Introductie

Thema: Prepress
Photoshop
OPDRACHTKAART
Thema: Prepress
Photoshop 1
Introductie Photoshop (6.0)
Voorkennis:
Je moet met een computer om kunnen gaan.
Intro:
Adobe Photoshop is een computer-programma
voor het bewerken van foto’s, illustraties en lijnmodellen.
Het programma Photoshop werkt samen met het
tekenprogramma Illustrator en het opmaakprogramma InDesign.
Met deze opdracht maak je kennis met allerlei
begrippen en leer je werken met verschillende
gereedschappen uit het programma Photoshop.
Doelen:
Als je deze opdracht hebt uitgevoerd, voldoe je aan de volgende doelstellingen:
– Je kunt aangeven wat een lijnmodel is.
– Je kunt aangeven wat grijswaarden zijn.
– Je kent het verschil tussen RGB en CMYK.
– Je kunt met selectiegereedschappen werken.
– Je kunt delen van een afbeelding selecteren en inkleuren met verschillende effecten
(kleuren, raster en verloopraster).
Activiteiten:
1. Lees de theorie Introductie Photoshop.
2. Beantwoord de vragen van de toets Photoshop 1.
3. Maak daarna praktijkopdracht 1 (introductie Photoshop).
Maak deze opdracht op briefkaartformaat (10 x 15 cm).
4. Bewaar je opdrachten in je map.
Tijd:
Voor deze opdracht heb je ongeveer 6 lesuren
nodig:
– Theorie ongeveer 1 lesuur
– Praktijk ongeveer 5 lesuren
Materiaal:
– Computer.
– Printer.
– Bestand “briefkaart”.
Beoordeling:
– Zijn er bij het inkleuren verschillende mogelijkheden gebruikt?
– Zijn de vragen goed beantwoord?
– Is de opdracht goed opgeslagen?
PP-03-01-01
Theorie
Thema: Prepress
Photoshop 1
Introductie Photoshop (6.0)
Voor je met Adobe Photoshop gaat werken moet je
weten waar dit programma voor gebruikt kan worden.
Photoshop is het meest gebruikte bewerkingsprogramma in de grafimedia.
Je kunt Photoshop gebruiken om foto’s, dia’s, lijntekeningen en logo’s te scannen en te bewerken.
Na het scannen kun je afbeeldingen bijvoorbeeld lichter of donkerder maken.
Je kunt afbeeldingen veranderen en manipuleren, dat
is bijvoorbeeld elementen toevoegen, draaien of verwijderen.
Logo’s zijn beeldmerken van bedrijven of instellingen.
Je kunt met Photoshop logo’s aanpassen.
Nadat je een afbeelding bewerkt hebt, gebruik je die in
andere programma’s, zoals Illustrator en InDesign.
Deze twee programma’s werken uitstekend samen met
Photoshop.
Hier volgen enkele begrippen die je nodig hebt bij de
volgende lessen.
Resolutie
De resolutie geeft aan hoeveel pixels (beeldpunten) er
per oppervlakte worden gebruikt. Hoe hoger de resolutie hoe scherper wordt het beeld dat je krijgt.
De resolutie kan op de volgende manieren worden
aangegeven:
PP-03-01-02
A. Lijnmodel
Een lijnmodel bestaat uit zwart en wit, er zijn geen
tussentinten.
Je moet hierbij denken aan een pentekening of getypte
tekst.
B. Halftoonmodel
Een halftoonmodel is opgebouwd van wit naar zwart
met tussenliggende grijswaarden. Hierbij kun je denken aan bijvoorbeeld een zwartwit-foto waar je wit,
lichtgrijs, donkergrijs en zwart ziet.
C. Doorzichtmodellen
Dit zijn modellen zoals dia’s en negatieven van foto’s.
In Photoshop kun je op verschillende manieren werken met kleur.
Je kunt de RGB- of de CMYK-mode gebruiken.
De RGB-mode bestaat uit rood, geel en blauw, en
wordt gebruikt voor het bewerken van beelden voor
bijvoorbeeld CD-Rom-producties en web-design.
Dus voor bestanden om op beeldschermen te gebruiken.
DPI
dots per inch / pixels per strekkende inch.
De CMYK-mode bestaat uit de drukkleuren cyaan,
magenta, yellow, black. Deze mode wordt gebruikt als
het eindresultaat drukwerk moet zijn.
Je werkt in de opdrachten Photoshop voorlopig met
de CMYK-mode.
Het gaat alleen om drukwerkopdrachten.
LPI
lijnen per inch.
Verder kennen we nog een verschil tussen bitmapafbeeldingen en vector-afbeeldingen.
Bitmap-afbeeldingen
Bitmap-afbeeldingen zijn opgebouwd uit pixels (punten).
Doordat je bij het vergroten de punten mee vergroot
wordt het beeld onduidelijk.
200 LPI (200 lijnen per inch)
100 LPI (100 lijnen per inch)
Opnamemodellen
Er kunnen opnamen gemaakt worden van een tekening, foto, dia enz.
Dit noemen we modellen. Opnamemodellen worden
onderverdeeld in:
Opbouw van een bitmapafbeelding
Theorie
Photoshop 1
Vector-afbeeldingen
Deze zijn opgebouwd uit lijnen, vlakken en curves.
Als vector-afbeeldingen worden vergroot blijft het
beeld strak.
Opbouw van een vectorafbeelding
Lagen
In Photoshop kun je met lagen werken.
Dit kan je vergelijken met transparante vellen, die over
elkaar worden gebruikt.
Elke laag kan apart worden bewerkt, zonder dat dit
invloed heeft op een andere laag.
Het voordeel van het werken in lagen is. dat je deze los
van elkaar kunt bewerken.
Door het gebruik van lagen kun je bijvoorbeeld twee
foto’s in elkaar monteren.
Thema: Prepress
PP-03-01-03
Toets
Photoshop 1
Introductie Photoshop (6.0)
1.
Waar wordt het programma Photoshop voor gebruikt?
2.
Met welke programma’s werkt Photoshop onder andere goed samen?
3.
Omschrijf het begrip resolutie.
4.
Hoe kan resolutie worden aangegeven?
5.
Noem drie soorten opnamemodellen.
6.
Wanneer gebruik je de RGB-mode?
7.
Wanneer gebruik je de CMYK-mode?
8.
Wat zijn bitmap-afbeeldingen?
9.
Wat zijn vector-afbeeldingen?
10. Noem een voordeel van het werken met lagen.
Thema: Prepress
PP-03-01-04
PRAKTIJKOPDRACHT
Thema: Prepress
Photoshop 1
PP-03-01-05
Introductie Photoshop (6.0)
Doelen:
Na deze opdracht kun je:
– Aangeven wat een lijnmodel is.
– Een lijnmodel plaatsen/importeren.
– Een lijnmodel omzetten naar CMYK.
– Het lijnmodel bewerken.
– Het lijnmodel inkleuren, dus kleur, verloop en andere effecten aanbrengen.
Wat heb je nodig:
– Computer.
– Printer.
– Bestand “briefkaart”.
■
■
Tijd:
Voor deze praktijkopdracht heb je ongeveer 5 lesuren nodig.
Wat ga je doen:
De opdracht stap voor stap:
Het bestand “briefkaart” is een ingescande kaart.
Je gaat nu het bestand “briefkaart” inkleuren en voorzien van verschillende efffecten.
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
–
Start de computer.
Open het bestand “briefkaart”.
Kies nu Opslaan als en geef het bestand jouw naam.
Vergeet niet om tussendoor je werk op te slaan (Bestand opslaan).
Print het bestand eerst 1 keer uit en geef hierop aan wat je gaat inkleuren.
Zet nu het geopende bestand om van lijnopname naar CMYK.
Het omzetten is nodig om de tekening te kunnen bewerken.
Als je niet weet hoe je het lijnmodel om moet zetten naar CMYK kijk dan op de instructiekaart
Photoshop opdracht 1.
Klik het vergrootglas aan en klik op het te bewerken gedeelte.
Herhaal dit tot je een werkbare grootte bereikt hebt.
Als je niet tevreden bent met een handeling ga dan naar Bewerken en klik daar het ongedaan maken
van deze handeling aan.
Kies met de cursor het toverstafje en klik een te vullen gedeelte aan.
Het aangeklikte gedeelte zal nu gaan bewegen en is geselecteerd.
Kies het emmertje en klik in het geselecteerde gedeelte.
Selecteer opnieuw een gedeelte met het toverstafje.
Kies nu een verloop.
Klik op een punt in het geselecteerde gedeelte en houdt de muisknop ingedrukt, sleep naar een
ander gewenst punt en laat de muis los.
PRAKTIJKOPDRACHT
Thema: Prepress
Photoshop 1
PP-03-01-06
Er zijn verschillende mogelijkheden van verlooprasters.
De mogelijkheden kun je vinden in de functiebalk linksboven.
Zie ook de instructiekaart.
– Kies verloop, uit de gereedschapbalk en kijk links boven naar de functiebalk.
– Kies nu een gewenst verloop. Probeer er maar een paar uit.
■
■
Ook kun je de kleur veranderen.
– Kies het menu Venster en ga naar Toon kleuren.
Er verschijnt nu een palet met kleuren op je beeldscherm.
– Klik een gewenste kleur aan: het vakje linksonder het gereedschapspalet verandert nu van kleur.
– Probeer verschillende kleuren uit.
– Kies nu het pipetje en klik een kleur in je afbeelding aan. Je ziet nu de kleur veranderen in de
gereedschapsbalk.
– Selecteer bijvoorbeeld met het toverstafje een gewenst gebied en gebruik de Backspace-toets. Als er
geen kleur verschijnt moet je de vlakjes onderin de gereedschapsbalk verwisselen met de gewenste
kleur.
■
■
Kleur nu de hele tekening in en gebruik verschillende verlopen en kleuren.
Gebruik ook enkele gereedschappen, zoals:
– Het gummetje.
– Het penseel.
– Sla je werk tussendoor regelmatig op.
■
■
Als je de tekening hebt ingekleurd sla je deze op in je eigen werkmap.
– Print nu de opdracht uit.
– Controleer de opdracht met de checklist.
– Lever de opdracht in bij de docent.
■
Bewaar:
– Een uitdraai van de lijnopname.
– Een uitdraai van het eindresultaat.
– De uitwerking van toets opdracht 1.
Checklist
Thema: Prepress
Photoshop 1
PP-03-01-07
Leerling
Docent
Zijn de kleuren goed ingevuld?
O
O
Zijn de verschillende mogelijkheden goed gebruikt?
O
O
Heb je het werk goed opgeslagen?
O
O
Zijn de vragen goed gecontroleerd?
O
O
Instructiekaart
Thema: Prepress
Photoshop 1
PP-03-01-08
Introductie Photoshop (6.0)
Omzetten van een lijnopname naar CMYK
Om een lijnopname te kunnen bewerken in Photoshop moet deze worden omgezet in een andere modus. Een
modus is een manier van bewerken.
Het omzetten gaat als volgt:
– Ga naar het menu Afbeelding en klik Modus aan.
– Klik vervolgens op Grijswaarden en OK bij verhoudingen (1).
– Ga weer naar Afbeelding, klik modus aan en klik nu CMYK aan.
Wanner een opdracht moet worden gedrukt, dan moet je CMYK gebruiken.
Bij beeldschermgebruik kies je de RGB-mode.
De tekening kan nu worden bewerkt met verschillende gereedschappen en kleuren.
Gereedschappen die je nodig hebt bij opdracht 1:
Selectiekader, hierbij zijn verschillende mogelijkheden om in één keer een heel gebied te selecteren.
Als je op een gewenst punt klikt kun je een vierkant of cirkel maken, die dan is geselecteerd.
Toverstaf, hiermee kun je gebieden selecteren.
Het gebied dat je selecteert moet wel gesloten zijn.
Verloop, hiermee kun je delen inkleuren met een bepaald effect.
De mogelijkheden zijn:
– lineairverloop
– radiaalverloop
– hoekverloop
– gespiegeld verloop
– ruitverloop
In de werkbalk, onder de menubalk, zie je ook nog verschillende mogelijkheden om kleuren te veranderen.
Gum, hiermee kun je grove delen binnen een selectie wissen.
Penseel, hiermee kun je in geselecteerde delen inkleuren.
Pipetje, hiermee kun je een kleur in je afbeelding, die je nog een keer wilt gebruiken aanklikken.
Je ziet nu het vlakje linksonder die kleur aannemen.
Emmertje, hiermee kun je de kleur die je in het vakje hebt staan in een geselecteerd gedeelte inkleuren.