Dag meneer. Kom binnen. Ga zi en. Excuseer mevrouw, spreekt u

Dag meneer. Kom binnen. Ga zi0en. Excuseer mevrouw, spreekt u Russisch? Nee, ik spreek Frans, Engels en Duits maar geen Russisch. Oei! Dit is mijn vriend, Aleksandr. Hij spreekt alleen Russisch. Da… meneer. Ko… binnen. G… zi0en. Excuseer mev…, spreekt u Russisch? Ne…, ik spreek Frans, Eng… en Duits maar gee… Russisch. Oei! Dit i… mijn vriend, Aleksandr. Hij sp… alleen Russisch. Da… men…. Ko… binnen. G… zi0en. Excuseer mev…, spr… u Russisch? Ne…, ik spr… Frans, Eng… en Duits maar gee… Rus…. Oe…! Dit i… mijn vri…, Aleksandr. Hij sp… al… Russisch. Da… men…. Ko… bin…. G… zi0en. Ex… mev…, spr… u Russisch? Ne…, ik spr… Frans, Eng… en Dui… maa… gee… Rus…. Oe…! Dit i… mij… vri…, Aleksandr. H… sp… al… Russisch. Da… me…. Ko… bin…. G… zit…. Ex… mev…, spr… u Ru…? Ne…, ik sp… Fr…, Eng… e… Dui… ma… ge… Ru…. Oe…! Di… i… mij… vri…, Aleksandr. H… sp… al… Ru…. Meneer! Binnen. Zi0en. (excuseren) mevrouw, Rusland (spreken)? -­‐, Frankrijk, Engeland + Duitsland (spreken) !> -­‐ Rusland -­‐! Mijn vriend, Aleksandr. Alleen Rusland (spreken) Meneer! Binnen. Zi0en. mevrouw, Rus.? -­‐, Fr., Eng.+ Du.!> -­‐ Rus -­‐! Aleksandr. Rus