Juninota 2014

Juninota 2014
Ontwikkelingen wetten en fondsen UWV 2014-2015
Juninota 2014
Inhoudsopgave
Voorwoord
3
Managementsamenvatting
5
1.
1.1.
1.2.
1.3.
1.5.
Belangrijkste ontwikkelingen
Volume ontwikkelingen
Financiële ontwikkelingen
Premies 2015
Leeswijzer
7
7
8
10
13
2.
2.1.
2.2.
2.3.
2.4.
Arbeidsongeschiktheid
WIA
Wajong
WAO
WAZ
15
15
20
22
23
3.
3.1.
3.2.
Werkloosheid
WW
IOW
25
25
30
4.
4.1.
4.2.
Ziekte en Zorg
Vangnet ZW
Wazo
32
32
35
5.
Re-integratie
38
6.
6.1.
6.2.
Toeslagen en tegemoetkomingen
TW
Wtcg
41
41
42
7.
7.1.
7.2.
7.3.
7.4.
7.5.
7.6.
7.7.
7.8.
Fondsen
Aof
Whk
Afj
AWf
Sectorfondsen
Ufo
Tf
Bijstellingen
43
44
45
47
48
49
52
53
54
Lijst van afkortingen
56
Begrippenlijst
57
Bijlage I
Nieuwe wet- en regelgeving
60
Bijlage II
Premies
62
Bijlage III
Balansen
63
Bijlage IV
Overzichten wet-fonds
65
Bijlage V
Sectorfondsen
69
Bijlage VI
Re-integratie
72
Bijlage VII Financiële publicaties UWV
73
Colofon
74
Juninota 2014
1
Juninota 2014
2
Voorwoord
De economische crisis in Nederland lijkt op een keerpunt te zijn beland. Het economische nieuws van de
laatste maanden kenmerkte zich door een opeenvolging van hoopvolle berichten. Zo’n trendbreuk
vertaalt zich niet direct in minder werkloosheid. Ook in 2014 zal het beroep op de
werkloosheidsregelingen nog stijgen. In 2015 komt deze groei echter tot stilstand. Bovendien valt de
stijging van de werkloosheid in 2014 veel lager uit dan tot voor kort werd aangenomen. In de Juninota
2014 schetsen we de actuele inzichten in de verwachte ontwikkeling van de door UWV uitgevoerde
wetten. De prognoses in de Juninota voorzien het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(SZW), het Centraal Planbureau (CPB) en het ministerie van Financiën van cijfers voor de aankomende
rijksbegroting.
In de ramingen van de Juninota zijn alle reeds ingevoerde wetswijzigingen meegenomen. Belangrijk
hierbij is het onderdeel premiedifferentiatie van de wet Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
vangnetters (Wet BeZaVa), dat per 1 januari 2014 in werking is getreden. Werkgevers betalen per 2014
ook voor hun tijdelijke personeel een individueel gedifferentieerde premie. Dit levert belangrijke
wijzigingen op in de financieringssystematiek van de WGA, ZW en Wazo. Mede onder invloed hiervan
hebben ook belangrijke bewegingen plaatsgevonden op de markt voor WGA- en ZW-verzekeringen, waar
werkgevers kunnen kiezen tussen publieke verzekering bij UWV en eigenrisicodragerschap.
Bij de ramingen voor 2014 en 2015 is gebruik gemaakt van de beschikbare statistische en financiële
gegevens tot en met maart 2014. Verder zijn de macro-economische prognoses van het CPB uit het
Centraal Economisch Plan (CEP) 2014 als uitgangspunt genomen. De uitvoeringskosten 2014 zijn
gebaseerd op het UWV jaarplan 2014 dat door de minister van SZW is goedgekeurd.
Juninota 2014
3
Juninota 2014
4
Managementsamenvatting
De hoofdpunten van de Juninota 2014
 In de Januarinota 2014 werd nog gesproken over ‘eerste voorzichtige tekenen van economisch
herstel’. Dit herstel is nu zichtbaar. Vergeleken met de raming in de Januarinota 2014 is het aantal
nieuwe uitkeringen WW in 2014 bijgesteld van 678.000 naar 621.000 en het totaal aantal uitkeringen
eind 2014 van 485.000 naar 460.000. Dit vertaalt zich in een bijstelling naar beneden van het
uitgekeerd bedrag met € 557 miljoen.
 Desondanks neemt het aantal WW’ers nog wel met 22.000 toe in 2014. Ook de uitkeringslasten WW
stijgen van € 6,9 miljard in 2013 naar € 7,5 miljard in 2014. In 2015 stabiliseert het aantal
uitkeringen en groeien de WW-lasten nog beperkt.
 Dit spoort met de recent gepubliceerde UWV-arbeidsmarktprognose1 , die voor 2014 nog een zorgelijk
beeld schetst van de arbeidsmarkt maar banengroei verwacht in 2015. Vergelijking van de eerste 4
maanden van 2014 met dezelfde periode vorig jaar wijst eveneens op positieve ontwikkelingen: de
groei van de WW loopt terug, er komt meer dynamiek op de arbeidsmarkt, er is een toename van het
aantal mensen dat werk vindt vanuit een uitkering en er ontstaan meer vacatures. Aan export
(vervoer) gerelateerde sectoren en uitzendbedrijven laten in 2014 al groei zien. In 2015 zullen meer
sectoren volgen.
 Het totaal aantal arbeidsongeschikten (WAO. WAZ, WIA en Wajong) is de laatste jaren tamelijk stabiel
op 820.000. WAO en WAZ dalen terwijl WIA en Wajong stijgen. Met ingang van 2015 zal het Wajongbestand als gevolg van de Participatiewet echter niet verder toenemen. Dit betekent dat het totaal
aantal arbeidsongeschikten bij UWV na 2015 zal dalen.
 Het aantal Ziektewetuitkeringen bij UWV daalt ook. Dit komt door effecten van nieuw beleid (de wet
BeZaVa) en door een toename van het aantal werkgevers dat eigenrisicodrager voor de Ziektewet
wordt. Uit de eerste resultaten van de eerstejaars ZW-beoordelingen blijkt dat gemiddeld over de
verschillende vangnetgroepen 58% zijn ZW-uitkering behoudt en dat 35% zijn ZW-uitkering verliest.
 Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringslasten 2014 met € 524 miljoen neerwaarts
bijgesteld. Dit is het saldo van de grote bijstelling van de WW-lasten met € 557 miljoen en een kleine
opwaartse bijstelling van de lasten van arbeidsongeschiktheid en ziekte, voornamelijk als gevolg van
een veranderde inschatting van de ontwikkeling van het eigenrisicodragen in de ZW.
 Het financiële tekort in de UWV-fondsen groeit. Eind 2013 is er per saldo een tekort van € 6,4 miljard
en dat tekort groeit tot € 8,8 miljard eind 2014 als gevolg van stijgende lasten en te lage premies. Het
tekort doet zich met name voor bij het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf). De minister van SZW
stelt de premies voor het AWf vast, waarbij ook inkomenspolitiek en de ontwikkeling van het EMUsaldo in overweging worden genomen. Het negatieve fondsvermogen heeft geen gevolgen voor de
betaling van de uitkeringen.
 Werkgevers in de uitzendsector kiezen steeds vaker voor het eigenrisicodragerschap ZW. Eind 2012
was 22% van de loonsom van de uitzendsector eigenrisicodrager. Dit percentage is in 2013 sterk
gestegen tot 57% en loopt naar verwachting verder op tot 65% in 2015. Bij werkgevers in de overige
sectoren is het aandeel eigenrisicodragers ZW van de totale loonsom toegenomen van 5% in 2013
naar 32% in 2015. Met name grote werkgevers kiezen voor eigenrisicodragerschap. De overgrote
meerderheid van de kleine werkgevers, ook in de uitzendsector, is nog steeds bij UWV verzekerd.
 Voor de WGA geldt echter dat in 2014 meer werkgevers hebben gekozen voor terugkeer naar UWV
dan voor eigenrisicodragen. Het aandeel eigenrisicodragers in de loonsom is gedaald van 51% naar
45% als gevolg van de stabiele premies van UWV en stijgende premies op de markt. De
teruggekeerde werkgevers voor de WGA blijken een dwarsdoorsnede te vormen van de groep
eigenrisicodragers.
 Ook in 2015 blijven de premies voor de WGA en de Ziektewet bij UWV stabiel. Dit blijkt uit de
calculatiepremies voor deze wetten die in de Juninota worden gepresenteerd. Op 1 september worden
de definitieve premies en parameters voor 2015 gepresenteerd.
1
UWV Arbeidsmarktprognose 2014-2015 van 2 juni 2014
Juninota 2014
5
Juninota 2014
6
1. Belangrijkste ontwikkelingen
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste financiële ontwikkelingen van de UWV-fondsen geschetst. Deze
ontwikkelingen hangen voor het grootste deel samen met het verloop van het volume van de
verschillende wetten. Hiervan wordt allereerst een beknopt beeld geschetst, waarna dieper wordt
ingegaan op de financiële ontwikkelingen. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de premies voor
2015. Het hoofdstuk besluit met een leeswijzer voor de nota.
In dit hoofdstuk is ook een box (box 1.2) opgenomen waarin de implicaties van de nieuwe wet Beperking
ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa) worden besproken. Een aantal belangrijke
onderdelen is per 1 januari 2014 in werking getreden met gevolgen voor de volume- en financiële
ontwikkelingen van de Ziektewet (ZW) en de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten
(WGA). De wet BeZaVa beïnvloedt ook de wijze van financiering van de ZW, WGA en de Wet arbeid en
zorg (Wazo).
1.1. Volume ontwikkelingen
In tabel 1.1 staan de uitkeringen per wet. Het aantal uitkeringen arbeidsongeschiktheid was de laatste
jaren stabiel maar zal in 2015 dalen als gevolg van de invoering van de Participatiewet (zie hoofdstuk 2).
De daling in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Wet
arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is groter dan de toename in de uitkeringen van
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Invoering van de Participatiewet beperkt de
instroom in de Wajong tot het niveau van de uitstroom. Uitsluitend volledig en duurzaam
arbeidsongeschikte jonggehandicapten komen nog in aanmerking voor een uitkering bij UWV. De overige
jonggehandicapten stromen in bij de gemeenten. Hiermee komt een einde aan de groei van de Wajong.
De uitstroom uit de arbeidsongeschiktheidsregelingen wordt iets afgeremd door de geleidelijke verhoging
van de AOW-leeftijd.
Het aantal werkloosheidsuitkeringen neemt in 2014 nog toe maar daalt in 2015 licht als gevolg van het
verwachte economisch herstel (zie hoofdstuk 3). De uitkeringsjaren in de wetten voor ziekte en zorg
nemen in 2014 en 2015 af vanwege de stijging van het aantal eigenrisicodragers en maatregelen van de
wet BeZaVa (zie hoofdstuk 4).
Tabel 1.1.
Aantallen x 1.000
Aantallen uitkeringen (per ultimo jaar)
2013
2014
2015
Arbeidsongeschiktheid ultimo stand
818
820
811
WAO
373
342
314
WIA
186
210
231
WAZ
20
17
15
Wajong
239
251
251
Werkloosheid ultimo stand
440
463
462
WW
438
460
457
IOW
2
3
5
Ziekte en Zorg in uitkeringsjaren
139
133
128
ZW
95
90
84
WAZO
40
40
40
3
3
3
ZEZ
Ten opzichte van de Januarinota 2014 is het aantal WW-uitkeringen in 2014 fors naar beneden bijgesteld
vanwege het verwachte herstel van de economie. De uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid en ziekte en
zorg zijn nauwelijks bijgesteld.
Juninota 2014
7
1.2. Financiële ontwikkelingen
Tabel 1.2 geeft een overzicht van de geraamde lasten, baten en vermogens van UWV, uitgesplitst naar de
verschillenden fondsen. Het totale vermogen van de UWV-fondsen daalt van - € 6,4 miljard eind 2013
naar - € 8,8 miljard eind 2014. (zie ook box 1.1).
Tabel 1.2.
Financiële ontwikkeling UWV-fondsen
Bedragen x € 1 miljoen
2013
Lasten
Aof
2)
Vermogen
Lasten
Baten
2015
Vermogen
Lasten
9.344
8.189
1.499
11.010
10.306
794
10.881
Whk
477
650
1.729
1.477
1.480
1.732
1.603
Afj12
2.941
2.941
-
3.108
3.108
-
3.238
Sfn
5.077
4.782
-1.358
4.108
5.028
-438
4.020
AWf
7.540
3.335
-8.050
6.969
4.084
-10.935
7.091
Ufo
768
697
-192
491
715
31
536
Tf1
977
977
-
869
869
-
891
27.125
21.571
-6.372
28.033
25.589
-8.816
28.259
Totaal
1)
Baten
2014
Het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten (Afj) en het Toeslagenfonds (Tf) kennen geen vermogen en worden gefinancierd door
de Rijksoverheid.
Baten zijn in mindering gebracht op de overig lasten, met uitzondering van de rijksbijdragen.
Baten en lasten voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en de Werkhervattingskas (Whk) zijn in 2014
fors gestegen. Dit is het gevolg van de wet BeZaVa. Financiering van een deel van de ZW-uitkeringen en
alle Wazo-uitkeringen is verplaatst van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en Uitvoeringsfonds voor
de overheid (Ufo) naar het Aof. WGA- en ZW-uitkeringen voor werknemers met een tijdelijk contract
worden betaald uit de Whk, vóór 2014 financierden de Sectorfondsen (Sfn) en het Ufo deze uitkeringen.
Het totale tekort in de UWV fondsen groeit van € 6,4 miljard eind 2013 naar € 8,8 miljard eind 2014.
Belangrijkste oorzaak hiervoor is dat het tekort bij het AWf groeit met € 2.9 miljard. Met name door een
lager dan lastendekkende premie bij het AWf loopt dit tekort snel op. Daar naast zorgt de economische
crisis voor hoge WW-lasten. Het vermogensoverschot in het Aof daalt met € 0,7 miljard.
Het negatief vermogen bij de Sectorfondsen is echter teruggelopen van € 1,4 miljard eind 2013 naar
€ 0,4 miljard eind 2014. Dit wordt veroorzaakt doordat bij het vaststellen van de sectorpremies de
vooruitzichten nog somber waren. Nu is het beeld positiever geworden met lagere WW-lasten als gevolg.
Ook moeten sectoren met een vermogenstekort dit tekort stapsgewijs terugbrengen. Deze effecten
samen resulteren in een afname van het negatief vermogen.
Fondsbeheer door UWV speelt geen rol bij het ontstaan van het vermogenstekort. De minister van Sociale
Zaken en Werkgelegenheid (SZW) stelt de premies voor de WW-fondsen en het Aof vast, waarbij ook
inkomenspolitiek en de ontwikkeling van het EMU-saldo in overweging worden genomen. Het negatieve
fondsvermogen heeft geen gevolgen voor de betaling van de uitkeringen.
Box 1.1.
Vermogen UWV-fondsen negatief en dalend
Het UWV-fondsvermogen is in de afgelopen jaren sterk gedaald. Sinds het op nihil stellen van het werknemersdeel van
de AWf-premie door het kabinet in 2009 daalt het vermogen met circa € 3,5 miljard per jaar. Sinds eind september 2012
is het gezamenlijke UWV-vermogen negatief. In een brief aan de Tweede Kamer op 2 december 2013 benoemt de
Algemene Rekenkamer de oplopende tekorten van de sociale fondsen als specifiek aandachtspunt bij de begroting 2014
van het ministerie van SZW.
In 2013 is er een extra scherpere daling van het vermogen van ruim € 5,5 miljard. Dit wordt behalve door een oplopende
werkloosheid grotendeels veroorzaakt door een verlaging van de Aof-premie. Deze verlaging zorgt voor € 1,3 miljard
minder premiebaten in 2013. De huidige prognose is dat het totale vermogen verder daalt tot een niveau van - € 8,8
miljard eind 2014.
Met ingang van 2014 zijn de WW-premies structureel met € 1,3 miljard verhoogd. Vanwege de verder oplopende
werkloosheid zet dit in 2014 echter nog geen rem op de oploop van het tekort. De praktische betekenis van deze grote
tekorten in de fondsen is overigens nihil. Met de invoering van de Wet geïntegreerd middelenbeheer in 1998 wordt het
beheer van geldmiddelen van de sociale fondsen en het Rijk gebundeld. Het negatieve fondsvermogen heeft daarom
geen gevolgen voor de betaling van de uitkeringen.
Juninota 2014
8
Figuur 1.1.
Vermogensontwikkeling
15.000
10.000
5.000
0
-5.000
-10.000
2009
2010
2011
2012
2013
2014
2015
Tabel 1.3 laat een onderverdeling van de lasten zien naar uitkeringen, sociale lasten, overige lasten en
uitvoeringskosten. De uitkeringslasten, sociale lasten en uitvoeringskosten volgen meestal dezelfde
ontwikkeling omdat de uitkeringslasten deze in hoge mate beïnvloeden. De overige lasten kennen een
eigen ontwikkeling.
Tabel 1.3.
Lasten per categorie
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
27.131
28.033
28.259
21.370
21.902
22.258
3.290
3.499
3.478
709
759
745
1.764
1.873
1.778
Aandeel in de totale lasten
100%
100%
100%
Uitkeringslasten
78,8%
78,1%
78,8%
Sociale lasten
12,1%
12,5%
12,3%
Overige lasten
2,6%
2,7%
2,6%
Uitvoeringenkosten
6,5%
6,7%
6,3%
Totale lasten
Uitkeringslasten
Sociale lasten
Overige lasten
Uitvoeringenkosten
1)
2)
Uitkeringen inclusief vakantietoeslag.
Sociale lasten inclusief Zvw-premie.
De uitvoeringskosten dalen van 6,7% van de totale lasten in 2014 naar 6,3% in 2015; de overige lasten
hebben een aandeel van 2,7% in 2014 en 2,6% in 2015. De uitvoeringskosten bestaan voor een deel uit
vaste kosten en voor een deel uit kosten die met de conjunctuur mee bewegen, zoals de kosten die
samenhangen met de verwerking van WW-aanvragen. De belangrijkste reden voor de verwachte daling
van de uitvoeringskosten in 2015 is het teruglopende aantal WW-aanvragen. De overige lasten bestaan
voor ongeveer de helft uit schuiven tussen verschillende fondsen, zoals de bijdrage uit het AWf aan de
sectorfondsen om sectoren te behoeden voor extreme premieschokken. De feitelijke overige lasten,
grotendeels re-integratielasten, bedragen 1,3% van de totale lasten van UWV.
Juninota 2014
9
Hieronder staan de belangrijke mutaties op totaalniveau ten opzichte van de Juninota. Een gedetailleerde
beschrijving per fonds is te vinden in hoofdstuk 7.
 De belangrijkste mutaties in 2014 ten opzichte van de Januarinota 2014:
 De uitkeringslasten zijn € 522 miljoen lager. Deze neerwaartse bijstelling is vrijwel volledig toe te
schrijven aan de werkloosheidsfondsen Sectorfondsen, AWf en Ufo. Dit is het gevolg van het
verwachte herstel van de economie en het gunstige effect daarvan op de WW. Het totaal van de
arbeidsongeschikheidsfondsen Aof, Whk en Afj is nauwelijks gewijzigd ten opzichte van de Januarinota
2014.
 De sociale lasten zijn € 262 miljoen lager. Dit is enerzijds te verklaren uit het lagere bedrag aan
uitkeringen, anderzijds blijkt met name in het Aof de gerealiseerde afdrachten van sociale lasten lager
te zijn dan verwacht bij de Januarinota.
 De uitvoeringskosten zijn € 21 miljoen lager begroot. Dit hangt samen met het lagere bedrag aan
uitkeringen.
 De overige lasten (exclusief bijdragen tussen fondsen) zijn met € 33 miljoen neerwaarts bijgesteld.
Hiervan wordt € 14 miljoen veroorzaakt door lagere re-integratielasten.
1.3. Premies 2015
Voor alle premiegefinancierde UWV-fondsen geldt het omslagstelsel. Het te hanteren premiepercentage
voor een bepaald fonds dient daarin primair zo gekozen te worden, dat uit de verwachte premiebaten in
een bepaald jaar de verwachte lasten in dat jaar gefinancierd kunnen worden. Dit premiepercentage
wordt ‘calculatiepremie’ genoemd. UWV berekent calculatiepremies voor alle 5 premiegefinancierde
fondsen. De premies voor het Aof, AWf en Ufo worden door de minister van SZW vastgesteld. De premies
voor de Whk worden door UWV zelf vastgesteld en gepubliceerd in het Besluit Gedifferentieerde Premie
WGA/ZW. De premies voor de Sectorfondsen worden door UWV vastgesteld en vervolgens ter
goedkeuring aan de minister van SZW voorgelegd. In hoofdstuk 7 is box 7.1 opgenomen waarin het
vaststellingsproces van de premies voor de Whk en Sectorfondsen nader wordt toegelicht.
UWV baseert de calculatiepremies voor 2015 op de ramingen waarvan de hoofdlijnen zojuist zijn
geschetst en die worden uitgewerkt in de hoofdstukken 2 t/m 7. Daarnaast wordt rekening gehouden met
de verwachte ontwikkeling van de premiegrondslagen. Tot 2011 presenteerde UWV in de Juninota ook
premieadviezen voor elk fonds. Bij een premieadvies wordt de calculatiepremie als uitgangspunt
genomen maar wordt ook een deel van het vermogenstekort in een fonds ingelopen of een deel van het
vermogensoverschot weggewerkt. Vanwege de inkomenspolitiek en het sturen op het EMU-saldo is de
praktische betekenis van aparte premieadviezen op basis van fondstechnische overwegingen sterk
afgenomen. Daarom worden deze adviezen niet meer gegeven en neemt UWV uitsluitend
calculatiepremies2 in deze nota op.
In de calculatiepremie is wel rekening gehouden met de hoogte van de liquiditeitsreserve. De praktische
betekenis van zo’n liquiditeitsreserve per fonds is vanwege het geïntegreerd middelenbeheer gering. In
deze Juninota wordt gerekend met dezelfde liquiditeitsreserves als in de vorige financiële nota’s: 4,5%
van de lasten voor de fondsen Aof en Whk en een vast bedrag van € 24 miljoen voor het Ufo. Het AWf en
de Sectorfondsen hadden al een liquiditeitsreserve van nihil. In de Sectorfondsen bestaan wel aparte
reserves op sectorniveau voor WW-lasten en tot 2014 voor ZW-lasten.
In tabel 1.4 zijn de calculatiepremies voor 2015 weergegeven. Ook is zichtbaar gemaakt welke
dekkingssaldi eind 2015 resteren als de calculatiepremie zou gelden. Ter vergelijking zijn de in 2014
geldende premiepercentages opgenomen.
2
Met het opnemen van calculatiepremies voldoet UWV aan het inhoudsvoorschrift voor de Juninota, opgenomen in bijlage
VI van de Regeling SUWI
Juninota 2014
10
Tabel 1.4.
Premieoverzicht 2014-2015
Premies in % over lonen1 en saldo’s x € 1 miljoen
Premie 2014
werkgever
Calculatiepremie 2015
werknemer
werkgever
Dekkingssaldo
werknemer
Premiepercentages
WAO - Aof2
4,95
5,15
343
WIA - Whk3
1,03
1,08
195
w.v. WGA-vast
0,51
0,50
WGA-flex
0,18
0,25
ZW-flex
0,34
2,68
1,98
-439
WW - Awf
2,15
3,77
-10.935
WW - Ufo
0,78
0,19
7
Zvw
7,50
7,45
AOW
17,90
AWBZ
12,65
ANW
1
2
3
4
0,33
WW - Sfn4
0,60
Premies berekend over lonen (niet van toepassing op uitkeringen UWV). Maximale inkomensgrens in 2014 is € 198 per dag.
De Aof-premie is exclusief 0,50% kinderopvang.
Gemiddelde gedifferentieerde premie WIA-Whk over lonen.
Gemiddelde sectorpremie over lonen, exclusief 0,50% kinderopvang.
De Aof-premies zijn beide exclusief kinderopvangtoeslag. De calculatiepremie 2015 voor de Whk is
uitgesplitst naar de 3 wetscomponenten die sinds 1 januari 2014 onderdeel vormen van dit fonds. Als
gevolg van de wet BeZaVa (zie box 1.2) financiert de Whk sinds 1 januari 2014 naast de WGA-vast
uitkeringen ook de WGA-flex en ZW-flex uitkeringen. De calculatiepremies 2015 WGA-vast en ZW liggen
iets onder het vastgestelde niveau van de rekenpremies in 2014. De calculatiepremie WGA-flex stijgt ten
opzichte van de rekenpremie in 2014, wat een logisch gevolg is van het feit dat meer WGA-flex lasten
voor rekening van de Whk komen en minder voor rekening van de Sectorfondsen.
De gemiddelde sectorpremie daalt dan ook fors, als gevolg van afnemende WGA-flexlasten, maar
uiteraard in de eerste plaats als gevolg van de gunstiger economischer ontwikkelingen die tot lagere WWlasten leiden. De calculatiepremie voor de Sectorfondsen is gemiddeld 1,98%. Het negatieve
dekkingssaldo van -€ 0,4 miljard betekent dat het feitelijke gemiddelde sectorpremieniveau hoger zal
uitkomen dan 1,98%. Van sectoren met een dekkingstekort wordt immers vereist dat minstens een derde
van dit tekort in 2015 wordt ingelopen.
Voor de premies van Aof, AWf en Ufo geldt dat ze niet door UWV maar door de minister van SZW worden
vastgesteld, waarbij een lastendekkende premie niet het uitgangspunt hoeft te zijn.
Calculatiepremieniveaus 2015 zijn dan ook niet goed te vergelijken met vastgestelde premieniveaus
2014. Uit het grote verschil tussen de calculatiepremie 2015 en de vastgestelde premie 2014 wordt wel
duidelijk dat er met name bij het AWf geen sprake is van een lastendekkend premieniveau. Ondanks de
per 2014 ingevoerde lastenverzwaring in het AWf van € 1,3 miljard, zou de AWf-premie nog veel verder
omhoog moeten om de reële kosten van de hoge werkloosheid te dekken. Het dekkingstekort in het AWf
is dan ook enorm en blijft verder oplopen.
Juninota 2014
11
Box 1.2.
Wet Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa)
In 2013 en 2014 is de wet Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa) ingevoerd. Doel van
de wet is om het aantal Ziektewetuitkeringen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen terug te dringen. Werknemers
zonder vast dienstverband, de zogenaamde flexwerkers, vormen de voornaamste doelgroep van de maatregelen.
De wet BeZaVa bestaat uit 5 onderdelen:
1. Aanpassing ZW-criterium (beoordeling ZW na 1 jaar ziekte)
Invoering per 1 januari 2013
2. Aanscherping re-integratie- en sollicitatieverplichtingen voor ZW-gerechtigden
Invoering per 1 januari 2013
3. Financiële prikkels werkgevers (premiedifferentiatie)
Invoering per 1 januari 2014
4. Convenant met de uitzendbranche
Invoering per 1 januari 2013
5. Maximale periode proefplaatsingen verruimd naar 6 maanden
Invoering per 1 januari 2013
Premiedifferentiatie
Alle maatregelen hebben invloed op de uitkeringslasten en zijn verwerkt in de ramingen in deze nota. De aangescherpte
financiële prikkels voor werkgevers middels een nieuwe premiedifferentiatie hebben tevens geleid tot een nieuwe
financieringsstructuur. Per 1 januari 2014 is premiedifferentiatie ingevoerd binnen de Whk voor de WGA-flex en ZW-flex.
De opzet van de premiedifferentiatie Whk is daardoor op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van de voormalige
premiedifferentiatie voor de WGA-vast.
In totaal zijn er vanaf 2014 3 gedifferentieerde Whk-premies:
premie WGA-vast
premie WGA-flex
premie ZW-flex
Voor kleine werkgevers (met een loonsom die gelijk of minder is dan 10 keer het gemiddelde premieplichtige loon per
werknemer) zijn de Whk-premies sectoraal bepaald. Deze afzonderlijke premies zijn gelijk voor alle kleine werkgevers die
tot dezelfde sector behoren. Grote werkgevers (met een loonsom die meer is dan 100 keer het gemiddelde
premieplichtige loon per werknemer) betalen 3 op werkgeversniveau gedifferentieerde premies. Middelgrote werkgevers
(met een loonsom van meer dan 10 en gelijk of minder dan 100 keer het gemiddelde premieplichtige loon per
werknemer) betalen 3 premies die deels opgebouwd zijn uit een sectorale premie en deels uit een op werkgeversniveau
gedifferentieerde premie.
Voor de ZW-flex en WGA-vast blijft het mogelijk eigenrisicodrager te worden. Eigenrisicodragers betalen geen premie
voor het deel waarvoor zij eigenrisicodrager zijn geworden. De voorwaarden voor het eigenrisicodragerschap zijn
versoepeld. Wanneer een werkgever eigenrisicodrager voor de WGA-vast wil worden hoeft hij niet in alle gevallen zijn
lopende uitkeringen zelf te financieren. Voor de ZW blijft gelden dat alle werkgevers mogen uittreden zonder dat zij
lasten hoeven mee te nemen. Voor de WGA-vast geldt dit alleen voor kleine werkgevers. Middelgrote werkgevers moeten
voor de WGA-vast een deel van hun lasten meenemen. Grote werkgevers nemen hun lasten volledig mee. Tenslotte is
voor het eigenrisicodragerschap ZW de garantiestelling vervallen.
Gewijzigde fondsfinanciering
De ZW-flex en WGA-flexuitkeringen werden tot en met 2013 gefinancierd uit de Sectorfondsen en het Ufo. Vanaf 2014
worden deze uitkeringen voor een jaarlijks toenemend aandeel gefinancierd uit de Whk. Uitkeringen gestart vóór 2012
blijven gefinancierd worden uit de Sectorfondsen en het Ufo. Uitkeringen gestart in 2012 of later worden gefinancierd uit
de Whk.
ZW-vangnetuitkeringen aan zieke werklozen blijven ten laste komen van het AWf en het Ufo. Overige ZWvangnetuitkeringen zijn overgegaan van AWf naar Aof. Wazo-uitkeringen worden vanaf 2014 uit het Aof gefinancierd.
Hieronder is de gewijzigde fondsfinanciering schematisch weergegeven.
We t
V a ngne tgroe p
t/ m 2 0 13
v. a . 2 0 14
WGA
flex
Sfn, Ufo
Whk, Sfn, Ufo1
WGA
zieke werklozen
Aof
Aof
WGA
overig
Aof
Aof
ZW
flex
Sfn, Ufo
Whk
ZW
zieke werklozen
AWf, Ufo
AWf, Ufo
ZW
overig
AWf
Aof
AWf, Ufo
Aof
Wazo
1
Sectorfondsen en Ufo financieren alleen uitkeringen ingegaan vóór 2012.
Juninota 2014
12
1.5. Leeswijzer
In de Juninota zijn de wetten thematisch geordend in hoofdstukken. In de hoofdstukken worden de
volumecijfers en de uitkeringslasten beschreven op wetsniveau. De uitkeringslasten zijn indien mogelijk,
onderbouwd met een prijscomponent -de gemiddelde jaaruitkering- en een volumecomponent -de
(herleide) uitkeringsjaren. Voor wetten die uit verschillende fondsen gefinancierd worden, zijn deze
componenten ook per fonds weergegeven.
Hoofdstuk 2 behandelt de arbeidsongeschiktheidswetten. Deze bestaan uit de WIA, Wajong, WAO en
WAZ. In hoofdstuk 3 komen de werkloosheidswetten (WW) en (IOW) aan de orde. De regelingen rond
ziekte en zorg zijn gevat in de wetten ZW en Wazo en staan beschreven in hoofdstuk 4. De reintegratielasten die door de verschillende fondsen gefinancierd worden staan beschreven in hoofdstuk 5.
De toeslagen uit de Toeslagenwet (TW) en tegemoetkomingen in het kader van Wtcg staan in hoofdstuk
6. Hoofdstuk 7 bevat volume- en financiële gegevens per fonds.
De nota bevat ook een aantal bijlagen. Bijlage I geeft een overzicht van wijzigingen in de wet- en
regelgeving voor zover die van invloed zijn op de prognoses. Bijlage II bevat een overzicht van de sociale
zekerheidspremies. Bijlage III behandelt de balansen per fonds. Bijlage IV toont uitkeringsbedragen en jaren zowel per wet uitgesplitst naar fonds als per fonds uitgesplitst naar wet. In bijlage V staan de
financiële overzichten van de Sectorfondsen en in bijlage VI staat een overzicht van de reintegratieuitgaven naar fonds. Tenslotte wordt in bijlage VII het vaststellingsproces van de premies Whk
en Sectorfondsen nader toegelicht.
De gemiddelde jaaruitkering is voor de meeste wetten de prijscomponent. Tweemaal per jaar worden de
uitkeringen geïndexeerd: op 1 januari en 1 juli van elk jaar. In de gepresenteerde jaaruitkeringen zijn
deze indexeringen verwerkt. Om een vergelijking te maken op basis van constante prijzen moet deze
indexatie ongedaan worden gemaakt. De cumulatieve indexatie is 1,14% in 2014 en 1,79% in 2015.
Juninota 2014
13
De WIA, Wajong, WAO en WAZ in hoofdlijnen
WIA
De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) voorziet werknemers en ambtenaren van een uitkering als ze
arbeidsongeschikt raken. De wet is in werking getreden per 29 december 2005. Werknemers die ziek zijn geworden
sinds 1 januari 2004 kunnen (na een wachttijd van 104 weken) een beroep doen op de WIA.
In de WIA wordt een onderscheid gemaakt tussen enerzijds volledig en duurzaam arbeidsongeschikten en anderzijds
gedeeltelijk arbeidsgeschikten en volledig niet-duurzaam arbeidsongeschikten.
De WIA kent 2 regelingen. De regeling Inkomensvoorziening volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) verstrekt
uitkeringen aan volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De uitkeringshoogte bedraagt 75% van het (gemaximeerde)
laatstverdiende loon. De IVA-uitkeringen worden betaald uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof).
De regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) verstrekt uitkeringen aan gedeeltelijk
arbeidsgeschikten en aan volledig niet-duurzaam arbeidsongeschikten. De uitkeringsduur is verdeeld in 2 uitkeringsfases.
In de eerste fase is de uitkeringshoogte gelijk aan 70% van het (gemaximeerde) laatstverdiende loon (de eerste 2
maanden 75%). De duur van deze eerste fase is afhankelijk van het arbeidsverleden van de arbeidsongeschikte. In de
tweede fase is de uitkeringshoogte afhankelijk van de mate waarin de arbeidsongeschikte zijn vastgestelde
verdiencapaciteit benut.
Voor de eerste 10 jaar WGA kan een werkgever eigenrisicodrager worden.
Sinds 2014 worden de uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden met een WGA flex-contract als gevolg van de wet BeZaVa
deels gefinancierd uit de Whk. Voor 2014 werden deze uitkeringen gefinancierd uit de Sectorfondsen (Sfn) en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo).
Wajong
De Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) verstrekt in geval van arbeidsongeschiktheid
uitkeringen aan personen die vóór hun 17e levensjaar of als student arbeidsongeschikt zijn geworden. De hoogte van de
uitkering is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en de grondslag is ten hoogste het wettelijk
minimumloon.
Vanaf 1 januari 2010 staat bij de Wajong het recht op arbeidsondersteuning centraal, en niet meer het recht op een
uitkering. Als onderdeel van de arbeidsondersteuning kunnen jonggehandicapten inkomensondersteuning aanvragen.
Hierbij worden 3 groepen onderscheiden:
 Jongeren zonder perspectief op een gewone baan, om medische of arbeidskundige redenen: deze groep komt in de
‘Uitkeringsregeling jonggehandicapten’. Deze jongeren hebben recht op een Wajong-uitkering, conform de oude
regeling (75% van het minimumloon).
 Jongeren met perspectief op een gewone baan: deze groep komt in de ‘Werkregeling jonggehandicapten’. In de
eerste fase (leeftijd tussen 18 en 27 jaar) wordt een aanvulling op het inkomen uit werk verstrekt. In de tweede
fase, vanaf uiterlijk het 27e jaar, is de aanvulling afhankelijk van de benutting van de resterende arbeidscapaciteit.
 Jongeren die studeren: deze groep komt in de ‘Studieregeling jonggehandicapten’. Naast studiefinanciering heeft
deze groep recht op inkomensondersteuning ter hoogte van 25% van het minimumloon.
De nieuwe Wajong wordt uitsluitend toegepast voor nieuwe gevallen. Aanvragen van vóór 1 januari 2010 en de toen al
lopende uitkeringen vallen onder de oude regeling, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (nu
ook wel aangeduid als oWajong). Daarnaast hebben oWajong-uitkeringsgerechtigden sinds 1 januari 2013 de
mogelijkheid te opteren voor een herbeoordeling volgens de criteria van de nieuwe Wajong. De Wajong wordt
gefinancierd uit het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten (Afj). De uitgaven van het Afj worden gedekt door
een rijksbijdrage.
Met ingang van 1 januari 2015 treedt de Participatiewet in werking en komen uitsluitend volledig en duurzaam
arbeidsongeschikte jonggehandicapten nog in de Wajong. De overige jong gehandicapten gaan naar de gemeenten. (zie
box 2.1)
WAO
De Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is de voorloper van de WIA. De WAO voorziet werknemers en
ambtenaren in geval van arbeidsongeschiktheid van een uitkering. Alleen personen die vóór 1 januari 2004 ziek zijn
geworden, kunnen nog een beroep doen op de WAO. WAO-uitkeringen worden gefinancierd uit het Aof.
WAZ
De Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen (WAZ) is een verzekering tegen de financiële gevolgen van
langdurige arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen, beroepsbeoefenaren, directeuren-grootaandeelhouders en
meewerkende echtgenoten. Alleen personen die op of vóór 1 augustus 2004 ziek zijn geworden, kunnen nog een beroep
doen op de WAZ. WAZ-uitkeringen worden gefinancierd uit het Aof.
Juninota 2014
14
2. Arbeidsongeschiktheid
In dit hoofdstuk worden de volume- en financiële ontwikkelingen van de arbeidsongeschiktheidswetten
WIA, Wajong, WAO en WAZ weergegeven.
Figuren 2.1 en 2.2 tonen een meerjarig overzicht (2005-2015) van de volumeontwikkeling van de WAO,
WIA, WAZ en Wajong. In figuur 2.2 is te zien dat het aantal arbeidsongeschikten sinds 2009 is
gestabiliseerd, maar vanaf 2015 weer gaat dalen. In de afgelopen jaren hielden de groei van de WIA en
Wajong en de afname van de WAO en WAZ elkaar redelijk in evenwicht. De Participatiewet die per 1
januari 2015 in werking treedt, zorgt ervoor dat de groei van de Wajong stopt als gevolg van minder
instroom. Hierdoor gaat het totaal aantal arbeidsongeschikten bij UWV in 2015 met 9.000 dalen
(tabel1.1). Hierbij is rekening gehouden met het feit dat het tempo van de uitstroom uit de
arbeidsongeschiktheidsregelingen enigszins afneemt vanwege de geleidelijke verhoging van de
pensioengerechtigde leeftijd met ingang van 2013.
Figuur 2.1.
In- en uitstroom AO
Figuur 2.2.
100
1.000
80
800
60
600
40
400
20
200
0
Aantal AO-uitkeringen
0
05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15
Instroom
Uitstroom
05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15
WAO
WIA
WAZ
Wajong
2.1. WIA
Eind 2013 hadden 186.500 personen een WIA-uitkering. Tabel 2.1 laat een bestandstoename zien tot
meer dan 231.000 WIA-uitkeringen eind 2015. Deze toename is een gevolg van het feit dat de WIA nog
in opbouw is.
De omvang van de instroom in de WIA is vrijwel constant. De instroom in de IVA neemt in 2014 nog toe
met 200 uitkeringen en blijft in 2015 constant. De instroom in de WGA blijft constant in 2014 en 2015.
Opvallend is de stijging van de overgangen van de WGA naar de IVA in 2014. Sinds het vierde kwartaal
van 2013 ligt dat aantal op een hoger niveau dan in eerdere kwartalen. Dit het gevolg van een stijging
van het aantal uitgevoerde herbeoordelingen. Voor 2014 en 2015 wordt uitgegaan van een groter aantal
herbeoordelingen dan in 2013 en als gevolg hiervan ook een groter aantal overgangen van WGA naar
IVA.
De uitstroom neemt toe voor beide regelingen. De uitstroom IVA neemt met 1.000 toe in 2014 en 1.200
in 2015. De uitstroom WGA neemt toe met 400 in 2014 en 600 in 2015. Een jaarlijks stijgende uitstroom
is een normaal patroon voor een wet in opbouw.
Het aantal IVA-uitkeringen neemt per saldo toe met 9.100 in 2014 en met 8.200 in 2015. Het aantal
WGA-uitkeringen stijgt met 14.100 in 2014 en 13.200 in 2015. Het aandeel IVA-uitkeringen in de WIA
neemt toe met 2% tussen eind 2013 en eind 2015.
Juninota 2014
15
Tabel 2.1.
Volume x 1.000
Volume WIA1
2013
Instroom WIA
2014
37,1
37,3
w.v. IVA
WGA
Uitwisseling binnen WIA
37,3
7,9
8,1
8,1
29,2
29,2
29,2
5,0
6,3
6,4
w.v. Van WGA naar IVA
5,0
6,3
Van IVA naar WGA
0,0
0,0
Uitstroom WIA
12,7
14,1
w.v. IVA
4,2
WGA
186,5
w.v. IVA
WGA
6,4
0,0
15,9
5,2
8,5
Bestand WIA
1)
2015
6,4
8,9
209,7
9,5
231,1
51,5
60,6
68,8
135,0
149,1
162,3
Instroom, uitstroom, uitwisseling en bestand inclusief eigenrisicodragers.
In tabel 2.2 staan de ontwikkelingen van de IVA weergegeven. Het aantal uitkeringsjaren IVA neemt
overeenkomstig de groei van het aantal uitkeringen toe met 9.300 in 2014 (+20%) en met 8.600 in 2014
(+15%). De gemiddelde jaaruitkering neemt toe in 2014 met 1,1% en in 2015 met 2,1%, vanwege de
indexatie en de loonontwikkeling.
De uitkeringslasten op kasbasis nemen door stijgende volumes en prijzen eveneens toe. In 2014 stijgen
de uitkeringslasten met € 204 miljoen (+21%) en in 2015 met € 207 miljoen (+18%).
Tabel 2.2.
Ontwikkelingen IVA
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
Niet-herleide uitkeringsjaren
Herleidingsfactor (%)
Herleide uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
2014
2015
46,5
55,8
64,4
100,0
100,0
100,0
46,5
55,8
64,4
20.457
20.675
21.114
952
1.154
1.361
8
10
10
960
1.164
1.371
1
31
-
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringslasten naar boven bijgesteld met € 1 miljoen voor 2013
en € 31 miljoen voor 2014.
In 2013 zijn er 800 minder uitkeringsjaren (-1,7%) en is de gemiddelde jaaruitkering 1,8% hoger.
Ten grondslag aan deze mutaties ligt een wijziging in de berekening van het aantal uitkeringsjaren en de
gemiddelde jaaruitkering. De herleidingsfactor is 100% omdat alle IVA-gerechtigden volledig
arbeidsongeschikt zijn. Dit komt overeen met een uitkeringspercentage van 75%, een percentage dat in
de regel wordt toegepast bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid. Het gemiddelde
uitkeringspercentage is echter 76%. Dit komt doordat er ook uitkeringsgerechtigden zijn met een hoger
uitkeringspercentage van 85% en 100% vanwege hulpbehoevendheid. Tot en met de Januarinota 2014
werden de hogere lasten die hiervan het gevolg zijn, uitgedrukt in een hoger aantal uitkeringsjaren. Vanaf
de Juninota 2014 komt dit tot uitdrukking in een hogere gemiddelde jaaruitkering.
In 2014 is het uitkeringsbedrag hoger door 500 extra uitkeringsjaren (+1,1%) en een hogere gemiddelde
jaaruitkering (+1,6%). Ook hier speelt de gewijzigde definitie een belangrijke rol en is de stijging van de
uitkeringslasten voornamelijk het gevolg van een toegenomen volume. Dit komt doordat er meer
WGA’ers zijn herbeoordeeld en vervolgens doorgestroomd van de WGA naar de IVA.
Juninota 2014
16
In tabel 2.3 worden de ontwikkelingen van de WGA geschetst. Het volume in niet-herleide en herleide
uitkeringsjaren WGA volgt de trend van het aantal uitkeringen WGA. De herleidingsfactor neemt af
doordat er meer volledig arbeidsongeschikten doorstromen van de WGA naar de IVA. Hierdoor neemt het
aandeel gedeeltelijk arbeidsgeschikten in de WGA toe.
Het aantal herleide uitkeringsjaren WGA neemt in 2014 toe met 11.600 (+11%) en in 2015 met 10.100
(+ 8,9%). De gemiddelde jaaruitkering neemt toe met 1,3% in 2014 en met 2,4% in 2015.
De uitkeringslasten zijn in 2014 € 245 miljoen hoger dan in 2013. In 2015 stijgen de uitkeringslasten nog
eens met € 251 miljoen.
Het bedrag aan WGA-uitkeringen is in 2013 € 8 miljoen lager dan geraamd in de Januarinota. Het bedrag
dat valt onder de UWV-fondsen is € 10 miljoen lager. Het geraamde bedrag voor 2014 is € 45 miljoen
lager dan in de Januarinota. Hiervan valt € 40 miljoen onder de UWV-fondsen.
De mutatie 2013 is het resultaat van 300 minder herleide uitkeringsjaren (-0,3%) en een lagere
gemiddelde jaaruitkering (-0,4%). De mutatie 2014 is het resultaat van 2.300 minder herleide
uitkeringsjaren (-2,0%) bij een vrijwel gelijke gemiddelde jaaruitkering. Het lagere aantal herleide
uitkeringsjaren is een gevolg van een grotere doorstroom van de WGA naar de IVA.
Tabel 2.3.
Ontwikkelingen WGA1
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
Niet-herleide uitkeringsjaren
Herleidingsfactor (%)
Herleide uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
124,4
81,5
80,9
123,6
18.846
19.099
19.556
1.921
w.v. Eigenrisicodragers
1
2
2.417
1.838
2.059
288
330
358
10
11
11
10
-
-
1.932
w.v. UWV-fondsen
w.v. Eigenrisicodragers
2.167
1.633
11
w.v. Eigenrisicodragers
w.v. UWV-fondsen
152,7
113,5
w.v. UWV-fondsen
Bijstelling Uitkeringen trans
139,2
82,0
w.v. Eigenrisicodragers
Uitkeringen op transactiebasis
2015
101,9
w.v. UWV-fondsen
Mutatie verplichtingen
2014
2.177
11
2.428
1.644
1.847
2.070
288
330
358
-8
-45
-
-10
-40
-
2
-5
-
De uitkeringen voor eigenrisicodragers zijn berekend op basis van vaststellingsgegevens. De vermelde uitkeringsjaren en bedragen
betreffen om die reden voor alle jaren schattingen.
Voor de eigenrisicodragers zijn geen verplichtingen bekend. De mutaties hierin worden nihil verondersteld.
Sinds 1 januari 2014 zijn er in het kader van de wet Bezava zaken gewijzigd. Uitkeringen aan
uitkeringsgerechtigden met een flex-contract vallen onder de premiedifferentiatie en worden deels
gefinancierd uit de Whk. Voorheen gebeurde dit uit de Sectorfondsen en het Ufo. Hierdoor daalt in 2014
het aantal herleide uitkeringsjaren bij de Sectorfondsen en het Ufo en stijgt het bij de Whk.
De gemiddelde jaaruitkering bij de Whk daalt in 2014 met 6,1%. Deze daling komt doordat de Whk vanaf
dat jaar ruim een derde van de WGA-uitkeringen aan flexwerkers financiert. Deze uitkeringen zijn
gemiddeld lager omdat flexwerkers minder verdienen dan vaste krachten.
De uitkeringen WGA worden voor het grootste deel gefinancierd uit UWV-fondsen. Voor de eerste 10 jaar
arbeidsongeschiktheid van werknemers met een vast dienstverband kunnen werkgevers echter ook
eigenrisicodrager worden. WGA-uitkeringen voor deze werknemers komen dan voor rekening van die
werkgevers. Zij kunnen dit risico afdekken middels een arbeidsongeschiktheidsverzekering bij een
commerciële verzekeraar.
Juninota 2014
17
Tabel 2.4.
Uitkeringsjaren en jaaruitkering WIA naar fonds
Uitkeringsjaren x 1.000 en gemiddelde jaaruitkering in euro’s
2013
Herleide uitkeringsjaren
2014
148,5
2015
169,3
188,0
w.v. Aof
84,1
97,4
109,7
Whk
17,9
35,8
43,2
Sfn
31,0
19,6
17,8
Ufo
1,4
0,8
0,7
14,0
15,7
16,5
Eigenrisicodragers
Gemiddelde jaaruitkering
19.227
19.476
19.935
w.v. Aof
19.378
19.632
20.054
Whk
21.382
20.077
20.393
Sfn
17.472
17.495
17.980
Ufo
21.420
22.042
22.709
Eigenrisicodragers
20.540
21.023
21.703
Juninota 2014
18
Box 2.1.
Kenmerken van de per 01-01-2014 naar UWV overgestapte eigenrisicodragers WGA
In de Januarinota 2014 is een beeld geschetst van de voorlopige ontwikkelingen op de WGA verzekeringsmarkt. Hierbij is
vermeld dat uit voorlopige cijfers van de Belastingdienst bleek dat circa 8.000 van de 90.000 werkgevers, die in 2013
eigenrisicodrager voor de WGA waren, begin 2014 terugkeerden naar UWV. Dit zijn er uiteindelijk minder, maximaal
6.500 werkgevers. Een deel van de 8.000 beëindigingen van eigenrisicodragerschap betrof namelijk faillissementen en
bedrijfsbeëindigingen als gevolg van bijv. fusies en overnames. Kenmerken van deze overgestapte werkgevers zijn
vergeleken met kenmerken van de overige publiek en privaat verzekerden. Voor de analyse is gekeken naar alle
werkgevers die vanaf 2008 een positieve loonsom hadden. Dit is dus exclusief bedrijven die na 2008 gestart zijn,
bedrijven die in die periode failliet zijn gegaan en bedrijven die bijvoorbeeld in een bepaald jaar een loonsom van nul
hadden.
Allereerst is er gekeken naar de risicoprofielen van de werkgevers die bij UWV verzekerd waren, de werkgevers die
eigenrisicodrager zijn en de werkgevers die naar UWV overgestapt zijn. Hieruit blijkt dat het totaal van de overgestapte
eigenrisicodragers nagenoeg een dwarsdoorsnede is van de eigenrisicodrager populatie. We zien dat van de overgestapte
eigenrisicodragers 90,7% geen lopende WGA-uitkeringen had in 2013, vrijwel even veel als bij de overige
eigenrisicodragers (90,8%). Aangezien het aandeel in het totaal van de kleine en middelgrote werkgevers het
risicoprofiel van de grote werkgevers overschaduwt, is ook het percentage grote werkgevers met een nulrisico in 2013
gegeven. Hiernaast is ook het percentage grote werkgevers met een nulrisico in 2013 voor de WGA 35-80% en het
percentage grote werkgevers met een nulrisico in 2013 voor de WGA 80-100% gegeven. Hierbij valt op dat de
overgestapte grote werkgevers juist een gunstiger risicoprofiel hebben dan de overige eigenrisicodragers. Dit uit zich
voornamelijk in de categorie volledig, niet duurzaam arbeidsongeschikt (WGA 80-100%). Ook kunnen we zien dat het
risicoprofiel van deze werkgevers nagenoeg gelijk is aan het risicoprofiel van de bij UWV verzekerde grote werkgevers
zodat hun terugkeer dus waarschijnlijk geen opwaartse invloed zal hebben op de hoogte van de premie bij UWV.
Tabel 1. Percentage werkgevers met een nulrisico in 2013
UWV
ERD, exclusief
overstappers
Overstappers
Alle werkgevers
92,4%
90,8%
90,7%
Grote werkgevers (>100)
Grote werkgevers (>100)
WGA 35-80%
Grote werkgevers (>100)
WGA 80-100%
35,3%
28,2%
34,8%
58,2%
53,1%
52,9%
48,8%
42,4%
48,1%
In tabel 2. is de samenstelling van de populaties naar grootte weergegeven. Hieruit blijkt dat de naar UWV overgestapte
eigenrisicodragers ook wat grootte betreft nagenoeg een dwarsdoorsnede zijn van de eigenrisicodrager populatie. Er zijn
dus niet vooral grotere of kleinere werkgevers naar UWV overgestapt. Wel is relevant dat relatief veel grote werkgevers
eigenrisicodrager zijn, wat betekent dat ook onder de naar UWV overgestapte werkgevers een aantal werkgevers zit met
een substantiële loonsom.
Tabel 2. Opmaak populaties naar grootte
UWV
ERD, exclusief
overstappers
Overstappers
0-10
80,2%
69,2%
70,1%
10-100
17,1%
26,7%
24,9%
100-1000
2,5%
3,6%
4,3%
≥1000
0,2%
0,5%
0,7%
Een overzicht van de duur van het eigenrisicodragerschap van de per januari 2014 naar UWV overgestapte werkgevers is
gegeven in tabel 3. Kijkende naar de duur van het eigenrisicodragerschap van de naar UWV overgestapte werkgevers,
kunnen we zien dat dit nogmaals een dwarsdoorsnede is van de eigenrisicodrager populatie. De WGA is in 2006
begonnen met een fors aantal eigenrisicodragers, namelijk de werkgevers die voor de WAO al eigenrisicodrager Pemba
waren. Het zwaartepunt bij de naar UWV overgestapte werkgevers ligt dan ook bij de werkgevers die al tenminste 7 jaar
eigenrisicodrager waren. De jaar-op-jaar uitbreidingen van het aantal eigenrisicodragers waren soms, vooral in 2010,
zeer aanzienlijk, wat zich ook uit in het relatief grote aantal naar UWV overgestapte werkgevers met een duur van het
eigenrisicodragerschap van 2 tot 5 jaar.
Tabel 3. Duur eigenrisicodragerschap van de per 01-01-2014 overgestapte werkgevers
Percentage
<2 jaar
Cumulatief
2,3%
2,3%
2 tot 5 jaar
36,3%
38,6%
5 tot 7 jaar
20,1%
58,7%
≥7 jaar
41,3%
100,0%
Juninota 2014
19
2.2. Wajong
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Participatiewet zullen vanaf 2015 bij UWV alleen nog volledig
en duurzaam arbeidsongeschikte jonggehandicapten instromen. Alle overige jong gehandicapten komen
terecht bij de gemeenten. Bij UWV zullen vanaf 2015 de instroom en uitstroom vrijwel aan elkaar gelijk
zijn en neemt het aantal Wajong-uitkeringen niet verder toe. In box 2.1 wordt verder ingegaan op de
Participatiewet. Omdat verwacht wordt dat mensen rekening houden met de nieuwe wetgeving en hierop
anticiperen heeft dit mogelijk extra instroom in 2014 tot gevolg. De instroom in 2015 wordt geraamd op
6.000 gevallen. Dit aantal is consistent met de verwachtingen van de regering in de Participatiewet. Als
we kijken naar de instroom in de huidige Wajong dan blijkt ongeveer 6% van de nieuwe uitkeringen
duurzaam geen arbeidsmogelijkheden heeft. Dat percentage is veel lager dan waarmee rekening wordt
gehouden in de Participatiewet. Bij de instroomraming 2015 wordt echter ook rekening gehouden met
heropeningen van oude Wajong-rechten en doorstroom van een deel van de populatie uit de
studieregeling en van een deel van de populatie die tijdelijk geen arbeidsmogelijkheden hebben.
Daarnaast houden we rekening met een initieel hoger percentage volledig en duurzaam
arbeidsongeschikten vanaf 2015.
Tabel 2.5.
Ontwikkelingen Wajong
Volume en uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
17,7
18,0
6,0
5,5
5,6
5,7
Bestand
238,7
251,1
251,4
Niet-herleide uitkeringsjaren
202,1
212,9
218,5
93,4
93,2
93,2
188,8
198,5
203,7
12.912
13.076
13.323
2.438
2.596
2.714
8
8
5
2.446
2.604
2.720
3
8
-
Instroom
Uitstroom
Herleidingsfactor (%)
Herleide uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Er komt in 2015 een einde aan de daling van de herleidingsfactor. De instroom bestaat nog uitsluitend uit
volledig arbeidsongeschikten. Dit heft het neerwaartse effect van terugkerende Wsw’ers op. Het aantal
herleide uitkeringsjaren stijgt in 2014 met 9.700 (+5,1%) en in 2015 met 5.200 (+2,6%). De
gemiddelde jaaruitkering stijgt globaal met de index voor het minimumloon, +1,3% in 2014 en +1,9% in
2015. Met de afname van de groei van het aantal uitkeringsjaren neemt ook de toename van het
uitgekeerd bedrag in 2014 af.
Ten opzichte van de Januarinota 2014 is het uitgekeerd bedrag in 2013 met € 3 miljoen omhoog
bijgesteld. Dit is het resultaat van 2 tegengestelde effecten: het aantal uitkeringsjaren is met 200 naar
beneden bijgesteld (-0,1%) en de gemiddelde jaaruitkering is met 0,2% omhoog bijgesteld. De bijstelling
omhoog met € 8 miljoen in 2014 is uitsluitend een volume-effect.
Juninota 2014
20
Box 2.1.
Participatiewet
Op 20 februari 2014 is het wetsvoorstel voor de Participatiewet door de Tweede Kamer aangenomen; nu moet het alleen
nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer. Naar verwachting zal de Participatiewet ingaan op 1 januari 2015.
Als onderdeel van dit wetsvoorstel wil de overheid dat meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk worden
gebracht. Dit wetsvoorstel betreft ook een bezuinigingsmaatregel van de overheid.
De Participatiewet heeft gevolgen voor de Wajong en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw). Voor de Wajong betekent
dit dat er alleen nog nieuwe instroom zal zijn van jongeren die volledig arbeidsongeschikt zijn en nooit zullen kunnen
werken. De huidige Wajongers behouden de Wajong uitkering maar krijgen met een herbeoordeling te maken. Deze
herbeoordeling zal uiteindelijk de nieuwe uitkeringshoogte bepalen. Bij geen arbeidsvermogen is de uitkeringshoogte
75% van het minimumloon. Bij gedeeltelijk of tijdelijk geen arbeidsvermogen wordt de uitkeringshoogte vanaf 2018
verlaagd naar 70% van het minimumloon.
Voor de Wsw betekent dit geen nieuwe instroom. Degenen die zich al in de Wsw bevinden, behouden hun rechten en
plichten. De gemeente is verantwoordelijk om mensen die op de Wsw-wachtlijst staan aan het werk te helpen, hetzij bij
een reguliere werkgever (zo nodig met extra hulp), hetzij met een beschutte baan.
Om de mensen in deze doelgroep aan het werk te helpen, heeft het kabinet samen met de sociale partners in het Sociaal
Akkoord afspraken gemaakt. Werkgevers stellen zich garant om, oplopend tot 2026, 100.000 extra banen voor deze
groep te creëren. Om ervoor te zorgen dat de Participatiewet werkt, zal de regering het nakomen van deze afspraken
monitoren.
Als in 2015 blijkt dat er onvoldoende extra banen worden gerealiseerd, dan zal de regering de Quotumregeling in
werking laten treden. De Quotumregeling is op het moment in de maak en wordt zo nodig per 1 januari 2015 ingevoerd.
Voor UWV betekent de invoering van de Participatiewet dat er jaarlijks 10.000 mensen minder in de Wajong zullen
instromen, met als gevolg een besparing op de Wajong uitkeringslasten. Onderstaande tabel geeft de verwachte
besparing van de regering weer, die in het wetsvoorstel is opgenomen. De verwachte besparing van € 47 miljoen is
verwerkt in de nieuwe ramingen (tabel 2.6).
Tabel 13
Overzicht besparing uitkeringslasten Wajong
Be dra ge n in
x € 1 miljoe n
Wajong uitkeringslasten
3
2 0 14
2 0 15
2 0 16
0
- 47
- 127
2 0 17
- 211
2 0 18
struc ture e l
- 314
- 2.570
Bron: wetsvoorstel invoering participatiewet (2/12/2013)
Juninota 2014
21
2.3. WAO
Het aantal WAO-uitkeringen bedraagt in 2013 373.100 en neemt in 2014 af met 31.000 en in 2015 met
28.000 uitkeringen. Deze daling wordt veroorzaakt door de uitstroom. Omdat bij de WAO alleen nog
sprake is van instroom op basis van oud recht, is de invloed van de instroom op het lopend bestand
gering. In 2013 en de komende jaren zal het babyboom-effect nog steeds de omvang van de uitstroom
beïnvloeden, maar niet zo sterk als in voorgaande jaren. De geleidelijke ophoging van de
pensioengerechtigde leeftijd met 1 maand in 2014 en 2015 zorgt voor een tempering van de uitstroom.
Met het dalen van het aantal WAO-uitkeringen neemt ook het aantal niet-herleide en herleide
uitkeringsjaren af. Het aantal herleide uitkeringsjaren krimpt in 2014 met 26.000 (-8%) en in 2015 met
23.000 (-8%). De herleidingsfactor geeft het gemiddelde uitkeringspercentage weer van alle
uitkeringsgerechtigden en stijgt zowel in 2014 als in 2015 met 0,2%.
In de gemiddelde jaaruitkering wordt rekening gehouden met indexatie en samenstellingseffecten (zoals
de uitstroom van babyboomers en de verhoging van de pensioenleeftijd). De gemiddelde jaaruitkering
neemt in 2014 toe met 0,3% en in 2015 met 1,0%. Dit komt doordat de invloed van de indexatie op de
gemiddelde jaaruitkering wordt getemperd door de uitstroom van ‘dure’ uitkeringen van ouderen.
De uitkeringslasten nemen in 2014 af met € 450 miljoen en in 2015 met € 370 miljoen. Dit is het gevolg
van het dalende volume. De mutatie verplichtingen volgt de ontwikkeling van de uitkeringslasten.
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringen op kasbasis in 2013 nauwelijks bijgesteld (+0,1%).
Dit komt met name door een licht hogere prijs (de gemiddelde jaaruitkering steeg met 0,1%). De mutatie
verplichtingen in 2013 is met € 17 miljoen naar boven bijgesteld. De gevolgen van het krimpende WAObestand op deze technische post waren in de Januarinota niet adequaat ingeschat.
Ook in 2014 zijn de uitkeringslasten nauwelijks veranderd sinds de Januarinota. Het volume is met 0,3%
naar boven bijgesteld en de uitkeringshoogte met 0,4% naar beneden. De mutatie verplichtingen is op
basis van de realisaties in 2013 opwaarts bijgesteld met € 14 miljoen.
Tabel 2.6.
Ontwikkelingen WAO
Volume en uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
Instroom
2014
2015
1,5
1,0
0,7
34,5
32,0
29,0
Bestand
373,1
342,1
313,8
Niet-herleide uitkeringsjaren
381,4
349,5
320,5
82,4
82,6
82,8
314,1
288,5
265,4
18.070
18.121
18.307
5.676
5.228
4.859
-21
-20
-20
5.656
5.207
4.839
22
12
-
Uitstroom
Herleidingsfactor (%)
Herleide uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Juninota 2014
22
2.4. WAZ
Het aantal WAZ-uitkeringen zal naar verwachting in 2014 met 2.600 verder afnemen en in 2015 met
2.000. Zelfstandigen die na 1 augustus 2004 ziek zijn geworden, hebben geen recht meer op een WAZuitkering. De instroom is dan ook klein. Alleen degenen die opnieuw ziek worden na het beëindigen van
hun uitkering hebben nog recht op een WAZ-uitkering. De uitstroom blijft substantieel vanwege de
gemiddelde hoge leeftijd van de WAZ-uitkeringsgerechtigden en is extra hoog vanwege de pensionering
van de babyboomers. De geleidelijke ophoging van de pensioengerechtigde leeftijd met 1 maand in 2014
en 2015 zorgt voor enige tempering in de uitstroom. In 2014 en 2015 verwachten wij een verder
oplopende herleidingsfactor conform de trend van de afgelopen jaren.
In de gemiddelde jaaruitkering 2014 en 2015 is rekening gehouden met indexatie en uitstroom van ‘dure’
uitkeringen van de babyboomers. Deze contraire factoren zorgen per saldo voor een lichte toename van
de gemiddelde jaaruitkering. De uitkeringslasten nemen gestaag af vanwege de daling in de herleide
uitkeringsjaren. De uitkeringslasten nemen in 2014 af met € 24 miljoen en in 2015 met € 22 miljoen.
Deze afname is het gevolg van het dalende volume. De mutatie verplichtingen volgt de ontwikkeling van
de uitkeringslasten.
De uitkeringen op kasbasis zijn in 2013 ten opzichte van de Januarinota met 3% naar beneden bijgesteld.
Deze bijstelling heeft voornamelijk een technische reden: het vakantiegeld van zwangere zelfstandigen
met een ZEZ-uitkering werd ten onrechte bij de WAZ geboekt.
In 2014 zijn de uitkeringen op kasbasis met 2,1% naar beneden bijgesteld. De uitkeringsjaren zijn vrijwel
gelijk gebleven aan de raming uit de Januarinota. De gemiddelde jaaruitkering is met 2,1% naar beneden
bijgesteld. De mutatie verplichtingen is met € 2 miljoen toegenomen ten opzichte van de Januarinota.
Tabel 2.7.
Ontwikkelingen WAZ
Volume en uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
Instroom
0,1
0,1
0,1
Uitstroom
3,1
2,7
2,1
Bestand
19,6
17,0
15,0
Niet-herleide uitkeringsjaren
19,4
16,9
14,8
Herleidingsfactor (%)
83,0
83,3
83,5
Herleide uitkeringsjaren
16,1
14,1
12,3
13.153
13.158
13.222
208
185
163
-1
-1
-1
207
184
162
-5
-2
-
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Juninota 2014
23
De WW en IOW in hoofdlijnen
WW
De Werkloosheidswet (WW) heeft tot doel werknemers en ambtenaren te verzekeren tegen de financiële gevolgen van
werkloosheid. Daarnaast geeft de wet recht op vergoeding van achterstallig loon aan werknemers van wie de werkgever
niet in staat is het verschuldigde loon te betalen. De WW bevat ook regels met betrekking tot re-integratie. De hoogte
van de WW-uitkering bedraagt 70% van het laatstverdiende loon (75% in de eerste 2 maanden) naar rato van de mate
van werkloosheid in uren. De duur van de WW-uitkering hangt af van het arbeidsverleden en bedraagt maximaal 3 jaar
en 2 maanden.
De financiering van de WW vindt plaats via de Sectorfondsen, het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het
Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Dit gebeurt door middel van premieheffing over het loon. De overheid is
eigenrisicodrager voor de WW. De WW-uitkeringen voor de overheid worden verstrekt door UWV en vervolgens
rechtstreeks verhaald bij de overheidswerkgevers. De WW-uitkeringen voor het bedrijfsleven zijn in het eerste halfjaar
voor rekening van de Sectorfondsen en vervolgens voor het AWf.
De sectorpremie komt geheel voor rekening van de tot die sector behorende werkgevers. De AWf-premie wordt betaald
door de werkgevers in de markt. De Ufo-premie komt voor rekening van de werkgevers in de overheidssector.
IOW
De wet Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) regelt dat oudere werklozen na afloop van een WW-uitkering niet
hoeven terug te vallen op een bijstandsuitkering. De wet is in 2009 in werking getreden. Personen die bij aanvang van
de werkloosheid 60 jaar of ouder zijn komen voor de regeling in aanmerking. De IOW-uitkering bedraagt maximaal 70%
van het wettelijk minimumloon.
De IOW wordt gefinancierd uit het Toeslagenfonds (Tf), dat beheerd wordt door UWV. De uitgaven van het Tf worden
gedekt door een rijksbijdrage.
Juninota 2014
24
3. Werkloosheid
In dit hoofdstuk worden de volume- en financiële ontwikkelingen van de uitkeringen WW en IOW
weergegeven. De eerste 6 maanden WW-uitkering worden gefinancierd uit de Sectorfondsen, daarna
neemt het AWf de financiering over. Overheidswerkgevers zijn eigenrisicodrager voor de WW, maar de
uitvoering is neergelegd bij UWV en komt ten laste van het Ufo. De uitwerking van de financiering per
fonds staat in hoofdstuk 7.
In de figuren 3.1 en 3.2 staan de volumeontwikkelingen in de ontslag-WW sinds 2005. Hoewel de eerste
tekenen van economisch herstel zichtbaar worden, is de verwachting dat in 2014 voor het vierde
achtereenvolgende jaar de instroom in de WW groter is dan de uitstroom. Daarmee wordt in 2014 het
hoogste aantal WW-uitkeringen bereikt uit de geschiedenis van deze wet. In februari 1995 werd de tot nu
toe hoogste stand bereikt. In 2015 is de uitstroom naar verwachting net iets groter dan de instroom,
waardoor het bestand ultimo 2015 licht afneemt.
Figuur 3.1.
In- en uitstroom WW
700
Figuur 3.2.
Aantal WW-uitkeringen
500
600
400
500
300
400
300
200
200
100
100
0
0
05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15
Instroom
05 06 07 08 09 10 11 12 13 14 15
Uitstroom
3.1. WW
Bij de raming van het volume WW is uitgegaan van de bestandsopbouw van de WW zoals bekend bij
UWV en van de macro-economische ontwikkelingen volgens het Centraal Economisch Plan (CEP) 2014
van het Centraal Planbureau (CPB)4.
Het CPB gaat in het CEP 2014 uit van een toename van het Bruto Binnenlands Product (BBP) met 0,75%
in 2014 en een toename van het BBP met 1,25% in 2015. Deze groei is duidelijk lager dan in de
afgelopen 2 decennia. Toen was de gemiddelde groei 1,9%. De werkloze beroepsbevolking5 groeit in
2014 met 23.000 tot 690.000. In 2015 volgt een daling van 28.000 tot 662.000.
Verder is bij de raming uitgegaan van de volgende veronderstellingen:
 De faillissementsuitkeringen nemen in 2014 af met 6% gevolgd door een sterkere afname in 2015
met 10%.
 Het uitkeringsbedrag bij de overheid neemt in 2014 verder toe met 17% als gevolg van de
voorgenomen bezuinigingstaakstelling bij het inzetten op een kleinere overheid. In 2015 wordt een
stijging van 10% voorzien;
 De deeltijdfactor6 ontslagwerkloosheid WW neemt in 2014 en 2015 trendmatig af.
 De effecten van het onderdeel inkomstenverrekening van de Wet werk en zekerheid worden in het
eerste half jaar na invoering vooralsnog neutraal verondersteld.
4
5
6
Inmiddels is ook de Juniraming van het CPB bekend, maar ten opzichte van het CEP zijn daarin nauwelijks wijzigingen
opgetreden
Volgens de nationale definitie van het CBS.
De deeltijdfactor is een correctie van het gemiddelde bestand werklozen naar uitkeringsdagen in fulltime eenheden.
Juninota 2014
25
Box 3.1.
Aantal WW-uitkeringen stijgt eind 2014 naar 460.000
Over werkloosheid circuleren verschillende cijfers omdat werkloosheid op veel verschillende manieren gedefinieerd kan
worden. In dit hoofdstuk presenteren we de ontwikkeling van het aantal WW-uitkeringen bij UWV. Werklozen kunnen
echter ook een bijstandsuitkering hebben of helemaal geen uitkering. Het CPB raamt daarom de werkloze
beroepsbevolking, een breder begrip. WW-ontwikkelingen worden hiervan afgeleid.
Uit deze werkloosheidsindicatoren blijkt dat de economie zich in 2013 niet gunstig heeft ontwikkeld. De vraag naar arbeid
van werkgevers neemt ook in 2014 nog af. Het aanbod van werknemers daalt eveneens, maar minder sterk dan de
vraag naar arbeid. Het aantal WW-uitkeringen stijgt in 2014 nog verder. 1).
In figuur 3.3 is de ontwikkeling van het aantal uitkeringen ontslagwerkloosheid per week voor de jaren 2010-2014
gepresenteerd.
Figuur 3.3.
Bestandsontwikkeling WW per week
480.000
460.000
440.000
420.000
400.000
380.000
360.000
340.000
320.000
300.000
280.000
260.000
240.000
0
13
2010
2011
26
2012
39
2013
2014
52
raming 2014
Uit de grafiek valt in de eerste plaats de conjuncturele ontwikkeling af te lezen. Tegen het eind van 2011 is een
omslagpunt te zien. Het bestand komt boven het niveau van 2010 uit. In 2012 loopt de opgaande lijn (recessie) door. De
gestage groei van het WW-bestand in verband met de aanhoudende crisis zet zich in 2013 voort. In 2014 vindt nog geen
omslag plaats.
In de tweede plaats valt iets te zeggen over het seizoenspatroon. Een oplopend bestand in de winter wordt gevolgd door
een sterke daling in het voorjaar met stabilisatie in de (na)zomer. In het (late) najaar loopt het bestand weer gestaag op.
In 2012 is de gebruikelijke sterke daling in het voorjaar met stabilisatie in de (na)zomer uitgebleven. Voor 2013 is een
vergelijkbaar seizoenspatroon als 2012 zichtbaar. Voor 2014 wordt een gering seizoenpatroon verwacht.
In de ramingen in deze Juninota is rekening gehouden met het CEP 2014 van het CPB. In deze raming voorspelt het CPB
een verdere stijging van de werkloze beroepsbevolking in 2014. Deze vertaalt zich gedeeltelijk in een verdere stijging van
het aantal WW-uitkeringen.
1
UWV Arbeidsmarktprognose 2014-2015
Ontwikkeling WW in de periode 2013-2015
In tabel 3.1 zijn de gegevens van de ontslag-WW weergegeven. De raming gaat uit van een stijging van
de instroom met 8.000 in 2014 en een daling van 9.000 in 2015 (zie box 3.1). Voor 2014 is daarnaast
gerekend met een constante uitstroomkans ten opzichte van 2013. De uitstroomkansen zullen onder
invloed van de aantrekkende economie naar verwachting in 2015 met 2,5% verbeteren. Als gevolg van
deze ontwikkelingen stijgt het aantal uitkeringsgerechtigden in 2014 met ongeveer 22.000 (van 438.000
eind 2013 naar 460.000 eind 2014). Ultimo 2015 zal dit aantal naar verwachting met 3.000
uitkeringsgerechtigden zijn gedaald tot 457.000 uitkeringen.
Als gevolg van het stijgende WW-volume neemt in 2014 het gemiddeld bestand met 55.000 toe. In 2015
komt het gemiddeld bestand 12.000 hoger uit op 459.000. De deeltijdfactor daalt in navolging van 2013
licht in 2014 en 2015.
Het aantal uitkeringsjaren neemt in 2014 toe met 43.000 (+12,8%). Voor 2015 wordt een toename van
8.000 uitkeringsjaren (+2,1%) verwacht. De gemiddelde jaaruitkering neemt in 2014 met 2,3% af. Voor
2015 wordt een toename van 1,4% verwacht. In box 3.2 wordt de ontwikkeling van de gemiddelde
jaaruitkering nader verklaard.
Juninota 2014
26
In tabel 3.1 wordt ook een onderverdeling van de uitkeringen WW gepresenteerd. Het uitkeringsbedrag
ontslagwerkloosheid op kasbasis neemt in 2014 met € 654 miljoen toe en in 2015 met € 248 miljoen. Bij
de faillissementsuitkeringen wordt een daling van € 27 miljoen voor geheel 2014 verwacht. Voor 2015 is
een daling van € 43 miljoen voorzien. De overige uitkeringen bestaan uit uitkeringen wegens
werktijdverkorting en wegens weersomstandigheden. Het uitkeringsbedrag hiervoor komt naar
verwachting in 2014 uit op € 4 miljoen. De daling ten opzichte van 2013 wordt veroorzaakt door de
zachte winter van 2013-2014. Voor de winter van 2014-2015 wordt uitgegaan van het gemiddelde in
vorige jaren.
Tabel 3.1.
Ontwikkelingen WW1
Volume en uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
2015
Instroom
613
621
612
Uitstroom
516
598
615
Bestand ultimo
438
460
457
Gemiddeld bestand
Deeltijdfactor
Uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
392
447
459
85,1
84,5
84,0
335
378
386
19.128
18.682
18.937
6.900
Ontslagwerkloosheid
Faillissementsuitkeringen
Overig
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
1)
2014
7.493
7.721
6.408
7.062
7.309
453
427
384
39
4
27
14
17
8
6.914
7.509
7.729
8
-557
-
Instroom, uitstroom, bestand ultimo, gemiddeld bestand, deeltijdfactor, uitkeringsjaren en gemiddelde jaaruitkering hebben uitsluitend
betrekking op ontslagwerkloosheid.
Ramingsbijstellingen ten opzichte van Januarinota 2014
In 2013 is ten opzichte van de Januarinota sprake van een kleine opwaartse bijstelling van de uitkeringen
op transactiebasis met € 8 miljoen. De neerwaartse aanpassing in 2014 van de uitkeringslasten met
€ 557 miljoen is het gevolg van gunstiger economische vooruitzichten van het CPB.
Aan de neerwaartse bijstelling van € 8 miljoen in 2013 liggen onder andere de volgende bijstellingen ten
grondslag: de ontslagwerkloosheid is € 70 miljoen hoger, de faillissementsuitkeringen zijn € 17 miljoen
lager, de overige uitkeringen zijn € 10 miljoen lager en de mutatie verplichtingen is € 35 miljoen lager. De
bijstellingen van de ontslagwerkloosheid en de mutatie verplichtingen zijn communicerende vaten. Omdat
er in de laatste week van december meer uitkeringen zijn betaald (door een hoger dan verwachte
ontslagwerkloosheid) hoeft er minder voor gereserveerd te worden voor de eerste week van januari
(lagere mutatie verplichtingen).
De neerwaartse bijstelling van € 557 miljoen in 2014 is vooral te wijten aan de volgende onderliggende
bijstellingen: de ontslagwerkloosheid is € 417 miljoen lager, de faillissementsuitkeringen zijn € 67 miljoen
lager, de overige uitkeringen zijn € 30 miljoen lager en de mutatie verplichtingen zijn € 42 miljoen lager.
De opwaartse bijstelling van de uitkeringslasten ontslagwerkloosheid 2013 is het gevolg van het saldo van
1.000 minder uitkeringsjaren (-0,3%) en een hogere gemiddelde jaaruitkering (+1,4%). De neerwaartse
volumebijstelling verlaagt de WW-lasten met € 19 miljoen, maar de opwaartse bijstelling van de
gemiddelde uitkering verhoogt de WW-lasten met € 89 miljoen. Het voorzichtig herstel eind 2013 heeft
geleid tot de neerwaartse bijstelling van de faillissementsuitkeringen.
De neerwaartse bijstelling van de uitkeringslasten in 2014 is het gevolg van 17.000 minder
uitkeringsjaren ontslagwerkloosheid (-4,3%). Hierdoor worden de uitkeringslasten WW verlaagd met
€ 320 miljoen. Het uitkeringsbedrag per jaar komt 1,4% lager uit. Hierdoor komen de uitkeringslasten
WW € 97 miljoen lager uit. De faillissementsuitkeringen komen € 67 miljoen lager uit dan in januari
geraamd. Dit als gevolg van de lagere uitkomst voor 2013 in combinatie met de afnemende crisis. De
uitkeringen overig zijn naar beneden bijgesteld. Dit komt door de zachte winter 2013-2014. De mutatie
verplichtingen wordt nu op basis van de realisatie 2013 voor 2014 lager geraamd.
Juninota 2014
27
Tabel 3.2.
Uitkeringsjaren en jaaruitkering WW naar fonds
Uitkeringsjaren x 1.000 en gemiddelde jaaruitkering in €
2013
Uitkeringsjaren
2014
335,0
2015
378,0
386,0
Awf
164,4
202,8
211,6
Sfn
156,1
158,2
155,7
Ufo
14,5
17,0
18,7
Gemiddelde jaaruitkering
19.128
18.682
18.937
Awf
19.553
19.149
19.425
Sfn
18.419
17.828
17.991
Ufo
21.942
21.060
21.281
In 2014 ontwikkelt het AWf zich het sterkst: +38.000 uitkeringsjaren (+23,3%). Dit is gevolg van het feit
dat de Sectorfondsen de eerste periode (6 maanden) van de WW financieren. Daarna neemt het AWf de
financiering van de uitkeringen over. De in 2009 ingezette economische krimp maakt langzaam plaats
voor groei. Dit komt het eerst naar voren bij de instroom en niet bij de uitstroom. Hierdoor blijven steeds
meer mensen langdurig in de WW en zal het AWf een groter deel van de WW-uitkeringen financieren. Bij
het Ufo is sprake van een relatief forse toename van het aantal uitkeringsjaren als gevolg van een
krimpende overheid. In 2015 daalt het volume bij de Sfn licht en neemt het volume bij het AWf en Ufo
nog toe.
De hoogte van de gemiddelde jaaruitkering is normaliter gekoppeld aan de gemiddelde
contractloonstijging en de halfjaarlijkse indexering van de uitkeringen. Beide hebben uiteraard te lijden
onder de langdurige economische crisis. De gemiddelde jaaruitkering WW neemt in 2014 naar
verwachting met 2,3% af. In 2015 is sprake van een toename met 1,4%. In box 3.2 is een verklaring
gegeven van deze ontwikkeling.
De hoogte en ontwikkeling van de gemiddelde jaaruitkering verschilt per fonds. Dit komt door verschillen
in de samenstelling van de populatie per fonds. Bij de Sectorfondsen worden relatief meer uitkeringen aan
jongeren en parttimers met lage lonen verstrekt dan bij het AWf. Het Ufo verstrekt uitkeringen aan
overheidswerknemers met gemiddeld hogere lonen.
Juninota 2014
28
Box 3.2.
Ontwikkeling gemiddelde jaaruitkering WW
In de Januarinota 2014 is dieper ingegaan op de mogelijke oorzaken achter de daling van de gemiddelde jaaruitkering
WW vanaf 2012. Deze daling wordt veroorzaakt door 2 redenen: als gevolg van de toename van part-time werken
neemt de omvang van de werkloosheid in uren af en door het toenemend aandeel van vrouwen in de WW treedt een
samenstellingseffect op: vrouwen werken gemiddeld minder uur en worden daarom voor minder uren werkloos.
Deze daling van de gemiddelde jaaruitkering is echter niet altijd direct zichtbaar in de gemiddelde jaaruitkering van tabel
3.1. Deze box geeft inzicht in de achterliggende oorzaken hiervan.
De gemiddelde jaaruitkering van tabel 3.1 is gebaseerd op de uitkeringslasten uit de financiële administratie en op de
uitkeringsjaren uit de personenstatistiek. Het is hierbij van belang dat de boekingsperiode in de administratie verschilt
van de boekingsperiode in de statistiek. Dit betekent dat de gemiddelde jaaruitkering berekend wordt uit een van jaar tot
jaar wisselende boekingsperiode in de administratie. Dit geeft een (administratief) verschil in gemiddelde jaaruitkering.
Dit heeft een administratief verhogende of verlagend effect op de gemiddelde jaaruitkering. In onderstaande figuur is dit
zichtbaar gemaakt voor de jaren 2013 t/m 2015. Het groene deel (basis) is de gemiddelde jaaruitkering op basis van 52
statistiekweken. Het rode deel is het (administratief) effect van het verschil in uitkeringslasten tussen de administratieve
boekingsperiode en het statistiekjaar. Dit administratieve effect geeft een verstorend meerjarig beeld van de gemiddelde
jaaruitkering.
Figuur 3.4
Ontwikkeling gemiddelde jaaruitkering WW 2013 – 2015
19.200
19.100
19.000
333
18.900
18.800
358
18.700
23
18.600
18.500
18.795
18.659
18.400
18.592
18.300
18.200
2013
basis (260 dagen)
2014
administratief effect
2015
53ste week effect
Naast het hierboven beschreven administratief effect treedt er voor 2015 een (additioneel) statistisch effect op. In 2015
zijn er 53 statistiekweken tegen 52 weken in 2013 en 2014. De verlenging van de periode (53ste weekeffect) heeft tot
gevolg dat de gemiddelde jaaruitkering eenmalig hoger uitkomt. Dit effect is 1,9% en wordt in de grafiek met een paarse
kleur weergegeven.
De gepresenteerde gemiddelde jaaruitkeringen in tabel 3.1 zijn inclusief het hier genoemde administratieve effect en het
53ste week effect. De werkelijke ontwikkeling van de gemiddelde jaaruitkering - een gelijkmatige daling sinds 2012 – (het
groene deel van de bovenstaande figuur) is daar niet meer zichtbaar.
Juninota 2014
29
3.2. IOW
De wet Inkomensvoorziening oudere werklozen (IOW) regelt dat oudere werklozen na afloop van de WWuitkering niet terug hoeven te vallen op een bijstandsuitkering. Personen die bij aanvang van de
werkloosheid 60 jaar of ouder zijn, komen voor de regeling in aanmerking. Na afloop van de WWuitkering van maximaal 3 jaar en 2 maanden kan een beroep worden gedaan op de IOW. De IOW loopt
door tot het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.
Tabel 3.3.
Ontwikkelingen IOW
Volume en uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
Instroom
1,9
3,1
4,3
Uitstroom
1,2
1,7
2,9
Bestand
1,9
3,3
4,7
Uitkeringsjaren
1,3
2,0
2,9
9.997
9.752
9.896
13
20
29
0
0
0
13
20
29
0
-3
-
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Het aantal nieuwe uitkeringen IOW neemt sterk toe: van 1.900 in 2013 naar 3.100 in 2014 en 4.300 in
2015. Voor deze toename zijn 2 redenen aan te wijzen:
 Het aantal 60-plussers, dat wegens het bereiken van de maximale WW-duur uitstroomt, neemt door
de slechte economische omstandigheden toe. Immers de instromers in de IOW in 2014 zijn de
werklozen van 2011.
 Vanaf 2013 zal de duur van de uitkering als gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd
toenemen. In 2013 was de gemiddelde duur 42 weken.
Eind 2013 waren er 1.881 lopende IOW-uitkeringen. Dit aantal loopt op tot 3.300 eind 2014 en verder tot
4.300 eind 2015. Naast toename van de doelgroep (60-plussers die wegens het bereiken van de
maximale WW-duur uitstromen uit de WW) neemt ook het percentage WW’ers toe die een IOW-uitkering
krijgen. In 2013 was het toekenningspercentage 59%, naar verwachting zal dit percentage in 2014
oplopen naar 75% en daarna stabiliseren. Het aantal uitkeringsjaren is fors lager dan het lopend bestand.
Dit gebeurt wanneer mensen wel recht hebben op een uitkering maar door neveninkomsten de feitelijke
uitkering tot nihil wordt teruggebracht. De neveninkomsten bestaan veelal uit vroegpensioen.
In 2014 is het uitgekeerde bedrag met € 3 miljoen naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling is het
resultaat van 200 minder uitkeringsjaren en een bijstelling naar beneden van de gemiddelde jaaruitkering
met 3,2%.
Juninota 2014
30
De ZW en Wazo in hoofdlijnen
ZW
De Ziektewet (ZW) vormt een vangnet voor zieke werklozen en voor bepaalde groepen werknemers en ambtenaren die
door ziekte, ongeval of gebreken niet in staat zijn om hun arbeid te verrichten. Dit geldt als hun werkgever niet verplicht
is tot loondoorbetaling. UWV treedt in een dergelijk situatie op als werkgever. De belangrijkste vangnetgroepen zijn:
zieke flexwerkers (mensen met een tijdelijk contract en uitzendkrachten), zieke werklozen, werkneemsters die ziek zijn
als gevolg van zwangerschap, zieke oudere werknemers die vallen onder de compensatieregeling loonkosten en
herintredende arbeidsongeschikten met een ‘no-risk polis’. De ZW-uitkering bedraagt maximaal 70% van het
laatstverdiende loon.
Wazo
De Wet arbeid en zorg (Wazo) bundelt een aantal wettelijke verlofvormen, zoals het zwangerschaps- en bevallingsverlof,
kraamverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof, ouderschapsverlof en kort- en langdurend zorgverlof. Soms bestaat er recht
op (gedeeltelijke) loondoorbetaling, soms op een uitkering van UWV. De Wazo-uitkering duurt minimaal 16 weken en
bedraagt 100% van het laatstverdiende loon.
Onderdeel van de Wazo is de regeling Zelfstandige en Zwanger (ZEZ). Deze regeling geeft vrouwelijke zelfstandigen
recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering van minimaal 16 weken. De hoogte van de uitkering hangt af van
het laatstverdiende loon en is maximaal even hoog als het minimumloon.
De financiering van de ZW en (het grootste deel van de) Wazo gebeurde tot 1 januari 2014 via de Sectorfondsen, het
Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) en het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Dit gebeurde door middel van
premieheffing over het loon. De sectorpremie kwam geheel voor rekening van de tot die sector behorende werkgevers.
De AWf-premie werd betaald door de werkgevers in de markt. De Ufo-premie kwam voor rekening van de werkgevers in
de overheidssector.
Per 1 januari 2014 is het onderdeel premiedifferentiatie van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid
vangnetters (Wet BeZaVa) in werking getreden. Hiermee zijn een aantal wijzigingen in de financieringssystematiek van
de publieke verzekering doorgevoerd. De financiering van de ZW voor flexibele werknemers is nu onderdeel van de
Werkhervattingskas (Whk). De ziektelasten van zieke werklozen blijven gefinancierd worden via het AWf en Ufo. De ZWlasten van de overige vangnetgroepen en de Wazo-lasten worden voortaan gefinancierd uit het
Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof). In box 1.2 wordt nader ingegaan op de implicaties van de wet BeZaVa op de ZW en
Wazo.
Voor de flexwerkers ZW (Sectorfondsen, Ufo) kan een werkgever eigenrisicodrager worden.
Juninota 2014
31
4. Ziekte en Zorg
In dit hoofdstuk worden de uitkeringen Ziektewet en Wazo behandeld. De uitkeringen worden
gefinancierd uit het Aof, de Sectorfondsen, het AWf en het Ufo. Per 1 januari 2014 vindt financiering van
de Ziektewet ook uit de Whk plaats. De uitwerking van de financiering per fonds staat in hoofdstuk 7.
4.1. Vangnet ZW
In tabel 4.1 staat de raming van de uitkeringsjaren ZW. De volgende uitkeringscategorieën worden
onderscheiden:
 uitkeringen aan uitzendkrachten;
 uitkeringen aan einde dienstverbanders;
 uitkeringen aan ex-werknemers met een WW-uitkering (zieke werklozen);
 uitkeringen in verband met ziekte gerelateerd aan zwangerschap en bevalling;
 uitkeringen aan herintredende ex-arbeidsongeschikten en aan zieke oudere werknemers die vallen
onder de compensatieregeling loonkosten (no-risk polis);
 uitkeringen aan vrijwillig verzekerden.
Daarnaast zijn er ook uitkeringen in overige situaties, hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld
orgaandonoren en overlijdensuitkeringen. Deze restcategorie is niet opgenomen in de uitsplitsingen naar
categorie in de tabellen omdat er geen goede toewijzing aan uitkeringsjaren en gemiddelde jaaruitkering
gegeven kan worden.
In 2014 neemt het totaal aantal uitkeringsjaren ZW af met 5.900 (-6,2%). Verwacht wordt dat dit aantal
in 2015 met 5.200 uitkeringsjaren (-5,8%) daalt.
Tabel 4.1.
Ontwikkelingen ZW1
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
Uitkeringsjaren
95,5
w.v. Uitzendkrachten
2015
89,6
84,4
7,3
5,0
4,4
Einde dienstverbanders
33,2
28,3
23,5
Zieke werklozen
30,4
31,9
31,9
Ziekte bij zwangerschap
15,6
15,6
15,6
No risk
7,3
7,3
7,3
Vrijwillig verzekerden
1,6
1,5
1,5
Gemiddelde jaaruitkering
16.439
w.v. Uitzendkrachten
16.889
17.245
13.481
12.802
13.127
Einde dienstverbanders
15.046
14.186
14.546
Zieke werklozen
17.358
17.484
17.608
Ziekte bij zwangerschap
18.992
19.356
19.731
No risk
14.136
14.073
14.041
Vrijwillig verzekerden
20.988
21.236
21.503
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
1)
2014
1.570
1.513
-6
-1
1.456
-2
1.564
1.513
1.454
7
39
-
Vanaf 2014 worden in alle interne en externe rapportages van UWV uniforme definities gebruikt voor de vangnetgroepen ZW. In tabel 4.1
is de nieuwe definitie als uitgangspunt genomen. Ten opzichte van de Januarinota treedt er een kleine trendbreuk op bij de groep
uitzendkrachten en einde dienstverbanders.
Juninota 2014
32
Box 4.1.
Eerstejaars ZW-beoordelingen
Per 1 januari 2013 is een aantal onderdelen van de wet BeZaVa in werking getreden. Eén van deze onderdelen is de
aanpassing van het ZW-criterium waarmee de voorwaarden voor het recht op ziekengeld na het eerste ziektejaar zijn
aangescherpt. Vóór 2013 gold de laatstelijk verrichte arbeid als maatstaf, sinds 1 januari 2013 is dat het kunnen
verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid (zoals ook bij de WIA). Bij de eerstejaars ZW-beoordeling wordt
vastgesteld of de ZW-uitkeringsgerechtigde op basis van belastbaarheid in staat is om na het 1e ziektejaar 65% van zijn
loon te verdienen met algemeen geaccepteerde arbeid.
Vanaf 2014 worden de resultaten van de eerstejaars ZW-beoordeling zichtbaar omdat het nieuwe criterium is gaan
gelden voor instroom in de ZW vanaf 1 januari 2013. In onderstaande tabel zijn de resultaten over het eerste kwartaal
van 2014 weergegeven.
> 65% in algemeen geaccepteerde
arbeid
Hersteld eigen werk
35%
Naar 2e ZW jaar
7%
58%
Als we kijken naar de uitkomsten van de beoordelingen tot en met het eerste kwartaal 2014, dan blijkt dat bij zo’n 35%
van de beoordeelde populatie de ZW-uitkering wordt beëindigd omdat is vastgesteld dat betrokkene algemeen
geaccepteerde arbeid kan verrichten. Daarnaast blijkt 7% bij de eerstejaars beoordeling niet (meer) arbeidsongeschikt te
zijn voor eigen werk. In het eerste kwartaal van 2014 is dus in 42% van de gevallen het recht op ziekengeld beëindigd;
58% is toegelaten tot het tweede ziektejaar.
In onderstaande grafiek is van de resultaten een uitsplitsing naar de verschillende vangnetgroepen in de ZW gemaakt.
Figuur 4.1
Resultaten eerstejaars ZW-beoordelingen 1e kwartaal 2014 naar vangnetgroep
100%
80%
57%
46%
61%
57%
60%
17%
40%
6%
20%
37%
33%
37%
36%
Einde dienstverbanders
Zieke werklozen
Uitzendkrachten
Overige vangnetters
6%
7%
0%
Algemeen geaccepteerde arbeid
Hersteld
Naar 2e ZW jaar
Het aandeel dat uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid is bij de verschillende vangnetgroepen van vrijwel
dezelfde orde van grootte. Verder valt op dat het aandeel hersteld voor eigen werk bij de uitzendkrachten hoger is dan bij
de andere vangnetgroepen.
Bij de getoonde resultaten dient nog wel te worden opgemerkt dat het effect op de ZW-uitkeringen beperkter is omdat
het overgrote deel van de ZW-populatie korter dan een jaar in de ZW zit en dus niet te maken krijgt met de eerstejaars
beoordeling. Voornamelijk voor de groep einde dienstverbanders en zieke werklozen komt het relatief vaker voor dat de
ZW-duur langer dan een jaar is. Bij deze groep heeft de eerste jaarsbeoordeling dan ook de grootste impact op de ZWuitkeringslasten.
De uitkeringen van uitzendkrachten en einde dienstverbanders (flexwerkers7) worden vanaf 2014 via een
gedifferentieerde premie bekostigd. Einde-dienstverbanders zijn werknemers die ziek waren op het
moment dat hun dienstverband afliep. De totale daling van het aantal uitkeringsjaren bij de flexwerkers in
2014 is 7.300 uitkeringsjaren (-18%). In 2015 wordt een daling van het uitkeringsvolume flexwerkers
verwacht van 5.300 uitkeringsjaren (-16%). Werkgevers kunnen voor uitzendkrachten en eindedienstverbanders eigenrisicodrager worden. Ze nemen dan de volledige verantwoordelijkheid voor de
uitvoering van de ZW over van UWV. Omdat de zieke uitzendkrachten en einde-dienstverbanders van
eigenrisicodragers volledig buiten het zicht van UWV vallen, is het niet mogelijk om een compleet beeld
van de ontwikkelingen in de ZW te geven. Een deel van de daling van het aantal uitkeringsjaren voor
7
De term ‘flexwerker’ suggereert ten onrechte dat het alleen om tijdelijke contracten gaat. Een werknemer heeft recht op
een Ziektewetuitkering als hij ziek is op het moment dat zijn vaste of tijdelijke contract eindigt. Dit geldt ook als men
binnen 4 weken na de beëindigingdatum ziek wordt en op dat moment geen baan of uitkering heeft (nawerking). Ontslag
uit een vast contract bij ziekte is rechtmatig bij faillissement van de werkgever en bij ziekmelding na ontslagaanzegging
(bij reorganisaties, vaststellingsovereenkomst).
Juninota 2014
33
flexwerkers wordt veroorzaakt door een toename van het eigenrisicodragerschap en heeft geen relatie
met de ontwikkeling van het verzuim van flexwerkers.
De daling van het uitkeringsvolume bij uitzendkrachten bedraagt 2.300 uitkeringsjaren (-32%) in 2014 en
600 uitkeringsjaren (-11%) in 2015. Hiervoor zijn de volgende oorzaken aan te wijzen:
 Stijging van het aantal eigenrisicodragers. Van 2013 op 2014 is het aandeel eigenrisicodragers in de
loonsom van de uitzendsector toegenomen van 57% naar 62%. Voor 2015 wordt een verdere stijging
verwacht naar 65%. De sterke daling van de uitkeringsjaren in 2014 wordt met name veroorzaakt
door de forse toename van het aandeel eigenrisicodragers in 2013 (circa 34% van de totale sector
loonsom). Het effect hiervan wordt goed zichtbaar in 2014 doordat pas in het tweede jaar na
uittreding de lopende uitkeringen van deze werkgevers sterk afnemen.
 Maatregelen van de wet BeZaVa (zie box 1.2). Dit betreft voornamelijk de aanpassing van het ZWcriterium na het eerste ziektejaar en in mindere mate de introductie van financiële prikkels voor
werkgevers middels premiedifferentiatie. Dit leidt tot mutaties in het aantal uitkeringsjaren van -13%
in 2014 en -5% in 2015.
De daling van het uitkeringsvolume bij eindedienstverbanders bedraagt 5.000 uitkeringsjaren (-15%) in
2014 en 4.700 uitkeringsjaren (-16,7%) in 2015. Hiervoor zijn de volgende oorzaken aan te wijzen:
 Stijging van het aantal eigenrisicodragers. De overstap van werkgevers naar het
eigenrisicodragerschap is bij de groep eindedienstverbanders beperkt zichtbaar in 2013. Van 2013 op
2014 is het aandeel eigenrisicodragers ZW in de loonsom gestegen van 5% naar 23%. Voor 2015
wordt een verdere stijging verwacht naar 32%. Ook voor eindedienstverbanders geldt dat de forse
toename van het eigenrisicodragerschapin 2014 pas in 2015 een sterk neerwaarts effect heeft op de
uitkeringsjaren.
 Maatregelen van de wet BeZaVa. Dit betreft voornamelijk de aanpassing van het ZW-criterium na het
eerste ziektejaar en in mindere mate de introductie van financiële prikkels voor werkgevers middels
premiedifferentiatie. Dit leidt tot mutaties in het aantal uitkeringsjaren van -12% in 2014 en -7% in
2015.
Werkgeversprikkels uit de wet BeZaVa hebben uitsluitend betrekking op de vangnetgroepen
uitzendkrachten en eindedienstverbanders.
De ontwikkeling van het aantal zieke werklozen reageert met enige vertraging op een stijging of daling
van de WW-uitkeringen. In 2014 zien we nog een stijging van het uitkeringsvolume zieke werklozen als
gevolg van de conjuncturele neergang in voorgaande jaren. De stijging in 2014 wordt gedempt door het
aangepaste ZW-criterium uit de wet BeZaVa dat in 2014 ook op de groep zieke werklozen invloed zal
hebben. In 2015 treedt een stabilisatie van het aantal uitkeringsjaren op.
Bij de vangnetcategorie ziekte bij zwangerschap (voor en/of na de reguliere zwangerschaps- en
bevallingsperiode) wordt voor 2014 en 2015 een stabilisatie van de uitkeringsjaren ZW verwacht.
Op grond van de ZW kan een werkgever het ziekengeld declareren van een ex-arbeidsongeschikte die hij
in dienst heeft genomen. Daarnaast worden werkgevers gecompenseerd voor loonkosten bij ziekte van
een specifieke groep oudere werknemers. Deze groepen zijn in tabel 4.1 bij de categorie no-risk
ondergebracht. De raming van het aantal uitkeringsjaren bij deze categorie blijft voor 2014 en 2015 op
gelijk niveau als voor 2013.
Voor de vangnetgroep vrijwillig verzekerden wordt een licht dalende trend van de uitkeringsjaren ZW
verwacht.
De gemiddelde jaaruitkering ZW stijgt in 2014 met 2,7% en in 2015 met 2,1%. Uitzendkrachten en einde
dienstverbanders hebben een gemiddeld lage ZW-uitkering. Hetzelfde geldt voor ex-werknemers met een
no-riskpolis. Zieke werklozen, zieke zwangeren en vrijwillig verzekerden hebben een gemiddeld hogere
uitkering. De gemiddelde jaaruitkering ZW volgt de ontwikkeling van de bruto-loonontwikkeling. De
incidentele daling bij de uitzendkrachten en eindedienstverbanders heeft te maken met een verbeterde
toerekening van ZW-uitkeringen aan de verschillende vangnetgroepen.
In tabel 4.1 worden ook de uitkeringen ZW op kasbasis gepresenteerd. Het bedrag is het product van de
uitkeringsjaren en de gemiddelde jaaruitkering. Het uitkeringsbedrag neemt in 2014 af met € 56 miljoen.
In 2015 nemen de uitkeringen verder af met € 58 miljoen. De afname is het gevolg van de maatregelen
uit de wet BeZaVa en de toename van het aantal eigenrisicodragers.
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringlasten in 2013 met € 7 miljoen naar boven bijgesteld. In
2014 zijn de uitkeringslasten met € 39 miljoen naar boven bijgesteld. Dit komt enerzijds doordat de
hogere realisatie in 2013 doorwerkt naar 2014 en anderzijds doordat lopende uitkeringen van nieuwe
eigenrisicodragers in het eerste jaar na uittreden hoger zijn dan waarmee in de Januarinota rekening is
gehouden. De bijstelling van € 39 miljoen betekent dus niet een tegenvaller voor de ZW als geheel, maar
een iets hogere inschatting van het UWV-aandeel in de lasten met daartegenover een iets lagere
inschatting van het aandeel van eigenrisicodragers in de lasten voor 2014.
Juninota 2014
34
In tabel 4.2 is het aantal uitkeringsjaren en de gemiddelde jaaruitkering per fonds weergegeven. Bij het
AWf neemt het volume ZW in 2014 fors af vanwege de overgang van de meeste vangnetgroepen van het
AWf naar het Aof. Ook bij de Sectorfondsen treedt een forse daling op in 2014. Vanaf 2014 worden
namelijk betalingen van ziekengeld aan flexwerkers, uitgezonderd van staartuitkeringen8, niet meer
vanuit de Sectorfondsen gefinancierd maar vanuit de Whk. Dezelfde financieringswijziging treedt op bij
het Ufo. Daarnaast gaan uitkeringen aan zieke zwangeren over naar het Aof.
Tabel 4.2.
Uitkeringsjaren en jaaruitkering ZW naar fonds
Uitkeringsjaren x 1.000 en gemiddelde jaaruitkering in €
2013
Uitkeringsjaren
2014
95,5
2015
89,6
84,4
AWf
52,3
31,0
31,0
Sfn
39,0
4,0
2,7
Ufo
4,2
0,8
0,8
Aof
-
24,5
24,5
Whk
-
29,3
25,3
Gemiddelde jaaruitkering
16.439
16.889
17.245
AWf
17.631
17.484
17.608
Sfn
14.841
12.963
13.196
Ufo
16.471
17.484
17.608
Aof
-
20.069
20.108
Whk
-
14.116
14.439
De gemiddelde jaaruitkering verschilt per fonds. Dit komt door verschil in de samenstelling van de
populatie per fonds. Bij de Sectorfondsen ontvangen flexwerkers met een gemiddeld lage
uitkeringsgrondslag een ZW-uitkering. In 2014 treedt een incidentele daling op in de gemiddelde
jaaruitkering bij de Sectorfondsen, wat deels veroorzaakt wordt door de hierboven genoemde verbetering
in de toerekening van ZW-uitkeringen. Daarnaast zorgt de sterke toename van het aandeel
uitzendkrachten in de populatie van de Sectorfondsen voor een verdere daling van de gemiddelde
jaaruitkering.
Bij het AWf is de populatie tot 2014 samengesteld uit onder andere zieke werklozen, zieke zwangeren,
mensen met een no-risk polis en vrijwillig verzekerden. Het grootste deel van deze uitkeringsgerechtigden
heeft een gemiddeld hogere uitkeringsgrondslag. Het Ufo verstrekt uitkeringen aan overheidswerknemers
met gemiddeld eveneens hogere uitkeringsgrondslagen. De overgang van met name vangnetgroepen
met een relatief hoge uitkering van het AWf en Ufo naar het Aof zorgt ervoor dat het Aof een relatief hoge
gemiddelde jaaruitkering heeft. De Whk financiert sinds 2014 de flexwerkers die voorheen uit de
Sectorfondsen en Ufo gefinancierd werden. Aangezien de omvang van de Sectorfondsen-populatie veel
groter is dan de Ufo-populatie is de gemiddelde jaaruitkering in 2014 van de Whk in lijn met de
gemiddelde jaaruitkering bij de Sectorfondsen.
4.2. Wazo
Deze paragraaf schetst de ontwikkeling van het volume arbeid- en zorgverlof. De ramingen zijn gebaseerd
op demografische en arbeidsmarktontwikkelingen zoals geboorteprognose, werkgelegenheid en
arbeidsparticipatie van vrouwen.
De uitkeringen die worden verstrekt voor regulier zwangerschaps- en bevallingsverlof (16 weken) en de
uitkeringen voor adoptie en pleegzorg vallen onder de Wazo. De lasten werden tot en met 2013
gefinancierd via de fondsen AWf en Ufo. Vanaf 2014 is de financiering naar het Aof overgegaan.
Voor 2014 wordt een marginale daling van 200 uitkeringsjaren (-0,5%) voorzien. Voor de komende jaren
wordt een omslag verwacht in het de laatste jaren dalende geboortepatroon9. Met het oog daarop wordt
8
9
Staartuitkeringen zijn uitkeringen aan flexwerkers die plaatsvinden na de datum dat het eigenrisicodragerschap van hun
werkgever is ingegaan, waarbij de eerste ziektedag wel vóór de datum van het eigenrisicodragerschap ligt. Deze
uitkeringen blijven via de Sectorfondsen en het Ufo gefinancierd worden. Als gevolg van de wet BeZaVa blijven naast
staartuitkeringen ook ZW-uitkeringen aan flexwerkers gestart vóór 1 januari 2012 achter in de Sectorfondsen en het Ufo.
ZW-uitkeringen gestart na 1 januari 2012 gaan per 1 januari 2014 over naar de Whk.
Bron: CBS Kernprognose 2013-2060
Juninota 2014
35
voor 2015 uitgegaan van een stabiliserend volume. De gemiddelde jaaruitkering neemt in 2014 toe met
€ 156 (+0,6%) en in 2015 met € 464 (+1,8%).
In tabel 4.3 worden de uitkeringen Wazo op kasbasis gepresenteerd. Het bedrag is gelijk aan het product
van uitkeringsjaren en gemiddelde jaaruitkering. Het uitkeringsbedrag neemt in 2014 toe met € 1 miljoen
(+0,1%) . In 2015 wordt een toename van € 19 miljoen (+1,8%) verwacht. De mutatie verplichtingen
zal positief worden in 2014 gezien de verwachte omslag in de uitkeringslasten.
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringslasten op kasbasis 2013 met € 10 miljoen (+0,9%)
naar beneden bijgesteld. Dit is het gevolg van 500 minder uitkeringsjaren (-1,3%) en een € 104 (+0,4%)
hogere prijs (de gemiddelde jaaruitkering) dan geraamd in de Januarinota. De bijstelling voor de
uitkeringslasten in 2014 bedraagt -€ 18 miljoen (-1,7%) en is toe te schrijven aan een lager volume van
300 uitkeringsjaren (-0,8%) en een lagere prijs van € 235 (-0,9%).
Tabel 4.3.
Ontwikkelingen Wazo1
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
Uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
1)
2013
2014
2015
40,3
40,1
40,1
25.762
25.919
26.383
1.038
1.039
1.058
-5
1
1
1.033
1.040
1.060
-10
-23
-
Exclusief ZEZ
De regeling ZEZ binnen de Wazo geeft recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor
zelfstandigen. De financiering van deze Wazo-uitkeringen gaat via een rijksbijdrage aan het Aof. Tabel 4.4
laat de ontwikkeling van de ZEZ zien. In de uitkeringslasten 2013 is een extra resultaat opgenomen van
€ 3,8 miljoen over 2012 met betrekking tot het vakantiegeld. Vakantiegeld van zwangere zelfstandigen
werd ten onrechte als WAZ-uitkering geboekt (zie ook paragraaf 2.4). De uitkeringsjaren vertonen een
licht stijgende tendens. De gemiddelde jaaruitkering in 2013 is exclusief de correctie voor het
vakantiegeld over 2012. De gemiddelde jaaruitkering stijgt in 2014 met 1,1% en in 2015 met 1,8%.
Behalve de reële prijsontwikkeling vormt ook de gewogen indexatie van het CPB een uitgangspunt in de
prijsverwachting. Als gevolg van de toename in zowel volume als prijs zullen de uitkeringen in 2015 met
€ 1,7 miljoen stijgen.
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringen over 2013 met € 7 miljoen naar boven bijgesteld
(+15,3%). In deze bijstelling is het extra resultaat van het vakantiegeld over 2012 opgenomen. Ook de
gemiddelde jaaruitkering ondergaat hiermee een forse opwaartse bijstelling van € 1.145 (+7,3%). Het
volume is met 0,3% naar beneden bijgesteld.
Voor 2014 zijn de uitkeringslasten met € 3,4 miljoen naar boven bijgesteld (+7,2%). Deze bijstelling
bestaat uit een hoger volume van 40 uitkeringsjaren (+1,3%) en een hogere prijs van € 945 (+5,9%).
Tabel 4.4.
Ontwikkelingen ZEZ
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
Uitkeringsjaren
Gemiddelde jaaruitkering
Uitkeringen op kasbasis
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Juninota 2014
2013
2014
2015
2,9
3,0
3,0
16.779
16.970
17.275
53
50
52
0
0
0
53
50
52
7
3
-
36
Re-integratie in hoofdlijnen
De financiering van de re-integratie is via de moederwetten geregeld. Het gaat hierbij om de arbeidsongeschiktheidswetten Wajong, WGA, WAO, WAZ (in de tabellen afgekort als AG), de ZW en de WW. De kosten voor re-integratieinspanningen komen ten laste van hetzelfde fonds als waaruit de oorspronkelijke uitkering wordt gefinancierd. De reintegratie WW wordt gefinancierd uit het AWf, de re-integratie WAO en WAZ wordt gefinancierd uit het Aof, de reintegratie Wajong uit het Afj. Voor de re-integratie WGA gold een gespreide financiering over de fondsen Aof, Whk,
Sectorfondsen en Ufo tot 2014; vanaf 2014 wordt de re-integratie WGA alleen gefinancierd uit Aof en Whk. De reintegratie ZW werd tot 2014 gefinancierd uit het AWf en vanaf 2014 uit het AWf, Aof en Whk.
Uit de UWV-fondsen worden de volgende re-integratielasten gefinancierd:
 ZW-no-risk-uitkeringen, dit betreft compensatie aan werkgevers bij ziekte van arbeidsgehandicapten en oudere
werknemers;
 loonkostensubsidies;
 voorzieningen, dit betreft Jobcoaching, vervoersvoorzieningen, meeneembare voorzieningen en intermediaire
voorzieningen;
 subsidie aan instellingen, dit betreft subsidies aan speciale onderwijsinstellingen;
 inkoop van re-integratiediensten bij re-integratiebedrijven;
 ZW-Arbo interventies, dit betreft ingekochte kortdurende acties ten behoeve van ZW-uitkeringsgerechtigden.
Juninota 2014
37
5. Re-integratie
In dit hoofdstuk worden de totale uitgaven aan re-integratie door UWV weergegeven. Uitkeringen,
subsidies en voorzieningen re-integratie worden via de moederwetten geregeld. Om zicht te houden op
de totale kosten die met re-integratie gemoeid zijn, wordt in dit hoofdstuk een samenvattend overzicht
gegeven.
Tabel 5 biedt een overzicht van de programmakosten re-integratie 2013-2015.
Tabel 5.
Overzicht programmakosten re-integratie 2013-2015
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
103
103
102
2
0
0
Onderwijsvoorzieningen
22
23
23
Werkvoorzieningen
92
88
110
Subsidie aan instellingen
12
13
13
Inkoop arbeidsbemiddeling AG
90
98
105
0
Uitkeringslasten
ZW-uitkeringen
Overig
Loonkostensubsidies
Voorzieningen
Inkoop arbeidsbemiddeling WW
ZW Arbo Interventies
55plus regeling
Programmakosten overig
Totale Programmakosten
2
0
11
7
6
0
5
13
0
1
1
335
338
373
De raming van de programmakosten re-integratie 2013 is met € 3 miljoen (-1%) neerwaarts bijgesteld
tot € 335 miljoen. De raming voor 2014 is € 24 miljoen (-7%) naar beneden bijgesteld tot € 338 miljoen.
Werkvoorzieningen leveren met € 12 miljoen de grootste bijdrage aan de neerwaartse bijstelling in 2014.
In de Januarinota 2014 is nog uitgegaan van het budget van € 100 miljoen terwijl de huidige nota een
reële raming geeft die is gebaseerd op de realisaties in 2014. Deze raming komt € 12 miljoen lager uit.
In 2015 zijn voor voorzieningen en trajecten de gebudgetteerde bedragen als raming opgenomen.
Hiermee neemt de raming voor werkvoorzieningen toe van € 88 miljoen in 2014 naar € 110 miljoen in
2015.
Medio 2014 is ook voor 2015 een reële raming voor werkvoorzieningen beschikbaar die het
gebudgetteerde bedrag zal vervangen. In het kader van de Participatiewet stellen sociale partners zich
garant voor de creatie van 125.000 garantiebanen in de periode 2015-2025. Deze banen zijn de eerste
jaren vooral bedoeld voor mensen met een Wsw-indicatie en jonggehandicapten. UWV blijft de
werkvoorzieningen voor deze garantiebanen verzorgen. UWV gaat bovendien de re-integratie van mensen
met een oude Wajong-uitkering intensiveren. De invloed van beide ontwikkelingen is nog onbekend en
veroorzaakt de onzekerheid van de raming 2015.
Uitkeringslasten
Op grond van de ZW kan een werkgever het ziekengeld van een gere-integreerde arbeidsgehandicapte
declareren en compensatie krijgen voor loonkosten bij ziekte van oudere werknemers. De uitkeringslasten
in de periode 2013-2015 veranderen nauwelijks. Vanaf 2014 worden de ZW-uitkeringen door het Aof
gefinancierd in plaats van het AWf, dit is een gevolg van de wet BeZaVa.
Loonkostensubsidies
De regeling loonkostensubsidies is per 1 januari 2012 gestopt. In 2013 werden uitsluitend overlopende
betalingen verricht; in 2014 en 2015 worden geen betalingen meer verwacht.
Voorzieningen
Voorzieningen worden onderverdeeld in onderwijsvoorzieningen en werkvoorzieningen.
Onderwijsvoorzieningen worden uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap (OCW). Het betreft meeneembare voorzieningen, vervoersvoorzieningen en intermediaire
voorzieningen die worden verstrekt in het kader van de regeling Overige onderwijsvoorzieningen (OOS).
Juninota 2014
38
Deze voorzieningen worden gefinancierd via het Afj door middel van een rijksbijdrage van OCW. De
programmakosten onderwijsvoorzieningen zijn voor heel 2013 uitgekomen op € 22 miljoen. Voor 2014 en
2015 wordt jaarlijks € 23 miljoen aan uitkeringen verwacht. De uitvoeringskosten bedragen € 2,2 miljoen
per jaar in de periode 2013-2015.
Werkvoorzieningen worden uitgevoerd in opdracht van het ministerie van SZW. Het betreft meeneembare
voorzieningen, vervoersvoorzieningen, intermediaire voorzieningen en de Jobcoach. Voor de
werkvoorzieningen geldt vanaf 1 januari 2012 een taakstellend budget. Werkvoorzieningen voor
jonggehandicapten worden uit het Afj gefinancierd en voor overige arbeidsongeschikten uit het Aof. De
uitgaven aan werkvoorzieningen zijn voor heel 2013 uitgekomen op € 92 miljoen. Voor 2014 en 2015 is
het budget vastgesteld op € 110 miljoen per jaar. Naar verwachting zal hiervan in 2014 € 88 miljoen
worden uitgegeven.
Subsidies aan instellingen
De lasten betreffen subsidies aan onderwijsinstellingen. Deze subsidies komen voor rekening van het Afj.
In 2013 is voor een bedrag van ruim € 12 miljoen aan subsidies verstrekt. Voor 2014 en 2015 wijzigt dit
bedrag naar verwachting nauwelijks. De raming voor 2014 is € 13,2 miljoen en voor 2015 € 13,3 miljoen.
Inkoop arbeidsbemiddeling
Voor de inkoop van arbeidsbemiddeling voor arbeidsongeschikten stelt SZW een taakstellend budget vast.
In 2013 is € 90 miljoen besteed. In 2014 zal vrijwel het volledige budget worden benut, € 98 miljoen van
de gebudgetteerde € 100 miljoen. Voor 2015 is het budget vastgesteld op € 105 miljoen.
De inkoop van arbeidsbemiddeling voor WW’ers is op 1 januari 2012 gestopt. De uitgaven aan deze reintegratieactiviteiten in 2013 zijn € 2 miljoen en betreffen overlopende betalingen. In 2014 en 2015
worden geen betalingen meer verwacht.
ZW-Arbo interventies
De ZW-Arbo-interventies worden ingezet om de re-integratie van werknemers met een ZW-uitkering te
bevorderen. Het gaat dan bijvoorbeeld om medische interventies zoals: whiplashtraining en specifieke
psychotherapie zoals gedragsinterventies. In 2013 zijn de lasten € 11 miljoen. Het toekomstige beleid is
erop gericht uitkeringsgerechtigden te re-integreren middels een traject in plaats van een interventie.
Hiermee wordt een effectievere inzet van middelen verwacht. In 2014 is een bedrag van € 7 miljoen
geraamd voor medische interventies, in 2015 daalt dit bedrag naar € 6 miljoen.
55-plus regeling
Het kabinet heeft in overleg met de sociale partners plannen ontwikkeld voor het aan het werk helpen van
werkloze ouderen (55-plussers). Onderdelen van dit plan zijn:
 netwerktrainingen
 inspiratiedagen
 inzet van plaatsingsfees en scholingsvouchers
In de netwerktrainingen staat inzicht in competenties en presentatievaardigheden van werkzoekenden
centraal, alsmede het netwerken met werkgevers. Inspiratiedagen zijn bedoeld om de negatieve
beeldvorming bij werkgevers over oudere werknemers te beïnvloeden. In geval van concreet zicht op
werk kan aan een werkgever of werkzoekende een scholingsvoucher van maximaal € 750 beschikbaar
worden gesteld. De plaatsingsfee is een vergoeding die wordt betaald aan een intermediair die een
dienstbetrekking voor een 55-plusser vindt. De hoogte van een plaatsingsfee hangt af van de duur van
het dienstverband.
Juninota 2014
39
De TW en Wtcg in hoofdlijnen
TW
De Toeslagenwet (TW) heeft tot doel toeslagen te verlenen tot het relevante sociaal minimum. Toeslagen kunnen worden
verstrekt bovenop de uitkeringen van de zogenoemde moederwetten: WAO, WAZ, Wajong, WIA, WW, ZW, Bia
(Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidsverzekeringen) en IOW. De toeslag vult het loon of
de uitkering aan tot het geldend sociaal minimum. De uitkering samen met de toeslag kan nooit hoger zijn dan het loon
dat werd verdiend vóór werkloosheid of ziekte. De Toeslagenwet vult ook het loon aan wanneer de werkgever in het
tweede ziektejaar minder dan 100% van het loon doorbetaalt en diens zieke werknemer daardoor onder het sociaal
minimum raakt.
De volgende personen hebben recht op een toeslag:
 een gehuwde of samenwonende, die per dag een inkomen heeft lager dan het minimumloon per dag;
 een ongehuwde, die een kind heeft jonger dan 18 jaar (met recht op kinderbijslag en niet tot het huishouden van
een ander behorend) en per dag een inkomen heeft lager dan 90% van het minimumloon per dag;
 een alleenstaande, die per dag een inkomen heeft lager dan 70% van het minimumloon per dag.
Geen recht op toeslag heeft:
 een ongehuwde jonger dan 21 jaar, die behoort tot het huishouden van zijn (pleeg)ouders;
 een gehuwde/samenwonende van wie de partner is geboren na 31 december 1971, tenzij tot de huishouding
behoort een eigen, aangehuwd of pleegkind dat jonger is dan 12 jaar (1990-maatregel).
Wtcg
De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) keert jaarlijks een vast bedrag uit aan iedereen met
een lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering van ten minste 35% op de peildatum van 1 juli.
De Tegemoetkoming arbeidsongeschikten is er voor mensen die (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt zijn. Zij krijgen de
tegemoetkoming als zij op 1 juli:
 recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering van UWV (WAO-, WIA-, Wajong- of WAZ-uitkering);
 35% of meer arbeidsongeschikt zijn;
 verzekerd zijn voor de AWBZ. Iedereen die in Nederland woont of werkt, is hiervoor automatisch verzekerd.
Juninota 2014
40
6. Toeslagen en tegemoetkomingen
In dit hoofdstuk worden de volume- en financiële ontwikkelingen met de toeslagen en tegemoetkomingen
in het kader van de Toeslagenwet, de wet Bia, de IOW en de wet Wtcg weergegeven.
6.1. TW
De Toeslagenwet (TW) voorziet in toeslagen op een uitkering van de moederwetten WAO, WIA, WAZ,
Wajong, WW, ZW, Bia en IOW.
In tabel 6.1 staan de uitkeringsjaren en gemiddelde bedragen uitgesplitst naar de verschillende
moederwetten. Het totaal aantal uitkeringsjaren TW stijgt in 2014 met 6.100 (+3,0%) en in 2015 met
3.800 (+1,8%). Zowel in 2014 als in 2015 levert toeslag WW de grootste bijdrage aan de toename, het
aantal uitkeringsjaren in 2014 stijgt met 4.000 en in 2015 met 1.800. Verder nemen toeslag WAO/WIA
en toeslag Wajong toe en dalen toeslag WAZ en toeslag ZW. De toename van het aantal toeslagen
WAO/WIA komt doordat onder de wegvallende WAO-uitkeringen (veelal uitstroom door pensionering)
relatief minder en lagere toeslagen voorkomen dan in de WIA-populatie.
De gemiddelde jaaruitkering verandert in 2014 meer of minder dan de index. Dit heeft te maken met de
ontwikkeling van de gemiddelde jaaruitkering in de eerste maanden van 2014. In 2015 stellen we de
toename wel gelijk aan de verhoging van het minimumloon.
Tabel 6.1.
Ontwikkelingen TW en Bia
Uitkeringsjaren x 1.000, gemiddelde jaaruitkering in € en bedragen x € 1 miljoen
2013
Uitkeringsjaren TW
2014
200,1
WAO/WIA
2015
206,1
209,9
61,2
61,3
3,0
2,7
2,4
Wajong
85,6
86,8
89,1
WW
WAZ
61,4
41,2
46,2
48,0
ZW
8,6
8,4
7,9
Bia/IOW
0,5
0,8
1,1
Uitkeringsjaren Bia
Gemiddelde toeslag TW
0,3
0,3
2.229
0,3
2.268
2.287
WAO/WIA
3.881
3.956
4.014
WAZ
3.145
3.046
3.091
601
623
632
WW
2.867
2.870
2.913
ZW
3.236
3.285
3.334
Wajong
Bia/IOW
Gemiddelde jaaruitkering Bia
3.123
3.158
3.202
7.057
7.117
7.222
446
467
480
-1
-1
0
Uitkeringen op transactiebasis TW
445
466
480
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
1
2
-
Uitkeringen op kasbasis TW
Mutatie verplichtingen TW
De bijstelling van het Toeslagenfonds (Tf) ten opzichte van de Januarinota 2014 is voor 2014 + € 1
miljoen en is een gevolg van een hoger bedrag aan mutatie verplichtingen. In 2015 is de bijstelling + € 2
miljoen Het uitgekeerd bedrag is € 3 miljoen omhoog bijgesteld, de mutatie verplichtingen met - € 1
miljoen. Zowel volume (+ 100 uitkeringsjaren) als prijs (+ 0,6% gemiddelde jaaruitkering) zijn licht
omhoog bijgesteld.
Juninota 2014
41
6.2. Wtcg
De Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) keert jaarlijks een bedrag uit aan
iedereen die op de peildatum van 1 juli ten minste 35% arbeidsongeschikt is en een
arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt. In 2013 is daarnaast de tijdelijke regeling tegemoetkoming
voor niet-AWBZ-verzekerde arbeidsongeschikten uitgevoerd. Met deze regeling werd de terugwerkende
kracht voor de export van de tegemoetkoming Wtcg geregeld. De wet (W)tcg is met ingang van 2014
afgeschaft nu maakt het besluit (B)tcg deel uit van de moederwetten. Dit besluit biedt tevens de
mogelijkheid tot export van tegemoetkomingen voor arbeidsongeschikten.
In totaal is voor een bedrag van ruim € 31 miljoen aan export uitkeringen verstrekt. In 2014 wordt de
netto uitkering met € 90 verlaagd naar € 252. Deze verlaging is er een uit de reeks van
kabinetsmaatregelen om het begrotingstekort terug te dringen. Voor 2015 is hetzelfde tarief
aangehouden als in 2014.
In 2014 daalt het uitgekeerd bedrag met € 140 miljoen (-32%), deze daling is vrijwel volledig toe te
schrijven aan de lagere tegemoetkoming in 2014.
De bijstelling omhoog met € 5 miljoen komt omdat in de Januarinota 2014 nog werd uitgegaan van een
daling van de tegemoetkoming met € 95 in plaats van € 90 terwijl het aantal uitkeringen met 9.700
(+1,3%) omhoog is bijgesteld.
Tabel 6.2.
Ontwikkelingen Wtcg
Volume x 1.000 en bedragen x € 1 miljoen
2013
Aantal uitkeringen WTCG
2014
767,5
2015
-
-
WAO
351,8
-
-
WIA
174,8
-
-
WAZ
19,6
-
-
221,4
-
-
Wajong
Aantal Tegemoetkomingen
-
762,4
754,2
WAO
-
320,3
294,9
WIA
-
192,5
211,4
WAZ
-
17,0
15,0
Wajong
-
232,6
232,9
Uitkeringen op kasbasis
434
Mutatie verplichtingen
Uitkeringen op transactiebasis
Bijstelling Uitk. op transactiebasis
Juninota 2014
294
290
0
0
434
294
290
0
5
-
42
7. Fondsen
In de voorgaande hoofdstukken zijn de ontwikkelingen beschreven van de twaalf door UWV uitgevoerde
wetten. Deze wetten worden gefinancierd via 7 fondsen. In figuur 7.1 is de financiering van de fondsen
weergeven tot 2014.
Figuur 7.1.
Whk
WIA
ZW
Fondsen en wetten tot 2014
Sfn
Aof
Awf
Ufo
WAO
WAZ
WW
WAZO
Afj
WAJONG
Tf
OOS
TW
Bia
WTCG
IOW
Met ingang van 2014 is de premiedifferentiatie van de wet BeZaVa in werking getreden, wat heeft geleid
tot een aanpassing in de financiering. Figuur 7.2 representeert de situatie vanaf 2014. De lijn Whk-ZW is
toegevoegd. De lijnen AWf-Wazo en Ufo-Wazo zijn verdwenen omdat de Wazo vanaf 2014 geheel uit het
Aof wordt gefinancierd. De lijnen Sfn-WIA, Sfn-ZW en Ufo-WIA zijn in de tweede figuur vervangen door
stippellijnen omdat dit nog alleen maar financiering van staartuitkeringen betreft.
Figuur 7.2.
Whk
WIA
ZW
Juninota 2014
Fondsen en wetten vanaf 2014
Sfn
Aof
Awf
Ufo
WAO
WAZ
WW
WAZO
Afj
WAJONG
Tf
OOS
TW
Bia
WTCG
IOW
43
7.1. Aof
Het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) financierde tot en met 2013 uitkeringen voor de wetten WIA,
WAO, WAZ en Wazo-ZEZ. Sinds 1 januari 2014 financiert het Aof als gevolg van de wet BeZaVa ook een
deel van de ZW10 en de gehele Wazo. Tabel 7.1 biedt een overzicht van de baten en lasten van het Aof in
de periode 2013-2015. De totale lasten zullen in 2014 met € 1,7 miljard (+18%) stijgen, doordat de
uitkeringslasten met € 1,3 miljard (+18%) zijn toegenomen. Deze toename wordt veroorzaakt doordat
nu ook een deel van de ZW en de gehele Wazo vanuit dit fonds worden gefinancierd. In 2015 nemen de
totale lasten met € 129 miljoen (-1,2%) af, met name door een daling in de uitkeringslasten van € 79
miljoen (-0,9%). De daling in de uitkeringslasten komt met name omdat de WAO en de WAZ harder
dalen dan de WIA groeit.
De Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt vanaf 2013 onder de sociale lasten verantwoord. De bijdrage Zvw
neemt in 2014 toe met € 100 miljoen (+18%) door de invoering van de wet BeZaVa. In dit verband
nemen ook de sociale werkgeverslasten toe met € 186 miljoen (+27%). De re-integratielasten nemen in
2014 licht toe, dit komt vooral door de verwachte stijging in de inkoop van arbeidsbemiddeling voor
arbeidsongeschikten. In 2015 wordt een stijging voorzien van € 11 miljoen door hogere uitgaven voor
werkvoorzieningen. Ook de programmakosten overig nemen licht toe. De bijdrage van het Aof aan de
Sectorfondsen blijft gehandhaafd op € 85 miljoen. De uitvoeringskosten nemen in 2014 toe met € 36
miljoen als gevolg van de verandering in de fondsfinanciering door BeZaVa. In 2015 wordt een daling van
€ 12 miljoen verwacht conform de daling in de uitkeringen.
De premiebaten nemen in 2014 toe met € 2,1 miljard (+26%). De belangrijkste oorzaken voor deze
stijging vormen de teruggaaf van premies aan werkgevers in 2013, en een hogere Aof-premie in 2014.
Exclusief het percentage voor de werkgeversbijdrage kinderopvang (0,5%) bedraagt de premie 4,95% in
2014 tegenover 4,65% in 2013.
De premiebaten in 2015 worden gerealiseerd bij een calculatiepremie van 5,15% (excl. premie
kinderopvang). De rentebaten nemen in 2014 af vanwege het dalend verloop van de rente.
10
De ZW-uitkeringen in het Aof zijn uitkeringen bij ziekte bij zwangerschap, no-risk, vrijwillige verzekering en overig.
Juninota 2014
44
Tabel 7.1.
Financieel overzicht Aof
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
7.560
8.901
8.822
ZVW premie
568
668
657
Overige sociale lasten
677
863
825
46
49
60
Toevoeging voorzieningen
5
-1
0
Rentelasten
0
0
0
93
99
99
395
431
419
9.344
11.010
10.881
8.084
10.207
10.780
Rentebaten
13
10
10
Rijksbijdrage WAZO-ZEZ
60
56
58
Overige baten
32
32
32
8.189
10.306
10.881
-1.155
-705
-1
1.499
794
793
425
451
451
1.074
343
343
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
Sociale lasten
Overig
Re-integratielasten
Programmakosten overig
Uitvoeringskosten
Totale lasten
Baten
Premiebaten
Overig
Totale baten
Saldo
Vermogenspositie
Vermogen
Liquiditeitsreserve
Dekkingssaldo
7.2. Whk
De financiering van de eerste tien jaar van de WGA vindt grotendeels plaats vanuit de Werkhervattingskas
(Whk). Werkgevers hebben daarbij de keuze om eigenrisicodrager te worden voor het Whk-deel van de
WGA. In tabel 7.2 staat een overzicht van de baten en lasten in de periode 2013-2015. Met ingang van
2014 worden uitkeringen WGA-vangnet voor flexwerkers en uitkeringen ZW voor flexwerkers uit de Whk
gefinancierd als gevolg van de inwerkingtreding van de wet BeZaVa. De uitkeringslasten nemen hierdoor
met € 750 miljoen toe in 2014. Doordat ze de ontwikkeling van de uitkeringslasten volgen neemt de
bijdrage Zvw 2014 toe met € 51 miljoen en de sociale werkgeverslasten met € 81 miljoen. De
uitvoeringskosten in 2014 nemen fors toe met € 104 miljoen vanwege de uitbreiding van de financiering
van uitkeringen uit de Whk. In 2015 stijgen de uitkeringslasten met € 119 miljoen (+10%) omdat er
meer WGA-flex uitkeringen aan de Whk worden toegerekend. Als gevolg hiervan nemen de bijdrage Zvw
met € 8 miljoen (+10%) en de overige sociale lasten met € 6 miljoen (+ 5,0%). De stijging van de
laatste post is lager vanwege een daling van het totaal van sociale werkgeverspremiepercentages.
De premiebaten in 2015 stijgen met € 137 miljoen (+9,4%) bij een calculatiepremie Whk van 1,08%. De
calculatiepremie Whk is opgebouwd uit een calculatiepremie voor de WGA-vast-verzekering van 0,50%,
voor de WGA-flex van 0,25% en voor de ZW van 0,33%
Het vermogen van de Whk bestaat uit 2 delen. Het eerste deel is de rentehobbel. Tot en met 2012 werd
een opslag op de reguliere Whk-premie geheven om dit vermogensdeel op te bouwen. Sinds 2013 is deze
opslag nihil. Het rentehobbelvermogen groeit in 2014 met € 8 miljoen (+0,5%) door rentebaten over dit
deel van het vermogen. De tweede component is het reguliere vermogen. Dit deel daalt in 2014 met € 6
miljoen (-2,2%). Er is weliswaar een positief exploitatiesaldo van € 2 miljoen, maar na aftrek van de
genoemde rentebaten ten behoeve van de rentehobbel is er per saldo een negatief resultaat voor het
reguliere deel.
Juninota 2014
45
Tabel 7.2.
Financieel overzicht Whk
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
384
1.134
1.253
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
Sociale lasten
ZVW premie
32
83
91
Overige sociale lasten
38
119
125
Re-integratielasten
7
23
25
Toevoeging voorzieningen
4
3
3
Programmakosten overig
0
0
0
11
115
106
477
1.477
1.603
Overig
Uitvoeringskosten
Totale lasten
Baten
Premiebaten
Rentehobbel
31
0
0
607
1.462
1.599
Rentebaten rentehobbel
7
8
8
Rentebaten regulier
1
1
1
Overige baten
5
8
8
Totale baten
650
1.480
1.617
Saldo
173
2
14
1.463
1.471
1.479
267
261
267
21
66
71
246
195
195
Regulier
Overig
Vermogenspositie
Vermogen
Rentehobbel
Regulier
Liquiditeitsreserve
Dekkingssaldo
Juninota 2014
46
Box 7.1.
Calculatiepremies Whk 2015
UWV maakt jaarlijks in Juninota calculatiepremies voor het komende jaar bekend. Calculatiepremies zijn premies waarbij
lasten en baten in evenwicht zijn. Er wordt in de calculatiepremie geen rekening gehouden met het interen van een
dekkingsoverschot of het inlopen van een dekkingstekort.
Voor de Werkhervattingskas (Whk) bestaat de calculatiepremie uit drie delen, een voor de WGA-vast verzekering, een
voor de WGA-flex en een voor de ZW. De definitieve Whk-premies zullen op maandag 1 september bekend worden
gemaakt door UWV. De calculatiepremies uit deze Juninota geven een goede indicatie van de te verwachten orde van
grootte van de definitieve premies.
De calculatiepremie Whk voor 2015 bedraagt 1,08%. Dit is 0,05%-punt hoger dan het vastgestelde rekenpercentage van
1,03% van 2014. Deze stijging wordt voornamelijk veroorzaakt door een oplopende premie WGA-flex, wat een logisch
gevolg is van het feit dat meer WGA-flex lasten voor rekening van de Whk komen en minder voor rekening van de
Sectorfondsen.
Premie WGA-vast vrijwel onveranderd
De calculatiepremie voor WGA-vast bedraagt voor 2015 0,50%. Dat is lager dan het rekenpercentage van 0,51% in
2014. De rekenpremie valt normaal overigens iets hoger uit dan de calculatiepremie vanwege onder meer compensatie
voor de maximumpremie, maar bij de vaststelling van de rekenpremie speelt ook een rol dat eventuele
vermogensoverschotten langzaam afgebouwd moeten worden. Momenteel kent de Whk een vermogensoverschot (zie
tabel 7.2).
Premie WGA-flex stijgt
De calculatiepremie voor WGA-flex bedraagt 0,25%. Dit is een stijging van 0,07%-punt ten opzichte van het
rekenpercentage van 0,18% in 2014.
Met dit hogere premieniveau worden hogere lasten gedekt. In 2015 moet dit deel van de Whk-premie de uitkeringen
WGA-flex ontstaan in de periode 2012-2015 financieren, terwijl in 2014 de periode een jaar korter was: 2012-2014.
Naar verwachting zal de premie de komende jaren blijven stijgen al zal deze stijging elk jaar afvlakken. Pas in 2022 zal
deze premie een structureel niveau bereiken wanneer de termijn van 10 jaar waarin uitkeringen worden doorbelast aan
de werkgever verstreken is. Voor de resterende duur zal het Aof de lasten voor zijn rekening nemen.
Tegenover de stijging van de WGA-flex premie binnen de Whk staat een daling van de WGA-flex premie bij de
sectorfondsen van gemiddeld 0,03%-punt. Hier gebeurt het tegenovergestelde van wat er bij de Whk gebeurt: de te
financieren uitkeringslasten nemen af, omdat de Sectorfondsen alleen uitkeringen ontstaan vóór 2012 financiert. Deze
daling zal zich de komende jaren voortzetten.
Premie ZW vrijwel onveranderd
De calculatiepremie voor de ZW bedraagt 0,33%. Dit is 0,01% lager dan het rekenpercentage van 0,34% in 2014.
Gebleken is dat dit laatste percentage te laag is vastgesteld, doordat UWV is uitgegaan van een te hoog verzekerde
loonsom. Dit is een gevolg van de destijds moeilijk in te schatten uitgangssituatie voor de premiedifferentiatie ZW. Deze
premiedifferentiatie is in het kader van de wet BeZaVa ingevoerd per 1 januari 2014 en kent een veel lagere drempel om
eigenrisicodrager te worden. Omdat in 2014 nog eenmalig een opslag op de premie is ingecalculeerd vanwege de
noodzakelijke opbouw van een wettelijk vereiste liquiditeitsreserve uit zich dit echter niet in een premiestijging in 2015.
Bekend is dat ongeveer 2.500 werkgevers eigenrisicodrager zijn geworden op 1 januari 2014 en dat minimaal 1.000
werkgevers eigenrisicodrager zullen worden per 1 juli 2014. De loonsom bij UWV zal hierdoor in 2014 met ruim € 25
miljard dalen ten opzichte van 2013. Voor 2015 anticipeert UWV op een verdere afname van € 15 miljard. Dit heeft
overigens nauwelijks invloed op de gemiddelde premiehoogte omdat de nog lopende ZW-lasten voor deze werkgevers
niet langer uit de Whk gefinancierd worden.
7.3. Afj
Het Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten (Afj) financiert de Wajong-uitkeringen en reintegratielasten van jonggehandicapten. Dit fonds wordt volledig gefinancierd door een rijksbijdrage.
De uitkeringen stijgen in 2014 met € 158 miljoen (+6,5%) en in 2015 met € 116 miljoen (+4,5%). Van
de totale toename in 2014 komt 5,1% voor rekening van meer uitkeringsjaren, in 2015 is de toename
van het volume 2,6%. De gemiddelde jaaruitkering stijgt met 1,3% in 2014 en 1,9% in 2015. Het bedrag
aan Zvw-premie beweegt mee met het geldende percentage in dat jaar.
De re-integratielasten zijn in 2013 en 2014 vrijwel gelijk maar stijgen in 2015. De toename in 2015 wordt
veroorzaakt door de werkvoorzieningen. In 2014 zal naar verwachting € 53 miljoen aan
werkvoorzieningen worden uitgekeerd, het budget voor 2015 is bepaald op € 65 miljoen.
De overige lasten zijn het saldo van niet rijksgefinancierde baten (verhaal, regres) en overige lasten
(rente).
Juninota 2014
47
Tabel 7.3 Lasten Afj
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
2.446
2.604
2.720
189
199
206
0
0
0
115
113
127
Onderwijsvoorzieningen
22
23
23
Toevoeging voorziening
2
2
2
-6
-6
-6
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
Sociale lasten
ZVW premie
Overige sociale lasten
Overig
Re-integratielasten
Overig1
Uitvoeringskosten
Onderwijsvoorzieningen
Overig
Totale lasten
1)
2
2
2
170
172
163
2.941
3.108
3.238
Baten zijn in mindering gebracht op de overig lasten, met uitzondering van de rijksbijdragen.
7.4. AWf
Het AWf financiert de volgende programmakosten:
 WW-uitkeringen na de eerste 6 maanden werkloosheid;
 loonbetalingsverplichtingen aan werknemers van in betalingsonmacht verkerende werkgevers;
 tot en met 2013 de ZW-uitkeringen aan de volgende vangnetgroepen: vrouwen, die ziek zijn als
gevolg van zwangerschap, zieke WW’ers, vrijwillig verzekerden, zieke oudere werknemers
(loonkostencompensatie) en herintredende arbeidsongeschikten (no-riskpolis).
 vanaf 2014 alleen de vangnetgroep zieke WW’ers;
 tot en met 2013 de reguliere uitkeringen bij zwangerschaps- en bevallingsverlof en uitkeringen bij
adoptie en pleegzorg (Wazo);
 kosten voor re-integratie WW en ZW;
 bijdrage Sectorfondsen;
 bijdrage voor de kosten van de Sociaal Economische Raad (SER).
De resultatenrekening van het AWf wordt weergegeven in tabel 7.4. De totale lasten nemen in 2014 met
€ 572 miljoen (-8%) af en in 2015 met € 122 miljoen (+2%) toe. De afname in 2014 is het saldo van een
verdere stijging van de lasten WW en een daling van de lasten ZW en Wazo. De lasten WW blijven
toenemen als gevolg van de volumetoename WW als gevolg van de crisis. Als gevolg van de wet BeZaVa
gaan de uitkeringen Wazo en een deel van de ZW-uitkeringen over naar het Aof. De toename in 2015 is
het gevolg van de nasleep van de economische crisis. Voor verdere toelichting zie paragraaf 3.1 (WW),
4.1 (ZW) en 4.2 (Wazo).
In 2014 stijgen de totale baten met € 749 miljoen (+22%). De belangrijkste oorzaak is het hogere
premiepercentage in 2014 van 2,15% (2013 : 1,7%). De rijksbijdrage komt in 2014 € 32 miljoen lager
uit dan in 2013.
Bij de bepaling van de premiebaten 2015 is uitgegaan van een calculatiepremie van 3,77%. Bij dit
premieniveau stijgen de premiebaten 2015 met € 3.047 miljoen (+80%). De rijksbijdrage neemt € 37
miljoen (-26%) af.
De AWf-premie ligt al geruime tijd ver beneden lastendekkend niveau. Het saldo op de resultatenrekening
in 2013 is € 4.206 miljoen negatief. Hierdoor komt het vermogen ultimo 2013 uit op € 8.050 miljoen
negatief.) Voor 2014 wordt een negatief saldo van baten en lasten verwacht van € 2.885 miljoen. Het
vermogen van het fonds komt eind 2014 uit op € 10.935 miljoen negatief.
Het AWf beschikt over een reserve dekking werkloosheidslasten. Deze reserve is beschikbaar voor
perioden met een lage (of geen) economische groei. Voor 2014 is bijdrage voor de reserve dekking
werkloosheidslasten vastgegeteld op € 0 miljoen.
Gezien de verwachte negatieve omvang van het vermogen eind 2014 en het geringe economische herstel
stelt UWV de bijdrage voor de reserve dekking werkloosheidslasten ook voor 2015 vast op € 0 miljoen.
Juninota 2014
48
Tabel 7.4
Financieel overzicht AWf
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
5.439
4.871
5.047
ZVW premie
412
357
368
Overige sociale lasten
514
502
498
286
326
295
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
Sociale lasten
Overig
Bijdrage Sectorfondsen
Toevoeging voorzieningen
Re-integratielasten
Rentelasten
Programmakosten overig
Uitvoeringskosten
Totale lasten
0
0
0
41
27
35
27
7
27
39
39
33
802
820
788
7.540
6.969
7.091
3.057
3.831
6.878
Baten
Premiebaten
Overig
Rentebaten
0
0
0
Rijksbijdrage
174
142
105
Overige baten
104
112
109
3.335
4.084
7.091
-4.206
-2.885
0
-8.050
-10.935
-10.935
Totale baten
Saldo
Vermogenspositie
Vermogen
Liquiditeitsreserve
Dekkingssaldo
Reserve dekking werkloosheidslasten
Resterend dekkingssaldo
0
0
0
-8.050
-10.935
-10.935
0
0
0
-8.050
-10.935
-10.935
7.5. Sectorfondsen
De Sectorfondsen financieren de volgende programmakosten:
 WW-uitkeringen gedurende het eerste half jaar werkloosheid;
 tot 2014 de uitkeringen aan zieke flexwerkers. Vanaf 2014 alleen de ZW-uitkeringen die gestart zijn
vóór 1 januari 2012 en de ZW-staartuitkeringen van eigenrisicodragers. ZW-staartuitkeringen zijn
uitkeringen aan flexwerkers die plaatsvinden na de datum waarop het eigenrisicodragerschap van hun
werkgever is ingegaan, waarbij de eerste ziektedag wel voor de datum van het eigenrisicodragerschap
ligt;
 tot 2014 de uitkeringen aan flexwerkers in het kader van de WGA. Vanaf 2014 de WGA-uitkeringen
die gestart zijn voor 1 januari 2012 en de WGA-staartuitkeringen van eigenrisicodragers WGA vanaf
2014 (alleen voor kleine en middelgrote werkgevers, grote werkgevers betalen zelf hun
staartuitkeringen).
Tabel 7.5 geeft een overzicht van de lasten en baten van de Sectorfondsen. De totale lasten dalen in 2014
met € 969 miljoen (-19%) en in 2015 met € 88 miljoen (-2%). De sterke daling in 2014 is het gevolg van
de wet BeZaVa waardoor de ZW-lasten bijna volledig en WGA-lasten gedeeltelijk overgaan naar de Whk.
De afname in 2015 wordt veroorzaakt doordat de WW-lasten fors afnemen en ook de WGA-lasten verder
dalen. Voor verdere toelichting zie paragraaf 3.1 (WW), 4.1 (ZW) en 2.1 (WGA).
Juninota 2014
49
De baten in 2014 nemen toe door hogere premiebaten. Dit is het gevolg van een hoger gemiddelde
sectorpremie en een hogere bijdrage vanuit het AWf.
De bijdrage van het AWf en het Aof aan de Sectorfondsen bestaat uit de volgende componenten:
 het overschrijden van het lastenplafond WW dat per sector wordt vastgesteld: in 2014 is de bijdrage
van het AWf € 250 miljoen en in 2015 € 223 miljoen;
 compensatie van extra WW-lasten als gevolg van doorbetaling van de eerste 13 weken bij ziekte van
een werkloze: het AWf compenseert een bedrag van € 76 miljoen in 2014 en € 72 miljoen in 2015;
 vanaf 1 januari 2013 is de compensatie van een kwart van de ziekengeldlasten en een kwart van de
vangnet WGA-lasten in de sector Uitzendbedrijven als gevolg van de wet BeZaVa vervangen door een
vast bedrag van € 85 miljoen vanuit het Aof.
In 2014 zullen de baten de lasten met € 919 miljoen overtreffen. Het vermogen wordt daardoor minder
negatief, evenals het dekkingssaldo dat resulteert uit het verschil tussen het vermogen en het
vastgestelde normvermogen. Het positieve saldo van baten en lasten in 2014 zorgt ervoor dat het
vermogenstekort afneemt van - € 1.358 miljoen ultimo 2013 tot - € 438 miljoen ultimo 2014. Bij de
vaststelling van de sectorpremie moeten sectoren met een vermogenstekort dit voor minstens een derde
inlopen. Grofweg daalt het vermogenstekort van de Sectorfondsen dan dus met een derde. Omdat de
verwachtingen omtrent de WW sinds de vaststelling van de sectorpremies positiever zijn geworden,
neemt naar verwachting het vermogenstekort met meer dan een derde (namelijk met € 919 miljoen) af.
De benodigde premiebaten ter dekking van de lasten in 2015 leiden tot een calculatiepremie van 1,98%.
Het negatieve vermogen betekent dat het feitelijke gemiddelde sectorpremieniveau hoger zal uitkomen
dan 1,98%.
Box 7.2.
Ontwikkeling sectorale loonsom
De Sectorfondsen omvatten 61 sectoren, waarvoor afzonderlijk een sectorpremie wordt berekend op basis van de
sectorale loonsommen. Deze box beschrijft in hoofdlijnen de ontwikkeling van de sectorale loonsommen, waarin de
afgelopen jaren interessante verschillen zijn opgetreden tussen enkele groepen van sectoren, zie figuur 7.3.
Figuur 7.3. toont voor de jaren 2006 – 2013 de ontwikkeling van de sectorale loonsom, met 2008 als referentiepunt
(loonsom in 2008 = 100%). 2008 was het laatste jaar voor de crisis. De 61 sectoren zijn gegroepeerd in 4 categorieën:
Bouwbedrijven, Uitzendbedrijven, Zorgsector en Overig.
Figuur 7.3.
Ontwikkeling sectorale loonsom 2006 – 2013
130
120
110
100
90
80
70
2006
2007
Bouwbedrijven
2008
2009
Uitzendbedrijven
2010
2011
Zorgsector
2012
2013
Overig
De volgende opvallende verschillen komen naar voren:
 De Zorgsector stijgt t/m 2013 stabiel en werd de afgelopen jaren ook wel de banenmotor van de economie
genoemd. De verwachting is echter dat vanaf 2014 deze sector niet meer zo sterk groeit en mogelijk gaat krimpen
vanwege de dreigende ontslagen;
 De categorie Bouwbedrijven is dalend, aanvankelijk langzaam en vervolgens versneld. Bij deze sectoren (waaronder
ook schilders, stukadoors, timmerbedrijven etc.) speelt niet alleen de economische crisis een rol, maar verlaten de
laatste jaren ook steeds meer werknemers de sector om als zzp’er in dezelfde sector verder te werken;
 De categorie Uitzendbedrijven is aanvankelijk snel dalend, daarna stijgend (toen in 2010/2011 de crisis voorbij leek)
en vervolgens weer dalend omdat crisis doorzette (pro-cyclisch beeld);
 Voor de overige sectoren komen geen bijzonderheden naar voren.
Juninota 2014
50
De Sectorfondsen omvatten 61 sectoren. Voor elke sector afzonderlijk wordt een sectorpremie berekend.
Bovendien wordt bij 7 sectoren11 de sectorpremie gedifferentieerd naar premiegroepen. De onderlinge
verschillen tussen de sectoren hebben vooral te maken met het verschil in het totaal van werkloosheid en
ziekteverzuim. De sector Uitzendbedrijven heeft te maken met relatief de hoogste lasten. Voor een
overzicht van alle sectoren wordt verwezen naar bijlage 5.
In 2014 hebben 56 sectoren hogere baten dan lasten, tegen 27 sectoren in 2013. Oorzaak voor deze
sterke daling is dat de verwachtingen omtrent de WW sinds de vaststelling van de sectorpremies
positiever zijn geworden. Het negatief vermogen daalt van € 1.358 miljoen ultimo 2013 naar € 438
miljoen negatief ultimo 2014. Oorzaak voor deze sterke stijging is de reeds eerder genoemde bijstelling
van de verwachtingen omtrent de WW. Het aantal sectoren met een negatief vermogen daalt in 2014 van
46 naar 30 sectoren. Het dekkingssaldo is het verschil tussen het vermogen en het normvermogen. Bij
een negatief dekkingssaldo zal de sectorpremie hoger worden vastgesteld dan de lastendekkende premie.
Bij een positief dekkingssaldo kan de sectorpremie lager vastgesteld worden dan de lastendekkende
premie. Het aantal sectoren met een negatief dekkingssaldo daalt van 46 sectoren in 2013 naar in 2014
30 sectoren. Bij het vaststellen van de sectorpremie wordt rekening gehouden met sectorspecifieke
factoren. Zo is het mogelijk om een sectorreserve (onderdeel van het normvermogen) op te bouwen als
een sector de afgelopen jaren sterk wisselende WW-lasten heeft gehad. Als gevolg van de overgang van
de ZW van de Sectorfondsen naar de Whk per 1 januari 2014 is de ZW-reserve in 2014 op 0 gesteld.
Tabel 7.5 Financieel overzicht Sectorfondsen
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
4.028
3.220
3.183
ZVW premie
301
233
229
Overige sociale lasten
379
328
324
18
18
9
2
5
3
Sociale lasten
Overig
Toevoeging voorzieningen
Rentelasten
Programmakosten overig
Uitvoeringskosten
Totale lasten
2
2
2
347
303
269
5.077
4.108
4.020
4.379
4.541
3.575
Baten
Premiebaten
Overig
Rentebaten
Bijdrage AWf/Aof
Overige baten
Totale baten
Saldo
0
0
0
372
411
380
32
75
65
4.782
5.028
4.020
-295
919
0
-1.358
-438
-438
Vermogenspositie
Vermogen
Normvermogen
w.v. Sectorreserve
ZW-reserve vangnet
Liquiditeitsreserve
Dekkingssaldo
11
5
0
0
80
0
0
0
-1.442
0
-439
0
-439
Bij 5 sectoren gaat het om een hoge en lage premie afhankelijk van de contractduur van de werknemers. Dit zijn
Agrarisch bedrijf, Bouwbedrijf, Horeca Algemeen, Culturele instellingen en Schildersbedrijf. Bij twee sectoren zijn er
subcategorieën werkgevers: de Grafische industrie en Uitzendbedrijven.
Juninota 2014
51
7.6. Ufo
Het Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo) financiert uitkeringen aan (ex-)overheidspersoneel voor de
WW, ZW, Wazo en de WGA-uitkeringen aan flexwerkers. Overheidswerkgevers zijn eigenrisicodrager voor
de WW. Dit houdt in dat de WW-uitkeringen worden betaald uit het Ufo en, met uitzondering van de
doorbetaling van WW bij ziekte, worden verhaald op de overheidswerkgevers. Vanaf 2014 gaan in
verband met BeZaVa de uitkeringen Wazo en een deel van de uitkeringen ZW over naar het Aof. De ZWen WGA-uitkeringen aan flexwerkers verhuizen naar de Whk. Wel blijven de ZW-uitkeringen voor zieke
werklozen en de staartuitkeringen ZW-flex en WGA bij het Ufo achter.
In tabel 7.6 staat het financiële overzicht van het Ufo voor de jaren 2013, 2014 en 2015. De totale lasten
nemen in 2014 met € 277 miljoen (-36%) af. De uitkeringslasten Wazo, ZW en WGA nemen af in verband
met BeZaVa. In 2015 nemen de totale lasten met € 45 miljoen (+9%) toe, als gevolg van de
aanhoudende crisis en de krimpende overheid blijft het volume WW in 2015 stijgen.
De premiebaten nemen in 2014 met € 25 miljoen (-7%) af. In 2013 zijn de premiebaten eenmalig door
UWV gecorrigeerd. Dit is samen met de ontwikkeling van het aantal verzekerden en de loonontwikkeling
bij de overheid de oorzaak van den daling.
De post verhaal ex artikel 79 WW betreft de declaratie van de WW-uitkeringslasten van werkloze
overheidswerknemers bij de (ex-)overheidswerkgevers. De declaratie bestaat uit de WW-uitkeringslasten
inclusief vakantiegeld en sociale werkgeverslasten, maar exclusief doorbetaling WW bij ziekte. In 2014 is
sprake van een toename van het verhaal ex artikel 79 WW met € 44 miljoen (+12%). Voor 2015 wordt
een verdere stijging met € 45 miljoen (+11%) verwacht.
Het saldo van baten en lasten is in 2013 € 71 miljoen negatief. Het vermogen ultimo 2013 komt uit op
€ 192 miljoen negatief. Na aftrek van de liquiditeitsreserve van € 24 miljoen ontstaat ultimo 2013 een
negatief dekkingssaldo van € 216 miljoen. Deze liquiditeitsreserve is gelijk aan het vermogen dat
aanwezig was bij de oprichting van het Ufo en is dus geen vast percentage van de lasten zoals bij
sommige andere fondsen het geval is. Voor 2014 wordt een positief saldo van baten en lasten verwacht
van € 224 miljoen vanwege te hoge premiebaten. Het dekkingssaldo ultimo 2014 verbetert naar
€ 7 miljoen positief. De verwachte calculatiepremie 2015 komt uit op 0,19%.
Juninota 2014
52
Tabel 7.6
Financieel overzicht Ufo
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
619
390
432
ZVW premie
48
30
32
Overige sociale lasten
60
39
42
0
1
0
Lasten
Uitkeringslasten
Uitkeringen
Sociale lasten
Overig
Rentelasten
Programmakosten overig
Uitvoeringskosten
Totale lasten
6
3
1
34
28
28
768
491
536
343
318
94
Baten
Premiebaten
Overig
Verhaal ex art 79 WW
353
397
442
Rentebaten
0
0
0
Overige baten
0
0
0
Totale baten
697
715
536
Saldo
-71
224
0
-192
31
31
24
24
24
-216
7
7
Vermogenspositie
Vermogen
Liquiditeitsreserve
Dekkingssaldo
7.7. Tf
Het Toeslagenfonds (Tf) verstrekt toeslagen op een uitkering van de moederwetten WAO, WIA, WAZ,
Wajong, WW, ZW, Bia en IOW. Daarnaast worden de Bia-, Wtcg- en IOW-uitkeringen uit dit fonds
gefinancierd.
De ontwikkelingen in de uitkeringsjaren bij de moederwetten bepalen in belangrijke mate de financiële
ontwikkeling van het Tf. In 2014 zal het bedrag aan toeslagen toenemen met € 21 miljoen (+4,7%) en in
2015 met € 14 miljoen (+3,0%). In 2014 komt de toename grotendeels voor rekening van de toeslag
WW (€ 14 miljoen). Verder stijgen de toeslagen WAO/WIA met € 5 miljoen en de toeslagen Wajong met
€ 3 miljoen. De toename van de toeslag WW en de toeslag Wajong is te verklaren uit de toename van de
moederwet. De toeslag WAO/WIA neemt toe met de verandering in de verhouding WAO/WIA. Ook in
2015 komt de stijging grotendeels voor rekening van de toeslag WW – zij het in mindere mate dan in
2014 – en de toeslag WAO/WIA.
De uitgaven Wtcg/tegemoetkoming dalen in 2014 omdat de netto tegemoetkoming daalt met € 90 (van
€ 342 in 2013 naar € 252 in 2014).
De lasten IOW nemen verder toe in de periode 2013-2015. Dit is het gevolg van de stijging van het
aantal IOW-uitkeringen die wordt veroorzaakt door de toename van de doelgroep (60-plussers die
wegens het bereiken van de maximale WW-duur uitstromen uit de WW) en een langere IOW-duur als
gevolg van de verhoging van de pensioenleeftijd.
De uitvoeringskosten hebben betrekking op de Wtcg en IOW. De uitvoeringskosten TW worden gedragen
door de fondsen van de betreffende moederwetten.
Juninota 2014
53
Tabel 7.7
Financieel overzicht Tf
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
Lasten
Uitkeringslasten1
Toeslagen TW
445
WAO/WIA
466
242
9
8
7
51
54
56
118
132
140
28
27
26
WAZ
Wajong
WW
ZW
Bia/IOW
Uitkeringen WTCG
480
237
2
434
247
3
-
4
-
WAO
202
-
-
WIA
100
-
-
WAZ
11
-
-
121
-
Wajong
Tegemoetkomingen
-
294
290
WAO
-
121
111
WIA
-
74
82
WAZ
-
7
6
Wajong
-
91
92
Bia-uitkeringen
2
2
2
13
20
29
ZVW premie
35
37
38
Overige sociale lasten
37
41
43
IOW-uitkeringen
Sociale lasten
Overig
7
7
7
7
Programmakosten overig
2
0
Uitvoeringskosten
Totale Lasten
1)
9
Toevoeging voorziening
7
0
2
2
2
977
869
891
Vakantiegeld 2013: € 29 miljoen, 2014: € 32 miljoen, 2015: € 33 miljoen.
7.8. Bijstellingen
Bij de bijstellingen ten opzichte van de Januarinota wordt de focus gelegd op de uitkeringslasten. In totaal
zijn de uitkeringslasten 2013 met € 25 miljoen opwaarts bijgesteld. De uitkeringslasten 2014 zijn met
€ 522 miljoen neerwaarts bijgesteld. De belangrijkste oorzaak hiervoor is de grote daling van de WWlasten als gevolg van een lager volume van de WW.
Ten opzichte van de Januarinota zijn de uitkeringslasten Aof voor 2013 met € 24 miljoen naar boven
bijgesteld. Deze bijstelling komt voornamelijk voor rekening van de WAO met € 22 miljoen hogere
uitkeringslasten. De opwaarste bijstelling van € 45 miljoen in 2014 bestaat voornamelijk uit een saldo van
hogere uitkeringslasten bij de ZW (€ 51 miljoen), WAO (€ 12 miljoen), IVA (€ 31 miljoen) en lagere
uitkeringslasten bij de WGA (€ 27 miljoen) en Wazo (€ 23 miljoen).
De realisatie van de uitkeringslasten Whk 2013 komt overeen met de raming in de Januarinota. De
raming van de uitkeringslasten Whk 2014 is met € 43 miljoen naar beneden bijgesteld, doordat de
uitkeringslasten van de WGA-vast en WGA-flex beide met € 5 miljoen naar beneden zijn bijgesteld en de
uitkeringslasten van de ZW met € 33 miljoen. Per saldo is de ZW voor 2014 wel opwaarts bijgesteld (zie
paragraaf 4.1), maar het aandeel van de Whk in dat totaal daalt dus.
De uitkeringslasten Afj nemen ten opzichte van de Januarinota voor 2013 toe met € 3 miljoen en voor
2014 met € 8 miljoen. De toename voor 2013 is het resultaat van 2 tegengestelde effecten van het
volume (-0,1%) en de prijs (0,2% gemiddelde jaaruitkering). De bijstelling voor 2014 wordt uitsluitend
veroorzaakt door de toename van de uitkeringsjaren (+0,4%).
Juninota 2014
54
De uitkeringsbedragen in 2013 voor het AWf zijn vergeleken met de Januarinota met € 64 miljoen naar
boven bijgesteld. Dit als gevolg van een hoger volume WW en een hogere gemiddelde jaaruitkering WW.
Daar tegenover stonden lagere faillissementsuitkeringen en minder mutatie verplichtingen.
In 2014 bedraagt de neerwaartse bijstelling voor het AWf € 166 miljoen. De bijstelling wordt grotendeels
veroorzaakt door een lager volume WW en een lagere gemiddelde jaaruitkering. De raming van zowel de
faillisementsuitkeringen als de mutatie verplichtingen zijn neerwaarts aangepast.
De uitkeringsbedragen in 2013 voor de Sectorfondsen zijn vergeleken met de Januarinota met € 69
miljoen naar beneden bijgesteld. Dit als gevolg van een lagere volume WW. Deze neerwaartse bijstelling
valt vrijwel volledig weg tegen de opwaartse bijstelling van het Awf in 2013. Er is dan ook voornamelijk
sprake van een verdelingsvraagstuk. In 2014 bedraagt de neerwaartse bijstelling voor de Sectorfondsen
€ 353 miljoen. De bijstelling wordt grotendeels veroorzaakt door een lager volume WW. De gemiddelde
jaaruitkering is daarentegen enigszins naar boven bijgesteld.
Bij het Ufo komt de opwaartse bijstelling 2013 met € 3 miljoen voort uit een hogere gemiddelde
jaaruitkering. In 2014 is sprake van een neerwaartse bijstelling met € 21 miljoen. Dit is het gevolg van
een lager volume WW en een lagere gemiddelde jaaruitkering.
De bijstelling van het Toeslagenfonds (Tf) ten opzichte van de Januarinota 2014 is voor 2013 + € 1
miljoen en volgt uit een hoger bedrag aan mutatie verplichtingen. In 2014 is de bijstelling + € 7 miljoen
voornamelijk als gevolg van een opwaartse bijstelling met € 5 miljoen in 2014 van de aotegemoetkomingen.
Tabel 7.8 Bijstellingen uitkeringsbedragen per fonds
Bedragen x € 1 miljoen
2013
Aof
2014
24
45
Whk
0
-43
Afj
3
8
AWf
64
-166
Sfn
-69
-353
Ufo
3
-21
Tf
0
7
25
-522
Totaal
Juninota 2014
55
Lijst van afkortingen
Afj
Aof
AOW
AWf
AWBZ
BeZaVa
Bia
BBP
CBS
CEP
CPB
EMU
ESF
IOW
IVA
LKS
MEV
OCW
OOS
SER
Sfn
SUWI
SZW
Tf
TW
Ufo
UWV
Wajong
WAO
WAZ
Wazo
WGA
Whk
WIA
WKA
Wsw
Wtcg
WUL
WW
WWB
ZEZ
Zvw
ZW
Juninota 2014
Arbeidsondersteuningsfonds jonggehandicapten
Arbeidsongeschiktheidsfonds
Algemene ouderdomswet
Algemeen Werkloosheidsfonds
Algemene wet bijzondere ziektekosten
Beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters
Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidsverzekeringen
Bruto binnenlands product
Centraal Bureau voor de Statistiek
Centraal Economisch Plan
Centraal Planbureau
Economische en Monetaire Unie
Europees Sociaal Fonds
Inkomensvoorziening oudere werklozen
Inkomensvoorziening Volledig en duurzaam Arbeidsongeschikten (onderdeel van de
WIA)
Loonkostensubsidie
Macro Economische Verkenning
Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Overige onderwijsvoorzieningen
Sociaal Economische Raad
Sectorfondsen
Structuur uitvoering werk en inkomen
Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Toeslagenfonds
Toeslagenwet
Uitvoeringsfonds voor de overheid
Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen
Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet arbeidsongeschiktheid zelfstandigen
Wet arbeid en zorg
Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (onderdeel van de WIA)
Werkhervattingskas
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid
Wet sociale werkvoorziening
Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten
Wet uniformering loonbegrip
Werkloosheidswet
Wet werk en bijstand
Zelfstandig en zwanger-regeling (onderdeel van de Wazo)
Zorgverzekeringswet
Ziektewet
56
Begrippenlijst
Calculatiepremie
De lastendekkende premie die het dekkingssaldo constant houdt.
Dekkingssaldo
Het verschil tussen de aanwezige reserve en het normvermogen.
Exploitatiesaldo
Het saldo van de totale baten en de totale lasten.
Franchise
Dat gedeelte van het loon per dag waarover géén premie verschuldigd is (de zogenaamde heffingsvrije
voet).
Maximaal loon per dag waarover premie wordt geheven
Loon per dag waarover premie wordt geheven
franchise
Loon per dag waarover géén premie wordt geheven
Grondslag
Loonsom waarover premie wordt geheven.
Herleidingsfactor
In de traditionele definitie (nog van kracht in WAO, WAZ en oude Wajong) is de herleidingsfactor gelijk
aan de gemiddelde mate van arbeidsongeschiktheid. In de WIA en de nieuwe Wajong is er niet altijd
meer sprake van een eenduidig verband tussen de mate van arbeidsongeschiktheid en de
uitkeringshoogte. Zo krijgen gedeeltelijk arbeidsongeschikten in de WGA tijdens de loongerelateerde fase
een volledige uitkering. Nieuwe Wajongers krijgen zolang ze schoolgaand zijn een lagere uitkering
krachtens de studieregeling. In de WIA en nieuwe Wajong is de herleidingsfactor daarom meer een
financiële maat die de gemiddelde verhouding aangeeft tussen de werkelijk ontvangen uitkering en de
maximaal mogelijke uitkering. De herleidingsfactor bepaalt de verhouding tussen herleide en niet-herleide
uitkeringsjaren.
Niet-herleide uitkeringsjaren
Het aantal jaren dat de uitkeringsgerechtigden aan arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangen, zonder
te corrigeren voor de mate van arbeidsongeschiktheid.
Herleide uitkeringsjaren
Product van niet-herleide uitkeringsjaren en herleidingsfactoren.
Indexering
Het aanpassen van de hoogte van uitkeringen aan de loonontwikkeling. De aanpassing wordt vastgesteld
door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op basis van ramingen van het Centraal
Planbureau.
Jonggehandicapte
Iemand die op zijn 17e verjaardag arbeidsongeschikt is of als student arbeidsongeschikt wordt.
Kasbasis
Administratievorm waarbij lasten en baten worden geboekt in de maand waarin ze betaald zijn (uitgaven
en inkomsten). Een alternatief is de administratie op transactiebasis. Bij deze administratievorm worden
lasten en baten geboekt in de maand waarop ze betrekking hebben.
Juninota 2014
57
Lastendekkende premie
De premie die voldoende is om het verschil tussen de lasten en de niet-premiebaten (inclusief
premiebaten voorgaande jaren) te dekken.
Lasten
Exploitatierekening
Baten
premiebaten
niet-premiebaten
Lastendekkende premie = (lasten - niet-premiebaten) / loonsom
Bij de lastendekkende premie is het exploitatiesaldo nul.
Lastenplafond
Objectief criterium voor de maximale WW-lasten die een sector zelf moet kunnen dragen.
Liquiditeitsreserve
Het bedrag dat aan het begin van elk jaar aanwezig moet zijn, zodat rentebaten en rentelasten elkaar in
evenwicht houden. Het bedrag wordt berekend als een (vast) percentage van de lasten (exclusief
toevoegingen aan voorzieningen) verminderd met de niet-premiebaten.
Loondoorbetalingsverplichtingen
Overname (door het AWf) van loondoorbetalingsplicht van de werkgever bij betalingsonmacht.
Moederwetten
Wetten waarbij toeslagen voorkomen, dit zijn de ZW, WW, WAO, WIA, WAZ, Wajong en BIA.
Mutatie in de verplichtingen
De lasten zoals die in de administratie van UWV verschijnen zijn de lasten op kasbasis: de werkelijk
betaalde gelden. Een gedeelte van deze betalingen heeft betrekking op voorgaande of volgende jaren. Bij
de verantwoording op transactiebasis wordt voor deze achteraf- en vooruitbetalingen gecorrigeerd. Deze
correctie wordt zichtbaar gemaakt onder de noemer “mutatie verplichtingen”.
Normvermogen
De reserve die door een fonds moet worden aangehouden. Deze reserve kan een of meer doelgerichte
reserves omvatten (bijvoorbeeld: liquiditeitsreserve, sectorreserve of ZW-reserve).
Premiegroep
Gedifferentieerde sectorfondspremie binnen een sector naar verschillende categorieën werkgevers.
Premieplichtig inkomen
Inkomen waarover premies worden afgedragen. Tot het inkomen behoren naast loon ook rente en winst.
Premieplichtige loonsom
Het deel van het loon waarover premies werknemersverzekeringen moet worden afgedragen.
Loonsom = (grondslag - franchise) x aantal gewerkte dagen
Re-integratietraject
Door UWV bij re-integratiebedrijven ingekochte dienstverlening, gericht op toeleiding van de
arbeidsgehandicapte naar (betaalde) arbeid.
Rekenpremie
Premie waarmee de sociale lasten worden berekend.
Rentehobbelopslag
Opslag op de publieke WGA-premie in het kader van een gelijk speelveld tussen UWV en private
verzekeraars. UWV financiert op basis van het omslagstelsel, private verzekeraars doen dat op basis van
rentedekking (bij ingaan van een risico wordt direct een reservering gemaakt voor toekomstige kosten).
Hierdoor is de UWV-premie tijdens de opbouwfase van de WGA lager dan de private premie, die direct
min of meer op het structurele niveau ligt. De rentehobbelopslag compenseert voor dit verschil. De
rentehobbelopslag heeft bestaan van 2007 t/m 2012. Het via de rentehobbelopslag opgebouwde
vermogen bedraagt ruim € 1,4 mld. Dit vermogen staat opgenomen in de financiële overzichten van de
Whk, maar maakt geen deel uit van het dekkingssaldo. Het wordt dan ook niet gebruikt in het kader van
fondsbeheer.
Juninota 2014
58
Reserve dekking werkloosheidslasten
Reserve die de premie van het AWf minder afhankelijk maakt van conjuncturele schommelingen. De
hoogte is gemaximeerd tot een reserve plafond.
Sectorreserve
Een reserve (bij de Sectorfondsen) ter dekking van de werkloosheidslasten.
Transactiebasis
UWV verantwoordt op transactiebasis. Dit betekent dat uitkeringen, vakantiegeld en sociale lasten niet
worden verantwoord in het jaar waarin zij zijn uitbetaald, maar in het jaar waarop zij betrekking hebben.
Volume
Beroep op een fonds uitgedrukt in aantal uitkeringsjaren.
ZW-reserve
Een reserve bij de Sectorfondsen ter dekking van de ziekengeldlasten van vangnetgroepen.
Verbanden tussen begrippen
Vermogen, normvermogen en dekkingssaldo
De ontvangsten van de premiegefinancierde fondsen lopen achter bij de uitgaven. Het verschil dient in
principe uit eigen middelen te worden gefinancierd. Daarom is bepaald dat het vermogen aan het eind
van het jaar groter of gelijk moet zijn dan het normvermogen. Er is sprake van een dekkingssaldo als het
feitelijke vermogen afwijkt van het normvermogen.
Premiepercentage, lastendekkende premie, normvermogen, calculatiepremie en
dekkingssaldo
Het premiepercentage is opgebouwd uit 3 componenten:
 de lastendekkende premie;
 een opslag/korting voor de mutatie van het normvermogen;
 een opslag/korting voor het wegwerken van het dekkingssaldo.
De lastendekkende premie plus de opslag/korting voor de mutatie van het normvermogen is de
calculatiepremie.
Juninota 2014
59
Bijlage I
Nieuwe wet- en regelgeving
De financiële- en volumeontwikkelingen van de fondsen zijn onderhevig aan veranderende wet- en
regelgeving. Van de wetswijzigingen, die in deze bijlage worden besproken, worden de effecten
meegenomen in de ramingen.
Algemeen
Wet woonlandbeginsel in de sociale zekerheid
Voor de Algemene Kinderbijslagwet, de Algemene nabestaandenwet, de Wet op het kindgebonden budget
en de WGA-vervolguitkering zal het woonlandbeginsel worden ingevoerd. Dit houdt in dat (bij export van
de uitkering buiten de EU) de hoogte van de uitkering wordt afgestemd op het kostenniveau van het land
waar de uitkeringsgerechtigde en/of het kind woont. De ingangsdatum voor nieuwe gevallen was 1 juli
2012 en voor lopende gevallen 1 januari 2013.
Wet uniformering loonbegrip
Met deze wet worden verschillen tussen het loonbegrip voor de premieheffing werknemersverzekeringen
en de loonheffing weggenomen. Het afschaffen van de franchise in premieheffing AWf is het gevolg van
deze wet. De wet is 1 januari 2013 in werking getreden.
Wet koppeling met afwijkingsmogelijkheid (WKA)
De uitkeringen en het minimumloon zijn gekoppeld aan de contractloonstijging van het bedrijfsleven. De
indexering vindt plaats op 1 januari en 1 juli. Het CPB raamt in het Centraal Economisch Plan (CEP) 2014
een contractloonstijging van 0,53% op 1 januari 2014 en 0,64% op 1 juli 2014. Voor 2015 wordt een
contractloonstijging verwacht van 0,98% zowel op 1 januari als op 1 juli.
Wijziging Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) in verband met mobiliteitsbonussen
Deze wijziging zorgt ervoor dat het premiekortinginstrumentarium voortaan meer gericht op het in dienst
nemen in plaats van het in dienst houden van mensen. De middelen worden hierbij gericht op de groepen
mensen met de grootste afstand tot de arbeidsmarkt zoals ouderen en arbeidsgehandicapten. De
wijziging is ingegaan per 1 januari 2013.
Verhoging AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd is op 1 januari 2013 en opnieuw op 1 januari 2014 met een maand verhoogd. In de
jaren daarna wordt de pensioengerechtigde leeftijd in stapjes verder verhoogd. Als gevolg hiervan lopen
uitkeringen van UWV langer door.
Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters (BeZaVa)
Met deze wet is de financieringsystematiek voor de ZW en de WGA aangepast met als doel de activerende
werking te versterken en langdurig ziekteverzuim en instroom in de WIA van flexwerkers tegen te gaan.
Financiële prikkels voor werkgevers zijn geïntroduceerd door het ziekengeld en de WGA-uitkering van
flexwerkers via premiedifferentiatie rechtstreeks door te belasten aan grote werkgevers (ingangsdatum 1
januari 2014).
Verdere maatregelen zijn aanpassing van het ZW-criterium en aanscherping van re-integratie- en
sollicitatieverplichtingen voor ZW-gerechtigden (ingangsdatum 1 januari 2013).
Intrekking Besluit verlaagde wekeneis WW en WIA voor musici en artiesten
Per 1 juni 2013 zou de verlaagde wekeneis voor de WW en de WIA voor musici en artiesten komen te
vervallen, deze beroepsgroepen zouden onder de algemeen geldende WW-regels gaan vallen. De
verlaagde wekeneis houdt in dat men 16 uit 39 weken (in plaats van 26 uit 36 weken) gewerkt moet
hebben om in aanmerking te komen voor een uitkering. Daarnaast geldt dat de uitkering wordt berekend
aan de hand van het gemiddeld verdiende loon, terwijl de WW-uitkering gebruikelijk 70% van het
laatstverdiende loon is. Tussen juni en december 2013 gold er een tijdelijke compensatieregeling voor
musici en artiesten zodat tot 31 december 2013 de oude regeling min of meer van kracht bleef. Vanaf
2014 valt deze doelgroep onder de algemeen geldende WW-regels.
Premiekorting jongere uitkeringsgerechtigden WW of WWB
Het gaat hierbij om een regeling van tijdelijke aard die gericht is op nieuwe banen in de periode van 1
januari 2014 tot 1 januari 2016. De regeling houdt in dat de werkgever voor elke indienstneming - zolang
de desbetreffende jongere uit de doelgroep in dienst is - maximaal 2 jaar een premiekorting kan
toepassen (uiterlijk tot en met 31december 2017). Om het recht op premiekorting aan te tonen, moeten
werkgevers zogenoemde doelgroepverklaringen van jonge WW’ers bij UWV aanvragen (voor WWB’ers bij
gemeenten). Dit is conform de werkwijze bij de premiekorting voor oudere uitkeringsgerechtigden.
Beoogde datum van inwerkingtreding van de regeling is 1 juli 2014.
Juninota 2014
60
Participatiewet
Het wetsvoorstel Participatiewet voegt de Wet werk en bijstand (WWB) en de Wet sociale werkvoorziening
(Wsw) samen. Met dit wetsvoorstel wil de overheid zoveel mogelijk mensen laten deelnemen aan het
werk. Er is geen nieuwe instroom Wsw mogelijk en instroom in de Wajong is alleen mogelijk voor
degenen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Naar verwachting zal de wet op 1 januari 2015
ingaan.
Werkloosheidsfondsen
Financiering Sociaal-Economische Raad (SER)
De activiteiten van de SER worden sinds 1 januari 2013 gefinancierd vanuit het AWf. Voorheen vond
financiering van de SER plaats via een heffing betaald door bedrijven die staan ingeschreven bij de Kamer
van Koophandel.
Calamiteitenregeling
De regeling 'onwerkbaar weer' in de WW en de Werktijdverkortingsregeling (WTV) worden samengevoegd
tot één uniforme calamiteitenregeling. Met deze regeling kan een bedrijf, na een eigenrisicoperiode van 3
weken, een WW-uitkering aanvragen voor werknemers als er door winterse omstandigheden of andere
onvoorziene weercalamiteiten geen of minder werk is. Als voorwaarde voor deelname aan de regeling
geldt een verlies van 20% van de arbeidscapaciteit per week. De aanvankelijk beoogde ingangsdatum
was 1 oktober 2013, maar de invoering van de regeling is inmiddels uitgesteld tot na 2014.
Wet werk en zekerheid
In 2015 zal een belangrijk deel van de Wet werk en zekerheid (Wwz) in werking treden. Vanaf 1 juli 2015
zal UWV uitvoering geven aan een herzien ontslagrecht. Tevens wordt vanaf deze datum het begrip
passende arbeid in de WW en ZW aangescherpt en inkomstenverrekening ingevoerd.
Toeslagenfonds
Tegemoetkomingen Wtcg
De wet Wtcg is in 2014 afgeschaft. De Tegemoetkoming arbeidsongeschikten blijft wel bestaan en wordt
ondergebracht bij de verschillende arbeidsongeschiktheidswetten. Op basis van een advies van de
Europese Commissie uit 2012 heeft het kabinet besloten dat de tegemoetkoming arbeidsongeschikten
ook geëxporteerd moet worden naar het buitenland. Deze tegemoetkoming is met 5 jaar terugwerkende
kracht beschikbaar gesteld vanaf het begin van de regeling in 2009. Dit bedrag is grotendeels in 2013
uitgekeerd. Het restantbedrag is in het eerste kwartaal van 2014 uitgekeerd.
Juninota 2014
61
Bijlage II
Premies
Rekenpremies1 per 1 januari 2014
Tabel 1
Premies in % over uitkeringen
Premie 2014
werkgever
werknemer
Premiepercentages
WAO - Aof2
4.95
WIA - Whk3
1.03
w.v. WGA-vast
0.18
ZW-flex
0.34
4
2.04
-
WW - AWf
2.15
-
Zvw
7.50
-
AOW
17.90
AWBZ
12.65
ANW
2
3
4
0.51
WGA-flex
WW - Sfn
1
-
0.60
Premies waarmee de sociale lasten over uitkeringen UWV worden berekend. Maximale inkomengrens in 2014 is € 198 per dag
Aof-premie is exclusief 0,50% kinderopvang.
Gemiddelde gedifferentieerde premie WIA-Whk over uitkeringen.
Gemiddelde sectorpremie over uitkeringen, exclusief 0,50% kinderopvang.
Juninota 2014
62
Bijlage III
Tabel 1
Balansen
Balans Aof
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
-340
1,152
1,239
-80
-80
-80
Liquide middelen
2.593
392
299
Totale activa
2.172
1.464
1.459
1.499
794
793
674
670
666
2.172
1.464
1.459
2012
2013
2014
212
412
454
-8
-11
-14
Liquide middelen
1.589
1.389
1.364
Totale activa
1.793
1.790
1.804
1.729
1.732
1.746
ACTIVA
Debiteuren
Voorziening dubieuze debiteuren
PASSIVA
Vermogen
Crediteuren
Totale passiva
Tabel 2
Balans Whk
Bedragen x € 1 miljoen
ACTIVA
Debiteuren
Voorziening dubieuze debiteuren
PASSIVA
Vermogen
Crediteuren
Totale passiva
Tabel 3
64
58
58
1.793
1.790
1.804
2013
2014
2015
Balans AWf
Bedragen x € 1 miljoen
ACTIVA
Debiteuren
Voorziening dubieuze debiteuren
Liquide middelen
Totale activa
31
37
38
-12
-12
-12
0
0
0
19
25
26
-8.050
-10.935
-10.935
616
656
625
7.454
10.304
10.336
19
25
26
PASSIVA
Vermogen
Crediteuren
Opgenomen gelden
Totale passiva
Juninota 2014
63
Tabel 4
Balans Sectorfondsen
Bedragen x € 1 miljoen
2013
2014
2015
ACTIVA
Debiteuren
988
910
868
Voorziening dubieuze debiteuren
-95
-103
-103
Liquide middelen
Totale activa
0
0
0
893
807
765
-1.358
-438
-438
549
PASSIVA
Vermogen
Crediteuren
549
549
1.702
1.245
654
893
807
765
2013
2014
2015
Debiteuren
161
111
91
Voorziening dubieuze debiteuren
-11
-13
-13
Opgenomen gelden
Totale passiva
Tabel 5
Balans Ufo
Bedragen x € 1 miljoen
ACTIVA
Liquide middelen
-279
0
4
Totale activa
-129
97
82
-192
31
31
64
48
51
0
18
0
-129
97
82
PASSIVA
Vermogen
Crediteuren
Opgenomen gelden
Totale passiva
Juninota 2014
64
Bijlage IV
Tabel 1
Overzichten wet-fonds
Herleide uitkeringsjaren naar wet
Uitkeringsjaren x 1.000
2013
IVA
Aof
WGA vangnet
Aof
Whk
Sfn
Ufo
WGA vast
Aof
Whk
Erd
Wajong
Afj
WAO
Aof
WAZ
Aof
WW-Ontslagwerkloosheid
AWf
Sfn
Ufo
IOW
Tf
ZW-Zwangerschap
AWf
Ufo
Aof
ZW-Zieke werklozen
AWf
Ufo
ZW-Flex
Sfn
Ufo
Whk
ZW-No risk
AWf
Aof
ZW-Overig
AWf
Ufo
Aof
WAZO
AWf
Ufo
Aof
WAZO-ZEZ
Aof
TW
Tf
Bia
Tf
Juninota 2014
2014
46,5
2015
55,8
46,5
58,4
64,4
55,8
66,8
26,0
31,0
1,4
43,5
30,2
16,2
19,6
0,8
46,6
11,6
17,9
14,0
188,8
49,4
198,5
314,1
203,7
288,5
16,1
14,1
164,4
156,1
14,5
2,0
13,8
1,8
-
2,9
31,9
31,9
33,3
28,0
7,3
7,3
1,6
1,6
40,1
40,1
3,0
200,1
3,0
3,0
209,9
206,1
0,3
0,3
40,1
3,0
206,1
0,3
1,6
40,1
2,9
200,1
7,3
1,6
32,4
7,9
2,9
2,7
0,0
25,3
7,3
1,7
0,0
40,3
31,0
0,8
4,0
0,0
29,3
7,3
1,7
15,6
31,0
0,8
39,0
1,5
7,3
2,9
15,6
15,6
29,5
0,8
40,6
211,6
155,7
18,7
2,0
15,6
30,4
12,3
386,0
202,8
158,2
17,0
1,3
15,6
265,4
12,3
378,0
1,3
203,7
265,4
14,1
335,0
11,9
21,0
16,5
198,5
288,5
16,1
33,4
22,2
17,8
0,7
11,4
19,6
15,7
188,8
314,1
64,4
74,2
209,9
0,3
0,3
0,3
65
Tabel 2
Herleide uitkeringsjaren naar fonds
Uitkeringsjaren x 1.000
2013
Aof
2014
417,3
2015
467,4
455,1
IVA
46,5
55,8
64,4
WGA vast
11,6
11,4
11,9
WGA vangnet
26,0
30,2
33,4
WAO
314,1
288,5
265,4
WAZ
16,1
14,1
12,3
ZW
-
24,5
24,5
WAZO
-
40,1
40,1
WAZO-ZEZ
Whk
2,9
17,9
WGA vast
3,0
65,1
3,0
68,5
17,9
19,6
21,0
WGA vangnet
-
16,2
22,2
ZW-flex
-
29,3
Afj
188,8
Wajong
AWf
198,5
188,8
249,1
WW-Ontslagwerkloosheid
25,3
203,7
198,5
233,8
203,7
242,6
164,4
202,8
ZW-Zwangerschap
13,8
-
-
ZW-Zieke werklozen
29,5
31,0
31,0
ZW-No risk
7,3
-
-
ZW-Overig
1,7
-
-
32,4
-
WAZO
Sfn
226,1
WW-Ontslagwerkloosheid
181,8
211,6
176,2
156,1
158,2
155,7
WGA vangnet
31,0
19,6
17,8
ZW-Flex
39,0
4,0
Ufo
28,0
WW-Ontslagwerkloosheid
18,7
2,7
20,3
14,5
17,0
18,7
WGA vangnet
1,4
0,8
0,7
ZW-Zwangerschap
1,8
-
-
ZW-Zieke werklozen
0,8
0,8
0,8
ZW-Flex
1,5
0,0
0,0
ZW-Overig
0,0
-
-
WAZO
7,9
-
Tf
201,7
208,4
213,1
TW
200,1
206,1
209,9
Bia
0,3
0,3
0,3
IOW
1,3
2,0
Erd WGA
Juninota 2014
14,0
15,7
2,9
16,5
66
Tabel 3
Uitkeringsbedragen naar wet
Bedragen x € 1 miljoen
IVA
Aof
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
WGA vangnet
Aof
Whk
Sfn
Ufo
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
WGA vast
Aof
Whk
Erd
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
Wajong
Afj
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
WAO
Aof
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
WAZ
Aof
Tf (Wtcg)
Tf (Tegemoetkomingen)
WW-Ontslagwerkloosheid
AWf
Sfn
Ufo
WW-Overige werkloosheid
Awf
Sfn
IOW
Tf
ZW-zwangerschap
AWf
Ufo
Aof
ZW-zieke werklozen
AWf
Ufo
ZW-flex
Sfn
Ufo
Whk
ZW-No risk
AWf
Aof
ZW-overig
AWf
Ufo
Aof
WAZO
AWf
Ufo
Aof
WAZO-ZEZ
Aof
TW
Tf
BIA
Tf
Totaal Kas
Mutaties verplichtingen
WIA
Wajong
WAO
WAZ
WW
ZW
WAZO
TW
Totaal Transactie
Juninota 2014
2013
975
2014
1.174
952
23
0
1.070
1.154
0
20
1.223
457
0
542
30
41
0
928
1.392
998
2.559
1.084
2.687
2.806
5.349
4.970
192
169
7.062
7.309
431
411
20
262
34
-
29
557
561
465
401
103
102
88
83
1.039
1.058
50
446
52
467
2
480
2
2
22.208
7
52
480
2
21.651
0
0
1.058
50
467
2
83
0
0
1.039
53
446
102
88
835
203
0
53
35
0
366
103
44
1
1.038
546
15
51
0
413
103
45
309
542
15
580
20
103
29
309
301
513
14
599
384
27
20
301
527
4.110
2.801
398
427
4
13
296
163
6
3.883
2.821
358
454
39
13
4.859
111
185
7
3.214
2.875
319
493
2.714
92
5.228
121
208
11
6.408
239
461
358
0
26
2.596
91
5.676
202
219
601
420
321
17
0
33
223
421
330
0
24
2.438
121
5.879
1.361
0
23
534
298
343
18
0
30
221
383
288
36
0
2
22.600
23
19
8
-21
-1
14
-6
-5
-1
21.658
2015
1.383
14
20
8
-20
-1
17
-1
1
-1
22.231
22
5
-20
-1
8
-2
1
0
22.614
67
Tabel 4
Uitkeringsbedragen naar fonds1
Bedragen x € 1 miljoen
Aof
2013
2014
2015
7.568
8.905
8.826
IVA
952
1.154
1.361
WGA vast
221
223
239
WGA vangnet
457
534
601
WAO
5.676
5.228
4.859
WAZ
163
208
185
ZW
0
491
494
WAZO
0
1.039
1.058
WAZO-ZEZ
Whk
53
383
WGA vast
52
1.247
383
421
461
WGA vangnet
0
298
420
ZW-flex
-
413
Afj
2.438
Wajong
AWf
2.596
2.438
5.425
WW-Ontslagwerkloosheid
366
2.714
2.596
4.852
2.714
5.040
3.214
3.883
4.110
WW-Overige werkloosheid
454
427
384
ZW-Zwangerschap
262
-
-
ZW-Zieke werklozen
513
542
546
ZW-No risk
103
-
-
ZW-Overig
44
-
-
835
-
WAZO
Sfn
4.035
WW-Ontslagwerkloosheid
WW-Overige werkloosheid
WGA vangnet
ZW-Flex
Ufo
3.220
3.185
2.875
2.821
39
4
27
542
343
321
580
620
WW-Ontslagwerkloosheid
2.801
51
391
35
430
319
358
398
WGA vangnet
30
18
17
ZW-Zwangerschap
34
-
-
ZW-Zieke werklozen
14
15
15
ZW-Flex
20
0
0
1
-
-
203
-
ZW-Overig
WAZO
Tf
895
783
801
TW
446
467
Wtcg
434
-
-
-
294
290
Tegemoetkomingen
Bia
IOW
Erd WGA
Totaal Kas
Mutaties verplichtingen
480
2
2
2
13
20
29
288
330
358
21.651
22.208
22.600
7
23
14
Aof
-8
-4
-5
Whk
1
1
6
Afj
8
8
5
AWf
14
18
6
Sfn
-6
0
-1
Ufo
-1
-1
2
Tf
-1
-1
Totaal Transactie
1)
50
1.133
21.658
22.231
0
22.614
Het totale uitkeringsbedrag (zoals vermeld in tabel 1.3 in hoofdstuk 1) resulteert door van bovenstaand totaal transactiebedrag het
uitkeringsbedrag van ERD WGA af te trekken.
Juninota 2014
68
Bijlage V
Sectorfondsen
2013
Sector
Totaal
1
Agrarisch bedrijf
2
Tabakverwerkende ind.
3
Bouwbedrijf
4
1)
Baten (mln. €)
Totaal
w.v.
Premies
Vermogen1
(mln. €)
Loonsom2
64,6
63,1
-3,6
2,6
1,7
0,9
0,1
0,4
3,9
3,9
3,6
0,1
285,4
184,5
26,0
20,2
198,2
162,4
-181,8
4,4
Baggerbedrijf
2,2
1,3
0,2
0,3
1,5
1,4
-0,8
0,3
5
Hout en emballage ind.
7,5
4,3
1,1
0,7
6,0
5,8
-2,6
0,2
6
Timmerindustrie
18,1
11,5
1,6
1,3
14,4
10,8
-6,8
0,2
7
Meubel & orgelbouw ind.
20,2
12,0
2,2
1,8
16,0
15,6
-5,0
0,4
8
Groothandel hout, etc.
7,8
4,9
0,7
0,6
5,8
5,7
-2,6
0,2
9
Grafische industrie
41,3
23,7
3,9
5,5
36,1
35,4
1,5
0,8
10
Metaalindustrie
86,4
53,7
7,5
9,3
55,8
54,1
1,8
5,0
11
Electrotechnische ind.
23,3
14,9
1,4
2,7
18,5
18,1
4,8
1,7
12
Metaal en techn. bedr.
329,8
196,5
36,3
31,3
272,1
265,5
-110,2
11,2
13
Bakkerijen
20,6
10,6
2,8
2,7
17,7
17,3
-5,8
0,6
14
Suikerverw. ind.
6,5
3,2
0,8
1,2
8,6
8,5
1,0
0,4
15
Slagersbedrijven
8,1
3,5
1,3
1,5
8,3
8,0
-1,1
0,2
16
Slagers overig
16,5
8,6
1,8
2,7
9,8
9,4
-3,6
0,6
17
Detailh. & ambachten
261,4
144,3
30,4
28,1
253,3
248,4
-87,3
5,8
18
Reiniging
82,9
36,0
11,8
15,2
86,8
84,4
-22,3
1,5
19
Grootwinkelbedrijf
107,1
57,2
11,1
14,5
108,6
106,7
-28,7
4,3
20
Havenbedrijven
69,2
40,9
7,5
6,6
60,0
58,8
-20,9
2,6
21
Havenclassificeerders
2,1
1,1
0,2
0,4
3,0
2,9
0,5
0,1
22
Binnenscheepvaart
5,7
2,7
1,1
0,7
6,0
5,9
-2,4
0,3
23
Visserij
0,6
0,3
0,1
0,1
0,3
0,2
0,3
0,0
24
Koopvaardij
3,1
1,7
0,5
0,4
3,7
3,7
-0,3
0,3
25
Vervoer KLM
5,7
2,8
0,5
1,3
5,1
5,0
-0,9
1,2
26
Vervoer NS
5,1
2,8
0,4
0,9
5,1
5,0
0,6
0,7
27
Vervoer posterijen
31,0
18,9
2,9
2,0
22,6
21,9
-20,8
0,9
28
Taxivervoer
31,1
13,1
5,7
5,1
29,9
28,9
-11,6
0,4
29
Openbaar vervoer
7,8
4,6
0,9
0,6
7,3
7,0
-2,5
0,6
30
Besloten busvervoer
5,1
2,9
0,6
0,5
4,8
4,7
-1,7
0,1
31
Overig personenvervoer
2,4
1,5
0,2
0,2
3,9
3,8
1,3
0,1
32
Overig goederenvervoer
126,0
59,4
21,4
20,1
130,0
126,7
-25,7
4,3
33
Horeca algemeen
149,5
79,9
21,1
14,6
152,1
148,5
-34,8
3,6
34
Horeca catering
12,5
6,0
1,8
1,8
13,8
13,4
-5,3
0,3
35
Gezondheid, …
594,6
322,9
76,7
63,9
515,0
502,3
-255,1
30,4
38
Banken
114,9
81,7
5,8
5,8
99,7
97,9
-33,0
4,7
39
Verzekering & ziekenf.
42,8
29,2
2,6
2,9
52,0
51,3
-14,8
2,4
40
Uitgeverij
38,9
24,3
3,2
3,9
34,0
33,2
-14,4
0,9
41
Groothandel I
144,4
91,6
12,5
12,1
136,2
133,3
-38,4
5,6
42
Groothandel II
232,0
141,1
22,0
22,7
238,2
233,9
-75,8
8,0
43
Zakelijke dienstv. I
55,4
35,6
4,0
4,8
57,3
56,6
-13,6
3,1
44
Zakelijke dienstv. II
402,7
259,7
33,6
31,3
458,9
453,0
-75,8
13,5
45
Zakelijke dienstv. III
363,2
224,7
33,8
32,3
358,9
353,1
-88,3
12,0
46
Zuivelindustrie
4,8
2,5
0,6
0,7
5,3
5,2
2,2
0,5
47
Textielindustrie
5,6
2,9
0,4
1,2
6,4
6,3
0,3
0,2
48
Steen, cement, …
24,7
14,9
2,5
2,6
21,1
20,5
-11,7
0,7
49
Chemische industrie
43,8
25,2
4,2
6,0
39,1
38,1
-2,7
2,7
50
Voedingsindustrie
32,7
18,8
3,1
4,4
38,5
37,8
-0,6
2,0
51
Algemene industrie
29,8
16,5
3,1
4,4
55,6
54,9
12,1
2,4
52
Uitzendbedrijven
759,0
368,5
120,6
104,4
727,6
477,0
-119,6
5,1
53
Bewakingsondern.
32,7
17,2
4,0
4,7
30,0
29,1
-7,7
0,7
54
Culturele instellingen
65,5
44,7
4,0
3,6
60,5
59,4
-36,2
1,3
55
Overige bedr. en ber.
40,7
22,3
4,4
5,7
41,7
40,9
-11,0
1,2
56
Schildersbedrijf
58,1
38,8
4,7
3,6
55,5
31,7
-0,5
0,5
57
Stukadoorsbedrijf
17,4
10,0
2,2
1,8
15,3
9,1
-5,0
0,1
58
Dakdekkersbedrijf
12,8
8,7
0,9
0,8
13,8
8,4
-1,8
0,1
59
Mortelbedrijf
2,8
2,0
0,2
0,1
3,0
3,0
-0,8
0,1
60
Steenhouwersbedr.
1,0
0,6
0,1
0,1
1,4
1,2
0,2
0,0
61-67
Overheid
62,0
20,9
13,2
17,0
65,0
63,2
30,3
2,1
68
Railbouw
4,2
2,9
0,3
0,2
4,4
4,4
1,4
0,4
69
Telecommunicatie
39,3
27,4
2,1
2,3
14,2
13,4
-23,4
1,4
5.077,1
2.905,1
577,5
545,5
4.782,4
4.379,1
-1.357,6
158,0
Totaal
67,5
Lasten (mln. €)
w.v. Uitkeringen
WW
ZW
WGA
39,6
6,9
6,8
Uitgangspunt voor de loonsommen zijn de realisaties van loonsommen over 2013 zoals gerapporteerd door de Belastingdienst. Hieruit
worden geraamde loonsommen voor 2014 en 2015 afgeleid op basis van de sectorale economische ontwikkeling die onderzoeksbureau
Panteia rapporteert.
Hierop wordt voor de berekening van de premiebaten een correctie toegepast omdat in de praktijk blijkt dat de gerealiseerde premiebaten
per sector om verschillende redenen doorgaans wat lager zijn dan het product van de gerealiseerde loonsom en het premiepercentage. Een
speciaal geval is de loonsom van de sector Overheid. Over de loonsom van de overheid wordt grotendeels premie betaald aan het
Uitvoeringsfonds voor de overheid (Ufo). Slechts een klein gedeelte van de loonsom is premieplichtig voor de Sectorfondsen. Dit betreft
hoofdzakelijk werknemers in het kader van de Wsw.
Juninota 2014
69
2014
Sector
Totaal
1
Agrarisch bedrijf
2
Tabakverwerkende ind.
3
Bouwbedrijf
4
Baten (mln. €)
Totaal
w.v.
Premies
Vermogen1
(mln. €)
Loonsom2
61,9
59,2
1,8
2,6
2,0
1,3
0,0
0,3
0,0
0,0
1,6
0,2
228,5
170,2
1,0
10,8
255,4
225,9
-154,9
4,5
Baggerbedrijf
1,3
1,0
0,0
0,0
2,8
2,7
0,7
0,3
5
Hout en emballage ind.
5,8
4,2
0,0
0,4
7,8
7,6
-0,6
0,2
6
Timmerindustrie
13,8
10,1
0,0
0,8
15,4
12,7
-5,3
0,2
7
Meubel & orgelbouw ind.
15,5
11,0
0,0
1,1
18,0
17,5
-2,5
0,4
8
Groothandel hout, etc.
6,3
4,6
0,0
0,4
7,7
7,5
-1,2
0,2
9
Grafische industrie
33,0
22,5
0,1
3,6
39,7
38,7
8,1
0,8
10
Metaalindustrie
54,0
36,3
0,5
5,8
67,5
65,5
15,3
5,1
11
Electrotechnische ind.
20,2
14,3
0,2
1,7
22,7
22,1
7,2
1,7
12
Metaal en techn. bedr.
253,6
180,0
1,2
18,8
334,0
325,2
-29,8
11,4
13
Bakkerijen
15,4
10,1
0,1
1,8
18,3
17,8
-3,0
0,6
14
Suikerverw. ind.
5,6
3,6
0,0
0,8
6,2
6,0
1,6
0,4
15
Slagersbedrijven
5,7
3,3
0,0
1,0
7,4
7,2
0,7
0,2
16
Slagers overig
12,2
7,8
0,1
1,6
15,6
15,0
-0,2
0,6
17
Detailh. & ambachten
212,2
143,6
0,4
18,7
266,4
259,8
-33,1
5,9
18
Reiniging
59,9
33,2
1,0
10,7
75,8
73,2
-6,4
1,6
19
Grootwinkelbedrijf
91,2
57,1
2,7
9,9
103,4
100,6
-16,5
4,4
20
Havenbedrijven
61,6
44,0
0,3
3,8
67,1
64,9
-15,4
2,6
21
Havenclassificeerders
1,8
1,0
0,0
0,3
2,3
2,2
1,0
0,1
22
Binnenscheepvaart
4,0
2,7
0,0
0,4
6,2
6,0
-0,2
0,3
23
Visserij
0,4
0,3
0,0
0,1
0,4
0,4
0,3
0,0
24
Koopvaardij
2,3
1,5
0,0
0,3
3,1
3,0
0,5
0,3
25
Vervoer KLM
4,6
2,9
0,0
0,7
7,4
7,2
1,9
1,3
26
Vervoer NS
4,3
2,8
0,0
0,6
4,2
4,1
0,6
0,7
27
Vervoer posterijen
26,3
18,5
0,4
1,2
30,9
30,0
-16,2
0,9
28
Taxivervoer
22,0
13,0
0,2
3,6
24,7
23,8
-8,9
0,4
29
Openbaar vervoer
6,5
4,5
0,1
0,4
7,5
7,1
-1,5
0,6
30
Besloten busvervoer
4,7
3,4
0,0
0,3
5,0
4,3
-1,4
0,1
31
Overig personenvervoer
2,4
1,8
0,0
0,1
2,5
2,4
1,4
0,1
32
Overig goederenvervoer
88,7
57,4
1,2
11,4
118,2
113,9
3,8
4,4
33
Horeca algemeen
119,9
81,5
0,7
9,3
156,4
151,4
1,7
3,6
34
Horeca catering
9,3
5,7
0,2
1,2
11,9
11,5
-2,7
0,3
35
Gezondheid, …
518,2
354,9
9,4
36,9
571,1
557,1
-202,3
30,7
38
Banken
103,8
78,9
0,6
3,6
140,2
137,2
3,5
4,6
39
Verzekering & ziekenf.
37,6
28,5
0,3
1,3
61,2
60,1
8,8
2,3
40
Uitgeverij
33,1
23,6
0,3
2,3
42,0
40,7
-5,5
1,0
41
Groothandel I
122,1
88,9
0,4
7,6
154,8
151,1
-5,7
5,7
42
Groothandel II
190,4
135,5
0,8
14,2
249,9
243,6
-16,2
8,1
43
Zakelijke dienstv. I
46,5
33,9
0,1
2,8
65,5
64,2
5,3
3,2
44
Zakelijke dienstv. II
327,5
241,1
1,7
17,3
462,6
452,6
59,3
14,0
45
Zakelijke dienstv. III
306,4
223,3
1,5
17,8
415,4
406,1
20,7
12,5
46
Zuivelindustrie
4,0
2,7
0,1
0,4
3,9
3,8
2,1
0,5
47
Textielindustrie
4,4
2,6
0,0
0,8
6,0
5,9
1,9
0,2
48
Steen, cement, …
20,6
14,5
0,2
1,7
24,4
23,8
-7,9
0,7
49
Chemische industrie
34,4
23,4
0,2
3,8
43,2
42,1
6,1
2,7
50
Voedingsindustrie
27,3
18,9
0,3
2,5
37,7
36,6
9,8
2,0
51
Algemene industrie
24,7
17,0
0,1
2,6
32,7
31,7
20,0
2,4
52
Uitzendbedrijven
602,9
366,4
21,3
77,2
647,3
330,6
-75,2
5,1
53
Bewakingsondern.
25,6
16,3
0,9
2,7
29,2
28,3
-4,1
0,8
54
Culturele instellingen
49,7
36,2
0,1
2,1
64,0
62,3
-21,9
1,3
55
Overige bedr. en ber.
34,0
23,0
0,1
3,6
41,2
39,9
-3,8
1,2
56
Schildersbedrijf
51,0
38,9
0,1
1,8
51,9
26,6
0,3
0,5
57
Stukadoorsbedrijf
12,3
9,0
0,0
0,8
13,9
8,3
-3,4
0,1
58
Dakdekkersbedrijf
6,6
5,0
0,0
0,3
7,9
7,4
-0,6
0,1
59
Mortelbedrijf
1,4
1,0
0,0
0,1
3,0
3,0
0,8
0,1
60
Steenhouwersbedr.
0,6
0,5
0,0
0,0
0,7
0,6
0,3
0,0
61-67
Overheid
40,4
18,3
1,4
11,5
34,6
32,2
24,6
2,1
68
Railbouw
3,9
2,9
0,0
0,2
2,6
2,5
0,2
0,4
69
Telecommunicatie
27,3
20,1
0,2
1,2
46,8
45,9
-3,8
1,4
4.108,3
2.825,3
51,0
343,8
5.027,5
4.541,1
-438,4
160,8
Totaal
Juninota 2014
56,4
Lasten (mln. €)
w.v. Uitkeringen
WW
ZW
WGA
44,5
0,1
4,6
70
2015
Sector
Totaal
Lasten (mln. €)
w.v. Uitkeringen
WW
ZW
WGA
44,4
0,1
4,3
Baten (mln. €)
Totaal
w.v.
Premies
Vermogen1
(mln. €)
Loonsom2
1
2015
Agrarisch bedrijf
59,1
2
Tabakverwerkende ind.
24,2
19,1
0,0
0,3
0,1
3
Bouwbedrijf
192,8
142,6
1,2
10,0
4,7
4
Baggerbedrijf
1,5
1,1
0,0
0,0
0,3
5
Hout en emballage ind.
5,8
4,3
0,0
0,4
0,2
6
Timmerindustrie
13,8
10,2
0,0
0,8
0,2
7
Meubel & orgelbouw ind.
15,4
11,2
0,0
1,0
0,4
8
Groothandel hout, etc.
6,1
4,5
0,0
0,4
0,2
9
Grafische industrie
32,9
22,8
0,1
3,3
0,8
10
Metaalindustrie
52,5
35,9
0,6
5,4
5,2
11
Electrotechnische ind.
20,1
14,5
0,2
1,6
1,7
12
Metaal en techn. bedr.
266,1
194,3
1,0
17,5
11,6
13
Bakkerijen
15,0
10,0
0,1
1,7
0,6
14
Suikerverw. ind.
5,5
3,6
0,1
0,7
0,4
15
Slagersbedrijven
5,5
3,3
0,0
1,0
0,2
16
Slagers overig
11,9
7,8
0,1
1,5
0,6
17
Detailh. & ambachten
206,3
142,2
0,3
17,3
6,1
18
Reiniging
58,8
34,0
0,9
10,0
1,7
19
Grootwinkelbedrijf
87,9
56,5
2,2
9,2
4,5
20
Havenbedrijven
59,0
42,6
0,4
3,6
2,7
21
Havenclassificeerders
1,7
1,0
0,0
0,3
0,1
22
Binnenscheepvaart
3,9
2,7
0,0
0,4
0,3
23
Visserij
0,4
0,3
0,0
0,1
0,0
24
Koopvaardij
2,2
1,5
0,0
0,3
0,3
25
Vervoer KLM
4,4
2,8
0,0
0,6
1,3
26
Vervoer NS
4,1
2,7
0,0
0,6
0,7
27
Vervoer posterijen
25,2
17,9
0,4
1,1
0,9
28
Taxivervoer
20,9
12,6
0,2
3,4
0,4
29
Openbaar vervoer
6,2
4,4
0,1
0,4
0,6
30
Besloten busvervoer
4,5
3,3
0,0
0,3
0,1
31
Overig personenvervoer
2,3
1,7
0,0
0,1
0,1
32
Overig goederenvervoer
85,2
56,0
1,1
10,6
4,5
33
Horeca algemeen
115,5
79,6
0,8
8,7
3,7
34
Horeca catering
8,9
5,5
0,2
1,1
0,3
35
Gezondheid, …
541,5
382,2
9,3
34,3
31,2
38
Banken
101,7
78,0
0,7
3,4
4,6
39
Verzekering & ziekenf.
36,8
28,1
0,3
1,2
2,3
40
Uitgeverij
31,6
22,8
0,3
2,2
1,0
41
Groothandel I
118,2
87,0
0,5
7,1
5,9
42
Groothandel II
183,6
132,4
0,8
13,2
8,4
43
Zakelijke dienstv. I
44,6
32,9
0,2
2,6
3,4
44
Zakelijke dienstv. II
313,4
233,1
1,8
16,1
14,8
45
Zakelijke dienstv. III
293,3
216,2
1,5
16,5
13,2
46
Zuivelindustrie
3,9
2,7
0,1
0,3
0,6
47
Textielindustrie
4,3
2,7
0,0
0,8
0,2
48
Steen, cement, …
21,4
15,5
0,2
1,6
0,7
49
Chemische industrie
34,2
23,8
0,2
3,6
2,8
50
Voedingsindustrie
26,7
18,8
0,3
2,3
2,1
51
Algemene industrie
24,7
17,3
0,1
2,4
2,4
52
Uitzendbedrijven
563,9
364,7
6,2
71,8
5,4
53
Bewakingsondern.
23,9
15,8
0,5
2,5
0,8
54
Culturele instellingen
47,4
35,0
0,1
2,0
1,4
55
Overige bedr. en ber.
33,8
23,3
0,1
3,4
1,2
56
Schildersbedrijf
49,2
37,9
0,1
1,6
0,5
57
Stukadoorsbedrijf
11,9
8,8
0,0
0,7
0,1
58
Dakdekkersbedrijf
10,9
8,6
0,0
0,3
0,1
59
Mortelbedrijf
2,7
2,2
0,0
0,1
0,1
60
Steenhouwersbedr.
0,6
0,5
0,0
0,0
0,0
61-67
Overheid
38,8
18,2
1,3
10,7
2,2
68
Railbouw
3,7
2,8
0,0
0,2
0,4
69
Telecommunicatie
27,0
20,3
0,1
1,1
1,5
4.019,5
2.828,6
35,0
319,7
165,4
Totaal
Juninota 2014
2,7
71
Bijlage VI
Tabel 1
Re-integratie
Overzicht programmakosten re-integratie 2013
Bedragen x € 1 miljoen
Afj
Aof
Whk
AWf
Ufo
Sfn
Tot
Uitkeringslasten
ZW-uitkeringen
103
103
Overig
Loonkostensubsidies
1
1
2
Voorzieningen
Onderwijsvoorzieningen
22
Werkvoorzieningen
56
Subsidie aan instellingen
12
Inkoop arbeidsbemiddeling AG
46
22
36
92
12
9
7
Inkoop arbeidsbemiddeling WW
ZW Arbo Interventies
55plus regeling
Programmakosten overig
Totale Programmakosten
Tabel 2
0
0
138
46
28
0
0
90
2
2
11
11
0
0
0
7
144
0
0
335
Ufo
Sfn
Tot
Overzicht programmakosten re-integratie 2014
Bedragen x € 1 miljoen
Afj
Aof
Whk
AWf
Uitkeringslasten
ZW-uitkeringen
103
103
0
0
Overig
Loonkostensubsidies
0
Voorzieningen
Onderwijsvoorzieningen
23
Werkvoorzieningen
53
Subsidie aan instellingen
13
Inkoop arbeidsbemiddeling AG
46
23
35
88
13
13
23
16
0
1
98
Inkoop arbeidsbemiddeling WW
0
0
ZW Arbo Interventies
7
7
55plus regeling
5
5
Programmakosten overig
Totale Programmakosten
Tabel 3
1
135
152
1
23
27
0
1
338
Ufo
Sfn
Tot
Overzicht programmakosten re-integratie 2015
Bedragen x € 1 miljoen
Afj
Aof
Whk
AWf
Uitkeringslasten
ZW-uitkeringen
102
102
0
0
45
110
Overig
Loonkostensubsidies
0
Voorzieningen
Onderwijsvoorzieningen
23
Werkvoorzieningen
65
Subsidie aan instellingen
13
Inkoop arbeidsbemiddeling AG
49
23
13
14
25
17
0
1
105
Inkoop arbeidsbemiddeling WW
0
ZW Arbo Interventies
6
6
13
13
55plus regeling
Programmakosten overig
Totale Programmakosten
Juninota 2014
0
1
150
162
1
25
35
0
1
373
72
Bijlage VII
Financiële publicaties UWV
Jaarlijks brengt UWV 5 financiële publicaties uit over de premies en de fondsen. Het betreft 3 algemene publicaties: de
Januarinota, de Juninota en de nota Financiële bijstellingen. Hierin worden de ontwikkelingen van de lasten en de baten
van de door UWV uitgevoerde wetten beschreven. De uiterlijke publicatiedata zijn 1 februari, 1 juli en 15 oktober1.
Daarnaast verschijnen er 2 specifieke publicaties: de nota Gedifferentieerde Premie WGA/ZW en de integrale Premienota
Sectorfondsen. De uiterlijke publicatiedata van deze nota’s zijn 1 september en 1 november1.
Nota Gedifferentieerde Premie WGA/ZW
In de nota Gedifferentieerde Premie WGA/ZW worden de bouwstenen beschreven waarmee de gedifferentieerde premies
voor de WGA-vast, WGA-flex en ZW-flex per werkgever worden berekend. Hiervoor hebben we werkgevergegevens,
statistische en financiële data nodig die vanaf 1 juli beschikbaar zijn. De nota wordt samen met het Besluit
Gedifferentieerde Premie WGA/ZW medio augustus aangeboden aan de Raad van Bestuur van UWV. Publicatie van het
Besluit met de vastgestelde premies volgt op 1 september in de Staatscourant. Vanaf die datum is de nota beschikbaar
op de website van UWV.
UWV berekent conform het Besluit per werkgever de premie voor het nieuwe premiejaar. Deze percentages worden aan
het eind van het jaar voorafgaand aan het premiejaar geleverd aan de Belastingdienst. Deze stuurt vervolgens aan alle
werkgevers een beschikking van deze premies.
Integrale Premienota Sectorfondsen
De integrale Premienota Sectorfondsen heeft betrekking op het vaststellen van de premies van de 61 sectoren. Hiervoor
hebben we statistische en financiële data nodig die vanaf 1 augustus beschikbaar zijn over de eerste zes maanden van
het jaar. Deze data worden na bewerking gebruikt voor de individuele premienota’s die per sector worden opgesteld (61
nota’s). Voor de ramingen zijn de cijfers van belang die het Centraal Planbureau medio augustus publiceert in zijn
concept Macro Economische Verkenning (cMEV). Nadat de cMEV–gegevens bekend zijn, kunnen de 61 nota’s worden
opgesteld. Eind augustus wordt door de verantwoordelijke ministeries besloten over de premies voor het komende jaar.
Begin september kunnen de individuele premienota’s per sector naar de sectoren verzonden worden voor advies. In de
individuele premienota’s zijn keuzemogelijkheden voor de premie opgenomen. De sectoren hebben 3 weken de tijd om
een keuze te maken en advies uit te brengen. Indien dit advies voldoet aan de wettelijke eisen wordt dit advies door
UWV overgenomen.
Na ontvangst van alle adviezen (vierde week september) wordt de integrale Premienota Sectorfondsen opgesteld. Deze
wordt samen met de besluiten medio oktober aangeboden aan de Raad van Bestuur van UWV ter vaststelling van de
premies. Daarna worden de premies aan de minister van SZW aangeboden ter goedkeuring. Op 1 november wordt de
integrale Premienota Sectorfondsen, waarin de premies voor het volgende jaar zijn opgenomen, op de website van UWV
gepubliceerd.
1)
Indien de datum in het weekend valt, wordt de nota de maandag volgend op dat weekend gepubliceerd.
Juninota 2014
73
Colofon
Uitgave
UWV
Financieel Economische Zaken
Afdeling Planning, Control en Analyse
Postadres
Postbus 58285
1040 HG Amsterdam
Inlichtingen
[email protected]
Redactie
Kees van den Bosch
Saskia Mangoendinomo
Jan-Maarten van Sonsbeek
Aan deze nota werkten mee
Ed Berendsen
Ben van der Eijken
Wibaut Jeurissen
Fouad Rmila
Peter Rijnsburger
Kim Timmer
Rob Vlek
Arjan Wojcik
Emiel Zegers
Disclaimer
Alles uit deze uitgave mag worden overgenomen, echter uitsluitend met bronvermelding.
UWV © 2014
Juninota 2014
74
Einde rapport
Juninota 2014
75