Uitgedeeld tijdens vergadering_Invulling Repressieve efficiency

Repressieve efficiency district Utrecht
Het nieuwe financieringssysteem voor de gemeentelijke bijdrage aan de VRU baseert zich op de
verdeelmaatstaf die is afgeleid van het gemeentefonds. Door de introductie van een nieuwe
verdeelmaatstaf zijn er gemeenten die ten opzichte van hun huidige bijdrage structureel meer, en
gemeenten die structureel minder gaan bijdragen aan de VRU. De gemeenten die structureel meer
gaan bijdragen worden de nadeelgemeenten genoemd en de gemeenten die structureel minder
gaan bijdragen worden de voordeelgemeenten genoemd.
Omdat het te compenseren nadeel voor de gemeente Utrecht relatief groot is, wordt door de VRU
een specifieke compensatiemaatregel ingezet. Het betreft een bijzondere bezuiniging, alleen in te
zetten ter verkleining van het nadeel van de gemeente Utrecht, ter grootte van €1.835.000 vanaf
2018 (in 2016 €600.000; in 2017 €1.200.000). De voorwaarde die het bestuur aan deze specifieke
compenserende maatregel stelt, is dat de bezuiniging (geduid als ‘repressieve efficiency’) alleen
wordt gerealiseerd binnen het gebied van het repressief brandweeroptreden voor de stad Utrecht
(tegelijk het huidige district Utrecht).
Bij het zoeken naar mogelijkheden voor deze bezuiniging is overleg geweest met de adviesgroep
Cluster Utrecht. Dit is een afvaardiging van het personeel dat werkt binnen de cluster. In gesprek
met deze adviesgroep zijn meerdere bezuinigingsopties besproken. Ook de ondernemingsraad is
steeds geïnformeerd over de voortgang van het zoeken naar realistische bezuinigingsopties. Bij het
zoeken naar mogelijkheden zijn twee uitgangpunten gehanteerd: geen gedwongen ontslagen uit de
repressieve dienst en geen verlaging van het veiligheidsniveau voor de stad (het cluster) Utrecht.
Invulling
Uiteindelijk resteren er negen besparings- en bezuinigingsmogelijkheden die aan de
uitgangspunten kunnen voldoen, mede in beschouwing genomen de gesprekken die daarover zijn
gevoerd met de OR en de Adviesgroep.
1. De repressieve sterkte (het aantal brandweermedewerkers in dienst) voor het district Utrecht is
hoger dan benodigd; er is meer bezetting dan de formatie vraagt. Gezien het aantal stoelen dat
bezet moet worden (30, gelijk aan het huidige aantal stoelen en een gelijkblijvende
uitruksterkte) zijn er nu meer brandweermedewerkers in dienst dan nodig (rekenend met een
roosterfactor van 4,7 om de stoel volcontinue te kunnen bezetten). In de loop van de komende
jaren gaan diverse brandweerlieden met functioneel leeftijdsontslag (FLO). Daardoor neemt de
repressieve sterkte boven de formatie door natuurlijk verloop af. De salarislasten van deze
medewerkers drukken dan niet meer op de begroting (de FLO lasten worden vanuit de
gemeentelijke bijdragen door alle gemeenten gezamenlijk betaald).
Uitgaande van natuurlijk verloop kan de roosterfactor worden teruggebracht naar 4,5. Als
gevolg hiervan hoeven er minder brandweerlieden in dienst te zijn om de volcontinue bezetting
te garanderen. Ook deze salarislasten vallen vrij. Deze besparingen genereren de volgende
besparingsreeks: €225.000; €382.000; €279.000; €382.000.
De roosterfactor van 4,5 zal bekrachtigd moeten worden in het GO, maar mag op geen enkele
wijze afbreuk doen aan de rechten (zoals recentelijk met het GO overeengekomen) gekoppeld
aan aantallen en soorten uren.
2. In het verleden heeft de gemeente Utrecht 1,6 fte aan juridische ondersteuning voor de
preventieve werkzaamheden binnen en voor het district ingebracht (inhaalslag
gebruiksvergunningen). Voor deze capaciteit is in het verleden bepaald dat de salariskosten uit
de huidige bijdrage mochten worden betaald, maar dat de formatie uitsluitend mocht werken
ten behoeve van het district. Deze formatie is per 2015 niet meer bezet. Het betreft 1 fte
vanwege een thans bestaande vacature en 0,6 fte vanwege een per 2015 voorziene vacature
(als gevolg van natuurlijk verloop).
Gezien de bijzondere bepaling met betrekking tot de inzet van deze formatie, is het alleszins
redelijk dat de besparingen kunnen worden ingezet ter verkleining van het nadeel, waarbij
opgemerkt dat de werkzaamheden weliswaar niet van repressieve aard zijn, maar wel
onderdeel uitmaken van de brandweerketen. Er is geen verlaging van het veiligheidsniveau
1
omdat het preventief juridisch advies geen directe veiligheidsbevorderende maatregel is. Deze
maatregel (zonder gedwongen vertrek, want vacante formatie) genereert in 2015 een
besparing van €65.000 (€60.000 lager vanwege tijdige realisatie van het natuurlijk verloop) en
vanaf 2016 een besparing van €125.000
3. De VRU heeft de laatste jaren vanwege het kunnen invullen van Utrechtse bezuinigingen twee
fte bevroren (in het verleden ingezet maar vanaf 2015 onderdeel uitmakend van het volume
van €1.835.000). Het betreft 1 fte medewerker UML/TD4 en 1 fte medewerker OTO. Vanaf
2015 kan deze bevroren formatie definitief vervallen en de besparing structureel worden
ingeboekt onder de noemer van repressieve efficiency district Utrecht. Omdat de functies al
langer zijn bevroren is aangetoond dat het laten vervallen van de formatie een realistische
maatregel is. De functies zijn vanwege het bevriezen onbezet, en met de maatregel zijn
derhalve geen personele gevolgen gemoeid. De besparing betreft een bedrag van €90.000
structureel.
4. De repressieve inzet voor het district Utrecht wordt op verschillende manieren voorbereid
(repressieve preparatie): materieel-logistiek, opleiden, oefenen en trainen en in algemeen
ondersteunend. Door de verandering van de organisatie (het district komt te vervallen) wordt
de repressieve preparatie vanaf 2015 voor de gehele VRU eenduidig en efficiënt georganiseerd.
De preparatie-capaciteit kan voor het district Utrecht met een efficiëntere organisatie
alternatief worden ingevuld.
Diverse medewerkers die nu preparatiewerk verrichten gaan, net als de medewerkers genoemd
onder punt 1, in de komende jaren met pensioen. Door de vacant gekomen plaatsen op termijn
niet meer in te vullen kan, op basis van natuurlijk verloop, een besparing op de salarislasten
worden gerealiseerd. De eerste besparing valt in 2017 (€13.000). Voor 2018 is de besparing
€65.000 en vervolgens structureel €122.000.
5. Binnen de afdeling repressie van het district Utrecht zijn stafmedewerkers werkzaam die geen
rechtstreeks onderdeel uitmaken van de repressieve sterkte. Het betreft hier 3 fte
leidinggevende functionarissen in de functie van ploegcommandant (de facto
postcommandant), 2 fte ondersteunende medewerkers en 2 medewerkers die in verband met
FLO-overgangsrecht gerelateerd zijn aan de afdeling Repressie. De 3 fte ploegcommandanten
geven elk momenteel leiding aan 2 of 3 posten van de in totaal 4 beroeps- en 3 vrijwillige
posten in het district Utrecht.
Efficiency in de aansturing van de posten kan worden bereikt door op de drie vrijwillige posten
net zo als elders in de regio een vrijwillig postcommandant aan te stellen en de 3 fte
ploegcommandanten op basis van natuurlijk verloop te verminderen met 1 fte waardoor 4
beroepsposten worden aangestuurd door 2 ploegcommandanten. Daarnaast zal 1 medewerker
met FLO-overgangsrecht vertrekken op basis van natuurlijk verloop. Hierdoor kan een
besparing worden gerealiseerd van 2015 tot en met 2018 (en verder):
€ 85.000; € 85.000; € 85;000; € 112.000.
6. Bij de regionalisering van de brandweer binnen de veiligheidsregio is voor het district Utrecht
extra budget overgeheveld voor OTO-kosten (elk jaar buitenlandtraining voor
beroepsmedewerkers district Utrecht in plaats van standaard 1 keer in de 2 jaar). Er vanuit
gaande dat beroepsbrandweermensen en vrijwilligers binnen de hele VRU op eenzelfde wijze
worden opgeleid, getraind en geoefend is een hogere bijdrage voor Utrecht niet wenselijk. Het
OTO-niveau moet voor iedereen gelijk zijn, in zich zelf adequaat genoeg om effectief en veilig
repressief te kunnen optreden.
Het is daarom legitiem om deze besparingsmogelijkheid in te zetten als onderdeel van de
repressieve efficiency. Vanaf 2011 is het budget al verlaagd als gevolg van bezuinigingen in het
district. Van het oorspronkelijke extra budget is er nog € 165.000 exclusief BTW over. Hierdoor
kan met ingang van 2015 een besparing worden gerealiseerd van € 200.000 inclusief BTW.
2
7. Per repressieve medewerker (beroeps en vrijwillig) is een budget opgenomen voor dienstsport.
Op het kosten voor dienstsport kan binnen het district Utrecht direct vanaf 2015 € 50.000
bespaard worden door het sporten voortaan te bekostigen uit inkomsten van derden. De
dekking voor de sportkosten komt dan uit de inkomsten die de VRU ontvangt voor het
onderhouden en de verzorgen van ademlucht voor derden. Met deze derden is een langdurige
overeenkomst afgesloten. De besparing kan specifiek worden toegerekend worden aan het
district Utrecht omdat de inkomsten ook door het organisatieonderdeel van het district Utrecht
worden gegenereerd.
8. Het zelf reinigen van kleding op de beroepsposten levert direct vanaf 2015 een bezuiniging op
van € 25.000. De benodigde voorzieningen zijn binnen het district Utrecht al aanwezig om dit
zelf te doen in plaats van uit te besteden aan een extern bedrijf. Deze structurele bezuiniging is
direct gekoppeld aan de kosten voor het repressieve personeel binnen Utrecht en daarom
inboekbaar als maatregel op de brede taakstelling.
9. Op het gebied van realistisch oefenen wordt gebruik gemaakt van externe instructeurs. Binnen
het district Utrecht is personeel aanwezig wat dit ook zou kunnen. Door hier rekening mee te
houden bij het maken van de roosters, is het personeel vanuit het district Utrecht deels
inzetbaar als instructeur. Het werken met eigen instructeurs in plaats van met externe
instructeurs werkt kostenbesparend. Er geldt een andere tariefstelling en er is geen sprake van
BTW-lasten. Deze maatregel is direct per 2015 inboekbaar en levert in 2015 een verwachte
bezuiniging op van € 30.000 en daarna een bezuiniging van €60.000. Omdat het hier personeel
betreft uit het district Utrecht, kan deze bezuiniging volledig toegerekend worden aan Utrecht.
Met het effecturen van deze mogelijkheden kan de efficiency binnen de begrotingsperiode worden
gerealiseerd.
2015
Opdracht
Realisatie
Jaarsaldo
Cumulatief
770.000
770.000
770.000
2016
600.000
1.016.000
416.000
1.186.000
2017
1.200.000
927.000
273.000[-]
912.000
2018
1.835.000
1.108.000
727.000[-]
185.000
3