Grenzeloos politie-idealisme

6
Politie-idealisme
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
Grenzeloos
politie-idealisme
Piet van Reenen
is emeritus hoogleraar
Politie en Rechten van
de Mens aan de
Universiteit van
Utrecht. Hij werkt als
zelfstandig onderzoeker en adviseur. In het
verleden was hij o.m.
directeur van de
Nederlandse Politie
Academie, korpschef
van Flevoland en
waarnemend inspecteur-generaal voor de
rechtshandhaving.
Idealisme, niet als de houding van waarschijnlijk nagenoeg iedere
beginnende politieambtenaar, maar als het bewuste streven van
politieverbeteraars naar een betere politie is het onderwerp van dit
artikel. Politie-idealisme is hier het duurzame streven van politiemensen
(doorgaans zijn het politiemensen) naar een betere politie1. Een
belangrijk deel van het idealisme is intern gericht: op het verbeteren van
wat nu de ‘professionaliteit’ van de politie heet, het verbeteren van de
organisatie, de strategie, van werkwijzen, of van hulpmiddelen Het
idealisme kan zich ook naar buiten richten op de opdracht van de politie:
orde- en rechtshandhaving. Soms zijn ook de waarden van de politie zoals
de rechtsstatelijke idealen, voorwerp van idealisme.
I
k kwam de term politie-idealisme voor het eerst
tegen in een studie van Niederhoffer (1969). Die
studie, een eerste poging om ‘police cynicism’ te
beschrijven, te operationaliseren en in een schaal
van licht naar zwaar onder te brengen, begon bij het idealisme van jonge enthousiaste politiemensen. Want zo
Naast de vakbeweging
waren hervormingsgezinde
korpschefs de kampioenen
van die modernisering
beginnen ze doorgaans: vol idealen. Dat idealisme voor
het werk, voor de praktijk, raakt juist in die praktijk – in
het contact met publiek, met verdachten en met de rauwe
kant van het bestaan, met kritiek en ook met het interne
gedoe van het politiekorps – gebutst en gedeukt en kan
verkeren in cynisme. Die kans is zelfs vrij groot.
Om dat te meten ontwierp Niederhoffer zijn schaal. Zijn
onderzoek ging dus niet over idealisme, maar de term
bleef bij mij hangen tot veel later. Ik gebruik die term nu
voor het streven van politieverbeteraars, niet voor het
startidealisme van de jonge executieve politieambtenaar.
Nauwelijks beschreven
Politie-idealisme is een niet afgepaald en nauwelijks
beschreven fenomeen. Het is interessant, omdat terugkijkend een deel van de veranderingen van en binnen de
politie zijn bewerkstelligd door mensen die je kunt kwalificeren als idealisten. Zij bepalen een deel, en mogelijk een
belangrijk deel, van de veranderingsdynamiek van de
politie, maar in hoeverre dat het geval is en hoe dat idealisme eruitzag en -ziet, of er verschillende soorten idealisme bestaan, hoe het in de praktijk uitwerkt, of er strategieën aan ten grondslag liggen en wat dan van zo’n
strategie wel of niet werkt, is onbekend. Hoe komt het
bijvoorbeeld dat het teampolitie-concept in de Nederlandse politie zo algemeen is ingevoerd in de jaren negentig, terwijl het een droom was van drie jonge hoofdinspecteurs, een externe organisatie-adviseur en een
beleidsambtenaar van Binnenlandse Zaken, die slechts
door weinigen serieus genomen is in aanvang? We weten
het niet. Dat is een belangrijke reden om er aandacht voor
te hebben en wellicht om er in de toekomst meer systematisch naar te kijken.
Dit artikel bestaat uit twee delen, het eerste is een korte
bewerking van wat ik er eerder over geschreven heb, het
tweede deel, in het volgende nummer van dit Tijdschrift,
gaat over uit de hand gelopen idealisme. Want idealisme
heeft zijn mooie kanten, maar er zijn andere: het kan ook
verkeren. Dan wordt wat zo mooi leek – wie zou iets tegen
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
Politie-idealisme
7
Die kwaliteitsverbetering ondersteunde de genoemde
belangenbehartiging door de bonden natuurlijk: verbetering van arbeidsomstandigheden en inkomen.
Foto: Collectie Menno Noort, http://politie23.webs.com
opleidingsaspect: opleiding kan kwaliteit
vergroten, en diploma’s garanderen een minimumniveau van kennis en kunde. De vakbonden stelden diploma-eisen op, een soort standaarden voor het niveau van kennis en
vaardigheden, en gingen ook cursussen voor
politiediploma’s verzorgen. Die kwaliteitsverbetering ondersteunde de genoemde belangenbehartiging door de bonden natuurlijk: verbetering
van arbeidsomstandigheden en inkomen (Van
der Wal 2007). En het legitimeerde de vakbonden, in aanvang met sterk wantrouwen bezien, in
hun bestaan en hun belangenbehartiging. Het
voorkwam ook dat de kloof tussen vakbonden en
politieleiders te groot werd, ze hadden – gedeeltelijk – een gemeenschappelijk doel.
Denkende laag
idealisme hebben – iets wat vragen oproept, wat buiten de
orde kan gaan, ons tegen de borst gaat stuiten of zelfs verwerpelijk wordt.
Verheffing, het oude streven
Ik stuitte op politie-idealisme toen ik schreef over het
honderdjarig bestaan van ‘Stapel en De Koning’, het klassieke leerboek voor de Nederlandse politie. Dat leerboek
was onderdeel en instrument van de beweging tot verheffing
van de politie, een beweging die rondom de eeuwwisseling
naar de twintigste eeuw opkwam (Van Reenen 2006). Die
beweging had voor een deel een sterk vakbondsachtige
basis; de verheffing betekende dat het ambt van politieambtenaar meer aanzien zou kunnen krijgen waardoor ook loon
en arbeidsomstandigheden zouden kunnen verbeteren.
De ambitie was sterk gericht op de verbetering van de
kwaliteit van politiemensen aan de basis en had een sterk
Naast de vakbeweging waren hervormingsgezinde korpschefs de kampioenen van die
modernisering (Meershoek 2013). Hen ging hen
om de verbetering van de organisatie, het
ontwikkelen van nieuwe specialismen, en de
modernisering van werkwijzen. Vooral in de
‘werksteden’, zoals ze genoemd werden, sloot de
snelle industrialisatie van rondom de eeuwwisseling naar de twintigste eeuw aan bij de politieke en maatschappelijke vraag naar een
betere politie. Welbeschouwd ging het erom de
uitdaging aan te kunnen gaan die de opkomst van de industrialisatie de politie gaf, door de ermee gepaard gaande
sociale ellende – de ‘sociale quaestie’ –, groeiende criminaliteit en de arbeidersbeweging.
De eerste politie-idealisten waren dus de hervormers van
rondom de eeuwwisseling. Die – paar –korpschefs namen
de moeite zich in het buitenland te oriënteren waar ze
inspiratie opdeden voor het werk aan de politie in Nederland. Ze waren zo gewild, dat sommigen van hen in verschillende steden opdoken om de zo gewenste veranderingen te
realiseren. De ontwikkeling van het werk van de geüniformeerde dienst, de creatie van specialismen zoals de recherche en de ontwikkeling van de wetenschappelijke speurkunst, de oprichting van afdelingen kinderpolitie, de
verkeerspolitie, de politie te water en de bereden politie
– ze dateren allemaal uit deze periode kort na de eeuwwisseling.
8
Politie-idealisme
Opvallend is dat het
idealisme zich ook uitte in het
geschreven woord, zoals Het
Tijdschrift voor de Politie
Het aantrekken van inspecteurs die de nieuwe hogere
burgerschool hadden doorlopen, creëerde een denkende
laag binnen de politie, waaruit tussen de twee wereldoorlogen een eigen kader opkwam en waarbinnen vernieuwers,
meer in aantal nu, doorborduurden op het pionierswerk van
de korpschefs (Meershoek 2013). Een man als Cohen deed
dat voor de verkeerspolitie, Van Houten voor internationale
politiesamenwerking, Broekhoff voor recherche en inlichtingenwerk en Sirks voor de ordehandhaving (J. Smeets,
2007). Stapel en de Koning waren er ook voorbeelden van,
twee politiecommissarissen die leerboeken voor de politie
gingen schrijven en die daarnaast rechercheperiodieken
rondstuurden en hun bijdrage leverden aan de totstandkoming van de Model politievakschool in Hilversum (Van
Reenen 2006). Die school werd opgericht en in stand
gehouden door een van de politievakbonden. De Koning
was daar de eerste directeur van.
Opvallend is dat het idealisme zich ook uitte in het geschreven woord, zoals de leerboeken van Stapel en de Koning en
van Schreuder. Rechercheperiodieken, Het Tijdschrift voor
de Politie, allemaal particuliere initiatieven van idealisten
die in publiceren een middel zagen om idealen binnen de
politie te verspreiden en hun publicaties gebruikten als
middel ter oriëntatie en als discussiefora. Het tijdschrift voor
de Politie opereert nog steeds op die basis.
De jaren vijftig tot zeventig
Na de Tweede Wereldoorlog is de aandacht eerst gericht op
de opbouw van een betrouwbare politie en het herstel van
vertrouwen. Idealisme is wellicht aanwezig maar slecht
zichtbaar, het is er voor de politie die zijn respectabiliteit
moet terugverdienen niet echt de tijd voor. In de jaren vijftig
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
concentreert het zich op het verkeer en de verkeerspolitie,
de politie van de mobiliteit en van de toekomst, met idealisten als Muller, Molenaar en Van der Zande als voorbeelden
van in die richting vernieuwend politiedenken.
Pas in de jaren zeventig laten politie-idealisten van een
andere snit zich weer kennen en horen. De tijd van de
verbeelding aan de macht brengt ook binnen de politie het
bewustzijn van verandering en verbeelding als element van
denken en handelen. Het nestelt zich in jonge politieinspecteurs die dan net de praktijk in gaan en die in de
jaren daarna meer systematisch en niet-aflatend de verbetering van de politie nastreven. Ik stuit dan voor het eerst op
groepjes idealisten, mensen die de koppen bij elkaar steken
om in vrije tijd te denken en te discussiëren over een betere
politie. Het kan zijn dat ze er eerder ook waren, en dat die
gewoon niet gedocumenteerd zijn, in ieder geval is in de
jaren zestig en zeventig dat verschijnsel aanwijsbaar.
Het wordt later ook bevorderd doordat het Politiestudiecentrum en de SPL activiteiten gaan organiseren waarin groepjes politiemensen projecten aanvatten over de toekomst van
de politie, een faciliterende structuur voor mensen die, ook
als zo’n opleiding achter de rug is, op eigen gelegenheid
doorgaan met denken over desbetreffende onderwerpen.
Die beweging krijgt ook een nieuwe richting: politie naar en
voor de bevolking. Naast individuele idealisten ontstaan nu
groepjes, en dergelijke groepjes zijn tot op de dag van
vandaag aanwijsbaar. Opvallend genoeg negeert die brede
beweging individuele idealisten als Perrick en Peijster
(Meershoek 2012). De bedenkers van het teampolitieconcept zijn exponenten van die nieuwe beweging van jongeren
die overigens later veel meer als individuen met hun idealisme aan de slag gaan. Een man als Straver heeft zijn
idealisme verder gedragen als korpschef en na zijn pensionering als onderzoeker en docent aan de Politieacademie.
Het houdt blijkbaar bij sommigen nooit op.
Een apart groepje vormden nog de jonge politie-inspecteurs
die zich via de wetenschap op een tot dan toe niet-gekende
manier met vernieuwing van de politie verbinden en politie
en wetenschap combineren en daar ook eigenlijk hun hele
werkzame leven mee bezig blijven (Van Reenen). In de
jaren dat deze vernieuwers de top van de politie bereiken, is
idealisme een kenmerk van een hele groep geworden.
Niet de top alleen
Mijn eerste benadering van politie-idealisme had een sterk
elitair karakter: het waren in mijn beeld een paar voortrek-
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
Politie-idealisme
9
In de historie zullen vaak ook onbekende individuen
bezig zijn geweest met een betere politie.
Foto: Collectie Menno Noort, http://politie23.webs.com
kers binnen de politieleidingen en de vakbonden die zich
sterk en breed maakten voor een betere politie. Eerst de
‘Stapels en De Koningen’, later – toen het woord verheffing
al hoog en breed ouderwets was geworden – mensen in de
top van de organisatie als Perrick en Peijster (hoofdredacteuren van het Tijdschrift voor de Politie!) en weer later de
groep rond Politie in Verandering.
Verder kijkend begon ik aan die beperkte benadering van
idealisme te twijfelen. Dat was in mijn bijdrage aan het
afscheid van Cees van der Vijver (Van Reenen 2009) die ik
een plaats gaf in een groep politiemensen annex wetenschappers die in de jaren zestig bij de politie begonnen en
die ook gelieerd zijn aan de vernieuwingsbewegingen van
de politie na de crisis van de jaren zestig. De drang tot
verbetering of het behoud van kwaliteit of integriteit van de
Idealisme is geen
kenmerk van politiechefs
of hoger kader meer
politie is een verschijnsel dat vermoedelijk breed in de
organisatie bestaat. Het zou me niet verbazen wanneer er in
de historie van de politie en ook nu – vaak onbekend want
ongedocumenteerd – steeds groepjes en individuen bezig
zijn geweest met een betere politie. Het waren vroeger
wellicht mensen in de top, maar nu niet meer.
Zo kwam een groep jonge politie-inspecteurs in Rotterdam
in de jaren zestig bijeen in kroegen en huiskamers om te
praten over de toekomst van hun politie.
Dat weet ik, want ik maakte er deel van uit.
Het moest aanmerkelijk beter worden, zo
vonden wij, dan wat we aantroffen in de
korpsen. We noemden het politie 2000.
Het project stierf later een stille dood,
maar dat is niet het punt: steeds tref je, zo
lijkt het, mensen aan die onvrede hebben
met de gang van zaken, kritiek hebben,
nadenken, hun kop stoten, weer doorgaan en met nieuwe
inzichten komen. De groep marechausseeofficieren die in
de Tweede Wereldoorlog in krijgsgevangenschap nadachten
over de KMar van na de oorlog is er een wat buitenissig en
ouder voorbeeld van (Van der Hoek 1975).
De Projectgroep organisatiestructuren die community
policing in Nederland introduceerde noemde ik al en van
recenter datum is de Ithaka-beweging rondom Wierda en
Sievers, in 2005 ontstaan, een groep politiemensen die zijn
innerlijke overtuiging wil inzetten voor de politie en zo
toont dat deze een ‘bezielde missie’ in de samenleving heeft
(Wierda, Sievers 2006).
Geen kader meer
Er lijkt een beweging van hoger in de politieorganisaties
naar lager te ontwaren te zijn als het gaat om de groei van
idealisme. De innovatieprijs van het voormalige Korps
Rijkspolitie, ingesteld in de jaren tachtig voor de hele
politie, bracht een aantal voorbeelden van politiemensen
voor het voetlicht uit alle lagen in de organisatie die heel
verschillend met vernieuwing van de politie bezig waren.
Ook een indicatie dat het oudere adagium dat het denken
vooral in de top van de organisatie plaatsvond en dat je daar
ook het politie-idealisme vond, verdwenen was. Ook politie-idealisme democratiseerde zo. In Blauw Relaas verhaalt
Peter Gieling, tot districtschef opgeklommen door de
rangen heen, hoe hij de overlastproblematiek in het
Utrechtse Kanaleneiland aanpakt. Een mooi verhaal van
betrokkenheid die leidt tot praktische vernieuwing die
vervolgens breder wordt uitgedragen via de Politieacademie
(Van der Torre 2011).
Met die constatering – liever, met dat vermoeden – van
verschillende en ook een groeiend aantal idealistische
initiatieven, van een brede beweging binnen de politie, ben
ik tegelijkertijd mijn oude kader kwijt. Het is geen kenmerk
van politiechefs of hoger kader meer. Leidinggevenden zijn
nog steeds meer afgeschermd van de slijtende werking van
10
Politie-idealisme
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
ren, politiemensen, allen trouw aan de Grondwet en aan de
wetten des Rijks.
Dat beeld is niet zo vreemd, omdat de minst gematigden
binnen de samenleving de politie zelf doorgaans op grote
afstand houden. En mocht dat niet het geval zijn, dan zijn ze
er al ‘uitgezeefd’, of al vroeg in hun carrière ‘ontmaskerd’ als
te radicaal. Maar de vanzelfsprekendheid van het fatsoenlijke, het goede en het gematigde van politie-idealisme is,
hoe ontroerend ook, tevens een vorm van naïviteit.
Idealen kunnen met de bedenkers ervan op de loop gaan.
Waar idealisten zijn gedreven door het hogere, door waarden die soms uitermate krachtige coördinatiepunten en
motieven voor het handelen zijn, ligt radicaliteit steeds op
de loer. Waarom zou politie-idealisme zich door de fatsoensrakkerij van de vele gematigden onder ons altijd laten
ringeloren? Politie-idealisme kan dus ook een radicale
kracht voor verandering vormen, die buiten de bestaande
orde treedt en daarvoor een ongemakkelijke of zelfs bedreigende kant heeft.
Afweging
Opvallend genoeg kan dat al heel snel het geval zijn. Het
ordentelijke beroep op de principes van het recht, de
rechtsstaat door politiemensen, op mensenrechten ook, als
uitgangspunten voor het handelen is mooi en geeft de politie
een ethische grondslag. Dat ethische denken en dat ethisch
het werken op straat. Maar voor nu is het onderscheid tussen idealisme is nog niet zo oud. Ik zie het aan het eind van de
hoger kader waaruit de idealisten zouden voortkomen, en
twintigste eeuw opkomen. Frans Denkers, idealist pur sang,
uitvoerende politiemensen waarbij dat idealisme niet wordt
werkte dat thema uit in zijn Moreel kompas van de politie.
aangetroffen, onjuist.
En ook in het ontstaan van een groep politiemensen die zich
De politievakbeweging lijkt uit de rangen der idealisten
in het kader van Amnesty International inzetten voor menverdwenen. Ze is belangenbehartiger geworden. De oude
senrechten is dat idealisme zichtbaar (Denkers 2001,Van
gemeenschappelijkheid met de korpsleiding is verdwenen.
Reenen 1997). Bernard Welten is een exponent van dat
Begrijpelijk en verklaarbaar, maar tegelijkertijd een verlies. idealisme.
Het is, hoe vanzelfsprekend het ook lijkt, toch al snel
De randen van de bestaande orde
problematisch binnen de bestaande orde. Ik maakte dat
Mijn aandacht voor politie-idealisme heeft zich tot nu toe
lang geleden mee toen we met de Rotterdamse afdeling van
bepaald tot het mooie. Het moest immers tot een betere poli- de Vereniging van Hogere politieambtenaren professor
tie leiden. Steeds, maar steeds stilzwijgend, was daarbij de
Enschede uitnodigden om te praten over de conclusies van
premisse dat dan dat idealisme zich binnen de grenzen van zijn rapport over de rellen van Amsterdam in 1965-1966. In
het fatsoen zou manifesteren. Iets formeler omschreven is
de discussie claimde ik, jong inspecteur, het recht op eigen
dat binnen de grenzen van de rechtsstaat en binnen de
beslissingen, gebaseerd op mijn eigen geweten en rechtsgrenzen van wat voor politie binnen de politieke en bestuur- statelijke opvattingen. Het antwoord van Enschede, een
lijke cultuur van dit land acceptabel zou zijn. Gedreven
juridisch zwaargewicht, was kort en heel helder: “Mijnheer,
fatsoenlijke mensen die binnen de lijn van wat oirbaar is
dan heeft U het verkeerde beroep gekozen.”
blijvend aan de politie sleutelen – burgemeesters, ambtena- In de afweging tussen mijn vrijheid van opvatting en keuze
Politie-idealisme
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
11
enerzijds, en de wens om de politie
aangestuurd te weten door politiek ter
verantwoording te roepen ambtsdragers anderzijds, koos hij voor de
politiek ter verantwoording te roepen
autoriteit. Begrijpelijk, wie zou zijn lot
in handen willen leggen van een
23-jarige snotneus van een inspecteur
die het zelf wel wist?
Eigen oriëntatie
Maar de discussie kwam terug, en dit
keer niet onder snotneuzen. Nog maar
enkele jaren geleden ontstond er een
debat onder politiechefs toen er het
gevoel ontstond dat de PVV een
zodanige omvang en invloed zou
krijgen, dat de politie daarvan de
gevolgen zou merken in rechtsstatelijke zin. Bijvoorbeeld in het beleid
ten aanzien van vreemdelingen en
allochtone Nederlanders. Strijd met
Artikel 1 van de Grondwet was niet
denkbeeldig, de discussie over de
afschaffing ervan werd in ieder geval
door Pim Fortuyn en later door Wilders geëntameerd.
Dat leidde bij politiechefs tot reflectie, die voor een deel
was gebaseerd op mensenrechten en Grondwet, voor een
deel op de geschiedenis. Enkelen grepen bijvoorbeeld
Maar de discussie
kwam terug, en dit keer niet
onder snotneuzen
terug op de Weimarrepubliek en verdiepten zich in de
positie van de politie daarin om gevoeliger te worden voor
de morele en mensenrechtelijke vragen die kunnen opkomen wanneer de politieke sturing van de politie verandert
en in strijd komt met fundamentele waarden. Politiechefs
discussieerden over hun positie en beslissingen voor het
geval dat de positie van vreemdelingen te veel in de knel
zou komen, bijvoorbeeld bij deelname van de PVV aan de
regering.
Het pleidooi voor een eigen waardenoriëntatie van de
politie in het visiedocument Politie in Ontwikkeling (Projectgroep Visie 2005) moet begrepen worden als een claim
op een eigen oriëntatie op de rechtmatigheid van beslissingen van de regering die de politie raken.
Handicap en bedreiging
Politie-idealisme hier gezien als de duurzame oriëntatie van
de politie op de waarden van de rechtsstaat, lijkt wat meer
ruimte te hebben gekregen. Maar hoe groot die ruimte is, blijft
zeer de vraag. De claim van de politie op een eigen waardenoriëntatie die in Politie in Ontwikkeling verscheen, werd door
het bevoegd gezag, en vooral door korpsbeheerders, breed
afgewezen. De ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag is
een centraal uitgangspunt van de politie. Het maakt de politie
tot instrument. Het lijkt nog steeds aan anderen om de waarden van de politie uit te maken en daarin schuilt tevens de
bedreiging die uitgaat van een eigen waardenoriëntatie van de
politie: zij belemmert de instrumentaliteit van de politie.
Radicale rechtsstatelijkheid onttrekt zich aan de eis van
ondergeschiktheid, omdat die van een lagere orde is dan
rechtsprincipes. Zo blijft ook op basis van mensenrechtenverdragen de verantwoordelijkheid van politiemensen voor hun
eigen handelen in stand – die wordt niet altijd opgeheven
door een opdracht van hogerhand. Dat is vanuit het perspectief van het recht een zegen, omdat het macht beperkt en
bindt aan standaarden en procedures. Tegelijkertijd ligt
daarin de handicap en de bedreiging voor het gezag over de
politie.
Tot slot
Politie-idealisme is hier het duurzame streven van politiemensen (doorgaans zijn het politiemensen) naar een betere
12
Politie-idealisme
politie. Met de komst van de moderne politie twee eeuwen
geleden begint tevens de vraag naar haar inrichting, haar
taak en haar kwaliteiten. Idealisme als houding wordt dan
mogelijk, maar raakt in eerste instantie slechts enkelingen.
Het krijgt pas echt ruimte met de uitdaging van de in
Nederland laat opgang komende industrialisatie (in ons
omringende landen waar die industrialisatie eerder opgang
komt, tref je ook vroeger idealisten aan).
Dan, wanneer de politie een wat meer denkende organisatie
moet worden, in ieder geval in de top, wordt ook de politietaak sterker in termen van idealen beschreven. Dat proces
start, niet toevallig, rondom de eeuwwisseling. Dan wordt
ook idealisme zichtbaar als elitefenomeen: korpschefs,
enkele commissarissen en de leiding van de vakbonden
gaan zich intensief en niet-aflatend met de verbetering van
de politie bezighouden. Voor sommigen wordt het een
levensdoel.
Radicale
rechtsstatelijkheid onttrekt
zich aan de eis van
ondergeschiktheid
het Tijdschrift voor de Politie – jg.75/nr.8/13
dacht aan deze categorie mensen te besteden. Dit is een
eerste bescheiden aanzet daartoe.
«
De energie die in idealisten steekt, het heilig vuur, is niet
altijd beheersbaar, het drijft sommigen van hen over de
grenzen van wat aanvaardbaar is. Daarover gaat het tweede
deel van dit artikel in het volgende nummer van dit Tijdschrift.
Literatuur
Bovenkerk, F.( red). (1996), De Georganiseerde criminaliteit in Nederland, Deventer.
Denkers, F., P. van Beers, W. Elzenga (2001), Moreel Kompas van de
Politie, Den Haag.
Dijkhuis, G. (1982), Niet alleen met stok en steen, Den Haag.
Fijnaut, C. (1983), De Zaak Francois, beschouwingen naar aanleiding
van het vonnis, Antwerpen.
Hoek, W. van der (1975), De Koninklijke Marechaussee in de Nederlandse Samenleving, Soest.
Meershoek, A.J. J. (2012), Kees Peijster en de herijking van de maatschappelijke politierol, Amsterdam.
Meershoek, A.J.J. (2013), ‘Een politiële vernieuwing die vruchten
afwierp, vastliep en ontspoorde’, in: Proces, Tijdschrift voor strafrechtpleging, 2013, nr. 3.
Meershoek, A.J.J. (1999), Dienaren van het Gezag, De Amsterdamse
Politie tijdens de Bezetting. Amsterdam.
Niederhoffer, A. (1969), Behind the Shield: The Police in Urban
Society. Garden City, N.Y.
Projectgroep visie op de politiefunctie, ( 2005), Politie in Ontwikkeling, Den Haag.
Reenen. P. van (1979), ‘The Amnesty Adventure, Amnesty International’s police group in the Netherlands’, Netherlands Quarterly of
Human Rights ; vol. 15, no. 4.
Reenen, P. van (2006), ‘Politie-idealisme’, in: G. Leistra, P. van
Reenen, Portret van de Politie, Amsterdam.
Reenen, P. van (2009), ‘De Zestigers en de politiewetenschap’, in: G.
Meershoek (Ed.), Politiestudies: terugblik en vooruitzicht. Een bundel
essays voor Kees van der Vijver. Dordrecht.
Smeets, J.( 2007), De Geschiedenis van de Nederlandse Politie, verdeeldheid en eenheid in het Rijkspolitieapparaat. Amsterdam.
Reenen. P. van (2010), ‘From policing the garbage can to garbage can
policing’ in: Policing and Society: An International Journal of Research
and Policy, Volume 20, Issue 4, 2010
Torre, E.J. van der (2011), Blauw Relaas, Apeldoorn.
Wal, R. van der (2007), De Geschiedenis van de Nederlandse Politie, de
vakorganisatie en het beroepsonderwijs, Amsterdam.
Wierda, H, L. Sievers (2006), ‘Ithaka: start van een beweging. Het
ontstaan van een beweging van politiemensen die zichzelf tot doel stelt
de ‘bezielde beroepsuitoefening’ door politiemensen te stimuleren’ in:
J. van Hoorn, J. Nap, L. Sievers, H. Wierda, Wat bezielt politiemensen:
op zoek naar de essenties van politiewerk’, Apeldoorn.
Tot in de jaren zestig kun je politie-idealisme vermoedelijk
bij een klein groep voornamelijk hogere politieambtenaren
aantreffen. Het heeft dan nog steeds, wanneer je naar de
inhoud ervan kijkt, rechtsstatelijke thema’s. Daarna verbreedt het zich snel, eerst via de moderniseringsbeweging
van de jaren zestig, vervolgens van jonge politie-inspecteurs
en daarna breder, wanneer de vraag naar vernieuwing
algemener wordt en door de hele organisatie meer en meer
een beroep wordt gedaan op het eigen initiatief en het
denkvermogen van politiemensen.
Idealisme krijgt een kans wanneer de politie niet meer geldt
als repressie-element, maar zichzelf hogere doelen gaat
stellen, met daarin ethische momenten. Politiekorpsen
krijgen een missie of geven zichzelf een missie, een rechtvaardiging in termen van hogere doelen die ook idealisme
kan versterken.
Idealisten vormen met de energie die zij opbrengen, de
intellectuele input die ze leveren en het voorbeeld dat zij
vormen voor anderen, een fenomeen dat van belang is voor
Noot
de politie. Het zijn ‘change agents’ bij uitstek. Het zijn
ook mensen die voorbeelden zijn voor anderen, rolmodel- 1. Van Waning, burgemeester, is een boeiend voorbeeld van een
hardnekkig politie-idealist.
len. Het is de moeite waard om meer systematisch aan-