscriterium.
Dat de aantasting opeens epidemische vormen aannam kan verklaard worden uit het feit dat de
aantasting nauwelijks met het blote oog waar te nemen is, als de aantasting nog in een
beginstadium verkeert. De aantasting begint heel onschuldig, hier een takje dood, daar een takje
dood. Zaken waar niemand aandacht voor heeft, totdat er opeens delen van de kroon beginnen
uir te vallen. Er is dus niet zozeer sprake van een plotselinge explosie van bacteriekanker.
Tegen de tijd dat de ziekte al epidernische vormen heeft aangenomen wordt d e ziekte pas
onderkend.
1.4
Huidige stand van zaken
In 1992 zijn d e eerste globale inventarisaties uitgevoerd met een vervolg in 1993. Deze
inventarisaties zijn niet representatief en er kunnen dan ook geen definitieve conclusies aan
verbonden worden. De termijn is te kort (2 jaar), ze zijn niet absoluut en bovendien
verschillend uitgevoerd. De eerste inventarisatie gaf de aantastingsgraad aan tussen de 0 en
25%, bij de inventarisatie in 1993 is dit nauwkeuriger aangegeven door middel van een minder
globaal schattingspercentage. Door de slechte zichtbaarbeid van de aantasting zijn deze
schattingspercentages slechts een indicatief gegeven.
In 1992 was ca. 105 ha. besmet, waarvan ca. 2 5 ha. daadwerkelijk aangetast.
In 1993 was ca. 284 ha. besmet, waarvan ca. 44 ha daadwerkelijk aangetast.
Hiermee kan voolzichtig gesteld worden dat het besmette gebied zich bijna verdriedubbeld
heeft en het areaal dat werkelijk is aangetast zich verdubbeld heeft.
Voor de verspreiding van de ziekte zie bijlage 1.
Voorlopig kan gesteld worden dat er geen klonen zijn die 100% resistent zijn, bij een hoge
besmettingsdmk. Volgens sommige onderzoekers verkeert de bacteriekanker in dezelfde fase
als de iepeziekte.en watermerkziekte (7).Dit betekent dus dat zoals het er nu uitziet, op de lange
termijn ook de nu als "resistent" aangemerkte klonen, niet resistent zullen blijken te zijn.
Om verdere uitbreiding van de besmetting te voorkomen is voorlopig de enige oplossing het
venvijderen van de aangetaste opstanden. Hierbij neemt men de opstanden die voor meer dan
25% zijn aangetast en uit voorzorg alle als bekend staande gevoelige klonen. De grens 25% is
genomen, omdat een op de vier bomen al een zeer ernstig besmettingsgevaar voor de overige
bomen op kan leveren.
Bij het venvijderen van de aangetaste opstanden dient men ook de stobben te venvijderen en
voor heraanplant andere soorten te gebmiken dan populier.
Bij hernieuwde aanplant van populier, moet zoveel mogelijk gemengd worden met
verschillende klonen. Bij voorkeur alleen de nu in de 5e rassenlijst (31) opgenomen resistente
soorten gebrui ken.
HOOFDSTUK 2
'
INKOMENSDERVING
Voor het berekenen van de totale vediezen die eventueel opgetreden zijn door het voorkomen
van bacteriekanker is de beschikbare tijd van dit onderzoek niet voldoende. Er zal in dit
hoofdstuk alleen getracht worden een beeld te schetsen wat de inkomensderving nu precies
inhoudt en welke factoren daar een rol bij spelen. Voor dit hoofdstuk is dankbaar gebmik
gemaakt van de doctoraalscriptie van Ruyssenaars, "Schade aan het Nederlandse bos - een
economische benadering" - 1986 (22). Voor het berekenen van de inkomensderving ten
gevolge van aantasting door bacteriekanker kunt u gebmik maken van het genoemde rapport
van Ruyssenaars.
2.1
Inkomensderving
De werkgroep bosschade geeft voor inkomensderving de volgende definitie (22):
"Onder inkomensschade wordt verstaan een vermindering van de opbrengsten entof een
verhoging van de uitgaven periodiek of eenmalig.
De vermindering van de opbrengsten kan betrekking hebben op:
- houtproduktie;
- recreatie;
- jacht;
- fiscale faciliteiten, subsidies.
De verhoging van de uitgaven kan betrekking hebben op (beheem)-maatregelen ter
voorkoming!hemtel/compensatie van:
- bovengenoemde vermindering van opbrengsten;
- het verloren gaan van waarden, die geen opbrengst geven. Dit betreft onder meer
natuunvetenschappelijke en landschapsecologische waarden."
2.2
lnkomensderving zonder bacteriekanker
De bossen in de Flevopolder bevinden zich nog in de opbouwfase, wat inhoudt dat grote
schommelingen op kunnen treden in het jaarlijks financieel resultaat van het bosbedrijf.
Deze schommelingen'worden veroorzaakt door 0.a.:
- beleidsveranderingenin tijd; men is begonnen met plantverbanden van 6 x 7m, nu 4 5 x 5m;
- mislukken van teelten (glasvlinder), waardoor er ingeboet of herplant moet worden;
- omstandigheden bij de oogst (veel kosten aan het herstel van paden bij slechte
weenomstandigheden);
- verzorgingskosten (snoei).
Het bosbouwproduktieproces is een zeer langdurig proces, dat meer dan lOOjaar kan duren. In
de periode tussen de aanplant van de bomen en de geplande eindkap zullen de bomen ieder jaar
groeien. De groei bepaalt voor een groot gedeelte het inkomen dat een boseigenaar met zijn
bossen kan behalen.
De bijgroei die plaatsvindt is niet gedurende de gehele omloop gelijk, maar kent ongeveer het
volgende verloop zoals is weergegeven in figuur 2.
aanwas in rnVha/ja
-> tijd
Figuur 2. Verloop van aanwas bij een gelijkjarig bos
Als men eigenaar is van een groot areaal bos, waarop alle leeftijdsklassen in dezelfde mate
vertegenwoordigd zijn, dan zal er volgens de theoretische modellen iederjaar een gelijke
bijgroei plaatsvinden en men zal ook iederjaar dezelfde hoeveelheid hout kunnen oogsten. Er is
dan sprake van een "normaal" bos. In de praktijk blijken er maar zeer weinig van dergelijke
bossen te bestaan. Er zijn altijd exteme omstandigheden die de theorie verstoren (0.a.
stormschade, ziekten en plagen).
Dientengevolge zullen de bijgroei en de te kappen hoeveelheid hout niet voor iederjaar gelijk
zijn. Als men de inkomensderving ten gevolge van de bacteriekanker wil bepalen, zal daar
rekening mee gehouden moeten worden.
De te kappen hoeveelheden hout bestaan ten dele uit eindkap en ten dele uit dunningen. De
dunningen worden op gezette tijden uitgevoerd om te voorkomen dat de bomen in de opstand
elkaar te veel gaan beconcurreren. Het tijdstip waarop de dunningen en de eindkap
plaatsvinden, alsmede de prijs die de boseigenaar krijgt voor het hout, zijn afhankelijk van een
aantal factoren:
- de houtsoort: de ene houtsoort levert meer geld op per m3 dan de andere;
- de houtkwaliteit, dikte, lengte, kleur, rechtheid, volhoutigheid en vezelkwaliteit van de stam
spelen een rol voor de prijs;
- de marktsituatie: de prijzen worden bepaald door vraag en aanbod;
- de planning van de boseigenaar; de boseigenaar stelt vast in welk jaar er gedund wordt en in
welk jaar de eindkap plaats zal vinden;
- groeiplaatsomstandigheden; de kwaliteit van de groeiplaats is van belang voor de jaarlijkse
-
mogelijke bij,pei van de bomen;
toevallige omstandigheden zoals stormschade, ziekten die leiden tot extra kap.
Als gevolg van bovenstaande factoren zal het moeilijk zijn om op een betrouwbare manier vast
te stellen hoe groot de afwijking zal zijn van het "normale" resultaat, hetgeen noodzakelijk is
om de geleden schade te kunnen vast stellen.
Al met al zijn er onder omstandigheden zonder bacteriekanker veel factoren die van invloed zijn
op het inkomen van de boseigenaar.
2.3
Inkomensderving als gevolg van populierekanker
lnkomensderving ten gevolge van de schade door bacteriekanker is te verdelen in:
- opbrengstdaling, waarbij volgens Ruyssenaars (22) er twee typen inkomensderving zijn:
a. inkomensderving t.g.v. groeireductie;
b. inkomensdewing t.g.v. noodkap.
ad a. Een daling in de groei van de opstand zal leiden tot een aantasting van de opbrengsten
van het bos en als zodanig leiden tot inkomensdewing. In de praktijk zal dit tot uiting
komen in lagere dunningsopbrengsten en eindkapopbrengsten (in hoeveelheden).
Daarnaast kan de kwaliteit van het geoogste hout slechter zijn dan venvacht.
ad b. Hierbij wordt een x-aantal jaren te vroeg de opstand gekapt. De geplande omlooptijd
wordt niet gehaald en daardoor bepaalde kwaliteitseisen ook niet. Het tijds- en
kwaliteitsverschil "xu is bepalend voor de grootte van de inkomensderving.
- kostenstijging, die vooral zal bestaan uit:
-
extra kosten voor activiteiten die normaal niet zouden worden uitgevoerd (bijv.
inventarisaties);
- kostenstijging van dezelfde activiteit (bijv. intensievere controle van de opstanden op
ziekte, selectieve dunning i.p.v. rijgewijze);
-
verschuiving van het tijdstip van de te maken kosten (vewroegde herplant).
De grootte van de inkomensdewing is tevens afhankelijk van het beleid dat gekozen wordt ten
aanzien van de aanpak m.b.t. bacteriekanker. Hiervoor zijn een aantal scenario's mogelijk:
1. Het direct venvijderen van de aangetaste klonen, heeft hogere kosten tot gevolg.
Daartegenover staat dat de overige bomen een lager besmettingsrisico hebben en dus meer
kans hebben hun volledige omlooptijd te halen. Hierdoor zullen bij de eindkap hogere
opbrengsten behaald kunnen worden. Bij een volledige omloop worden tevens de
vervroegde vejongingskosten uitgespaard.
2. Bij het overgaan tot vervroegde kap van de uitgevallen populier, verkrijgt men verhoogde
baten en kosten. De hogere baten worden veroorzaakt door het grotere oogstvolume
(waarbij we1 bedacht moet worden dat de hogere baten uitsluitend debet zijn aan de
verhoogde kwantiteit, door het grotere aanbod zal de prijs per m-?dalen). De hogere kosten
worden veroorzaakt doordat deze kapvlaktes vewroegd moeten worden herplant. Het kan
hierbij zijn dat de balans gedurende een x-aantal jaren een positief resultaat geeft, de
verjongingskosten worden steeds volledig gedekt door de hogere baten.
Bij vervroegde kap worden niet geplande opstanden geoogst. Op een gegeven moment
ontstaat kan er een gat ontstaan in de normale leeftijdsklassenopbouw. De continu~teitvan de
houtstroom wordt daar onderbroken, er zijn geen kaprijpe opstanden meer aanwezig. Er zijn
dan geen baten meer. Na de 7 vette jaren komen dus de 7 magere jaren (in de bosbouw is dit
dus we1 wat langer).
3. Bij het vasthouden aan de gestelde omlopen zal er groeireductie optreden ten gevolge van de
aantastingen. In het ergste geval kan het hout zelfs onverkoopbaar blijken omdat het
verkleurd is of niet meer aan de minimale diameter toekomt. Bovendien kan dan venvacht
worden dat de overige opstanden ook aangetast worden.
4. Er zijn mogelijkheden om het probleem van inkomensderving of onderbreking van de
houtstroom als het ware enigszins te omzeilen. Deoppervlakten die vervroegd geveld
worden, kunnen wellicht in de plaats komen van geplande kapvlaktes, die niet aangetast
zijn, m.a.w. kaprijpe opstanden blijven langer staan. Een aanpassing op de beheersplanning
die tot een compensatie van de verliezen kan leiden.
2.4
Een mogelijk model ter bepaling van de inkomensderving
Ruyssenaars (22) heeft een schema opgesteld, waarin is aangegeven welke factoren een rol
spelen bij het berekenen van economische schade die is veroorzd-t door luchtverontreiniging.
Dit schema is ook van toepassing voor de situatie met bacteriekanker.
Hieronder volgt een toelichting op dit schema, figuur 3 pagina 14.
Al - A3 geven de opbrengstderving weer die tengevolge van een vermindering van de
houtopbrengsten optreedt.
In A l is het effect van groeireducties weergegeven. De groeireducties leiden in deze
benadering via een koppeling aan de normale bijgroei perjaar tot een jaarlijks bijgroeiverlies
aan spilhout. Aangezien hout niet als spilhout, maar als werkhout wordt verkocht moeten
deze hoeveelheden spilhout naar werkhout omgerekend worden. Een uiteindelijke
prijskoppeling leidt tot een financiele weergave van de optredende inkomensderving door
groeireducties.
Deze opbrengstderving treedt zowel nu als in de toekomst op. Op basis van gegevens die
bekend zijn is de huidige opbrengstderving te berekenen. Hoe deze zich in de toekomst zal
ontwikkelen zal afhankelijk zijn van een aantal factoren:
* de grootte en ontwikkeling van groeireductiepercentages. Hierin spelen een rol:
*
- het gevoerde beleid inzake factoren die de groei nadelig be'invloeden;
- invloeden van effectgerichte maatregelen;
- eventueel aanpassings/herstellingsvemogenvan de bomen.
de ontwikkeling van de houtprijzen, hierin spelen een rol:
- vraagontwikkeling;
- aanbodontwikkeling;
- kwaliteitsbeinvloeding van het hout door de ziekte.
Deze variabelen maken het lastig om een betrouwbaar beeld te geven van mogelijk
toekomstige schade. De uihverking van A, is dan ook gericht op een benadering van de
schade zoals die op dit moment optreedt.
In onderdeel Az wordt aandacht besteed aan het ternglopen van de groei per ha. tengevolge
van een dalende v~lkomenheids~pad.
Dit is het gevolg van het selectief kappen van de
aangetaste bomen, zonder dat tot herplant wordt overgegaan. Met betrekking tot
bacteriekanker is dit niet acceptabel vanuit het kostenoogpunt, de ziekte wordt niet bestreden
en jonge populieren hebben een grotere kans op nieuwe besmetting. De toekomstige
opbrengstdewing is afhankelijk van de ontwikkeling van de volkornenheidsgraad. Daawoor
moeten aannames gedaan worden die gebaseerd zijn op de huidige stand van zaken van de
bossen op dit moment. Verdere uitbreiding van het besmene areaal zal echter ook kunnen
leiden tot een grotere daling van de volkomenheidsgraad.
Onderdeel A3 is een benadering van de opbrengstdewing ten gevolge van een lagere
kwaliteit van het te vroeg gekapte hout uit de aangetaste opstanden als gevolg van noodkap.
De stamrnen die te vroeg zijn gekapt zijn dunner en korter dan ze hadden kunnen zijn als ze
waren blijven staan tot het geplande kapmoment. Ten gevolge hiewan zal de prijs lager zijn.
Onderdeel B is gericht op een benadering van de te venvachten kostenstijgingen die op zal gaan
treden. Het gaat daarbij om maatregelen die genomen moeten worden om te voorkomen dat de
besmetting zich nog verder uitbreidt. Dit onderdeel beoogt een indicatie te zijn voor de
eventueel extra te maken kosten voor bijv. controle en evt. andere maatregelen.
Onderdeel C betreft een mengeling van alle onderdelen en is van toepassing op een klein
gebied. Het betreft hier voornamelijk de kosten die gemaakt moeten worden als gevolg van cen
noodkap.
2.5
Nabeschouwing
In de situatie Flevoland zijn er ca. 50 verschillende populiereklonen die in ongeveer 23
verschillend jaarklassen zijn aangeplant. Bovendien worden verschillende omlooptijden van
deze Wonen gehanteerd, I8 en 35jaar.
Voor een omloop van35 jaar geldt bijvoorbeeld het volgende:
l e dunning
2e dunning
100% papierhout
75% papierhout en 25% zaaghout
eindkap
25% papierhout en 75% zaaghout
l e dunning na ca. 12 jaar
2e dunning na ca. 18jaar
eindkap na ca. 35jaar
- opbrengst 401nYha
- opbrengst 50m3Iha
- opbrengst 200m3Iha
Het berekenen van een sterk vereenvoudigd scenario heeft weinig nut, omdat zeer veel
berekeningsfactoren al aannames zijn. De opbrengsten zijn theoretisch, de houtprijzen zijn sterk
aan prijswisseling onderhevig en er kan met diverse rentevoeten gerekend worden. Er werd en
wordt iiberhaupt weinig gerekend met rentevoeten in Flevoland, de meningen daarover binnen
Rijkswaterstaat zijn zeer verdeeld. Als er al een rentevoet wordt gebmikt dan ligt die meestal
rond de 4 i 5%, hetgeen de landbouwpercentages (6%, Landbouw Economisch Instituut)
benadert en dus zeer nadelig werkt op de verliesmarges van de bosbouw.
Bij het berekenen van een sterk vereenvoudigd scenario zou de indruk gewekt kunnen worden
dat 66n berekening van een versimpelde werkelijkheid representatief is voor de werkelijke
inkomensverliezen. Dit laatste is niet zo.
HOOFDSTUK 3
'
EEN ALTERNATIEF VOOR HET PROVISORISCH
POPULIERENBOS MET KORTE OMLOPEN
De bosbedrijfsvoering in Zuidelijk Flevoland is gebaseerd op een vlaktegewijs beheer en een
normale leeftijdsklassenopbouw. Om snel een normale leeftijdsklassenopbouw te bereiken is er
een uitsplitsing gemaakt in houtsoorten, namelijk soorten voor provisorisch bos (snelgroeiende
pioniersoorten) en soorten voor definitief bos (vooral langzaamgroeiende climaxsoorten).
De snel,meiende soorten bestaan momenteel voomamelijk uit populier en in mindere mate uit
es, wilg, els en fijnspar.
Het provisorische bos wordt gebmikt om de tijdelijk beschikbare mimte binnen het normale
omloopklassemodel te gebruiken. Per hectare bosaanleg heeft dit geresulteerd in 60%
provisorisch bos en 40% definitief bos. Voor het bos in Zuidelijk Flevoland, ca. 5000 ha.
beslaat, geldt dat er ca. 3100 ha. populier aanwezig is.
Door het epidemisch voorkomen van bacteriekanker zal een groot deel van de met name jongere
opstanden Gonger dan 1Ojr.) de geplande omloop ( l a 3 5 jr.) waarschijnlijk niet halen.
Hierdoor komt het snel bereiken van een normale leeftijdsopbouw in gevaar. De functie van
provisorisch bos metals doelstelling normaliteit is dan mislukt als zodanig.
In dit hoofdstuk woidt beschreven wat de bosbedrijfskundige mogelijkheden en financide
gevolgen zijn, als er gestreefd wordt naar het zo spoedig mogelijk bereiken van een normale
leeftijdsklassenopbouw. Een groot aandeel van de aangetaste populieren van het provisorisch
bos zal vervangen moeten worden door andere, liefst snelgroeiende, boomsoorten
Het uiteindelijk geplande aandeel van populier in de bosbezittingen van Rijkswaterstaat zal
uiteindelijk 5 3 0 % van het totale bosareaal zijn (Staatsbosbeheer heeft 5%als norm gesteld).
In paragraaf 1 wordt een algemene bodemgeschiktheidsbeoordeling uitgewerkt, die ook geldt
voor hoofdstuk 4.
In de tweede paragraaf worden geschikte boomsoorten aangegeven die als vervanger kunnen
dienen van de aangetaste populieren. Voor alle duidelijkheid; in hoofdstuk 3 wordt alleen
gesproken over snelgroeiende soorten met korte omlopen. In hoofdstuk 4 worden geschikte
langzaarngroeiende soorten behandeld met lange omlopen.
In de derde paragraaf wordt er getoond hoe de te verwachten uitval opnieuw ingevuld kan
worden met de boomsoorten uit 3.2.
In de vierde paragraaf komen de kosten van deze veranderingen aan bod.
3.1
BodemgeschiktheidsbeoordelingZuidelijke Flevopolders
De bodem kan bij een algemene beschouwing aangaande de boomsoortenkeuze voor een
eventueel nieuw te vormen provisorisch bos beschouwd worden als een homogeen geheel. Het
gebied bestaat voornamelijk uit poldervaaggronden met grondwatertrap VII en een lutumgehalte
van 25%of meer. Incidenteel komen er in de poldervaaggronden ook stukken voor met
grondwatertrap 111 en stukken met katteklei en knipklei (rond Almere), deze zwaardere
bodemtypen hebben een lutumgehalte van + 35%.
De bodem is in het algemeen niet geschikt voor naaldboomsoorten door de te hoge pH. Deze
ligt in het algemeen hoger dan 4,5 door het kalk wat vrij komt uit de mariene gronden
(schelpen). In de zwaardere bodemtypen treedt er zuurstofgebrek op.
De bosbouwkundige mogelijkheden voor loofhout worden alleen beperkt door het optreden
van luchtgebrek in de zwaardere varianten (> 35%lutum) met te ondiepe ontwateringstoestand
(grondwatertrap 111). Knippige poldervaaggronden hebben een ongunstige structuur, waardoor
een goede wortelontwikkeling niet mogelijk is (22).
Voor geschikte soorten is gekeken naar groeiplaats en functievervulling (korte omloop,
financiele opbrengst, leveren bosklimaat).
Deze soorten zijn: els, berk, es, esdoom. De groeivenvachting is bij grondwatertrap VII voor
al deze soorten "goed". Bij knipklei en katteklei is de groeivenvachting "gemiddeld". Bij een
grondwatertrap 111 is de groeivenvachting van els "goed", van de rest "gemiddeld". Bij de
zware variant is deze bij de els "gemiddeld" en voor de rest "slecht".
Het gebruik van fijnspar is (zie ook 3.2) in het algemeen vanwege het hoge risico op aantasting
door wortelzwam (te hoge pH) en honingzwam (voormalige loofhoutbeplantingen) af te raden.
Indien er toch voor toepassing van deze soort in het provisorische bos gekozen wordt, is dit
alleen verantwoord als eerste bosgeneratie (in verband met honingzwam) en dan w k nog op
een beperkte schaal (maximaal 300-400 ha, norm Rijkswaterstaat).
3.2
Mogelijke vervangende boomsoorten voor populier binnen provisorisch bos
Groeiplaatseisen
Deze typische pioniersoort die goed bestand is tegen wind en niet gevoelig is voor late
nachtvorst, is geschikt als hulphoutsoort bij aanleg van nieuwe bebossingen. Deze swrt doet
dienst als beschutting tegen wind (bv. bij essenaanplant) en de bodemverbeterende werking is
groot (mulching, stikstofbinding en het doorgoeien van storende lagen in het bodemprofiel).
Teeltrisico's
De els wordt vaak kaalgevreten door het elzehaantje en de elzebladwesp. Het elzesterven is een
schimmelaantasting, veroorzaakt door Valsa oxystoma, die optreedt op 12-20jarige leeftijd.
Deze aantasting houdt wellicht verband met de groeiplaats (22).
Toepassineen en omlopen
In korte omlopen is het mogelijk om hout te leveren v w r de houtwaren- en
emballagekistenindustrie (28). De afzetmogelijkheden zijn waarschijnlijk beperkt, waardoor de
grootste marktafiet toch vezelhout zal zijn (loofhout gezaagd op een lengte van 1.15 meter en
een lage kwaliteit). De beperking hierbij is de houtkleur (geel) die niet gewenst is (Algemene
Vereniging Inlands Hout).
3.2.2
Ruwe herk
Groeiplaatseisen
Berk is geschikt voor provisorisch bos. De snelle groei en grote produktie zijn bij deze
pioniersoort geschikt om verscheidene doelstellingen van provisorisch bos te bereiken. Vooral
geschikt op arme droge zandgronden.
Teeltrisico's
Weinig risico's, verdraagt vervuilde lucht slecht, groeit verder bijna overal. Kan we1 veel
opslag vormen. Er is weinig ervaring met grootschalige aanplanten binnen Nederland.
De smrt levert weliswaar een hoge produktie, de kwaliteit is echter niet altijd goed. Bij
zorgvuldig dunnen is het we1 mogelijk een eind opstand van voldoende kwaliteit te genereren
(22). Het nadeel van berk is dat de aanplant moet geschieden op het moment dat de knoppen
uitlopen.
Toepassineen en omlooen
Recreanten ervaren berkenbos niet als "bos" en voldoet daardoor minder aan een van de
doelstellingen van provisorisch bos.
In Nederland is er weinig ervaring met de afzet van grote hoeveelheden berkenhout, wordt
hoofdzakelijk gebruikt als vezelhout. Mogelijke andere abet (28) van berken is voor
betimmeringen, meubels (gefineerd en massief), brandhout.
Groeiplaatseisen
Essen hebben vochtige en voedselrijke gronden nodig, met een gunstige structuur (diep open
grond, geen storende lagen) om optimaal te kunnen groeien.
Ze verdragen hoog, stagnerend grondwater slecht. Essen hebben een snelle jeugdgroei, daama
groeien ze vrij langzaam. Ze verdragen alleen in de jeugd enige schaduw, op oudere leeftijd niet
meer.
Teeltrisico's
Wildschade blijft van betekenis; jonge essen zijn geliefd voedsel voor reeen, hazen en
konijnen. Daamaast zijn ze gevoelig voor schildluis- en kankeraantastingen.
Essen zijn gevoelig voor late en vroege nachtvorst. De es blijkt, meer dan elke andere
loofhoutsoort, een houtsoort van die beschutting en opstandssluiting nodig heeft, m.a.w. hij
heeft veel baat bij een goed microklimaat.
Toepassingen en omlopen
Een van de voordelen van de es is dat na de eerste aanplant, in een aantal gevallen
waarschijnlijk gebruik kan worden gemaakt van natuurlijke verjonging. Reeds op 15jarige
leeftijd blijkt de es te kunnen zorgen voor een behoorlijke essenverjonging (niet bij klonen, dan
zijn er alleen mannelijk of vrouwelijke exemplaren aanwezig!). In de IJsselmeerpolder bleek
het in een aantal gevallen mogelijk populierenopstanden om te vormen door natuurlijke
verjonging van es. Het zaad was afkomstig van bomen uit omringende houtsingels (23).
In korte omlopen (4050jaar) kan er vezelhout geproduceerd worden (lage kwaliteit). In
hakhoutcultures kunnen (landbouw)gereedschapsstelen geteeld worden. Inlands essenhout
wordt ook gebruikt voor vervaardiging van roeiriemen en gymnastiektoestellen, echter de
afzetmogelijkheden zijn waarschijnlijk zeer beperkt. Het verkrijgen van kwalitatief goed
essenplantsoen voor de houtteelt was moeilijk, momenteel zijn er we1 goede selecties
verkrijgbaar (3 I).
3.2.4 Esdoorn
Groeiplaatseisen
Esdoorn verlangt voor de groei vooral vruchtbare gronden met een goede vochtvoo~ziening.De
soort heeft een snelle jeugdgroei en grote concurrentiekracht, maar is gevoelig voor
voorjaarsnachtvorst. Hij verdraagt in de jeugd vrij veel schaduw, later niet meer.
Teeltrisico's:
Bij venvondingen is er gevaar voor aantasting van "vuur" (Nectra cinnabarina). Daamaast
treedt er veel knaagschade op en is er gevaar voor zonnebrand. Esdooms hebben vaak een
slechte vorm, daarom is bij aanleg in bosverband jeugdvormsnoei aan te raden.
Toeuassinoen en omloven
De esdoom is een boomsoort met een snelle (jeugd)groei en een hoge produktie. Hierdoor is
deze soort ook geschikt als soort binnen provisorisch bos. Het nadeel van deze soort is echter
de vaak slechte vorm (24). Om de vorm te verbeteren is een goede herkomst dus zeer
belangrijk of zal jeugdsnoei (kosten!) noodzakelijk zijn. Mogelijke toepassingen van esdoorn
zijn: betimmeringen, rneubelen, fineertriplex of draai- en snijwerk (28).De grootste
afzetmogelijkheid is toch waarschijnlijk vezelhout (in korte omlopen, lage kwaliteit).
Groeialaatseisen
De fijnspar vraagt een winterkoud landklimaat en is niet geschikt voor gebmik in het
Nederlandse klimaat bij omlopen van langer dan 60jaar.
Teeltrisico's
De fijnspar is een halfschaduwsoort die gevoelig is voor voorjaarsnachtvorst en wind. O p
plaatgronden is de kans op windworp groot. Het is mogelijk om deze soort aan te planten op
open vlakten, echter de aanslag en groei zijn duidelijk beter bij zijbeschutting (22). Fijnspar is
1
erg gevoelig voor wortelzwam door de relatief hoge pH van de bodem. Het vroegere landbouw-
\
kundige gebmik verhoogt de kans op aantasting met wortelzwam nog eens,door het verhoogde
stikstofgehalte en de bewerkte bodem (uit: Fijnspar in Smilde, 1989)
/
u
Toepassingen en omlopen
Voor het leveren van een eerste bosklimaat is deze soort niet geschikt vanwege zijn
gevoeligheid voor wind en voorjaarsnachtvorst. De boom kan, indien deze niet in grootschalige
monocultures wordt aangeplant, al snel een aantrekkelijk bosbeeld leveren voor de recreatie.
In korte omlopen (15-40jaar) en alleen als eerste bosgeneratie (i.v.m aantasting honingzwam)
is deze soort we1 beperkt te gebruiken.
Financieel is de teelt van deze soort in korte omlopen waarschijnlijk het meest aantrekkelijk
t.0.v. els, berk, es en esdoom. Er zijn al goede afzetmogelijkheden na ? 20jaar als
perkoenhout (bijv. eerste dunning), bij de langere omlopen kan er kisthout geproduceerd
worden. De vezel vande fijnspar is zeer geschikt voor papierproduktie.
Groeiplaatseisen
De reuzenzilverspar stelt tamelijk hoge eisen aan de bodem, vooral ten aanzien van de
vochtvoorziening. Het is een halfschaduwsoort. Met deze halfschaduwsoort, die weinig
gevoelig is voor wind zijn proefvelden aangelegd in Oostelijk Flevoland op zandgrond (pH.
KCL:7.4, lutum 0.5-3% en gwtr:V). De reuzenzilverspar groeit de eerste 15jaar zeer traag
maar groeit daama zeer snel en overtreft daarbij de totale produktie van douglas met boniteit 1
(totale produktie na 33 jaar: 470 m3).
Teeltrisico's
Ondanks de hoge pH valt de aantasting door wortelzwam tot nu toe mee. In de toekomst moet
echter rekening gehouden worden met een toenemend gevaar voor aantasting door wortelzwam
i.v.m. een toenemende massa van dode wortels. De reuzenzilverspar is minder gevoelig vcmr
wortelzwam dan de fijnspar (17).
De reuzenzilverspar is gevoelig voor stormschade door de brosse houtstmctuur (lage
breukweerstand). De zeer goede beworteling zorgt ervoor dat de stam afknapt.
De-reuzenzilverspar is net als de fijnspar maar op een zeer beperkte schaal in korte omlopen
max. 50 jaar) te gebmiken (samen met de fijnspar max. 300-400 ha) en ook alleen als eerste
/'-
generatie bos (i.v.m honingzwam) daar de risico's op aantasting anders te groot worden. De
herkomst moet verder goed zijn.
Toepassinzen en omlopen
De boom is aantrekkelijk voor de recreant en kan door toepassing de variatie in het bosbeeld
In Duitsland zijn er afzetmogelijkheden als emballage-hout, in Nederland zijn er geen geschikte
zagerijen om het hout, dat snel splintert, te verzagen (Boon, Algemene Vereniging Inlands
Hout). Het hout is ook geschikt als vezel voor spaanplaten en papierproduktie.
3.3
Mogelijkheden tot omvorming
De boomsoorten uit de vorige paragraaf zijn geselecteerd op hun geschiktheid voor het
vervullen van functies binnen de doelstellingen van provisorisch bos en de lokale
groeiplaatsomstandigheden.
Het is nu mogelijk een afweging te maken tussen deze soorten gezien de voor- en nadelen van
deze soorten. Gesteld kan worden dat de gexhikte soorten liefst zoveel mogelijk in mengingen
voor moeten komen en niet een of twee soorten met een groot bezettingsaandeel. Hiermee
worden dan de risico's t.a.v. ziekten en plagen ingeperkt en worden situaties, zoals nu met de
populiereaanplant gebeurd is, voorkomen.
Er zijn drie mogelijkheden voor omvorming.
Mogelijkheid 1
De eerste mogelijkheid betreft financieel gezien de gunstigste soorten (zoals voorheen de
populier). Deze soorten zijn de es, esdoom en fijnspar vanwege de hogere houtprijzen en
mogelijke afzet bij langere omlopen. Het teeltrisico bij een keuze op financiele basis is groter
(zoals bij de populier bleek). Om alleen voor es en esdoorn te kiezen zou opnieuw een risico
zijn, gezien de teeltkundige risico's die daar aan vast zitten.
Een ander nadeel is dat de omlopen lang moeten zijn om te komen tot een kwalitatief
hoogwaardig produkt, dit is in strijd met een van de doelstellingen van provisorisch bos. Voor
de fijnspar geldt dat deze niet geschikt is als soort na voormalige loofhoutbeplantingen,
Mogelijkheid 2
Dit zijn de echte pioniersoorten: berk en els. De risico's op aantasting zijn minder dan bij es en
esdoom maar de financiele opbrengst (korte termijn) zal ook lager zijn. Dit is een reden om ook
hier niet tot grootschalige aanplant over te gaan.
Mogelijkheid 3
Deze derde mogelijkheid bestaat uit een combinatie van mogelijkheid 1+2 en is waanchijnlijk
het aantrekkelijkst door het gebruik van de vier soorten tezamen. De financiele situatie is
minder goed dan bij mogelijkheid 1, maar er is minder risico door aantasting of uitval en men
kan verscheidene doelstellingen beter combineren.
De opbrengsten zijn hoger dan bij mogelijkheid 2. Er kan gesteld worden dat dit de beste
mogelijkheid is met betrekking tot de opbrengsten en de risico's.
De omlopen voor dit provisorisch bos; bij-deze laatste mogelijkheid, zullen langer moeten zijn
(60jr. voor es of 40 jr. andere boomsoorten) dan de huidige omlopen van populier. Reden
hiervoor is de geringe produktie bij kortere omlopen. Vezelhout (loofhout) brengt momenteel
franco fabriek f 70,-/ton op (vezelhout, 1.15111 bestemd voor Belgie, bron: houthandel).
Gevolgen van mogelijkheid 3 zijn:
- bij langere omlopen zal de normaliteit niet zo snel bereikt worden als bij de provisorische
-
bossen met populier. De doelstelling "zo snel mogelijk een normaal bos te bereiken" moet
dan worden bijgesteld;
de aanlegkosten kunnen niet binnen afzienbare tijd worden temgverdiend;
-
De bodem is zeer goed waardoor de aanwas misschien te snel verloopt om goede kwaliteit
zaaghout te kunnen krijgen (met name es). Langzaam groeiend bos levert in het algemeen
een hogere kwaliteit zaaghout, door de dichtere structuur die dan ontstaat. Het is dus de
vraag of het lukt om bij een langere omloop de gewenste hoge houtkwaliteit te bereiken met
de daarbij behorende hoge prijs.
De criteria voor het uitvallen van populier zijn als volgt:
- er wordt vanuit gegaan dat de gevoelige klonen (niet resistente) uiteindelijk in alle
leeftijdscategorieen geheel uitvallen. de gevoelige klonen zijn: Androscoggin, Geneva.
-
Oxford, Rochester;
verder wordt er van uitgegaan dat opstanden die voor 25% of meer aangetast zijn volledig
uit zullen vallen, ongeacht de kloon (opstand wordt dan dus 100% gekapt). Dit ook omdat
er vaak nauwelijks nog sprake is van een volwaardige eindopstand gezien de
aantastingspercentages (vaak veel meer dan 25% hoofdzakelijk meer dan 40%). De keuze
van de grens 25% is gemaakt, omdat dan al een vierde deel (l:4)aangetast is en dan de kans
op een verdere besmetting groot is. In geval van niets doen, zal het aangetaste deel uiteindelijk afsterven en de dienen als "haard" voor de overige opstand. De inkomsten kunnen
aanzienlijk dalen doordat in elk geval 25% slecht verkoopbaar zal zijn.
Tabel 1. 25% of meer aangetaste soorten:
Donkamp
Florence B.
Agathe F.
Dorskamp
Donkamp
Zeeland
Zeeland
Donkamp
Voor de geqevens gebruik gemaakt van: "inventarisatie van bacteriekanker in populier 1993"
en het "overzicht populiereklonen Zuidelijk Flevoland 1992" (zie bijlaqe 2).
De gevoelige klonen:
Androscoggin 181,34 ha.
59.63 ha.
Geneva
191,02 ha.
Oxford
Rochester
98.13 ha.
Totaal:
530,12 ha.
De totale venvachte uitval is dan 530,12 ha.+ 10,49 = 540,61 ha,
Deze oppervlakte zal zo veel rnogelijk ingevuld moeten worden met es, esdoom, berk, els.
Gezien de keuze alle soorten te gebmiken betekent dit k 135 ha. per boomsoort.
Er wordt niet uitgegaan (behalve evt. es) van mengingen. Mengingen verhogen de
exploitatiekosten. Het nadeel van opstandsgewijs beheer is dat het vaak niet past binnen een
recreatie- en natuurdoelstelling (zie hoofdstuk 5).De fijnspar en reuzenzilverspar zijn
hoofdzakelijk geschikt voor eente beplantingen dit om risico's te voorkomen. In de nog 900
ha. aan te planten oppervlakte voor 1997 zullen de soorten fijnspar en reuzenzilverspar op een
oppervlakte van maximaal300 - 400 ha. mogen voorkomen (norm Rijkswaterstaat).
3.4
Financiele gevolgen van vewanging van populier
Voor opbrengsten in m3 wordt venvezen naar bijlage 3. Hiemit blijkt dat in korte omlopen (20
jaar) redelijke produktie mogelijk is. Het financieel lagere resultaat kan gecompenseerd worden
door de nog aan te planten fijnspar en reuzenzilverspar (f 90,-/m3), hierbij vervalt dan vaak we1
het streven naar kwaliteit.
De plantkosten voor loofhout zullen hoger liggen dan voor populier. Loofhout kost ca. f 7500,/ha (5300stIha) inclusief bijbehorende werkzaamheden. Voor populier is dit f 2050 (444stIha).
Deze prijzen zijn gebaseerd op uitvoering door Rijkswaterstaat zelf.
Richtprijzen voor dunningen voor de soorten es, esdoom, berk, els (prijzen op stam):
- f 20,- /ton voor de eerste dunning;
- tweede dunning f 25,- Iton;
- eindkap f 35,- /ton.
Voor populier zijn de dunningen en eindkap f 22,- /ton.
In vergelijking met populier brengt aanplant met loofhout waarschijnlijk niet minder per ton op.
De lagere opbrengstlha van berk, es, els en esdoom wordt hoofdzakelijk veroolzaakt door een
veel lagere aanwas dan populier. Bij populier kan er meer ton per hectare geoogst worden en
zijn de opbrengstenlha hoger zijn.
Verhogende kosten voor loofhout zijn de hogere aanplantkosten en de eventuele inboetkosten.
Wil loofhout op financieel gebied k u ~ e concurreren
n
met populier, dan zullen de eindprijzen
voor deze soorten hoger moeten worden. Dit kan door te streven naar hogere kwaliteit. Dit
betekent dat korte omlopen plaats moeten maken voor langere omlopen.
Populierenteelt bood goede economische voomitzichten, daawan blijkt nu nog maar weinig
over te zijn door de grote schadeposten die inmiddels zijn opgetreden. De risico's bij het
gebmik van de vemangende soorten zullen naar alle waarschijnlijkheid van te voren al veel
lager liggen.
Kostendewing direct veroorzaakt door risico's (zoals uitval en vervroegde kap) kunnen dan
uitblijven, het is dan nog maar de vraag of de vier loofhoutsoorten op de lange termijn
financieel minder aantrekkelijk blijken te zijn dan populier (zelfs als er niet gestreefd wordt naar
hogere houtkwaliteit).
Dit verhaal moet gezien worden als een richtlijn en niet als een garantie.
3.5 Nabeschouwing
Gezien de groeiplaatsomstandigheden en functies die het provisorisch bos moet vervullen i?jn
de boomsoorten zwarte els, ruwe berk, es en esdoorn geschikt. Met deze soorten kan in korte
omlopen een exploitabel produkt (voornamelijk vezelhout) geproduceerd worden. Es en
esdoorn hebben de meeste potentie om waardevolle houtprodukten te produceren in lange
omlopen. Zwarte els en ruwe berk hebben als voordeel t.0.v. es en esdoom dat ze minder
gevoelig zijn voor ziekten en aantastingen. Ein nadeel van berk is dat deze moeilijk is aan te
planten op grote schaal, precies op het moment dat de knoppen van de berk uitlopen moet er
geplant worden. Dit is in de praktijk waarschijnlijk moeilijk te realiseren. Es en esdoorn leveren
een aantrekkelijk bosbeeld op voor de recreant.
De fijnspar en reuzenzilverspar zijn zeer geschikt in korte omlopen (rnax 40-50jaar). In zeer
korte omlopen kan met fijnspar perkoenhout geteeld worden dat veel opbrengt. De
reuzenzilverspar levert, na in eerste instantie een trage jeugdgroei, uiteindelijk een zeer hoge
produktie per ha. Beide soorten leveren ook snel een aantrekkelijk bosbeeld. Aan het gebmik
van deze soorten zijn echter grote risico's verbonden (groter dan bij de al eerder genoemde
soorten). Door de hoge pH van de bodem is de kans van aantasting door wortelzwam vooral
bij fijnspar zeer groot. Reuzenzilverspar is vooral gevoelig voor stonnschade. Beide soorten
zijn gevoelig voor honingzwam en zijn daarom alleen geschikt als aanplant op gronden zonder
voormalige loofhoutbeplantingen. Deze soorten zijn dus niet geschikt als vervanging van de
uitgevallen populieren in definitief bos. Om niet al te grote risico's te lopen zal er in totaal
maximaal300-400 ha met fijnspar en reuzenzilverspar beplant k u ~ e worden.
n
De geschatte uitval als gevolg van bacteriekanker is 540 ha. Zwarte els, ruwe berk, es en
esdoom kunnen hier in gelijke mate gebruikt worden (ieder 135 ha), om zo tot een goede
afweging te komen tussen enerzijds een zo hoog mogelijke opbrengst en anderzijds zo weinig
mogelijk risico's.
Financiele gevolgen van vervanging van populier zijn moeilijk te kwantificeren. De prijs die
verkregen kan worden door gebruik van de soorten berk es, els en esdoom is onzeker. De
pnjzen per ton zullen echter niet veel verschillen tussen populier en zijn vervangende soorten.
De opbrengst per hectare zal bij de populier hoger zijn dan bij de soorten es, esdoorn, berk en
els, door de hogere aanwas van populier per ha. Door de uitval van populier wordt de
vergelijking moeilijker. Door de uitval zal minder verkoop optreden waardoor het verschil in
opbrengst tussen genoemde soorten en populier per hectare minder wordt. De soorten es, berk,
esdoorn en els kunnen in vergelijking met populier financieel interessant zijn.
HOOFDSTUK 4
'
EEN ALTERNATIEF VOOR HET PROVISORISCH
POPULIERENBOS MET LANCE OMLOPEN
Men heeft provisorisch bos aangelegd met de snelgroeiende houtsoorten populier en wilg. voor
het bereiken van de normaliteit, waarbij de populier het grootste aandeel heeft. Het doel van
provisorisch bos is het zo snel mogelijk creeren van een bosklimaat en om na ca. 20-35 jaar een
nieuwe bosgeneratie te kunnen krijgen.
Door het explosief uitbreken van bacteriekanker in de grote monocultures populier moeten
vraagtekens gezet worden bij het grootschalige gebruik van deze boomsoort in het provisorisch
bos en de functie hiervan voor de normaliteit.
In dit hoofdstuk wordt behandeld welke alternatieven er zijn, hierbij wordt in tegenstelling tot
het vorige hoofdstuk uitgegaan van duurzaam bos, dus lange omlopen (> 60 jaar).
In de eerste paragraaf worden de boomsoorten vermeld die qua standplaatseisen en produktie
goede resultaten zullen geven om een duurzaam bosbedrijf in stand te kunnen houden.
In paragraaf twee wordt nader op de natuurlijke vejonging ingegaan waarin een ondencheid
gemaakt wordt in vejonging op rijke en armere gronden. Natuurlijke verjonging van naald- en
loofhout en de aanplant ervan onder populier zijn mogelijke alternatieven voor de omvorming
van populierenbos.
De aanleg van vejonging onder populier wordt in paragraaf drie behandeld, waarbij
verschillende mogelijkheden van menginglmonocultuur, geschikte boomsoorten en
plantverbanden belicht worden.
4.1
Boomsoortenkeuze
In deze paragraaf worden boomsoorten behandeld die geschikt zijn voor duurzaam bos. Dit
kunnen soms dezelfde soorten zijn die gebruikt worden voor de aanleg van snelgroeiend bos,
met het verschil dat de omlopen nu langer zijn.
Bij de keuze van de boomsoorten wordt rekening gehouden met de groeiplaatseisen, de
teeltrisico's (per soort worden de belangrijkste, rnogelijke aantastingenlziekten behandeld) en
de functievervulling.
In de volgende subparagrafen worden bovenstaande factoren per boomsoort behandeld. Es en
Esdoorn zijn reeds behandeld in hoofdstuk 3, maar om de structuur van dit hoofdstuk niet uit
elkaar te trekken, worden deze boomsoorten ook hier weer besproken.
De bodem van de bossen in Zuidelijk Flevoland is over grote oppervlakte homogeen.
Algemeen kan worden gesteld dat meer dan 85%van de oppewlakte uit ,wnden bestaat die
zeer geschikt zijn vooi bos, minder dan 10% bestaat uit matig geschikte gronden en minder dan
5%uit minder geschikte gronden. Voor overige gegevens wordt verwezen naar 3.1 Bodemgeschiktheidsboordeling Zuidelijke Flevopolders.
De gewenste houtsoorten in de eindfase zijn (volgens het Rijkswaterstaat-model): populier,
wilg, iep, es, esdoom,eik, beuk, overig loofhout en naaldhout. Populier en wilg worden in dit
hoofdstuk niet behandeld omdat het houtsoorten met korte omlopen ( 1 5 2 5 jaar) zijn. Daarnaast
is het risico voor aantasting door bacteriekanker (populier) en de aantasting door
watermerkziekte (wilg) te groot. Iep wordt ook niet behandeld omdat het risico op iepeziekte
nog steeds sterk aanwezig is.
Bij de houtsoortenkeuze spelen de volgende factoren een rol:
- mechanisatie bij bosaanplant en bosbeheer;
- economische en sociale veranderingen na de zestigerjaren;
- toenemende aandacht voor landschappelijke structuren;
-
toenemend accent op de meervoudige functievervulling van het bos;
- toenemende belangstelling voor ecologisch bosbeheer;
-
toename van recreatie in bossen.
Er worden een aantal bosdoeltypen op lange termijn nagestreefd, op basis van groeiplaats en
functies van de beplantingen in Zuidelijk Flevoland ( 11):
13: eik 70%; es/iep/zWes/li/bu 30%
14: eik 100%
17: populier 100%
18: es 100%
19: es 70%; bu/habdesd/li/iep 30%
20: es 40%; wilg 40%;els 20%
Gezien de aard van bovenstaand verhaal en voorgenoemde risico's vallen bosdoeltype 17 en 20
geheel af. Iep wordt in het geheel niet gebruikt in de mengingen. Dit heeft namelijk geen enkel
nut, na verloop van tijd blijkt dat de iep toch weer aangetast wordt. Dit is al reeds gebeurd in
een aantal opstanden in Zuidelijk Flevoland.
Bij de bepaling van de boomsoortenkeuze voor duurzaam bos is alleen rekening gehouden met
de soorten die genoemd worden in de bovenstaande bosdoeltypen.
~roei~laatseisen
Essen hebben vochtige en voedselrijke gronden nodig, met een gunstige structuur (diep open
grond, geen storende lagen) om optimaal te kunnen groeien. Ze verdragen hoog, stagerend
grondwater slecht. Essen hebben een snelle jeugdgroei, daarna groeien ze vrij langzaam. Ze
verdragen alleen in de jeugd eNge schaduw, op latere leeftijd niet meer.
Teeltrisico's
Wildschade blijft van betekenis; jonge essen i j n geliefd voedsel voor reeen, hazen en
k o ~ j n e nDaarnaast
.
zijn ze gevoelig voor schildluis- en kankeraantastingen. De zwaarste
aantastingen van schildluis komen doorgaans voor op de zwakste essen. Door kankeraantastingen kan de houtkwaliteit negatief bei'nvloed worden.
Essen i j n gevoelig voor late en vroege nachtvorst. De es blijkt, meer dan elke andere
loofhoutsoort, een houtsoort van de beschutting en opstandssluiting, m.a.w. ze hebben veel
baat bij een goed microklimaat.
Toepassineen en omlopen
Essen kunnen een waardevol eindprodukt opleveren zoals zaag- en fineerhout. Es wordt veel
gebruikt voor de vervaardiging van sportartikelen, daarnaast voor stelen van gereedschappen
en parket.
De omlooptijd van essen is gemiddeld 90 jaar, afhankelijk van de bodem. Bij een rijke bodem
is de omloop korter (28).
4.1.2 Esdoorn
Groeiplaatseisen
Esdoorn verlangt voor de groei vooral vruchtbare gronden met een goede vochtvoorziening. De
soort heeft een snelle jeugdgoei en grote concurrentiekracht. maar is gevoelig voor
voorjaarsnachtvorst. Ze verdragen in de jeugd vrij veel schaduw, later niet meer.
Teeltrisico's
Bij venvondingen is er gevaar voor aantasting van "vuur" (Nectra cinnabarina). Daarnaast
treedt er veel knaagschade op en is er gevaar voor zonnebrand. Esdoorns hebben vaak een
slechte vorm, daarom is bij aanleg in bosverband jeugdvormsnoei aan te raden.
Toevassinzen en omlouen
Mogelijke toepassingen van esdoorn kunnen i?jn: meubelen, betimmeringen, fineer, triplex,
parketvloeren.
De gemiddelde omlooptijd van esdoorn is 90jaar.
4.1.3 Beuk
Groeiplaatseisen
Beuken groeien van nature op vochtige, lemige zand-, loss- en leemgronden. Ze zijn gevoelig
voor een plotselinge gmndwaterdaling. Het microklimaat binnen de opstand is van groot
belang om de bomen aan de groei te krijgen resp. te houden. De beuk is een matig snelle
groeier en zeer concurrentiekrachtig.
Teeltrisico's
Beuken zijn erg gevoelig voor zonnebrand na plotselinge vrijstelling. Bij zeer langdurige
droogte bestaat de kans op topdroogte. Hoge grondwaterstanden zijn ongunstig.
Wildschade komt voornamelijk voor in strenge winters.
De beuk is vooral in de jeugd zeer gevoelig voor nachtvorst.
Toevassineen en omloven
Gezien de hoge produktiecapaciteit van de beschikbare gmnden en de potentiele kwaliteit van in
feite alle beukenopstanden van Roggebotzand, het Revebos en De Abbert, kan gestreefd
worden naar duurzame beukenopstanden, die een kwaliteitsprodukt van een zo hoog mogelijke
waarde opleveren (I I).
Mogelijke toepassingen van beuk kunnen zijn: gymnastiekvloeren. parketvloeren,
huishoudelijke voonverpen en binnenwerk van meubelen.
De gemiddelde omlooptijd kan op 120jaar worden gesteld.
Groeivlaatseisen
Haagbeuk komt van nature voor op voedselrijkere, vochtige gronden. Deze soort groeit niet op
bodems met een hoge grondwaterstand. Haagbeuk kan veel schaduw verdragen, hij is matig
gevoelig v w r wind en kan niet tegen zeewind. Het is een langzame groeier, maar heeft veel
concurrentiekracht. Hij heeft een gunstige invloed op de strooiselvertering.
Teeltrisico's
Vanwege de dunne, kwetsbare bast bestaat het gevaar voor zonnebrand.
Toepassinoen en omlooen
Gezien de eigenschappen (taai, sterk en niet splinterend) is haagbeuk bij uitstek een houtsoort
voor de technische industrie en voor gereedschappen. Andere toepassingen zijn onder andere:
parket, draai- en snijwerk en onderdelen van muziekinstrumenten.
Omlooplengte 120-150 jaar.
4.1.5 Linde
Groeiplaatseisen
Linde groeit op vrij rijke, vochthoudende lemige zandgronden. Voor optimale groei moet de
bodem diep open zijn. Het is een halfschaduwsoort, die erg veel schaduw verdraagt. Hij is
goed bestand tegen wind en zeewind.
Teeltrisico's
Er is weinig ervaring met de teelt van linden in bosbeplantingen. Bovendien is er vrijwel geen
kennis van goede herkomsten. Sommige soorten vertonen het "dmipen": de op het blad
levende luizen scheiden honingdauw af dat uit de boon druipt. Een gelijktijdige aantasting
door de lindespintmijt kan de dood van linde betekenen.
Toepassingen en omlopen
Linde is een houtsoort die meer zou worden gebruikt, indien grotere hoeveelheden leverbaar
zouden zijn (28). Toepassingen zijn: muziekinstmmenten, beeldhouw- en snijwerk, fineer en
speelgoed.
Omlooptijd ca. 90jaar.
4.1.6 Inlundse eik
Groeiplaatseisen
Eik groeit op lichte en zware gronden, voor optimale groei is er een vochtige en leemhoudende
grond nodig. Eik verdraagt hoog grondwater redelijk en is goed bestand tegen wind. Hij heeft
veel licht nodig.
Teeltrisico's
In dichte jonge aanplanten is er vaak aantasting door meeldauw. De groene eikebladroller kan
vrij emstige schade veroorzaken, evenals de grote en kleine wintervlinder. Een combinatie van
deze soorten kan eikenbossen geheel kaalvreten. Het herstellingsvermogen van eik is goed,
alleen de houtkwaliteit wordt negatief kinvloed.
Toe~assingenen omlo~en
Eik kan in vrijwel iedere industrie toegepast worden. Enkele toepassingen zijn: const~ctiehout,
fineer en triplex.
Omlooplengtes van ca 1.50jaar.
4.1.7 Zoete kers
Groeiplaatseisen
Zoete kers heeft een optimale groei op vmchtbare, kalkhoudende, matig vochtige bodems en is
gevoelig voor hoog stagnerend grondwater. Deze soort verdraagt weinig schaduw. Het is
vooral in de jeugd een snelle groeier en ontwikkelt zich op goede grond tot een forse boom.
Teeltrisico's
Er zijn weinig bosbeplantingen bekend van zoete kers. Men heeft echter zo'n 10jaar geleden
ontdekt dat de zoete kers op Flevoland goed groeit, deze wordt in toenemende mate aangeplant.
De zoete kers is overigens we1 gevoelig voor de gomziekte.
Toepassingen en omlopen
Kers levert vaak waardevol hout. Toepassingen zijn ondermeer meubelen, betimmeringen,
fineer en onderdelen van muziekinstrumenten. De omlooptijd kan op 70jaar worden gesteld.
4.2
Natuurlijke verjonging
Het omvormen van populierenbossen met behulp van natuurlijke vejonging is een manier die
financiele voordelen heeft door het achtenvege laten van 0.a. de aanlegkosten. Bij natuurlijke
verjonging ontstaat automatisch een natuurlijke selectie van boomsoorten die bij bepaalde
groeiplaatsomstandigheden horen. Deze groeiplaatsomstandigheden kun je voor Zuidelijk
Flevoland onderscheiden in " m e gronden" en "rijke gronden" daar de grondwatertrappen en
het klimaat grotendeels overeenkomen.
4.2.1 Nutuurlijke ve'ijonging op "anne gronden"
Onder "arme gronden" worden hier de zandgronden (kalkrijke poldervaaggronden) en de lichte
zavelgronden verstaan. De armere gronden komen vooral in Horstenvold Oost (Zuidelijk
Flevoland) en in Roggebotzand en het Revebos (Oostelijk Flevoland) voor. Deze gmnden
maken 10% van het totale oppewlak uit.
Boomsoorten die in aanmerking komen voor natuurlijke vejonging op arme gmnden zijn: eik
en zoete ken. De stmiksoorten meidoorn, hazelaar en veldesdoorn vejongen ook goed, zij
leveren een bijdrage aan de structuur en soortendiversiteit.
Problemen bij natuurlijke verjonging
Uitgangspunt voor natuurlijke vejonging is de aanwezigheid van moederbomen in de nabijheid
van een populierenopstand. Aangezien de oudste bossen in Zuidelijk Flevoland niet ouder zijn
dan 25 jaar, is het aandeel zaaddragende bomen niet groot. Dit aantal zal in de loop derjaren
groter worden.
Voor alle duidelijkheid; zaaien, met de hand of machinaal, valt niet onder het begrip natuurlijke
vejonging. Zaaien heeft weinig met natuurlijke vejonging te maken en werkt alleen als het
zaad is voorbehandeld en de bodem een goed kiembed vormt. Dit laatste houdt meestal in dat er
bodemvenvonding aanwezig moet zijn.
De genoemde boomsoorten zijn voomamelijk lichtboomsoorten. Wil natuurlijke vejonging een
kans van slagen hebben, dan zal het kronendak open moeten zijn en een open minerale bodem
aanwezig moeten zijn. De vegetatiedmk moet beperkt blijven. Het kronendak mag ook weer
niet te open zijn, omdat de kruidenvegetatie dan de aanwezige natuurlijke vejonging verstikt
door lichtgebrek.
Groepenkap of strokenkap heeft ecologisch gezien de voorkeur boven kaalkap. Op financiele
basis is kaalkap het gunstigst. Bij groepen- of strokenkap wordt een bosklimaat in stand
gehouden en ontstaat tevens meer structuur door de verticale gelaagdheid van vejonging en
overstaanders.
Groepen- en strokenkap zijn bij de uitvoering praktisch en is daardoor financieel relatief
voordelig. Dit laatste geldt alleen als de stroken of groepen niet te smal of te klein zijn.
Bij het vellen van de overstaanders, als ze op 30-jarige leeftijd kaprijp zijn, ontstaan door
bodemvenvonding nieuwe kiemplaatsen voor verjonging.
Natuurlijke vejonging van andere soorten, onder scherm van populier, kan optreden bij een
plantverband van 9 x 5m' van de populier, maar een ruimere stand van 9 x 10m biedt een
betere uitgangssituatie voor natuurlijke vejonging. Zeker wanneer er zich hoofdzakelijk
lichthoutsoorten vejongen. Wanneer men besluit over te gaan om op deze wijze natuurlijk te
ve jongen, dan zal het bedekkingspercentage van de vejonging boven de 60%moeten liggen
om met deze verjonging op een acceptabele wijze door te gaan. Bij lagere bedekkingspercentages is de slagingskans miniem.
Op de zandgronden in Horstenvold is a1 sprake van natuurlijke vejonging van hazelaar,
meidwrn, veldesdoorn, berk, els en wilg onder de populierenopstand. Deze verjonging is
echter te gering om zich tot een produktief en aantrekkelijk bos te ontwikkelen.
b i j e e r s t e aanleq wordt een plantverband gehanteerd van
na de e e r s t e dunning
9 x
na de tweede dunning
9 x 10m
b i j schermkap
4,5 x 5m
5m
18 x 10m
4.2.2 Natuurlijke verjonging op "rijkegronden"
Onder "rijke gronden" worden de klei en zware zavelbodems verstaan. Deze bodemtypen
komen voor een groot deel voor in Zuidelijk Flevoland en maken 90% van de totale
oppervlakte uit. Boomsoorten die op deze bodems kunnen ve rjongen zijn es, esdoom, beuk en
els en in mindere mate eik. Van de genoemde stmiksoorten in 4.1 bieden de rijke bodems ook
hier goede ontwikkelingsmogelijkheden.
De es kan al op 15-jarige leeftijd zaaddragend zijn (23). Dit is een van de redenen waarom van
de aanwezige verjonging de es het meest voorkomt.
Vejonging van beuk en in mindere mate eik zal nog een tijdje op zich laten wachten.
Moederbomen van beuk zijn nauwelijks aanwezig, van eik is het aandeel wat groter.
Uitgezonderd eik en els, kunnen de genoemde bomen zeker in de jeugd enige schaduw
verdragen. Deze eigenschap is vereist voor het welslagen van de natuurlijke ve Gonging.
Problemen met natuurlijke verjonging
Op rijke bodems speelt het probleem van vemiging van met name grassen en kleefkmid een
grote rol. Om natuurlijke verjonging een kans te geven moet voldoende lichtinval worden
verkregen waarbij de natuurlijke ve rjonging genoeg concurrentiekracht heeft om de onkruiden
te overgroeien.
De veel gebruikte bedrijfsvorm bij populier, kaalkap, dient hierbij dan ook sterk te worden
afgeraden.
Bij een groepenkap van - 1,5x de boomhoogte - is er voldoende licht voor natuurlijke
verjonging van de schaduwverdragende soorten es en esdoorn (later eventueel beuk).
Strokenkap heeft de voorkeur boven groepenkap indien de vemiging groot is.
Bij strokenkap kan men over meer schaduw beschikken waardoor de verruiging minder
intensief is en natuurlijke vejonging zich toch kan ontplooien (18).
De stroken kunnen gecreeerd worden door systematisch 66n of twee rijen te dunnen afhankelijk
van de boomafstand. Een uitgangssituatie van minimaal 9 x 5m is voldoende (ervaring
Rijkswaterstaat). Ook hier ontstaat weer door uitslepen een kiembed voor vejonging mits het
vellen/uitslepen gebeurt in het najaar. Zaad voor natuurlijke vejonging heeft zo een kleine
voorsprong op onkmidzaad.
De v e j o n i n g zal ook hier een hoog bedekkingspercentage moeten hebben om van een
potentieel gezond produktief bos te kunnen spreken. Het bedekkingspercentage zal boven de
60%moeten liggen om een kwalitatief goede eindopstand te kunnen waarborgen.
In Zuidelijk Flevoland bestaat de natuurlijke vejonging op zwaardere gronden voomamelijk uit
es en esdoom. Deze natuurlijke vejonging biedt goede mogelijkheden, indien de nieuwe
vejonging tamelijk dicht is en op tijd (binnen 5 jaar) wordt vrijgezet van het bestaande scherm.
4.3
Vejongingsvormen onder scherm van populier
Het creeren van een tweede generatie bos onder populier d.m.v. aanplant is een tweede optie.
Deze mogelijkheid geeft een grotere zekerheid voor het slagen van een tweede generatie indien
de aanplant en het beheer onder deskundig toezicht uitgevoerd worden. De beheerder heeft een
grotere invloed bij aanplant. De soortensamenstelling kan door de beheerder bepaald worden,
hij is niet afhankelijk van wat er komt aanwaaien. Het bosbeheer is over het algemeen
intensiever ingesteld.
Aanplant onder populier kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Het systeem voor de
aanplant van een tweede generatie bos onder populier zal hetzelfde blijven als bij natuurlijke
ve jonging (4.2). De redenen hienroor liggen op het financiele en praktische vlak. Er zijn geen
grote groeitechnische problemen bij de verschillende boomsoorten te venvachten.
Het systeem van strokenkap valt goed samen met de eerste of tweede dunning. De gecreeerde
stroken van 9 x 5m of groter, kunnen ingeplant worden m.b.v. de eenrijige plantmachine nadat
de stobben ingesmeerd zijn met Roundup. Het te hanteren plantverband zal ca. 1,s x 1,25111
moeten zijn.
Er kunnen drie rijen plantsoen geplant worden (3m breed) tussen de rijen populier (minimaal
9m). De resterende ruimte is nodig voor de velmimte op latere leeftijd voor populier (6m).
Tabel 2 geeft een richtlijn voor de leeftijden waarop het scherm gelicht moet worden.
Op de later vrijgekomen ruimte (6m) is er de mogelijkheid bijvoorbeeld beuk of andere
schaduwverdragende soorten te planten om meer structuur of stabiliteit te creeren.
Groepenkap vormt ook een mogelijkheid om populierenbos om te vormen.
Vlakten van - 1,s x de boomhoogte - bieden genoeg licht. Hinder van tussenliggende
schermbomen is er niet, een nadeel zijn de verhoogde aanplantkosten door de relatief kleine
omvang van de aanplant.
Beide bedrijfsvormen (groepen- en strokenkap) zijn goed toepasbaar voor de omvorming.
Tabel 2: Lichten en vellen scherm populier in jaren na aanplant (26).
Eik
na 6-8jaar lichten,
na 1@ 12jaar schermkap
Es
na 7-9jaar scherm lichten,
na 11- 13jaar schermkap
Esdoorn, Linde
na 8-10 jaar scherm lichten,
na 12-14jaar schermkap
Beuk
na 9-1 1 jaar scherm lichten,
na 13- 15jaar schermkap
De mogelijkheden voor naald- en loofhout worden in de volgende paragrafen besproken.
4.3.1 Menging looJhout
Boomsoorten die in aanmerking komen voor loofhoutmengingen zijn beuk, eik. es, esdoorn en
linde. Deze boomsoorten handhaven zich goed op de aanwezige bodems, produceren
kwalitatief goed hout en brengen de minste risico's met zich mee m.b.t. ziektes, beheer en in
mindere mate de houtmarkt. Andere soorten zoals zoete kers en haagbeuk zijn qua
standplaatseisen ook goed mogelijk. Beide bomen zouden goed kunnen functioneren als
verzorgende soort en meer variatie kunnen aanbrengen in het bos (stabiliteit).
Menging es-eik; mengverhouding 20:80
Individuele menging is niet aan te bevelen. Eik heeft op een goede essengroeiplaats (bv. leem,
zavel of klei met een goede vochtvoorziening) geen schijn van kans tegen de es.
Rijgewijze menging: 1 rij es op 4 rijen eik heeft een essenbos tot resultaat, 4 rijen es op 16 rijen
eik daarentegen een gemengde eiken-essenbeplanting.
Groepsgewijze menging: 40 groepen van 30 essen per hectare in een eikenbeplanting heeft een
essenbos tot resultaat terwijl3 groepen van 400 essen per ha resulteren in een gemengde
beplanting.
Menging es-esdoorn; mengverhonding 60:40
lndividuele menging is mogelijk, maar alleen op een zeer goede essen-groeiplaats. De
groeivoorsprong van de esdoom blijft beperkt als de es in dichte stand opgoeit. bovendien kan
de es in de jeugd we1 wat schaduw verdragen.
Op een niet-optimale essengroeiplaats is het risico dat de esdoom de es overgroeit groot. Een
hoger aandeel es in de menging verkleint dit risico. Een hoger percentage es (bv. 75%) en een
strooksgewijze of groepsgewijze menging biedt de beste perspectieven voor een gemengd esesdoombos. Bijvoorbeeld 12 rijen es op 4 rijen esdoom (mengverhouding 7525).
Menging es-beuk; mengverhonding 5 0 5 0
lndividuele menging is mogelijk. Beuk kan zich in een menging met es goed handhaven. Dit
komt door zijn sterk schaduwverdragend vermogen in combinatie met het relatief veel licht
doorlatend kronendak van essen. Op latere leeftijd moet in deze menging worden ingegrepen
om de es te kunnen handhaven. Ook hier geldt dat strooks- of groepsgewijze menging minder
risico oplevert, tenvijl het beheer eenvoudiger en dus goedkoper is.
Menging eik-beuk; mengverhouding 60:40
Menging van eik is moeilijk. De groeiplaatsomstandigheden moeten voor de eik optimaal zijn
wil deze de beuk in de jeugdfase in hoogtegroei bijhouden. Zelfs dan blijft het beheer van een
eiWbeuk menging moeilijk, omdat de beuk veel sterker op vrijstelling reageert. Elke ingreep in
het kronendak betekent dat de beuk ten opzichte van de eik forser zal worden. Als je eiken in de
menging wilt handhaven moet je uitgaan van een percentage eik van 80-90%,waarbij de
beuken in groepen of njen geplant worden. Op voor de eik niet-optimale gronden is menging af
te raden.
Menging eik-linde; mengverhouding 75%
Rijgewijze menging van I rij linde op 3 rijen eik is mogelijk. Beter is het om uit te gaan van 3
rijen linde op 9 rijen eik. Dit vermindert de kans op onderdrukking van de eik.
Menging esdoorn-beuk; mengverhonding 33:67
De mogelijkheden voor deze menging zijn vrij groot. Rijgewijze menging verdient de
voorkeur, bijv. 1 rij esdoom op 2 rijen beuk. De esdoorn blijkt vaak de eerste 10-15jaar een
licht groeivoorsprong te nemen. wat enkele specifieke voordelen van een esdoornlbeuk
menging oplevert:
- de beuk groeit op in de zijbeschutting van de esdoom, die beter bestand is tegen
windinvloeden;
- door de relatief snelle groei van de esdoom is de sluiting van de beplanting eerder bereikt,
waardoor venvildering van grassen en dergelijke eerder wordt onderdrukt dan in
monocultures;
- de beuken groeien min of meer op in een halfschaduwsituatie, waardoor
kwaliteitsverbetering (in produktieve zin, dus stamkwaliteit) van de beuken valt te
venvachten. Daamaast heeft beuk een gunstige invloed op de stamkwaliteit van de esdoom.
4.3.2 Mrnging naaldhout
Er zijn weinig of geen naaldboomsoorten die goed toepasbaar zijn qua bodemgeschiktheid,
houtteelt en de aantastingsrisico's. Het gebmik van de naaldboomsoorten voor de korte of
lange omloop van douglas, Japanse lariks, grove den en Corsicaanse den is discutabel.
Van de genoemde loofboomsoorten in 4.3.1, vormt aanplant in monocultuur geen probleem.
Verschillen ontstaan echter in de wijze van omvorming. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt
in lichthoutsoorten en schaduwsoorten. De haagbeuk, beuk, es en esdoom verdragen in de
jeugdfase enige schaduw. Hiewoor kan een scherm van 9 x 5m gebruikt worden. Het
plantverband 1.5 x 1,251~1en de aanplantvrije strook van 6m langs de populieren kan
gehandhaafd blijven (zie 4.3.1). Voor de lichthoutsoort eik zal het scherm opener moeten zijn.
De afstanden tussen de populieren moet dan minimaal9 x 10m zijn. Het plantverband blijft
gelijk.
4.4
Nabeschouwing
Door het laten vallen van de doelstelling provisorisch bos zijn de mogelijkheden voor het
beheer groter. Men kan zelf de oppervlakte bepalen en het tijdstip van oogsten afhankelijk van
de aanwezige marktsituatie (houtprijzen, personeel, plantsoen, beleid, enz.). Het
beheerssysteem van de geboden altematieven is flexibel.
,-
De onderscheiden altematieven:
natuurlijke verjonging;
- aanplant onder scherm,
-
verschillen in beheersbaarheid en kosten.
Om natuurlijke verjonging van de grond te krijgen is men afhankelijk van de uitgangssituatie,
de bodem, vermiging en aanwezigheid van zaadbomen. Er moet een evenwichtige combinatie
gevonden worden tussen mate van kroonvrijstelling en verjonging. Bij aanplant onder scherm
gaat men meer uit van de menselijke invloed om de boomsoortensamenstelling zelf te bepalen.
Door langere omlopen en kleinschaligere aanplant zijn de kosten voor aanplant onder scherm
hoger. Bij natuurlijke verjonging ontbreken de aanplantkosten waardoor dit alternatief
gunstiger is mits er voldoende bedekkingsgraad en kwaliteit aanwezig is.
Beide alternatieven hebben voor- en nadelen. Er zijn meerdere mogelijkheden toepasbaar om
een duulzaam bosbedrijf in stand te kunnen houden.
Natuurlijke veGonging van loofhout en de aanplant ervan onder populier zijn mogelijke
altematieven voor de omvorming van populierenbos.
HOOFDSTUK 5
CONCLUSIE
In dit hoofdstuk worden de bosbedrijfskundige gevolgen beschreven van altematieven anders
dan provisorisch bos met populier.
De bosbedrijfskundige gevolgen worden opgesplitst in de volgende onderdelen: kosten
(inkomensde~ing),functievervulling, duurzaamheid en flexibiliteit van het bos in de toekomst.
In de volgende para,pfen worden de conclusies van de verschillende hoofdstukken afzonderlijk gegeven.
In 5.1 wordt aangeven of het beleid van voorheen,"provisorisch bos met populier", nog
haalbaar is.
In 5.2 worden conclusies verbonden aan de doelstelling provisorisch bos met daarin vervangende soorten voor de aangetaste populier, waarbij alleen korte omlopen besproken zijn.
In 5.3 worden altematieven met alleen de lange omlopen afgewogen.
In paragraaf 5.4 worden deze conclusies ten opzichte van elkaar gewogen. Hierbij wordt
gekeken naar de bruikbaarheid en toepasbaarheid van voorgenoemde mogelijkheden binnen het
bos in de toekomst. Bij de afweging tussen de verschillende toekomstmogelijkheden van het
bos in Zuidelijk Flevoland zal er rekening gehouden worden met de bosbedrijfskundige
gevolgen.
5.1
De toekomst van provisorisch bos met populier
Er is weinig toekomst meer voor populier in een provisorisch bos in Zuidelijk Flevoland.
Hoewel er in de huidige situatie nog geen sprake is van een ramp is de situatie toch alarmerend.
Een deel van de opstanden zal zijn omlooptijd niet halen. Hierbij gaat het hoofdzakelijk om de
gevoelige klonen en evt. om jongere opstanden. Als het beleid van voorheen wordt voortgezet
(aanplant met populier) zal het besmettingsrisico toenemen, ook voor de nu nog resistente
klonen. Dit zou kunnen leiden tot zeer grootschalige uitval van populier. Aanplant van alleen
resistente klonen lijkt niet zinvol, omdat er geen sprake is van absolute resistentie. Aantasting is
dus niet uitgesloten bij nu resistente klonen. De ontwikkelingen binnen de bacteriepopulaties
zijn moeilijk te voorspellen, maar aangenomen kan worden dat door steeds verdere selectie
binnen de bacteriepopulatie, er agressievere deelpopulaties geactiveerd worden. Dus ook de
"resistente" populiereklonen kunnen worden aangetast in de toekomst.
Volgens sommige onderzoekers bevindt de bacteriekanker zich in dezelfde fase als de iepeziekte en de watermerkziekte (7).De ervaring met epidemieen van de watermerkziekte en
iepeziekte waren desastreus, gehele bosbestanden vielen uit, met name iepenbossen in Limburg
verdwenen geheel.
Ter voorkominging van dit soort produktie-uitval kan dan ook alleen geconcludeerd worden dat
het voormalige beleid weinig toekomst biedt, want oplossingen met behulp van
beheersmaatregelen zijn er vrijwel niet.
Uit bovenstaande situatie kunnen conclusies worden getrokken m.b.t. de bosbedrijfskundige
gevolgen.
functievervulling
De functie van bos met als hoofdboom populier kan slecht venluld worden als er grootschalige
uitval plaats zal vinden. Dit is niet aantrekkelijk voor de recreant en nog minder aantrekkelijk
voor houtproduktie. De functie natuur past niet bij deze gekloonde (onnatuurlijke) populieren,
uitval door bacterieziekte maakt nog duidelijker dat de soort ongeschikt is voor natuurdoelstellingen.
duurzaamheid
Dit begrip is niet van toepassing op de populier. Door het risico op grootschalige uitval is het
bos allesbehalve duurzaam te noemen.
flexibiliteit
Het populierenbos op zich is flexibel, door de korte omlooptijden. Langere omlopen zijn met
populier slecht mogelijk waardoor eventuele speling met de omlooplengte niet mogelijk is, dus
niet flexibel. Verder zijn populierenbossen vaak niet geschikt voor bepaalde doelstellingen (bv.
natuurbeheer) of verandering van doelstellingen.
kosten
De kosten-opbrengsten balans is verstoord door de uitval van populier. In hoofdstuk 2 wordt
aangegeven dat t.a.v. kostenderving geen zekere uitspraken gedaan kunnen worden, er is in elk
geval sprake van kostenderving t.0.v. de voormalige situatie zonder aantasting.
In elk geval kan geconcludeerd worden dat gezien de andere bosbedrijfskundige risico's
afgezien moet worden van verdere grootschalige aanplant van populier.
5.2 Voortzetting provisorisch bos met andere soorten dan populier
In deze paragraaf wordt beschreven in hoeverre de vervangende boomsoorten kunnen
functioneren als provisorisch bos, daamaast worden de duurzaamheid, de flexibiliteit en de
globale kosten en opbrengsten besproken.
.
Gezien de groeiplaatsomstandigheden en de functies die het provisorisch bos moet vervullen
zijn de volgende boomsoorten geschikt: berk, els, es en esdoorn.
De geschane uitval a.g.v. bacteriekanker is 540 ha, hierbij wordt ervan uitgegaan dat de
gevoeligste klonen Androscoggin, Oxford, Geneva en Rochester en de opstanden die voor
25% of meer zijn aangetast vervangen zullen moeten worden. Het lijkt het beste de berk, els, es
en esdoorn ongemengd in gelijke mate te gebmiken (ieder 135 ha).bij de herplant van de 540 ha
om zo tot een goede afweging te komen tussen enerzijds zo hoog rnogelijke opbrengsten en
anderzijds zo weinig mogelijk risico's.
Het is ook mogelijk om fijnspar en reuzenzilverspar te gebmiken op zeer beperkte schaal en
alleen als eerste bosgeneratie i.v.m honingzwam bij een tweede aanplant. Deze eventuele
aanplant kan rnaximaal3004@ ha van de nog voor 1997 in te planten 900 ha. beslaan
(doelstelling Rijkswaterstaat).
functievervulling
Voor de functievervulling kan allereerst gesteld worden dat het bereiken van de normaliteit
langer zal duren dan met populier. Dit komt doordat er langere omlopen gehanteerd moeten
worden door het gebmik van andere boomsoorten om tot een redelijke opbrengst te komen.
Het alternatieve provisorische bos voldoet dus ook in mindere mate aan het snel leveren van
hout en dus inkomsten in vergelijking tot provisorisch bos met populier.
Het bos kan, in tegenstelling tot populier, een vlakke mimte minder snel dimensie geven.
Aangezien er al bos staat, heeft bosgebied in Zuidelijk Flevoland al "dimensie". Het kappen
van de aangetaste opstanden heeft dan waarschijnlijk dus geen nadelige gevolgen voor de
recreatie. De aanplant van berk, els, es en esdoom kan de variatie in het bosbeeld we1
vergroten.
duunaamheid
Over het algemeen kan gesteld worden dat de vervangende soorten weinig gevoelig zijn voor
ziekten en aantastingen. De duurzaamheid zal hoger zijn dan bij populier. Het gebruik van
fijnspar en reuzenzilverspar op kleine schaal en alleen als eerste bosgeneratie levert
waarschijnlijk weinig risico op.
flexibiliteit
De flexibiliteit wordt verhoogd door gebmik te maken van de vervangende boomsoorten. Het
is mogelijk de omlopen te verlengen, tenvijl dit bij de populier niet gebmikelijk is. Door
langere omlopen te hanteren kan er misschien een beter financieel resultaat behaald worden. Te
meer ook orndat er nog geen ervaring is met opstanden van populier ouder dan 40 jaar.
Het telen en afzetten van sortimenten als papier- en vezelhout is goed mogelijk met de
vervangende soorten. Demogelijkheid om van de doelstelling houtprcduktie naar natuur over
te gaan is aanwezig. Het gebruik van natuurlijke verjonging van o.a es is een mogelijkheid.
kosten
De aanplantkosten en de eventuele inboetkosten voor es, berk, esdoorn en els zijn hoger dan
bij ppulier. De opbrengst per ton is niet lager dan bij populier, maar door de lagere aanwas is
de opbrengst per hectare we1 lager. Alhoewel dit laatste discutabel is gezien de uitval van
populier.
Korte omlopen leveren binnen korte tijd oogstbare produkten, wat een hoog rendement tot
gevolg heeft. Het blijft speculatief om uitspraken te doen over de kosten en opbrengsten,
omdat er veel factoren in het spel zijn (0.a fluctuerende pnjzen en veranderende vraag).
5.3
Altematieven voor provisorisch bos
Altematieven voor provisorisch bos kunnen ook gezocht worden in natuurlijke ve jonging en
aanplant onder scherm met loofhoutsoorten met lange omlopen. Het gebruik van naaldhoutsoorten voor lange omlopenis onder de huidige omstandigheden sterk af te raden i.v.m.
de verhoogde kans op ziektes en aantastingen en de minder geschikte groeiplaatsomstandigheden.
Bij natuurlijke verjonging wordt er uitgegaan van verjonging op rijke bodems. De arme
bodems blijven hierbij buiten beschouwing omdat deze maar 10% van de oppewlakte beslaan.
De rijke bodems beslaan 90% van de totale oppervlakte in Zuidelijk Revoland. De vermiging
die op vooral rijkere gronden een essentiele rol speelt, vraagt om een zorgvuldig bosbeheer. De
factor licht is van belang bij het tot stand komen van de verjonging.
Het bos in Zuidelijk FIevoland is nog te jong om voldoende zaaddragende loofhoutsoorten te
bevatten. Natuurlijke verjonging komt redelijk van de grond en is relatief soortenrijk. Echter
het bedekkingspercentage is niet voldoende om uit te kunnen groeien naar een volwaardig bos.
Natuurlijke verjonging op rijkere bodems is afhankelik van de beheersbaarheid van de
vemiging. Voomamelijk es kan zich op deze bodems met enige mate van vemiging
verjongen. Natuurlijke ve rjonging is een optie die nog te grote risico's met zich meebrengt door
de te lage bedekkingspercentages, maar zal binnen een aantal jaren meer penpectief bieden
wanneer het aandeel zaaddragende bomen groter is.
Aanplant onder scherm biedt goede perspectieven. Hierbij zijn varianten mogelijk van menging
en monocultuur met het gebmik van schaduw- en lichthoutsoorten.
De meeste varianten hebben een grote slagingskans, zeker wanneer gebmik gemaakt wordt van
schaduwhoutsoorten, zoals beuk, en halfschaduwsoorten, zoals es en esdoorn. Het gebmik
van de lichthoutsoort eik is alleen mogelijk wanneer het scherm mim gesteld wordt (min. 9 x
lorn.). Menging van eik is goed mogelijk met es en esdoorn.
De zekerheid van aanplant onder scherm m.b.t. slagingskans, kwaliteit van de opstand en de
eigen keuze van de soortensamenstelling maakt deze optie aantrekkelijk. Aanplant onder
scherm is minder natuurlijk.
functievervnlling
Natuurlijke vejonging zal de functies natuur en recreatie mimschoots tegemoet komen. De
stmctuur- en soortendiversiteit geeft een gevarieerd beeld voor de recreant. Houtproduktie
heeft bij natuurlijke vejonging weinig kans als het bedekkingspercentage laag is. Aanplant
onder scherm zal daarom qua houtproduktie de hoogste prioriteit hebben. Recreatief gezien is
een menging aantrekkelijker dan een monocultuur. Aanplant onder scherm geeft niet de hoogste
natuurlijke waarde weer, maar door het gebmik van scherm en aanplant komt er meer stmctuuren soortendiversiteit.
duunaamheid
Natuurlijke vejonging op rijkere bodems is in staat zichzelf in stand te houden. Als eik, beuk
en esdoom zich gaan vejongen, is er kans op duurzame instandhouding van het bos. De
duurzaamheid van natuurlijke vejonging kan overeenkomen met een aangelegde menging.
flexibiliteit
Doordat er zowel bij natuurlijke vejonging als bij aanplant mengingen voorkomen is het bos
flexibel. De grotere soortensamenstelling biedt mogelijkheden voor verschillende
doelstellingen. Doch zal het duurzame bos in de eente 50-60jaar na aanplant of vejonging niet
flexibel zijn omdat de oogst en omvorming niet rendabel zijn.
kosten
De kosten voor aanleg en onderhoud van natuurlijke vejonging kunnen minimaal zijn. Het is
echter de vraag of de aanwezige vejonging op de lange termijn voldoende financiele
voomitzichten biedt om hiermee door te gaan. De kosten voor aanleg onder scherm zijn hoger
dan bij een normale kaalkap. De houtkwaliteit is we1 gebaat bij een aanplant onder scherm,
waardoor gestreefd kan worden naar kwaliteitshout dat een hogere opbrengst heeft. Door de
langere omlopen is de rentabiliteit lager, maar het produceren van kwaliteitshout met een hogere
eindwaarde compenseert hopelijk de hogere kosten.
5.4
Eindconclusie
In deze paragraaf wordt een afweging gemaakt tussen de deelconclusies uit 5.1.5.2 en 5.3.
Als hoofdcriteria voor de afweging gelden de bosbedrijfskundige gevolgen, er wordt dus een
vergelijking gemaakt tussen: functievervulling, duurzaamheid, flexibiliteit en kosten. Er wordt
gekeken naar de toepasbaarheid in het bos van de toekomst.
Een bos metals hoofdboom populier, valt af als mogelijkheid voor het bos in de toekomst. Dit
blijkt uit 5.1 en hoofdstuk 1. Het voortzetten van het voormalige beleid zou rampzalige
gevolgen kunnen hebben voor de toekomst van het bosgebied Zuidelijk Flevoland; dode
bomen, geen inkomsten, hoge kosten, bedreiging overige opstanden, totale uitval bos.
In deze eindconclusie zal dan ook niet meer uitgegaan worden van voortzetting van het
voormalige beleid, er zal alleen nog een afweging plaatsvinden tussen provisorisch bos met
gebmik van andere boomsoorten dan populier en alternatieven voor provisorisch bos.
Voor de vergelijking tussen het provisorisch bos met vervangende soorten voor popul'ier en het
altematief voor provisorisch bos (definitief bos), kunnen de verschillende bosbedrijfskundige
gevolgen aangegeven worden.
functievervulling
De functie van provisorisch bos is meer dan in het definitieve bos te vinden in houtproduktie.
Er wordt gestreefd naar houtproduktie met een hoog rendement, korte omlopen en vlaktegewijs
beheer. Verder is Cin van de doelstellingen van provisorisch bos het snel bereiken van een
normale leeftijdsklassenopbouw, ideaal met name voor houtproduktie (zie bijlage 3). Het
definitieve bos zal meer kwalitatief hout opleveren voor de houtproduktie, het gaat hier dan om
lange omlopen waardoor het rendement laag ligt.
De methode van provisorisch bos is minder geschikt voor natuurdoelstellingen, hoewel er
soorten gebruikt worden die tot de P.N.V. behoren (bv. zwarte els), is de opzet van deze
methode toch hoofdzakelijk gericht op het streven naar houtproduktie.
Korte omlopen, vlaktegewijze aanpak en monocultures zijn gericht op houtproduktie, waardoor
er voor natuurdoelstellingen minder ruimte is.
Het definitieve bos met lange omlopen en mengingen, waardoor er een stabielere biotoop kan
ontstaan, komt beter overeen met het streven van de natuur naar stabiliteit.
Het provisorisch bos is we1 geschikt voor recreatie door het snel ontstaan van een "bosbeeld",
echter de monocultures en het vlaktegewijze beheer zullen toch een minder aantrekkelijk beeld
vormen dan de differentiatie in structuur en soortendiversiteit die het definitieve bos kan
bieden.
duunaamheid
De duurzaamheid is voor beide alternatieven goed. Het provisorisch bos met loofhout streeft
naar een snelle normale leeftijdsopbouw, hierdoor nemen risico's af, doordat het bos zich snel
in verschillende ontwikkelingsstadia bevindt. Verder is door de keuze van vier
hoofdboomsoorten het risico beter gespreid dan in de situatie met alleen populier.
In het definitieve bos zal een stabiele situatie ontstaan met mengingen in structuur en
samenstelling, waardoor er minder kans is op ziekten en aantastingen.
In het definitieve bos wordt de normaliteit minder snel bereikt dan bij provisorisch bos. Het
bereiken van een normaal bos is eigenlijk een utopie. Het snel streven naar normaliteit betekent
minder risicospreiding. Door het snel streven naar normaliteit kan de diversiteit afnemen of
andere belangrijke aspecten van het bos komen minder tot ontwikkeling. Met andere woorden
het vasthouden aan de doelstelling normaliteit kan risico's met zich meebrengen.
De normaliteit zal dan ook niet als een belangrijke afweging moeten gelden. Beter is om in
beide methoden rekening te houden met normaliteit. Alleen bij provisorisch bos kan de
normaliteit op een lucratieve wijze snel bereikt worden. gevolgen voor diversiteit daargelaten
(zie bijlage 4).
flexibiliteit
De flexibiliteit van het provisorisch bos met de v e ~ a n g e n d esoorten is naar venvachting groter
dan bij de huidige populierenbossen. Het gaat onder andere om korte omlopen met een snel
oogstbaar produkt. Hierdoor kan het bos goedkoop en snel omgevormd en aangepast worden
aan veranderende doelstellingen. Het provisorisch bos kan langzaam omgezet worden en
opgevolgd worden door definitief bos. De flexibiliteit komt ook hier weer duidelijk naar voren:
als er op een later tijdstip besloten wordt dat een deel van het bos uit korte omlopen zal moeten
blijven bestaan, is de aanpassing binnen provisorisch bos gemakkelijker dan bij definitief bos.
Het provisorisch bos is gemakkelijk om te vormen in bos met langere omlopen (met name voor
de soorten es en esdoom).
De flexibiliteit van definitief bos is uiteindelijk zeer groot, echter de eerste 50-60jaar is er
vrijwel geen sprake van flexibiliteit. Het definitieve bos kan zich dan slecht aanpassen aan
veranderende doelstellingen. In deze periode is het (langzaamgroeiende) bos moeilijk aan te
passen. Met name, omdat de veranderingen nog niet bekostigd kunnen worden met behulp van
oogstbare produkten. Ook is omvorming in deze periode vaak moeilijk en kan deze beter
uitgesteld worden tot een later tijdstip. Zijn er dus wijzigingen op komst met betrekking tot de
doelstellingen binnen een periode van 60jaar (dit komt haast altijd voor in Nederland), dan
heeft dat tot gevolg dat de volgende generatie jaren zal moeten wachten op een bos dat past bij
de veranderde inzichten! Na 50-60 jaar is de flexibiliteit waarschijnlijk even groot als met
provisorisch bos het geval is.
kosten
Het provisorisch bos met de soorten berk, es, esdoorn en els zal een hoger rendement
oplkveren dan het definitieve bos. Dit komt door het sneller oogstbare produkt. Het streven
naar kwaliteit is moeilijk in korte omlopen, hierdoor zal waarschijnlijk juist in het definitieve
bos, met lange omlopen, de houtkwaliteit hoger zijn dan in het provisorisch bos. Dit zal ten
dele het rendement van de lange omlopen gunstig be'invloeden, door de hogere houtprijzen. De
afweging blijft moeilijk met betrekking tot de kosten en baten. Indien rentabiliteit belangrijk is,
komt alleen bos met korte omlopen in aanmerking, maar als men streeft naar hogere
houtkwaliteit (hogere houtprijzen) zijn langere omlopen van belang.
Gezien bovenstaande afwegingen kan niet gezegd worden dat provisorisch bos of definitief bos
de juiste oplossing is! Beide methodes kunnen goed naast elkaar gebmikt worden. Het blijft
een afweging van doelstellingen of beleidsbeslissingen.
Voorbeelden zijn:
- is natuur belangrijk dan zal definitief bos een goede keuze zijn, waarbij er dan nog steeds
gestreefd kan worden naar hoge houtkwaliteit;
- het provisorisch bos is in de nabij toekomst het meest flexibel met betrekking tot
bijvoorbeeld aanpassing aan veranderende doelstellingen.
Dit rapport rnoet dan ook gezien worden als ondersteuning van verschillende
beleidsbeslissingen en hun bosbedrijfskundige gevolgen.
Kam, M. de and S.H. Heisterkamp. Cornparison oftwo method.^ to tneasure the
suscptihilit?, of poplur clones to Xanthotnonav populi. European journal of pathology
17( 1987) 33-46.
Kam, M. de. The identijcation of the two subspecies ofXunthornonus pop~tliin vitro.
Wageningen. European journal of pathology I l(1981) 25-29.
Kechel, Horst-Genit. Unrersuchungen iiher die Resisten: von Puppeln gegeniiher dern
Erreger des Puppelkrebse.~,Xumhomona.~populi suhsp. populi (Ridi)Ridi und Rid&.
Schriften des Forschungsinstitutes fiir schnellwachsende Baumarten. Hann. Munden,
1984.
Koster, R. Selecrie op weerstud tegen hacteriekanker hij populieren, De populier 1
( 1973) 5-7.
Oosterbaan, A. De groei van enkele Picea- en Ahiessoorten in 0-Flevolund NBT 1990.
Paasman J., Loofnout in menging, vervolgondercoek 1983/1984, SBB afd
bosontwikkeling, g.pl., 1984, rapport nr. 1986-6.
Poel, A.1 van Het stichten vun een hos hedrijf. Van Zee tot Lund,(1971 ).
Richtlijnen voor de houtsoorrenkuce en -verdeling in de nielrw aun re 1egb.m
ho.scotnplexen, Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, afd. beplantingen, no. 100.
Rijksinstituut voor onderzoek in de bos en landschapsbouw: uunleg en hrheer vun hos
m heplanringen, Wageningen (1990).
Ruyssenaars, P.G. Schude uun her Nrderlundse hoz - <en econornische henudering -.
Doctoraalscriptie LU 1986,Wageningen.
Schiitz, P.R., en G. van Tol, Aanleg en heheer vun hrpluntingen, derde, ongewijzigde
druk, Wageningen, 1990.
Spenkelink. H. en R. Valk: onzvonning vunpopulier in es door middel vanplanten of
nutuurlijke verjonging, Lelystad (1984)
24
Stichting praktijkondenvijs en leerlingwezen voor bosbouw, cultuurtechniek en groene
sector: Bosplanrsoen, Amhem (1988).
24a Stichting praktijkondenvijs en leerlingwezen voor bosbouw, cultuurtechniek en groene
sector: Tussen heplanringsplan en eindheeld, Amhem ( 1990).
25
Ven, F.H.M. van de, Bos in Flevoland, Rijp-rapport 1981-136Ab, Lelystad.
26
Vis J., Bosontwikkeling in het district Dronten, Deel I: de ontwikkeling van de
groeiplaats, deel 11: de teelt van populier en wilg, Terreinbeheer Flevoland, g.pl., 1986.
27
Vis, J., Beheersplan voor deperiode 1 augustus 1970 - 1 augustus 1980.
Roggehotzand, Revebos, De Ahhert, Flevobericht NR. 80, Lelystad, 1971.
28
Wiselius, S.I., Houfvadetnecutn, zesde dmk, Stichting Centrum Hout, Naarden, 1990.
29
Wolterson, J.F. Nieuwe populiereklonrn en hacteriekunker. Berichten
bosbouwproefstation no. 64, 1967. Stichting bosbouwproefstation "De Dorschkamp".
30
Woodus renewahlr raw materiall, Commission of the European Communities,
Directorate-General for Science, Research and Development, Geraardsbergen, Oktober
1985.
31
5 e russenlijsr voor hornen, Commissie voor de samenstelling van de Rassenlijst voor
Bosbouwgewassen. Wageningen 1990.
BIJLAGE 3
20 jaar
23 jaar voor fijnspar
22 jaar voor A. grandis
Simon
linge en en Jan Sevenst=,
ALGEMENE NOTIES VAN BOSBOUW
Recent publiceerden
Borgesius e.8. "Bosbouw en
bosontwerp in de Randstad",
waarin de schrljvers stellen
hun ideeitn over de aanleg van
nleuwe bossen onder meer te
baseren op "algemene notles
van bosbouw".
Twee noties nemen daarbil
w n z66r bepalends plaats In:
Bij de nleuwe aanleg
kunnen niet-plonlers als beuk
en elk siechts een bescheiden
rol spelen.
Met ontwerp moet emp
gericht rljn om zo snel
mogelijk een bos te crdren
met een gelijkmatige
iwftljdsopbouw.
De eerne KWR ~m w ~ ~ n s t r a ngenliik sat de net-pon~ersn~etmet
QWrervarrngen in eerder aangekgde succes In neuwe bossen zlln re ge
bossen en de r v e e ~ e
stamt u ~ f bruiken?
*rMogen t~ldenen IS poeddeels ach- Ervaring is er genoeg in de cien~ger
lerhaalcl Een pcewu her mjstel- Pen en oak nog na de Tweede Welen van ax#-$
relaootlog had men heel andere
laeeen over nleuw bossen Toen zlln
hwderden 101 zip her duizenden?)
Waamm so nodlg plonkrs?
De schrtpers lonen net aan aat net- hectare bOs aangelega zonder dat
vlonlers tn nleuwe bossen
een daar povuller of wilg aan re pas kwam
wschenen plaars mcgen mnemen De bebossingvan de W~er~ngermeerZe stellen her SkchtS MU 'Vek bos- polder, een van de meesl wlnder~ge
doebven In oe ontwerpen zrln nlet Nederlandse landschappen. a her lebepaald w l e r s en kumen a w n al e n d bew~lsdat oolc z o m r popul~er
daardwr nlet !wens a hetgocl wu- en viilg een gezond lwfbos van de
den aangephm " "Door he1 p r m - grand is te krijgen. En ook op Qe hoge
"SCh bos kan er al snel een bosmlleu zandgronden ziln Morbeelden te nnontslaan waar meerelsende soonen aen waar de plonierbx-theor~e
word1
alS elk beuk. haagbeuk en l~ndeoch gelogenslrah: in her Loenense Bos op
beter mu~svoekn aan in her kale pol- de Veluwe kOmt een grote oppervlakle
derlandschap " Maar waar Nqkl nu e#- uastekend gesbgd dwgbsbos v w r
'Oak onlstaalzoeen constant
bod van bnnen dal bcsawlhlpe
ge11)knntches MOI planlen en olel
Waarschljnl~jkIlgt her nog
m
zlnnlge argument vwr een ze
Spre~dlnQIn de ontwlkkel~ngs$
van he1 bos He1 regelrnatlg ol
bwwde bos heeh In dl1 opzicht sl
kwal~leltenDe vraag 1s echter
meer hoe le m kone l ~ l d
bemala
genschappen van de v e r x h ~ ~
ontw~kkel~ngsfasen
van het bos
lntroauceren Recent onderzwk
Van Vuure 1985 en Phlllppona
1983)geenaandal enerzqdsde lc
bse en andemjds de ban. en
vallase de grwlste rrljkdom aan s
ten herbergen lerwlll de dlchte
veelarmer aan swrten IS In een nl
bos 1s de jonge lase wljwel vanal
begtn aanwmg en desgewensl(
hakhwtacht~ge beheelNormen
stand le houden M w ~ voorbeel
e
h~ervanaln te nen in het Llngebo
De stakenlase zal in he1 jonge bc
snet gaan overheersen terwip
boonlase en In nog sterkere matt
vervallase rang op Z I C ~laten wact
En daar vall nu eenmaal welnlg aa
veranderen al IS de introduct~e
bepaalde aspecten van de r11;
bosfasenwe1te wspoedlgen d m
gebrulk van snelle grwlers als pc
her wllgen berk Maar dle mwlen
wet zoveel rutrnte krljgen dat zc
korte tljd lot grote bomen kunnen
groelen en zotang genandhaald
ven dal ze w k ecnt d ~ erllpere tm
sen bere~ken
die me1een schermpp a n wme els on
een kaal h e l d e o n ~ g ~ n n t n g s i a n g ~ ~ p
1s OPQegrWld Op dezende mane1 a
1" de polder uderaard WI de wuk met
En
Staal he1 me1de resultatenvan
de popul~erm de poonerbse? 1s d ~ e
meer dan de elk, ae w u k en oe es
gespaard gebleven voor rntslurktn.
gen7 De door WdermDouwer PU'
sang Job VIS oedect geoocumenteerae ervarlngen van denlg laar poPulterenteelt wepen In een nee1 andere rlchllng (Vls. 1987) Het wekt
overlgens v e r m m g dat deze her zeker ter zake doende ervarlngen aoor
de Dorschkampo~erzoekersvolkdig 211" genegeerd
Waarorn provisorisch bos?
"Het prwlsorlscn ~ o speen
s
een w.
langrqke rol blj de opbouw van een
regelmallge leeft~jdsverdet~ngAldus
Borgeslus c s
Tradltloneel gelat de regelmatlge lee!tljdSOPbOuw als een voorwaarae vocr
QOedlunclloneren Maar zo s net net
He1 Amsteraamse Bos bqvoorbeeld
heeh een ulterst onregelrnatlge leell~lOsoPbouwlz~ef~guur)maar lunn~oneert daarom nlet mlnder goed En
Ook over he1 loekomsl~gluncl~oneren
hoeven we ons. althans war belreh de
Ieefl~jdSOpbouw,geenutns ongerust
te maken
Spre~dlngin leellljd onlstaat bqna vanZelf Calastrolen daargelalen kunnen
zlchgeen redenenmeer voordwnom
het bos anders dan geleidelllk te verjongen Varlalle in m s w n en
groe~plaatsle~denvanzen tot faser~ng
van de e~ndkapNaar gelang de kwalaentten van de opstand en de w e e n
van de bosbeheerder kunnen eiken
kaprqp zlln op een kehljo van 60 maar
ook op een leen~ldvan 200 jaar
Waarom dan loch prwlsorlsch bas?
Wat voor argumenten dragen de
schrijvers daar zell voor aan?
"DII 1s van belang voor een vwn.
durende aanvoer van zaad Pure onztn natuurlllk De beuk wordt gemakkelijk 150 jaar oud en draagt al
een laar of 50 zaad En de k u k 1s clan
nog relat~efeen laatbloeler VWr de
elk. de es en de esdwrn. d ~ ale
e dr~e
"
"
Lange termijn versus korte
termijn
al na enkele l~enlaltenlaren zaad dragen (en de es en de esdwrn zelfs at
In Oy?rvlWd) d w t net nelemaal zot
aan net besch~kbaarztjn van a d e n
nangt veel meer samen met de spreldlng van de zaadbronnen en dus met
de ~nrlchlingvan he1 bosgebied dan
met de spreldlng In de leefiijdsopbouw
NED(RdNDS BDSWUW IUDSCWAFI
In ae praktqk van de Nederlandse
neersplannlngbeslaat een bullen 1
pontes onlwtkkelde belangslel
voor de lange lerrnlln Zo w k bij E
gestus c s Helm detail lnvullenvar
samenslell~ng
van doelbOSSen lsdi
van een Iyplsche u ~ t ~ nloch
g
IS
een belrekkelllkz~nloze
DeZ~gheld(
dat net wllwel u~tges~oten
em
betrefi de wensenvande B m e n b
verder dan een laar ol llen Imluch
twtnt~g?)
voorull le kljken
Een ~ederdie twijfell aan deze wl
kerneld mwt zlch m a r eens pro
ren teverptaatsen tndeplannenm
In he1laar 1938. d ~ e
vanun zijn mi
BIJLAGE 5
Gebruikte populieren in Zuidelijk Flevoland
Euramericana's (P.x canadensis x P.x euramericana = P.deltoides x P. nigra):
'Agathe F.'
'Ellert'
'Dorschkamp'
'Flevo'
'Flor B.'
'Ghoy'
'Gibecq'
'Harff'
'Hees'
'Isiere'
'Primo'
'Robusta'
'Spijk'
'Zeeland'
'Serotina'.
Populus canescens
'Bunderbos'
'de Moffart'
'Enniger'
'Honthorpa'
'Limbricht'
Tatenburg'
'W. van Haamstede'
Hybriden met balsembloed:
A . Interarnericana's (P.deltoides x P. trichocarpa)
'Barn'
'Baupre'
'Buolare'
'Donk'
'Rap'
'Raspalje'
'Unal'.
B. Balsemhybriden (hybriden tussen verschillende balsempopulieren)
'Androscoggin'.
C. Zwarte Balsems (hybriden tussen zwarte en balsernpopulieren)
'Geneva'
'Oxford'
'Rochester'.
Europese Zwarte populier (P. nigra):
'Ankurn'
'Brandaris'
'Italica'
'Loenen'
'Schoorlda'
'Tenvolde'
'Wolterson'.
Balsempopulier (P. trichocarpa):
'Blom'
'Fritzi Pauley.'
'Heimburger'