hsv herziene statenvertaling - Aanbieding Voorjaar 2014

STUDIE
B I J B E L
h e r z i e ne s t a t e nv e r t a l i n g
STUDIE
B I J B E L
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 1
hsv
15/05/14 16.14
HSV-Studiebijbel
Kennismaking
Een studiebijbel is een middel om op basis van een
bestaande bijbelvertaling achtergrondinformatie te
bieden. De gebruiker krijgt al lezend een beknopte
handreiking op het terrein van bijbeluitleg en bijbelse
context. Een studiebijbel wil tegelijk de bijbellezer een
handreiking bieden door te wijzen op de relevantie van
de bijbeltekst vandaag. De HSV-Studiebijbel is vanuit
dat verlangen geschreven. Met deze voorpublicatie
laten we u graag kennismaken met deze uitgave, die
Deo Volente vanaf eind oktober 2014 in de winkels
verkrijgbaar is.
De HSV-Studiebijbel biedt de tekst van de Herziene
Statenvertaling (HSV) en geeft allerlei uitwerkingen
daarbij. De lezer gaat verbanden binnen de Schrift
beter zien en krijgt heilshistorische lijnen aangereikt.
Achter in deze studiebijbel staan artikelen die inzicht
geven in de bijbelse theologie, historische ontwikkelingen op het terrein van bijbeluitleg en bijbelvertalingen. Ook zijn er artikelen die ingaan op actuele
vragen.
meelezers hebben er op gelet dat de tekst voor Nederlanders verstaanbaar en goed toegankelijk is.
Het HSV-bestuur heeft vastgesteld dat er enkele tientallen thema’s zijn die niet in de Amerikaanse uitgave
voorkomen, maar wel van belang zijn voor een Nederlandse editie. Nederlandse auteurs, vanuit diverse
kerken, hebben deze teksten geschreven, zodat de
uitgave voor Nederlandse lezers aan relevantie wint.
In deze voorpublicatie krijgt u een indruk van dat alles.
Aan de hand van het bijbelboek Filippenzen krijgt de
lezer de aantekeningen te zien die bij de bijbeltekst
horen. In totaal zijn er circa 20.000 van die aantekeningen. Ook de inleiding op het bijbelboek is weergegeven. En een fragment van één van de tientallen
artikelen, in dit geval over ‘Bijbel en muziek’. Op een
overzichtspagina geven we nog een keer visueel de
onderdelen weer die in deze studiebijbel te vinden
zijn. En de twee hoofdredacteuren vertellen in een
interview iets meer over de intenties van de uitgave.
Al met al kan de lezer zich een beeld vormen van wat
het nieuwe standaardwerk voor de gebruiker kan betekenen. We bieden u deze impressie met dankbaarheid
aan en hopen dat een ieder zich uitgedaagd voelt om
ook via studie verder bezig te zijn met de grote daden
van God in de geschiedenis en in ons leven.
De auteurs van deze studiebijbel gaan ervan uit dat
God Zich op een duidelijke en volkomen manier bekendmaakt door het Woord tot behoud van mensen.
Uitgangspunt is dat de gegeven tekst uiteindelijk
geen menselijke bron heeft, maar middel is van de
Heilige Geest om God te doen kennen. De uitgave wil
daarom met respect over de Bijbel als Woord van God Drs. H. Russcher
spreken.
voorzitter HSV-bestuur
Deze studiebijbel maakt gebruik van teksten uit een
Amerikaanse bijbel: de ESV Study Bible. ESV staat voor
‘English Standard Version’. Dat is een bijbelvertaling
uit 2001, een herziening van de King James Version
(KJV). Direct na verschijning van de ESV is een team
van bijbelgetrouwe theologen aan de slag gegaan om
de ESV te voorzien van verklarende voetnoten, inleidingen op de bijbelboeken, historische reconstructies
en doordenking van actuele consequenties. Deze teksten zijn vertaald in het Nederlands en bewerkt, zodat
ze goed aansluiten bij de Nederlandse situatie. Diverse
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 2
De stuurgroep, bestaande uit vertegenwoordigers
van de Stichting HSV, de Gereformeerde Bond en
Jongbloed, heeft bestuurlijk leiding gegeven aan het
project.
In de stuurgroep hebben zitting:
Dhr. D.L. Aangeenbrug
Drs. L.B.C. Boot
Drs. I.A. Kole
Drs. H. Russcher
Drs. P.J. Vergunst
15/05/14 16.14
Bijbel en muziek
Een fragment
De Bijbel is vol van muziek: soms heel duidelijk op de
voorgrond, vaker op de achtergrond. Muziek vergezelt
de hele verbondsgeschiedenis van God en Zijn volk.
Dat begint bij het lied van Mozes (Ex. 15) en het mondt
uit in het lied van het Lam (Openb. 15). Muziek en zang
hebben daarbij nooit zomaar een neutrale, verstrooiende functie, maar zijn altijd een middel in het ‘verkeer’
tussen God en Zijn volk: meestal om het antwoord van
de mens op Gods spreken te vertolken en te begeleiden, soms ook om Gods sprake richting de mens te bemiddelen. Een aantal aspecten van het bijbelse spreken
over zang en muziek komt hieronder aan de orde, waarna ik afsluit met de vraag naar de actualiteit daarvan.
Zingen als antwoord
Zingen is in de Bijbel dé manier om te reageren op
wat God doet. Ik noem een paar karakteristieke voorbeelden. Als het volk Israël door de heere uit Egypte is
geleid en het van een afstand de farao en zijn strijdmacht heeft zien ondergaan in de Schelfzee, gaat het
spontaan zingen. Mozes en het volk heffen een lied
aan (Ex. 15:1-18) waarin ze wat er gebeurde vertolken.
Vervolgens pakken Mirjam en de andere vrouwen hun
tamboerijnen en maken ze een reidans, waarmee ze de
mannen antwoorden in een soort refrein: ‘Zing voor
de heere, want Hij is hoogverheven! Het paard en zijn
ruiter heeft Hij in de zee geworpen’ (Ex. 15:21).
Opvallend is dat in vrijwel alle bovenstaande voorbeelden sprake is van een profeet/profetes, van profeteren
of van de aansporing van de Geest. Mirjam en Debora
worden allebei een ‘profetes’ genoemd. Elizabet wordt
vervuld door de Geest en doet haar uitroep. Zacharias
wordt door de Geest vervuld en profeteert. Op Simeon
rust de Geest, Die hem naar de tempel brengt, waar
hij zijn lied zingt. Anna heet eveneens een ‘profetes’.
Zingen tot eer van God: dat doen blijkbaar mensen die
door de Geest worden aangevuurd. En dat zingen kan
ook als ‘profeteren’ worden bestempeld.
In dat verband is het niet vreemd dat de bekende oproep van Paulus in de Efezebrief om met elkaar ‘psalmen, hymnen en liederen’ te zingen, direct voorafgegaan wordt door de aansporing: ‘maar laat de Geest u
vervullen en zing ...’ (Ef. 5:18-19). De parallele tekst in
de Kolossenzenbrief spreekt niet van de Geest, maar
van ‘Christus’ woorden’ die de gemeenteleden in zich
moeten laten wonen om elkaar te onderrichten en
te vermanen in alle wijsheid, door ‘met heel uw hart
psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest
u vol genade ingeeft’ te zingen (Kol. 3:16). Vervulling
met de Geest (of met het woord van Christus) brengt
tot zingen. Misschien mag je het ook andersom lezen:
door de liederen te zingen woont Christus’ woord in
de gemeente en worden mensen vervuld van de Geest.
Dé musicus van het OT is David. Niet alleen tekent de
Bijbel het onvergankelijke beeld van de herdersjongen
die met zijn harp de boze koning Saul rustig maakt (1
Sam. 16), hij is ook de ‘gezalfde door de God van Jakob;
en lieflijk in psalmen van Israël’ (2 Sam. 23:1). Samen
met zijn zoon Salomo vormt David de patroon van de
oudtestamentsiche muziekcultuur. Van Salomo wordt
gezegd dat hij 1005 liederen heeft gemaakt (1 Kon.
4:32), op Davids naam staat het grootste deel van de
liederen in het bijbelboek Psalmen. In de latere traditie,
zoals de Griekse vertaling van het OT (de Septuaginta),
In het NT komt dit patroon heel duidelijk terug aan zijn dat er nog meer.
het begin van het Lukasevangelie. Als Maria bij Elizabet
komt nadat Gabriël haar heeft bezocht, barst Elizabet In dit verband is het boek Kronieken van groot belang.
uit in een jubel (Luk. 1:41-45). Vervolgens brengt Ma- Daarin wordt uiterst gedetailleerd verteld hoe de temria haar gevoelens onder woorden in de vorm van een peldienst in de tijd van Salomo wordt vormgegeven.
lied: het wereldberoemde ‘Magnificat’, naar het be- Deze stelt overeenkomstig het gebod van Mozes de
ginwoord van de Latijnse vertaling (Luk. 1:46-55). Bij offerdienst in, en naar het gebod van David (‘de man
Zacharias gaat het niet anders: als zijn tong wordt los- Gods’) de dienst van de levieten om God voortdurend
gemaakt, kan hij eindelijk vertellen wat de engel hem te prijzen (2 Kron. 8:12-15). En als in later tijd de tempelverteld heeft over het jongetje Johannes. Ook hij heft dienst weer hervormd moet worden (ten tijde van Joas,
een lied aan: het ‘Benedictus’ (Luk. 1:67-79). Even later Hizkia en Josia), dan grijpt men terug op de instelling
is er Simeon, die het Kind Jezus in zijn armen neemt en van David en zijn profeten (2 Kron. 23; 29; 35).
God looft: ‘Nunc dimittis’ (Luk. 2:29-32). De oude Anna
belijdt vervolgens eveneens de Heere (Luk. 2:36-38).
(in de HSV-Studiebijbel loopt het artikel verder door).
Lets dergelijks gebeurt in Richteren 5. Onder leiding
van Barak en Debora zijn de Kanaänieten verslagen,
waardoor het volk weer vrij is. Dat ontlokt Debora een
lied waarin ze het gebeurde uitvoerig bezingt. Even
later in diezelfde richterentijd is er op microniveau het
verhaal van Hanna die geen kinderen kan krijgen. Maar
als de heere haar toch een zoon geeft, Samuël, legt ze
haar dank aan de heere vast in een gebedslied: ‘Mijn
hart springt op van vreugde in de heere’ (1 Sam. 2).
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 3
15/05/14 16.14
Kennismaking met de hoofdredactie
In oktober 2014 komt de HSV-Studiebijbel uit. Er is
door de redactie jaren lang gewerkt aan deze uitgave.
De beide hoofdredacteuren, prof. dr. M.J. Paul en prof.
dr. T.M. Hofman, vertellen over het project en hun bijdrage daarin.
De Amerikaanse ESV Study Bible is gebruikt als uitgangspunt. Wat maakt die uitgave zo geschikt voor Nederland?
Paul: ‘Er is veel behoefte aan uitleg, maar het zou te
veel werk zijn de hele Bijbel te laten toelichten door
Nederlandse auteurs. We hebben daarom rondgekeken en kwamen uit bij de ESV Study Bible, die vanuit
een orthodox (evangelical) standpunt is geschreven.
Inhoudelijk staat de uitgave heel dichtbij. Het is een
recent en kwalitatief goed werk.’
Hofman: ‘Deze studiebijbel combineert respect voor
het gezag van de Schrift, zoals dat blijkt uit vertaling
en toelichting, met oog hebben voor de opvattingen
rond de bijbeltekst in de huidige tijd. Men schuwt die
breedte en discussie niet, maar probeert wel een verantwoorde keuze te maken ten dienste van de lezer/
gebruiker. Daarnaast heeft deze studiebijbel uitdrukkelijk oog voor de ‘eenheid in verscheidenheid’ van
de Schrift als geheel. Daardoor komen de verschillende boeken en genres tot hun recht binnen de ontstaanscontext en wil men de lezer/gebruiker steeds
wijzen op de diepere samenhangen tussen Oud en
Nieuw Testament. Daarbij is het Schrift met Schrift
vergelijken van groot belang. Deze studiebijbel laat
bovendien een gezonde heilshistorische benadering
doorklinken. Daarbij is uitdrukkelijk oog voor het
“reeds” en “nog niet” van het Koninkrijk. Het accent
op Gods handelen en Zijn heilsplan is van groot belang.’
Die Amerikaanse uitgave vormt dus het uitgangspunt,
maar de HSV-Studiebijbel is bedoeld voor Nederland.
Op welke manier is daar in de toelichting rekening mee
gehouden?
Hofman: ‘Als redactie hebben we vooral erop gelet
dat het specifiek Nederlandse in aanvullende artikelen aan de orde komt en dat de zaken die (helemaal)
zijn toegesneden op de Amerikaanse context (zoals
Mormonen) worden “geneutraliseerd”. Dat bevordert
immers de herkenbaarheid en bruikbaarheid voor het
lezerspubliek.’
Paul: ‘Sommige artikelen zijn buiten de selectie gevallen omdat ze iets te Amerikaans waren. In de uitleg
zelf hebben we ook rekening gehouden met de vertaalkeuzes in de Herziene Statenvertaling. Die worden
toegelicht in de gegeven uitleg. Bij moeilijke teksten
zijn diverse keuzes naast elkaar blijven staan.’
Waarom is zo’n studiebijbel belangrijk voor Nederland?
Paul: ‘Wat we vooral voor ogen hebben is het gewone
gemeentelid met de behoefte aan toelichting. Meer
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 4
dan de helft (of zelfs driekwart) van het OT wordt niet
bepreekt. Veel christenen komen tijdens het bijbellezen aan tafel bijbelteksten tegen die vragen oproepen
of onduidelijkheden geven. Deze studiebijbel biedt
een mooie uitleg. De vraag “Begrijpt u wat u leest?”
die in de geschiedenis in Handelingen 8 door Filippus
wordt gesteld, is heel belangrijk!’
Hofman: ‘De koppeling tussen de uitgangspunten van
de HSV-Studiebijbel en die van de ESV-uitgave rond
de visie op de Schrift e.d. acht ik voor de Nederlandse context van belang. Vanuit eerbied voor de Schrift
wordt er in kort bestek waardevol materiaal aangedragen inzake de uitleg van de Bijbel in deze tijd.’
Wat voegt de HSV-Studiebijbel toe aan het reeds aanwezige materiaal in Nederland?
Paul: ‘Er is inderdaad veel materiaal waarin de Bijbel
wordt uitgelegd en toegepast. Dagboeken zijn echter
vaak selectief. De Bijbel wordt daarin niet in z’n geheel
besproken. Ook ten opzichte van de kanttekeningen
van de Statenvertaling biedt deze studiebijbel veel
extra’s. Denk aan de overzichten van de opbouw en
strekking van de bijbelboeken, de kaartjes en de historische achtergronden.’
Hofman: ‘Volgens mij biedt deze uitgave inderdaad op
een inzichtelijke wijze een bron aan informatie, waarbij
schema’s, tabellen, afbeeldingen en landkaarten etc.
een waardevolle ondersteuning bieden. De kleurrijke
opmaak kan daarbij ook heel verhelderend werken, zeker in een tijd waarin het visuele van groot belang is. En
al die (recente) informatie in één band met een goed
bijbelgetrouw uitgangspunt is naar mijn idee winst.’
Kunt u een typering geven van uw eigen werk en hoe de
uitgave daarop aansluit? Waarom hebt u besloten aan dit
project deel te nemen?
Hofman: ‘Het werk van redacteur Nieuwe Testament
was omvangrijker dan aanvankelijk (door betrokkenen) ingeschat. Zo’n grote uitgave als deze studiebijbel, waarbij in de ESV een veelheid van auteurs
betrokken was, vraagt van de redactie extra attent
te zijn op consistentie. Steeds moet de redactie tevens oog proberen te houden voor het beoogde lezerspubliek (hun taal en leef- en denkwereld). Hoe
diepgaand moet je exegetische problemen behandelen en welke kennis mag je daarbij veronderstellen?
Je wilt niet simplistisch zaken ter zijde schuiven; je
wilt evenmin het doel voorbij schieten door ‘over de
hoofden heen’ te schrijven. Van meet af aan was er in
dit project iets wat me aantrok. Dat zal ongetwijfeld
samenhangen met de eerder genoemde uitgangspunten, maar ook met mijn verlangen om in deze tijd
op niveau bijbelgetrouw een breder publiek toerusting te bieden.’
Paul: ‘Naast andere bezigheden ben ik ook eindredacteur van een 12-delige Studiebijbel Oude Testament. Ik
15/05/14 16.14
5
heb zodoende veel geleerd in de afgelopen jaren en dit
project gaf me de kans de opgedane ervaring ook op
een andere manier ten goede te maken. Eerder werkte ik mee aan de totstandkoming van de HSV en het
is mooi nu mee te helpen aan een bijbehorende toelichting. In mijn studietijd, gedurende mijn predikantschap en nu in het onderwijs heb ik mij geconcentreerd
op het Oude Testament. Dat bood de mogelijkheid dit
werk te doen.’
Wat hoopt u dat deze studiebijbel zal gaan betekenen
voor de gebruikers?
Paul: ‘In de achterban bestaat een hoge waardering
voor Bijbel en toch merk je dat mensen veel moeite
moeten doen om zich de inhoud eigen te maken. Dat
geldt zeker voor het Oude Testament, dat is ontstaan
in heel andere cultuur. Het verstaan van de boodschap
hSV-Studiebijbel
ervan vraagt een bepaalde inspanning. Mijn hoop is
dat deze uitgave bijdraagt aan het verstaan, maar ook
aan het doorwerken van de Bijbelse boodschap in de
levens van de lezers.’
Hofman: ‘Naar ik van harte hoop mag deze uitgave
onder de zegen van de Eerste Auteur van de Bijbel
voor velen tot zegen zijn, doordat lezers/gebruikers
gestimuleerd worden om biddend te blijven graven
in de schat van het Woord. Nadat ik zelf vrijwel alle
tekst (behoorlijk) intensief heb doorgenomen, ben
ik nog meer onder de indruk gekomen van “de eenheid in verscheidenheid” van de Schrift. Het wonder van Gods heilsplan en Zijn verbondstrouw is de
dragende grond voor kerk en christen. Deze studiebijbel kan een middel zijn, om grondig toegerust,
ieder op eigen plaats het licht van het evangelie te
verspreiden.’
Prof.dr. M.J. Paul is predikant in de PKN (Hervormd,
Gereformeerde Bond) en docent Oude Testament aan de
Christelijke Hogeschool te Ede. Daarnaast is hij deeltijd
hoogleraar OT in Leuven (België).
Prof.dr. T.M. Hofman was tot november 1996 gemeentepredikant in de Christelijke Gereformeerde Kerk. Na zijn
benoeming tot universitair hoofddocent aan de Theologische Universiteit van de Christelijke Gereformeerde
Kerken te Apeldoorn, werd hij in 1997 benoemd tot hoogleraar Nieuwe Testament. In februari 2014 ging hij met
emeritaat.
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 5
15/05/14 16.14
hSV-Studiebijbel
6
Inleiding
Bijbeltekst
Aan ieder bijbelboek gaat
een inleiding vooraf. Hierin
staat veel informatie over
onder andere de auteur, de
ontstaanstijd en het thema
van het bijbelboek.
De HSV-Studiebijbel bevat de complete
bijbeltekst van de Herziene Statenvertaling,
inclusief voetnoten en tekstverwijzingen.
jona 1-2
2
Jona’s roeping en vlucht
1
Het woord van de HEERE kwam tot Jona, de
zoon van Amitthai:
op, ga naar de agrote stad Ninevé en predik
tegen haar, want hun kwaad is opgestegen voor
Mijn aangezicht.
3 Maar Jona stond op om naar Tarsis te vluchten,
weg van het aangezicht van de HEERE. Hij daalde
af naar Jafo en vond een schip dat naar Tarsis ging.
Hij betaalde de prijs voor de overtocht en ging aan
boord om met hen mee te gaan naar Tarsis, weg
van het aangezicht van de HEERE.
4 Maar de HEERE wierp een hevige wind op de zee;
er ontstond een zware storm op de zee, zodat het
schip dreigde te breken.
5 Toen werden de zeelieden bevreesd en zij riepen, ieder tot zijn god. Zij wierpen de lading die
in het schip was, in de zee om het daardoor lichter
te maken. Maar Jona was afgedaald in het ruim
van het schip, was gaan liggen en was in een diepe
slaap gevallen.
6 De kapitein kwam bij hem en zei tegen hem: Hoe
kunt u zo diep in slaap zijn! Sta op, roep uw God
aan! Misschien zal die God aan ons denken, zodat
wij niet vergaan!
2 Sta
7 Daarop zeiden de mannen tegen elkaar: Kom,
laten wij het lot werpen, zodat wij weten door wie
dit onheil ons overkomt. Zij wierpen het lot, en het
lot viel op Jona.
8 Toen zeiden zij tegen hem: Vertel ons toch door
wie dit onheil ons overkomt. Wat is uw werk en
waar komt u vandaan? Wat is uw land en van welk
volk bent u?
9 Hij zei tegen hen: Ik ben een Hebreeër en ik vrees
de HEERE, de God van de hemel, Die de zee en het
droge gemaakt heeft.
10 Toen werden de mannen zeer bevreesd, en ze
zeiden tegen hem: Hoe hebt u dit kunnen doen?
De mannen wisten namelijk dat hij op de vlucht
was, weg van het aangezicht van de HEERE, want
hij had het hun verteld.
11 Zij zeiden dan tegen hem: Wat moeten wij met u
doen, zodat de zee ons met rust laat? Want de zee
werd hoe langer hoe onstuimiger.
12 Daarop zei hij tegen hen: Pak mij op en werp mij
in de zee; dan zal de zee u met rust laten, want ik
weet dat deze zware storm u omwille van mij overkomt.
13 De mannen roeiden echter om het schip terug te
brengen naar het droge. Maar zij konden het niet,
want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.
1:10 werden ... zeer bevreesd - Letterlijk: waren bevreesd met grote vrees.
voor ons; zie ook vers 12.
1:11 ons met rust laat - Letterlijk: stil wordt van
a Gen. 10:11, 12; Jona 3:3
Kaarten
1:1-3Jona’s opdracht en zijn vlucht. Deze
episode beschrijft de opdracht aan Jona
om te profeteren en zijn vlucht voor
deze opdracht. Er zijn twee gerichte
vragen: (1) Wat zal er met de Ninevieten
gebeuren? en (2) Wat zal er met Jona
gebeuren? (Zie diagram op p. $$.)
1:1Jona profeteert voorspoed voor
Israël tijdens de regering van Jerobeam
II ( 2 Kon. 14:23-28 ). De naam Jona betekent ‘duif’, een symbool voor Israël
als dom en zonder verstand ( Hos. 7:11
); Jona zal zijn naam eer aandoen. zoon
van Amitthai betekent: ‘zoon van Mijn
trouw’; Jona zal het voorwerp blijven
van Gods trouwe liefde.
1:2Ninevé lag op de oostoever van
de rivier de Tigris, ca. 350 km ten noorden
van het huidige Bagdad, en meer dan 800
km ten noordoosten van Israël. Het woord
dat hier vertaald is als grote (Hebr. gadol,
ook vertaald als ‘hevige’, ‘zware’, 1:4, 12)
komt 14 keer voor in Jona. Ninevé was een
belangrijke (‘grote’) stad (zie 3:3 ). kwaad
kwaad.
Dit Hebreeuwse woord (Hebr. ra‘ah, het
woord komt 9 keer voor in Jona, zie tabel
op p. $$) kan ‘slecht’ of ook ‘ramp’ bete
betekenen. De Ninevieten waren slecht en er
stond hun een ramp te wachten.
Shibanibapoort
1:3naar Tarsis wordt in dit vers
driemaal herhaald om te onderstrepen
dat Jona niet naar Ninevé gaat. Tarsis lag
in het westelijke Middellandse Zeege
ZeegeMushlalupoort
bied,
in Spanje, precies de andere kant
uit dan de weg naar Ninevé. Het schip
was waarschijnlijk van de Feniciërs (uit
In ieder bijbelboek staan een
of meerdere plattegronden
en landkaarten met daarop
aangegeven de belangrijkste
plaatsen die in dat bijbelboek
165.JON.The City
aan of
deNineveh
orde komen.
Nergalpoort
Sinpoort
Nabutempel
Paleis van
Assurbanipal
Tyrus en Sidon), die handel voerden in
het gebied van de Middellandse Zee.
weg van het aangezicht van de HEERE
wordt aan het einde van het vers herhaald om Jona’s besluit naar Tarsis te
gaan te onderstrepen. daalde af (zie
ook v. 5; Jona 2:6; hetzelfde werkwoord
wordt gebruikt voor ging aan boord) is
ook een eufemisme voor sterven (bv.
Gen. 37:35 ). De suggestie is dat elke
stap weg van het aangezicht van de
HEERE een stap is richting het ‘afdalen’
in de dood (zie aant. bij Jona 1:4-5; 2:6).
1:4-16Jona en de heidense zeelui. Deze
episode belicht Jona’s ontmoeting met
heidense zeelui en werpt de vraag op:
Wie heeft ontzag voor de HEERE: Jona
of de heidenen? Het herhaalde sleutelwoord is ‘bevreesd’: aan het begin en
aan het eind zijn de zeelui ‘bevreesd’
(v. 5, 16), in het midden beweert Jona
de HEERE te ‘vrezen’ (v. 9), terwijl de
zeelui werkelijk ‘bevreesd’ blijken te
zijn (v. 10a).
1:4-5‘Werpen’ komt viermaal voor
in deze episode (v. 4, 5, 12, 15). Zoals God
de wind wierp, wierpen de zeelui de lading. riepen. De zeelui bidden, klaarblijkelijk in het geloof dat een goddelijk
wezen hun hulp zou kunnen bieden.
was afgedaald. In tegenstelling tot de
zeelui gaat Jona benedendeks en doet
een volgende stap in de richting van de
dood (zie aant. bij v. 3).
1:6In Sta op, roep … aan weerklinkt
Gods opdracht in v. 2. Ironisch genoeg
moet een heidense zeeman de Israëlitische profeet oproepen tot gebed.
niet vergaan. ‘Vergaan’ wordt herhaald
in v. 14; 3:9 (‘omkomen’); 4:10. Ironisch
genoeg is het een heiden, en niet Jona,
die zich bezorgd maakt over het vergaan
van mensen.
1:7het lot werpen. In de oude wereld wierp men het lot om de Goddelijke wil te ontdekken (bv. Num. 26:55;
Joz. 18:6 ). De Israëlieten geloofden dat
God de uitkomst bepaalde ( Spr. 16:33 ).
onheil (Hebr. ra‘ah) kan hier ook gezien
worden als ‘ramp’ (zie tabel op p. $$).
1:9-10Hebreeër is een etnische
term om de Israëlieten ten opzichte
van buitenlanders aan te duiden (bv.
Gen. 40:15; Ex. 1:19; 1 Sam. 4:6 ). Jona
beroept zich erop de HEERE te ‘vrezen’,
maar zijn daden staan haaks op zijn belijdenis. de God van de hemel verwijst
naar de enige en hoogste God (zie Ezra
1:2; Neh. 2:20; Dan. 2:37 ). de zee … gemaakt. Ironisch genoeg belijdt Jona de
God te vrezen Die de zee beheerst, de
zee die hij oversteekt om te vluchten
van het aangezicht van de HEERE ( Jona
1:3 ). De zeelui die eerst ‘bevreesd’ waren
(v. 5) zijn nu zeer bevreesd.
1:12-13werp. Zie aant. bij v. 4-5.
roeiden. Het zou voor deze heidenen
gewoon zijn geweest om Jona onmiddellijk overboord te werpen, maar zij
deden het niet. de zee werd hoe langer
hoe onstuimiger, want God was nog niet
bereid Jona het droge te laten bereiken.
Khoser
Poort van de
drinkplaatsen
Isjtartempel
Kar-Mulissipoort
Paleis van
Sanherib
Samaspoort
Kadepoort
Slotgracht
Woestijnpoort
Arsenaalpoort
Tigris
Halzipoort
Arsenaal van Esarhaddon
Handuripoort
Assurpoort
0
1 km
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 6
15/05/14 16.14
7
hSV-Studiebijbel
Tabellen en overzichten
Illustraties
In tabellen en overzichten staat
veel achtergrondinformatie.
Naast het kaartmateriaal staan door heel
de studiebijbel heen verduidelijkende illustraties in de vorm van stambomen, bijbelse
voorwerpen en tijdbalken.
3
jona 1-2
14 Toen riepen zij de HEERE aan en zeiden: Och HE- 4:2
Jona wordt boos over het feit dat God berouw
heeft over het kwaad.
ERE, laat ons toch niet vergaan om het leven van
deze man! Leg geen onschuldig bloed op ons! Want 4:6
De HEERE beschikt een wonderboom om Jona te
bevrijden van zijn kwelling.
U, HEERE, doet zoals het U behaagd heeft.
15 Daarop pakten zij Jona op en wierpen hem in de
zee. En de woedende zee kwam tot bedaren.
Jona’s gebed
16 Toen werden de mannen zeer bevreesd voor de
HEERE; zij brachten de HEERE een slachtoffer en
Toen bad Jona tot de HEERE,, zijn God, vanuit
legden geloften af.
het binnenste van de vis.
17 En de HEERE beschikte een grote vis om Jona op 2 Hij zei:
te slokken. Jona was bdrie dagen en drie nachten in
cIk riep uit mijn benauwdheid
het binnenste van de vis.
tot de HEERE en Hij antwoordde mij.
Uit de schoot van het graf riep ik om hulp,
U hoorde mijn stem.
Het voorkomen van het sleutelwoord ra‘ah (‘kwaad’/‘on3 Want U wierp mij de diepte in, in het hart van
heil’/‘kwelling’) in Jona
de zeeën,
1:2
De HEERE confronteert Jona met het kwaad van
een watervloed omringde mij;
de stad Ninevé .
al Uw dbaren en Uw golven
1:7
De zeelui besluiten het lot te werpen om te wesloegen over mij heen.
ten te komen wie de oorzaak is van het onheil dat
4 En ík zei: Verstoten ben ik
hun overkomt .
van voor Uw ogen;
1:8
De zeelui richten zich tot Jona en vragen zich af
toch zal ik opnieuw aanschouwen
waarom het onheil hun overkomt .
Uw heilige tempel.
3:8
De koning van Ninevé roept de inwoners van de
5 Water omving mij, bedreigde mijn leven,
stad op om zich te bekeren van hun slechte weg.
de watervloed omving mij.
3:10
God ziet dat de Ninevieten zich bekeren van hun
Zeewier was om mijn hoofd gebonden.
slechte weg en krijgt berouw over het kwade dat
6 Naar de diepste gronden van de bergen
Hij hun zou aandoen .
daalde ik af in de aarde;
4:1
Gods genadige houding ten opzichte van Ninevé
haar grendels sloten zich voor eeuwig achter
was kwalijk in de ogen van Jona .
mij.
2
2:5 bedreigde mijn leven - Letterlijk: tot de ziel toe.
b Matt. 12:40; 16:4; Luk. 11:30 c Ps. 120:1 d Ps. 42:8
1:14-15riepen … aan. Nadat elk van
de zeelui tot zijn eigen god had gebeden
(v. 5), bidden ze nu tot de HEERE. De heidense zeelui, en niet Jona, maken zich
zorgen dat mensen vergaan (zie aant.
bij v. 6). doet zoals het U behaagd heeft
klinkt als de liturgische taal uit Ps. 115:3
en 135:6; daarmee belijden de zeelui de
absolute macht van God. Het handelen van de zeelui is in overeenstemming
met dat van God; zoals God de wind op
de zee had geworpen (zie aant. bij Jona
1:4-5) om de storm te doen ontstaan, zo
werpen nu de zeelui Jona om de storm
te doen bedaren (zie v. 12).
1:16werden … zeer bevreesd voor
de HEERE. Wat begon als een gewone
angst (v. 5) groeide tot een grote angst
(v. 10) en mondde uit in vrees voor de
HEERE, wat Zijn verering inhoudt (v. 16).
legden geloften af. Precies de reactie
die verwacht wordt van mensen die de
HEERE vrezen ( 2 Kon. 17:32-36; Ps. 22:6;
61:6; 76:12 ).
1:17-2:10Jona’s dankgebed. Jona’s gebed (2:2b-9) wordt omlijst door een
inleiding (1:17-2:2a) en een afsluiting
( 2:10 ), die beide melding maken van
de ‘vis’.
1:17beschikte. Dit is de eerste
van de vier keer dat er sprake is van
‘beschikken’, wat Gods soevereine
heerschappij over de schepping on-
derstreept (vgl. 4:6-8 ). vis (Hebr. dag)
is niet beperkt tot wat wij tegenwoordig ‘vis’ noemen (over het algemeen
koudbloedige gewervelde waterdieren
met vinnen en kieuwen), maar is een
algemeen woord voor een waterdier dat
niet nader geïdentificeerd kan worden.
Een groot dier als de potvis zou echter gemakkelijk een man in zijn geheel
door kunnen slikken. drie dagen en drie
nachten. Hoewel dit een symbolische
uitdrukking kan zijn voor een tijd van
sterven en weer opstaan (vgl. Hos. 6:2
), is het waarschijnlijker dat hier het
feitelijke aantal dagen – of delen van
drie dagen – beschreven wordt, volgens
de tijdberekening in die dagen (vgl. 1
Sam. 30:12; 2 Kon. 20:5,8). Hoe dan ook
heeft het associaties met de terugkeer
uit de dood. Misschien vergeleek Jezus
daarom Zijn eigen dood en opstanding
met Jona’s tijd in de vis ( Matt. 12:40 ).
2:1Uiteindelijk bad Jona. Hij bad
God niet om de heidense zeelui te redden, maar hij dankte God voor zijn eigen redding. 2:2-9Jona’s gebed is geen
verzoek om gered te worden van de vis,
maar een dankzegging voor zijn redding
door de vis. V. 2 geeft een samenvatting
van het gebed: Jona riep om hulp en God
antwoordde. V. 3-6a gaat verder in op
Jona’s roep om hulp; v. 6b-10 werkt het
antwoord van God nader uit.
2:2de
de schoot van het graf verwijst
naar het dodenrijk (Hebr. sjeool) waar
men binnenging door een poort met
‘grendels’ (zie v. 6 en Job 17:16; 38:17;
Ps. 9:14 ). Jona bad niet letterlijk vanuit
het dodenrijk, maar hij omschrijft zijn
situatie als een bijna-doodervaring (zie
Ps. 30:3-4 ).
2:3-4U wierp mij. Hoewel de zeelui
Jona in zee hadden geworpen ( 1:15 ),
wist hij dat God oppermachtig handelde
door middel van hen. Daarom kan hij
zeggen dat God hem in de zee wierp.
aanschouwen, of ‘kijken naar’, verwijst
naar het aloude gebruik om met het
gezicht in de richting van de tempel te
bidden (zie 2:7; 1 Kon. 8:30, 35, 38, 42;
Dan. 6:11 ).
2:6daalde ik af (zie aant. bij 1:3;
1:4-5). Jona’s afdaling in het dodenrijk
is bijna volledig als hij op de bodem
van de zee bij de diepste gronden van de
bergen komt, waar de poorten van het
dodenrijk (Hebr. sjeool) geacht worden
te zijn. Waar de grendels verwijzen naar
de poorten van het dodenrijk (zie aant.
bij 2:2), verwijst aarde hier naar de verblijfplaats van de doden (zie Ps. 63:10;
Ezech. 26:20; 32:18,24), net zoals verderf
(zie Job 33:22-24; Ps. 49:10; 103:4 ). trok
U. Jona’s handelen verdiende geen redding, zijn redding was alleen te danken
aan genade.
Aantekeningen
Artikelen
Achter in de HSV-Studiebijbel gaan enkele
tientallen artikelen in op bijbelse of bijbelgerelateerde onderwerpen als archeologie, de
Drie-eenheid en de oorspronkelijke talen van
de Bijbel. Enkele Nederlandse auteurs hebben
extra artikelen geschreven over onderwerpen als
‘Apologetiek vandaag’, ‘De Bijbel en muziek’ en
‘Jongeren en bijbelgebruik’.
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 7
De aantekeningen onder aan
de pagina bevatten uitleg van
de bijbeltekst. De vetgedrukte
woorden verwijzen rechtstreeks
naar de bijbeltekst. De uitleg
volgt daarna. De aantekeningen
met een gekleurde ondergrond
gaan over een tekstgedeelte
van meerdere verzen.
15/05/14 16.14
DE BRIEF VAN DE APOSTEL PAULUS
AAN DE
FILIPPENZEN
Inleiding op
Filippenzen
Auteur en titel
Paulus wordt genoemd als de auteur van Filippenzen, hoewel sommigen dit in twijfel trekken.
De brief werd geschreven aan de christenen in de
Romeinse kolonie Filippi.
Datering
De geleerden verschillen van mening over de
vraag waar Paulus zich bevond toen hij Filippenzen schreef. Caesarea, Efeze en Rome worden het
meest genoemd. En inderdaad, Paulus zat op een
gegeven moment gevangen in het ‘pretorium’ (gerechtsgebouw) van Herodes de Grote in Caesarea
(Hand. 23:35; vgl. aant. bij Filipp. 1:13). Dat was
rond het jaar 60. Maar de uitlatingen van Paulus
tegen de Filippenzen over zijn mogelijk ophanden
zijnde dood (in bijvoorbeeld 1:20) zouden raadselachtig zijn als die uit Caesarea waren gekomen,
omdat hij daar had kunnen verzoeken om een berechting in Rome, hetgeen hij feitelijk ook deed.
Efeze lag voor Paulus dicht genoeg bij Filippi om
vandaar regelmatig nieuws te kunnen ontvangen,
maar er wordt nergens melding gemaakt van een
gevangenschap van hem in Efeze. Al met al lijkt het
zeer waarschijnlijk dat de brief ca. 62 vanuit Rome
geschreven is. Dat komt het best overeen met de
vermelding van ‘het pretorium’ (1:13) en ‘het huis
van de keizer’ (4:22).
Thema
Het hoofdthema van Filippenzen is bemoediging:
Paulus wil de Filippenzen aanmoedigen om te leven als burgers van een hemelse ‘kolonie’, wat tot
uitdrukking komt in een toenemende verplichting
om God en elkaar te dienen. De levenswijze die
Paulus stimuleert, was op unieke wijze geopenbaard in Jezus Christus en kwam ook duidelijk uit
in het leven van Paulus, Timotheüs en Epafroditus.
Doel, aanleiding en achtergrond
De gemeente in Filippi was van bijzondere betekenis voor Paulus, omdat dat de eerste gemeente
was die hij in Europa stichtte (zie Hand. 16:6-40).
De eerste bekeerlinge was Lydia, de purperverkoopster. Vrouwen speelden voortdurend een be-
HSV_Fillippenzen_150514.indd 2
langrijke rol in de gemeente van Filippi (bv. Filipp.
4:2). Paulus en Silas hadden daar gevangengezeten
vanwege het uitdrijven van een waarzeggende geest uit een slavin, maar God had hen op wonderbare wijze gered, en toen hadden zij aan de cipier
uit Filippi het Evangelie verkondigd. Paulus had de
Filippenzen na zijn eerste vertrek waarschijnlijk
nog enkele malen bezocht, en zij waren zijn werk
actief blijven steunen (4:15-16).
Paulus schreef aan de Filippenzen vanuit de
gevangenis (zie boven), daartoe gedeeltelijk aangemoedigd door de ontvangst van een gift die
meegegeven was aan Epafroditus (een lid van de
gemeente in Filippi). Maar zijn brief is veel meer
dan een ruim uitgevallen bedankbriefje. Paulus
wilde ook het belangrijke nieuws doorgeven dat
Epafroditus hersteld was van een ernstige ziekte
(2:25-30), en dat hij hem naar hen toe gestuurd
had, in de hoop dat hij ook spoedig Timotheüs
voor een bezoek kon sturen (2:19). Hij noemde
Timotheüs en Epafroditus ook omdat zij een voorbeeld ter navolging waren voor een op Christus
en het Evangelie gericht leven dat hij ook van de
Filippenzen verwachtte.
Zelf wilde Paulus de Filippenzen ook bemoedigen in hun geloof. Zijn gevangenschap bracht
met zich mee dat hij dat alleen maar per brief kon
doen. Zelfs een huisarrest (aangenomen dat Paulus in Rome was, Hand. 28:16) zou een bron van
kwelling geweest kunnen zijn, in het bijzonder
met het vooruitzicht van een dreigend doodvonnis. Daarom wilde Paulus de gemeente ervan verzekeren dat hij vol goede moed was, op grond van
zijn geloof in Christus (Filipp. 1:12-18). Hij wilde
hen graag bedanken voor hun voortdurende steun: gevangenschap betekende een maatschappelijke schandvlek, en het zou voor de Filippenzen
gemakkelijk geweest zijn hem daarom de rug toe
te keren. Zij bleven hem echter trouw.
Toch reikt de bedoeling van Paulus met zijn
brief nog verder. Hij is er vooral in geïnteresseerd
dat de Filippenzen blijven groeien in hun geloof
(1:25). Hoewel er ongetwijfeld conflicten binnen de
gemeente waren (zoals blijkbaar tussen Euodia en
Syntyche, 4:2), lijken de Filippenzen een gezonde
gemeente te vormen, in tegenstelling tot kringen
waar grote onrust heerste, zoals in Korinthe en
Galatië. Kunnen ze dan achterover gaan leunen?
Het antwoord van Paulus is een nadrukkelijk nee.
De wereld is te vol van gevaar en het Evangelie te
verheven dan dat zij tevreden konden zijn met
verworvenheden uit het verleden (3:12-16). Zij
moeten het voorbeeld van Paulus volgen en ‘jagen
15/05/14 15.47
3
Filippenzen
naar het doel: de prijs van de roeping van God, die
van boven is, in Christus Jezus’ (3:14).
Paulus legt uit hoe geestelijke vooruitgang eruit
kan zien. Christelijke volwassenheid is niet het resultaat van bijzondere mystieke inzichten, die maar
voor weinigen weggelegd zijn, maar van het geduldig beoefenen van de gewone deugden van liefde
en dienstbetoon aan anderen. Paulus wijst zichzelf
aan als voorbeeld ter navolging van een dergelijke
levenswandel (1:12-18; 3:17; 4:9), en hij beveelt insgelijks Timotheüs en Epafroditus aan (2:19-30). Maar
het alles overtreffende voorbeeld voor toename in
het geloof is Jezus Zelf, en het middelpunt van heel
Filippenzen is de schitterende ‘lofzang op Christus’
in 2:5-11. Jezus zag vrijwillig af van de privileges van
Goddelijke heerlijkheid door de gestalte van een
slaaf aan te nemen. In liefde aanvaardde Hij zelfs
de uiterste vernedering van het kruis om de wereld
van de zonde te verlossen. Daarom werd Hem de
hoogste eer toegekend en ontving Hij wereldwijde
aanbidding als de Messias van God.
Zij die het voorbeeld van Christus navolgen,
hopen erop dat God het op de dag van Christus
voor hen op zal nemen, en daarom mogen zij
zich verheugen (1:18; 3:1; 4:4). Zij mogen er ook op
vertrouwen dat God hen niet alleen zal laten om
zich zo goed mogelijk door het leven heen te slaan. Geestelijke vooruitgang vraagt inspanning: zij
worden aangemoedigd om ‘te werken aan [hun]
eigen zaligheid met vrees en beven’ (2:12). Zij zijn
daartoe in staat omdat zij weten dat ‘God in [hen]
werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn
welbehagen’ (2:13).
deze Macedonische stad met oorlogsveteranen.
Haar speciale status als kolonie van Augustus
vrijwaarde de stad van bijzondere belastingen en
gaf haar zelfs extra voorrechten op het gebied van
landbezit. De stad was omringd door goede landbouwgrond en lag aan de Egnatische Weg, een
belangrijke Romeinse handelsroute, aangelegd in
het midden van de 2e eeuw v.Chr. Het Romeinse
karakter van de stad als kolonie blijkt uit officiële
stadsinscripties in het Latijn en uit de verering van
Romeinse goden. Archeologische overblijfselen uit
de tijd van Paulus wijzen op de aanwezigheid van
een theater, een groot forum (onder het latere forum uit de 2e eeuw n.Chr.), winkels en twee stadspoorten (genaamd Krenides, aan de westkant,
en Neapolis, aan de oostkant). Op het forum was
er een tribune (Gr. b�ma), uit de 2e eeuw, tussen
twee grote fonteinen. Een kleine stenen crypte
(gebouwd boven een waterreservoir) in de buurt
van het forum werd in de latere kerkelijke traditie
aangewezen als de gevangenis van Paulus en Silas (Hand. 16:23-34). Ook andere gebouwen uit de
nieuwtestamentische en vroegkerkelijke tijd (bv.
een stadion, heidense tempels, resten van kerken
in achthoekige vorm en in de stijl van een basiliek)
zijn in Filippi nog steeds zichtbaar.
Filippi in de tijd van Paulus
(ca. 60 n.Chr.)
De plattegrond van de stad toont bijzonderheden van de stad
Filippi die door archeologen geïdentificeerd zijn als daterend
uit de tijd van Paulus. ‘De gevangenis van Paulus’ wordt niet als
244.PHP.Philippi
in the
Time of Paul
authentiek
beschouwd,
maar was een waterreservoir, dat later
met de christelijke traditie geassocieerd werd.
FILIPPI IN DE TIJD VAN PAULUS (ca. 60 n.Chr.)
Akropolis
De oude stad Filippi
Na hun overwinning in de slag bij Filippi in 42
v.Chr. herbevolkten Antonius en (later) Augustus
Reservoir
(”Paulus’ gevangenis”)
Krenidespoort
Heiligdom
Weg naar de
Gangites Rivier
Neapolispoort
Via Egnatia
243.PHP.Timeline
Tijdlijn
Theater
Forum
* datum bij benadering; / betekent of/of; † zie Het tijdstip van
Jezus’ kruisiging, p. $$
A . D.
Tribunaal
Beek
0
30
35
© Royal Jongbloed
40
45
100
200 m
50
55
60
65
10/4/2014
70
75
80
Dood en opstanding van Christus (33 [of 30] n.Chr.)†
Bekering van Paulus (33/34*)
Paul’us’ eerste bezoek aan Jeruzalem (36/37*)
Paulus’ tweede bezoek aan Jeruzalem (hulp na hongersnood) (44-47*)
Paulus’ eerste zendingsreis (46-47)
Paulus’ derde bezoek aan Jeruzalem (apostelconvent) (48-49*)
Paulus’ tweede zendingsreis (stichting van de gemeente in Filippi) (48/49-51*)
Paulus’ derde zendingsreis (52-57*)
Paulus leeft onder huisarrest in Rome (62*)
Paulus ontvangt een gift van en schrijft een brief aan de Filippenzen (62*)
Paulus sterft de marteldood in Rome (64-67*)
* datum bij benadering; / betekent of/of; † zie Het tijdstip van JE ZU S ’ K RU ISIG IN G , P . $$
HSV_Fillippenzen_150514.indd 3
15/05/14 15.47
Filippenzen
4
Kernthema’s
1. Christenen moeten groeien in hun
geestelijk leven.
1:12, 25; 3:12-16
2. Een gezonde geestelijke verwachting is voor vooruitgang in het geloof
van het grootste belang.
1:5-11; 2:1-11; 3:7, 15;
4:7-9
3. Christus is het alles overtreffende
voorbeeld van liefhebbend en trouw
dienen van God, maar volwassen
christenen kunnen in dit opzicht ook
als identificatiemodel fungeren.
1:12-26;
2:5-11, 19-30;
3:3-17; 4:9
4. Er zal lijden komen, maar door het
geloof kan dit met vreugde doorstaan
worden.
1:12-26; 2:14-15;
4:4, 11-13, 19
5. Het gebed is van doorslaggevend
belang om een vreugdevol christelijk
leven te kunnen leiden.
1:3-11; 4:5-7
6. Het Evangelie maakt niet individualistisch; christenen moeten ruimhartig
en mild met elkaar omgaan en zich als
een echte gemeenschap dienend inzetten om het Evangelie te verbreiden.
1:4, 7, 24-27;
2:1-4, 19-30;
4:2-4 , 14
7. Het oude verbond en de onderhouding van de wet kunnen niet dienen
om in de rechte verhouding tot God
te komen. Gelovigen kunnen alleen
gered worden door het geloof in Jezus
Christus.
3:2-10
8. Jezus is volledig God en volledig
mens. Op grond van Zijn lijden aan
het kruis is Hij nu verhoogd als Heere
en Christus.
2:5-11
Met zijn beeldend taalgebruik wordt de lofzang op
Christus in 2:5-11 algemeen beschouwd als een van
de oudste lofliederen of belijdenissen van de christelijke kerk. De brief bevat stijlmiddelen als aforismen, metaforen en poëzie om het geschrevene
kracht bij te zetten.
In heel Filippenzen overheerst een blije, bijna
uitbundige stemming (de woorden ‘blijdschap’ en
‘verblijden’ keren telkens terug). Het laat een sterke
persoonlijke band zien tussen de auteur en de ontvangers – die relatie is vanaf het begin van de brief
tot het einde herkenbaar. Verder legt Paulus vaak
verband tussen het verlossingswerk van Christus
en het dienen van God door Zijn volgelingen, die
worden opgeroepen om te leven en te sterven naar
het voorbeeld van het lijden, de dood, de opstanding en de glorieuze verheerlijking van Jezus Zelf.
De historische achtergrond van Filippenzen
(ca. 62 n.Chr.)
Paulus schreef zijn brief aan de Filippenzen vanuit een gevangenis, waarschijnlijk in Rome. Filippi lag aan de beroemde
Egnatische Weg en was de plek van een belangrijke militaire
overwinning van keizer Augustus. Het werd daarom aangewezen als Romeinse kolonie, wat inhield dat er vrijstelling was
van belasting. Veel veteranen trokken erheen om zich daar te
245.PHP.The
Setting
ofstad
Philippians
vestigen.
Filippi was
de eerste
in het huidige Europa waar
Paulus een gemeente stichtte.
Via Egnatia
Berea
Filippi
Troas
Syracuse
Korinthe
Mid
Efeze
dell
Cyrene
Literaire kenmerken
HSV_Fillippenzen_150514.indd 4
Apollonia
Zwarte Zee
Thessalonica
God werkt in de Filippenzen in overeenstemming
met het volbrachte werk van Christus, Die de beloften uit het Oude Testament tot vervulling heeft
gebracht (vgl. 2 Kor. 1:20). (Zie voor een uitleg van
de heilsgeschiedenis het Overzicht van de Bijbel,
p. $$.)
In Filippenzen vinden we veel van de gebruikelijke kenmerken uit de andere brieven van Paulus.
De groet, de dankzegging, het gebed, de kern, de
paraenesis (een reeks vermaningen), de groet en
de zegenbede, ze zijn allemaal makkelijk herkenbaar. Tegenwoordig zou je Filippenzen een missionaire bemoedigingsbrief kunnen noemen. Paulus
schrijft aan mensen die zijn werk als apostel voor
de heidenen met gebed en financiële hulp steunen. Paulus van zijn kant verzekert de Filippenzen
dat hij voor hen bidt. Hij brengt hen op de hoogte
van zijn persoonlijke omstandigheden, doet verslag van de resultaten van de verbreiding van het
Evangelie in zijn omgeving, geeft geestelijke bemoediging en bedankt hen uitvoerig voor de vele
manieren waarop zij zijn werk als apostel steunen.
Tessalonica
Rome
Samenvatting van de heilsgeschiedenis
Filippi
Neapolis
Amfipolis
Pella
0
400
800 km
Ikonium
Kolosse
Tarsus
Antiochië
Pafos
and
se Z
ee
Caesarea
Jeruzalem
Alexandrië
Overzicht
© Royal Jongbloed
10
I. Groet en gebed (1:1-11)
A. Begroeting door Paulus en Timotheüs (1:1-2)
B. Het dankwoord van Paulus en zijn
gebed voor de Filippenzen (1:3-11)
II. Paulus’ bespiegelingen over
zijn gevangenschap (1:12-30)
A. Paulus’ gevangenschap heeft geleid tot
bevordering van het Evangelie (1:12-18)
B. Het leven is voor mij Christus (1:19-26)
C. Aanmoediging om overeenkomstig
het Evangelie te leven (1:27-30)
15/05/14 15.48
5
III. Aansporing tot nederig dienen (2:1-30)
A. Oproep tot eenheid in geloof en
dienstbetoon aan elkaar (2:1-4)
B. Christus’ voorbeeld van nederig dienen (2:5-11)
C. Leven als het licht voor de wereld (2:12-18)
D. Timotheüs als voorbeeld van een
dienend leven (2:19-24)
E. Epafroditus ook als voorbeeld
van dienstbetoon (2:25-30)
IV. Tegenstanders van het Evangelie: Waar
komt gerechtigheid vandaan? (3:1-21)
A. De eerste oproep om zich in de
Heere te verblijden (3:1)
B. De tegenstelling tussen de
tegenstanders van het Evangelie en
het ware volk van God (3:2-3)
HSV_Fillippenzen_150514.indd 5
Filippenzen
C. Paulus doet afstand van zijn geestelijke
en etnische privileges ter wille van
het kennen van Christus (3:4-11)
D. De vorderingen van Paulus in het Evangelie:
door Christus, niet door de wet (3:12-16)
E. Een oproep om het voorbeeld van
Paulus in toewijding aan Jezus als
Heere na te volgen (3:17-21)
V. Afsluitende aansporingen
en dankzegging (4:1-23)
A. Samen strijden voor het Evangelie (4:1-3)
B. Blijdschap in het geloof (4:4-9)
C. Dank voor de gift van de Filippenzen;
Paulus vindt voldoening in God (4:10-20)
D. Afscheidsgroet (4:21-22)
E. Zegenbede (4:23)
15/05/14 15.48
Filippenzen 1
6
Afzenders, geadresseerden, groet
1 Paulus en Timotheüs, dienstknechten van
Jezus Christus, aan al de heiligen in Christus
Jezus die in Filippi zijn, met de opzieners en diakenen:
2 agenade zij u en vrede van God, onze Vader, en
van de Heere Jezus Christus.
Dankzegging en voorbede
3 bIk dank mijn God, telkens wanneer ik aan u denk
4 – in elk gebed van mij voor u allen bid ik altijd
met blijdschap –
5 vanwege uw gemeenschap aan het Evangelie, van
de eerste dag af tot nu toe.
6 Ik vertrouw erop dat Hij Die in u ceen goed werk
begonnen is, dat voltooien zal tot op de dag van
Jezus Christus.
7 Het is immers voor mij terecht dat ik dit van u
allen denk, omdat ik u allen in mijn hart heb als
deelgenoten van mijn genade, zowel din mijn gevangenschap als in de verdediging en bevestiging
van het Evangelie.
8eWant God is mijn Getuige hoe vurig ik naar u
allen verlang, met de innige gevoelens van Jezus
Christus.
9 En dit bid ik dat uw liefde nog steeds overvloediger wordt in kennis en alle fijngevoeligheid,
10 opdat u kunt onderscheiden wat wezenlijk is, opdat u oprecht bent en zonder aanstoot te geven tot
de dag van Christus,
11 vervuld met vruchten van gerechtigheid, die
door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en lof van
God.
De vrucht van Paulus’ gevangenschap
12 En ik wil dat u weet, broeders, dat wat er met mij
is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend,
a Rom. 1:7; 1 Petr. 1:2 b Efez. 1:15; Kol. 1:3; Kol. 1:2; Kol. 1:3 c Joh. 6:29; Joh. 1:3 d Efez. 3:1; 4:1; Kol.
4:3, 18; 2 Tim. 1:8 e Rom. 1:9; 9:1; 2 Kor. 1:23; 11:31; Gal. 1:20; Gal. 2:5; 1 Tim. 5:21; 2 Tim. 4:1 1:1-11Groet en gebed. Paulus groet zijn
lezers en spreekt zijn dankbaarheid (v.
3-6) en genegenheid (v. 7-8) voor hen
uit, gevolgd door een gebed dat hun
liefde overvloedig mag zijn en dat ze
in heiliging mogen toenemen (v. 9-11).
1:1-2Begroeting door Paulus en Timotheüs. Paulus geeft samen met Timotheüs de gebruikelijke vroegchristelijke groet van genade en vrede. Paulus
noemt zich geen apostel maar duidt
Timotheüs en hemzelf aan als dienstknechten. De nadruk op het dienen
zet de toon voor de rest van de brief.
Deze nadruk wordt in het bijzonder in
verband gebracht met de vernedering
van Christus Jezus (2:5-11). Het is onduidelijk wat de functie van opzieners
en diakenen precies is geweest. De eersten zijn mogelijk ouderlingen die met
het geestelijk opzicht in de gemeente
belast zijn (vgl. Hand. 14:23 [met aant.];
20:17, 28; 1 Tim. 3:1-7; Tit. 1:5-9; Jak. 5:14;
1 Petr. 5:1-4), de anderen kunnen belast
geweest zijn met praktisch dienstbetoon (vgl. Hand. 6:1-7; 1 Tim. 3:8-13).
1:3-11Het dankwoord van Paulus en zijn
gebed voor de Filippenzen. De brieven
van Paulus beginnen vaak met dankzegging en gebed. In dit geval helpt
het gebed om de hoofdthema’s van de
brief te bepalen.
1:3-5Paulus bidt met blijdschap
voor de Filippenzen. Blijdschap is blijkens hs. 4 een kernbegrip. Die blijdschap komt voort uit hun gemeenschap
aan het Evangelie, wat niet alleen betrekking heeft op hun financiële steun
aan de apostel (4:15-16), maar ook op
hun grote persoonlijke bezorgdheid om
zijn welzijn.
1:6Paulus is ervan overtuigd dat
God met de Filippenzen bezig is. De
HSV_Fillippenzen_150514.indd 6
basis voor geestelijke groei ligt in de
erkenning dat het God is Die een goed
werk in hen begonnen is en dat Hij dat
ook voltooien zal. Echte geestelijke groei
is geworteld in dat wat God gedaan
heeft, in wat Hij doet en in wat Hij nog
zál doen. Zijn trouw is de garantie dat
Hij met de gelovigen zal zijn tot de wederkomst van Christus (de dag van Jezus
Christus; vgl. 2:16; 1 Thess. 5:2-11; 2 Petr.
3:10-13; Openb. 20:11-21:8). Zij mogen
erop vertrouwen dat de God Die hen
gered heeft, hen niet los zal laten en dat
zij hun eeuwig loon zullen ontvangen.
1:7-8Opnieuw geeft Paulus uiting
aan zijn innige gevoelens jegens de Filippenzen en aan de verbondenheid met
elkaar, die zij door Gods genade mogen
ervaren. De gevangenschap van Paulus
moet in de oude wereld een oorzaak
van grote schande geweest zijn, maar
de Filippenzen bleven desondanks solidair met hem. Dit was voor hem ongetwijfeld een bemoediging om degenen
die hem gevangengenomen en berecht
hadden, ook in de blijde boodschap te
laten delen.
1:9-11Het eerste verzoek in het
gebed van Paulus is of God ervoor wil
zorgen dat de voornaamste christelijke
deugd, de liefde, nog steeds overvloediger zal worden, en dat die gepaard zal
gaan met kennis en alle fijngevoeligheid,
zodat de liefde van de Filippenzen tot
uiting zal komen in verstandig handelen, dat zal dienen tot welzijn van anderen en tot eer van God. Als christenen
meer beseffen wat het betekent om Jezus te volgen, zullen zij des te beter in
staat zijn te beamen en te doen wat wezenlijk is. Een dergelijke blijde gehoorzaamheid aan God zal hun het vertrouwen geven oprecht en zonder aanstoot
bevonden te worden bij de wederkomst
van Christus. Dat betekent geen onmiddellijke geestelijke volmaaktheid, maar
een toegroeien naar een gelijkenis met
Christus. De vruchten van gerechtigheid
worden door de gelovige niet in eigen
kracht voortgebracht. Omdat die vruchten door Jezus Christus zijn, zullen zij
heerlijkheid en lof van God tot gevolg
hebben.
1:12-30Paulus’ bespiegelingen over zijn
gevangenschap. Paulus verzekert de Filippenzen dat, ondanks zijn gevangenschap, het Evangelie toch steeds verder
verbreid zal worden (v. 12-18). Hij vertrouwt er met blijdschap op dat hij, wat
er verder ook mag gebeuren, bevrijd
zal worden en dat Christus verheerlijkt
zal worden, aangezien voor hem het
leven Christus is en het sterven winst
(v. 19-26). Paulus moedigt zijn lezers
aan om overeenkomstig het Evangelie
te leven, zelfs als dat gepaard gaat met
lijden (v. 27-30).
1:12-18Paulus’ gevangenschap heeft
geleid tot bevordering van het Evangelie. Paulus beseft dat de Filippenzen
bedroefd zijn over zijn gevangenschap.
Daarom bemoedigt Hij hen door erop
te wijzen dat de omstandigheden
waarin hij verkeert de verbreiding van
het Evangelie bevorderen. Zijn blijdschap in moeilijke omstandigheden
is bedoeld als een voorbeeld voor de
Filippenzen om eveneens blij te zijn,
zelfs in moeilijke tijden. Bovendien
moet Paulus’ welwillende houding ten
opzichte van medegelovigen die het
hem moeilijk maken, voor de Filippenzen ook als een voorbeeld dienen, want
het is duidelijk dat er in de gemeente
sprake is van een bepaalde mate van
onenigheid (4:2-3).
15/05/14 15.48
7
Filippenzen 1
13 zodat in het hele gerechtsgebouw en aan alle
overigen bekend is geworden dat ik een gevangene
ben om Christus’ wil,*
14 aen dat het merendeel van de broeders in de Heere door mijn gevangenschap vertrouwen heeft
gekregen om het Woord nog overvloediger onbevreesd te durven spreken.
15 Sommigen prediken weliswaar Christus uit afgunst en ruzie, maar anderen ook uit welwillendheid.
16 De eersten verkondigen Christus wel uit eigenbelang, niet zuiver, met de bedoeling aan mijn gevangenschap verdrukking toe te voegen,
17 maar de laatsten uit liefde, omdat zij weten dat ik
tot verdediging van het Evangelie aangesteld ben.
18 Maar wat dan nog? Toch wordt Christus op allerlei wijze verkondigd, of het nu als een voorwendsel
is of in waarheid; en daarover verblijd ik mij, ja, zal
ik mij ook verblijden.
Heengaan of blijven
19 bWant
ik weet dat dit mij tot zaligheid strekken
zal, door uw gebed en de ondersteuning van de
Geest van Jezus Christus,
20 overeenkomstig mijn reikhalzend verlangen en
hoop cdat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal
worden, maar dat in alle vrijmoedigheid, zoals altijd, Christus ook nu grootgemaakt zal worden in mijn
lichaam, of het nu door het leven is of door de dood.
21 Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst.
22 Maar blijf ik leven in het vlees, dan betekent dit
voor mij vruchtbaar werk;* en wat ik verkiezen zal,
weet ik niet.
23 Want ik word door deze twee gedrongen: ik heb
de begeerte om heen te gaan* en bij Christus te
zijn, want dat is verreweg het beste,
1:13 dat ik ... wil - Letterlijk: mijn banden in Christus. 1:22 vruchtbaar werk - Letterlijk: vrucht van werk 1:23 heen te gaan - Letterlijk: losgemaakt te worden.
a Efez. 3:13; Efez. 3:3 b 2 Kor. 1:11 c Rom. 5:5 1:12Het woord dat Paulus gebruikt
voor de bevordering van het Evangelie
(Gr. prokopēn) is hetzelfde woord als dat
wat hij in v. 25 gebruikt voor de ‘vordering’ van de Filippenzen in hun geloof.
Hij onderstreept daarmee het belang
om Gods Koninkrijk te bevorderen en
niet te blijven hangen in problemen van
verleden of heden.
1:13Het Evangelie heeft voortgang
gevonden omdat Paulus in het hele gerechtsgebouw (Gr. praitōrion) heeft laten
weten dat hij alleen maar gevangenzit
omdat hij Jezus als Heere belijdt. Het Latijnse woord praetorium kan zowel op de
residentie van de gouverneur slaan als
bij uitbreiding op de bewoners daarvan.
Zij die van mening zijn dat Paulus vanuit
Caesarea schreef, zullen het woord in
die laatste betekenis opvatten (zie Hand.
23:35). (Zie Inleiding: Datering.)
1:15-18De identiteit van degenen
die Christus uit afgunst en ruzie prediken is moeilijk vast te stellen. Zij staan
blijkbaar vijandig tegenover Paulus, en
men kan daarom vermoeden dat het om
dezelfde ‘judaïsten’ gaat als die waarover hij het in hs. 3 heeft. Maar het is
moeilijk in te zien hoe Paulus zich kon
verblijden over de verkondiging van iets
(nl. terugkeer tot het oude verbond) wat
hij beschouwde als verraad van het
Evangelie (zie m.n. de brief aan de Galaten). Het is waarschijnlijker dat deze
mensen andere christenen waren die
een over het algemeen gezond Evangelie predikten, maar een persoonlijke
grief tegen Paulus hadden. Misschien
hebben zij hem afgewezen vanwege zijn
mindere oratorische vaardigheden (zie 1
Kor. 1-2) of vanwege zijn voortdurende
lichamelijke zwakheid (zie 2 Korinthe).
Wat hun beweegredenen ook waren, zij
werden niet gedreven door liefde, maar
alleen door de wens om Paulus op de
een of andere manier af te troeven. Maar
HSV_Fillippenzen_150514.indd 7
Paulus kwam, net als Jezus, niet op voor
zijn eigen belangen (vgl. Filipp. 2:4), en
daarom zal hij, zolang het Evangelie
voortgang vindt, zich ‘verblijden’.
1:19-26Het leven is voor mij Christus.
Paulus geeft uitdrukking aan de basis van zijn vertrouwen dat hij uit de
gevangenis vrijgelaten zal worden
(zie aant. bij v. 12-30). Hij verzekert de
Filippenzen dat hij in leven zal blijven
om hen te dienen.
1:19Paulus, die gebeden heeft
voor de Filippenzen, roept hen nu op
tot gebed voor zíjn zaligheid (Gr. sōtēria,
‘bevrijding’). Dit woord kan betekenen:
bevrijding uit de gevangenis (zo vatten
sommige exegeten het op), maar het kan
ook verlossing betekenen in de zin van
de uiteindelijke eeuwige zaligheid (zo
vatten anderen het op). Waarschijnlijk
maakt Paulus hier welbewust gebruik
van een vorm van dubbelzinnigheid, gezien het feit dat hij het in de voorgaande
verzen over zijn gevangenschap heeft
(zie v. 12-14) en gezien de gerichtheid op
de eeuwigheid in de verzen die hierna
volgen (bv. het verlangen van Paulus ‘om
heen te gaan en bij Christus te zijn, want
dat is verreweg het beste’; v. 23). De
spanning tussen tijdelijke bevrijding en
eeuwige verlossing is in heel deze passage goed merkbaar (v. 19-26), en komt
vooral duidelijk uit in de woorden van
Paulus in v. 20: ‘door het leven of door
de dood’ (in v. 23: ‘ik word door deze
twee gedrongen’. Paulus lijkt te zinspelen op zijn tijdelijke bevrijding, maar zijn
verlangen naar de eeuwige verlossing
is ‘verreweg het beste’ (v. 23). In dit opzicht zinspeelt Paulus in deze passage
op Job 13:13-18, waar Job duidelijk over
zijn uiteindelijke bestemming spreekt.
En Paulus spreekt over zijn hoop om niet
beschaamd te worden, wat elders ook in
verband gebracht wordt met het Laatste
Oordeel (vgl. Rom. 5:4-5). Paulus wil de
Filippenzen in elk geval laten weten dat
hij, ook als zijn tijdelijke bevrijding uit
de gevangenis niet doorgaat en hij geëxecuteerd zal worden, toch door God
‘gered’ zal worden en het eeuwige leven
zal verkrijgen.
1:20Het gaat Paulus ten diepste
niet om leven of dood. Het gaat erom
een trouwe getuige van Christus te
blijven. of door de dood geeft aan dat
Paulus zelfs door de manier waarop hij
zal sterven Christus hoopt te eren.
1:21Paulus streeft in zijn eigen
leven niet naar zijn eigen gemak of
levensverbetering. Het gaat om de
vooruitgang van het Koninkrijk van
Christus: leven komt neer op het dienen van Christus. In feite zou sterven
als winst gezien moeten worden, omdat
dat zou betekenen dat Paulus bevrijd
zou worden van zijn moeitevolle leven
op aarde en zich zou kunnen verblijden
in de nabijheid van Christus.
1:22-26In het licht van v. 21 wordt
Paulus ertoe gedrongen te kiezen tussen
leven of dood. Bij Christus zijn zou nu
aantrekkelijker voor hem zijn, maar in
leven blijven (in het vlees) zou hem in
staat stellen de Filippenzen verder te
helpen in hun eigen geestelijke groei.
Omdat Paulus weet dat de weg van Jezus de weg van het dienen is (vgl. 2:511), ‘vertrouwt’ hij erop dat zijn eigen
voorkeur zal moeten wijken, zodat hij
zal blijven leven en bij de Filippenzen zal
blijven, tot hun vordering en blijdschap
van het geloof. Paulus denkt niet alleen
na over zijn eigen situatie, maar biedt de
Filippenzen ook een voorbeeld van een
door dienen gedreven leven.
1:23ik heb de begeerte om heen te
gaan en bij Christus te zijn geeft aan dat
christenen na hun dood onmiddellijk bij
Christus zijn, lang voordat hun lichaam
opstaat uit de dood (zie aant. bij 1 Kor.
15:23)
15/05/14 15.48
Filippenzen 1-2
8
24 maar in het vlees te blijven is noodzakelijker
voor u.
25 En dit vertrouw en weet ik dat ik zal blijven leven
en bij u allen zal blijven tot uw vordering en blijdschap van het geloof,
26 opdat uw roemen in Christus Jezus overvloedig is
door mij, door mijn hernieuwde aanwezigheid bij u.
Opwekking tot standvastigheid
1:18
verblijdt zich dat Christus wordt verkondigd
1:25
zal in leven blijven, tot blijdschap van het geloof
van de Filippenzen
2:2
vraagt de Filippenzen zijn blijdschap volkomen
te maken
2:17-18
is verblijd en verblijdt zich met de Filippenzen
2:28
stuurt Epafroditus opdat de Filippenzen zich
kunnen verblijden
2:29
roept de Filippenzen op om Epafroditus met
blijdschap te ontvangen
27 aAlleen, wandel het Evangelie van Christus waar-
roept de Filippenzen op om zich te verblijden in
dig, opdat ik, of ik nu kom en u zie of dat ik afwezig 3:1
de Heere
ben, van uw zaken mag horen dat u vaststaat in één
geest, en dat u samen eensgezind strijdt door het 4:1
betuigt de Filippenzen dat zij zijn blijdschap zijn
geloof in het Evangelie,
4:4
roept de Filippenzen tweemaal op om zich in de
28 en dat u zich in geen enkel opzicht schrik laat
Heere te verblijden
aanjagen door de tegenstanders. Voor hen is dit 4:10
is verblijd in de Heere, omdat de Filippenzen
een duidelijk teken van verderf, maar voor u van
steeds aan hem gedacht hebben
zaligheid, en dat van God uit.
29 Want aan u is het uit genade gegeven in de zaak
van Christus niet alleen in Hem te geloven, maar Oproep tot eensgezindheid en ootmoed
ook voor Hem te lijden,
Als er dan enige bemoediging is in Christus,
30 omdat u dezelfde strijd hebt als die u bij mij geals er enige troost is van de liefde, als er enige
zien hebt en nu van mij hoort.
gemeenschap is van de Geest, als er enige innige
Blijdschap en zich verblijden in Filippenzen
gevoelens en ontfermingen zijn,
2 maak dan mijn blijdschap volkomen, doordat u
tekst
Paulus …
beensgezind bent, dezelfde liefde hebt, één van ziel
1:4
bidt met blijdschap
bent en één van gevoelen.
2 a Gen. 17:1; 1 Kor. 7:20; Efez. 4:1; Kol. 1:10; Kol. 2:12; 4:1 b Rom. 12:16; 15:5; 1 Kor. 1:10; Filipp. 3:16; 1 Petr. 3:8
1:27-30Aanmoediging om overeenkomstig het Evangelie te leven. Het offer van
Paulus zou niet veel betekenen, als de
Filippenzen niet door zouden gaan
‘waardig het Evangelie van Christus te
wandelen’.
1:27De woorden het Evangelie
… waardig zijn een vertaling van het
Griekse politeuesthe. Het kan ook vertaald worden met ‘gedraag je als burgers
die [het Evangelie van Christus] waardig
zijn’, wat past bij het woordenspel van
Paulus hier en in 3:20 (‘ons burgerschap
[Gr. politeuma ] is in de hemelen’). Filippi
was er trots op een Romeinse kolonie
te zijn, die de eer en het privilege van
het Romeinse staatsburgerschap bood.
Paulus herinnert de gemeente eraan dat
zij zich moeten richten naar Christus
en niet naar de keizer als voorbeeld
voor hun gedrag, omdat hun toewijding primair op God en Zijn Koninkrijk
gericht moet zijn. Zij moeten elkaar
steunen en met Paulus ‘strijden’ voor
het Evangelie. De nadruk van Paulus op
eensgezindheid zou kunnen wijzen op
enige verdeeldheid in de gemeente van
Filippi (vgl. 4:2-3). Mogelijk is die verdeeldheid de reden dat hij in het begin
van zijn brief wijst op de ‘opzieners en
diakenen’ (1:1), want die behoren hun
dienstwerk zo te verrichten dat het de
eenheid bevordert.
1:28Als de Filippenzen moedig
blijven tegenover hun tegenstanders,
HSV_Fillippenzen_150514.indd 8
dan zullen die tegenstanders beseffen dat een dergelijke opvallend grote
kracht alleen van God kan komen, en
dat ieder die zich blijft verzetten tegen het volk van God rijp is voor het
verderf. ‘Verderf’ (Gr. apōleia) betekent
hier het eeuwige verderf. Het gaat hier
dan ook om andere tegenstanders
dan degenen die Paulus in v. 15-18
lastigvielen; daar leek het om christenen te gaan. Het gaat ook om een
andere stad, want Paulus spreekt hier
over wat er gebeurt in Filippi, terwijl
hij het in v. 15-18 (waarschijnlijk) had
over tegenstand in Rome. Maar Gods
genade, die kracht geeft in moeilijke
omstandigheden, zal de gelovigen de
zekerheid geven van hun uiteindelijke zaligheid. Paulus sluit hier aan bij
het onderwijs van Jezus (Matt. 5:1012) door hen eraan te herinneren dat
vervolging er een bewijs van is dat zij
bij Christus horen.
1:29-30Er zullen moeilijkheden
komen, want de realiteit is dat wie in
Christus geloven voor Hem zullen lijden. Paulus leert dat zowel lijden als
geloof gaven van God zijn. Beide zijn u
uit genade gegeven, zegt Paulus. Lijden
voor de zaak van Christus is een groot
voorrecht (zie Matt. 5:10-12; Hand. 5:41).
Nogmaals stelt Paulus zichzelf tot voorbeeld van iemand die zijn blijdschap
behouden heeft ondanks dat hij met
dezelfde strijd te maken heeft gehad
(d.w.z. tegenstand door vijandige ongelovigen).
2:1-30Aansporing tot nederig dienen.
Paulus roept de Filippenzen op eensgezind te zijn in liefde en nederigheid
(v. 1-4), zoals Christus het voorbeeld
heeft gegeven in nederig dienstbetoon
(v. 5-11). Zij moeten leven als een licht
voor de wereld (v. 12-18), zoals Timotheüs (v. 19-24) en Epafroditus (v. 2530), de trouwe dienaars van Christus.
2:1-4Oproep tot eenheid in geloof en
dienstbetoon aan elkaar. Paulus moedigt de Filippenzen aan om hun leven
in Christus en de Geest eensgezind te
leven.
2:1-2Paulus twijfelt er niet aan
dat bemoediging, gemeenschap van de
Geest, innige gevoelens en ontfermingen
wezenlijk zijn in Christus en dat zij in de
gemeente in Filippi aanwezig zijn. Hij
gebruikt een voorwaardelijke zin (als)
om de Filippenzen uit te dagen erover
na te denken of deze eigenschappen in
hun leven zichtbaar zijn. De gelovigen
in Filippi moeten ervoor zorgen dat zij
voortgang boeken op het terrein van
naastenliefde, een absolute vereiste.
Paulus benadrukt dat zij eensgezind
moeten zijn. Dit betekent geen kleurloze geestelijke gelijkvormigheid, maar
het gebruikmaken van de verschillende
gaven (vgl. 1 Kor. 12) door op een plezierige manier samen te werken, gericht op
de heerlijkheid van God.
15/05/14 15.48
9
Filippenzen 2
3 Doe
niets uit eigenbelang of eigendunk, amaar
laat in nederigheid de een de ander voortreffelijker
achten dan zichzelf.
4 bLaat eenieder niet alleen oog hebben voor wat
van hemzelf is, maar laat eenieder ook oog hebben
voor wat van anderen is.
Lofzang op Christus
5 cLaat
6 dDie,
hoewel Hij in de gestalte van God was, het
niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te
zijn,
7 emaar Zichzelf ontledigd heeft fdoor de gestalte
van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.
8 gEn in gedaante als een mens bevonden, heeft Hij
Zichzelf hvernederd en is gehoorzaam geworden,
tot de dood, ja, tot de kruisdood.
daarom die gezindheid in u zijn die ook in
Christus Jezus was,
a Rom. 12:10; 1 Petr. 5:5 b 1 Kor. 10:24; 13:5 c Matt. 11:29; Joh. 13:15; 1 Petr. 2:21; 1 Joh. 2:6 d 2 Kor. 4:4;
Kol. 1:15; Hebr. 1:3 e Ps. 8:6 f Matt. 20:28; Joh. 13:14 g Hebr. 2:14, 17; 4:15 h Hebr. 2:9; 12:2
2:3-4Er is altijd de verleiding om
zich te gedragen als de tegenstanders
van Paulus in 1:17 en te handelen uit eigenbelang, gericht op eigen voordeel.
Een dergelijke eigendunk (lett. ‘verwaandheid’) kan bestreden worden
door de ander voortreffelijker te achten
dan zichzelf. Paulus beseft dat iedereen
van nature gericht is op wat van hemzelf
is. De oplossing is diezelfde gerichtheid
ook te tonen voor wat van anderen is.
Een dergelijke radicale liefde is zeldzaam. Daarom laat Paulus zien dat dit
volledig waarheid geworden is in het
leven van Christus (2:5-11).
2:5-11Christus’ voorbeeld van nederig
dienen. Dit gedeelte wordt wel ‘de
lofzang op Christus’ genoemd. Paulus
beschrijft het voorbeeld van Christus
in een levendig gedicht, dat ingaat
op Zijn pre-existentie, menswording,
dood, opstanding en hemelvaart
naar de rechterhand van God. Paulus
schreef deze schitterende geloofsbelijdenis om de Filippenzen aan te
moedigen de belangen van anderen
hoger te achten (zie v. 4). Jezus is het
voorbeeld van ware geestelijke groei:
geen zelfverheerlijkende strijd om de
macht, maar een innige liefde voor God
en de naaste, uitkomend in daden van
dienstbetoon. De v. 6-11 wijzen hier en
daar duidelijk op een poëtische structuur, zodat sommigen denken dat
dit een al bestaand lied was dat door
Paulus overgenomen is. Maar net zo
waarschijnlijk is het dat Paulus dit lied
juist voor deze gelegenheid geschreven heeft. Met betrekking tot de talloze
theologische vragen die deze verzen
oproepen is het van groot belang twee
dingen in het oog te houden: (1) deze
verzen zijn niet geschreven om een
theologisch debat uit te lokken, maar
om aan te sporen tot meer nederigheid
en liefde; en (2) de samenvatting van
Christus’ leven en dienstbetoon die we
hier aantreffen is niet uniek; dezelfde
thema’s treft men overal in het NT aan.
2:5De gezindheid van de gelovige
moet zich richten op het juiste voorbeeld
om een leven voor God te leven. Er is
enig verschil van mening of deze geestesgesteldheid iets is wat christenen
ontvangen op grond van hun verenigd
zijn met Christus (sommige vertalingen
hebben: die de uwe is in Christus Jezus),
HSV_Fillippenzen_150514.indd 9
of dat zij haar grond vindt in het voorbeeld van Christus (die ook in Christus
Jezus was). (In het Grieks staat hier geen
werkwoord; de vertaler moet ‘is’ of ‘was’
aanvullen.) In het kader van het in deze
brief steeds terugkerende thema van
een identificatiefiguur voor het gedrag
(Jezus, Paulus, Timotheüs en Epafroditus
worden als voorbeelden ter navolging
genoemd) zijn vele exegeten tot de laatste interpretatie geneigd. Beide opvattingen zijn theologisch verantwoord. Het
centrale thema van v. 1-5 is in elk geval
hetzelfde: de gemeente van Filippi moet
eensgezind zijn (v. 2), dezelfde liefde (v.
2) en nederigheid (v. 3) bezitten en oog
hebben voor wat van anderen is (v. 4).
2:6Voorafgaand aan Zijn menswording was Christus in de gestalte van God
(Gr. morphē theou). Ondanks de aanname
door sommige geleerden van het tegendeel is het de meest natuurlijke interpretatie dat dit slaat op de ‘pre-existentie’
van Christus. Hij, de eeuwige Zoon,
was reeds bij de Vader (Joh. 1:1; 17:5, 24)
voordat Hij geboren werd in Bethlehem.
‘Gestalte’ betekent hier de werkelijke en
precieze aard van iets; dat wat alle kenmerken en eigenschappen van iets heeft.
‘In de gestalte van God’ betekent dus
net zoiets als aan God gelijk … zijn (Gr.
isa theō), wat in lijnrechte tegenstelling
staat tot ‘de gestalte van een slaaf’ (v. 7).
De Zoon van God was en is altijd God.
‘Gestalte’ kan ook aangeven dat Christus
het alles overtreffende beeld van God
is, ‘de afdruk van Zijn zelfstandigheid’
(Hebr. 1:3). Het kan er ook op wijzen dat
Hij de zichtbare uitdrukking is van Gods
onzichtbare heerlijkheid (Kol. 1:15). Het is
treffend dat Christus er niet van uitging
dat Zijn ‘aan God gelijk zijn’ (wat Hij al
bezat) Hem ertoe zou brengen daar ook
ten volle gebruik van te maken. Het was
niet iets wat door roof verkregen, behouden en in eigen voordeel gebruikt
moest worden. In plaats daarvan had
Hij de geestesgesteldheid van dienstbetoon. ‘Christus heeft niet Zichzelf behaagd’ (Rom. 15:3). In ootmoed achtte Hij
de belangen van anderen hoger dan die
van Zichzelf (Filipp. 2:3-4).
2:7Zichzelf ontledigd heeft. Deze
zinsnede heeft tot veel meningsverschillen geleid. Het Griekse kenoō kan ‘leegmaken’ betekenen, maar overdrachtelijk
ook ‘status en voorrechten opgeven’. Be-
tekent dit dat Christus tijdens Zijn aardse optreden tijdelijk afstand had gedaan
van Zijn Goddelijke eigenschappen?
Deze theorie van de kenosis of ‘zelfontlediging’ van Christus stemt niet overeen
met de context van Filippenzen of met
de vroege christelijke theologie (zie het
artikel over De Persoon van Christus, p.
$$). Paulus zegt niet dat Christus minder
dan God werd of sommige Goddelijke eigenschappen ‘opgaf’. Hij zegt zelfs niets
over de vraag of Christus almachtig of
alwetend was gedurende Zijn verblijf
op aarde. Ook zegt hij niet dat Christus
ooit ‘de gestalte van God’ aflegde. Paulus
legt er eerder de nadruk op dat Christus,
Die alle voorrechten bezat die Hem als
Koning van de wereld toekwamen, die
aflegde om een gewone Joodse baby
te worden die voorbestemd was voor
het kruis. Christus ‘ontledigde Zichzelf’
door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden
(beide betekenen ongeveer hetzelfde).
Hoewel Hij het grootste recht had om
zonder problemen te blijven waar Hij
was, in een machtspositie, drong Zijn
liefde Hem in een positie van zwakheid
ten behoeve van een zondige mensheid
(vgl. 2 Kor. 8:9: ‘dat Hij omwille van u arm
is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat
u door Zijn armoede rijk zou worden’).
De ‘ontlediging’ bestond in Zijn menswording, niet in het prijsgeven van een
stuk van Zijn ware Godheid.
2:8Het is opvallend genoeg dat de
Zoon van God de gedaante als een mens
aannam (Gr. schēma, ‘uiterlijk, gestalte,
vorm’, een ander woord dan morphē,
dat in v. 6-7 voor ‘gestalte van God’ en
‘gestalte van een slaaf’ gebruikt wordt)
en zo blootgesteld werd aan alle wisselvalligheden van een gebroken wereld.
Maar Jezus ging veel verder: Hij … is gehoorzaam geworden (vgl. Rom. 5:19), tot
de dood, ja, tot de kruisdood. Kruisiging
was niet zomaar een van de manieren
om gevangenen ter dood te brengen.
Het was de diepste vernedering, een
officiële verklaring van Rome dat de gekruisigde in alle opzichten verachtelijk
was. De vreselijke lichamelijke pijn werd
nog erger door de smadelijke krenking
en vernedering. Geen andere vorm van
doodgaan, hoe lang dat ook mocht duren of hoe pijnlijk dat lichamelijk ook
was, was te vergelijken met kruisiging;
15/05/14 15.48
Filippenzen 2
10
9 aDaarom
heeft God Hem ook bovenmate verhoogd en heeft Hem been Naam geschonken boven
alle naam,
10 copdat in de Naam van Jezus zich zou buigen elke
knie van hen die in de hemel, en die op de aarde,
en die onder de aarde zijn,
11 den elke tong zou belijden dat Jezus Christus de
Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.
zigheid, werk aan uw eigen zaligheid met vrees en
beven,
13 ewant het is God, Die in u werkt zowel het willen
als het werken, naar Zijn welbehagen.
14 fDoe alle dingen gzonder morren en meningsverschillen,
15 opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht, hwaaronder u schijnt als
lichten in de wereld,
Aansporing tot heilig leven
16 door vast te houden aan het Woord van het leven,
12 Daarom, mijn geliefden, zoals u altijd geho- imij tot roem met het oog op de dag van Christus,
orzaam geweest bent, niet alleen zoals in mijn dat ik niet tevergeefs heb hardgelopen en mij ook
aanwezigheid, maar nu veelmeer in mijn afwe- niet tevergeefs heb ingespannen.
a Hand. 2:33 b Hebr. 1:4 c Jes. 45:23; Rom. 14:11 d Joh. 13:13; 1 Kor. 8:6; 12:3 e 2 Kor. 3:5 f Rom. 12:17; 1 Petr. 2:12 g 1 Petr. 4:9 h Spr. 4:18; Matt. 5:14 i 2 Kor. 1:14; 2 Kor. 2:19
dat was de totale vernietiging van iemands persoonlijkheid (zie aant. bij
Matt. 27:35). Het was de hoogst denkbare tegenstelling met de Goddelijke
majesteit van de pre-existente Christus,
en het was dan ook de absolute uitdrukking van de gehoorzaamheid van Christus aan de Vader.
2:9Daarom. De vernedering van
Christus werd juist de oorzaak van Zijn
verhoging. Door Zichzelf uit liefde tot
het kruis te vernederen, liet Hij zien
dat Hij werkelijk deel had aan de Goddelijke natuur van God, Die liefde is (1
Joh. 4:8). Daarom, om die reden, heeft
God Hem weer tot leven gewekt en
Hem ook bovenmate verhoogd, Hem de
heerschappij over de kosmos toevertrouwd en Hem een Naam geschonken
boven alle naam. Deze Naam wordt hier
verder niet bekendgemaakt, maar velen
denken dat dit betrekking heeft op het
Hebreeuwse JHWH, Gods persoonlijke
Naam, die in de LXX meestal vertaald
is met het Griekse Kyrios, ‘Heere’, de
Naam die in Filipp. 2:11 genoemd wordt.
Paulus bedoelt in elk geval dat de eeuwige Zoon van God een positie en een
gezag ontving (vgl. Matt. 28:18 en aant.
bij Hand. 2:33) die Hij niet bezat voordat
Hij in het vlees kwam als God en mens.
Dat Jezus deze Naam kreeg, betekent
dat Hij Zijn Messiaanse gezag uitoefent
in de Naam van de HEERE.
2:10-11Hoewel Christus nu de
Goddelijke Naam JHWH (‘HEERE’) draagt,
wordt Hij nog steeds vereerd onder Zijn
menselijke naam Jezus, omdat het in
Zijn menselijke natuur was dat Hij Zijn
Goddelijke glorie het duidelijkst aan
de wereld toonde. Deze wonderbaarlijke vereniging van de Goddelijke en
de menselijke natuur van Jezus wordt
nog versterkt door de verwijzing naar
Jes. 45:23, met de woorden dat zich zou
buigen elke knie … en elke tong zou belijden, die in Jesaja uitsluitend betrekking
hebben op de HEERE (vgl. Jes. 45:24: ‘in
de HEERE … zijn rechtvaardige daden en
kracht’). Dat deze woorden nu toegepast kunnen worden op Gods Messiaanse Afgezant – Jezus Christus is de
Heere – bewijst de volle Goddelijkheid
HSV_Fillippenzen_150514.indd 10
van Jezus. Maar de verering van Jezus,
als Heere, is niet het laatste woord van
dit loflied. De verhoging van Jezus leidt
ook tot de heerlijkheid van God, de Vader. Hetzelfde stramien is ook te vinden
in 1 Kor. 15:23-28: God geeft Jezus de
Messiaanse heerschappij over de hele
schepping, en iedereen zal Hem te zijner
tijd prijzen als zijn Heere. Maar wanneer
Zijn koningschap zijn volheid bereikt
heeft, zal Jezus de eer niet aan Zichzelf
houden. In plaats daarvan ‘zal ook de
Zoon Zelf Zich onderwerpen aan Hem
Die alle dingen aan Hem onderworpen
heeft, opdat God alles in allen zal zijn’
(1 Kor. 15:28). Zelfs in de staat van Zijn
verhoging blijft Jezus het toonbeeld van
liefhebbend dienen van God.
2:12-18Leven als het licht voor de wereld. Met de adembenemende schildering van Christus voor hun ogen
(v. 5-11) spoort Paulus de Filippenzen
aan om hetzelfde geloof en dezelfde
gehoorzaamheid te tonen in hun dagelijks leven.
2:12-13De Filippenzen zijn in het
verleden gehoorzaam geweest (vgl. de
gehoorzaamheid van Christus, v. 8) en
moeten dat ook blijven, zodat zij ‘werken’ aan hun eigen zaligheid met vrees
en beven. Ze mogen niet tevreden zijn
met roem uit het verleden, maar moeten hun geloof elke dag tonen door
hun relatie met God te onderhouden.
Hoewel Gods gerechtigheid een motief
is voor het leiden van een sober leven
(‘vrees en beven’), wil Paulus niet dat
de Filippenzen in angst zullen leven
dat zij nooit goed genoeg zijn om Gods
gunst te verwerven. Gods liefde en Zijn
genade zullen hun juist kracht geven:
God, Die in u werkt. Terwijl zij hun uiterste best doen om een verantwoord
christelijk leven te leiden, mogen zij
zich verheugen in de kracht verlenende aanwezigheid van God. Weliswaar
lijkt v. 12 zalig worden door de werken
der wet te suggereren, maar Paulus
verwerpt een dergelijke leer ten enenmale (vgl. 3:2-11). In 2:12 bedoelt Paulus
met ‘zaligheid’ een steeds toenemende
ervaring van allerlei perspectieven en
zegeningen die met de zaligheid ge-
paard gaan. In deze zin van het woord
maakt de volhardende gehoorzaamheid
van de Filippenzen dan ook integraal
deel uit van het ‘werken aan hun zaligheid’. Maar zoals v. 13 duidelijk maakt,
dit werken is de vrucht van het werken
van God in Zijn volk. zowel het willen
als het werken, naar Zijn welbehagen.
Zelfs het verlangen (het ‘willen’) om te
doen wat goed is, komt van God. Maar
Hij werkt ook zo in de gelovige dat
deze goede keuzes gaat maken, zodat
het willen overgaat in werken (daden).
(Over vrezen van God, zie aant. bij Hand.
5:5; 9:31.)
2:14-15Paulus gaat verder met het
onderwerp ‘werken’ aan de zaligheid (v.
12-13). De Filippenzen moeten schijnen
als lichten te midden van een verkeerd
en ontaard geslacht. De woordkeuze
van Paulus doet denken aan de tijd dat
Israël in de woestijn verbleef. In Deut.
32:5 worden dezelfde woorden gebruikt
(‘een slinkse en verdorven generatie’).
Hun geestelijke vooruitgang werd
onmogelijk gemaakt door morren en
meningsverschillen (vgl. 1 Kor. 10:1-12).
Schijnen ‘als lichten’ verwijst waarschijnlijk naar Dan. 12:2-3. Zij die door
zo te leven hun geloof tot uitdrukking
laten komen, zullen ontwaken tot het
eeuwige leven (zie Dan. 12:2), tot grote
vreugde van Paulus.
2:16De gehoorzaamheid aan het
Woord van het leven is niet alleen maar
een zaak van persoonlijk belang. Paulus
had zich als apostel en mededeelgenoot van het Evangelie ingespannen,
maar dat zou tevergeefs geweest zijn,
als zij er niet in slaagden daaraan vast
te houden tot op de dag van Christus
(vgl. 1:6; 1 Thess. 5:2-11; 2 Petr. 3:10-13;
Openb. 20:11-21:8) en daardoor blijk
zouden geven geen ware gelovigen
te zijn geweest. vast te houden betekent zowel geloven in Gods Woord als
ernaar handelen. Omdat het Griekse
epechō zowel ‘vasthouden’ als ‘voorhouden aan’ kan betekenen, denken
sommigen dat Paulus hier misschien
gedacht heeft aan ‘aanbieden, aanreiken’, d.w.z. het Woord van het leven
verkondigen.
15/05/14 15.48
11
Filippenzen 2-3
17 Maar al word ik ook als een plengoffer uitgegoten
over het offer en de bediening van uw geloof, aik
verblijd mij en ik verblijd mij met u allen.
18 En u verblijdt zich ook daarover; verblijd u dan
met mij.
De zending van Timotheüs en het bezoek
van Epafroditus
19 bEn ik hoop in de Heere Jezus Timotheüs spoedig
destrijder, en uw gezant en dienaar in wat ik nodig
had,
26 omdat hij vurig naar u allen verlangde en in grote
angst verkeerde, omdat u gehoord had dat hij ziek
was.
27 Hij is inderdaad ook ziek geweest, tot dicht bij de
dood, maar God heeft Zich over hem ontfermd, en
niet alleen over hem, maar ook over mij, opdat ik
niet droefheid op droefheid zou hebben.
28 Daarom heb ik hem des te sneller gestuurd, opdat u zich weer kunt verblijden als u hem ziet, en
ik minder droevig ben.
29 Ontvang hem dan in de Heere, met alle blijdschap, den houd zulke mensen in ere.
30 Want om het werk van Christus was hij tot dicht
bij de dood gekomen, doordat hij zijn leven had
gewaagd om aan te vullen wat aan uw dienstbetoon jegens mij nog ontbrak.
naar u toe te sturen, opdat ook ik goedsmoeds mag
zijn als ik van uw zaken weet.
20 Want ik heb niemand van gelijke gezindheid, die
oprecht voor uw zaken zorg zal dragen.
21 cWant zij zoeken allen hun eigen belangen, niet
die van Christus Jezus.
22 En u kent zijn beproefdheid, dat hij met mij gediend heeft in het Evangelie, zoals een kind met
zijn vader.
23 Hem hoop ik dus ogenblikkelijk te sturen, zodra De uitnemendheid van de kennis van
ik mijn zaken kan overzien.
Christus
24 Maar ik vertrouw in de Heere dat ik ook zelf spoVerder, mijn broeders, everblijd u in de Heere.
edig zal komen.
25 Ik heb het echter nodig geacht Epafroditus naar u
Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet
toe te sturen, mijn broeder, medearbeider en me- onaangenaam en het geeft u zekerheid.
3 a 2 Kor. 7:4 b Hand. 16:1; Rom. 16:21; Rom. 3:2 c 1 Kor. 10:24; 13:5 d 1 Kor. 9:14; Gal. 6:6; Gal. 5:12; 1 Tim. 5:17; Hebr. 13:17 e Filipp. 4:4; Jak. 1:2; 1 Petr. 4:13
2:17Paulus vergelijkt zichzelf met
een plengoffer (vgl. 2 Tim. 4:6). Dit offer,
dat zowel in het OT als in de Grieks-Romeinse cultuur bekend was, was het uitschenken van wijn, op de grond of, zoals
hier, op een altaar, samen met het offer
van een dier of van graan (zie Num. 28:7).
Het is een levendige voorstelling van het
‘uitgieten’ van een leven in dienst van
God. De Filippenzen zijn ook een offer,
dat met het vreugdevolle dienen van
God door Paulus mag wedijveren.
2:19-24Timotheüs als voorbeeld van een
dienend leven. Het verlangen van Paulus om zijn beschermeling Timotheüs
te sturen, laat het zeer persoonlijke karakter van het leven in de Vroege Kerk
zien. Timotheüs probeert Christus te
evenaren door zorg te dragen voor het
welzijn van de Filippenzen. Hij zoekt
niet zijn eigen belangen, maar die van
Christus Jezus.
2:25-30Epafroditus ook als voorbeeld
van dienstbetoon. Epafroditus, die zelf
uit Filippi komt, is een ander voorbeeld
van ware christelijke liefde. Hij verlangde evenzeer naar de Filippenzen
als Paulus (1:8; 4:1) en wilde hun graag
laten weten dat God hem van zijn ernstige ziekte genezen had.
2:27Sterven en bij Christus zijn
is verreweg het beste (1:21, 23), maar
toch heeft God Zich over hem ontfermd
en het leven van Epafroditus gespaard.
Christenen mogen er verzekerd van zijn
dat een medechristen bij zijn of haar
dood zonder meer in het bijzijn van
Christus is (zie aant. bij 1:23). Toch is het
normaal en goed om bij zulke gelegenheden droefheid op droefheid te hebben.
HSV_Fillippenzen_150514.indd 11
2:30In de zorgvuldige woordkeuze
van Paulus komt de vertoning van het
beeld van Christus bij Epafroditus aan
het licht. Hij had gezegd dat Christus
gehoorzaam was geweest ‘tot de dood’
(v. 8, Gr. mechri thanatou) en nu zegt hij
dat Epafroditus tot dicht bij de dood
(eveneens mechri thanatou; vgl. v. 27)
gekomen was. Epafroditus was met dit
gevaar geconfronteerd ter wille van de
Filippenzen, die Paulus giften hadden
willen sturen om hem te steunen, maar
daar niet aan toe waren gekomen (wat
aan uw dienstbetoon jegens mij nog ontbrak), totdat Epafroditus het mogelijk
maakte (zie 4:10, 18).
3:1-21Tegenstanders van het Evangelie: Waar komt gerechtigheid vandaan?
Paulus begint dit hoofdstuk met een
oproep aan de Filippenzen om zich
in de Heere te verblijden (v. 1), maar
waarschuwt hen dan tegen de judaïserende tegenstanders van het Evangelie (v. 2-3). In tegenstelling tot hen
heeft hijzelf van alle geestelijke en
etnische voorrechten afstand gedaan,
om Christus te leren kennen (v. 4-11).
Zijn gerechtigheid komt van Christus,
niet door de wet (v. 12-16). Hij roept
de Filippenzen vervolgens op om zijn
voorbeeld te volgen en zich aan Jezus
als Heere toe te wijden (v. 17-21). Sommige exegeten veronderstellen dat de
abrupte overgang na v. 1 betekent dat
hs. 3 een latere toevoeging aan de brief
is. Een dergelijke theorie is niet nodig.
Het woordgebruik in hs. 3 stemt overeen met dat van de rest van de brief,
en de erin voorkomende thema’s
van ‘voortgang’ en ‘voorbeeld’ staan
centraal in de alles overkoepelende
doelstelling van Paulus. De judaïsten
(mensen die erop stonden dat christenen alle ceremoniële wetten uit het OT
gehoorzaamden) beloofden geestelijke vooruitgang door het zich houden
aan de wetten van het oude verbond.
Paulus stelt zichzelf daartegenover als
een voorbeeld van iemand die weet dat
echte vooruitgang bestaat in het zich
in toenemende mate richten naar het
beeld van de dood en opstanding van
Christus. Het conflict tussen Paulus en
de judaïserende predikers komt meer
in detail naar voren in Handelingen en
Galaten (bv. Hand. 15:1-19; Gal. 2:15-21;
3:6-4:31), en in zijn overige brieven. Hun
leer, dat heidenen eerst Jood moesten
worden en zich aan alle wetten van het
OT moesten houden om gered te kunnen worden, vond Paulus afschuwelijk.
Niet alleen toonde dit een gebrek aan
welkom (in volledige tegenstelling tot
Gods eigen houding), maar het trachtte
ook de heidenen van Christus weg te
voeren, naar een verbond dat hen nooit
zou kunnen redden. Hoewel de wet
‘heilig en rechtvaardig en goed’ (Rom.
7:12) was, behoorde het oude verbond
tot de tijd voordat de Geest gegeven
was. Het bracht dus onherroepelijk
vloek in plaats van zegen, aangezien
mensen niet in staat waren zich eraan
te houden. De ‘gerechtigheid’ die de
wet bood, kon alleen maar onvolledig
zijn, oppervlakkige gerechtigheid, in
tegenstelling tot de volmaakte gerechtigheid, als een vrije gave aan de
gelovigen geschonken op grond van
het leven en sterven van Christus.
15/05/14 15.48
Schrijvers
De HSV-Studiebijbel is mogelijk gemaakt door meer
dan tweehonderd Nederlandse en buitenlandse schrijvers en vertalers. Een hoofdredactie bestaande uit de
oudtestamenticus prof.dr. M.J. Paul en de nieuwtestamenticus prof.dr. T.M. Hofman hebben de onderlig-
gende visie geanalyseerd en waar nodig aangepast.
Om de uitgave een goede ingang te doen vinden in
de Nederlandse omgeving hebben de volgende Nederlandstalige auteurs teksten geschreven die in de
uitgave zijn opgenomen:
Auteurs van nieuwe artikelen
Drs. P.J. den Admirant
Prof.dr. A. Baars
Drs. C.J. Barth
Dr. William den Boer Prof.dr. G.C. den Hertog
Dr. M.J. Kater
Drs. Jaco van der Knijff
Drs. H.J. Lam
Prof.dr. G.W. Lorein
Dr. A. de Muynck
Drs. D. Palm
Drs. J.M. Pauw
Dr. Ad Prosman
Prof.dr. Marc J. de Vries
Dr. M. van Willigen
De Bijbel en handicap
De liturgie in de Nederlandse gereformeerde traditie
De opbouw en functie van de Hebreeuwse poëzie
Het orthodox protestantisme en de Bijbel – een schets
De dienst van de barmhartigheid
Apologetiek vandaag
De Bijbel en muziek
Nederlandse bijbelvertalingen
De opbouw en functie van het Hebreeuwse proza
Overdracht van generatie op generatie: thuis, catechese, school
Jongeren en bijbelgebruik
Bijbelse handschriften: verschillende uitgaven van de grondtekst
Secularisatie
Mediagebruik
Religie in de laatantieke maatschappij
Auteurs die bestaande artikelen gecorrigeerd/aangevuld hebben
Dr. William den Boer
Ir. Willem van Dis
Mr. G. Holdijk
Prof.dr. Henk Jochemsen
Dr. M. Klaassen
Drs. G. Lustig
Drs. C.W. Rentier
Ds. H. Veldhuizen
Ds. P. Vermaat
Dr. Marten Visser
Dr. Bart Wallet
Drs. J. Westland Het orthodox protestantisme en het christendom wereldwijd
Bijbeluitleg: een historisch overzicht
De Bijbel en andere wereldgodsdiensten – Hindoeïsme
Homoseksualiteit
Bio-ethiek
Gods relatie met de schepping – De voorzienigheid van God
Echtscheiding en hertrouwen
De Bijbel en de islam
De Bijbel en religieuze sekten
Het levenseinde
De Bijbel en andere wereldgodsdiensten – Boeddhisme, confucianisme
De Bijbel en het huidige jodendom
Gods relatie met de schepping – Zonde
DE TABERNAKEL
De gehele tent was 15 m lang, 5 m breed en 5 m hoog.
Het skelet ervan bestond uit met goud overtrokken houten
planken, en had geen dak of voormuur ( Ex. 26:15-29).
Elke zijwand werd bijeengehouden door vijf met goud
overtrokken houten dwarsbalken met gouden ringen
als houders (Ex. 26:26-30).
De constructie was overdekt
Het heilige der heiligen was 5 x 5 x 5 m, en bevatte alleen de ark van
het verbond (Ex. 25:10-22; 37:1-9). Hier zou de HEERE afdalen in een
wolk om Zijn volk te ontmoeten. De hogepriester mocht hier maar
één keer per jaar naar binnen, op Grote Verzoendag
(zie aant. bij Hebr. 9:7).
De tafel voor de
toonbroden (Ex. 25:23-30).
dierenhuiden
(Ex. 26:1-14).
Het heilige in de tabernakel
was 10 m lang, 5 m breed
en 5 m hoog.
Het voorhangsel dat het heilige der heiligen
scheidde van het heilige was gemaakt van
blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode (Ex. 30:1-5; 37:25-29).
erop (Ex. 26:31-33). Het hing aan vier gouden pilaren.
De gouden kandelaar
(Ex. 25:31-40; 37:17-24).
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 18
Het gordijn dat de ingang tot de tabernakel
vormde, was gelijk aan het voorhangsel
tussen het heilige en het heilige der heiligen,
alleen had het geen cherubs. Het was opgehangen aan vijf gouden pilaren (Ex. 26:36-37).
15/05/14 16.14
Nóg meer HSV-uitgaven
HSV Edgeline
Waardevol geschenk
Prijs: € 150,00
HSV Bijbel met Psalmen
Vivella, groot formaat
Prijs € 79,00
HSV Dwarsligger
Handzaam formaat
Prijs: € 29,95
HSV Dagboek
voor jongens en meiden
Prijs: € 7,50
HSV Jongerenbijbel
voor denkers en doeners!
Prijs: € 54,50
Kijk voor meer boeken bij de Bijbel op: www.uitgeversgroepjongbloed.nl
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 19
15/05/14 16.14
De HSV-Studiebijbel wil mensen helpen bij het begrijpen van
de Bijbel. Dankzij de Heilige Geest kunnen lezers al lezend en
overdenkend een persoonlijke en onderbouwde relatie ontwikkelen met God, die Zichzelf bekend maakt in de persoon van
Jezus Christus. Als bijbeltekst wordt de Herziene Statenvertaling gebruikt, waarvan de kernwoorden zijn: betrouwbaar en
verstaanbaar. Deze studiebijbel bouwt de verstaanbaarheid
verder uit met behulp van vele duizenden aantekeningen, ruim
tweehonderd kaarten en illustraties en talloze artikelen met
achtergronden over Bijbel, geloof en ethiek.
HSV_study_bible_2colour_prepub_150514.indd 20
15/05/14 16.14